De I Tjing en geestkunde


Deze serie van acht onderwerpen is bedoeld om te laten zien hoe vanuit het gezichtspunt van geestkunde deze grote geesten, uit verschillende culturen en tijdperken, met elkaar samenhangen. Tijdens mijn vergelijkende godsdienststudie zocht ik naar eenheid in de verscheidenheid. Dat is de reden waarom ik zo vrij ben geweest, weliswaar met schroom, hun teksten in te delen naar geestkundige aandachtspunten, om zo een vergelijking mogelijk te maken.

Wetenschap is een menselijk streven naar het verwerven van betrouwbare kennis door onderzoek te doen naar waarneembare zaken en daar toetsbare gedachten over te vormen, die door anderen kunnen worden getest. Die 'anderen' zijn in het geval van mystiek de mystici uit het verleden. Komen hun bevindingen overeen met die van mij, dan is er sprake van mystieke wetenschap.

De I Tjing, het Boek der Veranderingen, is een wijsheidsboek waarvan de bronnen verborgen liggen in het grijze verleden; het is het oudste en tegelijk diepzinnigste boek uit de wereldliteratuur. De grondslag ervan is blijkbaar algemeen menselijk, want niet alleen in vroeger tijden, maar ook in de huidige tijd wordt de geestelijke waarde ervan door lezers herkend. Blijkbaar beschikten onze verre voorouders al over een wijsheid, die ook de moderne mens nog steeds kan aanspreken en die daardoor als duurzame waarheid kan worden erkend.
De hoofdpersoon uit het boek wordt 'de edele' genoemd; maar die aanduiding slaat ook op de mens die er ten slotte toe gekomen is zichzelf de levensvragen te stellen en daarvoor het boek raadpleegt. Aangezien het om de hoofdpersoon gaat, stelde ik mijzelf de vraag wie deze edele is en door welke persoonlijkheid hij wordt gekenmerkt. Om het antwoord te krijgen, verzamelde ik een groot aantal uitspraken die in het boek over de edele worden gedaan. De beschrijving van dat onderzoek is te vinden bij punt 1 van de inhoudsopgave.
Bij de bestudering van die persoonlijkheidseigenschappen herkende ik de eigenschappen van de vier geestelijke vermogens, zoals ik die in geestkunde heb beschreven. De eigenschappen van de edele bleken ook op eenvoudige wijze in daarmee overeenkomende groepen te kunnen worden geordend, wat te vinden is bij punt 2 van de inhoudsopgave. Hieruit blijkt dat de edele uit de I Tjing iemand is die de dingen grondig waarneemt, ze diep overdenkt en doorvoelt, vervolgens een juist besluit neemt en dat wil uitvoeren.
Vervolgens besloot ik de I Tjing zelf te laten oordelen over de waarde van mijn bevindingen door het zesmaal werpen van de drie munten zoals dat in het boek is beschreven. Het antwoord van de I Tjing als een oordeel over zichzelf is te vinden onder punt 3. Het antwoord komt volkomen met mijn bevindingen overeen en is er een bevestiging van. Niet alleen herkent de I Tjing zichzelf blijkbaar in mijn geestkundige benadering, maar geeft er ook nog een daarop aansluitende aanvulling bij in de vorm van een beschrijving van de uit- en ingekeerde instelling.

Een kernbegrip uit de Chinese wijsbegeerte is het tau (dao). Het teken voor tau is samengesteld uit twee andere, met de betekenis 'hoofd' en 'gaan'. Het teken voor 'hoofd' staat rechtsboven, dat voor 'gaan' linksbeneden; de Chinees leest v.r.n.l.
Afb.: drie schrijfwijzen van 'dao'. Bron: Hans van den Broek Kisling, China-Y.

'Hoofd-gaan' betekent: de mens die loopt, of figuurlijk: 'geestelijke ontwikkeling'.
M.a.w. de ontwikkeling van de menselijke geest staat in het middelpunt van de belangstelling in het Chinese wijsgerige denken.

Inhoud

1. Wat voor een persoon is de edele uit de I Tjing?
2. Wat zijn de persoonlijkheidseigenschappen van de edele?
3. Wat is het oordeel van de I Tjing over de edele?
4. De overeenstemming tussen de acht oertekens en de geestelijke vermogens
5. Het commentaar op de tekstwoorden van Wen Jen
6. De grondslagen van de I Tjing en geestkunde

Bron: I Tjing; het Boek der Veranderingen, vertaling Richard Wilhelm
Uitgeverij Anh-Hermes, 1991, Deventer

1. Een samenvatting van de persoonlijkheidseigenschappen van de edele uit de 64 hexagrammen van het Boek der veranderingen. De nummers geven de hexagrammen aan:

