2  De verhouding tussen geest, ziel en lichaam


"De mens is een geestelijk wezen, dat, om werkelijk geestelijk te kunnen zijn, een lichaam nodig heeft."
Thomas van Aquino, filosoof en theoloog (1225-1274)

2.1 Rond de betekenis van de woorden 'geest' en 'ziel' bestaat veel begripsverwarring, o.a. veroorzaakt doordat tijdens het vierde Concilie van Konstantinopel in 870 werd bepaald dat de mens een 'rationele en intellectuele ziel' heeft (Canon 11). Sindsdien worden de begrippen 'geest' en 'ziel' met elkaar verwisseld of aan elkaar gelijk gesteld. Wat echter niet is veranderd, zijn begrippen zoals 'geestkracht', 'geestig', 'geestelijke vermogens' en 'geestelijke ontwikkeling'. De betekenis van het bijwoord 'zielig' maakt het gebruik van het zelfstandige naamwoord 'ziel' als 'persoon' zelfs twijfelachtig.
Kerkbestuurders hebben Canon 11 opgesteld, terwijl zij toch op de hoogte moeten zijn geweest van de wijze waarop bijvoorbeeld Paulus een juist gebruik maakt van de begrippen 'geest' en 'ziel' (zie voor een samenvatting van dit onderwerp in zijn brieven benedenaan deze pagina).
Tijdens de zelfbezinningsoefening zijn geest en ziel als twee afzonderlijke eenheden te ervaren, waarvan het wezenlijke overeenkomt met de oorspronkelijke, etymologische betekenis van beide woorden. Het lijkt daarom nuttig daar weer naar terug te keren en daar verder van uit te gaan.

2.2 Geest
De Oudnederfrankische taal vormt samen met Oudsaksisch en Oudfries de drie bronnen van de huidige Nederlandse taal. Het Oudnederfrankische 'geist' betekent niet alleen 'geest', maar ook 'opgewonden zijn'; de woordstam 'ghei-' betekent: 'aandrijven', 'bewegen' en 'heisteren': 'drukte maken'. In het Middelnederlands hangen de woorden 'geeste', 'geste' en 'yeeste' met elkaar samen. Het Engelse woord 'yeast' betekent nog altijd niet alleen het 'wezenlijke', maar ook 'gist'.
Het beeld van de werkzame geest hangt samen met de betekenis van 'gist'. Een gistende deegmassa zet uit, zwelt op en schuimt, en dat is een beeld van wat er met de geest gebeurt, als die door werkzaam te worden zijn innerlijke voortbrengselen om zich heen uitstraalt. 'Gist' betekent 'schuim' en het werkwoord 'gisten' betekent: 'schuimen', 'bruisen' en 'zieden'; maar ook 'hartstocht' en 'oproer', wat overeenkomt met de betekenis van 'geist'.
Het woord 'gist' hangt samen met het Oudindische 'yasyati': 'hij wordt warm', 'hij kookt', 'hij is woedend'. Voor het geestesoog wordt een woedende persoon inderdaad gekenmerkt door een heftige, onbeheerste bewogenheid van zichzelf als geest en van de uitstraling daarvan: de geest in die toestand 'bruist van leven', wat ook een betekenis is van 'gist'.
Voor mijn geopende geestesoog verscheen de geest als een 'witte, krachtig bruisende bron'. De betekenis van het woord 'geest' hangt daardoor ook samen met het IJslandse werkwoord 'geysa': 'gutsen', 'regelmatig met kracht uitstromen' (letterverwisseling als 'geest' en 'guts' komt regelmatig voor bij woordafleidingen) en met het IJslandse 'geyser': een 'uit zichzelf werkzame springbron'. De geyser als stoffelijk verschijnsel op aarde is een treffend beeld van de zelfwerkzaamheid van de geest, als die zich met regelmaat naar buiten toe bruisend uit en daarna weer in zichzelf terugvalt en tot rust komt.
Met de 'geest' als 'springbron' hangt ook de oorspronkelijke betekenis van het woord 'bron' samen (oude vorm: 'born'); het is afkomstig van het Gotische 'brunna', dat: 'opwellend water', 'bruisen', 'zieden' en 'branden' (vergelijk de 'branding' van golven) betekent. Het werkwoord 'branden' komt van het Gotische 'brannjan', dat 'opborrelen', 'zich heftig bewegen' betekent, wat de beweeglijke eigenschappen van de warmte en het licht binnen de zelfwerkzame geest nauwkeurig weergeeft; de geest kan bijvoorbeeld 'branden van ijver'. Het woord 'bron' hangt samen met het Latijnse 'fons' waar het woord 'fontein' van is afgeleid. De fontein is evenals de geyser een uitgesproken zinnebeeld van de geest.
Het woord 'geest' houdt bovendien verband met het Gotische 'usgeisnan', 'uitgeesten', met de betekenis van: datgene, wat kan 'uittreden' en zich in een geestgedaante aan het geopende geestesoog zichtbaar kan maken en dan schrik kan veroorzaken.
Hiervan uitgaande is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'geest':
-  het wezenlijke (datgene, wat het wezen is);
-  de uit zichzelf werkzame, levende bron, het van leven bruisende;
-  het brandende (het vuur);
-  datgene, wat (in onbeheerste toestand) kan woeden, hartstochtelijk kan zijn;
-  datgene, wat kan uittreden en daardoor blijk geeft een zelfstandige eenheid te zijn.

