De geestelijke ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid

en de daarmee samenhangende terugkeer van Jezus

Inhoud

1. Inleiding
2. Gods engelen
3. De geestelijke ontwikkeling van de mensheid
4. Het Aardetijdperk
5. Lemurië
6. Atlantis
7. Het heden (en de betekenis van de Mayakalender)
8. De toekomst
9. Vergelijking met Genesis
10. Literatuur


Voorwoord
Een inleidende overweging voor wat betreft het belang van het inzicht in de geestelijke ontwikkeling, die wij als mensheid in het verre verleden hebben meegemaakt. Uiteindelijk zijn wij daardoor geworden, wat we nú zijn. Alle verworvenheden, die we als een rijkdom hebben meegenomen uit onze eigen geschiedenis - doordat we alles wat we toen hebben meegemaakt, hebben verwerkt en ons eigen hebben gemaakt - bezitten we als de geestelijke ontwikkelingstoestand, waarin we ons nu bevinden.
Het heeft natuurlijk wel een zeker nut om je verleden te kennen, maar vooral omdat je het huidige bestaan daardoor leert zien in het licht van de eeuwigheid. Maar hoe het nou precíes is verlopen in de grijze oudheid, daarover bekommer ik mij niet zo. Het is wat dat betreft alleen van belang de grote lijnen te zien en nu verder te werken aan het verworvene uit die tijd: onze huidige ontwikkelingstoestand.
Alleen in het hier en nú is het de plaats en het tijdstip dat we verder kunnen werken waarmee we al zo lang bezig zijn geweest. Vandaar ook dat ik in mijn boek Geestkunde en ook op mijn website, vooral dat aanzicht van onze geestelijke ontwikkeling onder de aandacht breng.

1.Inleiding
Het begin van de ontwikkeling van de mensheid ligt bij de goddelijke algeest. Door het geestesoog gezien wordt de algeest gekenmerkt door alomtegenwoordigheid en daardoor door onbegrensdheid en oneindigheid. Door de eigenschap oneindigheid is er geen ruimte om de algeest heen. De algeest zelf is dus zonder ruimte, ruimteloos. Dat betekent dat er geen ruimte rondom de algeest is waar iets anders zou kunnen zijn, waar de algeest zelf weer uit zou kunnen zijn voortgekomen. Er is geen 'buiten de algeest' en er kan daardoor buiten de algeest geen oorzaak zijn, die zelf weer de bron is van de algeest. De algeest zelf is daardoor zonder oorzaak, oorzaakloos, m.a.w. de oerbron.
Tijd is een stroom van gebeurtenissen, die in een ruimte plaatsvindt. Als er geen ruimte is, is er ook geen tijd mogelijk, wat wijst op de tijdloosheid van de algeest. Daardoor is er ook niet een tijd vóór de algeest, waarin de algeest er niet zou zijn geweest; noch kan er daardoor een tijd na de algeest zijn, waarin de algeest weer in iets anders zou kunnen opgaan. De algeest wordt dus niet alleen gekenmerkt door ruimteloosheid, maar als gevolg daarvan ook door tijdloosheid. De algeest is niet alleen onbegrensd, maar ook eeuwig. De algeest wordt gekenmerkt door eeuwigheid en oneindigheid: de algeest is daardoor in wezen een 'eeuwige oneindigheid'.
Door die ruimteloosheid en tijdloosheid kan er zoals gezegd naast de algeest geen andere geest zijn. Het wezenlijke kenmerk van de algeest is daardoor, dat de algeest één is. Van de algeest is er maar één. De algeest is daardoor een volkomen zelfstandigheid . Maar daardoor moet de algeest alles in zichzelf overleggen en beslissen. Nooit kan de algeest bij iets of iemand anders te rade gaan. De algeest is daardoor ook volkomen zelfwerkzaam, volkomen uit zichzelf werkzaam. Naast de eeuwige oneindigheid zijn zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid daardoor wezenlijke eigenschappen van de algeest.
Die zelfwerkzaamheid hangt weer samen met de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. De eigenschappen van deze vermogens zijn als volgt in de algeest herkenbaar. De algeest doet zich aan het geestesoog voor als een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte kunnen zich in twee, tegenovergestelde toestanden voordoen, n.l. in een zelfvormende en een vormbare toestand. Die vormbaarheid van dat licht en die warmte hangt samen met het verschijnsel, dat dat licht en die warmte zich in een voortdurende toestand van levendigheid bevinden in de vorm van een werveling. Door die werveling kunnen er zich verdichtingen en verdunningen van licht en warmte voordoen, waardoor bepaalde plaatsen in de geest lichter en donkerder, en warmer en koeler kunnen zijn. Daardoor kunnen er zich in de algeest lichtbeelden en warmtetoestanden voordoen.
Met dit verschijnsel hangen de geestelijke vermogens samen. Als de geest waarneemt, bevindt het licht binnen de geest zich in een vormbare toestand, waardoor waarnemingsbeelden kunnen ontstaan en de geest zich er bewust van is, weet heeft van wat er binnen zichzelf gebeurt. Als de geest denkt dan is de geest als zelfscheppende vormkracht instaat uit zichzelf en in zichzelf lichtbeelden te vormen, wat dan denkbeelden zijn. Als de geest voelt dan laat de geest de warmtetoestand in zichzelf - wat de gemoedsgesteldheid is - vormen in overeenstemming met de gevormde beelden, waardoor de gemoedsgesteldheid door die beelden wordt gevormd en de geest kan meevoelen, meeleven met wat er in zichzelf gebeurt. Als de geest wil dan is de geest in staat de eigen warmtetoestand - wat dan een krachttoestand is - zodanig te verhogen, dat de geest als zelfwerkzame levenskracht uit zichzelf werkzaam kan zijn en zijn gedachten en gevoelens vorm kan geven.

De geest kan wat zijn vermogens betreft in een toestand van rust verkeren ('Jahweh': 'hij die is') maar ook in een toestand van werkzaamheid ('Jahweh': 'hij die doet zijn'). In de toestand van werkzaamheid wordt de aard van die werkzaamheid geheel bepaald door de eigenschappen van de geestelijke vermogens. Zij bepalen hoe de geest werkzaam is en wat er gebeurt.
Door de eigenschap van alomtegenwoordigheid voltrekt Gods werkzaamheid door middel van de geestelijke vermogens zich altijd binnen zichzelf als de goddelijke algeest. God bevindt zich eeuwig in een zelfbezonnen (waarnemende) en zelfwerkzame (willende) geestesgesteldheid. Dat betekent dat God altijd een zuivere, bewuste levenskracht is. Er is altijd een volkomen bewustheid van eigen werkzaamheid, een toestand van eeuwige zelfbewustheid en zelfwerkzaamheid. Daardoor vormt de goddelijke geest ook een duurzame eenheid van bewustzijn en kracht, van waarnemingsvermogen en wilskracht. De goddelijke algeest is een alomtegenwoordige, oneindige kracht, die eeuwig bewust is.

Wat de andere geestelijke vermogens betreft, kan de algeest overal in zichzelf in volkomen vrijheid denkend werkzaam zijn. Denken is een beeldvormende en beeldverbindende werkzaamheid, die zelfstandig in de geest kan plaatsvinden als de geest zichzelf in de denkende toestand brengt. Voor het scheppen van denkbeelden in zichzelf en voor de verbinding van die denkbeelden met elkaar is niet een andere geest, een andere persoon nodig. Dit in tegenstelling tot het voelen. Het voelen is juist een werkzaamheid waarbij er niet alleen sprake kan zijn van het vormen van een innerlijke gemoedsgesteldheid, maar ook van het vormen van een gevoelsband, een verbinding tussen twee geesten, twee personen. Het voelen als liefde gaat uit naar een ánder. Om te kunnen liefhebben, zijn er twee nodig.
Bovendien is het voor het instandhouden van de liefdesband noodzakelijk dat die twee personen gelijkwaardig zijn. Want alleen door gelijkwaardigheid kunnen en willen beiden zich op gelijke wijze inzetten voor het instandhouden van de onderlinge band. Alleen door die gelijkwaardigheid is de noodzakelijke wederkerigheid en daardoor evenwichtigheid mogelijk, die de liefdesband levend en gezond houdt.
Doordat de goddelijke algeest echter één is, bestaat er binnen de algeest aanvankelijk niet zo'n ander, waar Gods liefde naar uit kan gaan en van waaruit Gods liefde zou kunnen worden beantwoord. God zou weliswaar afbeeldingen van zichzelf kunnen scheppen om daar liefde naar uit te kunnen laten gaan, maar dat zou niet meer zijn dan eigenliefde.

Michelangelo - De schepping
Sixtijnse kapel
Om zelf lief te kunnen hebben is het voor God noodzakelijk een wezen of meerdere wezens te scheppen, die in aanleg de mogelijkheid bezitten te kunnen toegroeien naar een zodanige staat van zelfstan- digheid en zelfwerkzaamheid, dat daarmee een wederkerige liefdesband zou kunnen worden gevormd. Om lief te kunnen hebben is het noodzakelijk dat er een wezen wordt geschapen, dat uit zichzelf, uit eigen vrije beweging, God zou kunnen leren liefhebben om zo die noodzakelijke wederkerigheid tot stand te kunnen brengen.
Dat wij als menselijke geesten binnen de mensheid door God zijn geschapen, is dus een noodzakelijkheid, die samenhangt met die eigenschap van het voelen, die 'liefde' wordt genoemd: het streven naar saamhorigheid en samenwerking door onbaatzuchtige inzet en belangeloze toewijding voor een 'ander', die gelijkwaardig is.

Nu is wederkerigheid het krachtigst bij een band tussen twee tegendelen van elkaar. Als tegendelen bezit de een immers wat de ander mist en omgekeerd, waardoor zij elkaar willen aanvullen, zich tot elkaar aangetrokken voelen en zich voor elkaar willen inzetten. Daarom schiep God als de éne álgeest in zichzelf ons als de menselijke geesten als de oneindig véle geestvónken , de algeestvonken, die wij als menselijke geest binnen de mensheid zijn. Door de oneindigheid van het aantal is de mensheid toch gelijkwaardig t.o.v. de ene oneindige algeest, die God is.
Door het goddelijke denken - door de wijsheid van God als vader - schiep God weliswaar denkbeelden van zichzélf(!) die echter de goddelijke eigenschappen als kiem, als een aanleg in zich hebben. Door het goddelijke voelen - door de liefde van God als moeder - werden deze goddelijke denkbeelden met liefde en daardoor met leven doorstroomd en daardoor als godenkinderen geboren tot een zelfstandig bestaan. Doordat deze schepsels in de vorm van kinderen de goddelijke eigenschappen in áánleg als kiem bezitten, kunnen zij groeien en kunnen zij zich ontwikkelen tot die noodzakelijke, goddelijke staat van zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid die God zelf bezit en daardoor tot de noodzakelijke, wezenlijke gelijkwaardigheid. Uiteindelijk zullen zij hun goddelijke kinderliefde weer naar God als hun goddelijke ouders toe kunnen laten stromen en zo de noodzakelijke wederkerigheid tot stand kunnen brengen.
Het vormen van deze liefdesband tussen God en ons als Gods godenkinderen is het doel van de schepping. Het huwelijk van het goddelijke ouderpaar en het gezin als de oerleefgemeenschap, waar wij als mensheid deel van uitmaken, is daarmee de grondslag van de schepping. Doordat wij door verdichting van licht en warmte onmiddellijk uit de algeest zijn voortgekomen, blijven wij er onwrikbaar mee verbonden en blijven er ook eeuwig in bestaan. Daardoor behoren wij als algeestvonken tot de 'godheid', tot 'al het goddelijke'. Samen met God als onze vadermoeder vormen wij als Gods godenkinderen een onscheidbaar deel van de godheid.

Om de groei naar zelfstandigheid tot stand te kunnen brengen, was het noodzakelijk de menselijke geesten zelfgevoel te geven en ze in eenzelfde toestand te brengen als God zelf, de toestand van één-zijn. Daartoe vormde de goddelijke algeest in zichzelf een aantal werelden, waarin het trillingsgetal van de goddelijke geest als bewuste levenskracht trapsgewijs is verlaagd. Het licht van de algeest als bouwstof voor 'beelden' en daarmee als bouwstof voor de schepping, wordt in deze werelden steeds meer verdicht, waardoor de beelden voor ons steeds duidelijker waarneembaar worden. In deze stoffelijke wereld is het licht van de goddelijke algeest tot een zodanige toestand van rust verlaagd, dat daardoor het licht is gestold tot zichtbare en tastbare vormen - de toestand die wij hier de stoffelijke, tijdelijke wereld noemen. Dit is er de oorzaak van dat in de formule E=mc2de lichtsnelheid c voorkomt.

