De goddelijke en de menselijke geest

Teksten i.v.m. de gelijkwaardigheid van de goddelijke algeest en de menselijke geest
Samenvatting van het hoogste weten, het diepste inzicht:

Inhoud



1. Godservaringen
Het is mij vergund geweest meerdere ervaringen op te mogen doen met de werkelijkheid van het bestaan van God. De verhouding tussen God en mens is mij getoond in twee vormen: de ongevormde oertoestand en de gevormde toestand.
Nadat ik in mijn jeugd tijdens mijn gebed tot God meerdere malen aanwezig ben geweest in een oneindige zee van geestelijk licht, overkwam mij op twintigjarige leeftijd een bijzondere ervaring daarmee.
Mijn eerste godservaring: de ongevormde oertoestand
Tijdens zelfbezinning en gebed werd ik als menselijke geest losgemaakt van de banden met de aarde en door geestvervoering verplaatst naar onzichtbare, geestelijke werelden. Daar werd ik ook met die ene, ijle wereld verbonden die de bron van al het andere is en mocht ik de geestelijke aanvang van de schepping schouwen.
Vóór de aanvang van de schepping was er in de ruimte van die wereld de ongevormde oertoestand van die éne geest, de algeest, die eeuwig en oneindig is. In de ruimte van die geest kon ik geen vormen onderscheiden. Toch is de ongevormde toestand van deze oneindige geest de eeuwige grondslag van al wat ooit in de schepping is gevormd en nog zal worden gevormd.
Aan het geopende geestesoog van mij als de ervarende menselijke geest deed deze oertoestand van die geest zich aanvankelijk voor als een geestestoestand, die als 'donkere koelte' is te omschrijven. Deze oertoestand is een geestelijk donker en een geestelijke koelte. De geestestoestand van donkere koelte bleek samen te hangen met de diepste rust. Deze diepste rust verbond zich met mij als de ervarende geest en bracht ook mij in een overeenkomende toestand van diepe, innerlijke rust; maar daardoor ook in een toestand van het krachtigste zelfbesef en het meest verheven geluksgevoel.
De diepste rust en de donkere koelte waarin die rust zich uitdrukt, strekte zich voor mij als de ervarende geest uit in de eeuwige oneindigheid. Deze diepste rust deed zich aan mij voor als een eeuwig en oneindig wezen. Zij was ervaarbaar als een 'aanwezigheid' met een eigen zelfstandigheid, die mij liet delen in de vreugde van haar rust en het innige geluk van haar eigen geestestoestand.

Verbonden met die ijle wereld nam ik als ervarende menselijke geest waar, dat als het ware 'binnen' de ongevormde oertoestand van de geest als de diepste rust en de donkere koelte waarin zij tot uitdrukking kwam, op zeker tijdstip een beweging begon. Deze beweging deed zich aan mij voor als een 'lichtende warmte'. Het geestelijke licht dat voor mijn geestesoog verscheen, was een gouden licht, de geestelijke warmte een zachte, koesterende warmte.
Deze beweging en zijn lichtende warmte kwam door zelfopwekking voort uit de rust en haar donkere koelte. Hij was er het tegendeel van, de wederhelft. De beweging en zijn lichtende warmte was daarvóór in zijn tegendeel verborgen, ermee verenigd, was als opgelost in de rust en haar donkere koelte en zo tot rust gekomen.
Na uit de rust en haar donkere koelte te zijn voortgekomen, bleek ook de beweging en zijn lichtende warmte zich voor mijn geestesoog uit te strekken in de eeuwige oneindigheid van deze nu heldere, ijle en vormenloze wereld. Ook de beweging en zijn lichtende warmte deed zich aan mij voor als een 'aanwezigheid', als een wezen met een eigen zelfstandigheid, die mij als menselijke geest in de vreugde van zijn beweging liet delen.
De beweging en zijn lichtende warmte in de oertoestand van de geest deed zich aan mijn geestesoog voor als een oneindige zee, maar dan als een zee van een gouden, geestelijk licht en een zachte, geestelijke warmte.

Nadat de beweging en de rust zich als ervaarbare zelfstandigheden aan mij hadden voorgedaan, verenigde de beweging en zijn lichtende warmte zich weer met zijn tegendeel, de rust en haar donkere koelte. Bij die vereniging doordrong de beweging de rust en liet de rust zich doordringen; het licht doordrong het donker en het donker liet zich doordringen; de warmte doordrong de koelte en de koelte liet zich doordringen.
Wat zich aan mij voordeed was een evenwichtige samenwerking van de tegendelen beweging en rust, die mogelijk was door hun doordringende en doordringbare eigenschappen. Hun gezamenlijke inspanning leidde opnieuw tot hun vereniging, maar met dit verschil dat daarbij nu de beweging en zijn lichtende warmte niet tot rust kwam, maar in beweging bleef en zo ervaarbaar was.