1. De edele maakt zich sterk en onvermoeibaar.
2. De edele draagt de buitenwereld in zijn wijde wezen.
3. De edele werkt ontwarrend en ordenend.
4. De edele ontwikkelt zijn karakter door grondig te handelen.
5. De edele voedt zich, blijmoedig en opgeruimd.
6. De edele overweegt bij alles zorgvuldig het begin.
7. De edele vermeerdert zijn massa's door grootmoedigheid.
9. De edele verfijnt de vorm waarin zijn wezen zich uit.
10. De edele onderscheidt hoog en laag en daardoor versterkt hij de geest van het volk.
11. De edele bestuurt en ordent de gaven van hemel en aarde en staat zo het volk bij.
12. De edele trekt zich terug op zijn innerlijke waarden om moeilijkheden te ontgaan.
Hij laat zich niet door toelagen eren.
13. De edele deelt de stammen in en onderscheidt de dingen.
14. De edele beteugelt het boze en bevordert het goede,
beantwoordend aan de goede wil van de hemel.
15. De edele vermindert wat te veel is en vermeerdert wat te weinig is.
Hij weegt de dingen tegen elkaar af en brengt ze in evenwicht.
16. De oude koningen offerden muziek als offerande aan de hoogste God.
17. De edele keert tegen de tijd van de avondschemering naar huis terug voor ontspanning en rust.
18. De edele wekt de mensen op en sterkt hun geest.
19. De edele is onuitputtelijk in zijn wens te onderrichten en grenzeloos in het beschermen van het volk.
20. De oude koningen bezochten de streken van de wereld.
Zij beschouwden het volk en onderrichtten het.
21. De oude koningen consolideerden de wetten door duidelijk omschreven straffen.
22. De edele waagt het niet in grote strijdvragen te beslissen.
23. De hogeren kunnen alleen door rijke gaven aan de lageren hun positie verzekeren.
24. De oude koningen sloten de passen tijdens de zonnewende en reisden niet.
25. De oude koningen verzorgden, rijk aan deugd, in harmonie met de tijd, alle wezens.
26. De edele leert vele woorden en daden uit het verre verleden kennen,
om daardoor zijn karakter te stalen.
27. De edele slaat acht op zijn woorden en is matig in eten en drinken.
28. Als de edele alleen staat is hij onbezorgd, als hij afstand moet doen, onversaagd.
29. De edele wandelt in voortdurende deugd en wijdt zich aan het onderricht.
30. De grote man verlicht de vier windstreken.
31. De edele laat, door de bereidheid hen op te nemen, de mensen tot zich komen.
33. De edele houdt de gemenen op een afstand, niet toornig, maar beheerst.
34. De edele treedt niet op wegen, die niet in overeenstemming zijn met de orde.
35. De edele geeft zelf glans aan zijn lichtende deugd.
36. Zo leeft de edele met de grote massa: hij verhult zijn glans en blijft toch licht.
37. De edele heeft in zijn woorden zakelijkheid, in zijn levenswandel duur.
38. De edele behoudt, bij alle gemeenschap, zijn individualiteit.
39. De edele wijdt zorg aan zijn persoonlijkheid en vormt zijn karakter.
40. De edele vergeeft fouten en schenkt vergiffenis voor de schuld.
41. De edele bedwingt zijn toorn en beteugelt zijn driften.
42. Ziet de edele iets goed, dan doet hij het na; ziet hij gebreken, dan legt hij ze af.
43. De edele schenkt rijkdom naar beneden, zonder bij zijn deugd lang stil te staan.
45. De edele vernieuwt zijn wapenen om onvoorziene dingen het hoofd te bieden.
46. De edele hoopt vol toewijding kleine dingen op, om iets hoogs en groots tot stand te brengen.
47. De edele zet zijn leven op het spel om zijn wil te volgen.
48. De edele moedigt het volk aan bij het werk en vermaant hen elkaar te helpen.
49. De edele ordent de tijdrekening en klaart de tijden.
50. De edele verankert zijn lot door zijn positie correct te maken.
51. De edele brengt in angst en beven zijn leven in orde en onderzoekt zichzelf.
52. De edele gaat in zijn gedachten niet buiten de situatie.
53. De edele verwijlt in waardige deugd om de zeden te verbeteren.
54. De edele krijgt door de eeuwigheid van het einde begrip van het vergankelijke.
55. De edele onderscheid de processen en legt de straffen ten uitvoer.
56. De edele is klaar van geest en voorzichtig in het toepassen van straffen.
Hij houdt een proces niet slepende.
57. De edele verbreidt zijn geboden en brengt zijn zaken tot stand.
58. De edele komt samen met vrienden voor bespreking en instudering.
59. De oude koningen offerden aan hun heer en bouwden tempels.
60. De edele schept getal en maat en onderzoekt wat de juiste levenswandel is.
61. De edele bespreekt de strafzaken om executies op te houden.
62. De edele hecht in zijn levenswandel het meeste gewicht aan eerbied.
Bij sterfgevallen hecht hij de meeste waarde aan droefheid.
Bij zijn uitgaven betracht hij spaarzaamheid.
63. De edele is op ongeluk bedacht en wapent zich daartegen.
64. De edele is voorzichtig bij de onderscheiding der dingen, zodat alles op zijn plaats komt.

terug naar de Inhoud

2. De persoonlijkheidseigenschappen van de edele in samenhang met de vier geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. Deze geestelijke vermogens vormen de samenstellende onderdelen van de menselijke persoonlijkheid.

waarnemen:
De edele onderscheidt de dingen (waarnemen en denken),
slaat acht op zijn woorden (waarnemen en denken),
wijdt zich aan het onderricht (waarnemen en denken),
onderscheidt hoog en laag (waarnemen en denken),
is voorzichtig bij de onderscheiding der dingen (waarnemen, voelen en denken).

denken:
De edele werkt ontwarrend en ordenend (denken),
verhult zijn glans en blijft toch licht, (denken),
gaat in zijn gedachten niet buiten de situatie (denken),
krijgt door de eeuwigheid van het einde begrip van het vergankelijke (denken),
komt samen met vrienden voor bespreking en instudering (denken),
bestuurt en ordent (denken),
schept getal en maat (denken),
zodat alles op zijn plaats komt (denken),
verlicht (denken) de vier windstreken.

denken, voelen en willen:
De edele overweegt alles zorgvuldig (denken en voelen),
is klaar van geest en voorzichtig in het toepassen van straffen (denken en voelen),
beteugelt het boze en bevordert het goede (voelen en willen),
weegt de dingen tegen elkaar af (denken en voelen),
brengt de dingen in evenwicht (denken en voelen),
wekt de mensen op en sterkt hun geest (voelen en willen),
is onuitputtelijk in het onderrichten (denken en voelen),
grenzeloos in het beschermen (voelen en willen),
als hij afstand moet doen, onversaagd (voelen en willen),
verbreidt zijn geboden en brengt zijn zaken tot stand (denken en willen),
en onderzoekt wat de juiste levenswandel is (voelen en willen),
laat, door de bereidheid hen op te nemen, de mensen tot zich komen (voelen en willen).