In deze stoffelijke wereld zijn wij het verst verwijderd van ons tehuis, de goddelijke sfeer waar wij als godenkinderen zijn geboren. Hier beleven wij een schijnbaar van God afgescheiden bestaan, doordat wij als geest zijn opgesloten in een stoffelijke vorm. Daardoor beleven wij als geest hier het één-zijn, het zelfstandig-zijn.
Die toestand van schijnbare afgescheidenheid is noodzakelijk om ons keuzevrijheid te geven en ons in de gelegenheid te stellen in vrijheid te kiezen voor geestelijke groei en ons op eigen kracht te laten toegroeien naar geestelijke zelfstandigheid. Alleen datgene, wat wij op eigen kracht in onszelf hebben ontwikkeld, wordt ook werkelijk ons eigendom als een persoonlijke, onvervreemdbare eigenschap. Daarom worden wij in dit bestaan geboren in een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid. Alleen daardoor verkeren wij in de gelegenheid dat wij op eigen kracht onszelf kunnen ontwikkelen door het gebruik dat wij van onze vermogens maken om te vormen van onbewustheid en onbeheerstheid naar bewustheid en beheerstheid.
Alleen vanuit een aanvangstoestand van onbewustheid en onbeheerstheid kun je zélf jezelf verwerkelijken. Alleen vanuit een aanvankelijke onwetendheid kun je zelf en op eigen kracht en uit eigen vrije keuze kennis en inzicht verwerven. Alleen vanuit een aanvankelijke onbeheerstheid kun je zélf leren jezelf te beheersen. Als je alles al hebt, kun je het niet meer zelf verwerven. Alleen vanuit een aanvangstoestand, waarin al je vermogens slechts in áánleg aanwezig zijn, kun je op eigen kracht jezelf verwerkelijken en zelf je vermogens leren gebruiken en beheersen. Alleen wat je op die manier zelf hebt verwerkelijkt, wordt en blijft jouw eigendom.
De bijzondere opdracht die wij onszélf hebben gesteld is dus om op eigen kracht de geestelijke vermogens, die onze wezenlijke eigenschappen zijn en die vanuit God in onze aanleg aanwezig zijn, tot ontwikkeling te brengen, tot werkelijkheid te maken door ze te leren beheersen en zo onze geestelijke zelfstandigheid te verwerkelijken.

Juist omdat wij dat op eigen kracht moeten doen opdat het ook onze eigen verdienste is, moeten wij op die weg, zij het op onmerkbare wijze, toch worden geholpen, omdat wij immers door onze afgescheidenheid onwetend zijn geworden. Wij zijn onbewust van onze zelfgestelde taak en van het doel van onze tocht door dit tijdelijke bestaan, om reden dat wij volstrekt vrij moeten zijn.
Om ons te helpen dat doel te bereiken, worden wij op die tocht onmerkbaar begeleid door Gods engelen en door Gods heilige geest. Zij zorgen ervoor dat de omstandigheden, die in de tijd als stroom van gebeurtenissen op ons toekomen, leerzame omstandigheden zijn, die ons díe levenservaringen geven die wij met onze geestelijke vermogens zelf kunnen verwerken. Omdat wij daarvoor onze vermogens bewust en beheerst moeten gaan gebruiken, oefenen wij ons in het zelfstandige gebruik ervan, waardoor wij ze leren beheersen en zo onze geestelijke zelfstandigheid verwerkelijken. Eigen ondervinding is immers de beste leermeester; eigen ondervinding met de gevolgen van de vrije keuzes die wij hebben gemaakt.

Sommige geesten lieten zich leiden door de engelen en maakten vorderingen met hun geestelijke ontwikkeling, anderen hechtten zich echter aan hun zelfgevoel en verzetten zich. De gewilligen ontwikkelden zich en door hun geestelijke groei begonnen zij licht uit te stralen, waardoor zij in de geestelijke wereld de werelden van licht begonnen op te bouwen, al naar hun graad van ontwikkeling: de hemelen.
Anderen bleven steken in hun zelfgevoel, waardoor zij zelfzuchtig werden. Zij ontwikkelden wel, maar hielden alles voor zichzelf, waardoor de gemeenschapszin niet tot ontwikkeling kwam en zij geen geestelijk licht uitstraalden. Zij bouwden in de geestelijke wereld de duistere gebieden op: de hellen. Op een gegeven tijdstip hadden zij zich door hun zelfgerichtheid zozeer van het al afgezonderd, dat zij verloren dreigden te gaan voor hun groei naar hereniging met God. Zij konden zich op eigen kracht niet meer uit hun zelfgerichte toestand in de duistere gebieden bevrijden.
Om hen weer met de ontwikkeling van de mensheid te verbinden, was het noodzakelijk dat de algeest in de vorm van de heilige geest persoonlijk naar de aarde kwam om zelf een bestaan op aarde door te maken. Alleen daardoor kon Gods heilige geest de juiste geestesgesteldheid aannemen om de verbinding met de onwilligen tot stand te brengen om hen weer bij de ontwikkeling van de mensheid te betrekken. Een ontwikkeling die door zelfverwerkelijking leidt tot hereniging, waardoor wij als Gods godenkinderen volwassen worden en een liefdesband vormen met God.

terug naar de Inhoud

2.Gods engelen
De kern van het al is de algeest. Bij de algeest in de ongevormde oertoestand van rust zijn er geen tegendelen werkzaam en daardoor kan er niet iets worden onderscheiden. De algeest in de toestand van rust is daardoor de uiterste eenvoudigheid, de toestand van éénheid.
De algeest in de daarop volgende toestand van beweging is als de 'bewuste levenskracht' de levenskracht, die bewust kan zijn. De algeest komt in de bewuste kracht tot uitdrukking als de tweevoudigheid, de toestand van twééheid. Daardoor is er sprake van een twee-eenheid van bewustzijn en kracht.
Die bewuste kracht doet zich in de geestelijke wereld aan het geestesoog voor als geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee in volgorde het bewustzijn en de kracht samenhangen. Dat licht en die warmte kunnen zich in twee, tegenovergestelde toestanden bevinden: in een vormbare en in een zelfvormende, zelfscheppende toestand. Met het feit dat licht en warmte zich in die vormbare en zelfvormende toestand kunnen bevinden, hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken is zelfvormend licht, voelen is vormbare warmte en willen is zelfvormende warmte.
Zo doet de innerlijke werkzaamheid van de algeest zich voor als een viervoudigheid, als een vier-eenheid. Maar het bijzondere is dat de algeest zelf in de gevormde toestand zich in de geestelijke wereld voordoet als een dríevoudigheid, als een drie-eenheid. Deze drie-eenheid verschijnt als drie volkomen gelijke geestgedaanten, als drie 'personen'. Daardoor komt - verwarrend genoeg - meer de nadruk te liggen op hun zelfstandigheid en minder op hun eenheid.

Deze drievoudigheid ontstaat doordat de algeest in wezen zoals gezegd de 'bewuste kracht' is. De algeest is een kracht en met die kracht hangt het willen samen, terwijl die kracht de bijzondere eigenschap heeft zich bewust te kunnen zijn en wel door het waarnemingsvermogen. De kracht als warmte straalt binnen zichzelf het licht uit, waardoor ín die kracht het zich bewust zijn mogelijk is.
Doordat in God als de algeest alles zich bínnen de goddelijke algeest afspeelt, gebeurt alles binnen de bewuste kracht die God is, waardoor het waarnemen geen afzonderlijk op zichzelfstaand vermogen is, zoals bij de menselijke geest. In de algeest blijft het 'zich bewust kunnen zijn', het waarnemen, in de oorspronkelijke eenheid met de geestkracht, het willen, voortbestaan. De algeest blijft bij de oertoestand van eenheid. Doordat het heelal zich binnen de goddelijke algeest afspeelt, is de goddelijke geestesgesteldheid voortdurend die van de zelfbezonnen geestesgesteldheid.
Als God echter werkzaam wil worden, dan is daar wel het goddelijke denken bij nodig als beeldvormende werkzaamheid, terwijl het goddelijke voelen nodig is om het denkbeeld tot leven te kunnen brengen. Met andere woorden, binnen de eenheid van de bewuste kracht die God is als algeest, wordt gedacht en gevoeld. De goddelijke drievoudigheid in de vorm van de drie-eenheid, bestaat daardoor uit het waarnemen-willen, het denken en het voelen. Eén van deze eigenschappen binnen de drievoudigheid is zelf dus weer twee-voudig: het waarnemen-willen.

Hildegard van Bingen
de negen engelenreien
Dit is er de oorzaak van dat God zich aan het helderziende geestesoog in de geestelijke wereld voor kan doen in de vorm van drie geestgedaanten, die volkomen aan elkaar gelijk zijn. Deze drievoudigheid is er ook de oorzaak van dat er van God uit drie stappen van verdichting zijn die voeren tot de menselijke geest die als de algeestvonk op aarde is.
Deze víer geestelijke vermogens in de vorm van de dríe-eenheid zetten zich voort in de eigenschappen van Gods engelen. Zij worden weliswaar gekenmerkt door die drie-eenheid als verschijningsvorm, maar daarin zijn de eigenschappen van de vier vermogens wel herkenbaar.
Wat vervolgens de 'Drie-eenheid' wordt genoemd, is van een andere orde. In wat de 'Drie-eenheid' wordt genoemd als de Vader, de Zoon en de heilige Geest, vertegenwoordigt de 'Vader' de toestand van de algeest, de heilige geest is de toestand waarin de algeest zich in de gevormde toestand voordoet als een geestgedaante, terwijl de Zoon de toestand is, waarin de heilige geest van God eenmalig in een stoffelijke vorm op aarde is geweest, geboren uit de maagd Maria, doordat de heilige geest zelf de kiem van die stoffelijke vorm in haar schiep. Van tevoren zei de heilige geest van God tegen Maria 'Jezus' te willen worden genoemd.

Om Gods godenkinderen, de mensheid, te kunnen begeleiden op hun ontwikkelings- weg naar geestelijke volwassenheid, door zelf hun vermogens tot ontwikkeling te brengen, drukt God zichzelf uit in Gods engelen. Deze engelen zijn een weergave van de eigenschappen van de goddelijke vermogens. Zij zijn voor het geestesoog zichtbaar als een gedaante, de geestgedaante, die de menselijke gestalte heeft. Langs drie trappen van verdichting, drie trappen van vermindering van de geestelijke trillingssnelheid, kunnen Gods engelen, Gods krachten, tot de menselijke, kinderlijke geestesgesteldheid afdalen en zich met de groei van de mens bezighouden. Dat doen zij door met gedachten en gevoelens op de mens in te werken en zo langzaam maar zeker, door de werkzaamheid van hun eigen eigenschappen op de mens over te brengen, het overeenkomstige in de mens zelf tot leven te wekken; waarbij overigens de keuzevrijheid van de mens gewaarborgd blijft. Verder laten zij de omstandigheden op aarde zodanig verlopen, dat zich in de tijd als stroom van gebeurtenissen steeds leerzame ervaringen aan de mens voordoen.


Sandro Botticelli (1445-1510)
illustreerde Dantes La Divina Commedia
zijn afbeelding van de negen engelenreien
Door middel van de engelen als Gods eigen krachten houdt God zelf zich al denkend en voelend met de loop van de schepping bezig. God leidt de schepping op onmerkbare wijze door die gebeurtenissen te laten ontstaan, die noodzakelijk zijn voor de groei van de menselijke geest. In het Grieks wordt daarom gesproken van 'angelos', wat boodschapper betekent, terwijl in het Hebreeuws wordt gesproken van 'malak Jahweh', dat 'kracht Gods' betekent.
Samengevoegd is hier dus sprake van een 'bewuste kracht' die van God uitgaat. In India wordt gesproken van 'dhjany chohans', wat 'geesten die de schepping overdenken' of 'geesten, die zich bezinnen op de schepping' betekent. Het zijn dus krachten die Gods plan met de schepping vertegenwoordigen en dat plan ter plaatse uitvoeren.

In de eerste stap van verdichting doet de goddelijke werkzaamheid zich voor in het eerste drietal engelen als de Ofanim, het waarnemen-willen, de Serafim, het voelen en de Cherubim, het denken. Het Hebreeuwse 'ofan' betekent namelijk handelen; 'seraf' betekent branden van liefde (De serafijnen zijn de 'vlammen-geesten' volgens Jesaja 6, 1 vv) en 'cherub' betekent grijpen of begrijpen. De ofanim worden in het visioen van Ezechiël beschreven als 'wielen' (met de betekenis kracht, bewegen, handelen) die 'ogen' bezitten. M.a.w. deze wielen met ogen verzinnebeelden een kracht, die zich door waar te nemen van iets bewust kan zijn. De ofanim zijn weliswaar een eenheid, maar bestaan toch uit de genoemde tweeheid: de tweeheid als de bewuste kracht die de geest is. Zodoende zijn zij er de oorzaak van dat God in werkzame toestand zich weliswaar in de vorm van de drieëenheid van drie engelen aan ons voordoet, maar tegelijkertijd ook door een viervoudige werkzaamheid wordt gekenmerkt: die van de vier geestelijke vermogens.