De tweeheid van beweging en rust vormde door hun vereniging opnieuw een twee-eenheid. Ook deze nieuwe eenheidstoestand hield het midden tussen beweging en rust, licht en donker, warmte en koelte. Ook in deze twee-eenheid matigden zij elkaar en hielden elkaar in evenwicht. Door deze vereniging van beiden ontstond er evenwel een geestelijke eenheidstoestand in een andere, nieuwe vorm. Aan mij als de ervarende geest deed deze nieuwe eenheidstoestand zich namelijk voor als een 'beweeglijke toestand', als een 'getemperd licht' en als een 'verkoelende warmte'.
In deze toestand werden de tegendelen geestelijke koelte en geestelijke warmte gelijktijdig door mij ervaren. Beide tegendelen waren in evenwicht met elkaar en te zelfder tijd aanwezig, en toch als onderscheiden ervaarbaar.

De bolvormige wolk
Tijdens de vereniging van de beweging en zijn lichtende warmte met de rust en haar donkere koelte, zag ik het begin van de geestelijke schepping. Deze schepping begint met het vormen van een nieuwe wereld door verdichting van het licht en de warmte in de wereld van de algeest. Daardoor ontstaat in die wereld een minder ijle, minder heldere wereld, de scheppingsruimte. In déze wereld kan de algeest scheppend werkzaam zijn en door verdichting van licht lichtbeelden vormen, vormen scheppen. Naar mij later bleek was deze wereld bestemd de wereld van de menselijke geesten te zijn.
Tijdens de vereniging van rust en beweging verscheen voor mij een punt, waaromheen het licht in die wereld zich vervolgens verdichtte. Door verdere verdichting werd daar een 'bolvormige wolk' van licht gevormd. Deze wolk deed zich aan mij voor als een ijle, lichtende 'nevel', die van hetzelfde geestelijke licht als de algeest was; zij was in die minder ijle wereld door verdichting van het licht uit de algeest voortgekomen.
Met de vorming van een bolvormige lichtwolk is de schepping begonnen.

Vervolgens merkte ik dat het voelen van de algeest uitging naar de gevormde lichtwolk als het eerstgeschapen denkbeeld van zichzelf... dat in de algeest een 'ander' is. Daardoor stroomde er geestelijke warmte naar het denkbeeld toe, die als een innige liefde het geestelijke licht in de bol doordrong. Binnen de bolvormige wolk vermengden het licht en de warmte zich volkomen met elkaar zoals binnen de algeest zelf, waardoor de wolk van licht een wolk van licht en warmte werd... en zo tot leven kwam!
Het licht en de warmte waren aanvankelijk in rust; later begonnen zij samen zacht te bewegen, rustig te wervelen als een levende, stromende, massa fonkelende, trillende, gouden vonkjes. Deze wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, uit de algeest voortgekomen, is de nu door liefde tot leven gewekte menselijke geest. De menselijke geest is uit en in de goddelijke algeest. Het schouwspel van deze gebeurtenis en de herbeleving van de schepping van mijzelf als geest, wekte in mij als de nu dit schouwspel waarnemende geest de diepste ontroering en tegelijk de meest verheven vreugde. Ik ervoer:

Ik ben geest in God,
God is geest in mij.