Ziel

g  de geest met zijn vermogens,
bron van de ziel
z  de ziel, uitstraling van de geest
Het Oudnederfrankische woord 'sela', 'ziel' hangt samen met het Gotische woord 'saiwala', met de betekenis: 'binnenzeetje', 'meertje', een verkleinwoord van het Gotische 'saiws': 'binnenzee', 'meer'. De 'ziel' hangt samen met de 'zee', met het water dat door een andere kracht kan worden bewogen: door de wind en door eb en vloed. De ziel als uitstraling deed zich aan mijn geopende geestesoog inderdaad als een soort 'binnenzeetje' voor: een waterachtig beweeglijke en bontgekleurde lichtruimte om de mens heen.
Het Oudnederfrankische 'sela' hangt ook samen met 'selitha' en het Gotische 'salida', die beide: 'woning', 'vertrek', 'zaal' betekenen. Een 'zaal' is een 'inwendige ruimte' in een huis met daarin de bewoner ervan; een van de betekenissen van het woord 'ziel' in het hedendaagse Nederlands dat hiermee samenhangt is: de inwendige ruimte van voorwerpen, zoals de ziel van een fles of van de loop van een kanon.
Een Middelnederlands woord voor een bepaald vrouwenkledingstuk, een nauwsluitend jasje, is: 'zieltje' of 'lijfje'. Het geestesoog ziet de ziel inderdaad als een soort lichtende bekleding, een gekleurde jas, een omhulling van de geest en het lichaam.
Het Gotische woord 'saiwala' hangt samen met het Oudgriekse 'aiolos' dat: het 'beweegbare', 'veranderlijke', 'fonkelende' betekent. Deze betekenis hangt weer samen met het Latijnse 'aura', dat 'uitwaseming', 'uitstraling', 'glans' betekent; het woord 'aura' is als leenwoord in het Nederlands de gangbare benaming voor 'ziel' als uitstraling van de mens geworden. Dit zijn voor het geopende geestesoog duidelijk herkenbare omschrijvingen van de ziel als uitstraling van de geest.
Hiervan uitgaande betekent het woord 'ziel': een woonruimte in de vorm van een beweeglijke, gekleurde uitstraling. Een uitstraling ('aura') kan alleen uit een bron afkomstig zijn. Deze bron woont zelf in de eigen uitstraling en kan die ook in beweging brengen. De bron van die uitstraling is de geest als 'het van leven bruisende'. Met andere woorden: de geest als bron is de oorzaak van de ziel als uitstraling, de zelfgevormde 'woning' van de geest.

Lichaam
Het woord 'lichaam' hangt samen met het Oudsaksische 'likhamo', dat is samengesteld uit het woord 'lik' of 'lijk', dat 'vlees' betekent en 'hamo' dat 'omhulsel' of 'hemd' betekent. Hiervan uitgaande betekent het woord 'lichaam': 'vleeshemd' of 'stoffelijk omhulsel'. Het is duidelijk dat zowel de ziel ('woonplaats', 'uitstraling') als het lichaam ('hemd') indertijd werden gezien als omhulsels van de geest.
Deze etymologische beschrijvingen van de betekenis van 'geest', 'ziel' en 'lichaam' komen volkomen overeen met wat met het geopende geestesoog in de geestelijke wereld kan worden waargenomen. Het lichaam als de stoffelijke vorm is het voertuig, waar de geest met de ziel, de uitstraling ervan, in kan afdalen. Vanuit het belangrijkste orgaan van het lichaam, de hersenen, woonplaats van de geest, kan de geest met de ziel het lichaam doorstralen en verder ook uitstralen in een bepaalde ruimte om het lichaam heen.