Doordat God de algeest is, zijn er voor de goddelijke geest niet de twee instellingswijzen, de in- en uitgekeerde instelling, zoals bij de menselijke geest. Alles gebeurt immers ín God, binnen de algeest. Vandaar dat de werkzaamheid van de goddelijke geest wordt gekenmerkt door het drietal (en het viertal), en niet zoals bij de mens door het zevental: de zevenvoudigheid. Hier wordt het verschijnsel zichtbaar van de mogelijkheid, dat de vermogens een zekere graad van zelfstandigheid kunnen hebben, maar ook samengesteld kunnen zijn, met name bij de eenheid van het waarnemen en willen in de ofanim.
De daarop volgende stap is het drietal van de Heerschappijen, de Krachten en Machten, terwijl de laatste stap die der Engelenvorsten, Aartsengelen en Beschermengelen is. De laatsten houden zich in het bijzonder bezig met de mens als persoon, terwijl de anderen zich bezig houden met groepen, steden of volkeren en alleen in bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij mystici) met personen.

waarnemen/willen denken voelen
orde 1 Ofanim Cherubim Serafim
orde 2 Krachten Heerschappijen Machten
orde 3 Engelenvorsten Aartsengelen Beschermengelen

Deze engelen als Gods krachten en boodschappers begeleiden de mens op zijn geestelijke ontwikkelingsweg, die de mens eerst naar beneden voert naar een toestand van volkomen afgescheidenheid tijdens het middelste tijdperk, dat van de tegenwoordige Aarde; daarin kan de mens - schijnbaar zonder hulp of beloning - zelf zijn eigen zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid tot ontwikkeling brengen. Zoals gezegd wordt de mens daarbij onmerkbaar begeleid door Gods engelen. Het doel is dat de mens op weg naar boven kan toegroeien naar hereniging met God door met God een liefdesband te vormen. Zelfverwerkelijking en hereniging zijn daarom de beide kernbegrippen van geestelijke groei.

Gustaf Doré (1832-1883)
illustreerde Dantes La Divina Commedia
zijn afbeelding van het Empyreum
De goddelijke algeest wordt zoals gezegd door drievoudigheid gekenmerkt. Doordat God de algeest is, zijn er voor de goddelijke geest niet de beide instellingswijzen nodig, zoals bij de menselijke geest. Alles gebeurt immers ín God, binnen de algeest. Vandaar dat de werkzaamheid van de goddelijke geest wordt gekenmerkt door het drietal en het viertal, en niet zoals bij de mens door het zevental in de vorm van de zevenvoudigheid.
Worden de vier vermogens in de ménselijke geest werkzaam, binnen de bolvormige wolk van licht en warmte die de menselijke geest is, dan kan die werkzaamheid zich geheel bínnen de geest afspelen, wat de ingekeerde instelling is of zich naar búiten richten, wat de uitgekeerde instelling is. Daardoor komt er bij de menselijke geest iets heel wezenlijks bij, verschillend van de algeest, namelijk de beide instellingswijzen. Maar bovendien komt er ook een aanduiding bij voor de 'geest als geheel', als de eenheid van de met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende tegendelen in die bolvormige wolk. Dit is nodig om de persoonlijke zelfstandigheid, eenheid en eigenheid te kunnen bewaren ten opzichte van alle ander geesten, doordat de menselijke geest zich door de uitgekeerde instelling in de buitenwereld zou kunnen verliezen en ook eenzijdig zou kunnen worden door de eigenschappen van de tijdelijke persoonlijkheid. Dit is iets, wat bij de algeest niet nodig is, daar de algeest niet anders kán zijn dan één.
Bij de menselijke geest als algeestvonk, als vonk in de algeest, doet zich daardoor een zevental van kerneigenschappen voor: de geest als geheel, de vier vermogens en de beide instellingen. Dit is een beschrijving van de 'oertoestand' of 'rusttoestand' van de vermogens, waarin de vermogens zelf in een enkelvoudige, niet samengestelde toestand verkeren (zie de 'negenvoudigheid', waarin de vermogens in een samengestelde toestand verkeren). De zevenvoudigheid van de vermogens is er de oorzaak van dat als de menselijke geest zich gaat ontwikkelen, er ook sprake is van een zevenvoudige opgang naar de goddelijke algeest.

De mysticus Jacob Boehme beschrijft de menselijke geest als de 'zevengeest'. Hij ziet de geest als een eenheid van zeven wielen, die door elkaar draaien in één naaf. Gezamenlijk vormen zij een bol. Bovendien bezit ieder wiel alle zeven eigenschappen van de geest, maar heeft in ieder wiel één van de vermogens de nadruk. In de astrologie vertegenwoordigt de Zon de geest als geheel, de Maan het waarnemen, Mercurius het denken, Venus het voelen, Mars het willen, Jupiter de uitgekeerde en Saturnus de ingekeerde instelling.
Doordat de geest altijd dat geheel van met elkaar samenwerkende en elkaar aanvullende tegendelen is, doen de eigenschappen van de menselijke geest zich in deze toestand voor als de vermogensbol. De tegendelen worden in die bol als een schema zichtbaar. Deze vermogensbol beschrijft de geest als het geheel van vermogens op een beschouwende, 'theoretische' wijze. Het is een beschrijving van de 'oertoestand' of 'rusttoestand' van de vermogens in een enkelvoudige toestand.

God als algeest kan zich aan ons voordoen in de vorm van Gods engelen of als Gods heilige geest. De engelen zijn een uitdrukking van de gedachten, gevoelens en wilshandelingen, die God in zichzelf vormt en naar die plaats binnen zichzelf toestuurt, waar de werkzaamheid ervan nodig is voor de groei van de menselijke geest. Deze gedachten en gevoelens verschijnen in de vorm van de engelachtige geestgedaante en bezitten een zekere zelfstandigheid.
Overal in zichzelf waar het nodig is om de mens als Gods godenkind op zijn weg te begeleiden, kan God als algeest zich voordoen als heilige geest, als een uitbeelding van zichzelf. Deze uitbeelding is en weergave van het geheel dat God als algeest is en verschijnt ook in de vorm van de geestgedaante. Zoals God de mens - ook een uitdrukking van zichzelf - in zichzelf door verdichting kan vormen als een algeestvonk, die als aanleg de mógelijkheid heeft uit te groeien tot volmaaktheid, zo kan God als de algeest zichzélf ook onmiddellijk uitdrukken in zo'n algeestvonk. In deze vonk, die ook in de vorm van de geestgedaante verschijnt, is de volheid en volmaaktheid van de algeest onmiddellijk aanwezig. De volheid is rechtstreeks met deze algeestvonk verbonden en komt erin tot uitdrukking. Het is de algeest in de toestand van de algeestvonk. Deze geest is daardoor van meet af aan volmaakt, 'heel' of 'heilig'; het is Gods 'heilige' geest - in tegenstelling tot de nog onvolmaakte, want zich nog ontwikkelende geest die de menselijke geest is.


Maria met Jezus
onderschrift: Onze Lieve Vrouw
van Altijddurende Bijstand
kapel in de Georgiuskerk, Terborg
Deze heilige geest van God is door de maagd Maria heen neergedaald in een stoffelijke vorm, Maria's kind, en werd, op aanwijzing van de heilige geest zelf, Jezus genoemd. De naam Jezus is afkomstig van 'Jehoshua' of 'Jehova shua', wat 'God redt' betekent. Het verschijnen van Gods heilige geest als persoon op aarde was noodzakelijk om hen, die door hun zelfgerichte houding voor de schepping verloren dreigden te gaan, te redden. Om hen te kunnen bereiken in hun eigen sfeer moest Gods heilige geest met hun geestesgesteldheid worden verbonden. Daartoe liet Gods heilige geest zich tot het uiterste vernederen door hún dood, de schande van de kruisdood, te ondergaan en als een misdadiger te sterven. Alleen daardoor kon Gods heilige geest vervolgens afdalen in de hel en de verbinding met hen, die door hun zelfzucht daar verloren dreigden te gaan, herstellen.
Ook hier is sprake van een drie-eenheid, namelijk die van de Vader, de Zoon en de Heilige geest, maar dan een drie-eenheid van verschillende geestesgesteldheden. Het is de algeest 'in de vorm van' drie verschijningsvormen van de geest: de Vader als de algeest, de Heilige geest als een persoonlijke uitdrukking daarvan en de Zoon als de toestand waarin Gods Heilige geest in een menselijk lichaam op aarde verkeerde.

terug naar de Inhoud

3. De geestelijke ontwikkeling van de mensheid (Saturnus, Zon, Maan)
De geestelijke groei van mens en mensheid loopt over zeven grote trappen, zeven tijdperken. Deze tijdperken zijn zelf weer onderverdeeld in zeven kleinere tijdvakken en deze weer in zeven beschavingen. In het eerste tijdperk begint de ontwikkeling in het eerste tijdvak in de eerste beschaving daarvan. Eerst worden alle zeven beschavingen van een tijdvak doorlopen, dan op dezelfde wijze de overige tijdvakken, waarna dat tijdperk wordt afgesloten en op het volgende wordt overgegaan.
Er vindt in deze kringlopen een voortdurende herhaling plaats. Steeds komen de eigenschappen van de zeven tijdperken op overeenkomende wijze in de zeven tijdvakken en zeven beschavingen terug, alleen in een steeds verdere graad van ontwikkeling. De kringlopen vormen in feite spiralen, waarbij de ontwikkeling iedere keer een stapje hoger komt. Het eigenlijke werk van een tijdperk of tijdvak begint pas als de herhalingen achter de rug zijn. Het werk dat de verschillende soorten engelen tijdens de tijdperken doen, begint geleidelijk, komt tot een hoogtepunt en zwakt dan weer af.
In de perioden tussen de tijdvakken en tijdperken treedt er een rusttoestand in. De rusttoestanden duren even lang als de tijden van werkzaamheid. In het klein is dit te vergelijken met dag en nacht, met zomer en winter en met leven en 'dood'. Tijdens de rusttoestand leren wij als menselijke geest de opgedane ervaring te aanvaarden, te verwerken en daardoor om te zetten in toegenomen beheersing van eigen vermogens. Dit verwerken is van groot belang, want dát heeft geestelijke groei tot gevolg.
Als de meeste geesten hun nieuw opgedane ervaringen tijdens de rust hebben verwerkt en hun vermogens verder hebben ontwikkeld, wordt er, afgaande op hun nieuwe geestelijke ontwikkelingstoestand een nieuwe wereld van vormen opgebouwd. Ook krijgen zij nieuwe lichamen, die een uitdrukking zijn van hun verder ontwikkelde geestesgesteldheid. Daarin kunnen zij in een volgende periode van werkzaamheid weer nieuwe ervaringen opdoen.
De geestelijke ontwikkeling gaat uiterst langzaam, haast onmerkbaar, maar daardoor ook grondig. Vanuit de geestelijke wereld gezien betekent tijd niets; alle aandacht is alleen gericht op geestelijke ontwikkeling. Alle ervaringen moeten worden doorleefd en verwerkt, alle eigenschappen moeten zich eigen worden gemaakt, de eigen vorm moet volledig gevonden zijn. Dat is het enige nut, het enige wat telt.
De ontwikkeling gaat wat de geest betreft heel geleidelijk, maar wat de vórm betreft in trappen door de afwisseling van 'dagen' en 'nachten'. Na iedere rustperiode verschijnen er als uitdrukking van de daarin voltrokken geestelijke ontwikkeling nieuwe levensvormen op aarde.
De geest is de vormkracht, die de vorm schept. De natuurwetenschap bestudeert uitsluitend die stoffelijke vorm, die een uitdrukking is van de ontwikkelingstoestand van de geest, die in die vorm woont. Zij verkeert wat de vormkracht betreft in een toestand van volstrekte onwetendheid. Zij begrijpt daardoor niet wat er de oorzaak van is dat de paleontologie vaststelt dat er aardlagen zijn, waarin schijnbaar plotseling en van het begin af aan een uitbundige overvloed aan levensvormen verschijnt, terwijl in de daaronder gelegen aardlagen veel minder te vinden is. Als bijvoorbeeld in het Siluur de vissen verschijnen, zijn zij er meteen in een grote verscheidenheid. De natuurwetenschap ziet wel de trapsgewijze ontwikkeling van de stoffelijke vorm, maar niet de geleidelijke ontwikkeling van de geest in de geestelijke wereld, die de oorzaak is van die vormen op aarde.

Tijdens de neerwaartse gang door de tijdperken - de inwikkeling (involutie), die steeds langzamer gaat - treedt er een steeds grotere verdichting van het licht en verdeling van vormen op. Tijdens die neerwaartse gang werden wij geheel door Gods engelen geleid. Dit was noodzakelijk gezien onze onbewustheid en onvermogen onze vermogens beheerst te gebruiken. De éngelen bouwden aan het lichaam, aan de geestgedaante en aan de ziel, maar die verkeerden tijdens de neergang in een embryonale toestand, niet te vergelijken met hoe het er nu uitziet. Wij als geest daalden van 'bovenaf' naar de verdichtte toestand toe, de engelen bouwden van 'onderen af' onze vormen (voertuigen) op. Toen dat werk klaar was, konden wij als geest indalen in ons stoffelijke lichaam.

engelen 1 'Satur-nus' 2 'Zon' 3 'Maan' 4 'Aarde' 5 'Jupiter' 6 'Venus' 7 'Vulca-nus'
Ofanim kiem albe-wustzijn kiem albe-wustzijn kiem albe-wustzijn kiem albe-wustzijn kiem albe-wustzijn kiem albe-wustzijn albewust-zijn: gods-liefde
Cherubim - kiem zelf-bewustzijn kiem zelf-bewustzijn kiem zelf-bewustzijn kiem zelf-bewustzijn zelfbe-wustzijn zelfbe-wustzijn: 'eigen-liefde'
Serafim - - kiem ge-meen-schapszin kiem ge-meen-schapszin gemeen-schapszin gemeen-schapszin gemeen-schapszin: naasten-liefde
Heer-schap-pijen - - - vermo-gende geest vermo-gende geest vermo-gende geest vermo-gende geest
Machten - - kiem ziel ziel ziel ziel ziel
Krachten - kiem geest- gedaante kiem geest- gedaante geestge- daante geestge- daante geestge- daante geestge- daante
Ofanim kiem lichaam kiem lichaam kiem lichaam lichaam 'lichaam' 'lichaam' 'lichaam'
bewust- zijnstoe-stand alverbon-den, onbe-wust slaapbe- wustzijn droombe-wustzijn: beelden binnen zijn werkelijk waakbe-wustzijn: beelden buiten zijn werkelijk gemeen- schapszin: beelden binnen en buiten zijn werkelijk zelfbe-wustzijn: beelden door-stroomd met gevoel albe-wustzijn: zelfge-schapen levende beelden

Daardoor ontstond de noodzakelijke toestand van schijnbare afgescheidenheid, de bijzondere toestand in deze stoffelijke wereld, waarin wij onbewust zijn van onszelf als geest en schijnbaar aan onszelf overgeleverd. De engelen 'openden onze ogen' en wij keken door onze stoffelijke ogen, de 'gaten' in onze stoffelijke vorm, in de stoffelijke wereld. Wij werden daardoor wakker in deze wereld en werden onbewust van onszelf als geest in de geestelijke wereld. In deze stoffelijke toestand worden wij door de gebeurtenissen en omstandigheden, en levenservaringen die wij daardoor in de stoffelijke wereld opdoen, ertoe aangezet een zelfstandig gebruik van onze geestelijke vermogens te maken.
De weg die wij gaan door de kómende tijdperken - de ontwikkeling (evolutie), die steeds sneller gaat - voert ons van onbewustheid tot een zelfverworven alwetendheid en van onbeheerstheid tot zelfbewerkte beheersing van onze vermogens. Tijdens de ontwikkeling komen wij in steeds ijlere toestanden van geestkracht terecht, toestanden die overeenkomen met die van de afgelegde weg van inwikkeling, maar dan in een toestand van bewustheid en beheerstheid. Daarbij komt het 7e tijdperk overeen met het eerste, het 6e met het 2e en het 5e met het 3e.

