De één- en twee-spletenproef van Thomas Young

Licht als golven en/of deeltjes, en het 'meetprobleem', vanuit geestkundig gezichtspunt

"Stof is geest die zo langzaam beweegt,
dat hij kan worden gezien."
Pierre Teilhard de Chardin, theoloog, paleontoloog
Aan mij is getoond, dat de schepping uit en in de goddelijke algeest is; de schepping is door de algeest in zichzelf gedacht en wordt door de algeest liefdevol in stand gehouden zolang dat voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid van de menselijke geest, nodig is. 1) Vanuit de algeest als bron komen geestelijke eigenschappen in de stoffelijke schepping tot uitdrukking, wat wordt weergegeven door de spreuk 'zo boven, zo beneden'.
Ook in het zogenoemde 'meetprobleem' uit de natuurkunde (optica), komt deze verhouding tot uitdrukking in de verhouding tussen twee geestelijke zelfstandigheden: de mens als onderzoeker en de elementaire deeltjes (fotonen of elektronen) als de onderzoeksobjecten.

Inhoud

De twee-spletenproef
Het meetprobleem
De plaats van het elementaire-deeltjesrijk in de schepping
De verbondenheid van alle wezens
De twee-spletenproef vanuit geestelijk gezichtspunt
Een telepathische verbinding
Literatuur

De twee-spletenproef 2) 3)
Dat licht zowel uit golven als uit deeltjes bestaat, is aan te tonen met de twee-spletenproef, die in 1805 door de Engelse natuurkundige Thomas Young werd ontwikkeld.
1. Neem een scherm met daarin één zeer smalle spleet en laat op die spleet licht vallen, dus een stroom fotonen. Op een tweede scherm erachter komt dan al het licht terecht dat door de spleet is gegaan. Op dat scherm verschijnt één, iets bredere band van licht recht achter de spleet, doordat licht zich hier als deeltjes gedraagt: fotonen (de verspreiding treedt op door diffractie (afbuiging) op de rand van de spleet).
2. Als vlak naast die eerste spleet een tweede wordt geopend, verschijnt op het tweede scherm niet de verwachte tweede band naast de eerste, maar iets geheel anders, namelijk een interferentiepatroon: op bepaalde plaatsen valt veel licht, op ander plaatsen niets. Dit kan alleen worden verklaard als het licht zich dan als golven gedraagt, die elkaar tijdens hun gang naar het tweede scherm op bepaalde plaatsen versterken of uitdoven.
3. Ook als er vervolgens zeer weinig licht als een zeer zwakke stroom van afzonderlijke fotonen wordt gebruikt, ontstaat toch het interferentiepatroon: ieder afzonderlijk naar het eerste scherm gestuurd foton, blijkt nu als een golf door beide spleten tegelijk te gaan: het foton breidt zich als het ware uit als golf en gaat door beide spleten tegelijk, waardoor ook dan op het tweede scherm een interferentiepatroon ontstaat. Bij twee spleten gedragen ook enkelvoudige deeltjes zich als een golf.
4. Om er achter te komen wat hier gebeurt, kan de vraag worden gesteld of kan worden gemeten of het foton door één van beide spleten gaat. Daartoe worden de spleten van detectoren voorzien waarmee kan worden bepaald, door welke spleet er een foton gaat.
Als de detectoren aan worden gezet voor een meting, ontstaat er op het tweede scherm een patroon waaruit blijkt, dat de fotonen zich nu weer als deeltjes gedragen (twee lichtbanden naast elkaar, achter elke spleet een); maar als de detectoren uit worden gezet, dan ontstaat weer opnieuw het interferentiepatroon dat met golven samenhangt.
(Deze natuurkundeproef werkt zowel met fotonen (bosonen), als met elektronen (fermionen), alsook met atomen en fullerenen (bolvormige moleculen, buckyballs).


terug naar de Inhoud

Het meetprobleem
Deze proef werd door Young voor het eerst uitgevoerd in 1805 en is sindsdien door alle natuurkundigen op de wereld herhaald, want niemand weet hoe dit kan en iedereen wil het met eigen ogen zien gebeuren. Want de onderzoeker bepaalt hier zélf de uitkomst van de proef: door beide spleten te openen (licht gedraagt zich als golf) of er één te sluiten (licht gedraagt zich als deeltje), of door de detectoren in de spleten uit te zetten (licht gedraagt zich als golf) of aan te zetten (licht gedraagt zich als deeltje). Dit, in de afgelopen tweehonderd jaar onopgeloste vraagstuk, wordt het 'meetprobleem' genoemd.
De proef laat ook duidelijk de zogenoemde 'golf-deeltjedualiteit' zien: het verschijnsel dat deeltjes, ook met een massa zich als een golf kunnen voordoen en omgekeerd golven als deeltjes.

