God als man en vrouw, als vader en moeder

Teksten i.v.m. de gelijkwaardigheid van het mannelijke en vrouwelijke binnen het wezen van God

Door alle tijden heen en bij alle godsdiensten ter wereld werd over God als over een man en een vrouw, en over een vader en een moeder gesproken, behalve in het látere jodendom en daardoor ook in het Christendom en in de Islam. In het onderstaande heb ik een aantal teksten verzameld die laten zien, dat zij daarin eerder een uitzondering zijn dan de regel.
Het beeld in het huidige Christendom van God als 'een vader die een zoon heeft' ... is het beeld van een gebroken gezin. De moeder is geheel uit het zicht verdwenen.
Mijn eigen ervaringen hebben mij nadrukkelijk laten zien dat God onze vader en moeder is, en wij als mens Gods godenkinderen. Ik beschrijf een aantal van die ervaringen onder het punt 'Geestkunde'.


Hildegard van Bingen
Liber Divinorum Operum, visioen 2
God als man en vrouw, vader en moeder
de mens als Gods godenkind
zie voor vragen over de 'drie-eenheid'
de verklarende woordenlijst
Inhoud

1. Genesis, de Elohim als Adam en Eva
2. Isis en Osiris, de mannelijke en vrouwelijke God in Egypte
3. Jahweh en Asjerah, in het vroege Israël
4. Zarathoestra, Zurvan Akarana
5. Trimurti, de hindoe drieheid
6. Bhagavad gita 9:17, het Lied van de Heer
7. Jin (yin) en Jang (yang), mannelijk en vrouwelijk in de I Tjing
8. Göbekli tepe, tempels in Turkije
9. Levensbeschouwing van de stam Fang in Gabon
10. Omeyteite en Omeyacigoat, de mannelijke en vrouwelijke God van de Maya's
11. Inti en Mama Quilla, van de Inca's
12. Mythologie
13. Gnostische Evangeliën
14. Hildegard van Bingen
15. Niklaus van Flüe, visioenen
16. Alchemie
17. Emanuel Swedenborg
18. Anna Katharina Emmerich - Toekomst-visioenen
19. Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie
20. Jakob Lorber - Bisschop Martinus
21. Jozef Rulof - Kosmologie
22. White Eagle - Geestelijke ontwikkeling
23. Mirin Dajo - De onkwetsbare profeet
24. Murdo MacDonald-Bayne - Goddelijke heelmaking
25. Neil Douglas-Klotz - Gebeden uit de kosmos
26. Baird Spalding - De Meesters van het Verre Oosten
27. Het voorkomen van symmetrie in de natuur
28. Het Standaardmodel en supersymmetrie in de moderne natuurkunde
29. Geestkunde


terug naar de Inhoud

1. Genesis 1:1
'Uit het eeuwig bestaande wezen der ruimte vormde de tweevoudige kracht hemel en aarde.'
(De Hebreeuwse tekst)
Deze tweevoudige kracht wordt verder 'de elohim' genoemd, een samenstelling van de Hebreeuwse woorden:
- 'el': god;
- 'eloh': godin (het vrouwelijke enkelvoud van 'el', terwijl het meervoud 'elooth' is) en
- 'elim': goden (het mannelijke meervoud van 'el').
Het woord 'elohim' betekent daarom: de godin en de god, m.a.w. 'God als tweevoudige kracht als vrouw en man'.

Genesis 1:3
'En de Elohim zeiden: "Er zij licht," en er was licht. En de Elohim zagen dat het goed was.'
Vervolgens schiepen de Elohim de schepping en daarna:
Genesis 1:26-27
'En de Elohim zeiden: "Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis ... " En de Elohim schiepen de mens naar hun beeld; naar hun beeld schiepen zij hem; man en vrouw schiepen zij hen.'
Uit: Max Heindel - Leer der Rozekruizers (blz. 325)
In de meeste bijbelvertalingen wordt het woord 'elohim' vertaald met 'God', zodat de diepzinnige betekenis van het oorspronkelijke woord verloren is gegaan.

De zin: "Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis ... ", betekent, dat God de mens schiep naar Gods zelfbeeld. Gods zelfbeeld bleek een beeld te zijn van een mannelijk/vrouwelijke tweelinggeest; in de stoffelijke schepping: 'Adam' en 'Eva'.

Klik hier voor een artikel uit Infonu.nl met als onderwerp: De rol van de Joodse vrouw binnen het traditionele Jodendom.

Prof. Ellen van Wolde toonde aan dat God (de Elohim) de hemel en de aarde niet 'schiep', maar 'scheidde'. Iets van elkaar 'scheiden' kan alleen als er al iets is waarin een scheiding kan worden aangebracht. Het werkwoord 'bara' is altijd vertaald met 'scheppen', maar betekent heel iets anders, namelijk 'ruimtelijk scheiden'. Haar uitleg bevestigt de vertaling van Max Heindel.
Klik hier voor een artikel van Rabbijn Evers over de juiste vertaling van het werkwoord 'bara'.
Zie voor het onderwerp 'tweelinggeesten' dat hiermee samenhangt, de Verklarende woordenlijst.
Klik hier voor een artikel van de schrijfster Sara Esther Crispe over de betekenis van de naam 'Eva'.

terug naar de Inhoud

2. Isis en Osiris

Isis (links) en Osiris (midden)
Isis, de zuster/vrouw van Osiris, die haar broer/man is, beschermt hem met haar geestelijke vermogens (haar beide vleugels).
De naam ‘Isis’ betekent: de voedingskracht van het oerleven; ‘Osiris’: ‘ou sir iez’, woning van de zuivere, geestelijke mens: het hiernamaals.
Osiris was de god van de geestelijke wereld, zijn zuster Isis de begeleidster van de mens op aarde. In latere tijden werd zij vereenzelvigd met Astarte (Asjerah) en met Maria.
In overeenstemming daarmee is Jahweh God in de geestelijke wereld en Asjerah (Shechinah) de begeleidster van de mens op aarde.

3. Jahweh en Asjerah

God als man en vrouw,
als tweelinggeesten
In het gehele Midden-Oosten werden gedurende de Oudheid zowel mannelijke als vrouwelijke goden vereerd, die als man en vrouw in een goddelijk huwelijk waren verenigd. Ook in Israël werd in de tijd van de Eerste Tempel en daarvóór (Abraham, Isaäk en Jakob) naast Jahweh een godin vereerd die zijn echtgenote was: Asjrata (Asjerah of Sjechinah, ook bekend als Astoreth, Astarte en Isjtar).
Tussen 400 en 500 v.Chr. werden door priesters pogingen gedaan haar uit het openbare leven en het Oude Testament te verwijderen, vooral onder koning Josiah. Het vroeger bestaande matriarchaat werd onder dwang vervangen door het patriarchaat.
Die kunstmatige ingreep is er de oorzaak van dat ten tijde van het ontstaan van het Nieuwe Testament er alleen sprake was van een 'Vader' en een 'Heer', waardoor er in het hedendaagse jodendom, christendom en islam alleen sprake is van één, mannelijke god.
Door archeologische opgravingen in Israël is gebleken dat beeldjes van Asjerah en haar naamsvermeldingen op potten en inscripties, in het oude Israël overal voorkwamen; zij had in het dagelijkse bestaan van de oude Israëlieten een gelijkwaardige plaats naast Jahweh.
Uit tekstonderzoek is gebleken dat de oude Hebreeuwse tekst waarin de godsdienst van Vader Abraham en de aartsvaders is weergegeven, aantoonbaar werd veranderd en zo zonder een duidelijke plaats voor Asjerah in het huidige Oude Testament terecht kwam.

De volgende wetenschappers hebben deze geschiedvervalsing door Jahwehpriesters onderzocht:
a. Dr. Raphael Patai - The Hebrew Goddess, Was the Hebrew God also a Woman?
b. Prof. Dr. Johanna H. Stuckey - Goddess in the Spotlight, Asherah and the God of the Early Israelites
c. Dr. Annine van der Meer - De Eeuwige Moeder ontsluiert zich, voordracht voor de Theosofische Vereniging
d. Dr. Margaret Barker - Nieuwsbrief Academie Pansophia september 2013; De 'deuteronomistische' hervorming onder koning Josia
e. Dr. Francesca Stavrakopoulou - God had een vrouw en
    God's Wife Edited Out of the Bible - Almost
f. Zie over dit onderwerp ook Wikipedia
g. Dr. Karel van der Toorn - Wie schreef de Bijbel? Een onderzoek naar de werkwijze van de priesters die de Thorah moesten kopiëren.
h. Zie ook het boek van Dr. Annine van der Meer - The language of MA, the primal mother
i. Dr. Annine van der Meer - Nieuwsbrief Academie Pansophia: artikel over 'De heilige koe in bijbels perspectief'

terug naar de Inhoud

4. Zarathoestra
De oudste van de godsdienststichters in het Midden-Oosten is de profeet Zarathoestra (14e-12e eeuw v.Chr, Perzië) of met zijn Griekse naam Zoroaster. Zijn vrouw was Arduizur.
De hoogste godheid in zijn leer is Zurvan Akarana (letterlijk: Eindeloze Tijdruimte), die zowel mannelijk als vrouwelijk is: een mannelijke en vrouwelijke tweelinggeest. Uit hun scheppende werkzaamheid kwamen goden en godinnen voort, en de engelen (amahraspands).
Onder de goden bevond zich ook de tweeling Ahura Mazda (het grote licht of Ormoezd), het goede en Ahriman (Angra Mainya), het kwade.


Zurvan Akarana (in het midden); zilverplaat uit Luristan (1200-900 v.Chr.). Zoals bij Hildegard's visioen is de mannelijke helft (baard) boven, de vrouwelijke beneden; naar rechts worden mannelijke goden (met baard) geschapen, naar links vrouwelijke. Aan de linker kant bevinden zich ook de engelen (met een vleugel) op de voorgrond; de staf is de herdersstaf (begeleiding) en de vogelveer betekent: geestelijke vermogens.