1. Het eerste tijdperk heet Saturnus. Deze naam is gekozen omdat de Zon toen nog een ijle gasbol was, die zich tot de baan van de latere Saturnus uitstrekte. De verdichting van de geestkracht in de vorm van de geestelijke bouwstof voor het heelal deed zich in die tijd voor als een warmtetoestand. Zowel de Zon, alsook de 'aardbol' in de Zon, waren een warmtebol, die donker was. Er heerste nog duisternis.
Eigenlijk moet worden gesproken over: de bol, die veel later de Aarde zal zijn. De ontwikkelingstoestand van deze bol is steeds in overeenstemming met die van de mensheid. Is de levensvorm van de mens etherisch, dan is die van de bol dat ook; is de levensvorm stoffelijk, dan ook de bol.
Vóór wij als menselijke geesten vanuit de algeest de Saturnustoestand ingingen, was er wel sprake van verbondenheid (vereniging) met het al en daardoor ook van albewustzijn, maar ook van een nog ontbrekend zelfbewustzijn. Toen wij de Saturnustoestand ingingen, bevonden wij ons als warmtebolletjes (celletjes) binnen de ('warmte')aardbol, doordat deze trap voor de mensheid de minerale trap was. Wij maakten toen een toestand mee die overeenkomt met die waarin de mineralen van dit tijdperk nu verkeren.
De engelen bevonden zich aan de buitenkant van de bol, a.h.w. in de atmosfeer. De Ofanim werkten aan de kiem van ons toekomstige, stoffelijke lichaam door het denkbeeld daarvan naar ons uit te stralen en met veel moeite in ons door te laten dringen. In die kiem werd door hen gewerkt aan onze zintuigen (waarnemen), i.h.b. aan het oor, dat daardoor nu het meest ontwikkelde zintuig is. Toen dat was gebeurd, werkten zij ten slotte aan ons als geest door in ons de kiem te leggen voor de geestesgesteldheid die overeenkomt met het albewustzijn. Doordat wij pas uit de algeest geboren waren, waren wij daar toen ook nog ontvankelijk voor.
Dit Saturnustijdperk wordt door Mozes in Genesis 1 beschreven, verzen 1 (letterlijk): Uit het eeuwig bestaande wezen der ruimte vormde de tweevoudige kracht hemel en aarde; en 2: De aarde was woest en leeg, er was duisternis in de diepte en de geesten van de Elohim zweefden boven de afgrond. De 'Elohim' betekent letterlijk: de mannelijke en vrouwelijke goden, m.a.w. de engelen in de vorm van de engelenreien. Aan die begintoestand wordt geen dag toegekend. Van een dag was nog geen sprake en dat wordt daarom ook niet genoemd.

2. Het tweede tijdperk heet Zon. Deze naam geeft aan dat de verdichting van de geestkracht zover was voortgeschreden, dat de geestkracht heet werd en daardoor in zichzelf begon op te lichten. De Zon werd daardoor een lichtende bol. De verdichting was nu in een toestand die overeenkomt met een gas- of luchtachtige toestand. Deze trap van ontwikkeling was voor de mensheid de plantaardige trap. Wij bevonden ons met een 'luchtig' lichaam op een vaste plaats op het oppervlak van de ('lucht')bol, zoals nu de planten.
De engelen werkten weer vanuit de atmosfeer op ons in. Nu waren wij in staat hun inwerking op te nemen en vast te houden. De Krachten werkten aan de kiem van onze toekomstige geestgedaante. In die kiem werd gewerkt aan de spijsvertering (~ denken), de voortplanting (~ het scheppende denken) en het hormoonstelsel (besturing van de stofwisseling ~ denken). Daarna werkten de Cherubim (denken) aan ons als geest door in ons de kiem van de geestesgesteldheid te leggen die overeenkomt met het zelfbewustzijn. Onze bewustzijnstoestand was toen die van de droomloze slaap.
Dit tijdperk komt overeen met Genesis 1, verzen 3, 4 en 5: God zei: Er zij licht en er was licht. En God maakte het onderscheid tussen licht en duisternis, tussen dag en nacht; dit is de eerste dag. Het licht werd gevorm binnen de warmtebol die de Zon toen was, terwijl het in de ruimte donker was. De Zon zelf als stoffelijke ster, als het hemellichaam wat hij nu is, werd pas op de vierde dag geschapen.

3. Het derde tijdperk heet Maan. In dit tijdperk was de verdichting zover voortgeschreden dat de geestkracht zich in een waterachtige toestand bevond. In het midden van de ('water')aardbol was een hete kern gekomen. Door de hitte in de bol werd het water als damp naar buiten gedreven. Boven de aardbol condenseerde het weer door de koudere ruimte buiten de bol en stroomde als regen naar de bol terug. Zo ontstond een kringloop van water op het oppervlak van de bol en van water in de dampkring.
Dit tijdperk komt overeen met Genesis 1, verzen 6, 7 en 8: God maakte een uitspansel (letterlijk: uitzetting) en scheidde de wateren die boven het uitspansel waren van de wateren die onder het uitspansel waren; de tweede dag.
Deze trap van ontwikkeling was voor ons de dierlijke trap. Wij zweefden met een waterachtig lichaam horizontaal boven het oppervlak van de bol en hingen aan draden als navelstrengen in de waternevel, die door groepsgeesten werden vastgehouden. Het lichaam had nog geen longen, maar kieuwen, zoals vissen. In embryonale toestand maken we dat nu nog steeds mee.
De bewustzijnstoestand was die van de droomslaap. Wij waren ons bewust van de buitenwereld door de innerlijke beelden ervan, die als droombeelden door ons als geest in onze eigen binnenwereld werden waargenomen.

Door de verdergaande verdichting was onze ontwikkeling vertraagd. Daardoor verharde dat gedeelte van de aardbol waar wij woonden. Omdat wij door onze vertraging de ontwikkeling van verdergevorderde geesten zouden kunnen remmen, werd ons gedeelte van de bol losgemaakt. Dit ging als een maan om de aardbol draaien, vandaar de naam 'Maan' voor dit tijdperk.
Klik hier voor wetenschappelijke aanwijzingen voor de juistheid van deze opvatting;
en klik hier voor de noodzaak van de aanwezigheid van de maan voor het ontstaan van levensvormen op aarde.

Door onze dierlijke toestand vond er op die maan een soort van voortplanting plaats, waarvoor wij door engelen naar de zonkant van die maan werden geleid. Er vond een 'trek' plaats. De hedendaagse huwelijksreis is daar nog steeds een afspiegeling van. Dieren van de hedendaagse aarde trekken nu op dezelfde wijze en met hetzelfde doel.
De Machten vormden de kiem van wat later onze ziel (van Gotisch 'saiwalo', 'binnenzeetje') zou worden, terwijl de Serafim (voelen) in ons werkten aan de kiem van onze gemeenschapszin.

terug naar de Inhoud

4. Het Aardetijdperk
Voortrekkers en achterblijvers.
In de Saturnusbol bevonden de menselijke geesten zich ín de bol in wat toen de minerale toestand was. De Ofanim straalden van buitenaf hun geestkracht in, waardoor de buitenste geesten het eerst werden bereikt en zich daardoor begonnen te ontwikkelen. Daardoor ontstond er een verdeling tussen de menselijke geesten: er kwamen voortrekkers, een middengroep en achterblijvers. Het doel hiervan was dat ook binnen de mensheid de voortrekkers de gelegenheid kregen te leren zich om de achterblijvers te bekommeren en hen zouden leren zich uit eigen vrije keuze voor hun ontwikkeling in te zetten, op dezelfde wijze als de engelen dat voor ons doen.
Hierdoor verschenen in het mensenrijk de verschillende rassen en volkeren, in het dieren- en plantenrijk overeenkomend met de verschillende ordes, families en soorten, en in het mineralenrijk met de verschillende soorten gesteenten en edelstenen. Al deze rijken en hun onderafdelingen leven op aarde door elkaar heen. Zo zijn de mensapen de achterblijvers van de mensheid, terwijl zij voor het dierenrijk de voortrekkers zijn. De aarde is een geestelijke leerschool en daardoor zijn alle soorten aardbewoners in klassen en onderklassen ingedeeld.
Sommige achterblijvers raakten te ver achterop. Zij komen dan in een onbewuste toestand terecht en wachten op de nieuwe golf van zich ontwikkelende geesten die over de aarde heen komt, voor wie zij dan juist weer voortrekkers worden. Dit wachten wordt in de Bijbel onjuist met de woorden 'eeuwige verdoemenis' aangeduid. Het mee kunnen komen met de huidige golf zich ontwikkelende geesten wordt in de Bijbel 'behouden worden' genoemd en 'Jezus redt' betekent de hulp die Gods heilige geest bij dit alles aan de hulpbehoevenden biedt.

4. Wij als mensheid bevinden ons nu in het vierde tijdperk, dat van de Aarde. De verdichting is zover voortgeschreden dat Gods geestkracht als bouwstof voor het heelal voor ons nu 'vast' is geworden. Van hieruit gezien noemen wij dit stof, materie, aarde. Het is de toestand van de grootste verdichting en verdeling van Gods licht als geestelijke bouwstof. De verdeling van de menselijke geesten, het onderscheid tussen voortrekkers en achterblijvers, is nu zó groot, dat er op aarde verschillende rassen en volkeren zijn en dat er in ons zonnestelsel in verband daarmee verschillende planeten zijn. Iedere planeet heeft een bepaalde afstand tot de zon, die de geesten op die planeet in een zodanige trillingstoestand houdt, dat hun voortgang mogelijk blijft.
De geest is werkzaam in zijn - door zichzelf uitgestraalde - vorm: de geestgedaante. (De natuurwetenschap beperkt zich tot de tastbare, stoffelijke levensvorm en ziet niet de geest als vormkracht die er achter staat.) Voortdurend gaat in de schepping vorm over in geestkracht en omgekeerd. Oudere, afgeleefde vormen worden opgelost tot bouwstof en omgevormd tot nieuwere vormen. Voortdurend is er een afwisseling tussen de ongevormde oertoestand van zuiver licht en de gevormde toestand, de schepping, waarin de eigenschappen van de geest en de mate van ontwikkeling in de verschillende levensvormen zichtbaar worden.
In de ongevormde oertoestand is alles weer één geworden. In de ongevormde oertoestand is alles weer met God, de algeest, verbonden. Daarvan gaat een bevorderende invloed uit op de menselijke geest. (De zelfbezonnen geestesgesteldheid als geestelijke oefening, die de terugkeer is tot de toestand van uiterste eenvoud en innerlijke stilte, is in feite die ongevormde oertoestand). In de scheppende toestand drukt de ene geest, de goddelijke algeest, zich uit in talloze levensvormen, ook nieuwe. In die nieuwe vormen komt tot uitdrukking wat in de afgelopen toestand van openbaring aan indrukken is opgedaan en in de daarop volgende rusttoestand in de geestelijke wereld is verwerkt.
De geest uit zich in beweging en rust, in leven (energie) en vorm (materie), in kracht en stof. Het licht uit zich als straling (kwantum) en als deeltje (foton).

