De toenadering (convergentie) van godsdienst en wetenschap


Inhoud

1. Geestkunde
2. Teilhard de Chardin
3. Onze toekomst in het licht van de evolutie - Lezing door Henk Hogeboom van Buggenum
4. Erik Verlinde - De emergente zwaartekrachttheorie
5. Kernachtige uitspraken van natuurwetenschappers
6. Parapsychologie

1. Geestkunde
Door geestelijke ervaringen hebben mijn waarnemingsmogelijkheden zich mogen uitstrekken tot de bron van het menselijke bestaan, de goddelijke algeest. Godsdienstigheid is: dienstbaar zijn aan die bron, de oorsprong van de mens, de mensheid en de schepping; een dienstbaarheid die ik o.a. vorm heb gegeven door mijn ervaringen in het boek Geestkunde te beschrijven. Vanuit die bron naar dit bestaan kijkend zie ik echter hoe godsdienstigheid in het dagelijkse leven van de huidige mens in haar diepste gronden wordt aangetast en hoe secularisatie voortschrijdt.
In de hedendaagse maatschappij heeft een eenzijdig op het stoffelijke bestaan gerichte natuurwetenschap de rol van een op het geestelijke bestaan van de mens gerichte godsdienstigheid overgenomen. Het is doordat deze natuurwetenschap in deze tijd zoveel gezag heeft gekregen, dat de woordkeus en daarmee het mensbeeld en de wereldbeschouwing van neurofysiologen en biologen kritiekloos door de samenleving worden overgenomen.

De kern van het mensbeeld dat daardoor nu opgeld doet, is door de invloed van neurofysiologen beperkt tot niets anders dan een 'neuronale activiteit' van de hersenen. Daarnaast schilderen evolutiebiologen de mens eenzijdige af als een verschijnsel dat een 'probeersel van de natuur' is en door toeval is ontstaan; maar wat toevallig is ontstaan, had er even toevallig ook niet kunnen zijn, waardoor ook vanaf deze zijde van de natuurwetenschappen de waarde van het menszijn wordt verminderd tot alleen een voorbijgaand biologisch verschijnsel, slechts nuttig zolang het zich kan voortplanten.
Dit kan velen aan het twijfelen brengen en het einde van hun godsdienstigheid betekenen. De geestelijke helft van het menszijn wordt immers geloochend en als denkbeeldige onzin afgedaan, waardoor de betekenis van de mens tot die van een louter biologische machinerie zonder diepere oorzaak of hoger doel wordt teruggebracht - het gedrag tegenover elkaar is daar dan ook naar. Het gevaar is niet denkbeeldig dat er een maatschappij ontstaat, waarin een mens niet meer kan worden aangesproken op zijn of haar zedelijke gedrag, maar waarin rechters aanvaarden dat een misdadiger zelf het slachtoffer is van een fout in de 'bedrading van de hersenen' of van de 'hormonale omgeving' in de baarmoeder.

In de boeken Geestkunde en De Levensweg laat ik zien wat de oorzaak is van deze eenzijdige keuze van natuurwetenschappers voor alleen de stoffelijke helft van Gods schepping: de onbewuste vereenzelviging met de stof. Uitgaande van de eigenschappen van de geestelijke grondslag van de schepping, de goddelijke algeest, zoals ik die heb mogen ervaren, beschrijf ik daarentegen hoe juist geestelijke eigenschappen in de vorm van de geestelijke vermogens in de stoffelijke schepping - en in het bijzonder in het menselijke lichaam - herkenbaar zijn.
Daardoor bouw ik een brug vanaf de geestelijke helft van de schepping naar de stoffelijke en laat zo de diepere betekenis zien die Gods schepping voor de mens heeft, waardoor het evenwicht tussen geest en stof weer wordt hersteld en de mens zijn geestelijke betekenis - en daarmee de zin van zijn stoffelijke bestaan en zijn waardigheid - herkrijgt.

De ontwikkeling van de mensheid heeft een punt bereikt, dat alleen een op wetenschap gestoelde levensbeschouwing aanvaardbaar is voor de moderne, zelfstandig denkende mens. Het geloven alleen op gezag van een leraar of boek, heeft afgedaan... wat op zich een grote stap voorwaarts is in de ontwikkeling naar geestelijke zelfstandigheid van de mens. Nu dreigt echter die ontwikkeling wat de geest betreft een doodlopende weg in te slaan.
Door de onbewustheid van zichzelf als geestelijk wezen en de daarmee samenhangende vereenzelviging met het stoffelijke bestaan, heeft de wetenschap zich ontwikkeld in een richting, waarin de aandacht geheel op de stoffelijke is komen te liggen. Het evenwicht tussen geest en stof is daardoor ernstig verstoord. Uit die ontwikkeling is een wetenschap voortgekomen die door materialisme wordt gekenmerkt. Door het gezag van die wetenschap is ook het gangbare gedachtengoed in de maatschappij materialistisch geworden. Daardoor is er sprake van verzakelijking van de maatschappij, minachting voor het leven, onbeschaamd winstbejag en uitputting van de natuurlijke hulpbronnen van de aarde. ¹)

Om het evenwicht te herstellen is een levens- en wereldbeschouwing nodig, die uitgaat van een kritisch wetenschappelijke houding, want een onkritisch traditioneel geloven past niet meer bij de levenshouding van de moderne mens. In tegenstelling tot de eenzijdig op de stof gerichte natuurwetenschappen die de geest afwijzen, laat ik met geestkunde zien hoe vanuit de eigenschappen van de bron van het al, de algeest, de eigenschappen van de stof zijn te beschrijven. Daaruit blijkt dat het bestaan in de stof de ontwikkeling van de geest zeer bevordert - door het bestaan in de stof ontstaan er voor de geest veel problemen, die overwonnen moeten worden met behulp van de geestelijke vermogens, waardoor die tot ontwikkeling komen. De stof is nodig en nuttig voor de geest!

terug naar de Inhoud

Er zijn in de mensheid meer tegenkrachten die streven naar een evenwicht tussen geest en stof. Van alle natuurwetenschappers is tien procent spiritueel ingesteld tot diep gelovig, wat gold voor wetenschappers zoals Newton, Eccles en Einstein, en ten onzent voor o.a. Dekker en Van Lommel heden ten dage.
Het gold ook voor de Franse jezuïet en wetenschapper Teilhard de Chardin (2) en voor de oprichters van verenigingen voor wetenschappelijk onderzoek van parapsychologische verschijnselen (4) over de hele wereld.

2. Teilhard de Chardin

Uitspraken van Teilhard De Chardin:

Pierre Teilhard de Chardin
"We zijn geen menselijke wezens die een spirituele ervaring hebben,
we zijn spirituele wezens die een menselijke ervaring hebben."

"De waarde en het geluk van het leven worden bereikt
als men in iets groters op kan gaan dan men zelf is."

Marie-Joseph Pierre Teilhard de Chardin werd geboren bij Clermont-Ferrand op 1 mei 1881 en overleed in New York in 1955. Hij was pater jezuïet, theoloog en filosoof, en daarnaast natuurkundige, bioloog en paleontoloog. Zijn leven lang streefde hij ernaar godsdienst en natuurwetenschap met elkaar in overeenstemming te brengen, waarbij het hem in het bijzonder om het christelijke geloof en de evolutietheorie ging. Om zijn doel te bereiken ontwikkelde hij een eigen evolutietheorie, uitgaande van zijn geloof, zijn wetenschappelijke inzichten en de praktische ervaringen die hij als paleontoloog had opgedaan.

Volgens Teilhard is Gods schepping nog niet klaar en zijn wij allen verantwoordelijk voor de voortgang ervan. De besluiten die wij nu nemen en de wijze waarop wij die uitvoeren, bepalen hoe de toekomst eruit zal gaan zien; zij bepalen ook hoe lang het gaat duren voor wij allen verenigd zullen zijn in wat hij noemt: het kosmische punt-Omega, het doel van de evolutie. Dit punt is de toestand waarin de schepping - door de 'verinnerlijking' die in de schepping en daarmee ook in de mensheid werkzaam is - weer met de schepper is verenigd. Zolang dit punt van Eenheid met God niet is bereikt, leeft de mens in de verwarring scheppende Veelheid van dit bestaan.