De vermogens en de geestgedaante
In de algeest in de nieuwe eenheidstoestand heeft de lichtende warmte de donkere koelte in zich opgenomen. Daardoor zijn de eigenschappen ervan: de doordringbaarheid en daardoor de vormbaarheid ervan, een deel geworden van de lichtende warmte in de nieuwe toestand: een lichtende warmte die daardoor nu vormbaar en zelfvormend is. Met die vormbare en zelfvormende eigenschappen van het licht en de warmte in de nieuwe eenheidstoestand hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen.
Door waar te nemen brengt de geest het licht in zichzelf als bolvormige wolk in een ontvankelijke, vormbare toestand, zodat de buitenwereld een indruk kan maken en er een beeld van wordt gevormd in de geest, waardoor die zich van de buitenwereld bewust wordt; door te denken vormt de geest binnen zichzelf lichtbeelden, wat denkbeelden zijn, die naar buiten toe kunnen worden geuit; door te voelen stelt de geest de warmte vormbaar open voor wat is waargenomen, waardoor de warmtetoestand, wat de gemoedsgesteldheid is, door de buitenwereld kan worden gevormd - daardoor kan de geest meevoelen met wat daar gebeurt; het willen is het vermogen de warmtetoestand - wat dan de wilskracht is - zodanig te verhogen, dat de geest de gevormde gedachten en gevoelens naar buiten toe vorm kan geven in het gedrag.
Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens straalt de geest een lichtruimte om zich heen uit, de ziel. Daarin kunnen niet alleen de voortbrengselen van de vermogens - kennis, gedachten, gevoelservaringen en wilsbesluiten - worden bewaard (het geestelijke geheugen), maar de éigenschappen van de vermogens hebben in de loop van de ontwikkeling ook een vorm gegeven aan die uitstraling, de ziel. Daardoor is die uitstraling gevormd als de menselijke gestalte: de geestgedaante.
De geestgedaante komt in de stoffelijke wereld tot uitdrukking in het lichaam. De ontvankelijke eigenschappen van het waarnemen hebben vorm gegeven aan het hoofd, waar zich de belangrijkste zintuigen bevinden; de ontledende (verstand) en opbouwende (rede) eigenschappen van het denken hebben vorm gegeven aan de organen van de buik (maag, darmen, lever); de verzorgende eigenschappen van het voelen hebben vorm gegeven aan het hart, dat met de bloedsomloop alle cellen van het lichaam verzorgt; de in beweging zetten eigenschappen van het willen hebben vorm gegeven aan de ledematen, waarmee de geest het lichaam kan bewegen en zijn plannen kan uitvoeren.
Deze uiteenzetting over de verhouding tussen de geest, de geestelijke vermogens, de ziel als uitstraling van hun werkzaamheid en de vorm die de ziel heeft aangenomen door de invloed van de eigenschappen van de vermogens, is nodig om het verband tussen de godservaringen in de ongevormde en de gevormde toestand in te zien.

Mijn tweede godservaring: de gevormde toestand
De algeest deed zich in de nieuwe, beweeglijke eenheidstoestand aan mijn geopende geestesoog voor als de oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, zoals hierboven beschreven. Deze zee van licht en warmte was ontstaan door de vereniging van de oorspronkelijke rust en haar donkere koelte, en de beweging en zijn lichtende warmte, die beiden in hun wereld, de allerhoogste, zonder vormen zijn.
Later verschenen zij aan mij, niet in de oneindige ruimte van de algeest, maar in een andere wereld, een vaag begrensde, geestelijke ruimte in de algeest. Die begrensde ruimte was in tweeën gedeeld: een voorste en achterste deel. In het voorste deel was de lichtende warmte in de ongevormde toestand aanwezig, in het achterste de donkere koelte.
In de voorste helft van die ruimte verscheen God als mijn vader als geestgedaante in zijn lichtende warmte; ten opzichte van mij als hun godenkind bevond God als goddelijke vader zich réchts vóór mij; ik vroeg: Waar is God als mijn moeder? en ik moest mij omdraaien om haar te kunnen zien. In de achterste helft bevond zich God als mijn moeder als geestgedaante in haar schaduwrijke koelte. God als goddelijke moeder bevond zich línks áchter mij; in het midden van die ruimte - tussen de donkere koelte en de lichtende warmte zoals ook de eerste keer - bevond ik mij, de menselijke geest als hun beider godenkind.
Zij zijn als vadermoeder de ouders van hun beider kind, ik als de menselijke geest in hun midden. Het weten van God als mijn vader en moeder, en van mijzelf als hun godenkind, was een onmiddellijk en zeker weten.

Later zag ik dat beiden zich sierlijk naar mij als hun kind toebewogen. God als vader kwam in de lichtende warmte vóór mij staan, het gezicht naar mij toegewend, zichtbaar aanwezig. Tussen vader en kind was een zekere afstand, een bewegingsruimte. God als moeder kwam in de schaduwrijke koelte áchter mij staan, haar armen beschermend om haar kind, maar het toch vrijlatend; wel voelbaar aanwezig, maar niet zichtbaar. Tussen moeder en kind was nauwelijks afstand. Duidelijk werd door mijn ouders aan mij getoond: hun innige liefde, hun wezenlijke toegenegenheid.

Nog weer later zag ik dat wij drieën in een vloeiende beweging bij elkaar kwamen op de hoekpunten van een onzichtbare, gelijkzijdige driehoek op de vloer. Wij keerden ons naar elkaar toe; beschroomd keken wij elkaar een ogenblik aan en bogen daarna het hoofd naar de vloer. Duidelijk werd door de ouders aan mij als hun kind getoond: de wezenlijke gelijkwaardigheid én de hereniging. De beide ouders zijn in hun kind een nieuwe, uit hen beiden voortgekomen en daardoor aan hen gelijkwaardige eenheid geworden; maar altijd blijft ook het onderscheid tussen de vader, de moeder en hun beider kind bestaan.