Ook in de bijbel wordt het bestaan van een onderscheid tussen geest, ziel en lichaam aangeduid, bijvoorbeeld in Hebreeën 4:12: Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten;
1 Tessalonicensen 5:23: En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven.
Paulus maakte het onderscheid blijkbaar nog wel (zie hier beneden voor meer teksten).

2.3 De geest is de scheppend werkzame vormkracht. De geest is de kracht die werkt, arbeid verricht en in beweging brengt door middel van zijn eigen vermogens. Het is de geest die met behulp van zijn geestelijke vermogens een geestelijke ontwikkeling doormaakt naar hereniging met de algeest.
De ziel is daarentegen de afgesloten holte, de binnenkamer, de binnenwereld, waarin de geest als middelpunt aanwezig is. De geest is de kern, de geest is het hart van de ziel.
Als de geest in zichzelf werkzaam wordt door middel van zijn vermogens, dan straalt de geest om zich heen een krachtruimte uit (Latijn 'aura': uitwaseming). De ziel is de van de geest als kracht uitstralende krachtruimte in de vorm van een ruimte die bewoonbaar en vormbaar is. In die ruimte kunnen door de geest denkbeelden worden afgedrukt en herinneringen vastgehouden en opgeroepen. Zij worden daar door de geest opgeroepen en bewerkt en verwerkt met behulp van zijn vermogens.

2.4 Sluit je je ogen, dan ben jij het, de op zichzelf onmerkbare levenskracht, die in de inwendige, duistere ruimte van je ziel kijkt met je geestesoog. Zeg je nu iets in jezelf, dan ervaar je jezelf als geest als de bron van de woorden, die je in jezelf spreekt én als de eenheid, die die woorden ook onmiddellijk zelf waarneemt met je geestesoor. Je bent je onmiddellijk bewust van de dingen, die je in jezelf verwoordt. Je ervaart jezelf daardoor als een bewuste eenheid.
Daarnaast ben je ook de oorzaak van een werking: de vorming van die woorden. Door die woordvormende werkzaamheid ervaar je jezelf als geest ook als een zichzelf verwoordende, zelfwerkzame en scheppende kracht. Je ervaart jezelf als geest daarom als een bewuste kracht, als een vormende kracht die zelfbesef heeft.

2.5 De ziel (aura) is een ijl, van jou als geest uitstralende, ruimtelijke krachtruimte die jou omhult. De ziel is aan de ene kant van binnenuit vormbaar door jou zelf als vormende kracht; maar aan de andere kant ook van buitenaf door de inwerking, door je zintuigen en je hersenen heen, van zintuiglijke indrukken. Jij als geest kunt in die ijle krachtruimte je denkbeelden afdrukken en herinneringen vasthouden; en door je zintuigen en je hersenen heen kan er van buitenaf een beeld van je omgeving in worden gevormd.
Door de zintuigen en zenuwen van je lichaam heen werkt die buitenwereld vormend in op je ziel, waardoor gegevens naar jou worden overgebracht doordat jij als geest ze vervolgens waarneemt. Omgekeerd kun jij de krachtruimte van je ziel beïnvloeden, waar doorheen je je wilsbesluiten vanuit jezelf kunt overbrengen naar de hersenen, i.h.b. de hersenschors en van daaruit naar de spieren van je lichaam. Zodoende kun je je in die buitenwereld uiten door je uitspraken en handelingen. De ziel als vormbare krachtruimte doet daarbij dienst als overdrachtsmiddel tussen het geestelijke en stoffelijke.


de ziel (aura): uitstraling van de geest
ontstaat door de werkzaamheid
van de geestelijke vermogens
en heeft de vorm van een torus
bron: B. Brennan, Licht op de aura
2.6 Een aantal onderdelen van de ziel is door de geest zover ontwikkeld, dat die de menselijke vorm hebben gekregen: de geestgedaante. In de vórm van de geestgedaante zijn de éigenschappen van de geestelijke vermogens tot uitdrukking gekomen. Deze geestgedaante kan stof vasthouden, waardoor die in de stoffelijke wereld als het lichaam zichtbaar wordt. Het lichaam is de vastgeworden, verstoffelijkte vorm van de geestgedaante. Het behoort geheel bij de stoffelijke, tijdelijke wereld en is daardoor onderworpen aan de invloeden ervan.

