5  De geestelijke hereniging


"Streef er naar het goddelijke in jezelf terug te brengen naar het goddelijke in het alomvattende."
Plotinus van Alexandrië filosoof (±204 - 270 n.Chr.)

Het uiteindelijke doel van geestkunde is de hereniging met de algeest, de hereniging met de bron waaruit je ooit bent voortgekomen en ook weer naar toe zult gaan.

5.1 De zelfbezinning
Heb je door zelfopvoeding je oorspronkelijke, geestelijke geaardheid verwerkelijkt en ben je daardoor helemaal jezelf geworden, dan zul je gaan verlangen naar een band met je geestelijke oorsprong. De hereniging daarmee kun je bereiken door het oefenen van zelfbezinning,omdat je je daarmee niet alleen bezint op jezelf, maar ook op het brandpunt in de algeest, dat je zelf in wezen bent.
Zelfbezinning is een bezinning op het wezenlijke van jezelf. Richt daarom als zelfbezinningsoefening al je aandacht en toewijding op jezelf als geest door te beseffen, dat jij als geest niet dit lichaam bent, noch de omstandigheden in dit tijdelijke bestaan, noch de inhouden van je geheugen, die zich tijdens je oefening aan je opdringen; maar dat je alleen de menselijke geest bent, de zelfbewuste levenskracht, die in zichzelf de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en er dan iets mee wil doen.

5.2 De stille herhaling
De zelfbezonnen geestesgesteldheid die je door deze oefening bereikt, is vooral in het begin heel vluchtig. Om deze geestesgesteldheid te kunnen vasthouden, is het nuttig een hulpmiddel te gebruiken en dat is: de beoefening van stille herhaling. Deze geestelijke oefening houdt in, dat je een woord, gebed of een korte tekst met geestelijke strekking, stil voor jezelf herhaalt.
Door deze oefening schep je zélf in jezelf een innerlijke orde en word je 'een en al jezelf' als geest: de uit zichzelf werkzame bron van de gedachten en gevoelens, die je in jezelf onder woorden brengt.

5.3 De toestand van eenvoud en stilte
Als je in jezelf die innerlijke orde hebt bereikt, ga dan vervolgens met je aandacht af van de betékenis van het woord. Richt je aandacht nu in de stilte tússen de woorden op die bewuste kracht, die je zélf bent en die, in die vóórwoordelijke stilte, de bron is van de woorden, die je in jezelf wilt gaan spreken. Dit overbrengen van je aandacht en toewijding van datgene, wát je vormt, naar diegene, die vórmt, jij zelf als menselijke geest, is het beslissende gebeuren. Dít is de overgang van bezinning naar zelfbezinning.
Deze zelfbezinning brengt je terug tot het besef alleen de geest te zijn, alleen de bewuste, vermogende levenskracht te zijn. Hierdoor kom je in een toestand van uiterste eenvoud en innerlijke stilte, en deze toestand van eenvoud en stilte is de geestelijke oertoestand.

5.4 Geestelijke inwerking en vervoering
Het bereiken van deze oertoestand heeft tot gevolg, dat er vanuit je geestelijke oorsprong een kracht op jou kan gaan inwerken, want door die eenvoud en stilte is je geestesgesteldheid met die van je oorsprong in overeenstemming gekomen. Door deze geestelijke inwerking word je geestelijk in beweging gebracht, word je geestelijk ontroerd en dit is het begin van de hereniging van jezelf als menselijke geest met je oorsprong.
Op een gegeven ogenblik zul je kunnen ervaren, hoe je vanuit die oertoestand in vervoering raakt en in je geestelijke oorsprong wordt opgenomen. Je ervaart dan hoe je wordt opgenomen in een jou geheel omstralend en doordringend licht; terwijl je wordt doorstroomd door een innige, verwarmende liefde, wat een met niets te vergelijken oerervaring is.