Volgens de evolutietheorie van Teilhard kan de natuur verinnerlijken doordat alle stof een 'binnenkant' heeft, door Teilhard het 'psychisme' genoemd. Alle verschijnselen in de schepping bezitten in meerdere of mindere mate een psychisch element (denk aan de Ideeënleer van Plato). De kracht van dit psychische element neemt toe door vergroting van de complexiteit van de stof.
Deze verinnerlijkende kracht is volgens Teilhard de kracht die de ontwikkeling in de natuur voortstuwt en die heeft geleid tot:
1. de kosmogenese (het ontstaan van het heelal),
2. de biogenese (de overgang van levenloze stof naar levende soorten) en ten slotte
3. de noögenese (de verinnerlijkende ontwikkeling die in de mens tot zelfbewustwording heeft geleid).
Het woord noögenese komt van het Griekse 'nous': geest. De noögenese heeft een 'noösfeer' tot gevolg: het geheel van de denkende werkzaamheid van de mensheid (tegenwoordig verbonden met het idee 'internet' en 'cyberspace').

Volgens Teilhard heeft iedere mens een goddelijke kern in zich. Het zich bewust worden van die kern wordt symbolisch uitgedrukt door het verschijnen van Christus. Vanaf die historische gebeurtenis werd de wordingsgeschiedenis van de mens (de antropogenese) een wordingsgeschiedenis van Christus in de mens (de christogenese).
Volgens Teilhard symboliseert het punt-Omega de uiteindelijke vereniging van alle unieke individuen van de mensheid met en in Christus. De mensheid vormt op dat punt dan het mystieke lichaam van Christus in de zin van Paulus (Zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander. Romeinen, 12:5).
Dat alles werd echter volgens Teilhard pas mogelijk nadat de schepper zich met zijn eigen schepping had verbonden door als Jezus mens te worden. Door die goddelijke zelfopoffering is de mensheid in aanleg met het leven in God verbonden, een verbondenheid die in het punt-Omega wordt voltooid.

Enkele citaten

In mijn streven naar God, mengt zich, dat voel ik, een grote liefde voor de aarde en haar tastbare wording, en mij schijnt dat deze beide hartstochten zich moeten verbinden. De laatste moet alleen gezuiverd, gerehabiliteerd worden. (uit Dagboek)

Ik kan oprecht zeggen dat ik mij meer dan ooit in mijn leven onlosmakelijk verbonden voel aan de hiërarchische kerk en aan de Christus van het evangelie. Nu heb ik Christus echter persoonlijker, immenser ervaren.
Hoe kan ik dan geloven dat er kwaad ligt in de weg die ik volg? (uit Reisbrieven)

Omdat ik opnieuw, Heer, brood noch wijn noch altaar heb... zal ik, uw priester deze hele aarde tot mijn altaar maken en zij zal alle moeite en pijn van de wereld aan u offeren. (uit De mis over de wereld)

In al ons handelen wacht God voortdurend op ons. Hij is aan de punt van mijn pen, van mijn houweel, van mijn penseel, van mijn naald - van mijn hart en van mijn denken. (uit Het Goddelijk milieu)

Door de trouw en door de trouw alleen geven wij aan God de kus terug die Hij ons voortdurend door de wereld aanbiedt. (uit Het Goddelijk milieu)

Uit deze uitspraken blijkt duidelijk dat Teilhard Christus altijd in gedachten had. Wie hieraan voorbij gaat, miskent het wezen van Teilhards gedachtengoed!

Het tijdschrift Gamma (hoofdredacteur Henk Hogeboom van Buggenum) biedt een forum over onze rol in de evolutie in de zin van Teilhard. Het is een uitgave van de Stichting Teilhard de Chardin ten dienste van 'Het Genootschap tot Convergentie van Wetenschap en Religie', de doelstelling van Teilhard.
Zie de website van de stichting: www.teilharddechardin.nl
Teilhard de Chardin was als denker en mysticus een bron van inspiratie vanwege zijn optimistische visie op de evolutie, waarin de mens en zijn eigen verantwoordelijkheid in het middelpunt staan.
Zijn hoofdwerken zijn Het Goddelijk Milieu en Het verschijnsel mens.

terug naar de Inhoud

3. Onze toekomst in het licht van de evolutie
Lezing door Henk J. Hogeboom van Buggenum (hoofdredacteur van het tijdschrift Gamma),
gehouden in het 'Centrum voor religieuze bezinning, de Kapel', aangesloten bij de Vereniging vrijzinnige geloofsgemeenschap NPB, Potgieterweg 4 - 2061 CT te Bloemendaal op 20-10-2013

Beste mensen,

Ik ben dankbaar hier voor u een lezing te mogen houden over een evolutiedenker, die helaas in ons land niet de aandacht heeft gekregen, die hij volgens mij en vele anderen verdient. Ik bedoel de priester-jezuïet Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955).

Een dominee als Carel ter Linden schijnt bijvoorbeeld niet eens van hem te hebben gehoord. Hij schrijft in zijn boek Wat doe ik hier in Godsnaam (De Arbeiderspers 2013): "Wie zich een beetje verdiept in beschrijvingen van de evolutie wordt getroffen door het neutrale niet-religieuze karakter ervan [...] Een diepere zin van dit bestaan licht uit het bestaan zelf niet op." (p. 39) Dit is des te merkwaardiger als we deze uitspraak zetten naast zijn citaat uit het boek Inclusief denken van de protestantse historicus-theoloog Feitse Boerwinkel (p. 35) en zijn opmerking de menselijke geschiedenis niet anders te kunnen zien als een continu leerproces, waarin de wereld zich naar een grotere humaniteit ontwikkelt (p. 34).

Feitse Boerwinkel schrijft namelijk (op p. 31) van dit in zeker 14 drukken verschenen boekje: "De sprong in het neotechnicum ... heeft ons als mensen op deze planeet zo dicht op elkaar gedrukt, dat wij ons de luxe van een exclusief denken eenvoudig niet meer kunnen permitteren." En hij vervolgt: "Teilhard de Chardin beschrijft de evolutie der mensheid als een toeneming in bewustzijn en vrijheid. 'Met de mens is het zelfbewustzijn ontstaan en daarmee vrijheid. Met de vrijheid is echter tegelijkertijd de keuze gegeven tussen goed en kwaad, tussen opbouw en afbraak. Als de mens vrij is drijft de evolutie hem niet langer als een vis a tergo, als een kracht in de rug, waaraan hij onweerstaanbaar gevolg moet geven. De evolutie wordt dan een perspectief, een doel, waarop de mens zich kan richten, maar waarvan hij zich ook kan afwenden.'
Daarom is Teilhard ervan overtuigd, dat met de mens de evolutie geheel van karakter verandert: ze is bewuste en gewilde evolutie geworden, maar daarmee ook een ontwikkeling die de mens tegen kan werken en zelfs ongedaan kan maken. Teilhard ziet het nu in de lijn van de evolutie liggen dat de mens tot steeds verdere socialisatie komt. Dit woord heeft bij hem een andere inhoud dan in ons politiek-sociaal bestel. Het betekent bij Teilhard: een steeds dieper besef bij de mens dat hij pas tot volle ontplooiing komt als hij niet op zichzelf blijft, maar tot steeds grotere samenwerking komt met anderen. De mens is niet langer waard, wat zijn eigen geestesgaven waard zijn, maar wat de geestesgaven van alle mensen waard zijn. "Elke dag wordt het ons een weinig meer onmogelijk om te handelen en te denken anders dan in solidaire vorm", aldus Teilhard in zijn boekje De opbouw van de toekomst (Het Spectrum, Utrecht 1964, p. 27)." Tot zover Feitse Boerwinkel.