De leer van Zarathustra is samengevat in het heilige boek van het zoroastrisme (tegenwoordig in de vorm van Mazdaznan), de Avesta. Zijn leer is een leer van een deugdzaam leven, waarbij het gaat om het kiezen van goede gedachten, goede woorden en goede daden: de strijd tussen goed en kwaad in de mens. Volgens zijn leer is er leven na de dood; in ieder bestaan moet de mens zichzelf verbeteren, om zich uiteindelijk met Ahura Mazda te kunnen verbinden.
In de eeuwen na Zarathoestra ontstond het zurvanisme, waar men zowel Ahura Mazda als Ahriman beschouwde als nakomelingen van Zurvan Akarana. Aan het einde der tijden zou Ahura Mazda overwinnen en gaan regeren.

terug naar de Inhoud


Ardhanarishvara Shiva Shakti
ardhana-rishvara: tweeslachtig
5. De Trimurti, de Hindoe drieheid
De Hindoe drieheid Trimurti omvat drie godenparen:
Brahma en Saraswati (schepper)
Vishnu en Lakshmi (onderhouder)
Shiva en Shakti (omvormer)

Shiva
Shakti
welzijn,
verheven kennis,
de mannelijke zijde
van de godheid
bemoediging, schoonheid,
beweging en rust,
de vrouwelijke zijde
van de godheid

Voor wat de algemene kennis van de Hindoe drieheid betreft, is het kenmerkend dat meestal de mannelijke helft van deze goden wordt gekend, in tegenstelling tot de vrouwelijke helft.
Toch laat het bestaan van de tweeheid Shiva-Shakti duidelijk zien, dat voor het hindoeïsme beiden even belangrijk zijn.

terug naar de Inhoud

6. Bhagavad gita 9:17
Ik ben de Vader van het Al, de Moeder, de Instandhouder, de heilige syllabe OM.

7. Jin en Jang
Het Chinese woord 'jin' betekent onder andere 'de bewolkte hemel' en daarnaast 'de koele schaduw van de noordelijke berghelling' en 'de koele schaduw van de zuidelijke rivieroever'. (In China lopen de rivieren van west naar oost.)
De betekenis van het woord komt overeen met de geestkundige beschrijving van de algeest in de ongevormde oertoestand als 'donkere koelte'. Deze toestand van donkere koelte is op aarde ervaarbaarbaar als een aangename, schaduwrijke koelte. De rustende, donkere koelte heeft de eigenschap doordringbaar, ontvankelijk en vormbaar te zijn.
Vervolgens doet in de gevórmde toestand de rust en haar donkere koelte zich voor als God als moeder. (zie hieronder bij Geestkunde)

Het Chinese woord 'jang' betekent onder andere 'in de zon wapperende banier' en daarnaast 'de lichte warmte van de zuidelijke berghelling' of 'de lichte warmte van de noordelijke rivieroever'.
De betekenis van het woord komt overeen met de geestkundige beschrijving van de algeest in de ongevormde oertoestand als 'lichtende warmte'. Deze beweeglijke, lichtende warmte heeft de eigenschap zelfvormend en doordringend te zijn.
Vervolgens doet in de gevórmde toestand de beweging en zijn lichtende warmte zich voor als God als vader. (zie hieronder bij Geestkunde)

De eigenschappen van de algeest zoals ik die tijdens mijn godservaring mocht waarnemen, zijn: de rust en haar donkere koelte die een uitdrukking zijn van Gods vrouwelijke zijde en de beweging en zijn lichtende warmte die een uitdrukking zijn van Gods mannelijke zijde.
Deze eigenschappen komen geheel overeen met de kenmerken van 'jin' en 'jang', zoals die uitgebreid in de I Tjing (vertaling van Richard Wilhelm) staan beschreven.
Zie in het literatuuroverzicht: R. Wilhelm - I Tjing Tweede Boek
Zie in het menu: De I Tjing en geestkunde.

I Tjing geestkunde
jin de bewolkte hemel
de koele schaduw van de noordelijke berghelling
de koele schaduw van de zuidelijke rivieroever
de rust en haar donkere koelte
God als moeder
jang in de zon wapperende banier
de lichtende warmte van de zuidelijke berghelling
de lichtende warmte van de noordelijke rivieroever
de beweging en zijn lichtende warmte
God als vader

In de I Tjing, het oeroude Boek der Veranderingen, is het volgende over de vereniging van jang en jin als de Hemel en de Aarde, te lezen.

䷀  1 Tjièn - Het scheppende
Het scheppende bewerkt verheven welslagen, bevorderend door standvastigheid. [...]
Groot voorwaar is de verhevenheid van het scheppende, waaraan alle dingen hun begin te danken hebben en dat de hele hemel doordringt. [...]
De wolken gaan en de regen werkt, en alle wezens vloeien in hun eigen, afzonderlijke gestalte.
De weg van het scheppende bewerkt door verandering en omvorming, dat elk ding zijn juiste aard en bestemming krijgt en in voortdurende overeenstemming met de harmonie komt: dat is het bevorderende en standvastige.

䷁  2 Koen - Het ontvangende
Het ontvangende bewerkt verheven welslagen, bevorderend door de standvastigheid van een merrie. [...]
Volkomen voorwaar is de verhevenheid van het ontvangende. Alle wezens hebben hun geboorte eraan te danken, daar het vol overgave en toewijding het hemelse ontvangt.
Het ontvangende draagt in zijn rijkdom alle dingen. Zijn aard is in overeenstemming met het grenzeloze. Het omvat alles in zijn wijdheid en verlicht alles in zijn grootte.
Door zijn toedoen komen alle afzonderlijke wezens tot welslagen.

䷂  3 Tsjoen - De aanvangsmoeilijkheid, het begin
Wanneer hemel en aarde er zijn, ontstaan de afzonderlijke wezens. Wat de ruimte tussen hemel en aarde vervult, dat zijn de afzonderlijke wezens. Daarom volgt als derde teken de aanvangsmoeilijkheid, het begin. De Aanvangsmoeilijkheid is zoveel als vervullen, vol maken. [...]
De aanvangsmoeilijkheid bewerkt verheven welslagen. Bevorderend door standvastigheid.
Men moet niets ondernemen. Bevorderlijk is het helpers aan te stellen.

In het begin van de I Tjing (de eerste drie hexagrammen) wordt de geboorte beschreven van 'alle afzonderlijke wezens' door de samenwerking tussen het Scheppende (mannelijke) en het Ontvangende (vrouwelijke). (zie hieronder bij Geestkunde)

terug naar de Inhoud

8. Göbekli tepe
In Göbekli tepe in Zuidoost Turkije staat een tempelcomplex uit de oudheid, 9600 jaar v.Chr. (Stonehenge in Zuid-Engeland is van 2300 jaar v.Chr. en New Grange in Ierland van 2500 jaar v.Chr.).
In iedere tempel staan twee monolieten die de voorvader en de voormoeder verbeelden.
Klik hier voor een beschrijving van het Göbekli tepe tempelcomplex.

terug naar de Inhoud

9. De levensbeschouwing van de stam Fang in Gabon

Enin, de levenskracht [geestkracht], hangt samen met het evenwicht tussen het mannelijke en vrouwelijke

Het evenwicht tussen tegendelen
Evenwicht in de vorm van symmetrie - maar ook als het evenwicht tussen contrasten zoals licht en donker - vormt in de Afrikaanse cultuur een belangrijk schoonheidscriterium. Voor de Fang, een bevolkingsgroep in Gabon, geldt een evenwicht van tegengestelde elementen zelfs als een noodzakelijke voorwaarde voor schoonheid. Uit een dergelijk evenwicht (bibwe) komt namelijk vitaliteit, levenskracht (enin) voort.
Het is deze levenskracht die men als esthetisch aangenaam beschouwt.

Beeldhouwkunst
De Fang streven dat evenwicht tussen de tegendelen niet alleen na in onder andere de dans en de ruimtelijke indeling van hun dorpen en cultushuizen, maar ook in de beeldhouwkunst. Fangkunstenaars vervaardigden houten beelden, die men als wachters op ronde dozen plaatste, met daarin de schedels en beenderen [het 'onvergankelijke', geestelijke] van voorname voorouders [zij die boven de anderen stonden].

Evenwicht tussen vrouwelijk en mannelijk

Fangwachter - Gabon
vrouwelijk/mannelijk
Beelden die in de ogen van de Fang esthetisch geslaagd zijn, verenigen verschillende tegendelen in zich. In het middelpunt daarvan staat het contrast tussen het vrouwelijke en mannelijke. Het evenwicht tussen beide komt in de eerste plaats tot uiting in de symmetrie van een figuur: de linkerzijde van het lichaam geldt namelijk als de vrouwelijke zijde, de rechterzijde als de mannelijke.
Voor de Fang is de belangrijkste vrouwelijke eigenschap de bezinning, de belangrijkste mannelijke de daadkracht. Beide eigenschappen zijn prijzenswaardig, maar ze moeten met elkaar in evenwicht zijn.
Een geslaagd beeld brengt het evenwicht tussen deze eigenschappen dan ook tot uitdrukking: de rust die uit het gezicht spreekt, wordt op harmonieuze wijze gecombineerd met de vastberadenheid, die uitgaat van een krachtig lichaam met gespierde nek, armen en benen.
Klik hier voor een beschrijving van het animisme.

Bron: Afrika museum, Berg en Dal

terug naar de Inhoud

10. Omeyteite en Omeyacigoat, goden van de Maya's
Aan het hoofd van de goden van de Maya's stond 'de priestergod' Quetzalcoatl. Hij was een oeroude regengod en maïsgod, en was de zoon van het Hooggod-paar Omeyteite en Omeyacigoat, die de Maya's 'Onze Vader' en 'Onze Moeder' noemden. [denk aan dezelfde verhouding tussen Horus, Osiris en Isis bij de oude Egyptenaren]
Bij de Azteken heetten zij Omeyotecutli en Omeyocihuatl: 'Meester en Meesteresse der tweeheid'.
Ook: Ometeotl, de Vader en Ometeotl, de Moeder.

Bron: W. Krickeberg - De godsdiensten van Midden-Amerika (in Literatuuroverzicht)

terug naar de Inhoud

11. Inti en Mama Quilla, goden van de Peruaanse Inca's

Inti en Mama Quilla
De stamgod van de heersende dynastie van de Inca's was Inti, de mannelijk gedachte zonnegod met de naam 'punchau' ook 'daglicht' genaamd. Weliswaar voorgesteld met menselijke trekken, werd hij echter ook vaak als een gouden schijf uitgebeeld met daarop een gezicht. De verering van de zonnegod vond plaats in bovenste bevolkingslaag van de Incastammen Quechua en Aymara.
Ook in het hoogland van de Andes gold de verering van de zonnegod in het bijzonder als de vegetarische vruchtbaarheid. Meer dan andere uitingen van deze cultus was zij met de heersende 'staatsreligie' van de Inca's verweven.
De zonnegod Inti was gehuwd met de maangodin Mama Quilla (de 'Moeder Maan'), die in verband stond met de maankalender en de daarmee gepaard gaande ceremoniële feesten. Evenals de wereldlijke heerser van de Quechua de aardse belichaming van Inti was (bij voorkeur in een kindschapsverhouding als 'intip churin': zoon van de zon) [zoals dit ook bij de oude Egyptenaren het geval was] gold zijn voornaamste vrouw, Coya, als aardse vertegenwoordigster van de maangodin Quilla.

Huiracocha en Pachamama
De hoogste godheid in Peru was Huiracocha. Hij was weliswaar mannelijk gedacht, maar was toch boven de geslachtssfeer verheven en bevond zich onbereikbaar boven alles in de hoogste sferen.
Huiracocha, en onder hem Inti en Quilla, stond aan het hoofd van een indrukwekkend pantheon van talrijke godheden, die grotendeels door andere, door de Inca's onderworpen volken erkend waren, deels ook van oudsher tot het godenrijk van de Quechua behoorden.
Tot deze van oudsher onvervangbare stamgoden, die waarschijnlijk over geheel Peru werden erkend, behoort Pachamama, die door de Quechua en Aymara algemeen werd aangeroepen. In tegenstelling tot Huiracocha was zij een in het inwendige van de aarde wonende aardgodin, die ook sterk in betrekking stond met de vruchtbaarheid en die op veel feestelijkheden en dagelijkse riten kon bogen.

