Fritjof Capra, De tao van fysica

Kosmos, ISBN: 9021533936
Door Bram Maljaars, 13 okt 2002  Stichting Spirituele Ontwikkeling

Voorwoord
De inzichten die de wetenschap de laatste eeuw heeft ontwikkeld op het gebied van de moderne fysica, zoals de relativiteitstheorie en de quantumtheorie van Einstein, laten een wetenschap zien die wij ons met het logische verstand niet meer kunnen voorstellen. De omschrijvingen in deze moderne fysica lijken op wat wij normaliter metafysisch zouden noemen, of wel buiten de wetenschappelijk erkende fysica.
Het bijzondere is nu, dat deze moderne fysica, met name als het over onderwerpen gaat als het ontstaan van het heelal, de relatie tijd en ruimte en het 'zijn' van de mens, grote overeenkomsten vertoont met omschrijvingen uit de al duizenden jaren oude oosterse mystiek. In zijn boek 'De Tao van fysica' beschrijft Fritjof Capra deze moderne fysica en vergelijkt deze met de oude inzichten van mystici.
Dit artikel is voor een belangrijk deel gebaseerd op de inzichten zoals Fritjof Capra die in zijn boek beschrijft. Daarnaast heb ik in dit artikel deze moderne wetenschappelijke inzichten ook vergeleken met de mediamieke schrijver Jozef Rulof, die als mens zelfs de lagere school niet had afgemaakt; hij beschrijft op een zeer gedetailleerde wijze het ontstaan van het heelal en de ontwikkeling van de mens. Opvallend is dat in deze boeken, die vooral in de jaren '30-'40 zijn geschreven, al inzichten worden gegeven, die de moderne wetenschap pas de laatste decennia stap voor stap begint te ontdekken.

Inhoud

1. De klassieke fysica van Newton
2. Relativiteitstheorie en quantumtheorie in relatie tot de macrokosmos
    Relativiteitstheorie
    Quantumtheorie
3. Oerknal
4. Vergelijking met de wijsheid van oosterse mystieke richtingen
5. Het ontstaan van het heelal door Jozef Rulof
6. Tot slot
Literatuur

1. De klassieke fysica van Newton

De Engelse wis- en natuurkundige Isaac Newton (1642-1727) is de belangrijkste natuurkundige uit de zeventiende eeuw. Hij was het die de basis legde voor de mechanica en de algemene gravitatietheorie (de leer van de zwaartekracht). Hij studeerde in Cambridge en werd daar later hoogleraar in de wiskunde. In 1687 publiceerde hij Philosophiae naturalis principia mathematica (Wiskundige beginselen van de natuurfilosofie), meestal afgekort tot Principia. Dit werk is één van de belangrijkste uit de geschiedenis van de natuurwetenschappen.
Bijna 300 jaar lang was de klassieke fysica gebaseerd op het mechanistische model van het heelal, zoals dit was ontwikkeld door Newton. Het heelal van Newton was een driedimensionale ruimte waar we aan konden rekenen volgens de Euklidische (Euklides) meetkunde.
De absolute ruimte was in rust en onveranderlijk. Alle veranderingen in de fysieke ruimte werden in termen van een aparte dimensie beschreven, namelijk de tijd. De tijd was ook weer absoluut, had geen verbinding met de materiele wereld en stroomde constant van het verleden via het heden naar de toekomst.