Wat ik eerst heb mogen ervaren is: Ik, de menselijke geest, ben ooit 'geboren' als Gods algeestvonk.
Wat ik daarna heb mogen zien is:   Ik, de menselijke geest, ben nu gegroeid en ben Gods jonge god.

Ik heb de werkelijkheid ervaren van de woorden uit Psalm 82:6, door Jezus aangehaald in Joh. 10:34:
"Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen van de Allerhoogste."
Waarbij moet worden gedacht aan: 'zonen en dochters'.

terug naar de Inhoud

2. De 'godheid': 'al het goddelijke'
De meest wezenlijke ervaring die mij vergund was te mogen meemaken, was de voortkomst of 'geboorte' van mijzelf als menselijke geest uit en in de goddelijke algeest in de ongevormde oertoestand, zoals boven beschreven. Die 'geboorte' vond plaats door de verdichting van het licht van de algeest tot een bolvormige wolk van licht; dat werd gevolgd door een doorstroming met warmte vanuit de algeest, waardoor de bolvormige wolk, ik, die nú de bron is van deze regels, tot leven kwam.
Wat ik mocht ervaren is, dat de menselijke geest als bolvormige wolk van licht en warmte naadloos is verbonden met de goddelijke algeest en er daardoor wezenlijk mee samenhangt en overeenstemt. Het enige verschil is de omvang: de goddelijke algeest is een eeuwige oneindigheid die alomtegenwoordig is, de menselijke geest een algeestvonk die daaruit en daarin leeft.

De bolvormige wolk van licht - ik, hier als geestelijke mens - is in de algeest een denkbeeld dat is gevormd door de goddelijke algeest als vader, dat tot leven werd gebracht door een doorstroming van liefde door de goddelijke algeest als moeder, waardoor ik, de menselijke geest als hun godenkind, werd 'geboren'.
Daardoor zijn in mij hún eigenschappen aanwezig, de geestelijke vermogens: het vermogen zich van de dingen bewust te worden door ze waar te nemen, ze te beoordelen door ze te overdenken en te doorvoelen, en vervolgens een besluit te nemen en dat te willen uitvoeren. Door die geestelijke werkzaamheid straalt de geest een uitstraling om zich heen uit (de ziel), die door de eigenschappen van de vermogens tot de 'geestgedaante', de menselijke gestalte, werd gevormd: de gevormde toestand.

Wat als een kind begint, heeft als aanleg in zich de mogelijkheid uit te groeien tot een volwassene, die aan de ouders gelijkwaardig is. Die geestelijke zelfstandigheid is het doel waarnaar de mens door middel van een geestelijke ontwikkeling onderweg is: de ontwikkeling van de geestelijke vermogens tot het geweten en de deugden. Is die zelfstandigheid bereikt, dan is de geestesgesteldheid met die van de algeest overeengekomen en daardoor ook de mogelijkheid dat de hereniging met God tot stand wordt gebracht.

Het schema van de geestelijke verhoudingen binnen de algeest
 
De 'godheid' ('al het goddelijke'): de eenheid van de goddelijke en de menselijke geest
1 de algeest: de ongevormde oertoestand die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheida vrouwe-lijkheid in de vorm van: de rust en haar donkere koelte
 
c vereniging door in elkaar op te gaan
→ een getemperde lichtende warmte: de algeest
zich uitstrekkend in de eeuwige oneindigheid

door hun vereniging ontstaat ook de menselijke geest
in de 'ongevormde' toestand als bolvormige wolk:
b mannelijkheid in de vorm van: de beweging en zijn lichtende warmte
 
 de menselijke geest, als verdichte bol van licht en warmte uit en in de goddelijke algeest; in aanleg bezit die de geestelijke vermogens uit de algeest: het waarnemen, denken, voelen en willen (2) 
 
2 de geestgedaante: de gevormde toestanda vrouwe-lijkheid nu in de vorm van: God als moeder 
de werkzaamheid van de vermogens straalt om de geest uit en geeft aan de uitstraling de vorm van de geestgedaante:
de menselijke, mannelijke of vrouwelijke gestalte
b mannelijkheid nu in de vorm van: God als vader
 de mens, nu als Gods godenkind, de nog onvolmaakte, 'nog níet heilige' geest, die d.m.v. zijn vermogens aan zijn geestelijke ontwikkeling naar 'heiligheid' ('heelheid') begint (3) 
 
3 de geestelijke begeleiding bij de ontwikkeling van de mensa God als moederc vereniging door weer in elkaar op te gaan

door hun vereniging ontstaat, overal waar dat nodig is, ook:

de volmaakte, heilige (want 'hele') geest:
de verenigde, goddelijke tweelinggeest: daarin zijn de geestgedaantes van het goddelijke ouderpaar
liefdevol in elkaar opgegaan
b God als vader
 de heilige geest begeleidt, samen met zijn/haar engelen, en met de broeders en zusters van de mens, de menselijke geest op de aarde - opdat die zélf de vermogens tot ontwikkeling brengt om zo goddelijk, heilig te kunnen worden en zich met Gods heilige geest te herenigen 
 doordat álle geesten (van mensen, dieren en planten) dezelfde verdichtingen zijn uit en in de algeest, vormen zij in wezen één gemeenschap van zelfstandige geesten 

Gods heilige geest is als begeleider één keer in de persoon van Jezus ook als mens bij de mensheid op aarde geweest.

