Emanuel Swedenborg - De ware Christelijke godsdienst en geestkunde


Deze serie van acht pagina's is bedoeld om te laten zien hoe vanuit het gezichtspunt van geestkunde deze grote geesten, uit verschillende culturen en tijdperken, met elkaar samenhangen. Tijdens mijn vergelijkende godsdienststudie zocht ik naar eenheid in de verscheidenheid. Dat is de reden waarom ik zo vrij ben geweest, weliswaar met schroom, hun teksten in te delen naar geestkundige aandachtspunten, om zo een vergelijking mogelijk te maken.
Wetenschap is een menselijk streven naar het verwerven van betrouwbare kennis door onderzoek te doen naar waarneembare zaken en daar toetsbare gedachten over te vormen, die door anderen kunnen worden getest. Die 'anderen' zijn in het geval van mystiek de mystici uit het verleden. Komen hun bevindingen overeen met die van mij, dan is er sprake van mystieke wetenschap.

Swedenborg werd op 29 januari 1688 te Stockholm geboren. Hij werd een succesvol natuurwetenschapper en politicus. In 1736 begon hij bijzondere dromen en geestelijke ervaringen te krijgen die hij moeilijk kon verklaren, maar die hij later herkende als het begin van de grote verandering in zijn leven. De dromen lieten hem zijn menselijke tekort zien waardoor hij zich bewust werd van zijn eerzucht en hoogmoed, wat hem in een toestand van innerlijke tweestrijd bracht. Hij trachtte zich te bevrijden van zijn wereldse gezindheid om zich geheel tot God te kunnen wenden. Hierdoor kwam er een einde aan zijn streven om alleen op natuurwetenschappelijke wijze inzicht te krijgen in de geheimen van Gods schepping en het geestelijke en lichamelijke bestaan van de mens.
Door de dromen besefte hij zich te moeten overgeven aan Gods leiding. In een aantekening over een van deze dromen schrijft hij: "Dit was een voorspelling dat God Zelf mij zal onderrichten zodra ik zal gekomen zijn tot die staat waarin ik niets zal weten en al mijn vroeger gevormde begrippen verwijderd zullen zijn, welke staat de eerste staat van onderricht is. Met andere woorden: Ik moet eerst worden gelijk een klein kind, daarna kan ik met kennis worden gevoed. Dat is nu met mij het geval."


Emanuel Swedenborg
Toen hij deze staat van deemoed had bereikt, werd het hem gegeven de geestelijke wereld te mogen aanschouwen doordat zijn geestesoog werd geopend, waarna hij met de ervaringen die hij daar mocht opdoen en de leringen die hij verkreeg, een godsdienstige filosofie kon gaan ontwikkelen. Hij stond nu rechtstreeks in verbinding met de geestelijke wereld en met engelen die daar bij hem waren. Zij lazen gezamenlijk de Bijbel en de engelen legden hem de geestelijke betekenis van de teksten uit. Dat was noodzakelijk doordat de Bijbel in de kerk een onbegrepen boek was geworden.
Swedenborg zegt dat hij als taak had gekregen de geestelijke strekking van de Bijbel weer duidelijk te maken en het inzicht in de Christelijke leer te herstellen. Hij stelt nadrukkelijk dat hij een dienstknecht van God is en dat de waarheden die hij bekend maakt, niet van hem afkomstig zijn. God opende zijn geestelijke oog zodat hij die waarheden kon zien en wat hij zag deelde hij aan de wereld mee.
De kerk en het christelijke onderwijs waren in die tijd geheel werelds geworden. Daardoor was het noodzakelijk de kerk weer inzicht te geven in het wezen van de mens en in de betrekking tussen de geestelijke en stoffelijke wereld. Over het leven in het hiernamaals, over de geestelijke werelden, hemelen en hellen, was niets bekend.
Swedenborg leert dat er twee rijken zijn: het geestelijke en het natuurlijke. Het geestelijke rijk is het wezenlijke, dat van de natuur is daar een afdruk van. Tussen het geestelijke en stoffelijke heerst de wet van de overeenstemming, waardoor de betekenis van de geschapen natuur alleen kan worden begrepen vanuit de scheppende geest. Met zijn geopende geestesoog kon hij deze algemeen geldende betrekking tussen geest en stof, de wet van de overeenstemmingen, leren kennen. Zijn uitgebreide kennis van de stoffelijke wereld, in het bijzonder van het menselijke lichaam doordat hij ook natuurwetenschapper was, stelde hem in staat deze wet volledig toe te passen.
De wet van de overeenstemmingen bleek in het bijzonder van toepassing toen engelen hem de geestelijke betekenis van de Bijbel uitlegden. Swedenborgs voornaamste taak was de ware betekenis van de Bijbel voor de kerk te herstellen. Van de theologische werken die hij uitgaf was twee derde aan verklaring van de Bijbel gewijd en ook het niet uitgegeven werk gaat voor het grootste deel over bijbelverklaring. Als hij de geestelijke wereld beschrijft, heeft dat als doel die wetten en beginselen te verduidelijken. Voor Swedenborg is Gods Woord de enige bron van geestelijk inzicht voor de mens. Hij las de Bijbel vele malen en schreef tekstvergelijkingen.
Bron: Swedenborg Genootschap

Inhoud

Deel 1 De geestelijke wereld
1. Omschrijvingen van de geest
2. Omschrijvingen van God
3. Omschrijvingen van Christus; God als Vader
4. Het hemelse huwelijk van het ware en het goede
5. De liefde
Deel 2 De geestelijke ontwikkeling van de mens
1. Geest, ziel en lichaam
2. De geestelijke vermogens
3. De geestelijke ontwikkeling
4. Onbewuste vereenzelviging, gehechtheid, eenzijdigheid
5. Bewustwording, bevrijding, zelfverwerkelijking
6. Gebed als godsbezinning, de hereniging

Deel 1 De geestelijke wereld

1. Omschrijvingen van de geest
Onder de geest van de mens wordt in concrete zin niets anders verstaan dan zijn gemoed, want dit is het, hetwelk na de dood leeft en dan geest wordt genoemd. Wanneer hij goed is een engellijke geest en daarna een engel; wanneer hij slecht is een satanische geest en daarna een satan. (Ware Christelijke Godsdienst: wcg 260)
... hieruit blijkt duidelijk, dat de geest het gemoed van de mens betekent ... (wcg 262) Een ieder heeft zijn eigen mond en zijn eigen inzicht en eenieder spreekt uit zijn eigen gemoed, dat is uit de geest, die hij bezit (m.a.w. gemoed is geest). (wcg 257)
Elk mens heeft een inwendige en een uitwendige en het inwendige maakt de mens die geest wordt genoemd en na de dood leeft; en het uitwendige wordt begraven. Elk mens is t.a.v. zijn geest met zijns gelijken aangesloten in de geestelijke wereld en hij is a.h.w. één met hen. (wcg 25) (de vrienden en vriendinnen die ons begeleiden)
Het menselijke gemoed (geest), van waaruit en waardoor de mens een mens is, is in drie gebieden overeenkomstig drie graden (geestesgesteldheden) gevormd: hemels, geestelijk en natuurlijk. (wcg 57) Naar deze graden georganiseerd, is het menselijke gemoed het ontvangende vat van de goddelijke invloed; maar nochtans vloeit het goddelijke niet verder dan voor zover de mens de weg effent en de deur opent. Wanneer de mens dit doet, tot aan de hoogste graad, wordt hij waarlijk een beeld van God. (wcg 57) De mens is door de schepping een kleinste afbeelding, beeld en toonbeeld van de grote hemel. De menselijke vorm is niets anders. (wcg 993)

De twee wezenlijke zaken, waaruit het menselijke gemoed (geest) bestaat, zijn wil en verstand, want uit deze twee bestaat het gemoed van eenieder en deze twee werken in elk der dingen van het gemoed. Op dezelfde wijze blijft het menselijke lichaam bestaan door het hart en de long, door de samentrekking en uitzetting van beide. Het hart stemt overeen met de liefde en de long met de wijsheid. (wcg 66)
Dat de mens door het goddelijke ware is gemaakt, komt, doordat alle dingen van de mens betrekking hebben op het verstand en op de wil. Het verstand is het ontvangende vat van het ware en de wil het ontvangende vat van het goede. Bijgevolg is het menselijke gemoed (geest) hetwelk uit deze twee beginselen bestaat, niets anders dan de geestelijk en natuurlijk georganiseerde vorm van het goddelijke (hemelse) ware en goede. (wcg 359) Er zijn bij ieder mens twee vermogens des levens, die wil en verstand worden genoemd. (wcg 378) Ieder mens is zijn wil en verstand en aldus is de een van de ander onderscheiden. De mens is nergens anders vandaan mens en niets anders is bij hem mens. (wcg 393)
... want in het inwendige van de mens, waaronder het wilsdeel (willen) en het gewaarwordende (waarnemen) deel van zijn gemoed (geest) wordt verstaan, zijn groepen van voorstellingen in grote hoeveelheid (geheugen). (wcg 258)
(hier beschrijft Swedenborg dat de geestelijke vermogens de wezenlijke kenmerken van de geest zijn)
... het inwendige van de mens, hetwelk zijn geest wordt genoemd, is in zijn wezen een engel. De engel is de volmaakte menselijke vorm. (Over de hemel en de hel, hh 203)
Onder het menselijke gemoed (geest) worden zijn twee vermogens verstaan, verstand en wil. Het verstand neemt het licht van de hemel op, dat in zijn wezen wijsheid is; de wil neemt de warmte van de hemel op, die in zijn wezen liefde is. Allereerst wordt het licht ontvangen, dat het verstand vormt, dan langzamerhand de liefde, die de wil vormt. (Gemeenschap tussen ziel en lichaam. gzl 23)
Het gemoed (geest) van de mens is een beeld van de hemel, d.w.z. dat het een hemel is in het klein. Daardoor is de mens in staat om een engel te worden ... en zulks naar de opneming van de wijsheid en de liefde uit God. (gzl 28)
In de geest van de mens is het binnenste de verbinding van het goede en het ware of van het aangename dat het goede nabootst en van het rechte, dat het ware nabootst. (Het huwelijk, huw 107)

terug naar de Inhoud

2. Omschrijvingen van God
God is, doordat God oneindig is, het leven in zichzelf. (wcg 671) Dat God het leven in zichzelf is, dus het leven zelf, leert God zelf bij Johannes: Het Woord was bij God en God was het Woord; in God was het leven en het leven was het licht der mensen. (wcg 673)
In de geestelijke wereld is God de zon in het midden daarvan. Vanuit die zon gaat de warmte voort, die in haar wezen liefde is en een licht, dat in zijn wezen wijsheid is. (wcg 40)
De eigenschappen van God zijn alle oneindig: de liefde (voelen), de wijsheid (denken) en de macht (willen). God is het zelf, omdat hij de liefde zelf en de wijsheid zelf is of omdat hij het goede zelf en het ware zelf is en vandaar het leven zelf. (wcg 43)
Op het goddelijke Zijn is de oneindigheid (ruimte) en de eeuwigheid (tijd) van toepassing (de algeest is de eeuwige oneindigheid), terwijl op het goddelijke wezen de goddelijke liefde (voelen) en de goddelijke wijsheid (denken) van toepassing zijn en door deze beide de almacht (willen) en de alomtegenwoordigheid (waarnemen). (wcg 36)

De warmte uit de zon der geestelijke wereld, in het midden waarvan Jehova God is, is in haar wezen de goddelijke liefde en het daaruit voortvloeiende licht is in zijn wezen de goddelijke wijsheid. Hieruit blijkt duidelijk dat, evenals de oneindigheid, de onmetelijkheid en de eeuwigheid tot het goddelijke zijn behoren, evenzo de alwetendheid, de alomtegenwoordigheid en de almacht tot het goddelijke wezen behoren. (wcg 91) God is alwetend, dat is: wordt gewaar (waarnemen), ziet en weet alle dingen, tot de kleinste toe, welke volgens de orde geschieden en uit deze dingen ook die, welke tegen de orde geschieden. De almacht (willen), de alwetendheid (waarnemen) en de alomtegenwoordigheid behoren tot de goddelijke wijsheid (denken) uit de goddelijke liefde (voelen). (wcg 92) Dat God alwetend is, dat is: alle dingen gewaarwordt, ziet en weet (waarnemen), komt, doordat God de wijsheid zelf en het licht zelf is; en de wijsheid (denken) zelf wordt alle dingen gewaar (het denken neemt waar) en het licht zelf ziet alle dingen (waarnemen hangt samen met licht). (wcg 100)

Het geloof in de nieuwe hemel en van de nieuwe kerk is dit: dat Jehova God de liefde zelf en de wijsheid zelf is, of dat hij het goede zelf en het ware zelf is; en dat hij t.a.v. het goddelijke ware, wat het woord is, en wat God was bij God, neerdaalde en het menselijke aannam, met het doel om alle dingen, die in de hemel, in de hel en in de kerk waren, in orde te stellen. (wcg 5)
Alle gezonde rede, ook al is ze niet godsdienstig, ziet (de rede ziet), dat alle ding, dat uit delen bestaat, uit zichzelf uiteen zou vallen, wanneer het niet van een eenheid afhing ... (wcg 14)
De kerk op aarde en de engelenhemel maken één uit, zoals het inwendige en het uitwendige en zoals het geestelijke en natuurlijke bij de mens. De mens is door God zo geschapen, dat hij naar zijn inwendige in de geestelijke wereld is en naar zijn uitwendige in de natuurlijke wereld. (wcg 24)
Door de alomtegenwoordigheid zegt God, dat hij in het midden van hen is; voorts dat hij in hen is en zij in hem zijn. Aangezien hij echter door niemand zo, als God in zichzelf is, kan worden opgenomen, verschijnt God, als hij in zijn wezen is, als zon aan de hemel. (wcg 43)