voelen:
De edele is blijmoedig en opgeruimd (voelen),
is als hij alleen staat onbezorgd (voelen),
vergeeft fouten en schenkt vergiffenis voor de schuld (voelen),
moedigt het volk aan bij het werk (voelen), vermaant hen elkaar te helpen (voelen),
verwijlt in waardige deugd om de zeden te verbeteren (voelen),
staat het volk bij (voelen),
hecht in zijn levenswandel het meeste gewicht aan eerbied (voelen),
bij sterfgevallen hecht hij de meeste waarde aan droefheid (voelen),
is op ongeluk bedacht en wapent zich daartegen (voelen).

willen:
De edele maakt zich sterk en onvermoeibaar (willen),
is matig in eten en drinken (willen),
is niet toornig, maar beheerst (willen),
bedwingt zijn toorn en beteugelt zijn driften (willen),
hoopt vol toewijding kleine dingen op om iets hoogs en groots tot stand te brengen, (willen)
zet zijn leven op het spel om zijn wil te volgen (willen),
bij zijn uitgaven betracht hij spaarzaamheid (willen).

alle vermogens:
De edele ontwikkelt zijn karakter door grondig te handelen (alle vermogens),
verfijnt de vorm (gedrag) waarin zijn wezen zich uit (zijn persoonlijkheid: alle vermogens),
staalt zijn karakter (persoonlijkheidsgroei: alle vermogens),
wandelt in voortdurende deugd (persoonlijkheid: alle vermogens),
treedt niet op wegen, die niet in overeenstemming zijn met de orde (geweten: alle vermogens),
geeft zelf glans aan zijn lichtende deugd (persoonlijkheid: alle vermogens),
beantwoordt aan de goede wil van de hemel (alle vermogens),
heeft in zijn woorden zakelijkheid (denken), in zijn levenswandel duur (persoonlijkheid: alle vermogens),
behoudt bij alle gemeenschap zijn individualiteit (persoonlijkheid: alle vermogens),
wijdt zorg aan zijn persoonlijkheid en vormt zijn karakter (persoonlijkheid: alle vermogens),
iets goeds doet hij na, gebreken legt hij af (persoonlijkheid: alle vermogens),
schenkt rijkdom naar beneden, bij zijn deugd staat hij niet lang stil (persoonlijkheid: alle vermogens),
verankert zijn lot door zijn positie correct te maken (persoonlijkheid: alle vermogens),
brengt in angst en beven zijn leven in orde en onderzoekt zichzelf (persoonlijkheid: alle vermogens).

Met andere woorden, de beschrijving van de persoonlijkheid van de edele is:
iemand die alle dingen en gebeurtenissen nauwkeurig waarneemt,
het waargenomene grondig overdenkt en diep doorvoelt,
en vervolgens vastberaden zijn besluit wil uitvoeren.

terug naar de Inhoud

3. Naar aanleiding van de bovenstaande gevolgtrekking over de kenmerken van de edele is door mij het oordeel van de I Tjing hierover gevraagd. Het betreft in feite een oordeel van de I Tjing over zichzelf.
Voor deze raadpleging gebruikte ik de drie-muntenmethode.
Het antwoord van de I Tjing is: Hexagram 42, I, De Vermeerdering (zonder bewegende lijnen).

Beschrijving:
De grondgedachte van de I Tjing komt in dit hexagram tot uitdrukking.
Een inspanning van het hogere (de geest met de reeds ontwikkelde vermogens), dat een ontwikkeling van het lagere bewerkt (de nog niet ontwikkelde vermogens), wordt groei genoemd.
Door gade te slaan (waar te nemen) leert men (denken en voelen) hoe men zijn groei en vervolmaking kan bevorderen (willen).
De zedelijke verandering (in de zede, het gedrag komen alle vermogens tot uitdrukking) is de belangrijkste groei van de persoonlijkheid.

Het Beeld:
Ziet de edele iets goeds, dan doet hij het na;
heeft hij gebreken, dan legt hij ze af.

'Ziet de edele': de edele neemt waar;
'iets goeds': door te denken en te voelen beoordeelt de edele dat 'iets' als zijnde 'goed';
'dan doet hij het na': met zijn wilskracht voert hij zijn besluit uit en gedraagt zich volgens dat goede.

'Heeft hij': ziet de edele bij zichzelf (neemt hij waar bij zichzelf);
'gebreken': door te denken en te voelen beoordeelt de edele bepaalde eigenschappen van zichzelf als 'gebreken';
'dan legt hij ze af': dan beheerst hij door zijn wilskracht zichzelf en past zijn gedrag aan.

De I Tjing geeft zelf nog een aanvulling op mijn vraag.
De eerste zin van het Beeld: 'Ziet de edele iets goeds' is een beschrijving van de edele in de uitgekeerde instelling.
De tweede zin van het Beeld: 'heeft hij gebreken, dan legt hij ze af' is een beschrijving van de edele in de ingekeerde instelling.

Hieruit blijkt ook de fijnzinnige humor van de I Tjing: het 'goede' ziet de edele bij anderen, 'gebreken' ziet de edele bij zichzelf.

Slotsom
De edele uit de I Tjing is een persoon waarvan de persoonlijkheid wordt gekenmerkt door een bewust, beheerst en evenwichtig gebruik van de geestelijke vermogens.
De edele is een persoon die alles wat er buiten en in zichzelf gebeurt met aandacht waarneemt, grondig overdenkt en diep doorvoelt, en vervolgens het daaruit gevormde besluit vastberaden uitvoert.
De edele is in staat de werkzaamheid van zijn geestelijke vermogens zowel naar binnen als naar buiten te keren. Hij wordt gekenmerkt door evenwicht tussen de in- en uitgekeerde instelling.