Voor mij komt dit schema in de plaats van het gekunstelde denkbeeld van 'De Drie-eenheid', waar zelfs theologen verschillend over denken en dat zij niet goed kunnen uitleggen. Meer over dit onderwerp is te vinden bij 'drie-eenheid' in de Verklarende woordenlijst.

terug naar de Inhoud


Christus Pantokrator
(Albeheerser, Almachtige)
gebaar met twee vingers:
geestelijke leraar
St. Catharinaklooster,
Sinaï, 548-565 n.Chr.
het oudst bekende Christus-ikoon
bron: Wikipedia (door mij bijgewerkt)
3. Bijbelteksten
Psalm 82:6, Joh. 10:34; Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen van de Allerhoogste.
(Het Hebreeuwse 'ben' betekent niet alleen 'zoon', maar ook 'hij of zij, die iemand toebehoort')

Het Evangelie volgens Johannes
17:1 Dit zei Jezus en Hij richtte zijn ogen naar de hemel en zei: Vader het uur is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke,
17:2 Zoals U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat U Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
17:3 Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God (de algeest), en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt (Gods heilige geest).
17:4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat U Mij te doen hebt gegeven.
17:5 En nu, verheerlijk Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had, voordat de wereld er was.
17:10 En al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.

14:9 Jezus zei tegen hem: Ben Ik zolang bij je geweest, Filippus, en ken je Mij niet? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; waarom zeg je dan: Toon ons de Vader?
14:10 Geloof dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is. De woorden, die Ik tot jullie spreek, zeg Ik niet uit Mijzelf; maar de Vader die in Mij blijft, is werkzaam.
14:11 Geloof Mij: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij (de heilige geest is in de algeest en de algeest in de heilige geest); geloof anders vanwege de werken die Ik heb gedaan.
14:18 Ik zal jullie niet als wezen (Jezus is dus de Vader) achterlaten. Ik kom tot jullie.
14:19 Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar jullie zien Mij, want Ik leef en jullie zullen leven.
14:20 In die tijd zullen jullie weten, dat Ik in mijn Vader ben en jullie in Mij en Ik in jullie.
14:27 Vrede laat Ik jullie, mijn vrede geef Ik jullie; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem jullie. Laat jullie hart niet ontroerd of ontmoedigd worden.
14:28 Jullie hebben gehoord, dat Ik jullie heb gezegd; Ik ga heen en kom weer tot jullie. Als jullie Mij zouden hebben liefgehad, zouden jullie je hebben verblijd, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.
17:11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn wel in de wereld en Ik kom tot U, Heilige Vader; bewaar hen in uw naam welke U Mij hebt gegeven, zodat zij een zijn zoals Wij.
17:21 Opdat zij allen een zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons zijn; (het gaat erom dat de menselijke geest net zo één wordt met de algeest als de heilige geest één is met de algeest).
17:22 En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hen gegeven, opdat zij een zijn zoals Wij een zijn:
17:23 Ik in hen en U in Mij, dat zij volmaakt zijn tot een, opdat de wereld tot de erkenning komt dat U Mij gezonden hebt en dat U hen hebt liefgehad, zoals U Mij hebt liefgehad.
17:24 Vader, wat U Mij hebt gegeven; Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn om mijn heerlijkheid te aanschouwen die U Mij hebt gegeven, want U hebt Mij liefgehad voor de schepping van de wereld.
17:25 Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U en zij weten dat U Mij hebt gezonden;
17:26 En Ik heb hen uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen zal zijn in Ik in hen.


Leonardo da Vinci - Het laatste avondmaal

14:16 En Ik zal de Vader bidden en Hij zal jullie een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij jullie te zijn,
14:17 De Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar jullie kennen Hem, want Hij blijft bij jullie en zal in jullie zijn.
14:26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zal zenden in mijn naam, die zal jullie alles leren en jullie alles te binnen brengen wat Ik jullie heb gezegd (de heilige geest zal de mensheid helpen met die eenwording).