Hiernaast is een afbeelding te zien hoe het lichaam helderziend wordt gezien met daaromheen de ziel (aura) die vanuit de geest uitstraalt. De geestgedaante (hier niet getekend) bevindt zich in de geestelijke wereld op de plaats van het lichaam en heeft dezelfde vorm, aangezien het juist de geestgedaante is die hier het lichaam zijn vorm geeft en het handhaaft.
De ziel (of aura) is het kosmische ei waarbinnen de menselijke geest zich bevindt, die zich, door geestelijke te groeien, zelf door de beperkingen van het kosmische ei moet heenbreken om zich met zijn begeleiders te kunnen herenigen. Het kosmische ei is de sluier die er de oorzaak van is, dat de menselijke geest, in een stoffelijk lichaam verblijvend, niet helderziende is.
Barbara Brennan beschrijft in haar boek 'Licht op de aura' (zie punt 2) hoe bij veel mensen, die zich geestelijk ontwikkelen, óók herderziende is te zien hoe de geest als een lichtbol daardoor uitdijt en begint te stralen.
Dit is de enige plaats in de literatuur (naast Jozef Rulofs 'Het ontstaan van het heelal' blz. 58-66 en 243, zie aldaar) waar ik een beschrijving van de geest als lichtbol, bron van de ziel, ben tegengekomen.

Het lichaam is het stóffelijke omhulsel van jou als geest. Het is letterlijk je 'vlees-hemd', de betekenis van het oude woord 'lic-hamo'. Het is een omhulsel, dat je in dit stoffelijke bestaan gebruikt als een onmisbaar 'werktuig', wat de betekenis is van het woord 'orgaan'. Je kunt dat werktuig gebruiken om in dit bestaan aan de ene kant ervaringen op te doen met de stoffelijke wereld en in de omgang met je medemensen. Je kunt er aan de andere kant mee inwerken op je omgeving door je uitspraken en handelingen.
Het lichaam kan als werktuig en voertuig door de geest in beweging worden gebracht. Door middel van armen, handen en mond kun je het lichaam als werktuig gebruiken, door middel van benen en voeten als voertuig. Het woord 'hand' bijvoorbeeld heeft oorspronkelijk de betekenis van grijper en 'voet' hangt samen met vervoeren.
Aan het einde van je tocht door dit tijdelijke bestaan wordt het als voertuig door jou als geest verlaten; jij gaat terug naar je thuis in de geestelijke wereld en het lichaam moet aan de aarde worden teruggeven.

2.7 De ziel omvat een deel met inhouden, waarvan je je bewust bent doordat je het in je eigen binnenwereld kunt waarnemen: de bewustzijnsruimte. Dit is als het ware jouw inwendige gezichtsruimte. Het is het werkgeheugen, waarin zich die onderwerpen bevinden waarmee jij je op dat ogenblik bezighoudt. Zij omvat daarnaast een deel waarvan je je niet voortdurend bewust bent. Dat jou niet steeds bewuste deel is je geheugen.
Het geheugen is in de oorspronkelijke betekenis van het woord het 'geheel van gedachten', zoals 'gemoed' het geheel van gemoederen, gevoelens is. In dat geheugen bevindt zich een gedeelte dat ervaringen en kennis bevat die voor jouw waarneming toegankelijk zijn; en een gedeelte dat ontoegankelijk is. Dit laatste deel omvat vergeten inhouden en onaangename en daarom verdrongen inhouden: het ontoegankelijke deel van het geheugen.
Het geheugen bevat geen gevoelens, maar wel beelden van de omstandigheden waarin bepaalde gevoelens werden ervaren. Die gevoelens kunnen weer opnieuw door jou als geest worden ervaren door die beelden uit het geheugen weer 'voor de geest te halen' en ze zo waar te nemen.
In de stoffelijke vorm, die je tijdens je tijdelijke bestaan op aarde gebruikt, komen de eigenschappen van geest en ziel tot uitdrukking. Het geheugen als onderdeel van de ziel, komt in het lichaam tot uitdrukking in de hersenschors. In bepaalde gebieden daarvan is het geheugen te vinden in zijn stoffelijke vorm.