Wat tot nu toe vanuit de standpunten van de I Tjing en geestkunde is beschreven, behelst de geestelijke groei en de zelfverwerkelijking van de menselijke geest op aarde. Die menselijke zelfverwerkelijking vindt echter ook plaats in een kosmisch verband. Om het verband tussen de I Tjing en geestkunde in dat opzicht te laten zien, volgen hieronder een aantal teksten uit het Tweede Boek van de I Tjing en de bespreking daarvan.
Aansluitend op het bovenstaande volgen eerst een aantal tekstgedeelten waarvan de betekenis een overeenstemming laat zien tussen de acht oertekens en de geestelijke vermogens; ten slotte een aantal tekstgedeelten waarin de geestelijke betekenis van de I Tjing en de samenhang met geestkunde verder wordt aangetoond in kosmische zin.

terug naar de Inhoud

4. De overeenstemming tussen de acht oertekens en de geestelijke vermogens

I Tjing, Boek 2, Sjwo kwa - bespreking der tekens


In de beschrijving van de eigenschappen van de acht oertekens, de trigrammen Tj'ièn, Koen, Tsjen, Soen, Li, Kan, Twéi en Ken, zijn de eigenschappen van de vier geestelijke vermogens en de beide instelling te herkennen.
Tussen aanhalingstekens staan delen uit de tekst van de I Tjing, daaronder hier en daar verklaringen van die tekst door Wilhelm. Opmerkingen van mij staan tussen haken.

Hfdst. II, § 3. 'Hemel en aarde bepalen de richting. De krachten van berg en meer staan met elkaar in verbinding. Donder en wind wekken elkander op. Water en vuur bestrijden elkander niet. Zo worden de acht trigrammen met elkander vermengd.' (zie afbeelding)
Tj'ièn, hemel en K'oen, aarde, bepalen de richtingsas Noord-Zuid.
Dan komt de verhouding tussen Ken, berg en Twéi, meer. Hun krachten staan in zover met elkaar in verbinding, dat de wind van de berg naar het meer waait en de wolken en nevels van het meer omhoog stijgen naar de berg.
Tsjen, donder en Soen, wind, versterken elkaar bij hun optreden.
Li, vuur en K'an, water, staan in de wereld der verschijnselen in onverzoenlijke oppositie tot elkaar. In de voorwereldlijke verhoudingen storen hun werkingen elkaar echter niet, maar houden zij elkaar in evenwicht.

[In geestkunde beschrijf ik de geest als een eenheid van elkaar aanvullende en evenwichtig samenwerkende vermogens, die tegendelen van elkaar zijn in de vorm van het waarnemen - willen, denken - voelen en de uit- en ingekeerde instellingen. Tjièn en Koen vormen samen de geest als de alles tot een eenheid makende, bewuste levenskracht, die van zijn vermogens gebruik maakt.]

Hfdst. II, § 4. 'De donder bewerkt de beweging, de wind bewerkt de oplossing, de regen bewerkt de bevochtiging, de zon bewerkt de verwarming, het Stilhouden bewerkt de rust, het Blijmoedige bewerkt de vreugde, het Scheppende bewerkt de beheersing, het Ontvangende bewerkt de berging.'
De krachten werken zich in de Voorwereldlijke Rangorde altijd als paarsgewijze tegenstellingen uit. [zie de opmerking hierboven]


Tegel met de acht trigrammen
en het jin-jangsymbool
Musée de l'Homme, Paris
Bron: A.S. Lyons, Predicting the Future
Hfdst. II, § 5. 'God treedt te voorschijn in het teken van het Opwindende (Tsjen). Hij brengt alles tot wasdom in het teken van het Zachtmoedige (Soen), hij laat de schepselen elkander ontwaren in het teken van het Zich-Hechtende (het licht, Li), hij laat hen elkander dienen in het teken van het Ontvangende (Koen). Hij verheugt hen in het teken van het Blijmoedige (Twéi), hij strijdt in het teken van het Scheppende (Tjièn), hij geeft zich moeite in het teken van het Onpeilbare (Kan), hij brengt hen tot volkomenheid in het teken van het Stilhouden (Ken).'
De tekens zijn hier losgemaakt uit hun paarsgewijze oppositie en worden getoond in de chronologische volgorde waarin ze gedurende de kringloop van het jaar in verschijning treden.

Het volgende tekstgedeelte is terug te voeren tot de gedachtenwereld van de school van Confucius.
'Alle wezens treden tevoorschijn (zij krijgen vorm: denken) in het teken van het Opwindende (Tsjen). Het Opwindende staat in het Oosten.
Zij komen tot wasdom (zij worden liefdevol opgevoed: voelen) in het teken van het Zachtmoedige (Soen). Het Zachtmoedige staat in het Zuidoosten. Wasdom betekent, dat alle wezens rein en volledig worden.
Het Zich-Hechtende (Li) is het licht, waarin alle wezens elkander aanschouwen (zij kunnen elkaar waarnemen door het licht). Het is het teken van het Zuiden. Dat de Heilige Wijzen hun gezicht naar het Zuiden keerden, als ze daar zich openstelden voor de Zin van de wereld, heeft de betekenis, dat zij zich bij al wat ze deden tot het licht wendden. Blijkbaar ontleenden zij dat aan dit teken.
Het Ontvangende (Koen) betekent de aarde. Zij zorgt ervoor, dat alle wezens gevoed en verzorgd worden. Daarom staat er: Hij laat hen elkander dienen in het teken van het Ontvangende.
Het Blijmoedige (Twéi) is het midden van de herfst, die alle wezens verheugt. Daarom staat er: Hij verheugt hen in het teken van het Blijmoedige.
Hij strijdt in het teken van het Scheppende (Tjièn). Het Scheppende is het teken van het Noordwesten. Het betekent, dat hier het donkere en het lichte elkaar opwekken.
Met het Onpeilbare (Kan) wordt het water bedoeld. Het is het teken van het Noorden, het teken van de moeite en de inspanning (het willen), waaraan geen mens ontkomt. Daarom wordt gezegd: Hij geeft zich moeite in het teken van het Onpeilbare.
Het Stilhouden (Ken) is het teken van het Noordoosten, waar aanvang en einde van alle wezens worden voltooid. Daarom staat er: Hij voltooit hen in het teken van het Stilhouden.'