Newton ging ervan uit dat alle materie was opgebouwd uit kleine, onvernietigbare deeltjes, atomen. Massa bleef altijd behouden en was in wezen passief. In dit model van Newton, dat vergelijkbaar was met dat van de oude Griekse wijsgeren, zoals dat van Demokritos, werd onderscheid gemaakt tussen volte en leegte en tussen materie en ruimte. Het verschil tussen Newton en Demokritos was dat Newton in zijn model ook de zwaartekracht beschreef, de kracht die tussen materiële delen optreedt. Hij nam daarbij aan dat deze kracht altijd en over elke willekeurige afstand werkte. Om het effect van die kracht op een massapunt goed te kunnen formuleren, ontwikkelde Newton een nieuwe wiskunde, de differentiaalrekening.
De bewegingsvergelijkingen van Newton vormen de basis van de klassieke mechanica. Ze werden als vaste wetten beschouwd, waarmee men alle veranderingen in de fysieke wereld kon verklaren.
In de visie van Newton had God bij de schepping alle materiële deeltjes, de krachten daartussen en de fundamentele bewegingswetten geschapen. Op die manier was het hele heelal geschapen en in beweging gezet.
Deze reusachtige kosmische machine was sinds de schepping blijven lopen en werd beheerd door de onveranderlijke wetten van Newton. Deze wetten werden als de basiswetten van de natuur gezien en men beschouwde de mechanica van Newton als de alles omvattende theorie van de natuurverschijnselen.
Deze visie veranderde met de ontdekking van elektrische en magnetische verschijnselen door Maxwell en Faraday. Er bleken krachtvelden te zijn, die los stonden van de lichamen waarop ze werkten. Zo ontstond naast Newton begin van de 20e eeuw de zogeheten elektrodynamica van Maxwell.

In de eerste 30 jaar van de twintigste eeuw wijzigde de hele visie op de fysica radicaal door twee ontwikkelingen:
1. de relativiteitstheorie;
2. atoomfysica (de basis voor de quantumtheorie)

terug naar de Inhoud

2. Relativiteitstheorie en quantumtheorie in relatie tot de macrokosmos


Albert Einstein
theoretisch natuurkundige
In 1905 publiceert Albert Einstein twee artikelen: de zogeheten relativiteitstheorie en de aanzet voor de quantumtheorie, de theorie voor atomaire verschijnselen. De 'oude' fysica, vooral gebaseerd op de opvattingen van Newton, bleek fundamenteel niet juist. Met name als we het over de 'kosmologie' hebben is de 'oude' fysica niet bruikbaar.

terug naar de Inhoud

Relativiteitstheorie
Tot voor kort namen we aan dat de ruimte driedimensionaal was met de tijd als een afzonderlijke constante entiteit. Einstein toont met de relativiteitstheorie aan dat ruimte en tijd nauw met elkaar zijn verbonden en een vierdimensionaal stelsel 'ruimtetijd' vormen. Met andere woorden de tijd is niet constant, maar afhankelijk van de plaats in de ruimte.
In 1915 breidt Einstein zijn theorieën uit met de theorie over de zwaartekracht. Volgens deze theorie heeft de zwaartekracht de kromming van ruimte en tijd tot gevolg.
Het zwaartekrachtveld van zware lichamen veroorzaakt dus een kromming van de driedimensionale ruimte en omdat in de relativiteitstheorie de tijd nooit los van de ruimte kan worden gezien, wordt ook de tijd door de aanwezigheid van massa, dus door zwaartekracht, beïnvloed.

Overal waar zich een zwaar voorwerp in de ruimte bevindt, bijvoorbeeld een ster of planeet, is de ruimte en dus ook de tijd, gekromd en de kromming hangt af van de massa. In verschillende gebieden van de ruimte verloopt de tijd in een verschillend tempo. De hele structuur van de ruimtetijd is dus afhankelijk van de verdeling van de materie in het heelal. Ook het begrip 'lege ruimte' heeft in de wetenschappen van het heelal, de astrofysica en de kosmologie, zijn betekenis verloren.
Een van de nieuwe inzichten die hiervan een gevolg was, was het besef dat alle massa energie is. Zelfs in een onbeweeglijk voorwerp is energie opgeslagen: Dit leidde tot de beroemde formule E=mc2 , waarin c de snelheid van het licht is.

