Jezus aan een paal terechtgesteld


Jezus werd niet aan een 'kruis', maar aan een 'paal' (stauros) terechtgesteld.

Dr. Gunnar Samuelsson
De Zweedse theoloog Dr. Gunnar Samuelsson schreef in 2010 het proefschrift: 'Kruisiging in de oudheid - Een onderzoek naar de achtergrond en betekenis van de nieuwtestamentische terminologie van de kruisiging';
en kwam tot bovenstaande bevinding.

Inhoud

Conclusie proefschrift
Geschiedenis
Merktekens
Constantijn de Grote
Invloed van de heidens/christelijke keizer
De Vulgaat
Bronnen

Conclusie proefschrift
De conclusie van zijn uitgebreide literatuurstudie is, dat in de eeuwen rond de terechtstelling van Jezus in de oude talen (d.w.z. Grieks, Latijn en Hebreeuws/Aramees) geen enkele tekst is te vinden, die een terechtstelling beschrijft in de vorm van wat nu een 'kruisiging' wordt genoemd: ophanging aan een paal met een dwarsbalk onder de top ✝︎: het kruis dat niet zonder reden het 'Latijnse kruis' is gaan heten.
De vertalers (met ten slotte Hiëronymus) die aan het einde van de 3e eeuw de Griekse oertekst van de evangeliën overzetten naar het Latijn van wat nu de Vulgaat heet, vertaalden ten onrechte het Griekse woord 'stauros': paal met het Latijnse woord 'crux': kruis en vertaalden het Griekse werkwoord 'stauro-oo': 'aan een paal hechten' met 'crucifixus': aan een kruis bevestigen, dus: 'kruisigen'.
Het enige wat in de Griekse oertekst van het Nieuwe Testament over Jezus' terechtstelling kan worden gevonden, is, dat hij werd veroordeeld tot ophanging; dat Jezus (of Simon), nadat hij was gegeseld, een 'stauros' (paal) naar de plaats van de terechtstelling (Golgota, buiten de Oostpoort) moest dragen; dat Jezus werd ontkleed en aan een 'stauros' (paal) werd gehecht, wellicht door eraan te worden vastgenageld en dat op een bord de reden van zijn veroordeling stond geschreven (Matth. 27:26-50; Marcus 15:15-36; Luk. 23:25-46; Joh. 19:1-30).
In tegenstelling tot de beschrijving van de beschuldiging door de Joodse Raad en de veroordeling door Pilatus, geven de evangeliën de gebeurtenissen na Jezus' veroordeling, zijn terechtstelling, zeer bondig weer. Verder is er niets over geschreven. Kenmerken die verder gaan dan deze, zijn niet terug te vinden in de Griekse oertekst of in de oudere literatuur van de Grieks-Romeinse wereld uit die tijd.
Bovenstaande is een samenvatting van de antwoorden op de basisvragen en de conclusie van Samuelssons onderzoek, dat als pdf is te downloaden bij de Universiteit van Göteborg.

Hoe heeft het zover kunnen komen dat de oorspronkelijke Griekse tekst van de evangeliën geweld is aangedaan bij de vertaling naar de Latijnse Vulgaat, waardoor aan de gelovigen een onjuist beeld wordt voorgespiegeld omtrent de toedracht tijdens de terechtstelling van Jezus op Golgota? Alle beschrijvingen en uitbeeldingen van Jezus' terechtstelling die verdergaan dan het weinige, wat in de evangeliën is vermeld, berusten geheel op het verbeeldingsvermogen van latere schrijvers en beeldende kunstenaars.
Het nu gangbare teken, het Latijnse kruis, dat de kern van het christelijke geloof weergeeft: Christus voor ons aan het kruis gestorven, ontstond pas vier eeuwen na de gebeurtenissen op Golgota.