Een poging tot verklaring is gedaan door te veronderstellen dat het verloop van een golf wordt beschreven door een wiskundige waarschijnlijkheidsberekening middels de 'golffunctie' (een kwantummechanische vergelijking, door Schrödinger ontwikkeld) en te stellen dat: de golffunctie wordt verstoord (er wordt gezegd 'stort in') door een meting middels detectoren. De meting is er immers de oorzaak van dat de toestand van waarschijnlijkheid wordt opgeheven, doordat er een toestand van zekerheid ontstaat: de zekere uitkomst van de meting. De golffunctie verdwijnt dan en daarmee de golf, en in plaats daarvan verschijnt er een deeltje.
Maar dat betekent dan weer dat de (subjectieve) onderzoeker bepaalt hoe een objectief, natuurkundig gebeuren gaat verlopen door een persoonlijke, subjectieve beslissing en een persoonlijke ingreep in het verloop van de proef. De vraag kan dan worden gesteld hóe het foton (blijkbaar) 'weet' dat er één of twee spleten open zijn of dat de detectoren aan of uit zijn?!
Dit verschijnsel is een groot vraagstuk voor natuurkundigen die voor een materialistische, deterministische opvatting over de betekenis van dit bestaan hebben gekozen. Hoewel geestelijke verschijnselen in dit bestaan duidelijk ervaarbaar zijn, zijn zij toch van mening dat zij slechts denkbeeldig zijn en terzijde kunnen worden geschoven. Hun opvatting hangt echter samen met de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, waarin de menselijke geest hier verkeert.

terug naar de Inhoud

De plaats van het elementaire-deeltjesrijk in de schepping
De voor deze proef gebruikte deeltjes zijn elementaire deeltjes of de daarmee gevormde atomen. Welke is hun plaats in de verschillende rijken die in de stoffelijke schepping zijn te onderkennen: mensheid, dieren- en plantenrijk?
Uit de esoterische literatuur 4) 5) is bekend dat er in Gods schepping meerdere golven van geesten zijn, die na elkaar door de algeest zijn verdicht en daarna aan hun geestelijke ontwikkeling zijn begonnen: eerst de drie engelenrijken, dan de mensheid, het dieren- en plantenrijk, en ten slotte het mineralenrijk.
In de hedendaagse wetenschappelijke literatuur 6) verschijnen verslagen van onderzoeken naar de overeenkomsten in eigenschappen tussen de geesten van de verschillende rijken. Vanaf de mens tot aan de bacteriën toe vertonen levende wezens eigenschappen, die met elkaar overeenkomen in de vorm van de vermogens: in waarneming, in een vorm van overdenking en doorvoeling, en in handeling (willen). Na de esoterische wetenschappen komt ook de huidige natuurwetenschap tot de ontdekking dat de verschillende rijken graden van ontwikkeling zijn van bewustzijn en vermogens, van op aarde levende wezens. Ook dieren en planten blijken over eigenschappen te beschikken, die tot voor kort alleen aan menselijke personen werden toegeschreven.

terug naar de Inhoud

Pythagoras: de Wet van Harmonie (overeenstemming)
Met deze wet leert Pythagoras (± 580-500 v.Chr.) dat in wezen alles en iedereen uit één enkele bron moet zijn voortgekomen en dat daardoor iedereen met alles en iedereen verbonden is en blijft.

De verbondenheid van alle wezens
Alle geesten in alle rijken zijn verdichtingen uit en in de goddelijke algeest 1), waardoor zij in wezen alle, maar nog onbewust, met elkaar zijn verbonden; maar door hun persoonlijke geschiedenis hebben zij al wel verschillende graden van ontwikkeling in de vorm van bewustzijn en zelfbeheersing bereikt.
De engelengeesten beschikken als levensvorm alleen over een geestgedaante (het voertuig voor de geestelijke wereld) en hebben hun ontwikkeling bereikt door zich liefdevol voor de geesten in de andere rijken te zetten, i.h.b. voor de mensheid. De geesten van de overige rijken beschikken naast hun geestgedaante ook over een stoffelijke levensvorm op aarde; en aan die stoffelijke levensvormen ligt het elementaire deeltjesrijk ten grondslag, onderdeel van het mineralenrijk.