terug naar de Inhoud

Quantumtheorie
In schijnbare tegenstelling tot de kosmologie, waar het over oneindig grote dimensies gaat, is de atoomfysica juist gericht op onderzoek van de kleinste deeltjes waaruit materie bestaat. In de klassieke fysica ging men ervan uit dat alle materie was opgebouwd uit kleine massieve deeltjes, de atomen.
Toen men begin van de 20e eeuw de werking van de röntgenstraling en de radioactiviteit ontdekte, kwam men er achter dat atomen helemaal geen harde en massieve deeltjes waren. In plaats van massief, bleken deze kleine atomen in werkelijkheid bijna geheel te bestaan bestaan uit, vrijwel 'lege' ruimte, waarin nog veel kleinere deeltjes, elektronen genaamd, zich om een superklein kerntje bewogen.
De doorsnede van een atoom is voor onze begrippen al enorm klein, namelijk één honderd miljoenste centimeter. Om hiervan een voorstelling te krijgen geeft Capra in zijn boek als voorbeeld een sinaasappel. Deze sinaasappel is geheel opgebouwd uit atomen. Zouden we deze sinaasappel nu uitvergroten tot de omvang van de aarde, dan zouden we zien dat één atoom van deze reusachtige sinaasappel de grote heeft van een kers. De reuze sinaasappel is dan opgebouwd uit ontelbare atomen zo groot als kersen, dicht opeengepakt in een bol zo groot als de aarde.
Elk zo'n heel kleine atoom bestaat op zich weer uit een enorme ruimte, waarin nog veel kleinere deeltjes, de elektronen, zich om een hele kleine kern bewegen. Om ons een voorstelling van de verhoudingen in een atoom te maken vergroten we 1 atoom tot de grootte van de Sint Pieter in Rome. In deze atoom zou de kern dan de grootte van een korrel zout hebben in het midden van de Sint Pieter met daaromheen enkele elektronen zo groot als stofjes. Deze elektronen bewegen met een enorme snelheid door deze ruimte.

We zien dus dat atomen, die de basis vormen voor de 'massieve' materie, voor wat betreft hun eigen massa, bijna geheel uit lege ruimte bestaan. Dat materie, zoals wij die in het dagelijks leven kennen, ondoordringbaar lijkt, heeft met de snelheden van de elektronen te maken. Enerzijds worden de elektronen aan de kern gebonden door de elektrische krachten. Anderzijds reageren elektronen op hun opsluiting in een atoom door met enorme snelheden, van wel 1000 km per seconde, rond te vliegen. Hoe kleiner de ruimte ofwel de atoom, hoe hoger de snelheid van het elektron. Door die hoge snelheden lijkt het atoom uit een massieve bol te bestaan. Je zou het kunnen vergelijken met een snel ronddraaiende propeller, die eruit ziet als een massieve schijf.
De kern van een atoom bestaat weer uit protonen en neutronen. Het lichtste element is waterstof. De kern bestaat uit precies 1 proton en daaromheen beweegt zich 1 elektron. Door aan de kern steeds meer protonen en neutronen toe te voegen en een evenredig aantal bijbehorende elektronen aan de schil, ontstaat het bekende periodieke systeem van de elementen, de basis van de scheikunde.

Uit de quantumtheorie blijkt dat de subatomaire deeltjes zeer abstracte entiteiten zijn met een dubbele natuur. Afhankelijk van de manier waarop we naar deze deeltjes kijken, lijken het soms deeltjes en soms golven. Ook het licht vertoont deze dubbele natuur, omdat het zowel in de vorm van elektromagnetische straling als in de vorm van deeltjes kan verschijnen.
Ook bleek, dat de energie van licht- en warmtestraling niet continu, maar in de vorm van energiepakketjes wordt uitgezonden. Einstein noemde deze energiepakketjes 'quanta'. Sindsdien worden deze lichtquanta - waaraan de quantumtheorie zijn naam ontleent - fotonen genoemd. Dit zijn massaloze 'deeltjes' die zich met de snelheid van het licht voortbewegen.
De quantumtheorie laat zien dat op subatomair niveau materie niet met zekerheid bestaat, maar tendensen vertoont om te bestaan. Ook gebeurtenissen zijn niet gebonden aan een bepaalde tijd en plaats maar vertonen tendensen om te gebeuren. Uit de quantumtheorie werd duidelijk waarom subatomaire deeltjes ook golven kunnen zijn. Het zijn namelijk geen echte 'driedimensionale golven' zoals geluidsgolven of watergolven. Het zijn zogeheten waarschijnlijkheidsgolven. Alle wetten van de atoomfysica worden uitgedrukt in termen van deze waarschijnlijkheid.