terug naar de Inhoud

Geschiedenis
De eerste eeuwen van het christendom werden door wanorde gekenmerkt. Jezus' leer werd door zijn verschillende zendelingen aan mensen uit een grote verscheidenheid van landen, culturen en godsdiensten bekend gemaakt, die vanuit hun vroegere, eeuwenoude wereldbeschouwingen ieder een eigen invulling gaven aan de nog jonge godsdienst. Daardoor waren er in de eerste eeuwen tientallen christelijke stromingen, waarvan de belangrijkste waren: de joodse christenen die ook nog aan de joodse wetten bleven vasthouden; de heidenen die vanuit hun oude zonnegodsdienst het christendom aannamen en de gnostici, die de jonge godsdienst met filosofische inzichten verbonden en naar een geheel persoonlijke, godsdienstige beleving streefden in de vorm van een innerlijke, geestelijke ontwikkeling. Deze richting werd door het latere instituut de christelijke kerk, op hardhandige wijze monddood gemaakt.
De toenmalige wanorde hing ook samen met het feit, dat er meerdere geschriften waren die het leven en de leer van Jezus beschreven en zijn uitspraken vermeldden. Daar boeken in die tijd van matige kwaliteit waren, moesten zij herhaaldelijk worden overgeschreven; daarbij was de verleiding groot de tekst aan veranderende inzichten of de persoonlijke mening van de schrijver aan te passen of waarbij onbedoeld overschijffouten werden gemaakt. Daardoor was in het verleden niet één boek gelijk aan een ander met dezelfde titel (dat verbeterde pas door de uitvinding van de boekdrukkunst ±1450).
Tegelijkertijd stonden de gelovigen in de eerste eeuwen bloot aan heftige vervolgingen, die moedig werden gedragen doordat de christenen toentertijd vast geloofden in een leven hiernamaals. De wijze waarop gelovigen al liederen zingend ter dood werden gebracht, maakte grote indruk op de omstanders, waardoor Jezus' leer juist in aanzien steeg en het aantal volgelingen toenam.

terug naar de Inhoud

Merktekens
De merktekens waar de christenen in de eerste eeuwen gebruik van maakten, waren vooral het vissen-teken 'ichthus' (Grieks 'ixthys': vis); dit waren de beginletters van de zin: Iesous Xristos, Theou Huies, Sooter: Jezus Christus, Gods Zoon, Redder: de kern van het christelijke geloof. Door Constantijn de Grote kwam ook het Christusmonogram in gebruik, de eerste twee letters chi (X) en rho (P) van het woord Christus in elkaar geschreven.
Ook werd het gelijkbenige Griekse kruis ✛ gebruikt, dat een voortzetting van het zonnewiel was. Het teken van het zonnewiel, een cirkel met een rechtopstaand (⨁) of x-vormig kruis (⨂), was onstaan in de oudheid. Voor de ongeletterde mensheid in die tijd was het leven op aarde vol onbekende gevaren. Besmettelijke ziektes maakten veel slachtoffers, terwijl de oorzaak onbekend was; het klimaat was in het verleden ruwer dan tegenwoordig; in veel streken heerste wetteloosheid, waardoor reizen alleen mogelijk was met gewapende begeleiding. In de beleving van de toenmalige mens werd die op aarde door wanorde omringd, waardoor de behoefte aan een geestelijk houvast levend was.
Dat werd al vroeg gevonden in de vaste omloop van de zon. Alleen de beweging van de zon aan de hemel vertoonde een betrouwbare regelmaat, een ordelijk houvast dat bestond uit de vier dagdelen, de vier jaargetijden en de winter- en zomerzonnewende (solstitium, zonnestilstand); daarvoor werden in de Late Steentijd overal veel tempels gebouwd (zoals Stonehenge). Bovendien was - naast regen - voldoende zonneschijn onontbeerlijk voor plantengroei en daarmee voor het leven op aarde.
Deze hemelse orde van de zon moest met het aardse bestaan worden verbonden en daardoe ontwikkelden zich overal op aarde in de mensheid zinnebeeldige tekens zoals het zonnewiel in allerlei vormen (waaronder de swastika, Sanskriet, het 'su-as-tika': het goed-zijn-teken). Deze tekens werden als amulet (talisman, fetisj) overal op aangebracht en als sierraden gedragen, om zich tegen onheil te beschermen.
De betekenis van het zonnewiel (het dagelijkse ondergaan en de volgende ochtend weer oprijzen van de zon) werd door de eerste christenen met de betekenis van Christus verbonden door diens dood en opstanding, en het zonnewiel leefde daardoor in het christendom voort als het Griekse kruis.