De ontwikkeling van de mensheid gaat nu door tot op het tijdstip dat ook de geologen en archeologen over de Aarde gaan spreken, ongeveer 4,5 miljard jaar geleden, het Precambrium. Het Aardetijdperk is het tijdperk dat er vaste vormen gaan verschijnen. In deze vaste bestaanstoestand bestaan er scherpe grenzen tussen de dingen, wat als doel heeft dat wij ons er duidelijk bewust van kunnen worden. In ijlere bestaanstoestanden gaan de dingen geleidelijk in elkaar over en zijn de grenzen vager. In de eerste tijdvakken waren wij als geest verbonden met levensvormen, die door de engelen waren opgebouwd op de afgelegde weg. Deze levensvormen waren in de eerste tijdvakken van de aarde nog etherisch, waardoor zij geen sporen hebben achtergelaten.
Nu heeft het zin over de tijdvakken te spreken.
a. Het Polaire tijdvak (dit speelde zich af op de Noordpool) komt overeen met Genesis 1, verzen 9,10 en 11: God liet de wateren samenvloeien en het droge tevoorschijn komen. Het droge noemde God aarde en de wateren zeeën; dit gebeurde op de derde dag. Wij als mensheid maakten toen weer de minerale toestand van het Saturnustijdperk mee, wat op aarde tot uitdrukking kwam door het verschijnen van de vaste mineralen, de aardbodem. Aan de polen is de omwentelingssnelheid het laagst, waardoor daar de eerste vaste toestand van gesteente kon ontstaan.
In dat tijdvak was de gestalte, waarboven wij als geest ons bevonden en waarmee wij waren verbonden, bolvormig (celvormig) zoals op Saturnus en groot. Wij bewogen ons voort door te springen als kangoeroes. Uit die bol stak bovenaan een soort voelspriet voor warmte en koude (waarnemen), waarmee wij onze richting konden bepalen tussen de vele vulkanen. Het overblijfsel daarvan is de pijnappelklier (epifyse) die na de jeugd mineraliseert; dit is niet het z.g.n. derde oog geweest, want dat is het geestesoog.
In dit tijdvak werd aan de ontwikkeling van de hersenen gewerkt, in het bijzonder aan de frontale lobben in het voorhoofd, om het indalen van de geest mogelijk te maken. Ook werd het zenuwstelsel verdeeld in het willekeurige- en onwillekeurige zenuwstelsel. Alleen daardoor kan de geest het lichaam beheersen en naar eigen willekeur bewegen (willen).
De voortplanting geschiedde door celdeling, zoals nu bij eencelligen geschiedt. Wij waren toen opnieuw in de minerale toestand en daardoor in een bewustzijnstoestand van onbewustheid.
In dit tijdvak ontstonden de planeten Uranus, Saturnus, Jupiter en Mars. Die planeten moesten ontstaan doordat in dit tijdperk de ontwikkeling zo moeizaam verliep, dat er in de mensheid voortrekkers, een hoofdgroep en achterblijvers ontstonden. Deze achterblijvers hadden een zekere afstand tot de hoofdgroep en de Zon nodig om met hun ontwikkeling door te kunnen gaan en zo vormden zij bovendien geen remming voor de hoofdgroep en voortrekkers. Dit gegeven is de oorzaak van het ontstaan van het planetenstelsel in de stoffelijke wereld.

b. In het Hyperborese ('achter de noordenwind') tijdvak (in Siberië en op Groenland) was onze gestalte nog steeds bolvormig, alleen vond de voortplanting plaats door knopvorming, zoals nu bij varens gebeurt. Wij bevonden ons weer in de plantaardige toestand, overeenkomend met het Zonnetijdperk en waren daardoor in een toestand van slaapbewustzijn. Hierover gaan in Genesis de verzen 1:11,12 en 13: de vorming van het plantenrijk op aarde; dit hoort ook bij de derde dag. De tijdvakken en de scheppingsdagen in Genesis lopen niet gelijk op, wel de volgorde van de gebeurtenissen.
In dit tijdvak werd aan de ontwikkeling van de geestgedaante gewerkt. Het is de schakel die nodig is om de geest met het lichaam te kunnen verbinden. In die tijd ging de vorming van vaste stukken aardkorst met daartussen zeeën, bovenop het nog gesmolten gedeelte van de aardbol, door.
In dit tijdvak werd de Aarde van de hoofdmassa van de Zon afgescheiden en daarna Venus en Mercurius. De vorming van het planetenstelsel zoals het nu is, was voltooid. Hierover handelen de verzen 1:14 t/m 19 in Genesis: de schepping van het grootste licht, de Zon om overdag licht te geven en de schepping van het grote licht en de kleinere voor 's nachts, de vierde dag.

Tijdperken Planeten Overeenkomstige tijdvakken
Saturnus Uranus, Saturnus, Jupiter, Mars Polair
Zon Aarde, Venus, Mercurius Hyperborees
Maan Maan Lemurië

terug naar de Inhoud

5. Lemurië
c. Het Lemurische tijdvak (het schimmenrijk)
Wij bevonden ons op onze dierlijke trap van ontwikkeling overeenkomend met het Maantijdperk en daardoor was onze bewustzijnstoestand die van de droomslaap. Wij zagen wel de buitenwereld, maar alleen als een afdruk in onze eigen binnenwereld, als droombeelden. Onze gestalte had op Lemurië al een zekere vastheid bereikt. Wij leefden toen als reuzenreptielen in de zeeën en in oerwouden met planten van een reusachtige grootte. De herinnering aan deze tijd leeft in China en in sprookjes nog voort in de vorm van de draak. In de geologie wordt deze tijd het Carboon (de tijd dat steenkool ontstond), Jura en Krijt genoemd, 150 - 65 miljoen jaar geleden. In Genesis wordt hierover bericht in de verzen 20 t/m 25, de vijfde dag, de schepping van de landdieren (de 'tanin', de reuzendieren).
De atmosfeer was nevelachtig, mistig en onze ogen waren nog niet meer dan twee lichtgevoelige plekken. De omgeving werd wel gezien, maar helderziende als droombeelden, die zich afspeelden in de eigen binnenwereld. Pas in de tweede helft van Lemurië, toen wij in een menselijke vorm verschenen, werden door de engelen 'onze ogen geopend', zoals Genesis vermeldt.
In dit tijdvak werkten de engelen aan de ziel en i.h.b. aan de chakra's. Bij hen die ver genoeg waren ontwikkeld kon de geest daardoor steeds dichter bij het lichaam komen. Daardoor nam het lichaam een vertikale stand aan en kon de geest indalen en langzaam maar zeker een bewust en beheerst gebruik gaan maken van het lichaam. Dat bewuste gebruik bevorderde de opbouw van de hersenen samen met het strottehoofd, nodig voor het kunnen uitdrukken van gedachten in woorden. In het begin bestond de taal uit een nabootsing van de geluiden uit de natuur: het gedonder van vulkanen, watervallen, hevige stormen en dierengeluiden.
Bij hen bij wie dat naderen van het lichaam nog niet helemaal lukte, bleef het lichaam enigzins krom, voorovergebogen. Zij gedroegen zich daardoor nog onbeheerst en wild als dieren. In de mensheid ontstond nu een groep achterblijvers die uit de hoofdgroep werd weggehaald door de Maan af te scheiden uit wat nu de Stille Oceaan is en hen daarop te plaatsen.

De voortrekkers van de mensheid waren nu in een graad van ontwikkeling gekomen dat de engelen bij de verstgevorderde geesten de kiem van het lichaam geheel konden verstoffelijken en de geestgedaante en de ziel er vervolgens mee konden verbinden: de schepping van de mens. De Heerschappijen begonnen nu in de mens het zelfgevoel te leggen, het besef een afgescheiden, zelfstandige persoon te zijn. In die tijd was de mens een reus (Genesis) met een zwarte huidskleur en kroeshaar. In Genesis wordt hierover gesproken in de verzen 1:26 t/m 31: de schepping van de mens als man en vrouw, naar de gelijkenis van de Elohim. Dit is in Genesis het eerste scheppingsverhaal van de mens.
Doordat wij in het oerbegin als tweelinggeesten uit God waren geboren, was de eerste mens nog tweeslachtig. Maar doordat er nu in het zonnestelsel naast de Zon een Maan was gekomen, konden de engelen vervolgens - halverwege het Lemurische tijdperk, 65 miljoen jaar geleden - het tweeslachtige lichaam van de meest ontwikkelde mensen scheiden in een mannelijke en een vrouwelijke helft.
In het begin vond de voortplanting plaats onder leiding van de engelen in overeenstemming met astrologische overwegingen op bepaalde tijden van het jaar, zoals dat nu bij dieren gebeurt. De geslachtsgemeenschap was zonder hartstocht, zoals bij dieren. De bevalling was onbewust en pijnloos, en de mensheid was zonder ziekten, doordat zij nog in overeenstemming waren met de kosmos: de 'paradijselijke toestand'. Doordat de geest het lichaam nog niet belastte met aandoeningen, kon het lichaam eeuwenoud worden. In Lemurië waren wij onschuldig, maar ook onwetend, zoals de dieren nu zijn.
De mens was nog in een toestand van droomslaap, maar tijdens de paring ontstond toch een zodanige gemoedsbeweging, dat zij zich bewust werden van elkaar: zij 'bekenden' elkaar, zij werden zich van elkaar en van elkaars lichaam in de buitenwereld bewust. De geest werd door de geslachtsgemeenschap steeds meer met het lichaam verbonden en tegelijk daarmee ging de mens ook meer rechtop lopen.
De mens werd zich langzamerhand steeds meer bewust van zijn eigen stoffelijke levensvorm en zijn omgeving, en kreeg daardoor het gevoel van afgescheidenheid. Dit was noodzakelijk voor zijn groei naar persoonlijke zelfstandigheid. In de loop van dat tijdvak kregen de engelen daardoor ook steeds minder invloed op de voortplanting, de mens ging er zelfstandiger mee om. De geslachtsgemeenschap werd daardoor echter steeds meer uit hartstocht gedaan, waardoor zij niet meer in overeenstemmining met de kosmos geschiedde. De bevalling was daardoor niet meer pijnloos en ook ontstonden daardoor ziekten in het lichaam, dat niet meer in overeenstemming met de kosmos was geboren. Door de toename van de bewustheid van het lichaam ging de mens ook de dood van het lichaam bewust ervaren. Dat betekende het einde van het paradijs op aarde.

In het Lemurische tijdvak moesten wij met ons lichaam leren omgaan. De jongens kregen een opvoeding die was gericht op de ontwikkeling van wilskracht, terwijl de opvoeding van de meisjes was gericht op het leren omgaan met het waarnemingsvermogen. De jongens moesten hun spieren leren gebruiken door zware lichamelijke beproevingen te ondergaan, gewichten op te heffen en ruwe gevechten te houden. Door deze ruwe behandeling begonnen wel de zenuwen en de hersenen te groeien.
De meisjes moesten leren luisteren naar het gebulder van de stormen in de oerwouden en het gedonder van de vele vulkanen, waardoor zij leerden waarnemen en het geheugen ontwikkelden. De meisjes moesten toezien bij de worstelwedstrijden van de jongens, waarbij velen de dood vonden. Zij moesten waarnemen hoe de ontlichaamde geesten weer naar de geestelijke wereld teruggingen; dit ging met smart gepaard, waardoor zij leerden voelen en het eerste besef van goed en kwaad kregen. Hier ontstond het verschijnsel dat de vrouwelijke geest als vanzelfsprekend aanneemt, dat er een geestelijke wereld bestaat.

Een deel van de Lemuriërs bleef dierachtig, uit hen zijn de tegenwoordige stenentijdperk-stammen (Australië, Nieuw Guinea) en de mensapen overgebleven. In de mensapen zijn nu de geesten van de achterblijvers op aarde. Als er in de geestelijke wereld geen geesten meer zijn die door hun toestand van onontwikkeldheid nog ervaring moeten opdoen met bepaalde lichamen op aarde, dan sterft die bevolkingsgroep uit.
Na miljoenen jaren ging het eilandenrijk van Lemurië in de Indische Oceaan ten onder aan natuurrampen: stormen, vulkaanuitbarstingen en meteorietinslagen, behalve Australië, Nieuw Guinea en Madagaskar. Zoals bekend worden deze gebieden gekenmerkt door een afwijkende, geheel eigen flora en fauna.

terug naar de Inhoud

6.Atlantis
d. Het (vierde) Atlantische tijdvak
De hoofdgroep van de mensheid woonde op een eilandenrijk in de Atlantische Oceaan. Ook hier was de mens in de eerste tijd groter dan nu. Het voorhoofd liep naar achteren, het haar was sluik, zwart en rond van doorsnee, zoals bij de Zuid-Amerikaanse indianen, de huidskleur was geel. In de begintijd was het op Atlantis altijd mistig (het Germaanse 'nevelheim'). Tijdens de eerste helft van Atlantis bezaten wij nog steeds een zekere helderziendheid en konden wij de geestesgesteldheid en gezindheid van iemand zien, maar wij gingen steeds meer over in een toestand van waakbewustzijn.
Op Atlantis was sprake van zeven beschavingen, in het verloop waarvan de Heerschappijen de menselijke geest in lieten dalen in het stoffelijke lichaam, dat, door de ervaringen in Lemurië opgedaan, daartoe geschikt was geworden.