De quantumtheorie legt de fundamentele eenheid van het heelal bloot en laat zien, dat we de wereld helemaal niet in onafhankelijke kleine eenheden kunnen ontleden. Als we diep in de materie doordringen vertoont de gehele natuur ons geen fundamentele bouwstenen maar een uiterst gecompliceerd web van relaties tussen de verschillende delen van het geheel.
In die relatie is de waarnemer altijd wezenlijk betrokken. Alle processen en eigenschappen van een voorwerp op atomair niveau kunnen alleen worden begrepen in termen van de wisselwerking en waarnemer. Het klassieke ideaal dat we de natuur in objectieve termen kunnen beschrijven komt hiermee geheel te vervallen.
Zoals we al eerder zagen is de atoomkern ca. 100.000 keer kleiner dan het gehele atoom. Deze kern bevat echter wel vrijwel alle massa van het atoom. Dat betekent dat de materie in de kern ontzettend dicht moet zijn. Omdat deze neutronen en protonen hetzelfde quantumkarakter hebben als elektronen, reageren ze met hoge snelheden op hun opsluiting in de kern. Ze razen met snelheden van zo'n 60.000 km/sec in de kern rond. Dit als gevolg van het feit dat ze dicht op elkaar zijn gepakt. We krijgen nu een beeld van materie, dat geconcentreerd is in kleine, heftig kokende kernen die door reusachtige afstanden van elkaar gescheiden zijn.

Kenden we in 1930 nog maar 3 subatomaire deeltjes, tegenwoordig kennen we meer dan 200 elementaire deeltjes. Uit experimenten met botsingen van deeltjes is gebleken, dat materie volkomen transformeerbaar is. Alle deeltjes kunnen in andere deeltjes worden omgevormd. Ze kunnen worden gevormd uit energie en weer in energie opgaan. Tegen deze achtergrond verschijnt het gehele heelal voor ons als een dynamisch web van niet van elkaar te scheiden energiepatronen. Tot nu toe is er geen alles omvattende theorie gevonden, om de wereld te beschrijven. Het kosmische web leeft; het beweegt, groeit en verandert voortdurend.

Albert Einstein, (Ulm 14 maart 1879 -Princeton, N.J., 18 april 1955), theoretisch fysicus, een van de grootste fysici aller tijden, vooral beroemd geworden door zijn relativiteitstheorie. Deze theorie bracht niet alleen een totale omwenteling teweeg in de fysica, maar had door zijn nieuwe opvattingen over de samenhang tussen ruimte en tijd ook daarbuiten enorme invloed.

terug naar de Inhoud

3. Oerknal

De meeste kosmologen nemen aan dat het heelal ca. 10 miljard jaar geleden is ontstaan vanuit de explosie van een kleine oervuurbal. De huidige uitzetting van het heelal wordt dan gezien als de nog overgebleven stuwkracht van deze oer-explosie. Het waarneembare heelal bestaat uit miljoenen melkweg stelsels van verschillende vormen, zoals platte schijven, bollen, spiralen etc. Het heelal is contant in beweging. Roterende wolken waterstofgas trekken zich samen tot brandende vuren, de sterren. Sommige sterren stoten materie uit, dat spiraalvormig de ruimte wordt in geslingerd en dan condenseert tot planeten, die dan weer om die ster heen blijven draaien.