Hfdst. II, § 6. 'De geest is op geheimzinnige wijze in alle wezens werkzaam. Onder alles wat de dingen beweegt, is er niets snellers dan de donder. Onder alles wat de dingen buigt, is er niets snellers dan de wind. Onder alles wat de dingen verwarmt, is er niets uitdrogenders dan het vuur. Onder alles wat de dingen verheugt, is er niets verheugenders dan het meer. Onder alles wat de dingen bevochtigt, is er niets vochtigers, dan het water. Onder alles wat de dingen voltooit en de dingen aanvangt, is er niets heerlijkers dan het stilhouden.
Daarom: water en vuur vullen elkaar aan; donder en wind storen elkaar niet; de krachten van berg en meer staan met elkaar in verbinding: zo alleen is verandering en vorming mogelijk en kunnen alle dingen worden voltooid.'

Hier wordt alleen de werking der zes afgeleide oertekens naar voren gebracht. Deze werking is de werking van het geestelijke, dat niet een ding naast dingen is, maar de kracht, die zijn bestaan bewijst door de verschillende werkingen van donder, wind, enz.
De beide oertekens, het 'Scheppende' en het 'Ontvangende', worden niet genoemd, omdat ze als hemel en aarde de uitstralingen zijn van de geest, waarin door de werking der afgeleide krachten de zichtbare wereld ontstaat en verandert. Elk van deze krachten werkt in een bepaalde richting, maar beweging en verandering zijn slechts mogelijk, doordat de paarsgewijze aan elkaar tegengestelde krachten - zonder elkaar op te heffen - de kringloop in gang brengen, waarop het leven der wereld berust.

[Door de hele I Tjing heen worden eigenschappen van de acht trigrammen vermeld. Daaruit blijkt hoe het 'analoge denken' van het Chinese volk verschilt van het 'logische denken' van de Westerling. Het Chinees is een beeldentaal, een droomtaal, wat in gedachten moet worden gehouden als aan Chinese denkbeelden een Westerse betekenis moet worden toegekend. De Chinees legt verbanden, waar de Westerling niet aan denkt. Bijvoorbeeld: de Westerling denkt bij 'vuur' aan wilskracht, de Chinees juist aan de mogelijkheid die het licht van vuur biedt om te kunnen waarnemen. Bij 'water' denkt de Westerling aan 'voelen', de Chinees ziet dan een rivier stromen en denkt aan de (wils)kracht, die het water voortstuwt.
Het bovenstaande moet in gedachten worden gehouden bij de volgende verzameling trigrameigenschappen; bij sommige wordt een duidelijk verband zichtbaar met een van de geestelijke vermogens, bij andere is dat minder duidelijk (bv. Tsjen en denken).]

Li (waarnemen) Kan (willen) Tsjen (denken) Soen (voelen) Ken (ingekeerd) Twéi (uitgekeerd)
oog
licht
vlam
vuur
schoonheid
vorm
klaarheid
innerlijk licht
bewustzijn
kruik, vat
overgave
arbeid
werkzaamheid
moeite
paard
pijl
hart
gevaar
beweging
aanvang
heer
stem
geluid
donder
leider
daden
zachtmoedigheid
toewijding
aanpassen
indringen in het hart
beïnvloeding
band
zorgen
zwakte
thuiskomst
aarzelen
rust
huis
tempel
deur
remmen
beperking
innerlijke terughouding
verzorgen
voeding
gesprekken
vriendenkring
mond
woorden
bespreken
blijdschap
vrolijkheid
vreugde
navolgen

terug naar de Inhoud

5. Het commentaar op de tekstwoorden van Wen Jen.

I Tjing, Derde Boek, Commentaren

1. Tjièn / Het Scheppende

Het oordeel
Het scheppende bewerkt verheven welslagen,
bevorderend door standvastigheid.

Groot voorwaar is de verhevenheid van het scheppende,
waaraan alle dingen hun begin te danken hebben en dat de hele hemel doordringt.

De wolken gaan en de regen werkt, en alle wezens vloeien in hun eigen, afzonderlijke gestalte.

Doordat de heilige mens grote klaarheid heeft over einde en aanvang en de wijze,
waarop de zes treden [van een hexagram] zich elk op zijn tijd voltooien, vaart hij erop ten hemel als op zes draken.

De weg van het Scheppende bewerkt door verandering en omvorming,
dat elk ding zijn juiste aard en bestemming krijgt
en in voortdurende overeenstemming met de harmonie komt: dat is het bevorderende en standvastige.

Als hij zich met het hoofd boven de menigte der wezens verheft, komen alle landen tezamen tot rust.


Het commentaar op bovenstaande tekstwoorden van koning Wen Jen.

Het scheppende bewerkt verheven welslagen,
bevorderend door standvastigheid.

De verhevenheid is van al het goede [voelen] het hoogste.
Het welslagen is het samenvallen van al het schone [waarnemen].
Het bevorderende is de overeenstemming van al het goede en rechtvaardige [denken].
De standvastigheid is de grondlijn van alle handelingen [willen].

Verhevenheid gaat samen met liefde [voelen].
Welslagen gaat samen met goede zeden [waarnemen, zie beneden].
Het bevorderende gaat samen met het recht [denken].
Standvastigheid gaat samen met wijsheid [denken en willen].

Doordat de edele de liefde belichaamt [voelen], is hij in staat over de mensen te heersen.
Doordat hij het samenwerken van al het schone bewerkstelligt [waarnemen], is hij in staat hen door de goede zeden te verenigen.
Doordat hij alle wezens verder brengt, is hij in staat hen door gerechtigheid [denken] in harmonie te brengen.
Doordat hij standvastig is, is hij in staat alle handelingen [willen] door te voeren.