Wie was Teilhard de Chardin en waarom is hij voor deze tijd belangrijk?
De Fransman Pierre Teilhard de Chardin werd in 1881 geboren in de Auvergne als vierde kind van goed katholieke ouders. Zijn vader wekte bij hem op de vele wandelingen in de natuur al vroeg een levendige interesse voor de flora en fauna. Maar vooral zocht de kleine Pierre naar het duurzame in de natuur. Hij vertelde later, dat dit wellicht te maken had met een belevenis op jonge leeftijd. Hij zal een jaar of vijf geweest zijn. Zijn moeder knipte zijn haar. Opeens zag Pierre hoe een lok in het haardvuur terechtkwam en verteerde. Dat maakte op hem een geweldige indruk. Van die tijd af zocht hij in al het vergankelijke naar iets blijvends. Maar alles wat hij een tijdlang voor duurzaam hield, bleek dat niet te zijn. IJzer ging roesten, steen brokkelde af en verpulverde.
Uiteindelijk vond hij de eeuwigheidswaarde in de geest. Hij studeerde af in natuurkunde en biologie. Als geoloog en paleontoloog verrichtte hij veel onderzoek en veldwerk (o.a. in China van 1923-1946). Daarnaast bleef hij het geloof, dat hij van thuis had meegekregen trouw. Hij werd priester en probeerde voor zichzelf de wetenschap te rijmen met zijn geloof. Dat was voor velen in die tijd al erg moeilijk.

De Kerk en het modernisme
Van alle kanten werden er vraagtekens gezet achter het denken van de Kerk, dat stoelde op het thomisme, de filosofie van Thomas van Aquino uit de bloeiperiode van de Middeleeuwen. Het denken buiten de Kerk had zich daarvan steeds meer verwijderd door de ontwikkeling van de natuurwetenschappen vanaf Copernicus, Kepler, Galilei en later Newton, en door de evolutieleer van Darwin.
De aarde kon niet langer beschouwd worden als het middelpunt van het heelal, de statische kosmische orde werd onderuitgehaald, de Bijbel aangevochten. God werd steeds meer als een projectie van de mens zelf gezien (vgl. Ludwig Feuerbach Das Wesen des Christentums - 1841) en tenslotte door Nietzsche (Die fröhliche Wissenschaft - 1882) dood verklaard. Het was eigenlijk niet meer dan logisch, dat de Kerk zich tegen dit soort denken ging beschermen. Paus Pius X liet daarom alle priesters in 1903 een verklaring tekenen, waarin zij het modernisme - het denken buiten de scholastiek, de door Rome aanvaarde filosofie - afwezen. Die verklaring staat bekend als de 'anti-modernisteneed'.

De invloed van Bergson
Teilhard de Chardin las in 1907 het werk van Henri Bergson L'évolution créatrice. Het maakte grote indruk op hem. Dat gold ook voor zijn ervaringen aan het front als hospitaalsoldaat in de eerste wereldoorlog van 1914-1918. Hij combineerde beide ervaringen met zijn kennis van het ontstaan van de aarde, de evolutie van de zoogdieren (waarop hij was gepromoveerd) en de gegevens van zijn onderzoek aan de fossielen.
En toen - als in een visioen - zag hij de lijn in de evolutie voor zich. Deze sloot aan bij het denken en geloven van zijn Kerk, maar... door de verwerking erin van het moderne natuurwetenschappelijke wereldbeeld moest tegen een aantal zaken uit de Bijbel wel anders worden aangekeken. Ik noem hier alvast het scheppings- en paradijsverhaal, de kwestie van de erfzonde en de persoon van Christus.

De psychische 'binnenkant' van de materie
Kort en goed, Teilhard stelde vast dat alles vanaf de 'big bang' zich oprolde volgens een wetmatigheid, die we kunnen omschrijven als de gelijktijdige toeneming van complexiteit en bewustzijn. Volgens zijn hypothese is er van meet af aan in de deeltjes die zich na de oerknal waaiervormig verspreiden, sprake van een 'binnenkant', d.w.z. een radiale of middelpuntzoekende energie. Naarmate deeltjes zich meer aaneensluiten - zich tot grotere en meer ingewikkelde eenheden oprollen (s'envelopper) - neemt deze 'binnenkant' toe.

Telkens als de structuur van een deeltje verzadigd is met informatie, vindt er een omslag plaats naar een andere structuur. Teilhard heeft het over de psychische temperatuur, die een andere aggregatie-toestand veroorzaakt (zoals water bij verhitting in damp kan overgaan). Zo ontstaan (door oprolling) vanuit de fotonen de quarks, de protonen en neutronen, de atomen en de moleculen. De moleculen vormen cellen, de cellen organen, de organen vormen de soorten levende wezens. Het lijkt alsof alles wordt opgestuwd door een 'vis a tergo' (een duwtje in de rug) en alsof zó - door toeneming van complexiteit en radiale energie - het leven tevoorschijn komt.

Mét het leven krijgt de 'binnenkant' iets weg van 'bewustzijn'. De plant wordt gevoelig voor zijn omgeving, reageert daarop, het dier doet dit nog meer en de mens krijgt er zelfs weet van: zijn bewustzijn wordt zelfbewustzijn. Mét het bewustzijn neemt ook de vrijheid van de soort toe. De plant heeft minder vrijheid, is statischer, meer aan zijn plek gebonden dan het dier. Het dier is beperkter in zijn mogelijkheden dan de mens. Het kan zijn omgeving niet manipuleren, de mens wel.

Hoe groter het bewustzijn, hoe groter dus de vrijheid. (Of omgekeerd: hoe minder bewustzijn, hoe meer toeval). Met het toenemen van de vrijheid groeit echter ook de verantwoordelijkheid voor de omgeving, het milieu, het totaal, de wereld waarin wij leven. Wij gaan meer en meer beseffen dat onze individuele vrijheid beperkt wordt door onze verantwoordelijkheid voor elkaar.

De richting van de evolutie
In deze situatie bevinden wij ons nu. We zijn ons bewust geworden van onze mogelijkheden. Veel kennis omtrent onze wereld hebben we opgerold en verzameld in het brein van de mensheid. Maar weten we ook individueel en als wereldsamenleving wat we met die kennis aanmoeten? Kennen wij de richting van onze verdere ontwikkeling, zodat we deze kunnen sturen?

Teilhard laat ons in zijn werk Het verschijnsel mens de lijn zien vanuit het lange verleden naar ons heden. Ons heelal en alles erop en eraan (dus ook u en ik) ontstonden 13,8 miljard jaar geleden vanuit één punt. De geleerden kunnen dit punt in hun berekeningen tot op een fractie van een seconde benaderen. Het was niets anders dan samengebalde energie. De explosie daarvan, de grote klap oftewel de 'big bang', vond plaats bij een hitte van 1039 graad Kelvin.

Sindsdien is er sprake van een veelheid van elementen die tot eenheid oprolt zonder iets van haar energie te verliezen. Wat er van buiten af gaat (tangentiële energie), komt er van binnen bij (radiale energie). Het weefsel van het heelal krijgt telkens een ander aanzien. We zien er telkens door oprolling en daarmee verdichting van energie andere knooppunten in ontstaan: melkwegstelsels met sterren en planeten. Vierenhalf miljard jaar geleden: een nieuwe knoop. De aarde ontstaat na een botsing van sterrenstof met de zon. Leven wordt er pas mogelijk nadat er een atmosfeer rondom is gevormd met 20% ongebonden zuurstof.

Gedurende de eerste twee miljard jaar ontbreekt het totaal aan deze vorm van zuurstof. En dat is maar goed ook, want anders hadden de chemische bouwstenen voor het leven niet kunnen ontstaan. Zij lagen klaar toen fotosynthetische cellen zuurstof begonnen te produceren. Het duurde toen nog circa 1,5 miljard jaar voordat de laag zuurstof om onze aarde (de atmosfeer) dik genoeg was om het leven mogelijk te maken, zoals we dat thans kennen.