Er is overeenstemming tussen de dingen die in de geestelijke wereld zijn en de dingen, die in de natuurlijke wereld zijn. (wcg 123) God is de liefde zelf en de wijsheid zelf en de aandoeningen van zijn wijsheid zijn oneindig en de gewaarwordingen van zijn wijsheid zijn oneindig, en daarvan zijn alle dingen in het heelal overeenstemmingen. (wcg 131)
Het heelal is een onverbrekelijk samenhangend werk. (wcg 80) Dat God de orde is, komt, doordat hij de substantie (de bouwstof) zelf en de vorm zelf is; de substantie, aangezien uit hem alle dingen, welke blijven bestaan, ontstaan zijn en bestaan; de vorm, aangezien alle hoedanigheden der substanties uit hem uitgegaan is en uitgaat; van nergens anders dan van de vorm komt de hoedanigheid. (wcg 94) Daar nu God de eigenlijke, de enige en de eerste substantie en de vorm is, en tevens de eigenlijke en enige liefde en wijsheid, en aangezien de wijsheid uit de liefde de vorm maakt en de staat en de hoedanigheid van de vorm overeenkomstig de orde is, die daarin ligt, zo volgt, dat God de orde zelf is. (wcg 94) De almacht Gods, zowel in het heelal als in alle dingen daarvan, schrijdt voort en werkt volgens de wetten van zijn orde. God is almachtig, doordat hij alle dingen uit zichzelf kan en alle anderen alleen uit God iets kunnen. (wcg 96)

In al het goddelijke is een eerste, een middelste en een laatste. Het eerste gaat door het middelste tot het laatste en aldus bestaat het en blijft het bestaan. Vandaar is het laatste de grondslag. Voorts is het eerste in het middelste en door het middelste in het laatste, aldus is het laatste de houder; en aangezien het laatste de houder en de grondslag is, is het ook het firmament. De geleerde zal begrijpen, dat deze drie einddoel, oorzaak en werking kunnen worden genoemd; voorts zijn, wording en bestaan, en dat het einddoel het zijn is, de oorzaak het worden en de werking het bestaan; bijgevolg dat in elk volledig ding een drieheid is, die wordt genoemd: eerste, middelste en laatste, voorts einddoel, oorzaak en werking. In het laatste is het al, aangezien daarin de beide vorige tezamen zijn. (wcg 345)
Onder 'drie' wordt in het Woord in de geestelijke zin het volledige en volmaakte verstaan, voorts alles tegelijk. Er is niets volledig en volmaakt, tenzij het een drieheid is. (wcg 625)

God kan niet uit zichzelf uitgaan. God kan niemand verdoemen of straffen. God kan zichzelf niet eens van een mens afwenden. Deze dingen zijn tegen Gods wezen. (wcg 96)
Alle dingen leiden tot de gevolgtrekking dat God de wereld niet vanuit niets heeft geschapen, aangezien vanuit niets niets wordt. (wcg 125)
... God is voor eenieder aanwezig volgens de liefde en het geloof. (Over de hemel en de hel, hh 119)
In het hemelse rijk verschijnt God als zon. In de eerste staat het helderst, in de tweede staat minder helder, in de derde staat nog minder. In het geestelijke rijk verschijnt God als maan. (hh 100)
De werkzaamheden der engelen zijn de werkzaamheden van God door de engelen. (hh 266)
Alle engelen keren zich tot God als de zon en de maan des hemels. (hh 398)
Want God is niet in één plaats, maar alomtegenwoordig, men kan God overal zien. De engelen die God liefhebben, hebben God altijd voor ogen. (Gemeenschap tussen ziel en lichaam, gzl 75)
Met de allerhoogste wordt bedoeld de meest innerlijke. (gzl 82)
De mens is geschapen om geestelijke en hemelse liefde te zijn en dus het beeld en de gelijkenis Gods. (Het huwelijk, huw 5)

terug naar de Inhoud

3. Omschrijvingen van Christus; God als Vader
De invloed uit God is in de zielen (geesten) der mensen. Dit komt, doordat de ziel (de geest) het binnenste en het hoogste van de mens is en de invloed uit God geschiedt daarin en daalt van daaruit neer in de dingen die beneden zijn en maakt ze levend naar zijn opneming. (wcg 11)
Wie zich niet zelf tot de Heer van Hemel en Aarde (Christus) wendt, kan niet in de hemel komen, aangezien de hemel de hemel is vanuit de Enige God en dat deze God Jezus Christus is, die Jehova de Heer is, uit het Eeuwige de schepper, in de tijd de verlosser en tot in het eeuwige de wederverwekker, dus die tegelijkertijd Vader, Zoon en heilige Geest is. (wcg 45)
God als Christus heeft zich gevormd tot een ontvanger en een woning, waarin zijn Vader kon binnengaan, hetgeen daardoor geschiedde, dat Christus alle dingen van het Woord vervulde (als ieder mens) dat is, alle wetten der orde daarin; en voor zover hij dit volbracht, verenigde Christus zich met de Vader en de Vader zich met hem.

Aangezien God als Christus neerdaalde en aangezien hij de orde is, zo kon hij, om daadwerkelijk mens te worden, niet anders, dan ontvangen worden, in de baarmoeder gedragen worden, worden opgevoed en geleidelijk de wetenschappen leren en door middel daarvan in inzicht en wijsheid worden binnengeleid. Daarom was hij t.a.v. het menselijke een klein kind zoals een klein kind, een knaap zoals een knaap, enz.; maar met dit verschil alleen, dat hij deze ontwikkelingsgang sneller, vollediger en volmaakter volbracht dan de anderen. (wcg 151)
Dit is geschied, aangezien (God door) de goddelijke orde wil, dat de mens zichzelf voorbereidde (zelfverwerkelijking) tot de opneming Gods (hereniging); en zoals hij zich voorbereidt, zo treedt God in hem als in zijn woonplaats en huis binnen; en deze voorbereiding geschiedt door kennis aangaande God en aangaande de geestelijke dingen, die tot de kerk behoren en aldus d.m.v. het inzicht en de wijsheid. (wcg 151) Want het is een wet der orde, dat voor zoveel de mens tot God gaat en hem nadert - hetgeen hij geheel als uit zichzelf moet doen - voor evenzoveel God tot de mens gaat en hem nadert en in diens midden zich met hem verbindt. Christus heeft zich door deze zelfde handelingen verenigd met de Vader en de Vader heeft zich verenigd met hem. (wcg 160)
Toen Christus in de wereld kwam, had hij een ziel gelijk ieder ander mens. Waar vandaan had hij deze anders dan vanuit God de Vader? 178) Dat Christus in de wereld tot de Vader bad als tot een ander en dat hij zich voor de Vader vernederde als voor een ander, geschiedde volgens de uit de schepping vastgestelde orde, die onveranderlijk is en overeenkomstig welke eenieder tot de verbinding met God (hereniging) moet voortschrijden (door zelfverwerkelijking). Deze orde bestaat hierin, dat zoals de mens door een leven overeenkomstig de orde, die de geboden Gods zijn, zich met God verbindt en hem (zich) uit 'natuurlijk' 'geestelijk' maakt. (wcg 179)
Zich voorbereiden tot de aanneming uit God en tot de verbinding, is leven overeenkomstig de goddelijke orde en de wetten der orde zijn de goddelijke geboden. Deze heeft Christus geheel vervuld en aldus zichzelf gemaakt tot het ontvangende vat der godheid in de ganse volheid. In Christus woont de volheid der godheid lichamelijk. (wcg 179) Verder dient men in het oog te houden dat Christus alleen bij de mens werkzaam is en dat de mens vanuit zichzelf geheel onwerkzaam is, maar door de invloed van het leven vanuit Christus (de heilige geest) eveneens werkzaam is. Vanuit deze voortdurende invloed vanuit Christus schijnt het de mens toe, alsof hij uit zichzelf werkzaam is; en aangezien dit zo is heeft hij de vrij keuze en deze werd hem gegeven, opdat hij zichzelve voorbereide (zelfverwerkelijking) om God op te nemen en zich aldus te verbinden (hereniging). Deze verbinding is niet bestaanbaar wanneer zij niet wederkerig is; en zij wordt wederkerig wanneer de mens uit vrije wil handelt, maar nochtans uit het geloof alle werkzaamheid aan God toeschrijft. (wcg 180)
De verheerlijking is echter de vereniging van het menselijke van Christus met het goddelijke van de Vader. Ieder mens moet zijnerzijds tot God naderen en voor zoveel de mens nadert, treedt God van zijn zijde binnen. (wcg 214)

Onder de heilige geest wordt verstaan de uit de ene en alomtegenwoordige God voortkomende goddelijke werking. (wcg 241) Dat Christus onder de trooster of de heilige geest zichzelf verstond, blijkt duidelijk uit de woorden van Christus zelf.
De heilige geest is het goddelijke ware, voortgaande uit Jehova God de Vader en dit voortgaande is de kracht van de allerhoogste. De werking van deze kracht is de heilige geest, die God tot diegene zendt, die in hem geloven en die zichzelf gereed hebben gemaakt om God op te nemen. (wcg 247)
Het leven, dat invloeit, is het uit God voortgaande leven, welk leven ook de Geest Gods wordt genoemd, in het Woord de heilige Geest, waarvan ook wordt gezegd dat het de mens verlicht en levend maakt en dat het in hem werkt. Maar dit leven wordt gevormd overeenkomstig de geestesgesteldheid, welke door de liefde is aangebracht.
Christus en de heilige geest zijn één, aangezien de heilige geest het goddelijke is, voortgaande vanuit Christus vanuit de Vader ... (wcg 287)

Daar nu Christus het goddelijke ware zelf is uit het goddelijke goede en dit zijn eigenlijke wezen is en een ieder vanuit zijn wezen doet wat hij doet, zo blijkt dat Christus voortdurend wil en ook niets anders kan willen dan het ware en het goede, of het geloof en de naastenliefde in ieder mens inplanten. Dit kan door vele dingen in de wereld worden toegelicht, zoals door dit, dat ieder mens volgens zijn wezen denkt, wil ... spreekt en handelt. (wcg 248)
Christus is voortdurend tegenwoordig en wil binnenkomen, maar de mens moet, vanuit het vrije dat hij uit de Christus heeft, zich openen ... (wcg 421)
Er is een verbinding met God, door welke de mens het heil en het eeuwige leven kan verkrijgen. Er is geen verbinding mogelijk met God de Vader, maar met Christus, en door Christus met God de Vader. De verbinding met God is wederkerig, namelijk Christus is in de mens en de mens is in Christus. Deze wederkerige verbinding geschiedt door de naastenliefde en het geloof. De mens is geschapen om met God te kunnen worden verbonden (de hereniging). (wcg 520)
Christus onze zaligmaker is Jehova de Vader zelf in menselijke vorm. Want Jehova daalde neer en werd mens, opdat hij de mens zou kunnen naderen en de mens hem en er aldus verbinding zou geschieden en de mens door de verbinding de zaligheid en het eeuwige leven zou verkrijgen. Want toen God mens was geworden en aldus ook de mens tot God was geworden, kon God, aan de mens aangepast, deze naderen en met hem verbonden zijn als godmens en als mensgod. (wcg 523)
Gelijk de Vader het leven heeft in zichzelf, alzo heeft hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelf. Er zijn twee dingen, die het leven uitmaken, de liefde en de wijsheid, of, wat hetzelfde is, het goede der liefde en het ware der wijsheid, welke uit Christus invloeien en door de mens worden opgenomen, alsof zij van hem waren. Aangezien zij zo worden aangevoeld, gaan zij ook van de mens als het zijne uit. Dat zij door de mens als het zijne worden aangevoeld, is uit Christus gegeven, opdat dat, wat invloeit, hem aandoet en aldus opgenomen wordt en blijft. (wcg 652) De mens is het opnemende orgaan van het leven uit God; bijgevolg is hij een opnemer van het goede, voor zoveel hij van het boze aflaat. (wcg 653)
God kwam in de wereld om de hel te beheersen en de hemel te openen, zodat God voortaan bij de mens in het aardrijk aanwezig kon zijn; en hen zalig maken die overeenkomstig zijn geboden leven, bijgevolg hen wederverwekken en zaligmaken ... (786)
Daarom hief God , toen hij (als Christus) in de wereld kwam, de uitbeeldende dingen op, die alle uitwendig waren; en stichtte hij een kerk waarvan alle dingen inwendig zouden zijn; aldus deed God de symbolen weg en onthulde hij de beeltenissen zelf. (wcg 897)
De geestelijke wet is de wet van Christus: alle dingen die jij wilt dat de mensen jou doen, doe jij hun evenzo. (wcg 625)
... onder het 'vlees' wordt het goede der naastenliefde verstaan en onder het 'bloed' het ware van het geloof ... d.w.z. de liefde en de wijsheid. (wcg 950)