Bron: H. Trimborn - Godsdiensten van de volken van de Andes (in Literatuuroverzicht)

terug naar de Inhoud

12. Mythologie
In de Indiase mythologie wordt de godheid in het heelál uitgebeeld door Brahman en Sarasvati, in de méns door Sjiva en Sjakti.
In de Egyptische mythologie wordt de godheid uitgebeeld door Osiris en Isis, en hun godenzoon Horus.
In de Azteekse mythologie wordt de godheid uitgebeeld door Ometeotl (de Tweegod, 'onze Vader') en Ometeotl (de Tweegod, 'onze Moeder').
In de Maya-mythologie wordt de godheid uitgebeeld door Omeyteite (Meester der Tweeheid, 'onze Vader') en Omeyacigoat (Meesteresse der Tweeheid, 'onze Moeder').
In de Inca-mythologie wordt de godheid uitgebeeld door Viracocha: Viracocha als Inti, de zonnegod en Viracocha als Quilla, de maangodin.
Bij de Grieken waren Zeus en Hera zowel man en vrouw, als broeder en zuster van elkaar.

  mannelijke godheid vrouwelijke godheid
India (heelal) Brahman Sarasvati
India (stoff. schepping) Vishnoe Lakshmi
India (mens) Sjiva Sjakti
Egypte Osiris (broeder, man) Isis (zuster, vrouw)
Azteken Ometeotl, de Vader Ometeotl, de Moeder
Maya Omeyteite, de Vader Omeyacigoat, de Moeder
Inca Inti, de Zon Quilla, de Maan
Israël (vóór koning Josia) Jahweh Asjerah (Asjtoreth, Sjechinah)
Griekenland Zeus (broeder, man) Hera (zuster, vrouw)
Skandinavië Odin (Wodan) Frigg (Freyja)
Rome Jupiter Juno

terug naar de Inhoud

13. Gnostische Evangeliën

a. Het Evangelie der Waarheid
Het Woord ... zuivert hen en doet hen weer inkeren tot de Vader en tot de Moeder: Hij, Jezus, vol eindeloze goedheid!

b. Het geheime boek van Johannes
Hij sprak tot mij: "Johannes, Johannes, waarom twijfel je toch? En waarom heb je angst? Je bent toch niet vreemd aan mijn verschijning, die is wat zij is? Verlies de moed niet. Ik ben het, de Ene die altijd met jullie is. Ik ben de Vader. Ik ben de Moeder. Ik ben de Zoon."

c. De lessen van Sylvanus
Doordat je God, de Heilige Vader, het ware Leven, de Bron van Leven hebt verworpen, daardoor ... ben je onwetend geworden en heb je de ware kennis verloren. Maar keer terug mijn zoon, naar je eerste Vader, God, naar Sophia, je Moeder, uit wie je bent ontstaan vanaf het allereerste begin, om alle krachten die je tegenstreven te boven te komen.

d. Het Evangelie van de Heilige Twaalven
Zoals in de man de Vader geopenbaard is en de Moeder verborgen, zo is in de vrouw de Moeder geopenbaard en de Vader verborgen. Daarom zal de Naam van den Vader en de Moeder gelijkelijk vereerd worden, want zij zijn de grote Machten Gods en de een is niet zonder de andere, in de Ene God.


Hildegard van Bingen
Scientia vias Domini, visioen II,2
... de moederlijke liefde
van Gods omhelzing ...
Klik hier voor het boek van Elain Pagels - De gnostische evangeliën waarin zij beschrijft dat er in de eerste eeuwen van het christendom twee richtingen waren: de ingekeerde, op persoonlijke godsdienstigheid gerichte van de christelijke gnosis en de uitgekeerde, gericht op de uiterlijke vormendienst van de kerk als instituut. De laatste heeft uiteindelijk op hardhandige wijze die persoonlijke godsdienstigheid monddood gemaakt.
God als Vader en Moeder was in de christelijke gnosis een wijdverspreide godsvoorstelling. Door wie beschikten zij over deze wijsheid? ... Door de leringen van Jezus.

terug naar de Inhoud

14. Hildegard van Bingen - Scientia vias Domini (Scivias), Visioen 2 van Boek 2
Bij dat visioen is het volgende te lezen:
"Nam per ipsum fontem vitae materna dilectio amplexionis Dei venit ... "
"Uit de levensbron kwam de moederlijke liefde van Gods omhelzing tot ons, die ons tot leven voedde en onze helpster is ... de diepste en allerzoetste liefde."
De ringen van licht (zilver) en warmte (geelrood) die de 'omhelzing' van de algeest verbeelden - God in de ongevormde oertoestand - omringen de mens, Gods godenkind.
Het handgebaar betekent: 'gebed'; ondanks dat Jezus ons voorbeeld is, gaat de mens onzeker, tastend en biddend zijn weg door dit bestaan, daarbij ongemerkt door God gesteund.
(De beide hier getoonde visioenen van Hildegard worden ook beschreven met de personen van het leerstuk van de Drieëenheid, maar de betekenis van die personen wordt door esoterische schrijvers verschillend uitgelegd. Zie hiervoor 'drie-eenheid' in de verklarende woordenlijst)

terug naar de Inhoud

15. Visioenen van Niklaus van Flüe
Niklaus van Flüe (1417-1487) was een welgestelde boer uit het plaatsje Flüeli bij Sachseln, in het kanton Obwalden in het midden van Zwitserland. Daarnaast was hij raadsheer van het kanton en rechter in zijn gemeente. Hij had heel zijn leven een zeer godsdienstige instelling en kreeg van jongs af aan regelmatig visioenen, waarvan er een zestal bekendheid hebben gekregen.
Op 50-jarige leeftijd verliet hij na protest, maar tensotte met instemming van zijn vrouw Dorothea - met wie hij tien kinderen had - huis en haard om in de eenzaamheid van de steile Ranftschlucht, een diep dal niet ver van zijn huis, kluizenaar te worden. De laatste 19 jaar van zijn leven wijdde hij zich daar in een eenvoudige hut aan zijn gebedsleven.
Al die jaren at hij geen vast voedsel en dronk alleen water uit de beek; dit is door bisschoppelijk onderzoek vast komen te staan. Hij werd door mensen uit de omgeving opgezocht om hem om raad te vragen; de stroom bezoekers nam zo toe, dat er naast zijn hut een kapel werd gebouwd. Vanuit zijn hut wist hij door raadgeving aan een vriend een burgeroorlog in Zwitserland te voorkomen.

Visioenen

Niklaus von Flüe
het aangezicht van God
Zijn bekendste visioen is een godservaring. Broeder Niklaus vertelde dit visioen aan vrienden, van wie een het op een doek liet schilderen, dat in de kerk van Sachseln wordt bewaard. Niklaus zag God echter op een wijze, die zeer afweek van de opvattingen uit zijn tijd.
In dat visioen ziet hij het grote macht uitstralende gezicht van God in het midden van een kleinere en een grotere cirkel. Het oppervlak van de kleine cirkel en de omtrek van de grote cirkel, zijn rood; daartussen is het zwart. Het hoofd van God is gekroond, de kroon met een goudkleur (later is er een kopie gemaakt met een pauselijke tiara). De baard is driedelig.

Vanuit de kleine cirkel gaan drie pijlvormige, gouden stralen naar buiten en raken de grote cirkel; vanaf de omtrek van de grote cirkel gaan drie eenzelfde soort stralen in omgekeerde richting naar Gods mond, linker oog en rechter oor in de kleine cirkel.
Het feit dat mond, oog en oor door de naar binnen gekeerde stralen worden aangeraakt, doet denken aan de etymologie van het Griekse woord waarvan 'mystiek' is afgeleid: 'muoo'. Dit betekent: het sluiten van de ogen met het doel zichzelf te hervinden. Daarbij keert men tot zichzelf in door zich af te sluiten voor de omgeving, waarbij ook de mond wordt gesloten en er niet meer met het oor wordt gehoord.
(zie hiervoor de voordracht van R.F. Roth bij Literatuur)

De naar binnen gekeerde stralen zijn een uitbeelding van de ingekeerde instelling, waarbij aandacht en toewijding worden losgemaakt uit de omgeving en naar het wezenlijke, het goddelijke in zichzelf worden gekeerd. Het zijn er drie doordat in de goddelijke geest het waarnemen en het willen nog een eenheid vormen als de bewuste levenskracht. Met deze eenheid van waarnemen en willen wil God het waargenomene verwerken door te denken en te voelen: het zijn de vier geestelijke vermogens, maar in een drievoudige vorm.
De naar buiten gekeerde stralen zijn een uitbeelding van de uitgekeerde instelling, waarbij aandacht en toewijding vanuit zichzelf naar de omgeving worden gekeerd. Ook hier is het de eenheid in God van het waarnemen en willen, die al denkend en voelend naar buiten worden gericht.


het aangezicht van God
röntgenfoto door
Dr. med. Eugen Hess, 1947
De ingekeerde, op het persoonlijke leven gerichte instelling is de vrouwelijke en de uitgekeerde, op de buitenwereld gerichte, de mannelijke. Dit komt overeen met de oorspronkelijke afbeelding van het visioen op het doek in de kerk, waarop Gods aangezicht een lichte rechterhelft en een donkere linkerhelft had. De oude toestand, die was overgeschilderd, is aan het licht gekomen middels een röntgenfoto.
De donkere linkerhelft van Gods gezicht is een aanduiding van de vrouwelijke, ingekeerde zijde van God, de lichte rechterhelft van de mannelijke, uitgekeerde zijde.
God toont zich aan Niklaus als een eenheid van tegendelen.

Op de röntgenfoto van het doek, gemaakt door Hess was te zien, dat het doek een aantal malen is overgeschilderd. Het gezicht had oorspronkelijk een jeugdiger, vriendelijker uitstraling.

Dit onderscheid tussen het mannelijke en vrouwelijke in God wordt bevestigd door een ander visioen van Niklaus.
In een paleis verscheen aan hem een in het wit geklede, mannelijke persoon, die Niklaus bedankte voor het bidden dat hij deed voor zijn Zoon en voor de hulp voor zijn Zoon; daarna verscheen een ook in het wit geklede, vrouwelijke persoon, die hem voor hetzelfde bedankte.
In het paleis, dat is de hemel, verscheen God aan Niklaus in de personen van de vader en de moeder, als God en Godin.

In het eerste visioen vertoonde God zich aan Niklaus als een tweelinggeest in de verenigde toestand. De geestgedaantes van beiden zijn dan door innige liefde geheel in elkaar opgegaan en vormen een eenheid. De vrouwelijke kern komt door het gedrag heen naar buiten toe tot uiting, maar alleen de mannelijke buitenkant is zichtbaar, Gods aangezicht - de oorzaak van het spraakgebruik om over God als over een Vader te spreken.
In zinnebeelden laat het visioen echter aan Niklaus zien, dat beiden aanwezig zijn: in de stralen van de in- en uitgekeerde instelling en in de lichte en donkere helften van Gods aangezicht.
In het tweede visioen toont God zich aan hem als een gedeelde tweelinggeest, eerst in de mannelijke vorm, dan in de vrouwelijke vorm.

Het hexagram
De zes stralen in het 'rad met spaken' van Niklaus' godservaring, doet denken aan het hexagram, dat een zespuntige sterveelhoek is. Het is een zinnebeeld voor de eenheid van wat zich als een tweeheid voordoet: het is de eenheid der tegendelen. In die zin verbeeldt het ook de eenheid van wat boven en wat beneden is, het geestelijke en stoffelijke, het goddelijke en menselijke.
In de alchemie stond de rechtopstaande gelijkzijdige driehoek (een drievoudigheid) voor mannelijkheid en vuur (want omhoogstijgend), de omgekeerde driehoek voor vrouwelijkheid en water (neerstromend), en hun innige verstrengeling. Het hexagram gold daar als 'het belangrijkste teken van het hele universum'.