Samenvatting:
1. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God (de algeest), en Jezus Christus (in wie Gods heilige geest persoonlijk bij ons is geweest), die U hebt gezonden.
2. Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij (de heilige geest is in de algeest en de algeest is in de heilige geest).
3. Opdat zij allen een zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons zijn; (het gaat erom dat de menselijke geest net zo één wordt met de algeest als de heilige geest één is met de algeest).
4. Maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zal zenden in mijn naam, die zal jullie alles leren en jullie alles te binnen brengen wat Ik jullie heb gezegd (de heilige geest zal de mensheid begeleiden bij de geestelijke ontwikkeling en helpen met die eenwording).

terug naar de Inhoud

4. Oepanisjads
Het woord 'upanishad' betekent: 'neerzitten bij de meester' en duidt zo op het geestelijke onderricht, dat de leerling van de meester ontvangt (de 'meester' is 'goeroe': 'hij die de duisternis verdrijft'). Er zijn er een aantal en zij behoren tot de Veda's (het weten, de kennis)
a. Tsjandogya oepanisjad
3.14.4 Die Atman (de menselijke geest) van Mij in het hart is Brahman (de goddelijke algeest).
6.8.7 Dat, wat dat ijle is, dat is de Geest van de gehele wereld (Brahman). Dat is de werkelijkheid, dat is de Atman (de menselijke geest). Dat zijt gij (Sanskriet 'tat twam asi'), oh Sjwetaketoe. (Dit is de kern van de Hindoeleer)
b. Kathaka oepanisjad
3.11 Hoger dan de Poeroesja (de Atman, de menselijke geest) is er niets. Dat is het einddoel. Dat is de hoogste weg.
6.12 Hoe kan hij (de Atman, de geest) anders worden begrepen dan door te zeggen: "Hij is"? ('Jahweh')
6.13 Ja, hij kan worden begrepen door te zeggen: "Hij is". Wanneer hij begrepen is door te denken "Hij is", openbaart zich zijn ware wezen.
c. Sjwetasjwatara oepanisjad
1.12 Dat eeuwige moet men in de geest aanwezig weten; waarlijk, hoger dan dit te kennen, is er niet.
1.15 De Atman wordt in zichzelf gevonden door wie hem zoekt in ware zelfbeheersing.
1.16 De Atman is geworteld in zelfkennis en zelfbeheersing.
3.9 De Geest (Brahman) vult de gehele wereld.
3.19 Hij wordt de eerstgeboren Geest genoemd.
3.20 Als kleinste van het kleinste, grootste van het grootste, woont Hij zelf in het hart van ieder schepsel.
6.13 Wie dit oerwezen (Atman) door onderzoek en toewijding erkent als God (Brahman), wordt vrij van alle banden.
6.19 Het is de hoogste brug tot de onsterfelijkheid.

5. Bhagavad gita

Bhagavad gita, het lied van de Heer
Krishna, de Heer, onderricht Arjuna:
de geestelijke strijder, de mens
De Bhagavad gita, het Lied van de Heer, is een onderdeel van de Mahabharata, de Grote Vertelling, een geschrift dat uit de grijze Oudheid tot ons is gekomen en al duizenden jaren mensen aanspreekt, zoals ook de I Tjing.

6:30 Hij, die Mij ziet in alles en alles ziet in Mij, hem zal Ik nooit verliezen en hij zal Mij nooit verliezen.
7:6 Ik ben de bron, waaruit het gehele heelal tevoorschijn komt en tevens de plaats, waarin het verzinkt.
7:18 De wijze, één geworden met het Zelf, is gegrondvest in Mij, het hoogste pad.
9:4 Alle schepselen zijn geworteld in Mij, Ik niet in hen.
9:17 Ik ben de Vader van het Al, de Moeder, de Instandhouder, de heilige syllabe OM.
9:29 Voor alle schepselen ben Ik dezelfde, voor niemand koester Ik voorliefde, noch afkeer. Maar zij, die Mij aanbidden, zij zijn in Mij en Ik in hen.
9:34 Ik ben uw hoogste doel.
10:20 Ik ben het Zelf, tronend in het hart van alle schepselen; Ik ben het begin, het midden en ook het einde van alle wezens.
10:32 Van de scheppingen ben Ik het begin en het einde, en ook het midden. Van de wetenschappen ben Ik de wetenschap van het Zelf.
10:39 Ik ben het zaad van al wat leeft.
10:42 Dit hele universum doordrongen hebbend met een uiterst klein deel van Mijzelf, blijf Ik die Ik ben.
13:16 Ongedeeld in de schepselen en toch in elk afzonderlijk gezeten.
14:3 Het grote Brahman is de moederschoot, waarin Ik de kiem des levens breng.
14:4 Het grote Brahman is de moederschoot en Ik de Vader, die hen verwekt.
15:7 Een eeuwig deeltje van Mij Zelf, in de wereld der levenden omgevormd in een levende geest.