Na de atmosfeer verscheen zo de biosfeer, de levende laag rond onze planeet. Uit deze biosfeer kwam door toeneming van complexiteit-bewustzijn ongeveer 5 miljoen jaar geleden een soort voort met een zeker zelfreflecterend vermogen. Deze australopithecus was het begin van een reeks hominiden of mensachtigen, waaruit zich door toenemende schedelinhoud van 400 tot 1600 cm3 de huidige Homo sapiens ontwikkelde.
Ook dit proces van cerebralisatie wordt gekenmerkt door oprolling. De mens vormt dan zelf weer een nieuwe laag rond onze planeet, die Teilhard de Chardin de noösfeer noemt, de laag van denkende korrels, bewustzijnspartikels, die samen bezig zijn een nieuwe eenheid te vormen, de mensheid.

De lijn van convergentie
Het woord oprollen speelt in dit verhaal een cruciale rol. Immers, geen enkele trap in het proces kan bestaan zonder de daaraan voorafgaande. Weliswaar ontstaat er met elk element, met elke soort iets nieuws, maar alle elementen uit de voorafgaande stadia zijn erin vervat. Het nieuwe kon en kan niet ontstaan zonder het voorafgaande. Niets sluit het voorafgaande uit. Elk stadium is belangrijk voor het gehele proces.
Het proces laat zien welke lijn de mens zou moeten volgen om het proces van evolutie voort te zetten, dat al 13,8 miljard jaar volgens hetzelfde principe verloopt: de lijn van convergentie. Convergentie is toenadering tot de ander teneinde een grotere eenheid te vormen zonder prijsgave van de eigen identiteit. In elke groter samenwerkingsverband behouden de delen hun specifieke karakter.

Teilhard de Chardin beschrijft dus het hele proces van de oprolling van energetische deeltjes (sterrenstof) tot intelligente wezens als de mens in Het verschijnsel mens, dat hij tussen 1938 en 1940 in China voltooide. Hijzelf heeft de publicatie niet mogen meemaken. De Kerk verbood deze.

Het inclusieve denken
De houding van de Kerk die uit angst voor het modernisme in de jaren zestig een publicatie over de evolutie verbood, lijkt ons nog zo'n 60 jaar later volkomen onwerkelijk. Toch zien wij ook nu overal om ons heen het tegenovergestelde van wat Teilhard zag als de lijn van de evolutie. Niet het oprollen ofwel het inclusieve denken lijkt het te winnen, maar de gerichtheid op de eigen persoon, de eigen groep. In plaats van het denken in grotere gehelen, viert het uitsluiten van groepen (discriminatie) en het bestrijden van anderen tot behoud van eigen zekerheden hoogtij.

De gevolgen ervan zien wij in het geweld om ons heen. Teilhard wijst echter als bioloog vanuit zijn wetenschap, als denker vanuit zijn filosofie, als priester vanuit zijn geloof en als gevoelsmens en mysticus via zijn dichterlijk en visionair taalgebruik een andere weg. De mens zal pas drager van de evolutie worden, als hij de eigen richting dienstbaar weet te maken aan het geheel. Zo niet, dan richt hij zijn wereld te gronde. Het is van wezenlijk belang, dat hij leert om niets en niemand uit te sluiten, maar te blijven zoeken naar wegen om grotere eenheid te vormen.

Waar men elkaar negeert of ontkent, ontstaat verdeeldheid, uiteenval, destructie. Waar men naar elkaar luistert, elkaar in eigenheid of uniciteit bevordert, ontstaan hogere verbanden. Zo wordt de vrijheid - die volgens Teilhard, zoals we gehoord hebben, in dezelfde mate vanaf het ontstaan van het universum toeneemt als de complexiteit en het bewustzijn - deze vrijheid wordt de verplichting tot het op ons nemen van verantwoordelijkheid voor het geheel, het welslagen van de evolutie.

Omdat het Teilhard al eerder (namelijk in 1923) verboden was om over theologische zaken te publiceren - Rome viel over zijn interpretatie van de erfzonde - benadrukt hij in de inleiding op zijn werk Het verschijnsel mens, dat het hier om een natuurkundig werk gaat. Inderdaad gaat Teilhard als wetenschapsman uit van de feiten, de fenomenen, de verschijnselen. Maar dichterlijk als een visionair extrapoleert hij de richting die hij erin herkent naar de toekomst. Dat is één van de redenen, waarom de wetenschap dit werk nauwelijks als wetenschappelijk heeft willen aanvaarden. Een andere reden is, dat Teilhard uitgaat van een 'binnenkant', een (vorm van) 'bewust- zijn' in alles. Het bewustzijn echter kan wetenschappelijk niet worden gelokaliseerd, en voor velen - niet allen - geldt: wat niet meetbaar is, bestaat niet.

Het is duidelijk, dat Teilhard met zijn hypothese van een 'binnenkant' en een stuwende kracht (vis a tergo) achter het proces van evolutie het bestaan van een schepper impliceert. Daarmee wordt zijn werk ook interessant voor theologen. Velen van hen putten tevens uit de procesfilosofie van de wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947). Eén van hen was de franciscaan Max Wildiers (1904-1996), die een grote rol heeft gespeeld in de verspreiding van het werk van Teilhard na diens dood. Hij verbindt Teilhards evolutieleer met de procestheologie.
Zijn boeken als Kosmologie in de Westerse cultuur en De vijf vreugden van de geest zijn helder geschreven en vormen een goede inleiding zowel in het denken van Teilhard als in dat van Whitehead. Beide denkers maken het bestaan aannemelijk van een vis ab ante, een aantrekkende kracht, een attractor. Deze houdt ons de mogelijkheid voor van een keuze voor de goede richting.

In het denken van Teilhard is het kwaad geen ontologisch gegeven, niet inherent dus aan het Zijn als zodanig. Het kwaad is in zijn visie dan ook niet geschapen, maar een logisch voortvloeisel uit het onvoltooid-zijn van de schepping. Oorlogen en geweld zijn voor hem dan ook signalen, dat de mens in zijn vrijheid de energie verkeerd gericht heeft en dat de soort moet bijsturen als ze wil overleven.
Waarop de energie het beste kan worden gericht, komen we te weet door ons meer te verdiepen in de ander en de andere culturen, door studie dus, door wetenschap, door onze inzet en inspanning.

Groter dan het gevaar van oorlog en afschrikking (bv. door atoomwapens) acht Teilhard de verveling. Immers, deze ontstaat, wanneer de mens niet meer gemotiveerd is zijn leven zin en richting te geven. Dit gebeurt als de dingen om hem heen geen inspiratie meer bieden. Als alles afhangt van het toeval, zoals de evolutieleer van Darwin aangeeft.
Verveling is met andere woorden geestdodend. Ze keert de richting van de evolutie om van levende ordening naar chaotische verdeeldheid. Vanuit de verveling wordt het leven gezien als dode stof. Verveling voert tot geweld, het uit elkaar slaan van ordening, het doden zonder motief.

Teilhard legt de nadruk op de motivatie van de mens. Mensen motiveren elkaar als zij elkaar bevestigen in hun unieke zijn. Als zij elkaar laten ervaren, dat zij een taak hebben in het geheel. Uiteindelijk draagt dit inclusieve denken bij tot de menswording van de soort, de antropogenese, maar daarbovenuit tot de bewustwording van haar verbondenheid met de schepper in elk uniek individu. Het individu wordt zo tot een persoon, d.w.z. tot iemand wiens geluid doordringt tot de ander, iemand die er mag zijn (het woord 'persoon' komt van het Latijnse 'per-sonare': er doorheen klinken). Op deze wijze zal volgens Teilhard het heelal worden gepersonaliseerd.