De edele handelt naar deze vier deugden [het waarnemen: aandacht, denken: begrip; voelen: liefde; willen: geduld]; daarom staat er: het scheppende is verheven, welslagend, bevorderend, standvastig.
De verhevenheid van het scheppende berust op het feit, dat het alles aanvangt en in alles slaagt.

[In dit commentaar van Wen Jen worden de eigenschappen van de geestelijke vermogens ook toegeschreven aan het Scheppende, God.]

terug naar de Inhoud

6. De grondslagen van de I Tjing
Dit is een samenvatting uit het Tweede Boek van de I Tjing, bestaande uit een aantal paragrafen uit hoofdstukken van deel II: Ta tsjwan / De grote verhandeling.
Tussen aanhalingstekens staat de tekst uit de I Tjing, daaronder staan op sommige plaatsen tekstdelen van Richard Wilhelm en ten slotte tussen haken mijn beschrijving vanuit geestkundig gezichtspunt.

II. Ta tsjwan / De grote verhandeling
Hfdst. I § 1. 'De hemel is hoog, de aarde is laag; daarmee is het Scheppende en het Ontvangende bepaald. Overeenkomstig dit onderscheid van hoogte en laagte worden voorname en nederige plaatsen aangegeven.
Beweging en rust hebben hun vaste wetten; daarnaar worden de vaste en weke lijnen onderscheiden.'

[Meteen in het begin wordt door de schrijvers van de I Tjing het onderscheid gemaakt tussen het Scheppende en het Ontvangende, waarmee zij in die volgorde 'beweging' en 'rust' verbinden en ook het 'vaste' en 'weke' bij de mens.
In overeenstemming daarmee beschrijf ik in geestkunde het vaste als het doordringende en vormende, het weke als het doordringbare en vormbare, die in die volgorde ook de eigenschappen van beweging en rust zijn.]

Hfdst. I § 2. 'Daarom wisselen de acht trigrammen elkander af, terwijl het vaste en het weke elkaar verdringen.'
Het vaste en het weke verdringen elkaar binnen de acht tekens. Op deze wijze vervormt zich het vaste en wordt week; het weke verandert, vervlecht zich als het ware en wordt vast. Daardoor gaan de acht trigrammen op de rij af in elkaar over en de regelmatig elkaar afwisselende verschijnselen van het jaar nemen hun loop. Hetzelfde is het geval met iedere cyclus, ook met het leven: dag en nacht, zomer en winter is hetzelfde als de kringloop van leven en dood.

[Hier wordt beschreven hoe het vaste en het weke uit elkaar voortkomen en weer in elkaar opgaan, elkaar daardoor voortdurend afwisselen en zo elkaar voortstuwen.
Deze afwisseling is de stuwende kracht achter iedere voortgang en iedere kringloop in het geestelijke en natuurlijke gebeuren.
Ook licht is een zich zelfstandig voortbewegend gebeuren, doordat een bewegend magneetveld (het vaste) de oorzaak is van een bewegend elektrisch veld (het weke) en dat op haar beurt weer van een bewegend magneetveld. Door hun afwisseling stuwen zij elkaar voort.
Het natuurlijke licht is een uitdrukking van de geest en de geestelijke werkzaamheid.
In overeenstemming daarmee stuwen de werkzame vermogens elkaar voort doordat de geest iets waarneemt, dat overdenkt en doorvoelt en vervolgens een besluit wil uitvoeren, en daarna de gevolgen weer wil waarnemen om te zien of het besluit een juste keuze is geweest.]

Hfdst. I § 4. 'De weg van het Scheppende bewerkt het mannelijke. De weg van het Ontvangende bewerkt het vrouwelijke.'

[Het mannelijke hangt samen met het Scheppende, het vrouwelijke met het Ontvangende.
In overeenstemming daarmee hangt het mannelijke samen met de beweging en zijn doordringende lichtende warmte, en het vrouwelijke met de rust en haar doordringbare donkere koelte.]

Hfdst. II § 2. 'Doordat de vaste en weke lijnen elkaar verdringen, ontstaat verandering en omvorming.'

[Zie Hfdst. I § 2]

Hoofdstuk IV De diepere betekenis van het Boek der Veranderingen
§ 1. 'Het Boek der Veranderingen bevat de maat van hemel en aarde; daarom kan men daarmee het Tau van hemel en aarde begrijpen en ordenen.'

[Ook Pythagoras ontwikkelde een getallenleer en stelde dat 'Alles is getal.' Bij Pythagoras hebben de getallen echter een eigen karakter, terwijl zij in de I Tjing dienst doen om een ordening aan te kunnen brengen. Door deze ordening ontstaat begrip voor de loop der ontwikkelingen.]

Hfdst. IV § 2. 'Omhoog blikkend beschouwen wij met zijn hulp de tekenen aan de hemel; omlaag blikkend onderzoeken wij de lijnen der aarde. Zo komen wij tot een juist begrip van de verhouding tussen donker en licht.
Door terug te gaan tot de allereerste aanvang der dingen en ze tot het einde te vervolgen, leren we de lessen van geboorte en dood begrijpen. De vereniging van zaad en kracht brengt de dingen voort; het ontwijken van de ziel bewerkt de verandering: daardoor leren wij de toestanden van de uitgaande en terugkerende geesten begrijpen.'

[De I Tjing bespreekt hier de overlijdende ('uitgaande') en de wedergeboren ('terugkerende') geesten die zoals alles ook onderworpen zijn aan de kringloop van geboorte en dood. Deze kringloop hangt samen met de aarde als leerschool en de hemel als plaats waar de opgedane lessen kunnen worden verwerkt.)

Hfdst. IV § 3. 'Doordat de mens op deze wijze aan hemel en aarde gelijk wordt, komt hij niet met hen in conflict. Zijn wijsheid omvat alle dingen en zijn Tau ordent de gehele wereld; daarom maakt hij geen fout. Hij werkt overal, maar hij laat zich nergens heen slepen. Hij verheugt zich over de hemel en kent het noodlot, daarom is hij vrij van zorgen. Hij is tevreden met zijn situatie en is waarachtig in zijn mildheid. Daarom vermag hij liefde te geven.'