terug naar de Inhoud

6. Het Chinese wijsheidsboek I Tjing
De naam 'i tjing' betekent 'het boek der veranderingen' en het boek berust op het denkbeeld 'tau'. Het karakter voor 'tau' is samengesteld uit 'hoofd' (rechts) en 'gaan' (links), met andere woorden: 'geestelijke ontwikkeling' (De Chinees leest van rechts naar links). Die ontwikkeling berust op de 'veranderingen' in het dagelijkse bestaan die in de I Tjing worden beschreven; het doel van al die veranderingen, van al die gebeurtenissen die de mens met zijn geestelijke vermogens moet verwerken, is uiteindelijk: 'geestelijke groei'.

Tjièn, het Scheppende
Het scheppende bewerkt verheven welslagen, bevorderend door standvastigheid.
Groot voorwaar is de verhevenheid van het scheppende,
waaraan alle dingen hun begin te danken hebben en dat de gehele hemel doordringt.
De wolken gaan en de regen werkt,
en alle wezens vloeien in hun eigen, afzonderlijke gestalte.

Doordat de heilige mens grote klaarheid heeft over aanvang en einde
en de wijze, waarop de zes treden zich elk op zijn tijd voltooien,
vaart hij erop ten hemel als op zes draken.
De weg van het scheppende bewerkt door verandering en omvorming,
dat elk ding zijn juiste aard en bestemming krijgt
en in voortdurende overeenstemming met de harmonie komt:
dat is het bevorderende en standvastige.
Als de heilige mens zich met het hoofd boven de menigte der wezens verheft,
komen alle landen tezamen tot rust.

7. Spinoza Ethica

Baruch Spinoza (1632-1677)
filosoof, wiskundige
De kern van Spinoza's leer:
Er is één 'iets' dat geheel op-zichzelf, uit eigen kracht, als 'zijn-eigen-oorzaak-zijnde' bestaat.
Dit is de 'substantie' (het 'ondersteunende', de bouwstof, de 'grondslag'): het zelfstandige, God.
Deze substantie is eeuwig (de algeest) en in deze substantie zijn oneindig veel attributen (kenmerken), hoewel wij mensen daarvan slechts twee, het denken en de uitgebreidheid (geest en materie) kennen.
Alle afzonderlijke dingen in heel de schepping waarin wij leven, zijn 'wijzigingen' ('modi'), dat wil zeggen eindige, tijdelijke en vergankelijke openbaringen, uitdrukkingen (vormen) van de eeuwige, oneindige godheid (de algeest), waarin alles bestaat, ontstaat en weer ondergaat.
Ook de menselijke geest is een 'straal' (een vonk, uit God voortgekomen) van Gods geest en ons lichaam een deel van Gods lichaam (de stoffelijke schepping).
Door het zich bewustzijn en duidelijke begrip van deze eenheid, wordt de geestelijke liefde tot God wakker, die niets anders is dan de bewustwording van Godzelf in onze eigen geest (de bewustwording van God zelf in onszelf als geest, die immers een algeestvonk is); en alleen hierin ligt onze verlossing en gelukzaligheid (de zelfverwerkelijking en de hereniging).
Samenvatting uit zijn boek Ethica.


8. Jakob Lorber Het Grote Johannes Evangelie

Jakob Lorber (1800-1864)
muziekleraar, mysticus
Grote Johannes Evangelie 1, 71, [5]-[13]
Alles wat Ik voor jullie ogen doe, wordt alleen gedaan door de macht van de innerlijke, levende waarheid. Slechts door die waarheid wordt het geloof, dat voor de menselijke geest de rechter hand is, levend en kan daardoor daden verrichten; en de arm van de geest reikt ver en doet grote dingen!
Als u door die waarheid uw geestelijke armen voldoende krachtig hebt gemaakt, dan zult u zelf doen, wat Ik nu heb gedaan.