Voor Teilhard betekent het christendom een cruciaal moment in de antropogenese, onze bewustwording als mens. Dat blijkt wel uit de invloed, die de figuur van Jezus heeft gehad. Zijn levenswandel werd als waardevol erkend, een richting die navolging verdiende. Het was een nieuw omslagpunt in de evolutie. In de mens werd God als het ware geboren, d.w.z. het besef van ieders verbondenheid met de schepper. Als iedereen - of hij nu boeddhist is of jood, christen of moslim - verbonden is met de schepper, is de liefde voor de medemens een uiting van verbondenheid met God.

Het christendom legt in tegenstelling tot andere godsdiensten veel nadruk op de geboorte van een kind, op het nieuwe leven dus. Teilhard heft het christendom uit boven zichzelf en schept de mogelijkheid tot convergentie met andere godsdiensten of bewustzijns-momenten door de geboorte van Christus in elke mens als een logisch volgende stap in de evolutie te zien. Voordat dit proces voltooid is, zal de mens nog heel wat rampen over zichzelf afroepen, maar uiteindelijk zal hij zijn voltooiing hopen te vinden in een punt, dat Teilhard Omega noemt. Wij zijn dan allen in onze wezenskern op God betrokken.

Ik dank u voor uw aandacht.

terug naar de Inhoud

4. Erik Verlinde - De emergente zwaartekrachttheorie


Erik Verlinde
De emergente (want niet fundamentele) zwaartekrachttheorie van de Amsterdamse natuurkundige prof. dr. Erik Verlinde is een aanpassing van de zwaartekrachtswetten van Newton en Einstein. Volgens de zwaartekrachttheorie van Einstein, kromt een massa de ruimtetijd zodanig, dat daardoor de aarde in een baan rondom de zon beweegt zolang de aarde voldoende snelheid behoudt.
Einsteins zwaartekrachttheorie werkt echter niet overal even goed, bijvoorbeeld aan de randen van draaiende sterrenstelsels, waar het lijkt alsof daar te weinig massa en energie aanwezig is; en daarnaast dijt het heelal sneller uit dan met de hoeveelheid aanwezige materie kan worden verklaard.

Verlindes emergente zwaartekrachttheorie lost deze problemen op. Bij Verlindes zwaartekrachttheorie gaat het niet alleen om energie (en de daarmee samenhangende massa), maar evengoed om informatie.
De ruimte van het heelal is niet leeg, maar gevuld met informatie in de vorm van bits: nullen en enen, die steeds omwisselen, een in nul en nul weer in een, wat geldt voor het hele universum. Deze informatie is er altijd al geweest en zal ook altijd blijven bestaan.
Het heelal is vergelijkbaar met een hologram. De informatie voor vorming van een hologrambeeld komt uit een ándere bron; zo is ook alle informatie in het heelal op een ándere plaats gecodeerd.
Zwaartekracht is geen op zichzelf staande, fundamentele kracht zoals bijvoorbeeld de elektromagnetische kracht of de kernkrachten, maar het gevolg van de wisselwerking tussen deeltjes ... ook tussen informatiedeeltjes (bits).

Informatie
Informatiespeelt in het heelal een even grote rol als energie en materie. Vandaar de aanvulling op Einsteins E=mc²: I=E=mc², waarbij 'I' staat voor informatie.
De informatie van alle materie in ons universum ligt niet alleen besloten op, maar ook in een theoretische bol. Zodra materie wordt verplaatst, verandert ook de dichtheid van informatie in en op de bol. Van deze verandering van informatie is zwaartekracht een gevolg.
In plaats van een kracht is de neiging van massa's om naar elkaar toe te bewegen een soort druk die ontstaat, doordat bij het verplaatsen van die massa's informatie van het hele heelal wordt veranderd. De weerstand tegen de verandering in die informatie, ervaren wij als zwaartekracht. Als een massa zwaar lijkt, komt dat doordat het universum zich verzet tegen het verplaatsen ervan, doordat daarbij informatie moet worden verplaatst. Op dat ogenblik treedt de emergente zwaartekracht op.

De informatie zit opgeslagen in de structuur van de ruimtetijd. Een verandering van informatie is een verandering van energie. Volgens Einstein zijn energie en massa inwisselbaar. Er kan daardoor ook massa ontstaan uit die informatie. Vanuit chaos ontstaat daardoor ordening en daar omheen lege, informatieloze ruimte.
Door de herschikking van de informatie, ontstaat er een spanning in de lege ruimte die zorgt voor een extra kracht, een soort elastische zwaartekracht, die zich uitstrekt tot de rand van de lege ruimte. Deze kracht komt bovenop de zwaartekracht die door de gravitatiewetten van Einstein wordt beschreven.

De formule die de emergente zwaartekrachttheorie beschrijft is door natuurkundigen getest en juist bevonden.


Deze tekst gezien vanuit het geestkundige standpunt

1. Emergent
Erik Verlindes 'emergente' zwaartekrachttheorie is een aanpassing van de zwaartekrachtswetten van Newton en Einstein.
[Emergent betekent: spontaan optredend, spontaan te voorschijn tredend. Een emergente kwaliteit of emergent gedrag is het gevolg van toegenomen complexiteit, wanneer verschillende elementen of processen tot een groter geheel worden verbonden. De emergente kwaliteit of het emergente gedrag is dan een kwaliteit van het nieuwe object of de nieuwe groep, die niet of in mindere mate aanwezig is bij een van de afzondelijke elementen. (bron: encyclo.nl)
Waardoor trekken twee massa's elkaar aan? Bij Verlinde gaat het om de veranderingen in de informatieverdeling in het heelal. Uit die verandering treedt een 'emergente' zwaartekracht tevoorschijn. Deze wordt bijvoorbeeld zichtbaar bij twee naast elkaar liggende schepen die naar elkaar toe drijven, doordat aan de buitenzijde van de schepen meer watermoleculen door de Brownse beweging tegen de scheepswand duwen dan aan de binnenzijde tussen de schepen.
Bij de aarde en de maan gaat het om een verschil in informatiedichtheid, die aan de buitenzijde groter is. In het gebied tussen aarde en maan treedt daardoor een spanningsverschil op: de zwaartekracht.]

2. Einsteins zwaartekrachttheorie
Volgens de zwaartekrachttheorie van Einstein kromt een massa de ruimtetijd en binnen die kromming beweegt de aarde in een baan rondom de zon, zolang de aarde snelheid houdt. Einsteins zwaartekrachttheorie werkt echter niet overal even goed, bijvoorbeeld aan de randen van draaiende sterrenstelsels, waar het lijkt alsof daar te weinig massa en energie aanwezig is; en daarnaast dijt het heelal sneller uit dan met de hoeveelheid aanwezige materie kan worden verklaard.

3. Energie en informatie
Verlindes emergente zwaartekrachttheorie lost dit probleem op. Bij Verlindes zwaartekrachttheorie gaat het niet alleen om energie (en de daarmee samenhangende massa, Einsteins E=mc²), maar evengoed om informatie: I=E=mc².
[Einstein werkt met energie: E=mc² en Verlinde haalt de informatie als gelijkwaardig verschijnsel erbij: I=mc² … waardoor hier de geest als de bewuste levenskracht in beeld komt!
Want in de geest hangt informatie (kennis) samen met bewustzijn en energie met (wils)kracht. Deze eigenschappen van Gods geest, die de alomtegenwoordige, bewuste levenskracht is, komen vanuit de geestelijke wereld in het stoffelijke heelal als de verschijnselen informatie en energie tot uitdrukking.
Ook hier geldt weer de oude hermetische spreuk: 'Zo boven, zo beneden'.