Ook werd de zon als godheid aanbeden, bij de Egyptenaren als Ra en Atoem, bij de Grieken als Apollo en bij de Romeinen als Helios. Vanuit het Midden-Oosten had Tammuz, de god van de gewassen en de oogst, zich overal een plaats veroverd, samen met zijn paargenote, de vruchtbaarheidsgodin Inanna. Tammuz was de god van de lente en de herfst; hij was de oorzaak van de groei van de gewassen in de lente en het afsterven en oogsten daarvan in de herfst. In de lente beleefde hij zijn opstanding, in de herfst zijn sterven; daarmee werd hij de god van opbloei en afsterven, van leven en dood. Zijn merkbeeld was zijn eerste letter, de hoofdletter T in het Grieks, waardoor hij werd verbonden met het Tau-kruis T.

terug naar de Inhoud

Constantijn de Grote
Alle oude godsdiensten bleven in de eerste eeuwen naast het christendom bestaan, dat er a.h.w. als een nieuwkomer bij was gekomen. Er was namelijk in de eerste eeuwen geen eenheid, er was nog niet één, duidelijk aanwezig instituut, waar een bevoegd gezag van uit kon gaan; iedere gemeente had een zekere zelfstandigheid. Dat veranderde geheel door het optreden van keizer Constantijn (273-337), later de Grote genoemd, in de vierde eeuw.
In de tijd van Constantijn ontstond er in het Romeinse Rijk een strijd om de keizerlijke macht. Vóór de beslissende veldslag tegen Maxentius om de Milvische brug over de Tiber ten Noorden van Rome, kreeg Constantijn een visioen: hij zag een zon met daarboven een kruis; daarbij hoorde hij in het Grieks de woorden: 'in hoc signo vinces': in dit teken zul je overwinnen (IHS). Constantijn liet dit teken overal op aanbrengen bij zijn soldaten en behaalde inderdaad de overwinning. Hij schreef toen zijn overwinning toe aan de god van de christenen, maar na zijn overwinning bracht Constantijn wel gewoontegetrouw weer offers aan de Romeinse goden. Constantijd had alleen maar de god van de christenen aan de rij van reeds bestaande goden toegevoegd.
Echter, door de aanvaarding van het christendom door Constantijn hielden de vervolgingen op en kregen de christenen in het Romeinse rijk godsdienstvrijheid. Zijn opvolger Theodosius voerde later ook het christendom als staatsgodsdienst in.

terug naar de Inhoud

Invloed van de heidens/christelijke keizer Constantijn de Grote
Constantijn zag zichzelf als de vertegenwoordiger van God op aarde, zoals bij Romeinse keizers gebruikelijk was en hij ging zich indringend met de jonge kerk bemoeien. Hij streefde naar eenheid in de kerk om daardoor rust in zijn rijk te krijgen; dat was zijn hoofddoel. Daartoe stelde hij ook kerkvergaderingen in, concilies genaamd. Op de besluitvorming aldaar oefende hij een grote invloed uit. Er ontstond door zijn optreden een volstrekte eenheid tussen kerk en staat, maar helaas voor hem veroorzaakten de concilies ook de verscherping van tegenstellingen en daardoor juist afscheidingen.
Tegelijkertijd bleef hij echter ook zijn oude Romeinse god Sol Invictus (de onoverwinnelijke zon) trouw en liet toe dat, net als hijzelf, nieuwe leden van de kerk hun oude goden mochten behouden. Daardoor bleef ook Tammuz met zijn T levend binnen het christendom. In zijn tijd waren in de nog jonge kerk o.a. de zonaanbidding in de vorm van het zonnewiel, de aanbidding van Tammuz en van Jezus onder de gelovigen te vinden.
1. Het zonnewiel in de vorm van ⨁ of ⨂ of in de vorm van het Griekse kruis ✛ betekende o.a. de jaargetijden als lente, zomer, herfst en winter, wat ook inhield de vruchtbaarheid en groei in de lente en in de herfst de oogst en het afsterven, en na de winter in de lente weer opnieuw vruchtbaarheid en groei door de zon.
2. De betekenis van Tammuz met zijn T (in Egypte het ☥ ankh-kruis) was: in de lente vruchtbaarheid en groei, in de herfst oogst en afsterven van de natuur.
3. Terwijl de betekenis Jezus was: dood (herfst) en opstanding (lente) van een godmens.
Deze vermenging van godsdienstige voorstellingsbeelden veroorzaakte ook een vermenging van hun zinnebeelden, waardoor er een ontwikkeling verliep waarbij de T van Tammuz en het Griekse kruis ✛ samen een nieuw kruis voortbrachten, het Latijns kruis ✝︎ met een dwarsbalk onder de top; dat gebeurde in de 4e en 5e eeuw en toen verschenen, eerst in de gebouwen en later ook op de torens, Latijnse kruizen.
Dat gebeurde echter alleen in de Westerse kerk, niet in de Oosters Orthodoxe kerk, waar men nog lang aan het Griekse kruis bleef vasthouden. Het Griekse en Latijnse kruis bleven daarna naast elkaar voorbestaan, ook in de huidige tijd (bijvoorbeeld het Griekse kruis als inwijdingskruis in kerken), maar het Griekse kruis is er altijd geweest; het Latijnse kruis is er later pas bij gekomen en is in feite een voortbrengsel van twee 'heidense' kruizen.