terug naar de Inhoud

4. Het hemelse huwelijk van het ware en het goede
Is de ouderliefde niet uit God in elk mens gegrift? Kunnen een vader en een moeder hun kleine kind verstoten ...? Anders handelen zou tegen de orde indruisen, waarin God is en overeenkomstig in welke hij handelt en ook tegen een orde, waarin God de mens schiep. (wcg 484)
De verbinding van de naastenliefde (voelen) en het geloof (denken) is als het huwelijk: uit de echtgenoot als vader en uit de echtgenote als moeder worden de kinderen (waarnemen en willen) geboren; desgelijks worden uit de naastenliefde als vader (voelen) en uit het geloof als moeder (voelen) de geestelijke kinderen geboren (wilen), zijnde de kennis (waarnemen) van het goede en ware. In het Woord wordt ook in de geestelijke zin door de echtgenoot en vader het goede der naastenliefde aangeduid en door de echtgenote en de moeder het ware van het geloof. (wcg 534)
Alle dingen in het heelal die in de goddelijke orde zijn, slaan terug op het goede en het ware. Er bestaat niets in de hemel en niets in de wereld, wat niet op deze twee terugslaat. De reden hiervan is deze, dat beide, het ware en het goede, uit God voortgaan. De verbinding van het goede en het ware, wordt in de hemel het hemelse huwelijk genoemd. In dit huwelijk zijn allen, die daar zijn. (wcg 576)
Het goede heeft het lief om met het ware te worden verbonden. Alle inzicht en wijsheid wordt geboren uit de verbinding van het goede en het ware. (wcg 576)
Het is vanuit de schepping, dat daar, waar werkzame dingen zijn, ook lijdzame zijn en dat die twee zich als in één verbinden. (wcg 672)
God verschijnt voor het rechter oog als zon (mannelijk) en voor het linker oog als maan (vrouwelijk). De maan wordt omgeven door meerdere kleine maantjes (kinderen). (Over de hemel en de hel, hh 73)
God verschijnt aan hen, die in het hemelse rijk zijn als zon en aan hen die in het geestelijke rijk zijn als maan. (hh 77)
... zij schouwen tot God als zon of als maan. (hh 95) ... God als de zon en de maan van de hemel. (hh 398)
De hemel is vanuit het menselijke geslacht en ook de engelen zijn in beide geslachten. In de hemel zijn evenzeer huwelijken als op aarde. Het huwelijk in de hemelen is de verbinding van twee tot één gemoed. (hh 248)
Het gemoed bestaat uit twee delen, waarvan de ene het verstand en de andere de wil wordt genoemd. Wanneer de twee delen als één optreden, worden zij één gemoed geheten. De echtgenoot vervult daar dat deel, hetwelk het verstand wordt genoemd, de echtgenote dat deel, hetwelk de wil wordt genoemd. Door de verbinding van de twee worden twee echtelieden in de hemel niet twee, maar één engel genoemd. (hh 248)
Dat er ook een zodanige verbinding is van de echtgenoot en de echtgenote in de binnenste dingen, komt vanuit de schepping zelf. (hh 248)
... de echtelijke liefde ... is het goddelijke van God in de hemel, zijnde het goddelijke goede en het goddelijke ware, verenigd in twee tot één. ... het goddelijke is afgebeeld in twee, die in de waarlijk echtelijke liefde zijn (m.a.w. God is manvrouw, vadermoeder). (hh 253) Omdat zo het goddelijke is afgebeeld, is de hemel het ook, doordat de hemel het uit God voortgaande goddelijke goede en goddelijke ware is. (hh 253)
... in het Woord wordt met geboorte en verwekking geestelijke geboorte en geestelijke verwekking aangeduid, zijnde die van het goede en ware; met de moeder en de vader het met het goede verbonden ware, hetwelk voortplant; met zonen en dochters de ware en de goede dingen die worden voortgeplant. (hh 259)
Het boek Over de echtelijke liefde spreekt over het huwelijk, zoals het in de hemel bestaat en van daaruit in de hele schepping in afdalende graden, als gevolg van de liefde en de wijsheid of het goede en het ware, welke in God de schepper een volmaakte eenheid vormen (een volmaakt huwelijk, m.a.w. het wezen van God is het huwelijk tussen het mannelijke en vrouwelijke). (Gemeenschap tussen ziel en lichaam, gzl 37)
Het geslachtelijke is het wezenlijke van de geest en kan daarom niet worden vernietigd. De man leeft als een man en de vrouw als een vrouw voort. Omdat van de schepping af man en vrouw voor elkaar zijn bestemd, zijn er ook huwelijken in de hemel, waar het de vereniging is van twee tot één geest. (gzl 37)
In de man overheerst het verstand (denken), in de vrouw overheerst de wil (voelen), maar in het huwelijk der gemoederen (geesten) is geen overheersing. Ieder begeert te willen en te denken zoals de ander, vandaar hun verbinding, zodat twee echtgenoten niet twee engelen, maar één engel worden genoemd en er van verre ook als één mens uitzien. (gzl 37)
Echtgenoten tezamen of echtelijke liefde is het eigenlijke beeld en de gelijkenis Gods. (Het huwelijk, huw 100)
... daar de ganse schepping het menselijke geslacht en dus de hemel tot eindoel heeft, alwaar het goddelijke zelf woont als in het zijne en als in zichzelf, en daar de voortplanting van de mens volgens de goddelijke orde is ingesteld d.m.v. het huwelijk, blijkt duidelijk hoe heilig het huwelijk op zichzelf, d.w.z. van de schepping af, is, en hoe heilig het dus gehouden moet worden. (huw 12)
Onschuld is de Heer lief te hebben als zijn vader, door zijn geboden te onderhouden en door van hem geleid te willen worden en niet door zichzelf, dus evenals een kind. (huw 24)

terug naar de Inhoud

5. De liefde
Het wezen der liefde is, anderen lief te willen hebben buiten zichzelf, één met hen te willen zijn en hen vanuit zich gelukkig te willen maken (liefde is een gevoel van persoonlijke verbondenheid). De liefde is op zichzelf beschouwd niets anders, dan een streven naar verbinding. (wcg 76)
De liefde als een bruidegom en echtgenoot brengt voort en verwekt alle vormen, maar dan d.m.v. de wijsheid als bruid en echtgenote. (wcg 66) Er is een voortdurende overeenstemming tussen de dingen van het gemoed (de geest) en het lichaam. (wcg 66)
De goddelijke liefde vormt het leven, zoals het vuur het licht vormt. Er zijn in het vuur twee dingen: brandkracht en glans. Vanuit de brandkracht gaat warmte voort en vanuit de glans licht. Desgelijks zijn er in de liefde twee dingen: de brandkracht van het vuur stemt overeen met wat in het binnenste van de mens de wil aandoet; de glans (licht) van het vuur stemt overeen met wat in het binnenste het verstand aandoet. (wcg 71)
... de liefde is de geestelijke verbinding ... (Over de hemel en de hel, hh 12)
... eenieder betuigt zijn liefde door die dingen te willen doen die de ander wil ... (hh 13)
Liefde is in haar wezen een geestelijk vuur. De lichaamswarmte komt uit geen andere bron dan de liefde, die het leven uitmaakt. (Gemeenschap tussen ziel en lichaam, gzl 55)
De verbinding van de Heer met de mens ... is de verbinding van het goede en het ware; van de Heer is het goede en bij de mens is het ware, vandaar de verbinding, welke het hemelse huwelijk genoemd wordt. Krachtens dit huwelijk bestaat de ware echtelijke liefde tussen twee echtgenoten, die in zulk een verbinding met de Heer zijn. Hieruit blijkt nu voor het eerst, dat de ware echtelijke liefde van de Heer alleen komt en bij hen is, die in de verbinding van het goede en het ware zijn uit de Heer. Daar deze verbinding wederkerig is, wordt zij door de Heer beschreven met de woorden: "Gij zijt in mij en ik in u" (Joh. 14:20). Deze verbinding of dit huwelijk is aldus van de schepping af ingesteld: de man is geschapen om verstand te zijn van het ware en de vrouw om de neiging te zijn tot het goede, bijgevolg de man om het ware te zijn en de vrouw het goede. Wanneer het verstand van het ware bij de man één uitmaakt met de neiging tot het goede bij de vrouw, zo is er verbinding van beider gemoed tot één. Deze verbinding is het geestelijke huwelijk ...; want wanneer beider gemoed zo verbonden is, dat zij a.h.w. één gemoed zijn, dan is er liefde tussen hen. (huw 4) Echtgenoten, die elkaar innerlijk naar het gemoed onderling en werderkerig lief hebben, hebben elkaar ook onderling en wederkerig naar het lichaam lief. Het is bekend, dat elke liefde uit de neiging van het gemoed in het lichaam neerdaalt en dat er zonder deze oorsprong geen enkele liefde bestaat. (Het huwelijk, huw 5)
De mens is geschapen om geestelijke en hemelse liefde te zijn en dus het beeld en de gelijkenis Gods. (huw 5) De mens kan niet de liefde worden, die het beeld of de gelijkenis Gods is, dan door het huwelijk van het ware en het goede, want het ware en het goede hebben elkaar innig lief en branden van verlangen om zich te verenigen, dus om één te worden. Daarom wordt ook in de hemel van twee echtgenoten niet gesproken als van twee engelen, maar als van één engel. (huw 7)
Dat de huwelijksliefde zo heilig en zo hemels is, komt omdat zij, van de Heer zelf uitgaande, in het binnenste van de mens begint, dan alnaar de orde tot het uiterste van het lichaam neerdaalt en aldus de ganse mens met hemelse liefde vervult. (huw 9)
De huwelijksliefde wordt in de geestelijke wereld uitgebeeld als een maagd van zulk een schoonheid, dat zij in een ieder, die haar aanschouwt, de ganse heerlijkheid des levens oproept. (huw 10) De verlustigingen der echtelijke liefde worden in de geestelijke wereld zinnnelijk waarneembaar voorgesteld door de welriekende geuren van allerlei soorten vruchten en bloemen. (huw 11)
Het tegenovergestelde is met de huwelijksliefde het geval; zij is een vuur ontstoken door de liefde tot het goede en het ware en door de vreugde in weldoen, dus door de liefde tot de Heer en door de naastenliefde. Dit vuur, van hemelse oorsprong, is vol ontelbare vreugden, zo veel namelijk als de hemelse vreugden en zaligheden. De oorsprong van deze vreugden is hierin gelegen dat de echtgenoten naar het gemoed tot één verenigd willen worden en dat de hemel naar een dergelijke vereniging streeft d.m.v. het huwelijk van het goede en het ware ... . (huw 21) Zij (de engelen) zeggen dat hun vermogen (tot vereniging) onafgebroken voortduurt; dat zij na de daad nimmer enige uitputting voelen, nog minder enige droefenis, maar levensfrisheid en blijheid van gemoed; dat de echtgenoten vernachten in elkaars schoot daar zij als één geheel geschapen zijn; dat de liefdesuitingen voortdurend vrij uitstromen zo dat ze nooit ontbreken wanneer zij willen, want zonder deze zou de liefde zijn als een verstopte bronader van een fontein. De liefdesuiting opent haar en bestendigt haar en bewerkt ook hun verbinding, zodat zij als tot één vlees worden, want het leven van de man voegt zich bij het leven van de vrouw en verbindt. (huw 21)
... Hieruit volgt dat de ware echtelijke liefde in haar binnenste wezen liefde tot de Heer is. (huw 24)
De graad en de aard van des mensen inzicht en wijsheid is evenredig aan de graad en de aard van zijn echtelijke liefde. (huw 26)
... de verbinding van het goede en het ware geschiedt in de geestelijke wereld d.m.v. de aanblik, en de vrouw is daar het goede en haar man is daar het ware. (huw 27)
Vandaar komt het dat de mens door de echtelijke liefde vrede heeft en deze vrede is de meest innerlijke vreugde des harten ... . (huw 27)
Ware echtelijke liefde kan niet bestaan dan tussen twee; ... .(32) ... in de ganse hemel en in de ganse wereld zijn er twee dingen waarop alles betrekking heeft; die twee dingen heten het goede en het ware. Uit die twee tot één verbonden is alles wat in de wereld en in de hemel bestaat, ontstaat en blijft bestaan. Wanneer zij één zijn, dan is het goede in het ware en het ware in het goede, en het ware is van het goede en het goede is van het ware. Aldus erkent het ene het andere in onderling en wederzijds verband, en als het actieve zijn reactieve en omgekeerd. Uit dit alles omvattende huwelijk komt de echtelijke liefde tussen man en vrouw. De man is geschapen om verstand te zijn van het ware en zijn vrouw is geschapen om wil te zijn van het goede, zodat beiden tezamen het ware en het goede in een vorm uitmaken, en deze vorm is een mens en het beeld Gods. En daar het van de schapping af is ingesteld, dat het ware aan het goede toebehoort en het goede aan het ware, aldus onderling en wederkerig ... . (huw 33)
Want van de schepping af is het aldus ingesteld, dat alles van de man, zowel wat zijn gemoed als zijn lichaam betreft, zijn wederhelft vindt in het gemoed en het lichaam van zijn vrouw, en dat vandaar zelfs de kleinste bijzonderheden van beider wezen in wederzijdse betrekking tot elkaar staan en verbonden willen worden. Op deze verstandhouding en op dit streven berust de echtelijke liefde. (huw 34) Alle dingen van het lichaam, leden, ingewanden en organen genoemd zijn niets anders dan natuurlijk-lichamelijke vormen, welke overeenstemmen met de geestelijke vorm van het gemoed. Vandaar stemmen alle dingen van het lichaam en elk in het bijzonder, dermate overeen met alle dingen, in het algemeen en in het bijzonder, van het gemoed, dat al wat het gemoed wil en denkt, het lichaam op de eerste wenk terstond uitvoert. (huw 34)
... er zijn daar (in de hemelen) echtgenoten die in zulk ene echtelijke liefde leven, dat zij beiden één vlees kunnen zijn en zijn het ook wanneer zij willen. Zij verschijnen dan als één mens. (huw 35) ... zij zijn als paarsgewijze delen van de mens, namelijk als de beide hemisferen van de hersenen omgeven door een vlies, als de beide kamers van het hart binnen een gemeenschappelijk omhulsel en evenzo de beide kwabben van de longen. Deze delen, ofschoon twee zijnde, maken nochtans één uit wat het leven en de levenswerking, d.w.z. hun functie, betreft. (huw 35)
Ik heb de engelen horen zeggen ... dat de echtelijke liefde hen met zulk een vreugde vervulde ... dat zij niet ander kunden uitdrukken dat het de vreugde zelf was, waaruit ... alle ander vreugden voortkomen; en van deze vreugde zeiden zij dat het een pure vreugde van de geest was, zonder de minste opwekking van zinnelijke begeerte, ... . (huw 43)
Daar de ware echtelijke liefde in haar oorsprong de reine vreugde zelf van de geest is ... (43)
Want alle dingen in het heelal hebben betrekking op het huwelijk van het goede en het ware, dus op het huwelijk, willen zij iets zijn en willen zij iets voortbrengen ... . (huw 57)
Wanneer zij (twee geesten) samenkomen, onderzoeken zij elkaar over en weer, van welke wederzijdse neiging zij waren en indien er geen wederzijdse neiging tussen hen bestond, gaan zij vanzelf uit elkaar; want twee neigingen en gedachten van ongelijke aard, kunnen niet met elkaar verenigd worden; ... . (huw 60) In alle huwelijken van de engelen des hemels wordt door de Heer voorzien, die als enige de gelijkgeaardheid van het gemoed kent, die tot in eeuwigheid moet duren; en dan erkennen de echtgenoten elkaar op het eerste gezicht, dat zij het zijn, want de gelijkgeaardheid van het gemoed verbindt. (huw 61) Wat heerszucht in het huwelijk betreft, valt te zeggen, dat zij alle echtelijke liefde wegneemt, omdat de echtelijke liefde van dien aard is, dat de een wil denken en willen zo als de ander en dus onderling en wederkerig, dus dat geen van beiden heerst, doch de Heer; ... . (huw 63)
De ware echtelijke liefde kan niet bestaan dan tussen twee, dat is, in het huwelijk van één man met één vrouw, echter niet met veel vrouwen, omdat de echtelijke liefde onderling en wederkerig is en het leven van de een over en weer in dat van de ander is, zodat zij als het ware één zijn. (huw 90)
De huwelijkse staat wordt uitgebeeldt overal in de rijken der natuur ... . (huw 93)
... en omdat de heiligheid van de hemel op de echtelijke liefde is gegrondvest en dus op de onschuld ... . (huw 95)
In de hemel is de vrouw geestelijke warmte en de man geestelijk licht. (huw 101) Een vrouw van hemelse en geestelijke schoonheid is de schoonheid zelf of de vorm van het schone en het goede. (huw 101)
... (dat zij) de echtelijke liefde de voornaamste van alle liefden noemden, alsmede de eigenlijke verlustiging des levens en dat de liefde jegens de kinderen daaruit de naaste afleiding is. (huw 104)
Een vrouw wordt na de dood een vrouw en een man wordt een man, en de onderlinge en wederkerige liefde blijft. (huw 104) Alle dingen zijn tot het huwelijk terug te brengen (118)