Literatuur:
Remo F. Roth, Dr. oec. publ., Ph.D. - Die Neue Mystik und das Leben nach dem Tod
Vortrag, vom 6. 6. 1997 am C.G. Jung Institut, Stuttgart
link: paulijungunusmundus.eu/hknw/neue_mystik_und_leben_nach.htm

Rüdiger Plantigo - Die Radfigur des hl. Nikolaus
link: ruediger-plantiko.blogspot.nl/2008/07/die-radfigur-des-hl-nikolaus.html

Wikipedia
Niklaus von Flüe
Psychologen zu Niklaus von Flües Mystik

Zie voor dit onderwerp ook W. Nigg - Grote Heiligen, in het Literatuuroverzicht in het menu onder Christelijke spiritualiteit.

terug naar de Inhoud


Alchemie
Koning Athanor en koningin Alchimia:
de uitvoering van het Grote Werk.
Net als bij Hildegard staat de man achter
zijn vrouw en kijkt over (langs) haar heen.
16. Alchemie - het Grote Werk (Magnum Opus)
Koning Athanor en koningin Alchimia stellen de androgyne (tweeslachtige) menselijke geest voor. Het kruisvormige paleis is de alchemistische werkplaats met daarin de oven (athanor), waarin de transformatie (omvorming) plaatsvindt. Voor deze omvorming geldt het alchemistische gezegde: 'Geen geboorte zonder dood' (geen opstanding zonder kruisiging); in overeenstemming daarmee moet de zelfzucht (het lelijke hoofd links) worden overwonnen door wijsheid (de grijze uil rechts; het zinnebeeld 'vogel' betekent 'geest').
Door het 'grote werk' van zelfomvorming is de eenheid van het mannelijke en vrouwelijke in de mens verwerkelijkt en de 'solificatio' (worden als de zon) bereikt, weergegeven door de zon rechts.

Het alchemistische spreekwoord 'Zo boven, zo beneden' geeft aan, dat de mannelijke en vrouwelijke eigenschappen van de menselijke geest een afspiegeling zijn van de eigenschappen van de goddelijke geest.

terug naar de Inhoud

17. Emanuel Swedenborg
'Alle dingen in het heelal die in de goddelijke orde zijn, slaan terug op het goede en het ware. Er bestaat niets in de hemel en niets in de wereld, wat niet op deze twee terugslaat. De reden hiervan is deze, dat beide, het ware en het goede, uit God voortgaan. De verbinding van het goede en het ware, wordt in de hemel het hemelse huwelijk genoemd. In dit huwelijk zijn allen, die daar zijn.' (De ware Christelijke godsdienst, blz. 576)
Echtgenoten tezamen of echtelijke liefde is het eigenlijke beeld en de gelijkenis Gods. (Het Huwelijk, blz. 100)

18. Anna Katharina Emmerich
De Westfaalse non Anna Katharina Emmerich (1774-1824) kreeg toekomstvisioenen waarin zij een tijd zag komen met ingrijpende veranderingen in de kerk, in godsdienst en geloof.
In haar visioenen beschrijft zij een 'majesteitelijke Vrouw' die overeenkomsten vertoont met 'een vrouw, met de zon bekleed' uit de Openbaring van Johannes (12:1-6). De beschrijving in de Openbaring komt weer overeen met die van Sjechinah, 'zij die bij ons woont', de echtgenote van Jahweh uit de joodse Tenach, het Oude Testament. Zij is de beschermende, begeleidende, opvoedende en vernieuwende vrouwelijke zijde van God.
Het woord 'majesteit' komt van het Latijnse 'majestas', van 'magus': groot, koninklijk. Het woord 'vrouw' betekent oorspronklijk 'zij, die vooraan gaat', zoals 'heer' 'hij die vooraan gaat' betekent.

Gedeelte van een visioen van Anna Katharina Emmerich, dat de afbraak en de opbouw van de kerk beschrijft.
"Reeds was het hele voorste deel [het uiterlijke vertoon] van het kerkgebouw [de Sint Pieter in Rome] neergehaald en alleen het allerheiligste [de kern van Jezus' leer] stond nog stevig. Toen zag ik een majesteitelijke Vrouw. Haar wijde mantel had zij op haar beide armen opgenomen en zij zweefde zacht omhoog. Zij stond op de koepel van de kerk [zij is de hoogste] en breidde wijds over de hele ruimte van de kerk haar mantel uit, die straalde als goud" ...
En boven de verkleinde en verdeemoedigde Kerk zweefde de vrouwengestalte met uitgebreide mantel en een sterrenkroon op het hoofd. Er straalde licht voor haar uit en dit verbreidde zich trapsgewijs in de dichte duisternis [van de ongelovigheid]. Waar deze stralen doordrongen, vernieuwde de aarde zich en werd weer bloeiend. De nieuwe discipelen verzamelden zich onder deze stralen en spoedig daarna stond alles weer in nieuwe bloei" ...

terug naar de Inhoud


Albrecht Dürer
Openbaring van Johannes, 12
Openbaring, hoofdstuk 12
12:1 En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd;
12:2 En zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren.
12:3 En er werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen.
12:4 En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede [de ongelovigen] en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden.
12:5 En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden [Jezus] met een ijzeren staf [als een herder]; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon.
12:6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden. [de 'woestijn' is een beeld van de ongelovige, dorre mensheid; 'de plaats door God bereid' in de woestijn is de aanduiding voor 'zij die bij ons woont': Sjechinah]

De 'vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd' is God als moeder, die haar goddelijke zoon baart, die in de persoon van Jezus bij ons is geweest en die, door zich als een lam te offeren voor de zonden van het volk, de duivel zal verslaan.
Klik hier voor een uittreksel uit het boek 'Bijna 2000 jaar' van M. Kahir met een aantal van haar visioenen.

terug naar de Inhoud

19. Jakob Lorber - Het Grote Johannes Evangelie deel 4

Frater Henri Boelaars, OSB, de Slangenburg,
Vader, Moeder en Kind; brons, 1990
Dit beeldje is door hem gemaakt n.a.v. een
gesprek over nevenstaand onderwerp.
God schiep de mens naar Gods beeld als man en vrouw. (blz. 302)
'Hoe kon Ik de mensen voor de geslachtsgemeenschap geschikt hebben gemaakt, zonder daar zelf toe in staat te zijn? Als de geslachtsgemeenschap voor de voortplanting volgens Gods orde is, dan moet God die net zo goed kunnen uitvoeren als de mens!' (blz. 331)
De eigenlijke overeenkomst met Mijn goddelijke zijn, was in het eerste mensenpaar reeds volmaakt aanwezig. (blz. 409)

20. Jakob Lorber - Bisschop Martinus
'Als dus een aardse moeder dat al zou doen, hoeveel temeer dan Ik, die voor Mijn kinderen alles ben in volheid als vader en moeder; als Vader in mijn hart en als een Moeder in het geduld, de zachtmoedigheid en oneindige goedheid.' (186 Een Godsgeheim, blz. 428)

21. Jozef Rulof - Kosmologie
Dit is Goddelijke Waarheid. Dit is God als Moeder en als Vader. Toen de eerste krachten vanuit de 'Albron' stuwend het leven deze Ruimte inzonden, was dat Baren en Scheppen. Dat werd een Goddelijk Verschijnsel als de Goddelijke Openbaring!
In de eerste levensgraad is die Bron Moederlijk bezield, maar in het volgende stadium werd dat Leven Vaderlijk Bewust, waardoor wij het Vader- en Moederschap voor God leren kennen. (Kosmologie, blz. 36)

22. White Eagle - Geestelijke ontwikkeling
Wanneer wij in verbinding staan met de geest, openen wij ons hart voor liefde. En wij weten dat liefde de weg tot geestelijke ontwikkeling is. Daarom bidden wij tot God, onze Vader en Moeder, dat wij liefde mogen worden en wanneer wij liefde mogen worden, en wanneer wij liefdevoller kunnen worden, zullen wij wijzer en dus sterker in Gods-kracht worden. Moge de Heilige Drieëenheid van liefde, wijsheid en kracht in ons hart en ons leven tot uitdrukking komen. Amen. (blz. 13)

Je bent voortdurend gehuld in de geestelijke uitstraling, de geestelijke kracht die uitstraalt in de aura van de Christus, die van de Vader-Moeder God komt om te beschermen, te zuiveren en de weg te verlichten voor al Gods kinderen. Je kunt niet buiten dit leven van de Zoon, dit Christus-bestaan. (blz. 98)
Je moet je voortdurend bewust zijn van je relatie met Christus, met de Vader-Moeder God. Voel de vrede die de engelen van Christus brengen. (blz. 99)
Zo zien we dan dat God zowel Moeder als Vader is voor de mens; goddelijke wijsheid, goddelijke liefde en evengoed goddelijke macht, die altijd achter iedere vorm en iedere manifestatie werkt, opdat Gods kinderen - ieder een vonk van goddelijke liefde, uitgeademd vanuit het hart van God - mogen leren om dat geluk dat God is en dat God als zaadje in iedere ziel heeft geplant, tot uitdrukking te brengen. (blz. 147)
De geest van een mens heeft een soortgelijk verloop als de ontwikkeling van een kind, dat begint bij de geboorte uit de Vader-Moeder-God en dat door de groei van het geestelijke bewustzijn en de terugkeer, uitmondt in de hereniging of eenwording met God.

23. Mirin Dajo - De onkwetsbare profeet
Uit de Godskracht van de oerbron, ook Moeder Gods genaamd, komen vele energieën (geesten) te voorschijn. Deze energieën, die samen de gehele schepping vormen, kunnen harmonisch en disharmonisch werkzaam zijn. Binnen het bestek van de schepping vormen zij samen een grote harmonie, doordat alles wat uit God komt, volmaakt is. Daarom streeft alles wat uit God ontstaan is, ernaar een harmonie te vormen. (De onkwetsbare profeet, blz. 101)
Alle zeven (ontwikkelings)stadia zijn weer te verdelen in zeven trappen van ontwikkeling. Het totaal richt zich naar God, oerkracht of Vader Gods. Het geheel is de goddelijke eenheid: God is Vader en Moeder. (blz. 111)

het gezin
de man ondersteunt zijn vrouw
met zijn rechter arm, zodat zij
kan zorgen voor hun beider kind;
zo begeleiden ook Gods engelen de mens
bij zijn geestelijke groei op aarde,
wat de grondslag is van Gods schepping
Daardoor wordt er in de schepping, zonder uitzondering, onder elke omstandigheid, door deze stralingen die uit de werkingen van de energieën van de oerbron (de Moeder Gods) ontstaan zijn, het leven gestimuleerd. (blz. 113)

terug naar de Inhoud

24. Murdo MacDonald-Bayne - Goddelijke heelmaking van ziel en lichaam
'God als onze Vader-Moeder-God gaat de ruimste voorstelling die de mens zich kan vormen, te boven. Maar wij zullen met een open innerlijk de heerlijkheid zien van onze Vader-Moeder-God en dit zal jullie omvormen tot hetzelfde beeld.' (blz. 77)

25. Neil Douglas-Klotz - Gebeden uit de kosmos
Een mogelijke vertaling van de eerste zin van het Onze Vader zoals die vermeld staat in de Peshitta-tekst, het manuscript van de Evangeliën in het Aramees, de taal die Jezus sprak:
O Geboorte-gever! Vader-Moeder van de kosmos
(terwijl de vertaling van het NBG is: Onze Vader die in de hemelen is.)
(zie 'Gebeden uit de kosmos' in het Literatuuroverzicht)

26. B.T. Spalding - De Meesters van het Verre Oosten
In werkelijkheid is de mensheid één familie, kinderen van de Vader-Moeder-God. (blz. 105)
De Christus in u woont in iedereen. Uw lichaam is rein, volmaakt, eeuwig jong en schoon, in één woord goddelijk. God heeft u geschapen als een volmaakt beeld en gelijkenis van Zichzelf [Gods zelfbeeld] en heeft u macht over alle dingen gegeven. U bent in uzelf altijd de Christus, de volmaakte Zoon Gods, de eniggeboren Zoon Gods, in wie de Vader-Moeder welgevallen heeft. (blz. 109)
God is geen rechter of koning, die u zijn aanwezigheid kan opdringen of u voor een rechterstoel wil roepen. God is een liefdevolle, allesgevende Vader en Moeder tegelijk, die als u hem nadert, de armen uitstrekt en u daarin opvangt. (blz. 183)
Het eindoel voor de gehele mensheid, voor alle geloven en godsdiensten is de wetenschap, dat God Vader en Moeder is. (blz. 434)

terug naar de Inhoud

27. Het voorkomen van symmetrie in de natuur
Het Griekse woord 'symmetrie' is samengesteld uit een voorvoegsel dat de betekenis van 'samen' heeft en het woord voor 'meten'; de samenstelling duidt op: een 'samengaan van maten'. In zijn eenvoudigste vorm heeft dat betrekking op de spiegelsymmetrie (links-rechts, boven-onder en voor-achter, ingekeerd-uitgekeerd), die overal in de natuur is terug te vinden.
Symmetrie is niet alleen een belangrijk element in de natuur, maar ook in decoratieve kunst, getuige de ontelbare voorwerpen die de mens in de geschiedenis op kunstzinnige wijze zo heeft versierd. Blijkbaar wordt de menselijke geest aangenaam getroffen door het element van herhaling dat daarin optreedt, als wij een symmetrische vorm beschouwen. Het is een zekere herkenning, alsof we in de buitenwereld iets tegenkomen, dat ons persoonlijk zeer vertrouwd voorkomt en met ons wezen samenhangt.