Zwarte gaten.
Na miljoenen jaren is een ster opgebrand. Deze gaat vervolgens uitzetten en stort daarna in door de zwaartekracht. Dit kan gepaard gaan met enorme explosies, waarbij de ster kan 'oplossen' in een zogeheten zwart gat. Waar de materie, of zoals we inmiddels weten, de energie blijft kunnen we wetenschappelijk niet verklaren. Ons eigen melkwegstelsel is een uitgestrekte platte schijf, die uit sterren, planeten en gas bestaat en als een groot wiel in de ruimte ronddraait. Alle sterren met planeten - dus ook onze zon met planeten - zoals de aarde, draaien om het centrum. In het centrum bevindt zich het zwarte gat waar materie op mysterieuze wijze in het 'niets' verdwijnt.

Donkere materie
Een ander fenomeen dat de wetenschappers nog steeds voor grote raadselen stelt, is de hoeveelheid 'donkere materie' in het heelal. Uit de snelheid waarmee veraf gelegen sterren zich bewegen is af te leiden dat er veel meer materie ofwel energie moet zijn dan wij kunnen waarnemen. Ook ons eigen melkwegstelsel bevat grote hoeveelheden van deze geheimzinnige donkere materie. De inschatting is dat het heelal wel eens voor 99 % uit deze ontbrekende massa of energie zou kunnen bestaan.
Hoewel er volop onderzoek gedaan wordt, is er nog geen theorie die een redelijk sluitende verklaring voor het begrip donkere materie kan geven. Hieruit blijkt weer eens hoe weinig we wetenschappelijk nog maar kunnen verklaren. Het grootste deel van het heelal bestaat uit massa die we niet kunnen verklaren!

Het uitdijende heelal
Het heelal is niet statisch, het zet uit. In welk melkwegstelsel je je ook bevindt, je ziet altijd de andere stelsels van je weg snellen. De vluchtsnelheid van alle melkwegstelsels is recht evenredig met de afstand tot een referentiepunt. Dit geldt voor elk referentiepunt. Melkwegstelsels dichtbij bewegen van ons af met een snelheid van enkele duizenden km/sec. De verderaf gelegen stelsels gaan dus weer sneller en de verst voor ons waarneembare gaan met bijna de snelheid van het licht. Verdere stelsels die sneller dan het licht van ons af bewegen, kunnen we niet waarnemen.

Wet van Hubble
Met een eenvoudige driedimensionale voorstelling kunnen wel het heelal vergelijken met een ballon die wordt opgeblazen. Uit het verband tussen de afstand van een melkwegstelsel en zijn vluchtsnelheid valt het aanvangstijdstip van de uitzetting ofwel het moment van de oerknal, ofwel de schepping te berekenen. Dit heet de wet van Hubble. Ervan uitgaande dat het uitzettingstempo hetzelfde is gebleven, en de snelheid van het licht constant is, wat overigens recent weer ter discussie is gesteld, dan zou de leeftijd van het heelal ruim 10 miljard jaar zijn.

Wat de toekomst van het heelal betreft geven Einsteins vergelijkingen geen eenduidig antwoord.
1. Sommige modellen voorspellen dat de uitdijing altijd zal doorgaan.
2. Andere modellen gaan uit van een oscillerend heelal. Eerst uitzetting en daarna weer samentrekking tot een kleine bal en dan weer uitzetten etc.