terug naar de Inhoud

Deel 2 De geestelijke ontwikkeling van de mens

1. Geest, ziel en lichaam
Het gemoed van de mens is de geest, die na de dood leeft. (wcg 674)
Het inwendige en het uitwendige zijn het inwendige en uitwendige van de geest van de mens; het lichaam is slechts een toegevoegd uitwendige, waarbinnen de geest bestaat; het lichaam doet niets uit zichzelf, maar uit de geest, die daarin is. (wcg 586)
... nu zijt gij geesten in een 'substantieel' lichaam en de geest is de inwendige mens. Het is deze (geest) in u, die denkt wat hij wil en wil wat hij liefheeft ... (wcg 770)
... des mensen gemoed is zijn geest, of de mens, die leeft na de uittrede uit het stoffelijke lichaam. (wcg 1073) Het 'geestelijke gemoed' schouwt voornamelijk in de geestelijke wereld en heeft tot onderwerp de dingen die daar zijn, het zij in de hemel of in de hel. Het 'natuurlijke gemoed' echter schouwt voornamelijk in de natuurlijke wereld en heeft tot onderwerp de dingen, die daar zijn. (wcg 604)
Het menselijke gemoed (de geest) is een geestelijk organisme (werktuig), dat in een natuurlijk organisme uitloopt, waarin en overeenkomstig hetwelk het gemoed zijn voorstellingen denkt of werkt. Ieder weet dat het hoofd met hersenen is gevuld en dat de hersenen georganiseerd zijn en dat het gemoed (de geest) daarin woont. (wcg 496) De voorstellingen der gedachten worden de woorden van de spraak. (wcg 408)
Heeft de mens niet een hoofd en een lichaam, die zijn verbonden door een nek; en is er niet in het hoofd een gemoed, dat wil en denkt, en in het lichaam de macht, die handelt en ten uitvoer brengt? Er bestaat niets in het gemoed, waarmee niet iets in het lichaam overeenstemt en dat wat overeenstemt, kan belichaming worden genoemd. (wcg 531)

De ziel is niets anders dan het leven van de mens, doch de geest is de mens zelf - en het aardse lichaam, hetwelk hij in de wereld ronddraagt, is slechts het tenuitvoerbrengende, waardoor de geest, die de mens zelf is, op overeenkomstige wijze handelt in de natuurlijke wereld. (wcg 1073)
De ziel is de mens zelf, omdat zij de binnenste mens is, vandaar is haar vorm op volledige en volmaakte wijze de menselijke vorm. (wcg 942) Echter is zij het leven niet, maar zij is de naastgelegen ontvanger van het leven uit God en aldus de woning Gods. (wcg 943)
Aangezien de ziel van de mens de mens zelf is en deze geestelijk is krachtens haar oorsprong (namelijk een uitstraling uit de geest) ... dit lichaam is slechts zijn bekleding ... (wcg 166)
Gij hebt geweten dat niet het lichaam leeft en denkt, maar de 'geestelijke substantie' in dat lichaam, en dat hebt gij 'ziel' genoemd ... (wcg 942)

De ziel is het wezen zelf van de mens en het lichaam is daarvan de vorm; 'wezen en vorm' maken één uit gelijk 'zijn en bestaan' en gelijk de werkende oorzaak der werking en de werking zelf. (wcg 184)
Is het niet de innerlijke gewaarwording, die doet gevoelen; en de innerlijke gewaarwording behoort tot de ziel, en niet tot het orgaan. Wat anders dan de gedachten (de denkende geest) doet de tong en de lippen spreken en wat anders dan de wil (de willende geest) doet handelen en werken; en gedachte en wil behoren tot de ziel. (wcg 935) In de klank van de stem komen de gevoelens tot uiting, in het woordgebruik de gedachten. (wcg 514)
... de ziel zetelt in de mens als een koningin ... (wcg 938)
Dit is zeker dat de ziel in het hoofd is, want aldaar denkt het verstand en streeft de wil en van voren in het aangezicht zijn de vijf zintuigen van de mens, en aan deze en gene geeft niets anders het leven dan de ziel, welke van binnen in het hoofd zetelt. (wcg 939)
Ook is de ziel een geestelijke 'substantie' (bouwstof) in verband waarmee niet kan worden gesproken van uitgebreidheid, noch van plaats, maar van bewoning en vervulling. En ook, wie bedoelt niet het leven, wanneer hij de ziel noemt? (941) De ziel is het binnenste en allerfijnste wezen van de mens; maar wat is het wezen zonder de vorm anders dan een redewezen? De ziel is derhalve een vorm, zij is de vorm van alle dingen der liefde en van alle dingen der wijsheid. (wcg 942)
Alle dingen der liefde worden aandoeningen genoemd en alle dingen der wijsheid worden innerlijke gewaarwordingen genoemd. (wcg 942) Zijn niet alle dingen der liefde en der wijsheid de wezenlijke dingen van de vorm der ziel? Deze zijn bij de mens in de ziel en vanuit de ziel in het hoofd en in het lichaam. (wcg 942)
De ziel is de menselijke vorm ... zij is de binnenste vorm van alle vormen ... (wcg 942)
De zintuiglijke dingen nemen bij de mens de laatste plaats in en zijn onderworpen aan de innerlijke dingen; maar bij de onwijze mens nemen zij de eerste plaats in en heersen. (wcg 589)
Het gemoed van elk mens is zijn inwendige mens, die de werkelijke mens en binnenin de uitwendige mens is, die zijn lichaam uitmaakt. (wcg 260) Het gemoed van de mens zit niet alleen in het hoofd, het is daar alleen als beginsel. Daarvan gaat allereerst al datgene uit, wat de mens uit het verstand denkt (denken) en uit de wil doet (willen); in het lichaam echter is het in de afleidingen, die zijn gevormd om te voelen (tast) en te handelen (spieren); en aangezien het gemoed van binnen aan de lichamelijke dingen hangt (onbewuste vereenzelviging), brengt het daarin gevoel (gewaarwording) en beweging en blaast ze ook innerlijke gewaarwordingen in alsof het lichaam uit zichzelf dacht en handelt (de onbewuste vereenzelviging); maar dat dit een begoocheling is, weet ieder wijs mens. De geest betekent ook de dingen, die tot een verkeerd en bedorven gemoed behoren ... (wcg 261)
... want de hemelse aura, waarin hun gedachten, gelijk de klanken in de lucht, vliegen en golven ... (wcg 294)
Het goede, dat de mens met het lichaam doet, gaat uit van zijn geest of inwendige mens. De inwendige mens is zijn geest, die na de dood doorleeft. (wcg 617)

De gehele natuurlijke wereld stemt overeen met de geestelijke wereld en de natuurlijke wereld is uit de geestelijke wereld ontstaan. (hh Over de hemel en de hel, 56)
... de aandoeningen van het gemoed worden zichtbaar in het aangezicht, de dingen van het verstand in de spraak en de dingen van de wil in de gebaren en handelingen. (hh 57)
... de innerlijke dingen, welke des gemoeds zijn, zien door de ogen, vanuit het goede der liefde door het rechter oog, vanuit het goede des geloofs door het linker oog; alle dingen die aan de rechter helft bij de mens zijn, stemmen overeen met het goede, vanuit hetwelk het ware is; en de dingen die aan de linker helft zijn, stemmen overeen met het ware, hetwelk vanuit het goede is. Het goede des geloofs is in zijn wezen het ware vanuit het goede. (hh 74)
De invloed van God zelf bij de mens is in het voorhoofd en vandaar in het hele gezicht, daar het voorhoofd overeenstemt met de liefde en het gezicht met zijn innerlijke dingen. De invloed van de geestelijke engelen is in zijn hoofd in elk deel van de hersenen, omdat die overeenstemmen met het inzicht. De invloed van de hemelse engelen is in het achterhoofd; deze streek stemt overeen met de wijsheid. (hh 150)
... het lichaam kan niet denken, omdat het stoffelijk is, maar het is de ziel die denkt, doordat zij geestelijk is. De ziel van de mens ... is zijn geest; deze is onsterfelijk ... deze is het die in het lichaam denkt, want hij is geestelijk ... (hh 295)
Al wat in het lichaam leeft is de geest, daaruit volgt, dat de geest de mens zelf is. Al wat leeft en voelt in de mens is de geest. (hh 295)
Het lichaam is het werktuig van de geest. In des mensen geest kan het goddelijke invloeien. Het is de eigenlijke woonplaats zelf van God bij de mens. (hh 295)
Terwijl toch de ziel niets anders is dan het leven van de mens, doch de geest is de mens zelf en het aardse lichaam, hetwelk hij in de wereld ronddraagt, is slechts het tenuitvoerbrengende, waardoor de geest, de mens zelf, op overeenkomstige wijze handelt in de natuurlijke wereld. (hh 436)
Over de gemeenschap tussen ziel en lichaam bestaan drie meningen: de natuurlijke invloed, de geestelijke invloed en de vooraf vastgestelde harmonie. (Gemeenschap tussen ziel en lichaam, gzl 1)
De natuurlijke invloed komt voort uit de schijn der zinnen, omdat de voorwerpen van het gezicht, die onze ogen aandoen, naar binnen in het denkvermogen schijnen te vloeien en dat in werking schijnen te brengen. Op dezelfde wijze schijnt het alsof gesproken woorden die het oor treffen, naar binnen in de geest vloeien en daarin denkbeelden voortbrengen. Daar het schijnt dat de geest naar gelang van de wijze waarop die zintuigen worden aangedaan, schijnt te denken en te willen, heeft men geloofd in een natuurlijke invloed. (gzl 1)
De geestelijke invloed berust op de orde en haar wetten, omdat de ziel een geestelijke zelfstandigheid is en daardoor reiner, vroeger en innelijker is, terwijl het lichaam stoffelijk is en daardoor grover, later en uiterlijker. De denkende geest vloeit in het gezichtszintuig in overeenstemming met de staat, waarin de ogen door uitwendige voorwerpen wordt gebracht. Op dezelfde wijze vloeit de waarnemende geest in het gehoor door het gesproken woord. (gzl 2)
De vooraf vastgestelde harmonie heeft haar oorsprong in de dwaling van het verstand, doordat de geest in de uitoefening van zijn vermogens met het lichaam is verenigd en tegelijkertijd daarmee werkt. Iedere werking is op de eerste plaats een op elkaar volgen en eerst later iets gelijktijdigs. Op elkaar volgende werking is invloeiing en gelijktijdige werking harmonie, zoals bijvoorbeeld wanneer de geest denkt en daarna spreekt of wanneer de geest wil en daarna handelt. (gzl 2)
Behalve de drie genoemde meningen aangaande de betrekking tussen ziel (geest) en lichaam is een vierde niet mogelijk, want of de ziel moet op het lichaam werken of het lichaam op de ziel, of ze moeten in verbinding met elkaar werken. (gzl 2) De geestelijke invloed heeft zijn grond in het beginsel der orde en haar wetten. (gzl 2) ... te leren kennen: wat er van welke aard het geestelijke is m.b.t. het lichaam, het natuurlijke; met en van welke aard de menselijke ziel is; wat de aard is van de invloeiing in de ziel en door deze in de waarnemende en denkende geest vloeit en uit deze in het lichaam. (gzl 3)
Het goede der liefde en het ware van het geloof vloeien de mens van God toe. Zij vloeien in zijn ziel en worden merkbaar gevoeld in zijn gemoed (geest) en vloeien uit het denken in woorden voort en uit het willen in daden. (gzl 3)