Die symmetrie is al aanwezig in de bouwstenen van de natuur, de atomen, die zijn opgebouwd uit een kern van protonen en neutronen (die voortdurend in elkaar overgaan door het uitwisselen van lading), met daar omheen de elektronen. Het atoommodel van Bohr stelt, dat die elektronen zich in vaste 'banen' om de kern heen bewegen. Lang werd gedacht dat die 'banen' de vorm van schillen hadden rondom de kern. De kwantummechanica heeft echter onomstotelijk aangetoond, dat de elektronen zich weliswaar om de kern bewegen, maar op een heel bijzondere wijze en in aparte ruimtes.

de wolkachtige vormen van de orbitalen
bron: Beier and Hede - Essentials of Chemistry
Volgens de kwantummechanica bewegen de puntvormige elektronen zich met zo'n grote snelheid binnen een zo kleine ruimte, dat het lijkt alsof zij in die ruimte zijn uitgesmeerd. De plaats waar het elektron zich zou kunnen bevinden, de 'golffunctie' genoemd, kan worden uitgerekend m.b.v. de Schrödinger-vergelijking (waarbij geldt dat dan de snelheid niet tegelijkertijd kan worden bepaald). De uitkomsten hiervan laten zien, dat het elektron over de ruimte is 'uitgesmeerd' op een zodanige wijze, dat alleen de statistische kans kan worden berekend dat het elektron zich op een bepaalde plaats bevindt. Het elektron doet zich voor als een wolk.
De ruimtes waarin het elektron in de vorm van die wolk zich bevindt, worden door symmetrie gekenmerkt. Deze ruimtes zijn een bolvormige wolk (de s-orbitalen genoemd, van 'orbit': 'baan') of hebben een samengestelde haltervorm (3 p-orbitalen, 5 d-orbitalen en 7 f-orbitalen, niet afgebeeld).

De symmetrische haltervormen zijn los van elkaar; als zich in één kant van de halter een elektron bevindt, dan kan het zich ook in de ándere kant bevinden(!). Hoewel de kans het elektron in het midden aan te treffen nul is, moet er toch een soort 'overspringen' plaatsvinden, dat 'tunnelen' wordt genoemd.
Dit verschijnsel doet paranormaal aan, er is a.h.w. sprake van een 'uittreding' van het elektron. Dit is een van de redenen waarom Einstein eraan twijfelde of de kwantummechanica wel het diepste inzicht in de eigenschappen van de natuur zou zijn.
De vormen van de orbitalen waren in de wiskunde al bekend en worden 'sferische harmonieken' genoemd.

De haltervormen vormen samen een eenheid, zij zijn een uitbeelding van tegendelen, van wederhelften zoals dat niet alleen bij de tweelinggeesten het geval is, maar ook bij de geestelijke vermogens die, schematisch gezien, overeenkomen met de p(x,y,z) orbitalen. Samen met de bolvormige s-orbitaal zijn zij een uitbeelding van de geest met zijn vermogens.
De daarop volgende orbitaalvormen zijn een weergave van de een ontwikkelde persoonlijkheid; al deze orbitalen zijn de oorzaak van de persoonlijke, chemische eigenschappen van de atomen die voorkomen in het Periodiek Systeem der Elementen. Zij krijgen bovendien nog weer een andere vorm (de zgn. 'hybridisatie') als atomen zich verbinden tot moleculen.

terug naar de Inhoud

28. Het Standaardmodel en supersymmetrie in de moderne natuurkunde
1. Het Standaardmodel uit de moderne natuurkunde beschrijft in zijn huidige vorm de elementaire deeltjes: quarks en elektronen; met quarks zijn de subatomaire deeltjes protonen en neutronen opgebouwd - samen met elektronen vormen zij de atomen en moleculen, en daarmee is uiteindelijk de stoffelijke schepping gevormd.
Volgens het Standaardmodel zijn die deeltjes onder te verdelen in de fermionen en bosonen (zie het artikel hierover middels de link hieronder);
- de fermionen zijn de zelfstandige bouwstenen waarmee vormen kunnen worden opgebouwd,
- de bosonen brengen krachten over en vormen daardoor verbindingen tussen de fermionen; zij vormen a.h.w. het cement in de voegen tussen de bouwstenen.

de vorming van een 'deeltje' (d)
uit een 'veld' (a)

Volgens de moderne natuurkunde hangt ieder 'deeltje' samen met een 'veld', ook 'krachtveld' genoemd; het woord 'veld' is een misleidende woordkeus, want het gaat in feite om een 'ruimte', in wezen een 'krachtruimte'. Zo'n krachtruimte verkeert in een toestand van trilling, ook golving of straling genoemd (a). Op een bepaalde plaats kunnen de golven worden samengedrukt (b), waardoor op die plaats een 'condensatie' van trilling ontstaat, een verdichting - in de kwantummechanica een 'energiepakketje' genoemd (c). Deze verdichte toestand van een 'veld' heeft de aanduiding 'kwantum': 'hoeveelheidje' gekregen, ook 'deeltje' genoemd (d). Daarbij is het 'veld' de grondtoestand en het deeltje wordt daaruit gevormd en kan er ook weer in worden opgenomen.
Een 'deeltje' is een 'vormsel van een krachtruimte'. Het woord 'kracht' hangt samen met 'krimpen', 'samenballen' en dat is wat er met de ruimte gebeurt als er een deeltje wordt gevormd. Er zijn evenveel van die krachtruimtes als er deeltjes zijn.

Met het geopende geestesoog is aan mij getoond dat de grondslag van het al de goddelijke algeest is, een zee van geestelijk licht en warmte (beide een golfverschijnsel) die zich uitstrekt in de ruimte van de eeuwige oneindigheid. De menselijke geest is een verdichting van het licht daarin tot een bolvormige wolk, die daarna door de warmte wordt doorstroomd en zo tot leven komt: de menselijke geest is een algeestvonk, een deeltje uit en in de goddelijke algeest.
De schepping van de menselijke geest uit de algeest is voorafgegaan aan de schepping van de stoffelijke wereld (als leerschool voor die geest), waardoor de vorming van een deeltje uit een 'veld' in de stoffelijke wereld een afbeelding is van die eerste schepping.

2. Uit de esoterische literatuur (Lorber, Swedenborg, Heindel, Blavatsky, Steiner, Rulof) is bekend dat er in de schepping 'rijken' zijn, zoals: het mineralenrijk, het plantenrijk, het dierenrijk en de mensheid. Daarboven zijn er in de geestelijke wereld de drie rijken van de engelen en daarboven de algeest, God.
De levensvormen die in deze rijken voorkomen, zijn de uiterlijke, stoffelijke verschijningsvormen van groepen geesten, die ooit als golven vanuit de algeest aan hun ontwikkelingstocht door de schepping zijn begonnen. Als groep bevinden zij zich daardoor op een bepaalde trap van ontwikkeling en hun toestand van geestelijke groei komt in dit tijdelijke bestaan in hun levensvorm tot uitdrukking. Die levensvormen - mineralen, planten, dieren, mensen - zijn in te delen als de hier zichtbare rijken.

Achter iedere levensvorm in een bepaald rijk op aarde staat in de geestelijke wereld een geest (een mensen-, dieren-, planten- of een mineraalgeest) die vanuit de geestelijke wereld met zijn of haar levensvorm op aarde is verbonden, om daarmee hier leerzame ervaringen op te doen.
Hoe hoger de geest op de ontwikkelingstrap is gevorderd, hoe beter die met zijn levensvorm is verbonden; de menselijke geest is in de huidige tijd vrijwel geheel in de hersenen ingedaald.
De geest van het dier bevindt zich op geringe afstand boven de kop, de geest van de plant nog weer verder erboven. De geesten van het mineralenrijk, die aan het begin van hun ontwikkeling staan, zijn als jongsten begonnen zich met hun minerale levensvorm te verbinden.
Overeenkomend met deze rijken is er ook het elementaire deeltjesrijk. Dit deeltjesrijk is - sinds de zestiger jaren - ontdekt door natuurkundigen en hun beschrijving van dat rijk staat bekend als het Standaardmodel. Dit deeltjesrijk ligt ten grondslag aan het mineralenrijk.
De geesten die tot dit deeltjesrijk behoren, zijn nog maar net begonnen zich met hun levensvormen: de elementaire en subatomaire deeltjes, te verbinden. De band met hun levensvorm is nog zwak; als die band wordt verbroken, verdwijnt het deeltje weer uit deze wereld; de deeltjesgeest gaat terug naar zijn eigen wereld en het deeltje dat levensvorm was, gaat over in een energievorm.

Achter ieder hier aanwezig elementair deeltje staat in de geestelijke wereld een geest (een minerale geest). Bij deze geesten van het deeltjesrijk verkeert het onderscheid tussen het mannelijke en vrouwelijke nog op een eenvoudige trap van ontwikkeling in de vorm van de fermionen en bosonen. Het nog op eenvoudige wijze vormende denken wordt weergegeven door de fermionen; het nog op eenvoudige wijze verbindende voelen wordt weergegeven door de bosonen.
De fermionen zijn de deeltjes die op aarde de mannelijke deeltjesgeest vertegenwoordigen, de bosonen de vrouwelijke. In de mannelijke geest (ook in de deeltjesgeest) is de volgorde van de vermogens namelijk het waarnemen, dénken, voelen en willen - het vormgevende denken, dat vaste denkbeelden vormt, krijgt daardoor een zekere nadruk; in de vrouwelijke geest (ook in de deeltjesgeest) is de volgorde van de vermogens het waarnemen, vóelen, denken en willen - het verbindende voelen, dat zich naar de anderen voegt met als doel een persoonlijke band tot stand te brengen, krijgt daardoor een zekere nadruk.

Met andere woorden: de fermionen uit het Standaardmodel zijn in de schepping de levensvormen van de mannelijke deeltjesgeesten die de eigenschappen van het denken weergeven; de bosonen zijn de levensvormen van de vrouwelijke deeltjesgeesten die de eigenschappen van het voelen weergeven.