Zoals de Vader Mij voor het bestaan van de wereld heeft onderwezen, zo onderwijs Ik nu ook, opdat de Vader, die nu in Mij leeft, ook in u zal gaan wonen en in u, net als in Mij, de oereeuwige, zuivere waarheid tot leven zal brengen uit het oorspronkelijke fundament, zijnde de liefde in God, het eigenlijke wezen van God zelf. Jullie zijn allemaal geroepen om net zo volmaakt te worden als de Vader in de hemel zelf volmaakt is. Onderzoek zijn leer door de daad.

terug naar de Inhoud

9. Ralph Waldo Trine Het hoogste weten

Ralph Waldo Trine
Het Zijn is eeuwig, op zichzelf staand, zonder begin of einde. Bestaande als louter geest is het goddelijk. Het is het 'ik ben', Jahweh (Hebr. IHWH, 'jahweh': hij is, hij zal zijn, hij doet zijn). Bezield door liefde en handelend uit eigen wil, openbaart het zich in het bestaan en neemt het de verschillende vormen aan. Maar het Zijn verandert daardoor niet zijn wezenlijke natuur.
God is het oneindige Zijn, de oneindige Geest, het ware wezen van het leven, die het heelal vervult van zichzelf.
Zich verhullend in het stoffelijke lichaam is het goddelijke leven tijdelijk voor de mens verborgen (door in het lichaam in te dalen is de geest onbewust geworden van zichzelf). Als hij echter gaat waarnemen, bemerkt hij (denken) dat hij wel van andere bestaansvormen verschilt, namelijk hierin dat hij een verstand heeft, waardoor gedachten ontstaan en dat zich ontwikkelt door het te gebruiken.
Dan beschouwt hij zichzelf, verlangend de waarheid omtrent zichzelf te kennen en langzaam daagt voor hem het bewustzijn, dat zijn leven goddelijk leven is en nooit iets anders is geweest, ondanks dat hij zijn leven afscheidde (de afscheiding die ontstaat door de onbewuste vereenzelviging met de stof).
Hij beseft dan dat hij in God leeft, beweegt en is; dat God het leven is van zijn leven; dat God zijn leven zelf is. Zo komt hij tot het bewuste besef van het één-zijn met het oneindige leven en de oneindige macht (God).
Door een volkomen natuurlijke ontwikkeling groeit uit de stoffelijke mens - de zinnelijke (zintuiglijke) waarneming - de geestelijke mens - het besef van het goddelijke zelf (besef van zichzelf als geest). Het is echter onmogelijk dat iets zich kan ontwikkelen, wat niet eerst ingewikkeld was; de mens ontdekt, dat de Christus (de geest) altijd in hem was, maar dat hij het niet heeft geweten (door onbewuste vereenzelviging).
Slechts wanneer de mens zich bewust wordt van de 'Christus' in zich (van zichzelf als geest), wanneer hij beseft één te zijn met het oneindige leven en de oneindige macht, wordt dit grote feit een stuwende en sterke kracht in de dingen van het dagelijkse leven.
Het hoogste weten is dit, dat we in ons werkelijk, wezenlijk één-zijn met het oneindige leven en de oneindige macht en dat we door dit grote feit bewust en levendig te beseffen en voortdurend in dit besef te leven, de hoedanigheden en machten van het goddelijke leven in staat stellen zich aan ons te openbaren en zich in ons te verwerkelijken. Dit geschiedt nauwkeurig in de verhouding tot de meerdere of mindere mate van volkomenheid, waarin dit besef in ons leeft.

10. Johann Gottlieb Fichte (1762 - 1814)

Johann Gottlieb Fichte
filosoof van het Duitse idealisme
(samenvatting)
In ons leeft Gods werkelijke, ware en onmiddellijke leven. Wij zelf zijn het onmiddellijke leven. Maar we zijn ons van dat leven niet bewust (de menselijke geest is onbewust van zichzelf als het enige levende). Want zodra de mens bewustzijn verkrijgt, ziet hij niets dan een dode, uiterlijke wereld (de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof).
De vorm verbergt de inhoud; ons oog omsluiert het voorwerp (door onbewuste vereenzelviging met de stof is het geestesoog gesloten) waarop het is gericht: we staan onszelf in het licht (door de onbewuste vereenzelviging met de stoffelijke vorm).
Verhef u tot het standpunt van de religie (word bewust van jezelf als geest) en al deze sluiers worden terzijde geschoven (je doorziet de toestand van onbewuste vereenzelviging); de dode wereld verdwijnt uit uw ogen en de godheid herneemt haar plaats in uw ziel (in jezelf als geest) in haar (zijn) eerste en oorspronkelijke vorm, als leven - als uw eigen leven, dat u behoort te leven en moet leven!
Christus wijst er aanhoudend op dat wie hem ziet, de Vader ziet en wie hem hoort, de Vader hoort. Dat hij en de Vader volkomen één zijn. Hij verwerpt en ontkent onvoorwaardelijk de opvatting, dat hij innerlijk onafhankelijk is. Voor hem was Jezus God niet, want voor hem bestond er hoegenaamd geen onafhankelijke Jezus; God was Jezus en openbaarde zich als Jezus.
Een inzicht in de volstrekte eenheid van het menselijke bestaan met het goddelijke is zeker de diepste kennis, die de mens kan verwerven.







^