2.8 Richt je je aandacht op iets anders dan het onderwerp waar je op een gegeven ogenblik mee bezig bent, dan verdwijnt dat onderwerp in je geheugen, in je eigen uitstraling. Je blijft nu echter voorlopig weten dat het erin aanwezig moet zijn en dat je het, als je dat wilt, weer uit je geheugen tevoorschijn kunt roepen. Je kunt dat onderwerp later weer in je bewustzijnsveld brengen door er je aandacht op te vestigen en het zo met je geestkracht te belevendigen. Met andere woorden, als jij dat wilt, dan kun je je het onderwerp weer 'her-inneren', je kunt het opnieuw voor je geestesoog plaatsen en in je innerlijk opnemen door het waar te willen nemen.
Totdat je vergeet dat het in je geheugen aanwezig moet zijn. Vergeten is: je iets niet meer kunnen herinneren. Vergeten betekent niet, dat het onderwerp dan geen deel van je geheugen meer zou uitmaken! Hoewel het 'diep is weggezonken', blijf je het daarin voortdurend met je meedragen als een inhoud van je ziel, als een inhoud van jouw eigen uitstraling.



Inhoud

1. De opvatting van C.G. Jung
2. De opvatting van de theosofie
3. Het gebruik van 'geest' en 'ziel' in de brieven van Paulus
4. De opvatting over 'geest' en 'ziel' van Eckehart
5. Het gebruik van 'geest' en 'ziel' door Swedenborg
6. Uit De Huishouding van God van Jakob Lorber, deel 2, hfdst. 56
7. Uit Weg tot geestelijke wedergeboorte van Jakob Lorber
8. Uit Gemeenschap tussen ziel en lichaam van Emanuel Swedenborg
9. Uit Aforismen van Inayat Khan

1. De opvatting van C.G. Jung over de betekenis van het begrip 'geest' is de volgende:

De geest is, geheel in overeenstemming met zijn oorspronkelijke aard, n.l. als wind (pneuma), steeds het actieve, gevleugelde, in beweging zijnde, levenwekkende, opwekkende, prikkelende, aanvurende, inspirerende wezen. Modern uitgedrukt is de geest het dynamische. Daarom vormt hij de klassieke tegenstelling tot de stof, n.l. tot het statische, trage en levenloze daarvan. In laatste instantie gaat het om de tegenstelling tussen leven en dood.

Het is niet heel duidelijk waarom de hypothetische stof, die er tegenwoordig al zo heel anders uitziet dan dertig jaar geleden, alleen maar werkelijk zou zijn en de geest niet. De opvatting van de leek verbindt nog steeds de werkelijkheid met de stof, ofschoon het begrip van het onstoffelijke de werkelijkheid zeker niet uitsluit. Geest en stof zijn misschien wel verschillende vormen van een, op zich zelf beschouwd, transcendentaal zijn. De Tantristen zeggen b.v. met even groot recht, dat de stof niets anders is dan de gedachten van God, die vastheid hebben gekregen.
De enige directe werkelijkheid is de psychische werkelijkheid van de inhouden van het bewustzijn, die als het ware het etiket van hun of geestelijke of materiële afkomst dragen.
De geest bezit:
- ten eerste het vermogen uit zichzelf in beweging te komen en werkzaam te worden,
- ten tweede het vermogen en de vrijheid om beelden te vormen, die buiten de gewaarwording van de zintuigen staan,
- en ten derde het vermogen om zelfstandig met deze beelden te kunnen werken.

Bron: C.G. Jung - De symboliek van de geest

terug naar de Inhoud

2. De opvatting van de theosofie over het onderscheid is de volgende:

Theosofen maken in hun literatuur over de samenstelling van de mens gebruik van de verdeling van de menselijke natuur in een trichotomie, dat wil zeggen een verdeling in drieën, namelijk geest, ziel en lichaam, die in dit opzicht identiek is met de algemene, verchristelijkte theosofische indeling. Volgens deze trichotomie zijn deze drie delen in de mens:
- ten eerste en als allerhoogste, zijn goddelijke geest of goddelijke monade, die geworteld is in het Al, welke geest verbonden is met het Al en die in diep mystieke zin een straal van het Al is;
- ten tweede het tussenliggende deel of de spirituele monade, die in haar hogere en lagere aspecten de spirituele en de menselijke ziel is;
- ten derde het laagste deel van de samenstelling van de mens, zijn vitaal-astraal-fysieke deel, dat uit stoffelijke of kwasi-stoffelijke levensatomen bestaat, het lichaam.