3. Uit de esoterische literatuur is ook bekend dat iedere mannelijke geest een vrouwelijke wederhelft naast zich heeft, en omgekeerd; deze partners zijn tweelinggeesten doordat zij als een paar uit de goddelijke algeest zijn voortgekomen; deze is immers zelf een tweelinggeest: God als een man en vrouw, als een vader en moeder. Vanuit God als schepper komt dit geslachtsverschil tot uitdrukking in al wat leeft en is, en daardoor ook in de eigenschappen van de elementaire deeltjesgeesten en in hun elementaire deeltjes als levensvorm.
Hoe hoger de geestelijke ontwikkeling is, hoe duidelijker dat geslachtsverschil in de levensvorm tot uitdrukking komt, zoals bij de mens uiteindelijk het geval is; dat onderscheid komt namelijk door de geestelijke ontwikkeling steeds meer in overeenstemming met de oorsprong, het uitgangspunt van het al: het mannelijke en vrouwelijke in de goddelijke algeest.

Bij de elementaire deeltjes is het geslachtsverschil nog uiterst eenvoudig: volgens het Standaardmodel heeft ieder deeltje een 'antideeltje', hoewel antideeltjes vreemd genoeg niet op zelfde wijze in de natuur voorkomen als deeltjes; zij kunnen wel kunstmatig worden gevormd. Antideeltjes hebben dezelfde massa en dezelfde 'spin' als de deeltjes, maar hun elektrische lading (positief of negatief) en nog een aantal andere eigenschappen zijn tegengesteld; zij zijn complementair aan elkaar, zij vullen elkaar aan.
De deeltjes en hun antideeltjes in het elementaire deeltjesrijk zijn in de stoffelijke schepping de mannelijke en vrouwelijke levensvormen van de elementaire geesten, die als tweelinggeesten als jongste uit God zijn voortgekomen.

Er zijn twee vormen van onderscheid tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid: naast het reeds genoemde onderscheid tussen het mannelijke denken en het vrouwelijke voelen is er ook het onderscheid tussen de uitgekeerde instelling die mannelijk is en de ingekeerde die vrouwelijk is. Dit laatste komt tot uitdrukking in het deeltje en het antideeltje.
De mannelijke, uitgekeerde instelling is 'positief' (van Latijn 'ponere': neerzetten, dus 'er zijn'), de vrouwelijke, ingekeerde instelling is 'negatief' (van Latijn 'negare': ontkennen, dus 'er niet zijn'). Dit onderscheid is in de stoffelijke levensvorm rechtstreeks herkenbaar: het mannelijke geslachtsorgaan is zichtbaar, het 'is er' en is daardoor 'positief'; het vrouwelijke geslachtsorgaan is onzichtbaar, het 'is er niet' en is daardoor 'negatief'. Het mannelijke geslachtsorgaan bezit een 'lading' (de zaadcellen) die in het geval van voortplanting naar het vrouwelijke geslachtsorgaan moet worden overgebracht, die de lading ontbeert.
Op dezelfde wijze zijn er elementaire deeltjes die een (elektrische) lading hebben en die daardoor 'positief' (zouden) moeten worden genoemd en zijn er deeltjes waar een lading ontbreekt en die daardoor 'negatief' (zouden) moeten worden genoemd. (Door een onjuiste naamgeving in het verleden zijn deze twee begrippen echter omgekeerd, nu wordt 'negatief' ('er niet zijn') genoemd waar zich een elektrische lading bevindt en 'positief' ('er zijn') waar die ontbreekt. Benjamin Franklin gebruikte aanvankelijk de juiste naamgeving, maar Thompson keerde die later om en noemde de elektronen, waarop zich de elektrische lading bevond, negatief. Iedereen nam dat zonder erbij na te denken over. Er werd nog wel gezegd dat 'elektriciteit van positief naar negatief gaat', maar vervolgens werd verwarrend genoeg uitgelegd dat elektricitiet in feite een stroom van negatief geladen elektronen is, die stroomt van een plaats waar er veel zijn naar waar er weinig zijn.)

De schepping wordt door God in zichzelf als de algeest voortdurend gedacht. Aangezien van God uit gezien de schepping 'er moet zijn' om de leerschool voor de geschapen geesten mogelijk te maken, houdt God de deeltjes op eenzijdige wijze in de uitgekeerde toestand, de positieve toestand - de toestand van 'er zijn'.
In het elementaire deeltjesrijk worden beide tweelinggeesten in een uitgekeerde toestand gehouden om de schepping mogelijk te maken. De ingekeerde, negatieve toestand - het antideeltje - wordt voorkomen; dit is de toestand die in de theoretische natuurkunde met de term 'gebroken symmetrie' wordt aangeduid.
Toch kan het antideeltje in de natuur wel voorkomen (het kan ook in het laboratorium tot stand wordt gebracht), maar die toestand wordt ook weer snel beëindigd. Als een antideeltje een deeltje tegenkomt, wordt het bestaan van het antideeltje opgeheven doordat ze beide verdwijnen, de zogenaamde 'anihilatie' (van Latijn 'nihil': niets) van deeltjes. De bijbehorende deeltjesgeesten gaan terug naar hun wereld en de eventuele massa verdwijnt (doordat er geen wisselwerking meer is met het higgsveld) en wordt in een energievorm zoals fotonen omgezet.


De supersymmetrietheorie
de bekende elementaire deeltjes: boven de
hier zichtbare levensvormen van de deeltjes-
geesten, hun tot zover ontwikkelde vermogen
(mnl. geest: denken, vrwl. geest: voelen);
verbonden met hun nog onontwikkelde vermo-
gen (mnl. geest: voelen, vrwl. geest: denken)
afbeelding: Merel Haasnoot
Nu is er in de theoretische natuurkunde een theorie opgesteld met de naam 'supersymmetrie' (ook wel afgekort als 'susy'); deze theorie gaat ervan uit dat de natuur in wezen symmetrisch is (om een bepaalde reden in de natuurkunde 'supersymmetrisch' genoemd). Ieder elementair deeltje (de bouwstenen en de verbindende krachten van de schepping) heeft een hier onzichtbaar supertegendeeltje, ieder deeltje heeft een eigen onzichtbaar supertegendeeltje, met de tegenovergestelde eigenschap: een fermion heeft een supersymmetrisch boson ('sboson' genoemd) en een boson heeft een supersymmetrisch fermion ('fermino' genoemd). Met deze theorie zijn een aantal prangende, natuurkundige vraagstukken op onverwachte, overtuigende en elegante wijze goed te verklaren.

De (veronderstelde) paren van elementaire deeltjes vormen in de zichtbare schepping het deeltjesrijk: het rijk van uiterst kleine levensvormen voor de erbij behorende (nog primitieve) geesten, die in dit bestaan over die bepaalde levensvormen, de deeltjes, kunnen beschikken, maar die deeltjesgeesten beschikken ook over het tegenovergestelde deeltje: het fermion heeft achter zich een boson, het boson heeft achter zich een fermion.
In feite wordt hierdoor in de geestelijke wereld het vrouwelijke voelen in de vorm van een boson aan het mannelijke denken in de vorm van een fermion, toegevoegd, en ook omgekeerd. De eigenschappen van de deeltjes worden zo in evenwicht gebracht, zij worden weer symmetrisch.
Tegen de supersymmetrietheorie zijn nog geen steekhoudende bezwaren aangevoerd. Zij is een natuurkundige bevestiging van de esoterie: de beschrijving van de verhouding tussen groepen van geesten in de geestelijke wereld, die in de schepping over een bepaalde soort levensvormen beschikken: de 'rijken' genoemd. De moderne, theoretische natuurkunde beschrijft een afdeling van het mineralenrijk die voorheen onzichtbaar was: dat van de elementaire deeltjes. Zij herstelt het evenwicht tussen het mannelijke en het vrouwelijke in het elementaire deeltjesrijk.

Standaardmodel, beschrijft Supersymmetrietheorie, beschrijft
de zichtbare elementaire deeltjes hun eigen, onzichtbare tegendeel
fermionen (zelfstandige bouwstenen
van het heelal)
hun eigen supersymmetrische tegendeel:
supersymmetrische bosonen (sboson)
bosonen (verbindende wisselwerkingen
tussen fermionen)
hun eigen supersymmetrische tegendeel:
supersymmetrische fermionen (fermino)

Klik hier voor een artikel over de vorderingen op het kennisgebied van het rijk der elementaire deeltjes.

terug naar de Inhoud

29. Geestkunde
Laat het uit bovenstaande duidelijk zijn dat de kerkvaders uit de eerste eeuwen van het Christendom, die zich van de diepgang van de gnosis afkeerden, een godsdienst aan hun nageslacht hebben nagelaten die van zijn mystieke grondslag is losgerukt en daarmee van het goddelijke. Wat overbleef was niet meer een 'dienst aan God', maar een dienst van in de loop der eeuwen zelfbedachte rituele vormen, uitgevoerd door mensen en in een menselijke instelling, de 'kerk'.
Daar leefde het beeld van een God als een Vader, die een Zoon heeft ... maar dat is het beeld van een gebroken gezin, waarbij de Moeder uit het zicht is verdwenen.

Hieronder beschrijf ik mijn eigen geestelijke ervaringen met het goddelijke als man en vrouw, die onze liefdevolle vader en moeder zijn. Zij hebben zich op twee wijzen aan mij voorgedaan: in een ongevormde en in een gevormde toestand.

terug naar Is God een mysterie?

1. De geest in de ongevormde oertoestand

De rust en haar donkere koelte
Tijdens mijn zelfbezinning en gebed tot God werd ik als menselijke geest meerdere keren losgemaakt van de banden met de aarde en door geestvervoering verplaatst naar onzichtbare, geestelijke werelden. Daar werd ik ook met die ene, ijle wereld verbonden die de bron van al het andere is en mocht ik de geestelijke aanvang van Gods schepping aanschouwen.
Vóór de aanvang van de schepping was er in de ruimte van die wereld de ongevormde oertoestand van die éne geest, die eeuwig en oneindig is, de goddelijke algeest. In de ruimte van die geest kon ik geen vormen onderscheiden en ook ikzelf was daar als een geestelijke vonk, een punt bewuste levenskracht. Toch is de ongevormde toestand van deze oneindige geest de eeuwige grondslag van al wat ooit in de schepping is gevormd en nog zal worden gevormd.

Aan het geopende geestesoog van mij als de ervarende menselijke geest deed deze oertoestand van die geest zich aanvankelijk aan mij voor als een geestestoestand, die als donkere koelte is te omschrijven. Deze oertoestand is een 'geestelijk donker' en een 'geestelijke koelte'. De geestestoestand van donkere koelte bleek samen te hangen met de diepste rust. Deze diepste rust verbond zich met mij als de ervarende geest en bracht ook mij in een overeenkomende toestand van diepe, innerlijke rust; maar daardoor ook in een toestand van het krachtigste, geestelijke zelfbesef en het meest verheven geluksgevoel.
De diepste rust en de donkere koelte waarin die rust zich uitdrukt, strekte zich voor mij als de ervarende geest uit in de eeuwige oneindigheid. Deze diepste rust deed zich aan mij voor als een eeuwig en oneindig wezen. Zij was ervaarbaar als een 'aanwezigheid' met een eigen zelfstandigheid, die mij liet delen in de vreugde van haar rust en het innige geluk van haar eigen geestestoestand.
Een zwakke benadering van de geestestoestand van de rust en haar donkere koelte is een er min of meer mee overeenkomende toestand van de aangenaam verfrissende, schaduwrijke koelte, zoals die buiten in de vroege ochtend vóór zonsopgang of onder het groene bladerdak van een boom op een warme dag, op aarde ervaarbaar is.