[Door deze kringloop als geestelijke leerschool te doorlopen, groeit de geest steeds meer toe naar overeenstemming met hemel en aarde, het Scheppende en Ontvangende. Uiteindelijk wordt de mens aan het Scheppende en Ontvangende gelijk en wordt daardoor van liefde vervuld.]

Hoofdstuk V Het Tau in zijn verhouding tot de lichte en de donkere kracht
§ 1. 'Datgene, wat nu eens het donkere en dan weer het lichte laat verschijnen, is het Tau.'

[Het Tau is de geest, die door werkzaam te worden de bron is van de lichtende warmte en die door tot rust te komen de bron is van de donkere koelte, zoals in geestkunde beschreven.]

Hfdst. V § 2. 'Als voortzetter is het goed. Als voltooier: het wezen.'
De Oerkrachten komen niet tot stilstand; de kringloop van het worden zet zich aanhoudend voort. De reden daarvan is, dat er tussen de beide oerkrachten steeds weer een spanningstoestand ontstaat, een spanningsverschil, dat de krachten in beweging houdt en tot vereniging brengt, waardoor ze elkander steeds opnieuw opwekken. Dat wordt bewerkt door het Tau, zonder dat dit daarbij zelf op de een of andere wijze in verschijning treedt.
Tau houdt de wereld instand door een aanhoudend opnieuw opwekken van de spanningstoestand tussen de polaire krachten. Tau is de kracht die de dingen voltooit, die er hun zelfstandigheid aangeeft; het is het middelpunt, waaromheen zij zich in zichzelf organiseren; Tau heet datgene, wat de dingen bij hun ontstaan meekrijgen: het Wezen.

[In geestkunde beschrijf ik de geest als een bolvormige wolk van licht en warmte. Beide kunnen zij in een zelfvormende en een vormbare toestand voorkomen, waarmee de geestelijke vermogens samenhangen, het waarnemen (vormbaar licht), denken (zelfvormend licht), voelen (vormbare warmte) en willen (zelfvormende warmte).
Als de geest iets waarneemt en de betekenis ervan heeft overdacht en doorvoeld, dan wil die er iets mee gaan doen; de gevolgen van het besluit en de handeling wil de geest weer waarnemen om te zien, of het overdenken en doorvoelen juist was. Doordat het willen steeds weer het waarnemen opwekt, ontstaat een kringloop in de vermogens, die zichzelf onophoudelijk voortstuwt en door de voortdurende oefening van de vermogens ook ontwikkelt. Dat is het wezen van de geest.]

Hfdst. V § 3. 'De zachtmoedige ontdekt het en noemt het zachtmoedig. De wijze ontdekt het en noemt het wijs.
Het volk gebruikt het dag aan dag en weet er niets van af; want het Tau van de edele is zeldzaam.'
Tau openbaart zich aan een ieder op diens eigen manier. De actieve (naar buiten gekeerde) mens, die zachtmoedigheid en mensenliefde als het hoogste beschouwt, ontdekt dit Tau van het kosmische gebeuren en noemt het de hoogste zachtmoedigheid: 'God is liefde'. De contemplatieve (naar binnen gekeerde) mens, die rustige wijsheid als het hoogste beschouwt, ontdekt dit Tau van het universele gebeuren en noemt het de hoogste wijsheid.
Het gewone volk leeft van de ene dag op de andere, voortdurend gedragen en gevoed door dit Tau, maar weet er niets van af; het vermag slechts te zien wat het voor ogen heeft. Want de aard van de edele, die niet slechts de dingen onderscheidt, maar ook het Tau der dingen, is zeldzaam. Het Tau van de wereld is weliswaar goedheid en wijsheid, maar volgens zijn diepste wezen is Tau ook nog meer dan goedheid en wijsheid.

[Hier worden in de woorden van de I Tjing de uitgekeerde en de ingekeerde instelling geschetst: de zachtmoedige en liefdevolle, op de ander gericht, en de zelfbezonnen, wijze mens, in zichzelf gekeerd.
Ook wordt hier de algemene toestand van onbewuste vereenzelviging met de wereld aangeduid, zoals ik die uitgebreid in geestkunde heb beschreven: in deze toestand beseft de mens nog niet de eigen onbewustheid, er is nog geen vraag daarover in hem opgekomen.]

Hfdst. V § 5. 'Dat het alles in volle rijkdom bezit, dat is zijn grootse arbeidsveld. Dat het alles dagelijks vernieuwt, dat is zijn heerlijkheid.'
Er is niets, wat Tau niet bezit, want het is alomtegenwoordig; alles wat bestaat, bestaat in en door het Tau. Maar het is geen dood bezit; door zijn eeuwige macht maakt Tau alles steeds weer nieuw, zodat de wereld elke dag weer zo heerlijk is als op de eerste dag der schepping.

[Deze tekst beschrijft dat het Tau alomtegenwoordig is en daardoor alles in zich bevat, wat eruit is voortgekomen. In overeenstemming daarmee beschrijf ik in geestkunde de algeest als de alomtegenwoordige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, waaruit alles door verdichting van het licht is voortgebracht en door de warmte tot leven is gekomen, en dat door de alomtegenwoordigheid dat alles blijvend in zich bevat.]

Hfdst. V § 6. 'Als verwekker van elk verwekken heet het de Verandering.'
Het lichte verwekt het donkere en het donkere verwekt het lichte in eeuwigdurende wisseling; maar wat deze wisseling - waaraan al het levende zijn bestaan dankt - bewerkt, dat is het Tau en zijn wet van verandering.

[Zie hiervoor Hfdst. I § 2.]