In de theosofische filosofie bestaat er dus een duidelijk en belangrijk verschil in het gebruik van de woorden geest en ziel. De geest is het onvergankelijke element in ons, de onsterfelijke vlam in ons die nooit dooft, die nooit werd ontstoken en die gedurende het hele maha-manvantara (het wereldtijdperk waarin een heelal bestaat) zijn eigen aard, essentie en leven behoudt, en die in ons eigen wezen en naar onze verschillende gebieden bepaalde stralen of bekleedsels of zielen omlaag zendt, die wij zijn.
De goddelijke geest van de mens is verbonden met het Al en is in mystieke zin een straal van het Al.
Een ziel is een entiteit die door ervaringen is geëvolueerd; ze is geen geest, omdat ze een voertuig is van de geest. Ze manifesteert zich in de stof door middel van de lagere essentie van de geest, en door een substantieel deel daarvan te zijn. Als ze met een ander gebied onder of misschien boven haar in aanraking komt, is het verbindingspunt dat het mogelijk maakt dat het bewustzijn naar binnen of naar buiten treedt, een layacentrum.
De geest manifesteert zich in zeven voertuigen en elk van deze voertuigen is een ziel; dat bijzondere punt waardoor de spirituele invloed de ziel binnengaat, is het layacentrum, het hart van de ziel, of beter gezegd de top ervan - homogene zielesubstantie.
In kosmische zin zou geest alleen moeten worden gebruikt voor datgene, wat zonder voorbehoud tot het universele bewustzijn behoort en wat de homogene en onvermengde emanatie is vanuit het universele bewustzijn. In het geval van de mens is de geest in hem de vlam van zijn onsterfelijke ego, de directe emanatie van de spirituele monade in hem, en van dit ego is de spirituele ziel het omhulsel of voertuig of kleed. Als we meer in het bijzonder de aandacht richten op de menselijke beginselen, kunnen we zeggen dat, wanneer het hogere manas van de mens, dat zijn werkelijke ego is, onverbrekelijk is verbonden met buddhi, dat in feite het spirituele ego of de geest van het gestel van de individuele mens is. Zijn levensperiode duurt een heel kosmisch manvantara, waarna de emanatie in de goddelijke monade wordt teruggetrokken.

Bron: G. de Purucker, Occulte woordentolk, Theosophical University Press Agency

terug naar de Inhoud

3. Het gebruik van 'geest' en 'ziel' in de brieven van Paulus

Romeinen
1:9 Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk te allen tijde bij mijn gebeden uwer gedenk ...
8:16 Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.
8:17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.
11:8 Gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden.
12:10 Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld,
12:11 In ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here.

1 Korinthiërs
2:4 Mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht,
2:5 Opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God.
2:10 Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.
2:11 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods.
2:12 Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is.
2:13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken.
2:14 Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.
2:15 Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.
5:3 Want mijnerzijds heb ik, hoewel lichamelijk niet, maar naar de geest wel aanwezig, reeds, als aanwezig, vonnis geveld over hem, die op zulk een wijze zo iets heeft begaan.
5:4 Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Here Jezus,
5:5 Leveren wij in de naam van de Here Jezus die man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren.
7:34 Zowel zij, die geen man meer heeft, als de jongedochter, wijdt haar zorgen aan de zaak des Heren, om heilig te zijn naar lichaam en geest.
12:1 Ten aanzien van de uitingen des geestes, broeders, wil ik u niet onkundig laten.
14:12 Zo moet ook gij, omdat gij naar geestelijke gaven streeft, trachten uit te munten tot stichting van de gemeente.
14:13 Derhalve moet hij, die in een tong spreekt, bidden, dat hij het moge uitleggen.
14:14 Want indien ik bid in een tong, bidt mijn geest wel, maar mijn verstand blijft onvruchtbaar.
14:15 Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand.
14:16 Want anders, indien gij een zegen uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen spreken? Hij weet immers niet, wat gij zegt.
15:44 Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.
15:45 Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest.
15:46 Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke.
15:47 De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel.
16:18 Want zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt. Erkent dan zulke mensen.