De beweging en zijn lichtende warmte
Verbonden met die ijle wereld nam ik als ervarende menselijke geest waar, dat als het ware 'binnen' de ongevormde oertoestand van de geest als de diepste rust en de donkere koelte waarin zij tot uitdrukking kwam, op zeker tijdstip een beweging begon. Deze beweging deed zich aan mij voor als een lichtende warmte. Het geestelijke licht dat voor mijn geestesoog verscheen, was een gouden licht, de geestelijke warmte een zachte, koesterende warmte.
Deze beweging en zijn lichtende warmte kwam door zelfopwekking voort uit de rust en haar donkere koelte. Hij was er het tegendeel van, de wederhelft. De beweging en zijn lichtende warmte was daarvóór in zijn tegendeel verborgen, ermee verenigd, was als opgelost in de rust en haar donkere koelte.
Na uit de rust en haar donkere koelte te zijn voortgekomen, bleek ook de beweging en zijn lichtende warmte zich voor mijn geestesoog uit te strekken in de eeuwige oneindigheid van deze nu heldere, ijle en vormenloze wereld. Ook de beweging en zijn lichtende warmte deed zich aan mij voor als een 'aanwezigheid', als een wezen met een eigen zelfstandigheid, die mij als menselijke geest in de vreugde van zijn beweging liet delen.
De beweging en zijn lichtende warmte in de oertoestand van de geest deed zich aan mijn geestesoog voor als een oneindige zee, maar dan als een zee van een gouden, geestelijk licht en een zachte, geestelijke warmte.

De vereniging
Nadat de beweging en de rust zich als ervaarbare zelfstandigheden aan mij hadden voorgedaan, verenigde de beweging en zijn lichtende warmte zich weer met zijn tegendeel, de rust en haar donkere koelte. Bij die vereniging doordrong de beweging de rust en liet de rust zich doordringen; het licht doordrong het donker en het donker liet zich doordringen; de warmte doordrong de koelte en de koelte liet zich doordringen.
Wat zich aan mij voordeed was een evenwichtige samenwerking van de tegendelen beweging en rust, die mogelijk was door hun doordringende en doordringbare eigenschappen. Hun gezamenlijke inspanning leidde opnieuw tot hun vereniging, met dit verschil dat daarbij nu de beweging en zijn lichtende warmte niet tot rust kwam, maar in beweging bleef en zo ervaarbaar was.

De nieuwe, beweeglijke eenheidstoestand
De tweeheid van beweging en rust vormde door hun vereniging opnieuw een twee-eenheid. Ook deze nieuwe eenheidstoestand hield het midden tussen beweging en rust, licht en donker, warmte en koelte. Ook in deze twee-eenheid matigden zij elkaar en hielden elkaar in evenwicht. Door deze vereniging van beiden ontstond er evenwel een geestelijke eenheidstoestand in een andere, nieuwe vorm. Aan mij als de ervarende geest deed deze nieuwe eenheidstoestand zich namelijk voor als een 'beweeglijke toestand', als een 'getemperd licht' en als een 'verkoelende warmte'(!).
In deze toestand werden de tegendelen geestelijke koelte en geestelijke warmte gelijktijdig door mij ervaren. Beide tegendelen waren in evenwicht met elkaar en te zelfder tijd aanwezig, en toch voor mij als onderscheiden ervaarbaar.
Doordat zij elkaar altijd in evenwicht houden, kan de donkere koelte van de rust niet een duistere koude worden en de lichtende warmte van de beweging niet een helle hitte. Doordat zij elkaar in evenwicht houden, kunnen de tegendelen niet tot hun uiterste, eenzijdige toestand vervallen. Hoe ver hun werkzaamheid ook van het midden verwijderd kan zijn, door hun eenheid zullen zij hun innerlijke evenwicht behouden; altijd zullen zij ook weer naar hun evenwichtstoestand in het midden terugkeren.

De omwisseling
De nieuwe eenheidstoestand deed zich weliswaar aan mij voor als de beweging en zijn lichtende warmte, maar dan als een beweging en zijn lichtende warmte die nu op zijn beurt de eigenschappen van de rust en haar donkere koelte in zich had opgenomen, in zich had opgelost. Er had een omwisseling, omkering of ompoling plaatsgevonden.
Daardoor was de onwerkzame, rústende oertoestand van de diepste rust en haar donkere koelte voor mijn geestesoog overgegaan in de werkzame, bewééglijke toestand van de beweging en zijn lichtende warmte in de nieuwe eenheidstoestand.
De ongevormde oertoestand van de geest deed zich daardoor ten slotte aan mij voor als een lichtende warmte, waarin de tweeheid van rust en beweging, van hun donkere koelte en lichtende warmte zich tot een nieuwe, en nu werkzame vorm van eenheid had verenigd: de goddelijke algeest.

Deze nieuwe, beweeglijke toestand werd met andere woorden gekenmerkt door een overwicht van de beweging en zijn lichtende warmte, terwijl nu de rust en haar donkere koelte de in hem verborgen kern vormde. Daarvóór werd de ongevormde oertoestand van de geest gekenmerkt door een overwicht van de rust en haar donkere koelte, terwijl de beweging en zijn lichtende warmte de in haar verborgen kern was.
De toestand waarin de tegendelen die binnen de geest aanwezig zijn, voorkomen, kan worden omgevormd tussen twee toestanden die ook weer elkaars tegendelen zijn: in een meer rustende, minder werkzame toestand waarin de rust overweegt en in een meer werkzame, beweeglijke toestand waarin de beweging overweegt. In de evenwichtige geest wisselen beweeglijke rust en rustige beweging elkaar voortdurend af. Wat plaatsvindt, is de ompoling van het stel tegendelen: rust en beweging in beweging en rust.

De 'geboorte' van de menselijke geest
Tijdens hun vereniging zag ik als het ware 'tussen hen in' een verdichting van het licht ontstaan in de vorm van een bolvormige wolk. Daarna stroomde er vanuit de omringende algeest geestelijke warmte naar de bol, die de bol doordrong en zich met het licht erin vermengde zoals in de algeest het geval is. Door die toestromende warmte, die ik als een innige liefde ervoer, kwam de bol van licht en warmte tot leven, doordat het licht en de warmte binnen de bol zacht begonnen te wervelen.
Mij, als de op dat ogenblik toeschouwende geest die het werd gegeven dit te mogen zien, werd ingegeven: ik ben getuige van de voortkomst van mijzelf als menselijke geest door verdichting uit en in de goddelijke algeest.

2. De geest in de gevormde oertoestand

God als vadermoeder
De algeest deed zich in de nieuwe, beweeglijke eenheidstoestand eerst aan mijn geopende geestesoog voor als de oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, zoals hierboven beschreven. Deze zee van licht en warmte was ontstaan door de vereniging van de oorspronkelijke rust en haar donkere koelte, en de beweging en zijn lichtende warmte, die beiden in hun wereld de allerhoogste zijn, zonder vormen.
In andere werelden verblijvend, hebben zij evenwel voor mijn geopende geestesoog een vorm aangenomen: die van de geestgedaante. In die persoonlijke, gevormde toestand verscheen de rust van de donkere koelte aan mij als: God als mijn moeder. De beweging van de lichtende warmte verscheen als: God als mijn vader. Zij verschenen voor mij in de vorm van de mannelijke en vrouwelijke geestgedaante, de menselijke gestalte, als hij en zij.

Zij verschenen nu niet in de oneindige ruimte van de algeest, maar in een andere wereld, een vaag begrensde, geestelijke ruimte in de algeest. Die begrensde ruimte was in tweeën gedeeld: een voorste en achterste deel. In het voorste deel was de lichtende warmte in de ongevormde toestand aanwezig, in het achterste de donkere koelte. De donkere koelte deed zich nu echter voor als een doorzichtige, schaduwrijke koelte.
In de voorste helft van die ruimte bevond zich God als mijn vader als geestgedaante in zijn lichtende warmte; in de achterste helft bevond zich God als mijn moeder als geestgedaante in haar schaduwrijke koelte. In het midden van die ruimte - tussen de donkere koelte en de lichtende warmte zoals ook de eerste keer - bevond ik mij, de menselijke geest als hun beider godenkind, ook in mijn geestgedaante; met het geopende geestesoog aanschouwde ik mijn goddelijke vader en mijn goddelijke moeder.

Ten opzichte van mij als hun godenkind bevond God als goddelijke vader zich réchts vóór mij; God als goddelijke moeder bevond zich línks áchter mij; ik moest mij omdraaien om haar te kunnen zien. Zij zijn als vadermoeder de ouders van hun beider kind, ik als de menselijke geest in hun midden. Het weten van God als mijn vader en moeder, en van mijzelf als hun godenkind, was een onmiddellijk en zeker weten.
Later zag ik dat beiden zich sierlijk naar mij als hun kind toebewogen. God als vader kwam in de lichtende warmte vóór mij staan, het gezicht naar mij toegewend, zichtbaar aanwezig. Tussen vader en kind was een zekere afstand, een bewegingsruimte. God als moeder kwam in de schaduwrijke koelte áchter mij staan, haar armen beschermend om haar kind, maar het toch vrijlatend; wel voelbaar aanwezig, maar niet zichtbaar. Tussen moeder en kind was nauwelijks afstand. Duidelijk werd door mijn ouders aan mij getoond: hun innige liefde, hun wezenlijke toegenegenheid.
Nog weer later zag ik dat wij drieën in een vloeiende beweging bij elkaar kwamen op de hoekpunten van een onzichtbare, gelijkzijdige driehoek op de vloer. Wij keerden ons naar elkaar toe; beschroomd keken wij elkaar een ogenblik aan en bogen daarna het hoofd naar de vloer. Duidelijk werd door de ouders aan mij als hun kind getoond: de wezenlijke gelijkwaardigheid én de hereniging. De beide ouders zijn in hun kind een nieuwe, uit hen beiden voortgekomen en daardoor aan hen gelijkwaardige eenheid geworden; maar altijd blijft ook het onderscheid tussen de vader, de moeder en hun beider kind.
In de eerst door mij ervaren nieuwe eenheidstoestand van de óngevormde oertoestand zoals hierboven beschreven, was de beweging van God als vader als het ware de 'buitenkant' en de rust van God als moeder de 'binnenkant'. In die ongevormde toestand waren beiden geheel in elkaar opgegaan en was God de vadermoeder, was 'hijzij' en 'hemhaar' (hoewel juist, zijn dit kunstmatige taalvormen; daarom zal verder worden gesproken over 'hij en zij' en 'hem en haar'). In de oorspronkelijke eenheids- toestand daarvóór waren beiden ook in elkaar opgegaan en was de rust van God als moeder als het ware de 'buitenkant' en de beweging van God als vader de 'binnenkant'. God was in die toestand de moedervader, was 'zijhij' en 'haarhem'.