Het woord 'informatie' komt van het Latijnse 'informare': vormgeven, vormen. Die vormgeving hangt samen met het geestelijke licht en de geestelijke warmte binnen de geest. Het licht en de warmte zijn in de geestelijke wereld ervaarbaar in twee toestanden: in een doordringbáre toestand, waarin dat licht en die warmte vormbaar zijn, en in een doordríngende toestand, die samenhangt met het zelfscheppende, zelfvormende vermogen van de geest; de geest geeft - in de ruimte van zichzelf - zélf vorm aan het innerlijke licht, waardoor er in de geest lichtbeelden, denkbeelden ontstaan.
In die zin hangt 'informatie' samen met zowel het vermogen om waar te nemen en te denken: waarnemen is vormbaar licht dat met kennis samenhangt en denken is de begripsvorming die ontstaat door de lichtbeelden van die kennis te behandelen en te vergelijken met andere ervaringen en kennis, en zo nieuwe denkbeelden te vormen.

Informatie en energie zijn twee verschijnselen die de uitdrukkingen zijn van de geest als 'bewuste kracht'. Het woord 'energie' hangt samen met het Griekse 'en ergon': in beweging, in werking, wat de eigenschap is van een werkzame kracht. Door iets waar te nemen wordt de géést zich ervan bewúst en raakt daardoor in een tóestand van bewustzijn (de geest is 'geïnformeerd'), door vervolgens met die kennis iets te willen doen, is de geest een willende krácht (energie).
Doordat informatie en energie binnen de geest volkomen met elkaar samenhangen, is datzelfde het geval in het heelal: Verlindes E=I.]

4. De ruimte gevuld met informatie
De lege ruimte is volgens Verlinde niet leeg, maar gevuld met informatie in de vorm van 'bits': nullen en enen, die steeds omwisselen, wat geldt voor het hele universum. Deze informatie is er altijd al geweest en zal ook altijd blijven bestaan.
[De hier zichtbare ruimte van het heelal is een geschapen ruimte binnen de goddelijke algeest. Die ruimte is een algeestverdichting en wordt daardoor geheel door de algeest doordrongen, met andere woorden door bewustzijn en kracht, door informatie en energie.
Een ruimte die gevuld is met informatie, die er altijd al is geweest en ook altijd zal blijven bestaan, is in feite ... de aloude ether! En die is een uitdrukking van de goddelijke algeest, die alomtegenwoordig is. Het woord 'ether' komt namelijk van het Griekse 'aither' met de betekenis: hemelstreek, m.a.w. de geestelijke wereld.]

5. Het heelal als hologram
Het heelal is vergelijkbaar met een hologram. De informatie voor vorming van een hologrambeeld komt uit een ándere bron; zo is ook alle informatie in het heelal op een ándere plaats gecodeerd.
[De goddelijke algeest is de denkende en voelende geest op de achtergrond, die de bron is van het stoffelijke heelal. De goddelijke algeest is de bron van alle informatie die in het heelal is te vinden; en is ook de bron van de energie, de kracht die aan die informatie vorm geeft.
De vergelijking met het hologram komt ook overeen met de Ideeënleer van Plato en met diens beeld van 'de mens in de grot'. In de geestelijke wereld bestaan de Ideeën als de voorbeelden, de bron, waarnaar de vormen in het stoffelijke heelal zijn gevormd; wij zien hier alleen die stoffelijke vormen.]

6. Informatie als 'bits'
Volgens Verlinde is zwaartekracht geen op zichzelf staande kracht zoals bijvoorbeeld de elektromagnetische kracht of de kernkrachten, maar het gevolg van de wisselwerking tussen deeltjes … ook tussen informatiedeeltjes (bits). Informatie speelt in het heelal een even grote rol als energie en materie. Vandaar de aanvulling op E=mc² in de vorm van: I=E=mc², waarbij 'I' staat voor informatie.
De informatie van alle materie in ons universum ligt niet alleen besloten op, maar ook in een theoretische bol. Zodra materie wordt verplaatst, verandert ook de dichtheid van informatie in en op de bol.
[In die lege ruimte denkt de algeest als de bron vormen door het vormen van denkbeelden; uit de algeest als bron ontstaan daardoor in de ruimte van het stoffelijke heelal de hier aanwezige vormen.
De theoretische bol met daarop en daarin de informatie, komt overeen met het oude begrip 'ether'.]

7. Verlindes zwaartekracht
Van deze verandering van informatie is zwaartekracht een gevolg. In plaats van een kracht is de neiging van massa's om naar elkaar toe te bewegen een soort druk die ontstaat, doordat bij het verplaatsen van die massa's informatie van het hele heelal wordt veranderd. De weerstand tegen de verandering in die informatie, ervaren wij als zwaartekracht.
Als een massa zwaar lijkt, komt dat doordat het universum zich verzet tegen het verplaatsen ervan, doordat daarbij informatie moet worden verplaatst. Op dat ogenblik treedt de emergente, dus niet fundamentele zwaartekracht op.

[In de emergente zwaartekrachttheorie van Verlinde is de zwaartekracht een bijverschijnsel van de informatie die beschrijft waar alle materie in het heelal zich bevindt. Bij de uitleg van zijn theorie maakt Verlinde gebruik van een abstract, wiskundig begrip uit de mechanica, de 'faseruimte'.
De faseruimte is een meerdimensionale ruimte waarvan elk punt een combinatie van posities en snelheden voor alle vrijheidsgraden van beweging voorstelt. De faseruimte is de denkbeeldige verzamelplaats voor de oneindige veelheid van mogelijke bewegingstoestanden - van informatie daarover, waaronder de zwaartekracht - in een bewegend systeem zoals het heelal, waarvan het zichtbare heelal slechts een deel van de mogelijkheden weergeeft.
In de Oudheid was het de ether als het vijfde element, dat zich onzichtbaar boven de vier overige elementen bevond en dat de aanzet gaf tot ordening en beweging van de dode stof in de kosmos, die met die vier elementen was opgebouwd. Het is de eeuwige, onbewogen beweger van Aristoletes die alles in gang zet ... en zo bevinden zich nu alle mogelijkheden om iets in beweging te zetten in de 'abstracte' (van de zichtbare werkelijkheid 'afgetrokken') meerdimensionale wereld van de faseruimte in de mechanica.]

8. De informatie zit opgeslagen in de structuur van de ruimtetijd
[Het woord 'structuur' komt van het Latijnse 'struere': opstapelen, bouwen. Een structuur is een vorm die met behulp van bouwstenen is gevormd. In dit geval gaat het om bouwstenen in de vorm van gedachten, die onderdelen zijn van de denkbeelden (of ideeën: ook informatie genoemd) waarmee God de stoffelijke schepping vorm gaf. Deze 'structuur van de ruimtetijd' komt overeen met het aloude begrip van de ether.]

9. Verdichting van informatie tot massa
Een verandering van informatie is een verandering van energie. Volgens Einstein zijn energie en massa inwisselbaar. Er kan daardoor massa ontstaan uit die informatie. Vanuit chaos [de nog niet samengevoegde bouwstenen] ontstaat daardoor ordening [de bouwstenen tot een bepaalde vorm geordend. De algeest schept (door energie, kracht) door de informatie (een stoffelijke) vorm te geven.] en om die ordening heen lege, informatieloze ruimte.
Door de herschikking van de informatie, ontstaat er een spanning in de lege ruimte die zorgt voor een extra kracht, een soort elastische zwaartekracht, die zich uitstrekt tot de rand van de lege ruimte.
Deze kracht komt bovenop de zwaartekracht die door de gravitatiewetten van Einstein wordt beschreven.

[10. Schepping door verdichting
De laatste twee alinea's beschrijven een nauwkeurig beeld van de verdichting die binnen de goddelijke algeest optreedt, als die door te denken en uit liefde de menselijke geest binnen zichzelf laat ontstaan. Doordat er sprake is van een verdichting door de algeest binnen zichzelf, is er een naadloze overgang tussen de algeest en diens algeestverdichting, de algeestvonk, de menselijke geest; maar door de verdunning die tegelijkertijd daar omheen optreedt, is er ook een zekere afgescheidenheid van de menselijke geest van God.
Die verbindende overgang wordt hier aangegeven als de emergente zwaartekracht die is voortgekomen uit de verandering die de informatieverdeling, in de vorm van de bits, heeft ondergaan binnen de algeest: het is Gods liefde!]