2 Korinthiërs
7:1 Laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes en zo onze heiligheid volmaken in de hoogachting voor God.

Galaten
5:16 Dit bedoel ik: wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees.
5:17 Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees (want deze staan tegenover elkander) zodat gij niet doet wat gij maar wenst.
5:18 Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet.
5:24 Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.
5:25 Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden.
6:18 De genade van onze Here Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.

Filippenzen
1:27 Alleen, gedraagt u waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig blijf, ik van u moge horen, dat gij vaststaat in een geest, een van ziel medestrijdende voor het geloof aan het evangelie.
2:1 Indien er dan enig beroep [op] [u] [gedaan] [mag] [worden] in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is,
2:2 Maakt [dan] mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, een in liefdebetoon, een van ziel, een in streven.
4:23 De genade van de Here Jezus Christus zij met uw geest.

1 Tessalonicensen
5:17 Bidt zonder ophouden,
5:18 Dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u.
5:19 Dooft de Geest niet uit,
5:20 Veracht de profetieën niet,
5:21 Maar toetst alles en behoudt het goede.
5:22 Onthoudt u van alle soort van kwaad.
5:23 En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven.

2 Timotheus
4:22 De Here zij met uw geest. De genade zij met ulieden.

Filemon
1:25 De genade van de Here Jezus Christus zij met ulieder geest.

Andere brieven in het Nieuwe Testament

Hebreeën
1:14 Zijn zij (de engelen) niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?
4:12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten;
4:13 En geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.
6:19 Haar (de hoop) hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel,
6:20 Waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid.
12:2 Laat ons oog daarbij [alleen] gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods.
12:3 Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.
12:9 Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven?
12:10 Want zij hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Hij doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid.
12:22 Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen,
12:23 En tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben.

Jakobus
2:26 Gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.
De geest, die God in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid.

1 Petrus
1:9 Daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen.
1:10 Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben,
1:11 Terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna.
1:12 Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan.
1:22 Nu gij uw zielen door gehoorzaamheid aan de waarheid gereinigd hebt tot ongeveinsde broederliefde, hebt dan elkander van harte en bestendig lief,
1:23 Als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God.
2:11 Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel.
3:3 Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden,
3:4 Maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke [tooi] van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God.
3:18 Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest,
3:19 In welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis,
3:20 Die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten ...
4:5 Maar zij zullen daarvan rekenschap moeten geven aan Hem, die gereed staat om levenden en doden te oordelen. 4:6 Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wel, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.

1 Johannes
4:1 Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan.
4:2 Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God;
4:3 En iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld.

Openbaringen
1:9 Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het woord Gods en het getuigenis van Jezus.
1:10 Ik kwam in vervoering des geestes op de dag des Heren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, 1:11 Zeggende: Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten.

terug naar de Inhoud

4. Eckehart - In de preek 'Intravit Jesus in quoddam castellum' (Lucas 10:38)

Ik heb al vaker gezegd dat er in de ziel een kracht is die tijd noch vlees beroert. Hij stroomt uit de geest en blijft in de geest en is geheel en al geestelijk. In deze kracht is God groeiend en bloeiend in alle vreugde en alle eer, zoals hij in zichzelf is. Daar is zo'n innige vreugde en zo'n onbevattelijk grote vreugde, dat niemand daarvan uitputtend kan gewagen. Want in deze kracht baart de eeuwige Vader zonder ophouden zijn eeuwige Zoon, en wel zo dat deze kracht de Zoon van de Vader, en zichzelf als dezelfde Zoon, meebaart in de unieke kracht van de Vader.