1. De eerste beschaving was die der Rmoahals. Wij begonnen toen een geheugen te ontwikkelen en tegelijk daarmee een eerste taal, die eenlettergrepig was. Taal was voor ons een nieuwe verworvenheid en wij gingen er met veel eerbied mee om. Toen werden namen gegeven aan alle dieren, planten en dingen, zoals Genesis vermeldt.
2. De tweede beschaving was die der Tlavatlis. Deze beschaving werd gekenmerkt door hulp van hoog ontwikkelde geesten afkomstig van Venus en Mercurius, die naast de engelen de mensheid voorthielpen. Sommigen uit de mensheid begonnen zich persoonlijk bewust te worden van hun afgescheiden toestand. De hoge geesten stelden hen, die zelfbewust waren geworden, als koningen aan. Doordat die hoge geesten als goden werden vereerd, waren zij dus 'koning bij de gratie Gods', zoals nu nog wordt gezegd. Dit koningschap was nog volkomen onbaatzuchtig, terwijl tegelijkertijd het volk nog volkomen van hun leiding afhankelijk was.
Door de nog bestaande helderziendheid strekte het geheugen zich ook uit tot vorige generaties. Men bleef zich daardoor de grote daden van vroegere voorouders herinneren, waardoor voorouderverering ontstond. De opvoeding der kinderen werd gekenmerkt door het inprenten van plichten en de jongeren handelden gehoorzaam naar de geboden van de ouderen. Bij Aziatische volkeren bestaat deze voorouderverering, feodale familieverhouding en opvoedingsmethoden (Confucius) nog steeds.
3. Tijdens de derde beschaving der Tolteken werd - door de voorouderverering - de erfopvolging in het koningsschap ingevoerd. Doordat de geest steeds meer in het lichaam indaalde en engelen en hoge geesten daardoor steeds minder leiding konden geven, begon het koningschap te ontaarden. Bij de koningen begon de eerste zelfzucht, persoonsverheerlijking, heb- en heerszucht op te komen en daardoor werd het nog volkomen van hen afhankelijke volk door hun koningen en edelen onderdrukt. Er ontstonden nu ook meerdere volkeren, ieder met hun eigen koning, doordat groepen mensen met dezelfde gebruiken en gewoonten zich verenigden.
In de derde beschaving hadden wij nog een droombewustzijn, dat openstond voor indrukken van buitenaf. De opvoeding geschiedde nog steeds doordat ouders hun kinderen hun eigen eigenschappen en denkbeelden oplegden. Zij werden als plichten en gewoonten ingeprent. Het geheugen was zeer krachtig, alles werd onthouden. Oudere mensen met veel levenservaring stonden daarom ook in hoog aanzien.

4. De vierde beschaving der Turaniërs was het midden van de gehele mensheidsontwikkeling en bestond ongeveer 2 miljoen jaar geleden. Tijdens de Turanische beschaving daalde de geest o.l.v. de engelen vrijwel geheel in het lichaam in en moesten engelen en hogere geesten ons aan ons lot overlaten.
In Genesis Hoofdstuk 2, verzen 1 t/m 3, wordt gezegd dat de Elohim op de zevende dag 'rustten', d.w.z. zij staakten hun onmiddellijke bemoeienissen met ons en wij moesten nu op eigen kracht verder.
De koningen stichtten tempels, waar zij nu zélf als goden aanbeden wilden worden. Alles was gericht op uiterlijk vertoon, terwijl zij het volk tot het uiterste onderdrukten en uitzogen. Door het gevoel van afgescheidenheid werden wij uitsluitend gedreven door zelfzucht, hebzucht en heerszucht; er ontstond een strijd van allen tegen allen. Misdaad en zwarte magie vierden hoogtij.
Van deze tijd wordt in Genesis 6:5 vermeld dat de boosheid van de mensen groot was, zij waren vol van geweld en 'al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven'.
Vanaf die tijd begonnen zich in de geestelijke wereld schemerachtige gebieden te vormen waar de volkomen zelfzuchtig geworden geesten zich verzamelden, de hellen genoemd. Maar ook van daaruit bemoeiden zij zich met de mensheid op aarde, waardoor een algemene bezetenheid ontstond. Dit had een algemene chaos en bandeloosheid tot gevolg.
Veel karma is in die tijd ontstaan, wat nu wordt afgelost, zoals b.v. door oorlogservaringen in de beide wereldoorlogen; maar ook door aangrijpende ervaringen die persoonlijk moeten worden meegemaakt, zoals ernstige ziekten.

De voortrekkers werden op dat bijzondere ogenblik in de geschiedenis, op de helft van de ontwikkeling, op aarde geboren als Adam en Eva, en uit hen hun nageslacht, zoals vermeld in Genesis. In tegenstelling tot de mensen uit het eerste scheppingsverhaal, die 'de mensen' worden genoemd, worden zij 'de zonen Gods' genoemd. Hoewel ook zij hun oude helderziendheid grotendeels hadden verloren, 'wandelden zij met God', waren onberispelijk in hun gedrag en 'riepen God aan'. Zij stonden open voor goddelijke leiding waardoor de heilige geest Gods en Gods engelen aan hen konden verschijnen. Zij kregen deze bijzondere behandeling en werden het 'uitverkoren volk' genoemd, omdat zij het volk zouden gaan vormen, temidden waarvan Gods heilige geest als Jezus later zou kunnen worden geboren.
Een groep engelen, de Luciferische geesten, hadden misbruik gemaakt van hun betrekkelijke zelfstandigheid en zich tegen Gods leiding verzet ('satana': tegenstand, verzet), waardoor zij in een geremde toestand kwamen te verkeren. Om zich toch nog verder te kunnen ontwikkelen, moesten zij van de menselijke omstandigheden gebruik maken om de nodige ervaring op te kunnen doen. Zij verbonden zich met de voortrekkers uit die tijd, i.h.b. met de vrouw (Eva), omdat zij daarvoor ontvankelijk was. Zij verbonden zich d.m.v. het ruggemerg, dat slangvormig is, waardoor zij door de vrouw als slangen werden gezien.
De Luciferische geesten gaven de mens hun eigen streven naar zelfstandigheid mee. Daardoor maakte de mens zich los uit de oude groepsgeest en verkreeg persoonlijke zelfstandigheid. Daardoor ook werd zijn blik geheel op de buitenwereld gericht en verloor de mens langzamerhand zijn droomachtige helderziendheid. Zij zouden in een toestand van 'onbewuste vereenzelviging' kunnen komen te verkeren, de 'val van Adam', waardoor dit volk van voortrekkers het gevaar liep niet meer aan hun bijzondere, goddelijke opdracht te kunnen voldoen. Ook gingen zij zich met 'de mensen' vermengen door hen te trouwen (Genesis), waardoor zij als apart volk verloren dreigden te gaan.


terug naar overledenen-herdenken

terug naar voorouderverering


5. De vijfde beschaving was die der Semieten, de nakomelingen van Adam en Eva. Tijdens deze beschaving lukte het de engelen het denkvermogen enigzins tot ontwikkeling te brengen. Ook dat denkvermogen werd door de mens echter voor zelfzuchtige doeleinden gebruikt en werd daardoor gekenmerkt door sluwheid en listigheid, valsheid en bedrog. Toch werd het hierdoor mogelijk enige orde op zaken te stellen. De mens kreeg hierdoor namelijk begrip voor wetten en straffen, die van hogerhand werden ingesteld.
Door het gebruik van het denkvermogen kwam er langzaamaan een einde aan de oude, onwillekeurige helderziendheid, wat ons in die tijd veel verdriet bezorgde. Maar door die verminderende helderziendheid werden wij ook gedwongen ons denkvermogen zelfstandig te gebruiken. Zo werd langzaam maar zeker een oud, van het begin af in aanleg bestaand en algemeen aanwezig maar onbeheerst vermogen, het waarnemingsvermogen, a.h.w. omgeruild voor een zelfstandig, persoonlijk en zelfwerkzaam gebruik van een ander vermogen, het denken. Dit is het beginsel van de hele mensheidsontwikkeling. In de loop van die ontwikkeling zullen de oude vermogens terugkomen, maar dan bewust beheerst.
In het begin werd de mens door hogere geesten begeleid, van nu af aan moest de mens leren zichzelf te leiden. Wij werden aan onszelf overgelaten. De mens moest leren onafhankelijk en zelfstandig te zijn en verantwoordelijkheid op zich te nemen voor zijn eigen daden. Zijn handelen werd getoetst aan wetten. Hij werd nu bij zijn gedrag a.h.w. door het wetboek geleid, maar had de vrije keuze om daar al dan niet aan te gehoorzamen.
Tegelijk met de verminderende helderziendheid klaarde het mistige klimaat van Atlantis op en kreeg de zon meer gelegenheid door de mist heen te dringen. Wij gingen daardoor de omgeving steeds beter waarnemen. Tegen het einde van Atlantis trok het volk der Semieten, het 'uitverkoren volk', over Europa naar de Gobiwoestijn, om later van daaruit nieuwe beschavingen over de aarde te verspreiden.

6,7. De zesde beschaving der Akadiërs en de zevende der Mongolen. In deze beschavingen werd de gehele beschaving der Atlantiërs samengevat. Zij sloten dit tijdvak af. Uit deze Mongolen is het Chinese volk voortgekomen, die eeuwenlang hebben vastgehouden aan de oude staatsvorm, cultuur en opvoedingsmethodes. In de I Tjing wordt over deze tijd gesproken als de 'voortijd'.

Door natuurrampen gingen de meeste eilanden ten onder, behalve b.v. de Canarische Eilanden, Ierland, Zuid-Engeland en de Bahama's. Vertegenwoordigers van de eerste beschavingen trokken naar Amerika, die van de laatste beschavingen trokken door Europa naar Azië. Andere groepen trokken naar Spanje (Basken), Italië (Etrusken), Finland, de Levant (Feniciërs) en Egypte.
Op Lemurië en Atlantis zijn al die bevolkingsgroepen ontstaan, die wij nu de rassen noemen. Pas aan het einde van dit vijfde tijdvak zullen zij langzaam maar zeker ophouden te bestaan. De mensheid zal dan weer één gemeenschap gaan vormen, zoals aan het begin van het Lemurische tijdvak. De vermenging van rassen en volkeren, die nu optreedt in de Verenigde Staten en in Europa, is hiervan het begin.

terug naar de Inhoud

7. Het heden
e. Het (vijfde) Arische tijdvak.
Het volgende vijfde tijdvak is het huidige en wordt het Arische tijdvak genoemd.
1. De Semieten (de vijfde Atlantische beschaving) waren naar de Gobiwoestijn getrokken. Archeologen hebben de resten van hun hoge beschaving daar gevonden. Op een gegeven ogenblik trokken zij van daaruit de Indusvalei binnen (de Harappa en Mohenjo-Daro beschaving). Zij werden de Arya's ('heren', zij die voorgaan) genoemd. Zij vestigden de eerste beschaving van het Arische tijdvak in India, de Veda-beschaving.
De voortrekkers uit dit volk kregen van hun geestelijke begeleiders een geestelijke opleiding. Zij werden nu tot wijzen, tot geestelijke leiders, die de plaats van de engelen en van onze broeders en zusters in de geestelijke wereld innamen. Zij deden niet van zich spreken en grepen ook niet in het maatschappelijke leven van de mens in. Zij trokken zich terug in de wouden, waar leerlingen hun uitspraken verzamelden in 'woudboeken', de 'oepanishads'. Zij lieten de mens geheel vrij om al dan niet te komen, naar hun raad te vragen en naar hun leringen te luisteren. Zij werden de nieuwe bemiddelaars (goeroe, 'verdrijver van duisternis') tussen de mensheid en de geestelijke wereld.
Doordat ook nu weer de zeven ontwikkelingsstappen werden herhaald, begon deze beschaving met een opnieuw opbouwen van het bestaan op aarde. Doordat bij velen van dit volk de oude helderziendheid in verzwakte vorm nog bestond, waren zij gehecht aan de geestelijke wereld en voelden weinig aandrang het leven op aarde te aanvaarden. Dit aardse bestaan was voor hen maya, begoocheling. Zij wilden zich er niet op richten en dachten er voornamelijk aan hoe ze de kringloop der geboorten (samsara) konden doorbreken en zich met de geestelijke wereld konden herenigen (Sanskr. 'yoga' ~ Lat. 'iungo', verenigen).

Ahura Mazda, Mazdeïsche god van licht
zesde-vijfde eeuw voor Christus
2. De tweede beschaving was die der Perzen. Zij waren al beter in staat met het aardse bestaan om te gaan. Zij hadden een geestelijke leider, Zarathustra (Zoroaster) met zijn vrouw Ardouizur. Hij was degene die door langdurige geestelijke oefeningen in verbinding kwam te staan met de engelen en aan wie Gods heilige geest verscheen in de vorm van het Grote Licht, Ahura Mazdoa. Hem werd toen meegedeeld dat de heilige geest eens naar de aarde zou komen.
3. De derde beschaving was die der Egyptenaren. Zij waren al meer op de aarde gericht, maar hadden nog wel een duidelijk beeld van de geestelijke wereld. Zij begonnen o.l.v. de engelen de natuurwetenschappen te ontwikkelen ('chemie' van Arabisch 'al Chimeia': 'Egypte') en trachtten het lichaam te genezen door operaties en het door balseming voor het eeuwige leven te behouden.
Zij richtten o.l.v. de engelen bouwwerken op die een afspiegeling zijn van de kosmos en door hun inscripties een leidraad zijn voor geestelijk inzicht in de orde van de schepping, zoals de Sfinxen en de piramides. De piramides ('pyra mi dai': geef mij licht) waren inwijdingsscholen voor het leven in de geestelijke wereld, evenals het Egyptische dodenboek.