Hfdst. V § 7. 'Als voltooier der oerbeelden heet het: het Scheppende, als datgene, wat die beelden reproduceert, heet het: het Ontvangende.'
Dit is gebaseerd op de opvatting, die ook in de Tau teh tjing van Lau-tse wordt uitgesproken, namelijk dat aan de wereld der werkelijkheid een wereld van oerbeelden ten grondslag ligt, welke in de lichamelijke, uiterlijk zichtbare wereld der dingen hun reproducties - namelijk de reële dingen - hebben.
De wereld der oerbeelden is de hemel, de wereld der reproducties de aarde; daar de kracht, hier de stof; daar het Scheppende, hier het Ontvangende. Maar het is hetzelfde Tau dat zich zowel in het Scheppende en het Ontvangende uitwerkt.

[De goddelijke algeest denkt in zichzelf als een denkbeeld van licht de schepping, een denkbeeld dat in de wereld van de aarde verdicht is tot een toestand, die hier 'stof' wordt genoemd. De menselijke geest is ook een verdichting uit en in de goddelijke algeest, als een bolvormige wolk, maar is een denkbeeld uit God dat de gelegenheid heeft gekregen op weg te gaan om zichzelf op te werken tot goddelijke zelfstandigheid - waardoor de aarde de leerschool is.]

Hfdst. V § 9 'Datgene in Tau, wat niet door het donkere en lichte kan worden gepeild, heet de Geest.'
De beide oerkrachten in hun wisseling en wederkerige werking, dienen ter verklaring van al de verschijnselen van de wereld. Maar er blijft een rest over, die door dit tegenspel van krachten niet verklaard kan worden, een laatste waarom. Deze diepte van het Tau is de geest, het goddelijke, ondoorgrondelijke ervan, dat we slechts zwijgend kunnen vereren.

[De geest is de levenskracht die over de geestelijke vermogens beschikt, waarvan de mannelijke, het denken en het willen de zelfvormende zijn, de 'lichte' en de vrouwelijke, het waarnemen en het voelen de vormbare, de 'donkere'. De uitingen van de vermogens zijn zichtbaar in uitspraken en gedrag, de werkzame geest die erachter staat en er de bron van is, niet.]

Hoofdstuk VI Toepassing van de verhoudingen van het Tau op het Boek der Veranderingen
§ 1. 'Het Boek der Veranderingen is wijd en groot. Spreekt men van de verte, dan kent het geen grenzen. Spreekt men van de nabijheid, dan is het stil en recht. Spreekt men van de ruimte tussen hemel en aarde, dan omvat het alles.'
Hier wordt het Boek der Veranderingen in verband gebracht met de wereld van macrokosmos en microkosmos. Eerst wordt de uitgestrektheid van zijn domein in het horizontale, in de wijdte aangegeven. Wetten gelden in alle verten, maar niet minder voor het zeer nabije, als de wetten van het eigen innerlijk. Dan wordt de verticale richting, de ruimte tussen hemel en aarde, aangegeven, daar het lot der mensen hen - gelijk dat heet - vanuit de hemel wordt beschoren.

[De schepping, evenals de mens, is een uitdrukking van de alomtegenwoordige, scheppende algeest. De mens kan die scheppende geest in het eigen innerlijk vinden. In de buitenwereld vindt hij de lessen, die hem leren die innerlijke geest te leren kennen en beheersen.]

Hfdst. VI § 2. 'Het Scheppende is een eenheid als het rust en rechtlijnig als het zich beweegt; dat verwekt het grote. Het Ontvangende is gesloten als het rust en gaat open als het beweegt; dat brengt het wijde voort.'
Het Scheppende is hier het trigram in het Boek der Veranderingen en meer bepaaldelijk de lijn, waardoor het wordt gesymboliseerd. Deze lijn is in staat van rust eenvoudig een ééndimensionale lijn: ---. In bewegingstoestand is de beweging recht vooruit gericht.
Het Ontvangende wordt gesymboliseerd door een gebroken lijn: - -. In staat van rust is ze gesloten, als ze beweegt opent ze zich.

[Hier beschrijft de I Tjing dat als het Scheppende in beweging komt, het altijd een bepaalde richting kiest. Als het Ontvangende zich openbaart, vormt het door haar rust de wijde ruimte, waardoor het het Scheppende de gelegenheid geeft zich in een bepaalde richting te bewegen. Zonder de ruimte van het Ontvangende is de beweging van het Scheppende niet mogelijk.

Hfdst. VI § 3 'Door zijn wijdte en grootte komt het (Tau) overeen met hemel en aarde. Door zijn veranderingen en zijn samenhangen komt het overeen met de vier jaargetijden. Door de betekenis van het lichte en donkere komt het overeen met zon en maan. Door het goede van het gemakkelijke en eenvoudige komt het overeen met de hoogste wezensaard.'

Hoofdstuk VII De uitwerking van het Boek der Veranderingen op de mensen
§ 1. 'De meester sprak: Is niet het Boek der Veranderingen het hoogste? Het Boek der Veranderingen is het, waardoor de heilige wijzen hun wezensaard op een hoger plan brachten en hun arbeidsveld vergrootten. De wijsheid verhoogt. De zede maakt deemoedig. Het hoge volgt de hemel na. De deemoed volgt het voorbeeld van de aarde.'
Hier wordt betoogd hoe het Boek der Veranderingen bij juist gebruik tot harmonie met de laatste universele principes leidt. De wijzen brengen hun karakter op een hoger plan doordat ze zich de wijsheid, die in dit boek verborgen ligt, eigen maken. Aldus komen zij in harmonie met de hemel, die ook hoog is. Als geest vermag men daardoor een hoog standpunt in te nemen.

[Hier wordt uiteengezet dat de betekenis van de I Tjing geestelijke groei is. Het doel van geestelijke ontwikkeling is het evenwicht tussen hemel en aarde, het Scheppende en het Ontvangende, het mannelijke en het vrouwelijke, in de mens. Daardoor komt de mens in overeenstemming met het Tau en kan de vereniging, die in feite een hereniging is, worden verwerkelijkt.]







^