Bij die elementaire deeltjes zijn twee groepen te onderscheiden: de bosonen - de kracht overdragende deeltjes - en de fermionen - de bouwstenen van de natuur die door de bosonen bij elkaar worden gehouden; daardoor wordt het stoffelijke weefsel mogelijk waaruit zowel de stoffelijke schepping als de stoffelijke levensvormen zijn opgebouwd.
In die schepping zijn door de ontwikkeling (of 'evolutie': van 'e-volvere', uitrollen) de grote verscheidenheid van levensvormen tot stand gekomen, waar de geesten uit de genoemde rijken zich mee kunnen verbinden. Daardoor kunnen zij van die levensvormen gebruik maken om op aarde leerzame ervaringen op te doen en zich - door die te verwerken - geestelijk te ontwikkelen tot zelfstandigheid. De meest eenvoudige levensvormen zijn de deeltjes van de elementaire deeltjesgeesten: de fermionen en bosonen. Zij doen in de schepping dienst om de levensvormen van de andere rijken (elementen, mineralen, planten, dieren en mensen) op te bouwen. Door op deze wijze aan de andere geesten uit de andere rijken dienstbaar te zijn, doen elementaire deeltjesgeesten hun levenservaringen op, doordat zij de ervaringen van de andere geesten (moeten) meebeleven.
Door de ontwikkeling die de verschillende soorten geesten zo meemaken, leren zij steeds beter bewust en beheerst met hun stoffelijke levensvorm om te gaan. De menselijke geesten zijn hierin het verst gevorderd - er zijn al geesten die zelfbewust zijn geworden en hun lichaam met zijn zintuigen geheel weten te beheersen - maar de geesten van de elementaire deeltjes het minst. Zij verliezen nog makkelijk de beheersing over hun levensvorm: het elementaire deeltje, waardoor dit terugvalt in de grondtoestand ervan: het oorspronkelijke deeltjesveld waaruit het door verdichting is voortgekomen. Alleen als er een hecht weefsel is ontstaan in de vorm van grotere moleculen, blijft hun levensvorm - door de steun van de anderen - bestaan.

terug naar de Inhoud

De twee-spletenproef gezien vanuit een geestelijk gezichtspunt
Tijdens de twee-spletenproef wordt door de menselijke geest, de onderzoeker, gebruik gemaakt van losse levensvormen uit het elementaire-deeltjesrijk: fotonen en elektronen, maar ook van atomen en kleine moleculen. De menselijke geest van de onderzoeker en de elementaire-deeltjesgeesten van de onderzochte deeltjes, bevinden zich tijdens de proef in de éne, gezamenlijke geest, de algeest, zowel de menselijke geest als de elementaire deeltjesgeesten die bijvoorbeeld bij de fotonen horen.
Doordat zij allen verdichtingen zijn in de algeest, zijn zij door de algeest heen onbewust met elkaar verbonden; zij verkeren onbewust in een toestand van 'verstrengeling'. De fotonen (bosonen, kracht overdragende deeltjes) zijn 'levensvormen' van de elementaire-deeltjesgeesten; zij bevinden zich nog in de onontwikkelde, slechts vaag bewuste, dromerige geestestoestand van het eerste begin: de toestand van de groepsgeest of kuddegeest, waar de deeltjesgeesten nog van afhankelijk zijn. Daardoor beheersen zij hun levensvormen nog niet zelfstandig en kunnen die makkelijk weer in de grondtoestand van het oorspronkelijke veld terugzinken. Zij zijn daarna weer vrije geesten in hun eigen wereld, niet aan een levensvorm op aarde gebonden.

De twee-spletenproef vanuit geestelijk gezichtspunt
1. Als de menselijke geest (de onderzoeker) bij het begin van de proefneming bewust besluit tot één spleet, dan wordt dat besluit door de algeest heen ook op de groepsgeest van de elementaire-deeltjesgeesten overgebracht, die immers - zij het slechts vaag bewust - ook aan de proef deelnemen. In dat geval is het voor de elementaire-deeltjesgeesten om zo te zeggen duidelijk: er is maar één spleet, dus er hoeft niet te worden gekozen. De toestand is in rust, er is geen twijfel mogelijk en de elementaire-deeltjesgeesten raken nu niet in verwarring. Zij kunnen daardoor hun levensvorm, het foton als kwantum uit het veld, als deeltje behouden en zij gaan dan ook samen met hun deeltjes door de ene spleet.