terug naar de Inhoud

4. Vergelijking met de wijsheid van oosterse mystieke richtingen

Hindoeïsme
In het boek 'De tao van fysica' beschrijft Fritjof Capra de ontwikkeling van de moderne fysica en vergelijkt deze met de al duizenden jaren oude inzichten uit de oosterse mystiek.
Een heel mooi voorbeeld is de vergelijking die hij maakt met de oude inzichten uit het Hindoeïsme. In het Hindoeïsme wordt de uiteindelijke werkelijkheid Brahman genoemd. Deze wordt gezien als de opperste ziel ofwel het innerlijk wezen van alle dingen. De verschillende goden die het Hindoeïsme kent zijn slechts de verschillende manifestaties van dat ene Goddelijke, Brahman. De manifestatie van Brahman in de menselijke ziel wordt Atman genoemd. Atman en Brahman, het individu en de uiteindelijke werkelijkheid, het Goddelijke, zijn één. Ofwel onze ziel is een stukje van God. Het ervaren van deze ultieme waarheid heet bevrijding en lijkt erg op wat de Boeddhist verlichting noemt. Het Hindoeïsme stelt dat er ontelbare wegen zijn om deze bevrijding te bereiken. Dit geeft ook de grote mate van tolerantie aan en inclusiviteit (het opnemen van andere religies) die zo karakteristiek is voor het Hindoeïsme. Voor de doorsnee hindoe is de verering van een persoonlijke god de meest populaire vorm om het alles omvattende goddelijke Brahman te benaderen. Op deze wijze heeft de vruchtbare Indische verbeeldingskracht duizenden godheden geschapen. Uit Brahman komt een triniteit voort, Trimurti. In het indische denken heeft de schepping drie krachten. Het zijn drie goden die kaar helpen om de schepping in stand te houden. Zij komen voort uit de alziel Brahman. Het zijn: Brahma, Vishnu en Shiva.
Als de kosmische danser is Shiva de god van schepping en vernietiging, die door zijn dans het eindeloze ritme van het Heelal onderhoudt.

De mythe van Lila als het oscillerende heelal
Fritjof Capra beschrijft in zijn boek de vergelijking van het moderne begrip 'oscillerende heelal' met de oude mythe van Lila uit het Hindoeïsme. In deze mythe - het goddelijke spel - verandert Brahman zichzelf in de wereld. Lila is dan een ritmisch spel, dat zich cyclisch steeds weer herhaalt, waarbij de ene tot velen wordt en de velen weer tot de ene terugkeren. Ook in de Bhagavad Gita beschrijft de god Krishna dit ritmische spel van de schepping in ondermeer het citaat: "Aan het einde van de nacht der tijden keren alle dingen tot mijn natuur terug; en als de nieuwe dag der tijden begint breng ik ze weer in het licht".
De hindoeïstische wijzen, goeroes, identificeren dit ritmische goddelijke spel met de evolutie van de kosmos. Ze beelden het heelal uit als een stelsel dat zich steeds weer periodiek uitzet en weer inkrimpt. De tijdsspanne tussen begin en eind van één schepping noemen ze één kalpa.

terug naar de Inhoud

5. Het ontstaan van het heelal door Jozef Rulof

De mediamieke schrijver Jozef Rulof heeft in zijn leven een groot aantal boeken geschreven, die het ontstaan van het heelal en de evolutie van de mens, zowel in de fysieke kosmos als de niet zichtbare transcendente kosmos, gedetailleerd beschrijven. Hij ontving deze kennis als hij met behulp van zijn transcendente gidsen uittrad en de hemelen mocht bezoeken. In zijn boek 'Het ontstaan van het heelal' beschrijft hij de oerknal als een proces dat miljoenen jaren heeft geduurd.
Vóór de oerknal was er alleen maar energie, een goddelijke oerenergie. Het proces van schepping dat de wetenschap nu de oerknal noemt, bestond eruit dat deze goddelijke energie zich ging verdichten tot een heelal met miljoenen vuurbollen. Door een verder verdichtingproces ontstonden de planeten. Vanuit het binnenste van sommige planeten ontstond aan het afgekoelde oppervlak leven. Het eerste leven in ons melkwegstelsel ontstond op de maan en dat was de mens, eerst als een eencellig en daarna als een tweecellig organisme met een zogeheten tweelingziel.
Het fysieke deel van dit leven ontstond dus uit de maan, één van de eerste planeten die geschikt was om leven te genereren. Het geestelijke deel van de mens, ziel en geest, kwamen echter direct uit de goddelijke bron. Dit heet de eerste graad.