I. Er zijn twee werelden: de geestelijke en de natuurlijke.
II. Zij ontstaan beide uit hun eigen zon.
III. De zon der geestelijke wereld is zuiver liefde uit God, die in het midden daarvan is.
IV. Uit die zon gaan warmte en licht voort. De warmte is in wezen liefde, het licht wijsheid.
V. Warmte en licht vloeien in de mens. De warmte vloeit in zijn wil en brengt daar het goede der liefde voort; het licht in zijn verstand, waardoor het ware der wijsheid wordt voortgebracht. (De geest is als warmte de liefde en als licht de wijsheid).
VI. Warmte en licht, of liefde en wijsheid vloeien samengebonden uit God in de ziel van de mens, door de ziel heen in het gemoed (geest) en in de genegenheden en gedachten ervan en uit deze in het lichaam in spraak en handelingen.
X. Het zo beklede geestelijke in de mens maakt, dat hij redelijk en zedelijk is.
XI. De opname van Gods invloeiing is zodanig als de staat van liefde en wijsheid in de mens zelf is. (gzl 12)

Het menselijke verstand heeft zijn zetel in de grote hersenen, dat gedeelte der hersenen, dat achter het voorhoofd ligt. (gzl 20)

Alle dingen in het menselijke lichaam, van het hoofd tot de hielen van de voeten, zowel de inwendige als de uitwendige, stemmen overeen met de hemelen. Vandaar dat de mens een hemel is in de kleinste vorm en ook dat de engelen en de geesten in een volmaakte menselijke vorm zijn, want zij zijn vormen des hemels. Alle delen, bestemd voor de voortplanting, in beide geslachten, bovenal de baarmoeder, stemmen overeen met de gezelschappen van de derde of binnenste hemel. (huw huw 8) Daar er een dergelijke overeenstemming der geslachtsdelen van beide geslachten bestaat, zo blijkt duidelijk dat zij van de schepping af heilig zijn en dat zij dus enig en alleen bestemd zijn voor de kuise en reine echtelijke liefde ... (Het huwelijk, huw 8)
Alle dingen van het lichaam, leden, ingewanden en organen genoemd zijn niets anders dan natuurlijk-lichamelijke vormen, welke overeenstemmen met de geestelijke vorm van het gemoed. Vandaar stemmen alle dingen van het lichaam en elk in het bijzonder, dermate overeen met alle dingen, in het algemeen en in het bijzonder, van het gemoed, dat al wat het gemoed wil en denkt, het lichaam op de eerste wenk terstond uitvoert. (huw 34)
Ieder besluit in het gemoed bewerkt een poging in het lichaam en deze is de daad in zichzelf. (huw 99)

terug naar de Inhoud

2. De geestelijke vermogens
De mens heeft het vermogen tot verstaan (denken) en de neiging tot liefhebben (voelen).
De twee wezenlijke zaken, waaruit het menselijke gemoed (geest) bestaat, zijn wil en verstand, want uit deze twee bestaat het gemoed van eenieder en deze twee werken in elk der dingen van het gemoed. Op dezelfde wijze blijft het menselijke lichaam bestaan door het hart en de long, door de samentrekking en uitzetting van beide. Het hart stemt overeen met de liefde en de long met de wijsheid.
De mens heeft twee vermogens die zijn leven uitmaken: de wil en het verstand. Deze zijn van elkaar onderscheiden, maar toch zo geschapen, dat zij een zijn. Wanneer zij een zijn, worden zij gemoed (geest) genoemd. (wcg 575)
De beide vermogens, verstand en wil, zijn van dien aard, dat zij aangekweekt en vervolmaakt kunnen worden, in de wereld tot aan het einde van het leven en daarna tot in het eeuwige (de vermogens kunnen worden ontwikkeld). (wcg 54)
Om aan te kunnen doen, moet er gewaarwording en dus opneming zijn (waarnemen en voelen), beide in het gemoed (de geest) van de mens. (wcg 480)
De wil en het verstand maken de geest van de mens uit; want zijn wijsheid en inzicht en ook zijn liefde en naastenliefde zetelen daar en in het algemeen zijn leven; het lichaam is slechts gehoorzaamheid. (wcg 575)
Laat ieder zich wachten voor de zelfoverreding dat hij uit zichzelf leeft, dat hij uit zichzelf wijs is (denken), gelooft, liefheeft (voelen), het ware gewaarwordt (waarneemt) en het goede wil en doet (willen). (leven is waarnemen, denken, voelen en willen). (wcg 72) ... want de mens leeft, dat is: voelt, denkt, spreekt en handelt geheel en al als uit zichzelf. (wcg 670)

Verhef de blik van je vernuft nog een weinig hoger en je zult zien (waarnemen), dat aangedaan worden en denken tot het leven behoren, dat aangedaan worden tot de liefde behoort en denken tot de wijsheid en beide tot het leven. ... wat de liefde wil en het verstand denkt. (wcg 62)
De liefde is in haar wezen een geestelijk vuur; vandaar komt het, dat het vuur in het Woord in zijn geestelijke zin liefde betekent. De levenswarmte van de mens heeft geen andere oorsprong dan de liefde, die het leven uitmaakt. Het vuur in de natuurlijke zon ontstaat nergens anders door dan door het vuur van de geestelijke zon, die de goddelijke liefde is. (wcg 65)
... tenzij enige kennis het verstand in de staat van innerlijke gewaarwording brengt ... (wcg 122)
Al het goede zetelt in de wil en al het ware in het verstand; en de wil kan vanuit het goede hoegenaamd niets doen, tenzij door het verstand; hij kan niet werken, hij kan niet spreken en ook niet voelen; al zijn kracht en vermogen is door het verstand, bijgevolg door het ware, want het verstand is het ontvangende vat (waarnemen) en de woonplaats van het ware. Het hart komt overeen met de wil en met de goedheden daarvan; de tong stemt overeen met het verstand en met de waarheden daarvan. (wcg 149)
God zetelt met geheel Gods wezen in de hoogste dingen en geeft de mens het vermogen om het goede te willen en het ware te verstaan, welk vermogen elk mens heeft en dat hij niet zou hebben als niet het leven van God in zijn ziel was. (wcg 516)
Denk i.p.v. geloof (denken) en naastenliefde (voelen) licht en warmte en ge zult het helder zien. Het geloof is in zijn wezen de waarheid, welke tot de wijsheid behoort en de naastenliefde is in zijn wezen de aandoening der liefde. In de hemel is de waarheid der wijsheid licht en de aandoening der liefde warmte. (wcg 549)
... de innerlijke wil is de mens zelf, want daar is het zijn en het wezen van het leven; het verstand is de vorm ervan, door welke de wil zijn liefde zichtbaar toont. (wcg 695)
... de wil is de mens zelf, aangezien zijn liefde daarin woont; doch de gedachte is buiten de mens, tenzij zij van de wil uitgaat ... (wcg 730)
De wil is derhalve het zijn of het wezen van het leven der mensen, het verstand is echter het bestaan of het ontstaan daarvan; en aangezien het wezen iets is tenzij in een zekere vorm, evenzo is de wil niets, tenzij in het verstand; vandaar vormt de wil zich in het verstand en treedt op deze wijze aan het licht. (wcg 871)
Het innerlijke licht in het gemoed (de geest) van de mens stelt hem in staat te zien (waarnemen). Aan enigen van ons werd verlichting uit de hemel gegeven en door de verlichting de gewaarwording (waarneming) ... (wcg 562)
... zou het verstand, wanneer het dit gezegde overwoog, niet zien, gewaarworden en denken ... (wcg 571)

Dat tijden en ruimten in de wereld zijn ingevoerd, geschiedde met het doel, het ene ding van het andere te onderscheiden (bewustwording), het grote van het kleine, het vele van het weinige, hoeveelheid van hoeveelheid, hoedanigheid van hoedanigheid (de tegendelen), opdat daardoor de zintuigen van het lichaam hun voorwerpen en de 'zinnen van het gemoed' de hunnen kunnen onderscheiden (waarnemen) en aldus aangedaan worden (voelen), denken en kiezen (willen). (wcg 47)
De tijden van de dag zijn voor licht en duisternis, de tijden van het jaar voor warmte en koude. (wcg 48)
In elk werk, dat uit de mens voortgaat, is de mens geheel en al zoals hij naar zijn gezindheid of zoals hij wezenlijk is. Onder de gezindheid wordt de aandoening van zijn liefde (voelen) en de daaruit voortvloeiende gedachte (denken) verstaan; deze vormen zijn natuur en in het algemeen zijn leven. De werken zijn a.h.w. de spiegels van de mens. (wcg 528) De oorzaak van alle dingen wordt in de inwendige mens gevormd (in de persoonlijkheid komt de mate van bewuste beheersing van zijn vermogens tot uitdrukking). (wcg 529)
Het van de naastenliefde gescheiden geloof (het eenzijdige denken) is als het licht van de winter (het koele licht). Het met de naastenliefde verbonden geloof het licht van de lente. Het winterlicht is een van de warmte gescheiden licht. Geheel even is het met het geloof en de naastenliefde gesteld (denken: licht, voelen: warmte; eenzijdig denken: koel licht; eenzijdig voelen: donkere warmte). (wcg 549)

De zon komt overeen met het goede der liefde, de maan met het goede van het geloof. Het goede der liefde stemt overeen met het vuur (warmte), het goede van het geloof met het licht. (Over de hemel en de hel, hh 73)
Het geestelijke licht van de mens is het licht van zijn verstand, welks voorwerpen de ware dingen zijn, die hij ontledend in orden rangschikt, tot redenen vormt (denken) en vanuit dewelke hij dingen in een reeks besluit. (hh 81)
... het al des levens vloeit in en het al des levens bestaat daarin, dat de mens kan denken en worden aangedaan of, wat hetzelfde is, dat hij kan verstaan en willen. (hh 123)
... het verstand en de wil zijn de geestelijke mens. (hh 136)
De man wordt geboren opdat hij verstandelijk zij, aldus opdat hij vanuit het verstand denke; de vrouw wordt geboren opdat zij 'willijk' zij (gevoelsmatig), aldus vanuit de wil (voelen) denke. Het geen ook blijkt uit de neiging of de ingeboren inborst van ieder, alsmede uit de vorm. Uit de inborst, dat de man vanuit de rede handelt, de vrouw vanuit de aandoening. Uit de vorm, dat de man van een ruwer en minder schoon aangezicht is, van een zwaardere spraak en van een harder lichaam; de vrouw echter van een gladder en schoner gezicht, van een teerdere spraak en van een weker lichaam. Een eender onderscheid is er tussen het verstand en de wil of tussen denking en aandoening, en dan ook tussen het ware en het goede, het geloof en de liefde, want het ware en het geloof zijn van het verstand en het goede en de liefde van de wil. (hh 248)
Eenieder, zowel de man als de vrouw, verheugt zich in het bezit van een verstand en een wil, maar bij de man overheerst het verstand, bij de vrouw de wil (voelen). (hh 250)
... dat de mens een geest is t.a.v. zijn innerlijke dingen, wordt verstaan t.a.v. de dingen van zijn denking en zijn wil, aangezien deze de innerlijke dingen zelf zijn, welke maken dat de mens een mens is ... (hh300)
Wanneer een denking wordt gezegd, zo wordt ook de wil verstaan, want de denking is vanuit de wil; niemand immers kan denken zonder de wil. Onder de wil wordt ook de aandoening en de liefde verstaan. ... de denking is niets anders dan de vorm van de wil. (hh 354)
Dat aan ieder goede een boze is tegenovergesteld en aan ieder ware een valse, kan men hieruit weten, dat er niets is zonder een verhouding tot zijn tegenovergestelde en dat vanuit zijn tegenovergestelde wordt gekend, hoedanig het is en in welke graad en dat daaruit alle gewaarwording (waarnemen) en doorvatting (denken) is. (hh 390)