Farao Toet Ankh Amon met zijn vrouw
4. Tijdens de vierde beschaving der Grieken en Romeinen waren aandacht en toewijding geheel op de stoffelijke wereld gericht. De herinnering aan de geestelijke wereld en de betekenis ervan voor de mens, was vastgelegd in mythen. De geestelijke wereld was voor hen een schimmenrijk geworden. Zij waren wereldveroveraars en richtten in beeldhouwwerken en wedstrijden hun aandacht geheel op het lichaam. Alleen in mysteriescholen (Apollo, Dionysios) werd aan weinigen nog inzicht gegeven in de geestelijke wereld en werd de verbinding ermee hersteld.
Hadden de Grieken nog zestig filosofen die de aandacht op het geestelijke richtten (Pythagoras, Sokrates, Plato, Aristoteles, Plotinos), de Romeinen waren volkomen aards geworden (slechts drie filosofen, Seneca, Tacitus, Vergilius). Het was een volk van boeren en soldaten, zij waren wereldveroveraars. Zij richten hun aandacht geheel op de stoffelijke wereld en haalden hun wijsheid uit de ervaringen van het dagelijkse leven, die in korte, puntige gezegden werden vastgelegd.

Met hen was het doel van de involutie bereikt. Wij waren als geest volkomen ingedaald in ons stoffelijke lichaam, daardoor verbonden met de stoffelijke wereld en los geraakt van de geestelijke. De neerwaartse ontwikkeling, de involutie had zijn doel bereikt en moest nu, op de helft van de weg, worden omgebogen in een opwaartse ontwikkeling, de evolutie. Om zoveel mogelijk geesten daaraan deel te laten nemen, was een goddelijk ingrijpen noodzakelijk geworden. Sinds de duistere gebieden in de geestelijke wereld, de hellen, waren ontstaan, waren steeds meer geesten in die toestand terecht gekomen. Zij waren door hun zelfzucht volkomen afgekeerd geraakt van de goddelijke algeest en daardoor ook van geestelijke ontwikkeling. Zij konden zichzelf niet meer uit deze toestand bevrijden en waren weer afhankelijk geworden van hulp van boven.


Maria met Jezus
ikoon: Tzvetan Hristov
bron: de Beyart
Daarop besloot de algeest om in de vorm van de heilige geest - de algeest in menselijke gedaante - zichzelf met deze meest verdichte toestand te verbinden om zo de mensheid tegemoet te komen op hun pad. Om een voorbeeld te zijn voor die mensheid zette Gods heilige geest zelf de eerste stap op de weg naar boven, de weg die als doel heeft de verbinding met God te herstellen.

Omdat God dit alles bij het begin van de schepping al had voorzien, was sinds Vader Abraham het Joodse volk geschikt gemaakt om de heilige geest Gods in hun midden te ontvangen, door het ontwikkelen van een monotheïstische godsdienst ('Hoor, oh Israël, de Here uw God is één!'). De aartsengel Michaël ging naar de aarde, verstoffelijkte zijn geestgedaante en nam de gestalte van Maria aan, die als weeskind werd opgenomen in het gezin van de oude, vrome timmerman Jozef. Toen verscheen Gods heilige geest aan Maria en vertelde haar door haar op aarde te zullen worden geboren. Zij moest haar kindje de naam Jehoshua (van 'Jehova shua', 'God redt') geven, in het Grieks Jesous.

Jezus' leven als leraar mondde uit in het oerbeeld van de geestelijke ontwikkeling van de mens: kruisiging en opstanding. De kruisiging is de uitbeelding van de involutie, het neerdalen van de menselijke geest in de stof waardoor die daar gehecht aan raakt, als aan het kruis is genageld; de opstanding is de evolutie, waarbij de geest op eigen kracht zich losmaakt uit zijn gehechtheid, opstaat uit het graf van de gehechtheid aan de stof en door die arbeid aan zichzelf zijn geestelijke zelfstandigheid verwerkelijkt.


Christus Pantokrator (Al-beheerser, Almachtige)
gebaar met twee vingers: geestelijke leraar
brenger van de blijde boodschap
St. Catharinaklooster, Sinaï, 548-565 n.Chr.
dit is het oudst bekende Christus-ikoon
bron: Wikipedia (bijgewerkt)
Na de dood aan het kruis daalde Gods heilige geest af in de duistere gebieden om de geesten die daar woonden weer met zichzelf als algeest te verbinden en de daar aanwezigen de mogelijkheid te geven zich uit deze toestand te bevrijden. Vervolgens verscheen Jezus als Gods heilige geest in zijn geestgedaante weer op aarde om zo aan de mens de opstanding uit de dood, de bevrijding van de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan, te tonen.

5. Vervolgens moest Jezus' leer met de aarde worden verbonden. Dat gebeurde in de vijfde beschaving, de Westerse. Deze beschaving wordt gekenmerkt door de eigenschap van het vijfde tijdperk, Jupiter: de uitgekeerde instelling. De westerse beschaving is eenzijdig op de buitenwereld gericht en gaat voorbij aan het innerlijk ('dat zijn maar gedachten').
Daardoor werd door de Romeinse Kerk alleen de leer verkondigd, de nadruk kwam op de eredienst en zedelijke voorschriften te liggen met voorbijgaan aan de persoonlijke, innerlijke, godsdienstige beleving, die het kenmerk was van de gnostici (die hardhandig de mond werden gesnoerd). Dit was echter noodzakelijk om van het Christendom een wereldgodsdienst te maken en Jezus' leer over de hele mensheid te verspreiden, maar wat een levenloze oppervlakkigheid tot gevolg had.

De uiterste toestand van aardse gerichtheid vertoont de Angel-Saksische maatschappij, waar de nadruk ligt op uiterlijk vertoon en economische overwegingen de boventoon voeren boven menselijke (Het Angel-Saksische economische model van aandeelhouders en 'making money' tegenover het Rijnlandse, sociale model waar het bedrijf en de werknemers in het middelpunt staat).
De zakelijke Amerikaanse maatschappij lijkt op de harde Romeinse (techniekgericht, wereldveroveraars; Romeinse boeren hadden in de schuur naast de ploeg hun wapenuitrusting hangen, voor als de keizer hen weer eens opriep) en wordt gekenmerkt door hun eigen gezegdes: "Make it, or die!"; "Number One in everything!" (Madeleine Albright); "We live in a violent society." (Obama). Maar...

Wapens zijn ongelukswerktuigen.
Het zijn geen werktuigen voor de edele mens.
Hij gebruikt ze als hij niet anders kan.
Hij stelt vrede en rust bovenaan.
Hij overwint, maar vindt er geen vreugde in.
Lao tse - Tao teh tsjing 31

Doordat zij in deze periode de voortrekkers zijn, kijkt de hele wereld nu tegen dat volk op, verloochent zijn eigenheid en bootst het na op allerlei gebied. De hele wereld loopt in Amerikaanse goudgraversbroeken, zegt bij alles 'OK' en 'wow', vervangt overal 'en' door '&' en eet hamburgers in Amerikaanse broodjeswinkels. De Amerikaanse cultuur is in feite een cowboycultuur en van deze volkomen uitgekeerde cultuur is de oppervlakkigheid van Las Vegas het hoogtepunt. Slechts weinigen buiten dat land hebben de moed weerstand te bieden en bij zichzelf te blijven, waar het bij geestelijke groei juist om gaat!
Ook vrijwel alle natuurwetenschappers vertonen die uitgekeerde instelling en zijn daardoor op de stof gericht, op de materie; de heersende geestesgesteldheid van dit tijdsgewricht is de materialistische. De vereenzelviging met de stof is daardoor volledig geworden, getuige de uitspraak: "Wij zijn onze hersenen". Het is het tijdstip dat het kenmerk van een beschaving, in dit geval de uitgekeerde instelling, volledig tot ontwikkeling is gekomen.
Nu kan langzaamaan de volgende stap worden gezet, een overgang die wordt aangegeven door de Mayakalender.


terug naar kracht, Woordenlijst.

terug naar energie, Vraag en antwoord.

6. De zesde beschaving zal het verstoorde evenwicht weer herstellen door de blik naar binnen te richten door het ontwikkelen van de ingekeerde instelling, het kenmerk van het Venustijdperk. Deze beschaving zal de Slavische beschaving zijn. De Byzantijnse Kerk is altijd meer gericht geweest op de innerlijke, persoonlijke beleving van het geloof, los van dit tijdelijke bestaan. Een belangrijk hulpmiddel daarbij zal muziek zijn en godsdienstige vormen van kunst (iconografie).
Tijdens de zesde beschaving zal Jezus als Gods heilige geest vanuit de geestelijke wereld langzaam maar zeker de leider worden voor de gehele mensheid, op dezelfde wijze als God dat als Jahweh in vroeger eeuwen is geweest voor het volk Israël. Er zal dan weer sprake zijn van een theocratie, die een kosmische regeringsvorm is.
Gods heilige geest zal verschijnen 'op de wolken' (Matth. 24:30 ... zij zullen de Zoon des mensen zien komen 'op de wolken des hemels', met grote macht en heerlijkheid.) Deze aanduiding is een aanwijzing voor een herderziende waarneming, want als een geestelijke begeleider zich laat zien, begint dat innerlijk met een 'wolk', waarin het gezicht van de begeleider langzaam zichtbaar wordt. Jezus zal zich kunnen tonen aan hen, die door gewetensvol en deugdzaam gedrag hun geestesgesteldheid daarvoor geschikt hebben gemaakt.
7. De zevende beschaving zal worden gekenmerkt door het voortgezette streven naar eenheid in de mensheid. Er zal worden gewerkt aan het opheffen van het verschil in rassen en godsdiensten, veroorzaakt door de uiterste afgescheidenheid tussen de mensen aan het begin van het Aardetijdperk.

f. Het zesde tijdvak. De mensheid is dan weer een eenheid geworden en zal zoals in een theocratie onder leiding staan van Jezus, in wie Gods heilige geest persoonlijk bij ons is. Dit gebeurt echter pas, als de mensheid daar zélf om vraagt.
g. Het zevende tijdvak. In het zevende tijdvak van het Aardetijdperk zal onder Jezus' leiding het werk aan het herstel van de eenheid van de mensheid worden voortgezet. De mensheid zal dan weer haar oorspronkelijke eenheid herkrijgen.

terug naar de Inhoud

8. De toekomst
Het Jupitertijdperk (5)
In het Maantijdperk zagen wij niet de buitenwereld zelf, maar alleen de droomvormige afbeelding ervan in onze binnenwereld. Nu, in het vierde, het Aardetijdperk, hebben wij een waakbewustzijn. Wij zijn wakker geworden in de buitenwereld, maar de beelden in onze binnenwereld lijken onwerkelijk. Het zijn 'maar denkbeelden'. Zij worden voor ons pas werkelijkheid als zij in de buitenwereld vorm hebben gekregen in de vorm van uitspraken en handelingen.
In het Jupiter tijdperk zullen wij de begrippen die bij onze woorden horen, duidelijk als innerlijke beelden kennen. Wij zullen onze denkbeelden als beelden zien in onze binnenwereld, als een ervaarbare werkelijkheid. Wij zullen daardoor altijd de juiste woorden kiezen bij de begrippen waarmee wij denken. Daardoor zal er geen spraakverwarring meer zijn, misverstanden komen niet meer voor.
In het Jupiter tijdperk zullen wij de inhouden van onze ziel (het geheugen) leren beheersen. Zij zullen daardoor voor ons even werkelijk zijn als nu de buitenwereld is. Doordat wij de inhouden van onze ziel beheersen en wij bewust en beheerst helderziende zijn geworden, zijn wij in staat onze denkbeelden en gevoelens rechtstreeks op engelen en geestelijke begeleiders over te brengen. Zij zullen zich daardoor veel beter voor de verwerkelijking van onze wensen kunnen inzetten dan nu.
Op de weg naar beneden werden wij onbewust door Gods engelen begeleid, die zich onbaatzuchtig voor ons heil inspannen. Op de omhooggaande weg zullen wij, in overeenstemming met onze ontwikkelingstoestand, een bewust gebruik kunnen gaan maken van de diensten van de engelen, die ons als Gods godenkinderen worden aangeboden.
Door de herkregen en nu willekeurige helderziendheid zullen wij niet alleen onze eigen gedachten en gevoelens helder waarnemen, maar ook die van onze medemensen. Wij worden als een open boek voor elkaar. Wij zien elkaar, zoals wij werkelijk zijn. Liegen, huichelen of veinzen is onmogelijk geworden. Het geweten is daardoor niet alleen zelfbeschouwing, maar ook naastenbeschouwing. Daardoor zal er een scheiding ontstaan tussen de goeden en de kwaden. De goedwillenden en de kwaadwillenden zullen hun soortgenoten opzoeken en er zullen op Aarde twee rijken ontstaan. De goedwillenden zullen zich gaan inspannen om de kwaadwillenden door goedheid te overwinnen en tot andere gedachten te brengen. Hun opdracht is kwaad met goed te leren vergelden en het zo te overwinnen.

Het Venustijdperk (6). In dat tijdperk zullen wij onze geestgedaante als een voertuig kunnen gebruiken zoals wij nu ons stoffelijke lichaam gebruiken. Alleen zal de geestgedaante dan veel verder ontwikkeld zijn als het lichaam nu is. Door de beheersing van onze geestgedaante zullen wij ons daardoor kunnen verplaatsen in de geestelijke wereld.
Wij zullen onszelf als geest op een gezonde manier leren liefhebben en tot volkomen geestelijk zelfbewustzijn komen. Wij zullen een volkomen evenwicht bereiken tussen denken en voelen en onze denkbeelden met gevoel kunnen belevendigen, waardoor zij tot zelfstandige voorwerpen worden in de buitenwereld. Op die wijze zullen wij dan voorwerpen kunnen scheppen.