terug naar de Inhoud

De Vulgaat
De canon (van Grieks 'kanoon': maatstaf) van het Nieuwe Testament kreeg voor het eerst zijn huidige vorm door bisschop Athanasius van Alexandrië in 367. Hiëronymus gebruikte de lijst van Athanasius als canonieke standaard, evenals Paus Innocentius I. Het Concilie van Hippo koos in 393 voor die canon en tijdens het 3e concilie van Carthago in 397 werd die officieel door de Latijnse kerk vastgelegd.
Paus Damasus gaf aan het einde van de 4e eeuw aan de kerkvader Hiëronymus de opdracht een Bijbelvertaling te maken in het Latijn. Hij maakte die vertaling tussen 390 en 405 in het volkslatijn (vulgata), waardoor hij De Vulgaat (Editio Vulgata) werd genoemd. In die tijd was het Latijnse kruis zoals beschreven in het Westen gemeengoed geworden, waardoor Hiëronymus blijkbaar besloot het Griekse woord 'stauros' (paal) uit de Griekse oertekst te vertalen met het Latijnse woord voor kruis: 'crux', en het Griekse 'stauro-oo': aan een paal bevestigen, te vertalen met 'crucifixus': kruisigen.
Vóór Hiëronymus waren er ook al vertalingen gemaakt en bovendien maakte Hiëronymus zelf meerdere versies van zijn vertaling, waardoor er in de jonge kerk meerdere vertalingen van de Griekse oertekst werden gebruikt. Daarom werd in 1546 tijdens het Concilie van Trente één van de vertalingen als enige gezaghebbende goedgekeurd. Vervolgens zijn vanuit die Vulgaat vele vertalingen in de landstalen gemaakt. Tegelijkertijd zijn op grond van deze vertaling veel kunstenaars en schrijvers aan de slag gegaan en hebben de terechtstelling van Jezus met een Latijns kruis uitgebeeld, waardoor deze onjuiste voorstelling van zaken heden ten dage bij de gelovigen gemeengoed is geworden.

terug naar de Inhoud

Bronnen:
Gunnar Samuelsson; 'Kruisiging in de oudheid - Een onderzoek naar de achtergrond en betekenis van de nieuwtestamentische terminologie van de kruisiging' (2010)
Watchtower online library - Kruis
Wikipedia
www.hetbestenieuws.nl; De geschiedenis van het kruis:
1. James A. Strong, Strongs Exhaustive Concordance, #4716
2. E.W. Bullinger, A Critical Lexicon and Concordance to the English and Greek New Testament
3. Concordant Keyword Concordance, page 63
4. Thayers Greek-English Lexicon of the New Testament
5. The Cyclopdia of Biblical, Theological, and Ecclesiastical Literature
6. The International Standard Bible Encyclopedia, Vol. 1, p. 825
7. E.W. Bullinger, The Companion Bible, Appendix 162: The Cross and the Crucifixion
8. W.E. Vine, Expository Dicitionary of New Testament Words, (Old Tappan, New Jersy: Fleming H. Revell Company), Vol. 1, p. 256


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^