Er moet, opdat iets besta, een evenwicht van alle dingen zijn; zonder evenwicht is er geen actie (werking) en reactie (terugwerking), want het evenwicht is tussen een tweetal krachten, waarvan de ene ageert (werkt) en de andere reageert (terugwerkt); de rust daartussen wordt evenwicht genoemd. (hh 427)
Zonder een evenwicht bestaat niets en blijft niets bestaan; er is overal a.h.w. een streven. Alle ontstaan of elke uitwerking geschiedt in een evenwicht, maar het geschiedt daardoor, dat de ene kracht drijft en de andere zich laat drijven, dat de ene kracht invloeit (doordringend) en de andere opneemt (doordringbaar) (hh 427)
... de wil van de mens is het vermogen, waaruit al zijn daden voortkomen en het verstand het vermogen waardoor die daden worden gevormd; het verstand is de vorm van de wil. (Gemeenschap tussen ziel en lichaam, gzl V)
Onder het menselijke gemoed (geest) worden zijn twee vermogens verstaan, verstand en wil. Het verstand neemt het licht van de hemel op, dat in zijn wezen wijsheid is; de wil neemt de warmte van de hemel op, die in zijn wezen liefde is. Allereerst wordt het licht ontvangen, dat het verstand vormt, dan langzamerhand de liefde, die de wil vormt. (gzl 23)
... intelligentie (inzicht) bestaat uit het kennen en onderscheiden der dingen (verstand) en het zien van de orde (redeneren) waarin zij zich voordoen. (gzl 30)
Alle dingen betrekking hebbende op liefde worden genegenheden genoemd en die op wijsheid begrippen. (gzl 48)
... (alle) andere paren van lichaamsdelen (ogen, oren, armen, benen, enz.) bij de mens; ook zij hebben betrekking op het goede en het ware, het orgaan of lid aan de rechter zijde op het goede en dat aan de linker zijde op het ware. (Het huwelijk, huw 7)

terug naar de Inhoud

3. De geestelijke ontwikkeling
Voor zover de mens onder het goddelijke toezicht leeft, dat is, zich door God laat leiden, wordt hij meer en meer innerlijk Gods beeld. (wcg 35) God is bij elk mens tegenwoordig en God dringt daarop aan en staat erop, te worden aangenomen. De tegenwoordigheid van God is voortdurend bij elk mens, zowel bij de boze als bij de goede, want zonder Gods tegenwoordigheid leeft geen mens. Maar Gods komst is alleen bij hen, die God opnemen; het zijn diegenen, die in God geloven en Gods geboden doen. De voortdurende tegenwoordigheid van God maakt, dat de mens zedelijk wordt (zich zedelijk gedraagt) en dat hij geestelijk kan worden (zich geestelijk ontwikkelt). (wcg 1030)
De mens is een ontvangend vat Gods en het ontvangende vat Gods is een beeld Gods; en aangezien God de liefde zelf en de wijsheid zelf is, is de mens het ontvangende vat van deze; en het ontvangende vat van God wordt een beeld van God al naar gelang de opneming. (wcg 84)
... hoewel God nabij ieder mens is, want hij is met zijn wezen in hem; en daar dit zo is, is hij dicht bij hen, die hem liefhebben en diegenen hebben hem lief, die naar zijn geboden leven en in hem geloven. (wcg 37)
De mens heeft de vrije keuze om kennis te verwerven en door deze kennis vanuit het woord d.m.v. het verstand te verwerven, effent hij de weg, waarlangs God neerdaalt en hem opheft. (wcg 40)
Wie zich niet zelf tot de Heer van Hemel en Aarde (Christus) wendt, kan niet in de hemel komen, aangezien de hemel de hemel is vanuit de Enige God en dat deze God Jezus Christus is, die Jehova de Heer is, uit het Eeuwige de schepper, in de tijd de verlosser en tot in het eeuwige de wederverwekker, dus die tegelijkertijd Vader, Zoon en heilige Geest is.
Voor zover deze twee, het goede van de liefde en het ware van de wijsheid en het geloof bij de mens worden verbonden, wordt de mens een beeld van God en wordt hij in de hemel opgenomen. Omgekeerd, voor zover deze twee door de mens worden gedeeld, wordt de mens een beeld van de duivel (de eenzijdige vereenzelviging). Want de liefde is als de echtgenoot en de wijsheid als de echtgenote en wanneer deze twee worden gescheiden, ontstaat geestelijke ontucht. (wcg 74)
Men moet weten dat alle dingen, die voortgaan uit de Zon der geestelijke wereld, op de mens betrekking hebben en dat vandaar al wat in deze wereld bestaat en ontstaat, naar de menselijke vorm streeft en deze vorm in zijn binnenste dingen vertoont; vandaar zijn alle voorwerpen, die zich daar aan het oog vertonen, uitbeeldingen van de mens. (wcg 106)
Daar nu de mens tot een vorm der goddelijke orde werd geschapen, is God in de mens, maar dat voor zover de mens volgens de goddelijke orde leeft. (wcg 110)
Het is in de hemel een algemene regel, dat God in ieder mens is, zowel in de boze als in de goede, maar dat de mens niet in God is, tenzij hij overeenkomstig de orde leeft; want Christus zegt dat hij wil, dat de mens in hem zij en hij in de mens (wcg 110)

Voor zover de mens zich in de orde laat terugbrengen is God in het geheel van hem alomtegenwoordig, is God bijgevolg in hem en hij in God. God is de orde zelf. God heeft de mens vanuit de orde, in de orde en voor de orde geschapen. Het redelijke gemoed (geest) van de mens is geschapen overeenkomstig de orde van de gehele geestelijke wereld (de goddelijke orde is de orde van de vermogens) en het lichaam overeenkomstig de gehele natuurlijke wereld, waardoor de mens het heelal in het klein is. (wcg 113) Daarvandaan is het een wet der orde, dat de mens in zijn heelal in het klein moet leren regeren zoals God in het heelal in het groot regeert.
Het is een daaruit volgende wet der orde dat de mens zich in het geloof (denken) moet binnenleiden door waarheden uit het Woord en in de naastenliefde (voelen) door goede werken en zich op deze wijze moet vormen en wederverwekken. Het is een wet der orde, dat de mens zich door eigen inspanning en macht van zonden zal reinigen en niet zal stilstaan in het geloof aan eigen onmacht en in de verwachting, dat God zijn zonden zal afwassen (de mens moet zich geestelijk ontwikkelen door de vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken en zo zichzelf verwerkelijken). (wcg 113) Het is een wet der orde, dat de mens zich uit eigen inspanning en macht het geloof (denken) moet verwerven door de waarheid uit het Woord en nochtans moet geloven, dat niet een korreltje uit hemzelf is, maar uit God. Ook is het een wet der orde, dat de mens God met hart en ziel zal liefhebben en zijn naaste als zichzelf. (wcg 113)

Het is niet bevolen dat de mens in God moet geloven en God lief moet hebben met al zijn kracht en zijn naaste als zichzelf? Hoe kunnen deze dingen door God worden bevolen, wanneer de mens niet enige macht bezat om te gehoorzamen en te dienen? (114)
God is evenzeer aan zijn wetten gebonden als de mens. God kan overeenkomstig de wetten geen mens de zonden vergeven dan alleen voor zoveel de mens overeenkomstig zijn wetten daarvan aflaat; God kan de mens niet wederverwekken dan alleen voor zoveel de mens overeenkomstig zijn wetten zichzelf wederverwekt. (wcg 117)
God is in het voortdurende streven om de mens weder te verwekken en hem zo zalig te maken; maar God kan dit niet bewerkstelligen tenzij de mens zich als een ontvangend vat voorbereidt en zo voor God de weg effent en de deur opent. (wcg 117)
De goddelijke almacht is in de orde haar bestuur, hetgeen de voorzienigheid wordt genoemd, is volgens de orde en zij handelt voortdurend en tot in de eeuwigheid volgens de wetten van de orde. Deze wetten zijn in het kort, dat de mens in God moet geloven en de naaste moet liefhebben en voor zover hij deze twee dingen uit natuurlijk vermogen doet (zelfverwerkelijking), maakt hij zich tot een ontvangend vat van de goddelijke almacht en verbindt God zich met hem (hereniging) en hem met zich. (wcg 117)
Men moet weten dat God bestendig aanwezig is en voortdurend in de mens streeft en handelt en eveneens zijn vrije keuze aanraakt, maar deze nooit geweld aandoet, want wanneer hij de vrije keuze van de mens geweld aandeed, zo zou de woonplaats van de mens in God verloren gaan, te gronde gaan en er alleen de woonplaats van God in de mens zijn. (wcg 120)
... de veranderingen van hun houding zijn veranderingen van de staat van hun gemoed (geestesgesteldheid) ... (wcg 129)
Zoals de diamantbewerker de diamant snijdt, maakt hij deze geschikt om de lichtglans op te nemen en weer uit te zenden. (wcg 179)
De tien geboden zijn een samenvatting van alle dingen van de godsdienst. De ene tafel was een samenvatting van alle dingen die God betreffen, de andere een samenvatting van alle dingen die de mens betreffen. Alle dingen van de leer en van het leven hebben betrekking op de liefde tot God en op de liefde tot de naaste. (wcg 422)
Wie boven alle dingen moet worden bemind is God. Voor hem die zichzelf of ook de wereld boven alles liefheeft, is hijzelf of de wereld zijn God. Dit is de oorzaak dat dezulken in hun hart niet enige God erkennen. (wcg 427)
Elk mens trekt een geest naar zich toe, die overeenkomt met de aandoening van zijn wil en vandaar met de gewaarwording van zijn verstand. De goede aandoening trekt een engel aan, de boze een geest uit de hel. (wcg 541)
Aangezien nu het geestelijke lichaam (geestgedaante) in het stoffelijke moet worden gevormd en het wordt gevormd door de waarheden en goedheden, die uit God invloeien d.m.v. de geestelijke wereld ... (wcg 790)
Daar er bij de mens een overeenstemming is tussen de dingen, die op een natuurlijke en op een geestelijke wijze geschieden, zo volgt, dat er vorming van de mens is als een ontvangenis (verwekking), de dracht in de baarmoeder, de geboorte en de opvoeding. (wcg 790)
... zonder onderricht (opvoeding) is de mens noch een mens noch een beest. De mens is een vorm die in zichzelf datgene kan opnemen, wat de mens mens maakt. Hij wordt dus niet als mens geboren, maar hij wordt mens (vanuit zijn aanleg). De mens wordt als zulk een vorm geboren, opdat hij het opnemende orgaan van het leven uit God zij, ... (wcg 920)
... het nut en de vrucht van Doop en Avondmaal komen, wanneer men met de ogen van zijn geest (waarnemen), dat is, met zijn verstand, de heiligheid ziet, die daarin verborgen ligt en deze op zichzelf toepast ... (wcg 946)
Naarmate kleine kinderen opgroeien en over zichzelf beginnen te beschikken en zich in het bezit van eigen rede beginnen te verheugen, verlaten hun beschermengelen hen en trekken de kinderen zelf zulke geesten naar zich toe, die met hun geloof en leven overeenstemmen. (wcg 903)

Wat in de geestelijke wereld blijft bestaan, is de mate, waarin de geestelijke vermogens tot ontwikkeling zijn gebracht. De kennis op zichzelf doet geen nut, alleen de oefening in het gebruik van de vermogens. (Over de hemel en de hel, hh 320)
Geesten en engelen hebben evenzeer een geheugen als de mensen; bij hen blijft immers aan al wat zij horen, zien (waarnemen), denken, willen en doen; daardoor wordt eveneens het redelijke van hen aanhoudend aangekweekt; vandaar komt het dat geesten en engelen in inzicht en wijsheid door kennis van het ware en goede worden vervolmaakt, evenals de mensen. (hh 324)
Indien de mens zich aanwent om zo te denken (namelijk zijn geweten te gebruiken) en daar een gewoonte van maakt, dan wordt hij van lieverlee met de hemel verbonden. (hh 383)

terug naar de Inhoud

4. Onbewuste vereenzelviging, gehechtheid, eenzijdigheid
De mens wordt 'lichamelijk' geboren en blijft 'lichamelijk' (de onbewuste vereenzelviging met het lichaam), tenzij hij van anderen leert weten, verstaan en wijsworden.
Gij spreekt zo, doordat gij louter 'zintuiglijk zijt'; allen die in de hel zijn hebben in de zintuigen van het lichaam ondergedompelde 'denkvoorstellingen' (door de onbewuste vereenzelviging) en kunnen hun gemoed ook niet daarboven verheffen (zich ervan bewust worden); daarom vergeven wij het u ook. Het leven van het boze en het daaruit voortvloeiende 'geloof van het valse' heeft de 'innerlijke dingen van het gemoed dermate gesloten' (de geest is onbewust geworden van zichzelf) dat een verheffing boven de zintuiglijke dingen bij u niet mogelijk is, tenzij in een van de boosheden des levens en van de valsheden des geloofs verwijderde staat. (wcg 127)
Wie zichzelf liefheeft, heeft ook zijn kinderen en kleinkinderen lief. Want hij beschouwt hen a.h.w. in zichzelf (door de inbeelding) en zich in hen (de overdracht door onbewuste vereenzelviging). (wcg 580)
... de begoochelingen uit de schijnbaarheden van de uitwendige zintuigen van het lichaam, aan welke schijnbaarheden geloof wordt geschonken ... (wcg 673)
... de natuur is geschapen om het leven, dat uit God is, te dienen; de natuur is in zichzelf dood en heeft uit zichzelf hoegenaamd geen werking, maar zij wordt door het leven (de geest) in werking gebracht. (wcg 129)
De mens wordt huichelachtig wanneer hij veel aan zichzelf denkt en zich boven anderen de voorrang geeft (zelfzucht), want aldus richt hij de gedachten en de aandoeningen van zijn gemoed naar zijn lichaam en stort ze daarin uit en verbindt ze met de zintuigen daarvan (hebzucht door onbewuste vereenzelviging). Vandaar wordt de mens natuurlijk, zintuiglijk en lichamelijk en dan kan zijn gemoed (geest) niet aan het vlees, waarmee het samenhangt (de vereenzelviging) worden onttrokken (de onthechting) en tot God worden opgeheven (de hereniging) en het kan niets zien van God en het hemelse licht. (wcg 543)
De huichelaar is onder de natuurlijke mensen (de vereenzelvigden) de laagste, want hij is zintuiglijk, aangezien zijn gemoed (geest) sterk is vastgebonden aan de zintuigen van het lichaam en vandaar houdt hij er alleen van datgene te zien, wat zijn zintuigen hem opdringen en aangezien de zintuigen in de natuur zijn, dwingen zij het gemoed (de geest) over elk ding vanuit de natuur te denken (de vereenzelviging), ook over de zaken van het geloof. (wcg 543)
Men kan van een huichelaar zeggen, dat zijn schil of zijn lichaam wijs is, terwijl zijn kern of zijn geest waanzinnig is. (wcg 882)
... omdat een herhaaldelijk spreken uit het geheugen, hoewel niet tevens uit gedachten en inzicht, een soort van geloof aanbrengt (een plichtmatig, opgelegd geloof). (wcg 127)
Dat God het Zelf, het Enige en het Eerste is, wat zijn en bestaan in zichzelf wordt genoemd, vanuit hetwelk alle dingen zijn, kan de 'natuurlijke mens' niet vanuit de rede te weten komen, want de 'natuurlijke mens' kan vanuit de rede niets anders vatten dan dat, wat tot de natuur behoort, aangezien dit niet met zijn wezen strookt, want daarin ging vanaf zijn kindertijd niets anders binnen (door de toestand van onbewuste vereenzelviging). (wcg 36)