In het Vulcanustijdperk (7) zullen wij zelf de goddelijke vormkracht die ooit ons stoffelijke lichaam vormde, zelf leren beheersen. Wij zullen daardoor onze denkbeelden niet alleen met gevoel kunnen vullen, maar ze uit onszelf tot leven brengen en er een geestvonk in kunnen leggen. Wij zullen zelf scheppers kunnen worden, als onze geestesgesteldheid geheel met die van de goddelijke algeest in overeenstemming is gekomen. Wij zullen dan als God albewust en almachtig zijn. Wij zullen dan God als onze goddelijke vader en moeder hebben leren liefhebben. Wij zullen ons dan volkomen vrij kunnen bewegen in Gods eeuwige oneindigheid als Gods volwassen geworden godenkinderen, bewust en beheerst herenigd met onze goddelijke vader en moeder.

De evolutietheorie van Darwin schetst een héél ander beeld.

In het opgaande deel van onze ontwikkeling, de evolutie, zullen wij Jezus' raad onze naaste lief te hebben (Jupiter) als onszelf (Venus) en God boven al (Vulcanus), hebben opgevolgd. Zij die op de weg van ontwikkeling hebben gekozen voor zelfwording, zullen langs deze weg allen de voleinding bereiken, maar zij volgen de weg van de zwarte en wittte slang van de caduceus (Gr. 'karukion': heraut, voortrekker), de slangenstaf van Mercurius. Zij die hebben gekozen voor zelfverwerkelijking zullen langs de rechte middenweg van de Mercuriusstaf in enkele levens het einddoel bereiken. Maar allen zullen uiteindelijk de weg van de verloren zoon én de weer thuiskomende zoon tot een goed einde brengen. Allen zullen met Hiob (Job), wiens naam de 'terugkerende' betekent, de weg van de afscheiding, onbewustheid en daarna zelfbewustwording, gevolgd door het streven naar hereniging, begaan en het doel bereiken.

terug naar de Inhoud

9. Vergelijking met Genesis

Genesis (betekenis: 'oorsprong') Hoofdstuk 1
A. het eerste scheppingsverhaal in Genesis 1:1 In den beginne schiep God de hemel en de aarde.

A. De schepping van de stoffelijke toestand
1:2 De aarde nu was woest en ledig (onbewoond), en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods (engelen) zweefde over de wateren (ook: afgrond). 1. Het Saturnustijdperk: de 'minerale' toestand. De toekomstige aarde is dan nog een etherische 'warmte'bol, gevuld met mensengeesten. Gods engelen werken van buitenaf in op de mensengeesten.
1:3 En God zei: Er zij licht; en er was licht. 1:4 En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. 1:5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag. 2. Het Zontijdperk: de 'plantaardige' toestand. De toekomstige aarde is een etherische 'lucht'bol. De mensengeesten bevinden zich op het oppervlak van de bol.
1:6 En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dit make scheiding tussen wateren en wateren. 1:7 En God maakte het uitspansel en Hij scheidde de wateren die onder het uitspansel waren, van de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo. 1:8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag. 3. Het Maantijdperk: de 'dierlijke' toestand. De toekomstige aarde is een etherische 'water'bol. De mensengeesten 'zweven' horizontaal in de 'waterige' atmosfeer, het 'uitspansel'.
1:9 En God zei: Dat de wateren onder de hemel op een plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo. 4. Het Aardetijdperk. De aardbol begint stoffelijk, d.w.z. 'vast' te worden aan de polen.
1:10 En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemde Hij zeeën. En God zag, dat het goed was. 4.1 Het Polaire tijdvak (herhaling van de minerale toestand). De menselijke geest wordt nu verbonden met de aarde.
1:11 En God zei: Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruchtbomen, die naar hun aard vruchten dragen, welke zaad bevatten, op de aarde; en het was alzo. 1:12 En de aarde bracht jong groen voort, gewas, dat naar zijn aard zaad geeft, en geboomte, dat naar zij Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag. 4.2 Het Hyperborese tijdvak (plantaardig, het Cambrium). De menselijke geest is in een plantaardige toestand en verbonden met planten. Devoon, Carboon (varens, kattestaarten), Siluur.
1:14 En God zei: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren; Vorming van de buitenplaneten.
1:15 En dat zij tot lichten zijn aan het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde; en het was alzo. 1:16 En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschappij over de dag, en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht, benevens de sterren. Vorming van de Aarde en de binnenplaneten.
1:17 En God stelde ze aan het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde, 1:18 En om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis te scheiden. En God zag, dat het goed was. 1:19 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag. Vorming van de Maan uit de Stille Zuidzee tijdens Lemurië.
1:20 En God zei: Dat de wateren wemelen van levende wezens, en dat het gevogelte over de aarde vliege langs het uitspansel des hemels. 1:21 Toen schiep God de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens, waarvan de wateren wemelen, naar hun aard, en allerlei gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 1:22 En God zegende ze en zei: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de wateren in de zeeën, en het gevogelte worde talrijk op de aarde. 1:23 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag. 4.3 Het Lemurische tijdvak, eerste helft. De dierlijke geestestoestand; de menselijke geest is verbonden met dierlijke levensvormen.
1:24 En God zei: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo. 1:25 En God maakte het wild gedierte (monsters) naar zijn aard en het vee naar zijn aard en alles wat op de aardbodem kruipt naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. Het voorkomen van de dinosauriërs tijdens het Perm, Jura en Krijt.
1:26 En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 1:27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. 1:28 En God zegende hen en God zei tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. 1:29 En God zei: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. 1:30 Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, [geef] [Ik] al het groene kruid tot spijze; en het was alzo. 1:31 En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag. De tweede helft van het Lemurische tijdvak. De menselijke geest wordt verbonden met de eerste menselijke, stoffelijke levensvormen. De eerste schepping van de mens in Genesis.
Hoofdstuk 2, 2:1 Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer. 2:2 Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. 2:3 En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. 2:4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. 4.4 Het Atlantische tijdvak (de menselijke toestand). God 'rust', d.w.z. Gods engelen laten de mens steeds meer aan zichzelf over in het midden van dat tijdvak.
B. Het tweede scheppingsverhaal in Genesis B. De geestelijke ontwikkeling op aarde
4.5 Het begin van het 5e, Arische tijdvak (heden). De tweede schepping van de mens in Genesis: 'ha Adam', de mens.
Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, 2:5 Er was nog geen enkel 'veldgewas' op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde 'doen regenen', en er was geen 'mens' om 'de aardbodem te bewerken'; De menselijke geest had zich nog niet volledig met de aarde verbonden, want God had dit werk nog niet uitgevoerd.
Er was geen 'mens' als zelfstandig wezen om zich te ontwikkelen door zichzelf te bewerken.
2:6 Maar een 'damp' (de menselijke geesten als bolvormige wolken) steeg op uit de aarde en bevochtigde (verbonden zich met) de gehele aardbodem;
2:7 Toen formeerde de Here God de mens van stof (het lichaam) uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.
Deze twee verzen zijn een korte herhaling van de voorafgaande tijdperken.
De menselijke geest verbindt zich nu met de aarde. Gods engelen hadden tijdens de tijdperken de stoffelijke vorm al opgebouwd. De menselijke geest daalt vervolgens volledig in de stoffelijke vorm in.
Volgens de Joodse kalender: 4000 v.Chr., het verschijnen van de cultuurmens, Homo sapiens
2:8 Voorts 'plantte de Here God een hof in Eden', in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had. 2:9 Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en 'de boom des levens in het midden van de hof', benevens de boom der kennis van goed en kwaad. 2:10 Er ontsprong in Eden een rivier om de hof te bevochtigen, en daar splitste zij zich in vier stromen. Volgens Jakob Lorber in het oosten van Rusland: het Oeralgebergte.
'Hof van Eden': de door de indaling ontstane 'innerlijke wereld' van de mens met de geest in het midden.
De levensboom: de menselijke geest.
De boom van goed/kwaad: de keuzevrijheid.
De vier rivieren: de geest met de vier vermogens(?)
2:11 De naam van de eerste is Pison; deze stroomt om het gehele land Chawila, waar het goud is; 2:12 En het goud van dat land is goed; daar is de balsemhars en de steen chrysopraas. 2:13 De naam van de tweede rivier is Gichon; deze stroomt om het gehele land Ethiopië. 2:14 De naam van de derde rivier is Tigris; deze stroomt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat. -
2:15 En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. God laat de mens plaats nemen in zijn eigen binnenwereld om daar zichzelf te bewerken, zichzelf tot ontwikkeling te brengen.
2:16 En de Here God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, 2:17 Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven. 2:18 En de Here God zei: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past. 2:19 En de Here God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten. De mens moet niet meteen tot goddelijke kennis komen, want dan kan de mens de eigen zelfstandigheid niet zélf verwerven, wat de bedoeling was.
2:20 En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste. -
2:21 Toen deed de Here God een diepe slaap op de mens vallen; en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben (zijde) en sloot haar plaats toe met vlees. De mens wordt onbewust van zichzelf als geest. De mannelijke en vrouwelijke tweelinggeesten, tot nu toe verenigd, werden van elkaar gescheiden.
2:22 En de Here God bouwde de rib (zijde), die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens. 2:23 Toen zei de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal 'mannin' heten, omdat zij uit de man genomen is. Het beëindigen van de éénheid van de tweelinggeesten en de onderdompeling in de tweevoudigheid van de stoffelijke schepping.
2:24 Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot een vlees zijn. De nu gescheiden tweelinggeesten zullen ernaar streven de oorspronkelijke eenheid te herstellen, zij trachten elkaar te vinden om weer een paar te vormen: de aandrang om een levenspartner te vinden.
2:25 En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet. Op het tijdstip van de eerste scheiding waren de tweelinggeesten nog bij elkaar en voelden zich nog een gelukkige eenheid.
Hoofdstuk 3 3:1 De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had; en zij zei tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? 3:2 Toen zei de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, De 'slang': de zelfgerichte geestesgesteldheid.
3:3 Maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. De mens moet niet meteen tot zelfbesef komen, maar moet die zélf verwerven door de leergang door het tijdelijke bestaan te maken
3:4 De slang echter zei tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 3:5 Maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad. waardoor de zelfstandigheid het zelfbewerkte eigendom van de mens wordt.
3:6 En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. De mens 'wordt ongehoorzaam' en kiest voor zichzelf i.p.v. voor God; daardoor wordt de mens zelfgericht.
3:7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten. 3:8 Toen zij het geluid van de Here God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof. De bewustwording van zichzelf, wat buiten God om tot zelfgerichtheid leidt. De onschuld verdwijnt. Door bewust te handelen kan de mens een verkeerde keuze maken en zich daardoor schuldig voelen.
3:9 En de Here God riep de mens tot Zich en zei tot hem: Waar zijt gij? 3:10 En hij zei: Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 3:11 En Hij zei: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden had te eten? 3:12 Toen zei de mens: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten. 3:13 Daarop zei de Here God tot de vrouw: Wat hebt gij daar gedaan? En de vrouw zei: De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten.
3:14 Daarop zei de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. 3:15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.
-
3:16 Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen. Door de zelfgerichtheid komt met de verwijdering de strijd en het ongeluk in de wereld.
3:17 En tot de mens zei Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, 3:18 En doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; 3:19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. Het tijdelijke bestaan is een moeizame leerschool geworden; de mens moet daarin zichzelf onderrichten door zelf de wederwaardigheden te verwerken die door de tijd als stroom van gebeurtenissen op de mens toekomen. Dit heeft tot gevolg dat de mens zelf zijn geestlijke vermogens tot ontwikkeling brengt en zelfstandig wordt.
3:20 En de mens noemde zijn vrouw Eva, omdat zij de moeder van alle levenden is geworden. 3:21 En de Here God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede. 'Eva': de barende
3:22 En de Here God zei: Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven. De mens moet leren kiezen tussen goed en kwaad en dáárdoor goddelijk worden, niet door meteen te beseffen wie de mens als godenkind is, als 'eeuwig leven'.
3:23 Toen zond de Here God hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was. 3:24 En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken. Door de zelfgerichtheid ontstaat de van God afgescheiden toestand. De mens wordt onbewust van zichzelf als geest en vervolgens ontstaat de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan. De strijd die het kost om terug te keren heeft de zelfverwerkelijking en daardoor de hereniging tot gevolg.


terug naar de Inhoud

10. Literatuur
Andrews, Sherley; Atlantis en haar beschaving; Ankh-Hermes
Barborka, G.A.; Het Goddelijke Plan, deel 1,2; Theosofische Vereniging, 1972
Heindel, Max; Leer der Rozekruisers; Gnosis, 1924
Joseph, Frank; Edgar Cayce's Atlantis and Lemuria; A.R.E. Press, 2001
Leeuwen, Freek van; Geestkunde; Boekenplan, 2010
Rulof, Jozef; Het ontstaan van het Heelal; De Eeuw van Christus, 1952
Rulof, Jozef; De volkeren der Aarde; De Eeuw van Christus, 1952
Steiner, Rudolf; De wetenschap van de geheimen der ziel; Vrij Geestesleven, 1980







^