Bronnen:
Erik Verlinde, De zwaartekracht ontkracht; Kennislink 05-02-2010
De Volkskrant, Martijn van Calmthout; 8 november 2016
On the Origin of Gravity and the Laws of Newton, Erik Verlinde; Institute for Theoretical Physics University of Amsterdam (pdf)
Nieuwe theorie van Nederlandse hoogleraar maakt donkere materie overbodig; Scientias 8-11-2016
Erik Verlinde, De boekhouder van het heelal; Noorderlicht, 19-11-2015
Donkere materie én energie opgelost met één theorie; NEMO Kennislink, 14-09-2015
The Quantum Universe, Emergente zwaartekracht en het donkere heelal; Universiteit van Amsterdam
The Quantum Universe, Dossier: Faseruimte; Universiteit van Amsterdam
Freek van Leeuwen, Geestkunde, Boekenplan, 2010

terug naar de Inhoud

5. Kernachtige uitspraken van natuurwetenschappers

Max Planck (Duits natuurkundige):
"De wetenschap kan het uiteindelijke raadsel van de natuur niet oplossen, want waar we tot nu toe zijn gekomen, blijken wij zelf een deel te zijn van het geheim dat we trachten te ontdekken."
Hij zei dat de buitenwereld volkomen is verstrengeld met onze binnenwereld. Dat betekent dat we naast die buitenwereld evengoed onze binnenwereld, d.w.z. onszelf moeten leren begrijpen.

Werner Heisenberg (Duits natuurkundige):
"Mijns inziens heeft de moderne fysica definitief in het voordeel van Plato beslist. Want de kleinste deeltjes van de materie zijn inderdaad geen fysische objecten in de gewone zin van het woord, het zijn vormen, structuren, of - in de geest van Plato - ideeën, waar men slechts in een wiskundige taal ondubbelzinnig over kan spreken."

Albert Einstein (Duits natuurkundige):
"Wetenschap zonder religie is kreupel,
religie zonder wetenschap is blind."

"De intuïtie is een Godsgeschenk, de ratio een dienaar;
ergens in de tijd zijn we de dienaar gaan aanbidden
en zijn we het geschenk vergeten."

"Bidden verandert de wereld niet, maar bidden verandert de mens en de mens verandert de wereld."

"Het meest onbegrijpelijke in ons heelal is, dat het begrijpelijk is."

"Ik wil te weten komen hoe God denkt."

Hij deed de volgende uitspraken in een brief aan de Amerikaanse natuurkundige David Bohm:
"Het is nu duidelijk dat ruimte in de fysica, zoals het er nu voorstaat, niet iets is dat in de natuur bestaat of onafhankelijk is van het menselijke denken. Het is een functie van onze geest (mind)."
"We moeten een mogelijkheid vinden om het ruimte en tijd continuüm niet te hoeven gebruiken. Maar ik heb geen enkel idee van het soort van elementair concept dat we dan moeten gebruiken om een verenigd veld theorie op te stellen."
"De werkelijkheid is louter een illusie, zij het een illusie die blijvend is."
"Als kwantummechanica klopt, betekent dat het einde van de natuurkunde als wetenschap."

Tijdens vraaggesprekken zei Einstein het volgende (samenvatting Kennislink-artikel):
"In de kwantumtheorie staat onzekerheid centraal, want eigenschappen van materie en energie kunnen alleen in kansen worden uitgedrukt. Dat kan ik niet accepteren; alsof niets zeker is en toeval domineert!
Het kan niet zo zijn dat God dobbelt met de natuur. Voor alles moet een oorzaak kunnen worden gevonden. Er moet een soort onderliggende werkelijkheid zijn, die we niet kunnen zien. Dat maakt de theorie naar mijn mening onvolledig."
Niet alleen Einstein, maar ook de Broglie en David Bohm waren deze mening toegedaan. De Nederlandse natuurkundige en Nobelprijswinnaar Gerard 't Hooft (hij wijst i.v.h. op de de 'cellulaire automaat') sluit zich hierbij aan.
Einstein: "Als dit universum in zijn miljoenvoudige orde en precisie het resultaat van een blind toeval zou zijn, dan is dat net zo geloofwaardig als wanneer een drukkerij explodeert en alle druklettertjes weer op de grond terecht komen in de voltooide en foutloze vorm van het woordenboek."

Klik hier voor een artikel over Einsteins religieuze opvattingen in de Huffington Post.

Geleerden die werkten aan de kwantummechanica schreven:
Eugene Wigner (natuurkundige en Nobelprijswinnaar):
"Het blijft opmerkelijk dat, hoe onze inzichten zich in de toekomst ook mogen ontwikkelen, de bestudering van de buitenwereld leidt tot de wetenschappelijke slotsom, dat de inhoud van ons bewustzijn de uiteindelijke universele werkelijkheid uitmaakt."

Niels Bohr (Deens natuurkundige) schreef:
"De gebruikelijke kijk op de wereld in termen van objecten die werkelijk in de buitenwereld bestaan, onafhankelijk van onze waarnemingen (de objectieve werkelijkheid), wordt volledig verstoord door het bestaan van kwantumverschijnselen."
En: "Als de uitkomsten van de kwantummechanica je nog niet diep hebben geschokt, dan heb je het nog niet goed begrepen."

Erwin Schrödinger (natuurkundige) heeft erop gewezen dat elementaire deeltjes in de kwantumtoestand niet in een individueel gedefinieerde toestand verkeren, maar in een collectieve toestand en dat die toestanden altijd met elkaar 'verstrengeld' zijn.
[Alle elementaire deeltjes komen door verdichting voort uit hun 'veld', maar blijven ermee verbonden en daardoor met elkaar verstrengeld. Zo zijn wij als geest met de algeest verstrengeld! (Freek)]

Dit waren allemaal Nobelprijswinnaars, mensen die gewend waren ongebaande wegen te betreden. Volgens Brian Whitworth, schrijver van het boek The Physical World as a Virtual Reality, is het universum een virtuele werkelijkheid die wordt gevormd door het verwerken van informatie, een opvatting die wordt bevestigd door de uitkomsten van de moderne natuurkunde (kwantummechanica).
Hij wees erop dat de aanname van de werkelijkheid als een virtuele werkelijkheid de verkregen natuurkundige gevens beter verklaarde dan door te blijven vasthouden aan de newtonse aanname van het bestaan van een 'objectieve werkelijkheid'.
Doorbraken komen altijd vanuit de periferie, zij komen nooit uit het midden van de gevestigde orde zelf; doorbraken komen van mensen die daarbuiten durven te gaan staan.

Andere uitspraken over kwantummechanica:
Richard Feynman (Amerikaans natuurkundige):
"Ik denk dat we kunnen stellen dat niemand kwantummechanica begrijpt."
En: "In de moderne natuurkunde weten we niet wat energie ís."

Roger Penrose (Brits wis- en natuurkundige):
"Kwantummechanica is absoluut niet logisch."
Erwin Schrödinger (Oostenrijks natuurkundige, die nog wel de kernvergelijking voor de kwantummechanica opstelde):
"Ik houd er niet van en het spijt me dat ik er ooit iets mee te maken heb gehad."

Vlatko Vedral (Brits natuurkundige):
"Ik denk dat er niet zo iets is als klassieke natuurkunde of een klassieke wereld. Dingen gedragen zich min of meer klassiek onder sommige omstandigheden, waarbij kwantumeffecten verdwijnen."

Alan Guth (Amerikaans natuurkundige, ontwikkelde de inflatietheorie van het heelal):
"Ik heb geen idee waar de natuurwetten vandaan komen."