Laat ieder zich wachten voor de zelfoverreding dat hij uit zichzelf leeft, dat hij uit zichzelf wijs is (denken), gelooft, liefheeft (voelen), het ware gewaarwordt (waarneemt) en het goede wil en doet (willen). (m.a.w. leven is waarnemen, denken, voelen en willen). Voor zoveel iemand zichzelf deze dingen wijsmaakt, werpt hij zijn gemoed vanuit de hemel op de aarde, van geestelijk wordt hij natuurlijk, want hij sluit de hogere gebieden van zijn gemoed (de afgescheidenheid). (wcg 72)
Men gelooft algemeen dat het leven in de mens is, het zijne, dus dat hij niet slechts een ontvangend vat van het leven is, maar ook het leven zelf (door de toestand van afgescheidenheid). Dat men algemeen zo gelooft, vloeit uit de schijn voort, want de mens leeft, dat is: voelt, denkt, spreekt en handelt geheel en al als uit zichzelf. (wcg 670) (de toestand dat de mens schijnbaar aan zichzelf is overgeleverd)

Het gemoed van de mens bestaat uit verstand en wil; het denken behoort tot het verstand en het doen tot de wil. Wanneer de mens derhalve alleen uit de gedachte van het verstand kent, zo nadert hij Christus slechts vanuit een half gemoed (door de eenzijdigheid), maar wanneer hij doet, zo is het vanuit een heel gemoed en dit is geloven. Het menselijke gemoed groeit evenals het lichaam, maar dit laatste in grootte, terwijl het eerstgenoemde in wijsheid groeit. De verheffing van het gemoed geschied alleen van tijd tot tijd en zij vindt plaats al naar de mens waarheden verwerft en deze met het goede verbindt. (wcg 254)
De natuurlijke dingen zijn geschapen om de geestelijke dingen te bekleden. (wcg 131)
Alle ongunstige dingen (slangen, distels, verscheurende dieren ...) zijn niet uit God geschapen; want alle dingen die God geschapen heeft en schept, waren en zijn goed; doch dergelijke ongunstige dingen kwamen voort op aarde tezamen met de hel, welke ontstond vanuit de mensen, die, door zich af te wenden van God, na de dood duivels zijn geworden. (wcg 131)
Dat God niet het boze heeft geschapen, maar dat de mens dit boze binnenbracht, komt daarvandaan dat de mens het goede, hetwelk voortdurend van God instroomt, verdraait in het boze en wel door zich van God af en naar het boze toe te wenden. (wcg 692) Wanneer dit geschiedt, wordt de verlustiging (levenslust) in het goede die in het boze. Wanneer er niet een verlustiging was, zou de mens niet kunnen leven, want de verlustiging maakt het leven van zijn liefde uit. (wcg 695)

De vanuit de geestelijke zon voortkomende warmte is in wezen liefde en het licht in wezen wijsheid. In de mens wordt het licht des levens, dat het inzicht is en de warmte des levens, die de liefde is, gedeeld (door eenzijdigheid). Dit geschied om deze reden omdat de mens hervormd en wederverwekt moet worden; en dit kan niet geschieden, tenzij het licht des levens, dat het inzicht is, leert wat men willen en liefhebben moet. (wcg 72) Men moet echter weten, dat God voortdurend de verbinding van de liefde en de wijsheid bij de mens werkt, maar dat de mens, wanneer hij niet tot God opziet en in God gelooft, voortdurend de verdeling bewerkt (de eenzijdigheid, de afgescheidenheid). (wcg 74)
Doch wat de aard betreft van de mens, wiens verstand verheven is (ontwikkeld is) zonder dat de liefde van de wil door het verstand is verheven (de toestand van eenzijdigheid) ... (wcg 797)

De duivelde liefde is eigenliefde, die op zichzelf beschouwd haat is. Zij streeft ernaar over anderen te heersen (heerszucht), de goederen van allen te willen bezitten (hebzucht) en als God te worden aanbeden (eerzucht). (wcg 76)
De mens begeert eer en goederen, voorrang en rijkdom (heerszucht en hebzucht). (wcg 881)
De mens is vervuld van twee liefden, zijnde de liefde tot overheersing van allen (heerszucht) en de liefde tot bezitting van de rijkdommen van allen (hebzucht). Allen, die zich aan deze liefde hebben overgegeven, beschouwen zichzelf als het enige (zelfzucht), terwille waarvan de anderen zijn. (wcg 700)
Eenieder is van geboorte innerlijk in de begeerte, maar door opvoeding uiterlijk in het inzicht; en niemand is innerlijk, dus t.a.v. de geest, in het inzicht (de aanvankelijke onbewustheid van de geest van zichzelf), zoveel te minder in de wijsheid, tenzij uit God. (wcg 881)
Al het eigene van de mens is in de wil en dit is uit de eerste geboorte 'boos' (onbeheerst) en wordt goed vanuit de tweede geboorte; de eerste geboorte is uit de ouders, de tweede uit God.

De mens wordt in louter onwetendheid geboren. (Over de hemel en de hel, hh 121)
De oorzaak van de blindheid (onbewustheid) en onwetendheid is deze, dat de uitwendige dingen, de wereldlijke en lichamelijke hun gemoederen (geest) dermate in beslag genomen en vervuld hadden (door vereenzelviging ermee) dat zij niet konden worden opgenomen in het licht van de hemel (de hereniging). (hh 201)
... ieder mens heeft t.a.v. zijn geest innerlijke en uiterlijke dingen: de uiterlijke dingen van de geest zijn het door welke hij het lichaam van de mens in de wereld, vooral zijn aangezicht, spraak en gebaren aanpast aan de vergezelschapping met anderen (de uitgekeerde instelling); de innerlijke dingen van de geest echter zijn het, die van zijn eigen wil en daaruit van zijn denking zijn, welke zelden worden geopenbaard; de mens weet het immers van de kindsheid af aan een vertoon van vriendschap, welwillendheid en oprechtheid te geven en de gedachte van zijn eigen wil te verhelen. Uit die gewoonte komt het voort, dat de mens nauwelijks zijn innerlijke dingen weet en dat hij er niet op let. (hh 349)
Het leven van het kwade en het daaruit voortkomende geloof in hetgeen vals is, hebben het inwendige van uw geest gesloten, zodat gij niet in staat zijt u enigzins boven de zintuiglijke dingen te verheffen. (gzl 56)
Daarentegen begint de liefde tot echtbreuk, uitgaande van een wulpse en onreine brand, in het uiterste (de zintuigen) van een mens en van daar dringt zij tegen de orde in voort naar het innerlijke toe, altijd in het eigen ik van de mens. (Het huwelijk, huw 9)
... geen mens wordt ter oorzake van het erfboze tot de hel verdoemd, maar alleen voor het boze dat de mens door zijn eigen leven tot het zijne heeft gemaakt ... .(14) Het is immers een kenmerk der goddelijke gerechtigheid dat niemand wordt gestraft voor de zonden zijner ouders, maar voor zijn eigene. (huw 15)
... en dat al het geestelijke bij de mens, wanneer het in het natuurlijke neerdaalt, een verandering ondergaat, zodat het nauwelijke herkend kan worden; het wordt alleen door overeenstemmingen herkend. (huw 58)

terug naar de Inhoud

5. Bewustwording, bevrijding, zelfverwerkelijking
De onvolmaaktheid van de geboorte van de mens is zijn volmaaktheid; en de volmaaktheid van de geboorte van het dier is zijn onvolmaaktheid. De mens wordt zonder wetenschap geboren, opdat hij ze alle zelf kan opnemen. De mens wordt als vermogen en als neiging geboren, als vermogen tot weten en als neiging tot liefhebben, door middel van anderen en oorspronkelijk uit God. (wcg 86)
De mens weet niets uit zichzelf, maar uit anderen en d.m.v. anderen, opdat hij kenne en erkenne, dat alle dingen die hij weet, verstaat en waarin hij wijs is, uit God zijn; en dat de mens op geen andere wijze uit God kan worden verwekt en geboren, en Gods beeld en gelijkenis kan worden. Want hij wordt daardoor een beeld van God, dat hij erkent en gelooft, dat hij al het goede der liefde en der naastenliefde en al het ware der wijsheid en des geloofs heeft aangenomen en aanneemt uit God en hoegenaamd niets uit zichzelf. (wcg 88)
Hij is daardoor een gelijkenis Gods, dat hij die dingen in zich voelt alsof ze uit hemzelf waren. Dit voelt hij, aangezien hij niet in wetenschap wordt geboren, maar deze aanneemt en hetgeen hij aanneemt schijnt hem toe, alsof het uit hemzelf was. Dit zo te voelen, wordt de mens eveneens uit God gegeven, opdat de mens een mens en niet een beest zij, aangezien hij daardoor, dat hij wil, denkt, liefheeft, weet (waarnemen), verstaat en wijs is als uit zichzelf, de wetenschappen aanneemt en ze verhoogt tot inzicht en door het nut daarvan tot wijsheid. (wcg 88)
Op deze wijze verbindt God de mens aan zichzelf en verbindt de mens zich aan God. Deze dingen hadden niet kunnen geschieden, wanneer er niet uit God in was voorzien, dat de mens in volkomen onwetendheid zou worden geboren. De mens wordt zonder wetenschappen geboren, opdat hij zelf in alle wetenschappen kan komen en zelf voortschrijden in inzicht en door dit in wijsheid; en hij wordt in generlei liefde geboren opdat hij zelf in allerlei liefde kan komen d.m.v. de zelftoepassing der wetenschappen uit het inzicht en zelf in de liefde tot God door de naastenliefde en aldus worden verbonden met God en daardoor zelf een mens worden (zelfverwerkelijking) en leven tot in eeuwigheid (hereniging). (wcg 88)
De mens werd geschapen om uit God liefde en wijsheid aan te nemen en nochtans in alle gelijkenis als uit zichzelf en zulks ter wille van de opneming en de verbinding en de mens wordt daarom niet in enige liefde geboren, noch in enige wetenschap en zelfs niet in enige macht tot liefhebben en wijs zijn uit zichzelf. (wcg 90)
... de gehele mens is niets anders dan een werktuig om deze twee, het licht als wijsheid en de warmte als liefde, op te nemen, zowel uit de natuurlijke als uit de geestelijke wereld, want zij stemmen met elkaar overeen. De mens is een vorm ter opneming van wijsheid en liefde uit God. (wcg 672) Alleen de mens neemt het licht en de warmte, dat is de wijsheid en de liefde, onmiddellijk uit God op. (wcg 672)

De eerste staat wordt bij elk mens uitgebeeld door de staat van de jeugd, die de staat van vernedering voor zij ouders en van de gehoorzaamheid is, alsmede door onderricht van meesters en leiders. (wcg 169)
De tweede staat wordt echter uitgebeeld door de staat van dezelfde persoon, waneer hij zijn eigen meester en zelfstandig wordt of beschikt over zijn eigen wil en verstand in welke staat hij over zijn eigen huis het bewind voert. De eerste staat is de staat der dienstbaarheid, de tweede die van de eigen wil en van het daaruit voortvloeiende verstand. (wcg 169) Niemand kan van het heengaan uit deze wereld iets anders geloven, dan wat hij zichzelf heeft ingeprent. Ieder krijgt in de hemel zijn plaats overeenkomstig zijn voorstelling van God. (wcg 178)
Verlossing betekent bevrijding van de verdoemenis, redden van de eeuwige dood, ontrukken aan de hel. (wcg 203)
Het leven van God is in al zijn volheid niet alleen bij de goeden, maar ook bij de bozen. Het onderscheid is, dat de bozen de deur sluiten voor God en de goeden de deur openen, opdat God binnentrede. (wcg 515)
Dat onder iemands naam niet alleen zijn naam wordt verstaan, blijkt duidelijk uit de naam in de geestelijke wereld; aldaar behoudt geen mens de naam die hij van zijn ouders kreeg; maar een ieder wordt daar genoemd naar zijn hoedanigheid, naar het zedelijke en geestelijke leven. (wcg 433)
Niet God brengt de mens naar het boze of het goede, maar de mens doet dat uit zichzelf. (wcg 676)
... de liefde verbindt ieder met zijns gelijken ... (wcg 677)