2. Als de menselijke geest van de onderzoeker echter besluit tot twee spleten, dan wordt dat besluit door de algeest heen ook met de groepsgeest van de elementaire-deeltjesgeesten verbonden. Zij raken daardoor in verwarring: de toestand wordt twijfelachtig, onzeker, want er ontstaat de dwang een keuze te maken. Door de zo ontstane onzekerheid verzwakken de elementaire deeltjesgeesten, die daardoor hun beheersing over hun levensvormen, de fotonen, verliezen; die zakken dan vanuit de verdichte kwantumtoestand weer terug in hun oorspronkelijke veld, zij worden weer opgelost in de grondtoestand van het elektromagnetische veld: de deeltjes worden een golf in het veld. Dat veld gaat door beide spleten tegelijk en vormt daardoor op het tweede scherm een interferentiepatroon.
De vragende toestand van boven, die van de geest van de onderzoeker, is een vragende en twijfelende toestand van beneden geworden, van de geesten van de elementaire deeltjes.

3. Als de menselijke geest vervolgens besluit tot twee spleten met werkende detectoren door zich de vraag te stellen: "Gaat het foton door de ene of de andere spleet?", dan wordt die vraag door de algeest heen ook weer op de groepsgeest van de elementaire-deeltjesgeesten overgebracht. Daardoor krijgen zij om zo te zeggen een duidelijk beeld: de onderzoeker gaat ervan uit dat onze fotonen bestaan en wil weten waar wij ons met onze fotonen bevinden. Doordat de elementaire-deeltjesgeesten door die duidelijkheid hun levensvormen kunnen behouden, blijven hun fotonen als deeltjes bestaan. Door het grote aantal fotonen dat in het verloop van de proef wordt gebruikt, ontstaan er dan twee lichtbanden op het tweede scherm achter de spleten.

4. Als de menselijke geest tenslotte besluit tot twee spleten met niet-werkende detectoren door die uit te zetten, dan wordt dat besluit door de algeest heen ook weer met de elementaire deeltjesgeesten verbonden; zij moeten nu weer een keuze maken waardoor de deeltjesgeesten onzeker worden. Daardoor zinkt de kwantumtoestand van hun fotonen weer in de gezamenlijke grondtoestand van het elektromagnetische veld terug en worden een golf, waardoor op het tweede scherm weer een interferentiepatroon van golven verschijnt.

terug naar de Inhoud

Een telepathische verbinding
Dit meetprobleem wordt veroorzaakt doordat proefnemer en proefvoorwerp (licht) door de algeest heen met elkaar zijn verstrengeld. De kwantummechanische toestanden van verstrengeling zijn vanuit de geest gezien een telepathisch verschijnsel. De toestand van de natuurkundige onderzoeker tijdens deze proef kan worden vergeleken met die van een dompteur of een ruiter op een paard. De dierengeest van het paard is nog niet helemaal ingedaald in zijn stoffelijke levensvorm, waardoor de geest van de ruiter die van het paard op telepathische wijze kan bereiken en waardoor de ruiter zijn keuze op de geest van het paard kan overbrengen. Ruiter en paard worden telepathisch een eenheid en de levensvorm van het paard doet vervolgens, wat de ruiter - door de geest van het paard heen - wil.

Natuurkundigen zijn hier ongewild op de grens tussen de stoffelijke en geestelijke wereld gestoten, wat ook onvermijdelijk is. Zij die geen oog hebben voor de overweldigende rijkdom van de esoterische literatuur die door wijzen op aarde aan de mensheid is nagelaten (waaronder ook meerdere, bekende natuurwetenschappers zijn!), moeten door hun keuze voor uitsluitend de stoffelijke wereld ook hun ontwikkelingsweg door alleen de stof heen, gaan. Daardoor zullen zij onvermijdelijk op de grens tussen de stoffelijke en geestelijke wereld stuiten, wat bij deze proef gebeurt (maar ook bijvoorbeeld bij de kwantumverstrengeling van elementaire deeltjes onderling).
Doordat het hierdoor opgeworpen vraagstuk, het 'meetprobleem', op stoffelijke wijze onoplosbaar is, worden zij op zichzelf teruggeworpen en - zij het vaag - aan het twijfelen gebracht. Dat opent later de mogelijkheid tot het ontwaken van geestelijke inzichten.

terug naar de Inhoud

Literatuur
1. F. van Leeuwen, Geestkunde
2. D.C. Giancoli, Natuurkunde, deel 2, 34.3 Het dubbelespleetexperiment
3. Wikipedia, Tweespletenexperiment
4. R. Steiner, Wetenschap van de geheimen der ziel
5. M. Heindel, Leer der Rozekruisers
6. F. de Waal, Een tijd voor empathie, o.a.


terug naar de woordenlijst

terug naar het weblog







^