Maar Einstein zei daar het volgende over:
"But also, everyone who is seriously involved in the pursuit of science becomes convinced that some spirit is manifest in the laws of the universe, one that is vastly superior to that of man. In this way the pursuit of science leads to a religious feeling of a special sort, which is surely quite different from the religiosity of someone more naive."

Leonard Susskind (Amerikaans natuurkundige, die de snaartheorie ontwikkelde):
"It is not only that it is easier to describe the universe with mathematics, as you go deeper
and deeper into the reality, mathematics becomes the only way to describe reality."

En Niels Bohr sluit daarop aan: "Atomen zijn geen dingen." (maar een 'mathematische constructie' [Freek])

Leonard Susskind: "Ons brein is niet gemaakt voor quantummechanica. Het je willen voorstellen heeft geen zin. Wat we ons kunnen voorstellen is klassieke mechanica. Dat is nu echter een raar soort quantummechanica."

"Einstein, in the special theory of relativity, proved that different observers, in different states of motion, see different realities."

"You have to say now that space is something. Space can vibrate, space can fluctuate, space can be quantum mechanical, but what the devil is it?"
"Why is there space rather than no space? Why is space three-dimensional? Why is space big? We have a lot of room to move around in. How come it's not tiny? We have no consensus about these things. We're still exploring them."

De Franse atoomfysicus Jean Charon zei: "Het maximale bewustzijn is gelijk aan de hoogste graad van negentropie (ordening). De negentropie is de creativiteit, de Liefde. De Liefde schijnt ons het doeltreffendste middel om het bewustzijn te ontwikkelen, zowel op het niveau van het individu als op het niveau van de hele wereld."

Het mag uit deze uitspraken duidelijk zijn geworden dat natuurkundigen bezig zijn de grenzen van het gebied van het stoffelijke te naderen en te overschrijden. Daarom besluit ik deze verzameling uitspraken met een woord van psychiater Carl Jung, die diepgaande gesprekken voerde met de natuurkundige Wolfgang Pauli:
"Vroeg of laat zullen de kernfysica en de psychologie van het onbewuste elkaar naderen wanneer beide, onafhankelijk van elkaar en vanuit verschillende richtingen, doordringen in het gebied van het buitenzintuiglijke." (In zijn boek 'Aion')
En Werner Heisenberg, Duits natuurlundige, sluit daarbij aan:
"De eerste slok uit de beker der natuurwetenschap maakt atheïstisch, maar op de bodem van de beker wacht God."
In verband met bovenstaande uitspraken zei de Franse filosoof Henri Bergson: "De wetenschap van de materie dient een onderdeel te zijn van de wetenschap van het leven en niet omgekeerd. De schepping is geen statisch geordend geheel - het leven is een creatief proces, het werk van een kunstenaar, een doelgericht gebeuren."

Van een heel andere kant werd dit onderwerp bekeken door Albertus de Grote (± 1193-1280), Duits bisschop en theoloog, die Aristoteles' filosofie op de christelijke theologie toepaste. Van hem is de verrassend moderne uitspraak: "Het is natuurlijk interessant te zien hoe God door zijn wonderen steeds weer zijn natuurwetten doorbreekt, maar nog interessanter is het te onderzoeken, welke vaste patronen God in zijn natuur heeft neergelegd."
Hij had de moed niet voetstoots de bevindingen van de antieke wetenschap over te nemen, maar ze te beoordelen met eigen waarnemingen. Daarmee is hij een van de grondleggers van de moderne wetenschap. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste geleerden van de middeleeuwen en droeg de eretitel 'doctor universalis'. Hij schreef niet alleen over filosofische en theologische onderwerpen, maar ook over vraagstukken uit de natuurkunde, astronomie, scheikunde en aardrijkskunde. Zijn verzamelde werk beslaat 38 delen (Parijse editie van Borgnet, 1890-1898). Hij werd in 1931 door paus Pius XI heilig verklaard en tot kerkleraar uitgeroepen. Hij wordt vereerd als patroon van natuurkundigen en van studenten in natuurwetenschappen en theologie (bron: Dagelijks Bijbelcitaat).

terug naar de Inhoud

6. Parapsychologie
In 1882 werd in Engeland het genootschap voor parapsychologisch onderzoek, de 'Society for Psychical Research' (SPR), opgericht. Sinds die tijd is er op wetenschappelijke wijze een overweldigende hoeveelheid feiten verzameld die het bestaan van paranormale verschijnselen aantonen. De moeilijkheid is alleen dat de onderzoeken die die feiten hebben opgeleverd, lastig te reproduceren zijn. Eenzelfde soort probleem doet zich voor in de kwantummechanica, waarin de uitkomsten van een onderzoek worden beïnvloed door de opzet ervan. ²)
Door paranormale verschijnselen te onderzoeken is het mogelijk gebieden van de werkelijkheid te ontdekken die nooit kunnen worden gevonden door alleen de stoffelijke wereld te onderzoeken. Door parapsychologisch onderzoek is in ieder geval aangetoond dat mensen beschikken over buitenzintuiglijke vermogens tot informatieverwerving en tot beïnvloeding van materiële processen puur door intentie.


In Nederland bestaan er de volgende instellingen voor wetenschappelijk parapsychologisch onderzoek:
- De Studievereniging voor Psychical Research (SPR)
- Het Parapsychologisch Instituut (PI)

1. De 'Studievereniging voor Psychical Research' (parapsychologie) werd op 4 oktober 1919 opgericht. Haar eerste voorzitter was prof. dr. G. Heymans (Groningen), de nestor van de Nederlandse psychologen.
De vereniging stelt zich ten doel het wetenschappelijke onderzoek van paranormale verschijnselen te bevorderen. Om dat doel te bereiken, ontplooit zij verschillende activiteiten. Zo organiseert zij jaarlijks de Dag van de Parapsychologie met lezingen over parapsychologische onderwerpen.

De SPR wil het vakgebied van de parapsychologie vertegenwoordigen in de academische wereld. Zij streeft ernaar om (opnieuw!) een leerstoel Parapsychologie te vestigen aan een Nederlandstalige universiteit. Vanuit de leerstoel zal zij door middel van cursussen belangstellenden in staat stellen kennis te maken met de onderzoeksmethoden en technieken op het gebied van de parapsychologie, de uitkomsten van dit onderzoek en de problemen die onopgelost bleven. Verder wil zij door het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek bijdragen aan het ontwikkelen van het vakgebied van de parapsychologie.
De 'Studievereniging voor Psychical Research' is een vereniging waar belangstellenden lid van kunnen worden.

2. Het Parapsychologisch Instituut (PI) in Utrecht is een instelling die zich richt op educatie, hulpverlening en ook parapsychologisch onderzoek. Door onderzoek wil zij meewerken aan het verdiepen van de kennis van paranormale verschijnselen. Met het aanbieden van cursussen, bibliotheek- en documentatiemateriaal en wetenschappelijke publicaties wil zij de wetenschappelijke wereld en geïnteresseerde leken in contact brengen met beschouwingen over paranormale verschijnselen en de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek.
Als instelling voor hulpverlening wil zij mensen helpen die vragen hebben over hun paranormale ervaringen of moeite hebben deze ervaringen te verwerken.
Het Parapsychologisch Instituut is een stichting waarbij iedereen zich kan aansluiten als donateur.

De SPR en het PI geven samen het Tijdschrift voor Parapsychologie en Bewustzijnsonderzoek (TVP&BO) uit.
Klik hier om een artikel van Rick Hanson over neuroplasticiteit uit dit tijdschrift te lezen.
--------------
¹) R. van Wees, De ecologische crisis en de materialistische geestverduistering in wetenschap en maatschappij, Civis Mundi, #2, 16 december 2010, en in Gamma, Tijdschrift van Stichting Teilhard de Chardin, jrg. 17 (2010), nr. 2
²) H. Walach et al., Spirituality: The Legacy of Parapsychology, Archive for the Psychology of Religion 31 (2009) 277-308






^