Beide, de vrije keuze (denken en voelen) en de wil in de mens, kunnen, tesamen genomen, het levende streven worden genoemd, want wanneer de wil ophoudt, houdt de handeling op en wanneer de vrije keuze ophoudt, houdt de wil op. Het leven van des mensen geest bestaat in zijn vrije keuze in de geestelijke dingen. (wcg 682)
Dat ieder mens in de vrije keuze in geestelijke zaken is, kan hij reeds uit de eigen waarneming alleen van zijn eigen gedachten weten. (wcg 698) Zonder de vrije keuze zou er in de mens niet iets zijn, waarmee God zich zou kunnen verbinden en zonder deze wederkerige verbinding is geen hervorming en wederverwekking mogelijk. Maar wanneer de mens zonder de vrije keuze geschapen had kunnen worden, dan zou hij slechts een standbeeld zijn. Wat is de vrije keuze anders dan te kunnen willen en doen, en denken en spreken in alle schijn als vanuit zichzelf. (wcg 691)
De mens heeft de vrije keuze daarvandaan, dat hij het leven in zich voelt als het zijne en dat God hem daarin laat dit zo te voelen, opdat verbinding (hereniging) plaats vinde, welke niet bestaanbaar is, tenzij hij wederkerig is. Zij wordt eerst wederkerig, wanneer de mens uit het vrije geheel als uit zichzelf handelt. (wcg 714)
Het geestelijke evenwicht, dat de vrije keuze is, kan worden verduidelijkt door natuurlijke evenwichten. Alle spieren zijn tegengesteld aan elkaar en houden elkaar in evenwicht. Zonder dit evenwicht zou alle werking en tegenwerking ophouden te bestaan en zou de mens niet langer als een mens handelen. Alle dingen die in het lichaam zijn, bevinden zich in een dergelijk evenwicht, ook de dingen in de hersenen en bijgevolg alle dingen in het gemoed, die op de wil en het verstand betrekking hebben. (wcg 677)
... het leven van God vloeit in uit de hoogste dingen en het leven van de mens bestaat daaruit, vrij te kunnen denken en willen, en vandaar spreken en doen. Daarvandaan komt de vrije keuze. (wcg 681)
Alleen datgene blijft bij de mens, wat uit de vrije keuze door de mens werd opgenomen. (wcg 694)
Vanuit dit geestelijk vrije heeft de mens de gewaarwording van het goede en het ware, en van het rechtvaardige, ... welke gewaarwording het verstand zelf in zijn wezen is. (wcg 681)
Dat datgene blijft, wat uit het vrije wordt opgenomen, komt, doordat des mensen wil dit in zich opneemt en zich toeëigent en doordat het zijn liefde binnentreedt en de liefde dit als het hare erkent en zich door dit vormt. (wcg 697)
De redenen, waarom de vrije keuze in des mensen wil en verstand zetelt, zijn de volgende:
1. Omdat deze twee vermogens eerst onderwezen en hervormd moeten worden (opgevoed) en door die de twee vermogens van de uitwendige mens, waardoor hij spreekt en handelt.
2. Omdat deze twee vermogens van de inwendige mens zijn geest uitmaken, die na de dood leeft en onder geen andere wet dan de goddelijke staat, waarvan het voornaamste is, dat de mens de wet denke en doe vanuit zichzelf, hoewel vanuit God. (wcg 699)
... Alle oordeel, dat over de mens na de dood wordt geveld, richt zich naar het gebruik dat hij heeft gemaakt van de vrije keuze. (wcg 699)
Hieruit volgt dit besluit, dat de vrije keuze zelf in de geestelijke dingen zetelt in de ziel van de mens en dat zij van daaruit in zijn gemoed vloeit. (wcg 700)
Dit is het vrije van de mens, waardoor, waarin en waarmee God aanwezig is in de mens en zonder ophouden aandringt op zijn opneming zonder nochtans ooit het vrije te verwijderen, daar al wat niet vanuit dit vrije gebeurt, niet blijft. (wcg 700)
Alle onrechtvaardigheden in de wereld kunnen alleen maar worden afgeleid uit de vrije keuze bij elk mens. (wcg 677)

Dat, voor zoveel als de mens wordt wederverwekt (zelfverwerkelijking), worden de zonden verwijderd, komt, doordat de wederverwekking daarin bestaat, het 'vlees' (de toestand van vereenzelviging ermee) te beteugelen, opdat het niet overheerse en de oude mens met zijn begeerten te temmen, opdat hij zich niet verheffe en het verstandelijke verderve, ... (wcg 815)
Al het eigene van de mens is de wil in, en dit is uit de eerste geboorte 'boos' (onbeheerst) en wordt goed vanuit de tweede geboorte; de eerste geboorte is uit de ouders, de tweede uit God. (wcg 871)
De nieuwe kerk vereert één zichtbare God, in wie de onzichtbare God is gelijk de ziel in het lichaam. Dat de verbinding met de mens aldus en op geen andere wijze mogelijk is, komt, doordat de mens natuurlijk is en vandaar natuurlijk denkt, en de verbinding plaats moet vinden in het denken en daardoor in de aandoening van zijn liefde, en dit geschiedt, wanneer de mens over God als mens denkt. (wcg 1045)
... de wederverwekking van de mens gebeurt niet in een ogenblik, maar geleidelijk, van het begin tot het einde des levens in de wereld en dat zij na dit wordt voortgezet en vervolmaakt. (wcg 814)

Al degenen die een geweten hebben, spreken wat ze spreken uit het hart en doen wat ze doen uit het hart, want ze hebben geen verdeeld gemoed (maar zijn integer, uit één stuk), daar zij naar datgene, wat ze als goed en waar verstaan en geloven, spreken en doen. (wcg 893)
Hieruit volgt, dat er een volmaakter geweten kan bestaan bij hen, die meer dan anderen in de waarheid van het geloof en die meer dan anderen in de heldere gewaarwordingen zijn, dan bij hen, die minder verlicht en in de donkere gewaarwordingen zijn. (wcg 893)
In het ware geweten is het geestelijke weten zelf van de mens, want daarin is zijn geweten verbonden met de naastenliefde; daarom staat voor hen uit het geweten handelen gelijk met uit hun geestelijke leven handelen, en niet er tegenin. (wcg 893)
Het geweten is een geestelijk willen, overeenkomstig de dingen, die tot de godsdienst behoren en tot het geloof. Handelen volgens het geweten geeft rust, ertegen onrust en pijn. (wcg 892)
Het ware berouw bestaat daarin, niet alleen de handeling van zijn leven te onderzoeken, maar ook de bedoeling van zijn wil. Dit komt, doordat het verstand en de wil de handeling maken, want de mens spreekt uit de gedachte en handelt uit de wil (m.a.w. berouw is het werkzame geweten). (wcg 749)
Na de verhandeling over het berouw komen in volgorde de hervorming en de wederverwekking aan de beurt, daar deze op het berouw volgen en zij d.m.v. het berouw verder voortschrijden.
Dat er in de liefde tot voortplanting alle verrukking en wellust gelegen is, vindt zijn oorzaak hierin, dat, van de schepping af, alle genot, alle welbehagen, alle zaligheid en alle geluk in de ganse hemel en in de ganse wereld verbonden is aan het streven en dus aan de handeling, een vruchtdragende werking voort te brengen (scheppend werkzaam te zijn). Deze vreugden nemen in stijgende mate eeuwig toe al naar het goede en het voortreffelijke dier werkingen. Hieruit blijkt vanwaar deze zo grote wellust der voortplanting komt, die elke andere lust overtreft. (Het huwelijk, huw 18)

terug naar de Inhoud

6. Gebed als godsbezinning, de hereniging
De goddelijke liefde had niets anders tot einddoel, toen God de wereld schiep, dan de mens met zich te verbinden en zich met de mens en aldus met de mens te wonen (m.a.w. het einddoel is de hereniging). (wcg 1044)
Dat de vereniging wederkerig is, komt, doordat niet enige verbinding of vereniging tussen twee bestaanbaar is, wanneer niet beurtelings de een de ander tegemoet komt. Alle verbinding in de gehele hemel en de aarde en in de mens komt nergens anders vandaan dan van de wederkerige toenadering van de een tot de ander, alsmede daarvandaan dat de een en de ander gezamenlijk hetzelfde wil; daaruit ontstaat in elke bijzonderheid van beiden gelijkaardigheid, eensgezindheid en samenstemming. (wcg 161)
Het behoort tot de goddelijke orde, dat de mens zich geschikt maakt (zelfverwerkelijking) tot de aanneming Gods (hereniging) en zich voorbereidt om het ontvangende vat en de woonplaats te zijn, waarin God binnentreedt en als in zijn tempel kan wonen. Dit moet de mens uit zichzelf doen, maar nochtans erkennen, dat het uit God is. Dit moet hij erkennen, aangezien hij de tegenwoordigheid en de werking Gods niet voelt, hoewel God in alleronmiddellijkste tegenwoordigheid al het goede der liefde en al het ware des geloofs bij de mens werkt. Overeenkomstig deze orde schrijdt de mens voort en moet hij voortschrijden, opdat hij uit natuurlijk geestelijk worde. (wcg 168)

Dat Christus in de wereld tot de Vader bad als tot een ander en dat hij zich voor de Vader vernederde als voor een ander, geschiedde volgens de uit de schepping vastgestelde orde, die onveranderlijk is en overeenkomstig welke eenieder tot de verbinding met God (hereniging) moet voortschrijden (door zelfverwerkelijking). Deze orde bestaat hierin, dat zoals de mens door een leven overeenkomstig de orde, die de geboden Gods zijn, zich met God verbindt en hem uit 'natuurlijk' 'geestelijk' maakt.
Vanuit deze voortdurende invloed vanuit Christus schijnt het de mens toe, alsof hij uit zichzelf werkzaam is; en aangezien dit zo is heeft hij de vrij keuze en deze werd hem gegeven, opdat hij zichzelve voorbereide (zelfverwerkelijking) om God op te nemen en zich aldus te verbinden (hereniging). Deze verbinding is niet bestaanbaar wanneer zij niet wederkerig is; en zij wordt wederkerig wanneer de mens uit vrije wil handelt, maar nochtans uit het geloof alle werkzaamheid aan God toeschrijft.
... alle verbinding met God moet een wederkerige verbinding zijn van de mens met God en dit andere wederkerige is niet mogelijk, tenzij met een zichtbare God. (wcg 1045)

... God is een Mens; door het geloof daarin zul je met de hemel worden verbonden. (wcg 186)
De mens werd, doordat hij als beeld Gods werd geschapen, ook tot woonplaats Gods geschapen. Al naar de mens zich voorbereidt om God op te nemen, treedt God binnen en maakt alle dingen die geestelijk zijn, levend. (wcg 506)
De geestelijke mens kan over God denken en zodanige dingen gewaarworden (waarnemen), die goddelijk zijn. Hij kan ook God liefhebben (voelen) en geroerd worden door de dingen, die uit God zijn. (wcg 520)
Wat is het geloof anders dan verbinding met God door de waarheden die tot het verstand en vandaar tot de gedachten behoren? Wat is liefde anders dan verbinding met God door de goedheden, die tot de wil (willen) en vandaar tot de aandoeningen (voelen) behoren? De verbinding van God met de mens is een geestelijke verbinding (d.m.v. de geestelijke vermogens). Terwille van de verbinding met God (de hereniging) als einddoel (!) is de mens als inwoner tegelijk van de hemel en van de aarde geschapen. Wanneer de mens geestelijk redelijk (denken) en tevens geestelijk zedelijk (voelen) wordt (zelfverwerkelijking), zo is hij met God verbonden en door de verbinding verkrijgt hij het heil van het eeuwige leven (hereniging). (wcg 521)
Er zijn drie dingen die in rangorde op elkaar volgen: aanpassing, toewending en verbinding. De aanpassing van de zijde van God bestond daarin, dat hij mens werd; de toewending van de zijde van God is voortdurend voor zoveel de mens zich zijnerzijds inspant; en naarmate dit geschiedt, vindt ook de verbinding plaats. Aanpassing moet er zijn, voordat er toewending mogelijk is en er moet aanpassing en tevens toewending plaats hebben gevonden, voor er verbinding mogelijk is.
De verbinding tussen Christus en de mens is wederkerig en de mens moet zich met Christus verbinden opdat Christus zich met de mens verbinde. Anders vindt er geen verbinding plaats, maar verwijdering en vandaar scheiding; zulks echter niet van de zijde van Christus, maar van de zijde van de mens. Opdat deze wederkerige verbinding plaats vinde, werd de mens de vrije verkiezing gegeven, waardoor hij de weg naar de hemel of de weg naar de hel kan inslaan. Uit deze de mens gegeven vrij keuze vloeit het wederkerige van hem voort, namelijk dat hij zich met Christus of met de duivel kan verbinden. (wcg 524)

God vloeit in bij ieder mens met de erkenning van God en de kennis aangaande God en tevens vloeit God in met zijn liefde jegens de mensen. (wcg 636)
De mens staat door de innerlijke dingen met de geesten in gemeenschap en door de uiterlijke dingen met de mensen. Door deze gemeenschap wordt de mens de dingen gewaar en denkt erover. (wcg 674)
God vloeit uit het hogere of innerlijke bij elk mens in met het goddelijke goede en ware, en blaast daardoor in de mens een leven, dat onderscheiden is van het leven der beesten en geeft haar het kunnen en het willen om dit goede en ware op te nemen en daaruit te handelen en God neemt dit nooit van iemand weg. (wcg 680)
Het is de bestendige wil van God dat de mens het ware opneemt en het goede doet en aldus geestelijk wordt (zich geestelijk ontwikkelt); daartoe is hij geboren. (wcg 680)

Er zijn twee staten, welke de mens moet binnentreden en doorlopen, wanneer hij van natuurlijk geestelijk wordt: de eerste staat wordt de hervorming genoemd, de tweede wederverwekking. (wcg 779)
De eerst behoort tot de gedachte uit het verstand, de tweede tot de liefde uit de wil. Wanneer deze staat begint en voortschrijdt, vindt een verandering in het gemoed plaats, want er geschiedt een omkering, aangezien dan de liefde van de wil in het verstand vloeit en het daartoe beweegt en leidt, op een met zijn liefde samenstemmende wijze te denken; voor zover het goede der liefde de eerste plaats inneemt en de warheid van het geloof de tweede plaats is de mens geestelijk, een nieuw schepsel en, is hij in God, dan wederverwekt (hereniging). (wcg 770)
De beide werelden zijn niet naar de gedachten, maar naar de aandoeningen (gevoelens) verbonden, aangezien zij niet in het licht zijn waarin het verstand is, maar in de warmte, waarin de wil is en vandaar de aandoeningen van zijn liefde. (wcg 812)
De nieuwe kerk vereert één zichtbare God, in wie de onzichtbare God is gelijk de ziel in het lichaam. Dat de verbinding met de mens aldus en op geen andere wijze mogelijk is, komt, doordat de mens natuurlijk is en vandaar natuurlijk denkt, en de verbinding plaats moet vinden in het denken en daardoor in de aandoening van zijn liefde, en dit geschiedt, wanneer de mens over God als mens denkt.







^