5.5 Een brandpunt van licht en warmte
Wat je zo ervaart, is, dat geest en kracht, licht en liefde, vrede en waarheid door je heen gaan stromen. Wat je zo ervaart is het goddelijke. Maar wat je zo ervaart, dat ben je in wezen ook zelf! Je ervaart jezelf als een vonkje geest úit en ín de goddelijke algeest; je ervaart jezelf als een brandpunt van licht en warmte in onze God als die alomtegenwoordige zee van datzelfde, geestelijke licht en diezelfde, geestelijke warmte.
In deze toestand van hereniging zijn beide geesten volkomen in elkaar op gegaan: jij bent, wat dát is en dát is, wat jij bent, wat een toestand van volmaakte vereniging is; maar toch is er één verschil gebleven: jijbent de kléine geest en ervaart jezelf als een deel van de gróte geest, van onze God als de alomtegenwoordige algeest.

5.6 Gods alomtegenwoordigheid
Door die alomtegenwoordigheid heeft God het ál in zichzelf en is daardoor alwetend, wat samenhangt met het waarnemingsvermogen;
door die alomtegenwoordigheid kan God álles in zichzelf met elkaar verbinden en is daardoor de alwijsheid, wat samenhangt met het denkvermogen;
door die alomtegenwoordigheid verbindt God álles met zichzelf en is daardoor alliefhebbend, wat samenhangt met het voelen;
door die alomtegenwoordigheid kan God álles in zichzelf voltrekken en is daardoor almachtig, wat samenhangt met het willen.
Zo is het einde van deze verhandeling weer verbonden met het begin doordat je kunt erváren, dat je als menselijke geest een uitdrukking bent van de goddelijke algeest.

5.7 God als vader en moeder
Door vervoering kun je in de geestelijke wereld worden opgetrokken en dan ervaar je dat God de algeest is, die zich in de óngevormde oertoestand aan je voordoet als een zee van zuiver licht en warmte. Omgekeerd kan God ook, in de gevórmde toestand, in de vorm van een geestgedaante, zich persoonlijk aan jou openbaren. In deze geestgedaante, die Gods heilige geest is, komt de goddelijke algeest onmiddellijk als persoon tot uitdrukking. Deze heilige geest is met de naam Jezus bij ons op aarde geweest.
In deze gevormde toestand kun je ervaren dat God je 'vadermoeder' is, dat je geestelijk uit je goddelijke ouders bent geboren en dat je in wezen hun godenkind bent; dat het wezenlijke van de 'godheid' het gezin is als de beide goddelijke ouders en hun godenkind; en dat de gehele mensheid als Gods kinderen in feite Gods gezin is.

De volgende bijbelteksten beschrijven de toestand van hereniging met God.
Er zijn namelijk drie mogelijkheden om het voorzetsel dat in het Grieks in Lukas 17:21 wordt gebruikt voor de uitspraak van Jezus over het godsrijk, te vertalen:
1) Het godsrijk is 'binnen in jullie' (in jullie harten).
2) Het godsrijk is 'in jullie midden' (d.w.z. in de persoon van Jezus en zijn woorden en daden).
3) Het godsrijk is 'binnen jullie bereik' (als jullie de juiste keuze maken).
Dit komt overeen met de betekenis van:
Johannes 17:21. "Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn."


Gods algeestvonk
zijn wij
Jezus beschrijft hier de toestand van de algeest (de Vader). Binnen de algeest ontstaat eerst door verdichting het algeestmiddelpunt: Gods heilige geest (die in Jezus bij ons is geweest), waarin de eigenschappen van de algeest onmiddellijk en volledig aanwezig zijn; en daarna ontstaan door zo'n zelfde verdichting de menselijke algeestvonken, die in aanleg de mogelijkheid hebben weer met de geestesgesteldheid van de algeest in overeenstemming te komen door de geestelijke vermogens te ontwikkelen tot het geweten en de deugden; zo komt hun geestesgesteldheid in overeenstemming met het algeestmiddelpunt en kunnen zij zich er weer mee herenigen.

Dit beschrijft Jezus in zijn toespraak tot de leerlingen in Johannes 17:20-23 tijdens het laatste avondmaal:
"Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, […] Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij hebt gegeven, opdat zij één zijn zoals wij: ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden, en dat u hen liefhad zoals u mij liefhad."


De algeest als de goddelijke geest heeft een zelfbeeld van zichzelf
tot zichzelf als algeestvonk verdicht, de menselijke geest;
en heeft aan dat zelfbeeld van zichzelf de aanleg meegegeven
zich - met stille hulp van boven - tot persoonlijke zelfstandigheid te ontwikkelen.


naar het mensbeeld





^