terug naar de Inhoud

5. Emanuel Swedenborg - uit De Ware Christelijke Godsdienst

... des mensen gemoed is zijn geest of de mens, die leeft na de uittrede uit het stoffelijke lichaam. (WCG 1073)
De ziel is niets anders dan het leven van de mens, doch de geest is de mens zelf en het aardse lichaam, hetwelk hij in de wereld ronddraagt, is slechts het tenuitvoerbrengende, waardoor de geest, die de mens zelf is, ... handelt in de natuurlijke wereld. (WCG 1073)
Het menselijke gemoed (de geest) is een geestelijk organisme (werktuig), dat in een natuurlijk organisme (het lichaam) uitloopt, waarin en overeenkomstig hetwelk het gemoed zijn voorstellingen denkt of werkt. Ieder weet dat het hoofd met hersenen is gevuld en dat de hersenen georganiseerd zijn en dat het gemoed (de geest) daarin woont. (WCG 496)

terug naar de Inhoud

6. Jakob Lorber - uit De Huishouding van God, deel 2, hfdst. 56

[…] Want zie, tot nu toe was bij jullie allen het verstand van je hoofd voornamelijk het licht van je ziel, maar de eeuwig levende geest, die in het hart van de ziel woont en die het enige, ware, innerlijke, levende licht van het leven is, is bij jullie nog niet gewekt! Is deze echter niet gewekt, dan is het ook zinloos om in het hart te schouwen; want wat moet er dan wel gezien worden als daar geen licht is?! Of is er iemand die in een stikdonkere nacht ook maar een handbreedte voor ogen kan zien?!
Dat geldt dan ook des te meer voor het geestelijke schouwen in het eigen hart, waar niemand in staat is iets te onderscheiden als zijn geest niet van tevoren tot leven werd gewekt. Maar, zul je je nu afvragen, hoe en waardoor kan de geest dan gewekt worden? […]
Het enige middel om de geest op te wekken is dat jullie allen je in je hart, dat wil zeggen in de meest volkomen liefde, tot de allerheiligste Vader wenden, vol vertrouwen en vol gerechtvaardigde, onbaatzuchtige trouw. Wanneer je nu gewaar zult worden dat het in je hart steeds warmer en warmer wordt, sla dan acht op je hart; want dan wordt het licht ontstoken. En als dan jullie harten allemaal zullen ontbranden voor God, de heilige, liefdevolste Vader, schouw dan in jezelf en je zult de wonderen van het eeuwige leven daar in jezelf aanschouwen!

"Nichts ist dem Menschen heilsamer als eine zeitweilige innere Selbstbeschauung." Gr. Joh. Evang. 1-224

terug naar de Inhoud

7. Jacob Lorber - uit Weg tot geestelijke wedergeboorte

De geest van de mens is een volkomen evenbeeld van God en heeft in zich de vonk of het brandpunt van het goddelijke wezen. De menselijke geest heeft daardoor alles van God in zich.
Hij draagt het oneindige van het kleinste tot het grootste geheel naar goddelijke wijze in zich, ofwel hij heeft alles van God door zijn machtige liefde tot God als in één punt in zich verenigd (algeestvonk).

De geest is het eeuwige wezen als de alles scheppende kracht, die werkt door de liefde (voelen), het hoogste verstand (denken) en de levende vaste wil (willen); de werkzaamheid daarvan brengt als uitstraling de substantie van de ziel voort en geeft haar de vorm van het lichaam (geestgedaante).

De geest is zuivere liefde en het enig levende in de mens. Pas wanneer de liefde (voelen), het met de waarheid vervulde verstand (denken) en de wil geheel één zijn geworden (zelfverwerkelijking), dan is de mens ook tot de wedergeboorte van de geest uit God in zijn ziel gekomen (hereniging).

terug naar de Inhoud

8. Emanuel Swedenborg - uit Gemeenschap tussen ziel en lichaam, blz. 3

... om te leren kennen: wat en van welke aard het geestelijke is m.b.t. het lichaam, het natuurlijke;
met en van welke aard de menselijke ziel is;
wat de aard is van de invloeiing in de ziel en wat door deze in de waarnemende en denkende geest vloeit
en uit deze in het lichaam.
Het goede der liefde en het ware van het geloof vloeien de mens van God toe.
Zij vloeien in zijn ziel en worden merkbaar gevoeld in zijn gemoed (geest)
en vloeien uit het denken in woorden voort en uit het willen in daden.

terug naar de Inhoud

9. Inayat Khan - uit Aforismen

De mens is gemaakt uit de substantie (bouwstof) van God;
de mens is in God en alles, wat in God is, is in de mens.
Het verschil tussen geest en ziel is zoals het verschil tussen de zon en de zonnestraal. (de ziel is de uitstraling (de aura) van de geest)
De straal is de straal van de zon, en toch is de zon de zon en de straal de straal.
terug naar de Inhoud

naar deel 3: de geestelijke aanvangstoestand






^