Middels duizenden incarnaties ontwikkelde de mens zich op de maan tot een zeker niveau van evolutie, namelijk tot een wezen dat uit het water kroop. Daarna eindigde de ontwikkeling en stierf dit organisme. Dan gaat de geest van elk mens over naar de tweede graad, de planeet Mars. Ook hier ontstaat uit het binnenste van de planeet weer de fysieke eenvoudige menselijke organismen. De geestelijke bezieling komt nu echter van de maan. Deze organismen en de geest ontwikkelen zich, middels duizenden incarnaties nu relatief 'snel' naar een landvorm om vervolgens te evolueren tot een soort groot oermens. Dan sterft de mens weer en de geest gaat verder op de aarde. Na mars ontwikkelt de mens zich dus verder op de aarde, de derde graad. De aarde ontstond volgens Jozef Rulof ca 2,3 miljard jaar geleden. Dit komt goed overeen met de huidige wetenschappelijke inzichten. Fysieke menselijke organismen uit de aarde, bezield door de menselijke geest en afkomstig van mars, ontwikkelen zich nu relatief snel tot oermens. Van daaruit volgt de evolutie van de mens tot wat we nu anno 2003 zijn.
Naast de fysieke aarde ontstaan er in deze 3e graad, verbonden aan deze planeet ook trancedente sferen, waar de geest verblijft buiten het fysieke lichaam. Na de aarde en de hemelen zal de menselijke geest zich verder ontwikkelen in de vierde graad in een kosmos in een andere dimensie. Op deze wijze doorloopt de mens in totaal zeven graden en beleeft daarmee de hele schepping alvorens weer terug te keren in de goddelijke albron.

Jozef Rulof was een gewoon mens die zelfs de lagere school nooit had afgemaakt. Toch beschrijft hij in zijn boeken in de jaren '30 tot '40 al begrippen als de oerknal, het vroegere leven op andere planeten zoals maan en mars, het geboren worden van sterren en planeten en het weer verdwijnen naar andere dimensies. Ook dat de basis van alle materie, maar ook van alle gedachten, een goddelijke oerenergie is. Inzichten die door de wetenschap pas nu stapje voor stapje ontrafeld worden.

terug naar de Inhoud

6. Tot slot

De eerste intelligente menselijke beschavingen, die zich bewust bezig hielden met wetenschap, zoals ondermeer de beschavingen van het oude China en het oude Egypte, dateren uit de periode vanaf 4000-3000 jaar voor Christus. In de periode daarna ontwikkelde de wetenschap en vooral de implementatie ervan in het dagelijkse leven, zich relatief langzaam. Pas de laatste eeuwen zien we een versnelde ontwikkeling van wetenschappelijke inzichten en de toepassing ervan in nieuwe technologie. De laatste 50 jaar van het tweede millennium zien we zelfs een extreem snelle ontwikkeling van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de toepassing ervan in ons dagelijkse leven.
Vele geleerden verwachten dat we met dit tempo van ontwikkeling in de komende decennia naar een soort climax van wetenschappelijke ontwikkeling zullen groeien. De wetenschap waarover we het dan hebben, is echter nog steeds de wetenschap die gebaseerd is op de erkende traditionele bewijsvoering. De wetenschap van het verstand, van het rationele denken, met als oorsprong de Griekse wijsgeren.
Mijn verwachting is echter dat zich nog een ontwikkeling zal voordoen. Namelijk een evolutie van het wetenschappelijk denken zelf. Mede geïnspireerd door ontwikkelingen zoals de relativiteitstheorie en de quantumtheorie zal er binnen afzienbare tijd een nieuw vorm van wetenschappelijk denken gaan ontstaan, waarbij traditionele wetenschap gebaseerd op het rationele denken en spirituele inzichten gebaseerd op intuïtie en gevoel, naar elkaar toe zullen groeien.

terug naar de Inhoud

6. Literatuur:
De tao van fysica - Fritjof Capra
Waarom zijn zwarte gaten niet zwart - Robert M. Hazen en Maxine Singer
Ontstaan van het heelal - Jozef Rulof
De Kosmologie deel I, II, III en IV - Jozef Rulof


terug naar het literatuuroverzicht






^