Het goddelijke huwelijk

God als man en vrouw,
als tweelinggeesten
God als moeder in de gevormde toestand, als vrouwelijke geestgedaante, is de zichtbare uitdrukking van de rust en haar donkere koelte - zoals die zich in de oorspronkelijke, ongevormde oertoestand van de algeest aan mij voordeed. God als vader in de gevormde toestand, als mannelijke geestgedaante, is de zichtbare uitdrukking van de beweging en zijn lichtende warmte in die oorspronkelijke, ongevormde oertoestand.
Terugkijkend naar de eerste ervaring valt het volgende op te merken. God als vader, die nu met de beweging en zijn lichtende warmte overeen blijkt te komen, kwam aanvankelijk voort uit God als moeder, die in die oertoestand de rust en haar donkere koelte is. De moeder is in die oorspronkelijke toestand de bron van de vader, de moeder wil de vader, de moeder als donkere koelte 'baart' als het ware de vader als lichtende warmte, waardoor de ongevormde, beweeglijke toestand van de geest vrijkomt.
(Hiermee komt overeen dat in de baarmoeder de mannelijke vorm van de ongeboren vrucht zich ontwikkelt uit de vrouwelijke vorm, die als eerste voor beide geslachten wordt aangelegd.)
Vóór de moeder als bron werkzaam kon worden, was de vader in haar opgegaan tot de oorspronkelijke, rustende eenheid, die zich aan mijn geestesoog voordeed als de oorspronkelijke rust en haar donkere koelte. De vader wilde toen de moeder, de vader 'verwekte' als het ware de moeder door in haar op te gaan, waardoor de oertoestand van de rust en haar donkere koelte ontstond. De moeder en de vader, de rust en de beweging, 'baren' en 'verwekken' elkaars toestand.
Voortdurend willen zij zo elkaar en brengen zij elkaar afwisselend voort. Bij elkaar zijnde, brengen de beide geslachten elkaar voort en wekken elkaar op; bij elkaar zijnde, worden zij pas de werkzame tegendelen. De aanwezigheid van het vrouwelijke versterkt het mannelijke en omgekeerd; maar tegelijkertijd houden zij elkaar in evenwicht. Verkerend in de beweeglijke toestand van de tegendelen als vader en moeder, 'verwekken' en 'baren' zij vervolgens hun kind.
Dit verschijnsel van het in elkaar opgaan en elkaar weer loslaten doet zich niet alleen voor in de ongevormde toestand, maar ook in de gevormde toestand van de geestgedaante als de beide tweelinggeesten. Zij kunnen voorkomen in een toestand van eenheid, waarin zij in liefde in elkaar zijn opgegaan tot één persoon; en zij kunnen voorkomen in een toestand van verdeeldheid, als man en vrouw.

Het woord 'bron' is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'moeder', dat samenhangt met het Sanskriet 'mata': 'bron' en later in het Latijn 'mater' werd. De rustende grondtoestand van de geest is die van de moederlijke bron. De moeder is het zichzelf tot rust brengende aanzicht van de geestkracht. In die grondtoestand rust de vader in de moeder. Daardoor komt het paar van oertegendelen tot rust.
De vader is het zichzelf opwekkende, het zichzelf verwekkende, het zichzelf scheppende aanzicht van de geestkracht, die zich - door in beweging te komen - losmaakt uit de rust van de innige verbondenheid met de moeder. Het woord 'verwekker' is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'vader', dat samenhangt met het Sanskriet 'pitar': 'verwekker', in het Latijn 'pater'. Daardoor wordt het paar van oertegendelen weer werkzaam: de geest in de vorm van het mannelijke en vrouwelijke, het vaderlijke en moederlijke. Doordat zij nu werkzame tegendelen zijn, vullen zij elkaar aan doordat de een heeft wat de ander mist en omgekeerd. Daardoor willen zij elkaar, daardoor streven zij naar vereniging en evenwichtige samenwerking met elkaar, en vormen zij samen het goddelijke huwelijk. In dit goddelijke huwelijk:
- wil de een zich met de ander verenigen en omgekeerd,
- geeft de een de ander de vrijheid zichzelf te zijn en omgekeerd,
- zet de een zich voor de ander in en omgekeerd.

Daardoor ontstaat het levendige heen en weer gaan van aandacht en toewijding voor elkaar; en 'heen en weer gaan' is de betekenis van het Latijnse 'relatere': 'relatie'. Daardoor wordt het goddelijke huwelijk gekenmerkt door het leven van de evenwichtige trilling, de evenwichtige afwisseling tussen beweging en rust. Dit trillende leven van het goddelijke huwelijk van de goddelijke algeest zet zich in alle werelden voort en is de bron van het leven in alle geschapen vormen.
Wat trilt in de geest als levenskracht zijn de beide tegendelen in de geest: in de vorm van de vrouwelijke rust van God als moeder en de mannelijke beweging van God als vader. Deze oertrilling is de bron van al wat in de schepping trilt, leeft en bestaat en daardoor zijn overal in de schepping de mannelijke en vrouwelijke oereigenschappen van de algeest te herkennen. Als het mannelijke en vrouwelijke geen tegendelen meer zijn, houdt de trilling van het leven op te bestaan.

Dit samenspel van het mannelijke en vrouwelijke in God en overal in Gods schepping is het 'samenspel van de beide echtgenoten', de letterlijke betekenis van het oude woord voor 'huwelijk': 'huwen-laiks'. Daarin betekent 'huwen' de beide 'echtgenoten' en 'laiks': 'spel', 'dans'. Volgens de woordafleiding is het Gotische 'laiks' verwant met het Oudindische 'rejati': 'laten trillen', het Griekse 'elelizo': 'ik doe trillen' en het Latijnse 'relatere': 'heen en weer gaan'.
Door het heilige samenspel van het goddelijke mannelijke en vrouwelijke in de eerder beschreven beweeglijke eenheidstoestand van de algeest, kan de vader 'buiten' optreden als 'verwekker'. In die toestand rust de moeder in de vader, wordt de moeder door de vader gedragen. Daardoor kan de moeder, die 'binnen' is, de 'bron' worden, waaruit hun beider godenkind op geestelijke wijze wordt 'geboren', uit hen voortkomt als algeestvonk.
Waar een man en vrouw in liefde samenzijn, is de geboorte van hun beider kind een gevolg dat in hun natuur besloten ligt. Dit is mede een antwoord op de vraag wat de beweegreden is dat de menselijke geest is gevormd: niet alleen door de wens van de goddelijke algeest een 'ander' lief te kunnen hebben, maar ook door de liefde tussen het mannelijke en vrouwelijke binnen de algeest zelf.
Daardoor is de ware verhouding van de algeest tot die gewenste 'ander', die het doel van de schepping is, de verhouding van God als vadermoeder tot hun godenkind, de algeestvonk. De voor die verhouding noodzakelijke wederkerigheid is die van ouderliefde tot het kind en kinderliefde tot de ouders - en het kind is op zijn beurt weer een uitdrukking van de wederkerigheid tussen de ouders.
(De goddelijke algeest is in zichzelf wel volmaakt, maar niets kan de algeest verhinderen op deze wijze scheppend werkzaam te zijn.)

Het gezin

de godheid als vader en moeder,
zoon en dochter
Het goddelijke gezin dat door God en de mensheid wordt gevormd, is de kern van het al. Om het goddelijke gezin in liefde te verenigen, is er het feit van de schepping en de aanwezigheid van de menselijke geest daarin als leerschool voor geestelijke groei door middel van de geestelijke vermogens en de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen. De hierboven beschreven geestelijke waarnemingen, vormen samen met die van het voortkomen van de algeestvonk uit de algeest en andere, het uitgangspunt voor alle overwegingen binnen geestkunde.
God als vader denkt in een punt in zichzelf als de algeest de geestestoestand van de algeestvonk - de menselijke geest - door het licht in zichzelf te verdichten; God als moeder schenkt haar leven daaraan door de algeestvonk lief te hebben en met verwarmende liefde te doorstromen, waardoor de algeestvonk tot leven komt en een zelfstandig wezen wordt. Eerst vindt de vaderlijke verwekking plaats als een gedachte, daarna de moederlijke geboorte door die gedachte lief te hebben.
Door haar liefde komt de algeestvonk als levend wezen uit hen beiden voort: de geestelijke 'geboorte'. Vervolgens wordt de menselijke geest als algeestvonk voortdurend door God als vader gedacht, doordat hij dat denkbeeld in zichzelf met zijn geesteshand vasthoudt - de mens is in Gods hand. De menselijke geest wordt voortdurend door God als moeder in leven gehouden door op het vaderlijke denkbeeld in te werken, het met haar moederlijke liefde te doorstromen en zo met geestelijk leven te voeden. Door het oefenen van zelfbezinning en gebed kan de menselijke geest deze inwerking van geestkracht op zichzelf onmiddellijk ervaren. Het beeld van de moeder die haar kind de borst geeft en het zo voedt met haar bloed, dat in haar borst in moedermelk is omgevormd, is een rechtstreekse uitdrukking in de stof van dit verheven geestelijke gebeuren; zonder hetgeen de mens geen levend wezen zou zijn.


God als vader en moeder,
met hun godenkind
Het huwelijk van man en vrouw op aarde is een uitbeelding van het innerlijke wezen van God zelf. Het verschijnsel huwelijk is in de leerschool van het aardse bestaan aanwezig om aan de menselijke geest de gelegenheid te bieden met deze goddelijke verstandhouding vertrouwd te raken; in geen enkele andere levensgemeenschap gaan twee mensengeesten inniger en wezenlijker met elkaar om dan in het huwelijk.
Door op deze goddelijke wijze met een medemens om te leren gaan, oefent de menselijke geest tegelijkertijd het goddelijke leven in zichzelf. Want ook in de menselijke geest zelf zijn de mannelijke en vrouwelijke eigenschappen in de vorm van de geestelijke vermogens in aanleg als een innerlijk huwelijk aanwezig: het mannelijke denken en willen, het vrouwelijke waarnemen en voelen.
Door in het huwelijk die ínnerlijke verhouding ook als een úiterlijke werkelijkheid dagelijks te ervaren en ermee om te leren gaan, ontwikkelt de menselijke geest het overeenkomstige in zichzelf: wat leidt tot zelfverwerkelijking en uiteindelijk tot hereniging met God. Het huwelijk tussen het mannelijke en vrouwelijke is daardoor de meest verheven leerschool voor geestelijke groei (maar daardoor is het mislukken ervan in het tijdelijke bestaan of het overlijden van een van de echtgenoten, ook een van de ingrijpendste en pijnlijkste levenservaringen).

Om zich op eigen kracht op aarde te kunnen ontwikkelen tot zelfstandigheid, wordt de menselijke geest schijnbaar aan zichzelf overgelaten, schijnbaar zonder hulp of beloning. De menselijke geest ontwikkelt zich hier door met behulp van zijn geestelijke vermogens de gebeurtenissen te verwerken, die door de tijd als stroom van gebeurtenissen op de mens toekomen. Daardoor worden de vermogens omgevormd van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid. Uiteindelijk worden zij tot het geweten en de deugden.
Voor wie zich daarvoor wil openstellen, is er begeleiding vanuit de geestelijke wereld. Overal waar dat nodig is in zichzelf als de goddelijke algeest, vormt de algeest een verdichtingspunt als bolvormige wolk waar alle eigenschappen van de algeest in volmaakte vorm aanwezig zijn. In de gevormde toestand vormt deze geest een geestgedaante, waarin God als vader en moeder zijn verenigd: Gods heilige ('gehele') geest. Vanuit deze heilige geest gaan gedachten, gevoelens en wilsbesluiten in een menselijke vorm - Gods engelen - naar die mens (de nog naar volmaaktheid strevende mens), die bidt om begeleiding. Broeders en zusters in de geestelijke wereld begeleiden op dezelfde wijze de menselijke geest op aarde als die daarvoor openstaat.
De heilige geest is éénmaal in de persoon van Jezus bij de mensheid op aarde geweest.

terug naar de Inhoud








^