Lawrence W. Fagg - Op de grens van geest en stof

Elektromagnetisme en het heilige
Uitgeverij Synthese
ISBN 978 90 6030 684 0
Vertaling: Gerrit Teule

Dit boek kan worden besteld middels een e-mail naar:
de Stichting Teilhard de Chardin (teilhard[at]planet.nl)
en door overboeking van een bedrag van € 15, -
per exemplaar op rekening: NL20ABNA0584940076
t.n.v. Stichting Teilhard de Chardin
teilharddechardin.nl
Op de Wieken 5
1852 BS Heiloo


Inhoud
Voorwoord 11

1 Inleiding 15

Deel I Elektromagnetisme in de natuurlijke wereld

2 De vier krachten in de natuur 29
De vier krachten vergeleken - Krachten, deeltjes en bosonen - Samenvatting

3 Elektromagnetisme en zijn ontdekkers 40
Vroeg elektromagnetisme - Kwantumelektrodynamica haar bedenkers - De reikwijdte van elektromagnetisme - Samenvatting

4 Onze elektromagnetische wereld 64
Elektromagnetisme in het leven en de evolutie - Elektromagnetisme in de technologie en ons leven in deze wereld - Elektromagnetisme en tijd - Waarom elektromagnetisme? - Samenvatting

Deel II Elektromagnetisme en spiritualiteit

5 Licht 83
Licht in scheppingsmythen - Licht in de heilige schrift en spirituele geschrifen - Licht als symbool - Licht in spirituele ervaring - St Augustinus, Ioannes Philoponus en Robert Grosseteste - Samenvatting

6 Inwoning 96
Geest en stof - De christelijke mystici en Gods immanentie in de natuur - Alfred North Whitehead en Teilhard de Chardin - Oosterse visies op heilige aanwezigheid in de natuur - Immanentie en elektromagnetisme - Samenvatting

7 Analogie 109
Wat is analogie? - Analogie en God - Analogie tussen de immanentie van God en elektromagnetisme - Primaire en secundaire fysieke analogieën van immanentie - Samenvatting

8 Theologie 122
Natuurtheologie en elektromagnetisme - Integratie van de natuurtheologie en de openbaringstheologie - Elektromagnetisme en goddelijke immanentie in een theologie van de natuur - Schoonheid en esthetische theologie - Relatie met andere theologische richtingen - Samenvatting

9 De rol van het evoluerende elektromagnetisme 136
De evolutie van elektromagnetisme - Elektromagnetisme in de toekomst - Onze kosmische cocon - Slotgedachten

Aanbevelingen 147
Bibliografie 148

1 Inleiding

Natuur is de kunst van God
Sir Thomas Browne


Lawrence W. Fagg
atoomfysicus, filosoof
Enkele jaren geleden gaf ik les in elektriciteit en magnetisme aan een eerstejaarsklas op de Katholieke Universiteit van Amerika. Tegen het einde van het uur kon ik de neiging niet bedwingen er een kort overzicht aan toe te voegen, over de vraag hoe elektromagnetische fenomenen ten grondslag liggen aan alle chemie en biologie, en ook aan alle moderne communicatie en technologie. Ik vond het leuk om dit, wat ik beschouwde als een brokje nuttig inzicht, te delen met de groep en wandelde tamelijk voldaan over de reactie van de studenten het klaslokaal uit.

Ik was inderdaad in een stemming van freewheelen. Mijn gedachten en stemming ondergingen een plezierig gevoel van harmonie. Het was een warme dag in april. Om een luchtje te scheppen besloot ik naar buiten te gaan, waar een rij kleine eikenbomen het brede pad naar het natuurkundegebouw flankeerde. Ik bleef staren naar de dichtstbijzijnde boom, die bewoog in een geluidloos briesje, met zijn kleine bladeren afgezet met een fijne golvende bladrand waarin het ochtendlicht weerkaatste. Op dat moment klonk het hele uur vanaf de klokkentoren van de Shrine of the Immaculate Conception, die de noordoostelijke skyline van Washington D.C. domineert.

Ik werd getroffen door de samenloop van de drie ervaringen: de verhandeling over de universaliteit van elektromagnetisme, de trillingen van de kleine eik en het geestelijke appel door de klokken van de basiliek. In een groeiende golf van inzicht begreep ik hoe minuscule elektromagnetische activiteiten het leven en de dood van de eik mogelijk maken. Tegelijk begreep ik ook hoe deze actie gezien kan worden als de indringende aanwezigheid van God. (15)
Deze en andere soortgelijke ervaringen vormden de onderliggende aanleiding voor dit boek. Daarin gaat het om de centrale hvpothese, dat elektromagnetisme de belangrijkste natuurkracht is die de materiële wereld waarin we leven, inclusief onszelf en onze hersenen, aandrijft. Zo vormt deze kracht de fysieke grondslag voor ons vermogen het verborgene waar te nemen, namelijk God in en om ons heen. Bovendien, gegeven haar universaliteit in alle aspecten van ons leven, helpt deze kracht ons bij het beschrijven van deze innerlijke aanwezigheid.

Er zijn waarschijnlijk weinig mensen die niet op een zeker moment - misschien met een vaag gevoel van eerbied - worden getroffen bij het zien van lelies die hun kelk openen voor de zon, het speelse gorgelen van water over de rotsen in een beekje, de doelmatige onderneming van een mierenkolonie, het onheilspellende gebulder van donker onweer of de gracieuze boog waarmee een hert over een hek springt.
De natuur heeft ook hardere aspecten, die evenzeer indrukwekkend zijn. De ongelooflijke geometrische symmetrie van een spinnenweb, behangen met pareltjes door de ochtenddauw, is gemaakt om een nietsvermoedend insect te vangen. De gracieuze snelheid en kracht van een cheeta is er om het zwakste pasgeboren reekalfje te doden. De enorme elektrische energie in de bliksem van een onweer kan mensen doden. Verschrikkelijke erupties van gas op het oppervlak van de zon kunnen elektromagnetische stormen ontketenen die verwoestingen aanrichten in krachtstroomnetwerken op aarde.

In ieder geval hebben mannen en vrouwen sinds het verschijnen van het menselijke bewustzijn, op een of andere manier de kracht, de schoonheid en de vruchtbaarheid van de hen omringende natuurlijke wereld vereerd. In vroegste tijden zagen veel primitieve mensen hun leefomgeving als een animistische wereld en zagen zij geesten in de rivieren, de bomen en de dieren. Door de eeuwen heen is deze duurzame eerbied voor de natuur volwassen geworden. De innerlijke vitaliteit die wij proeven in de natuur om ons heen, heeft veel mystici en religieuze denkers geïnspireerd om het te verbinden aan een godheid, een god, God of de Werkelijkheid. (16)

In het Oosten beschouwt de boeddhistische filosofie verandering als de ultieme realiteit; ideeën over bestendigheid zijn een illusie. Deze overtuiging is de basis voor het primaat, dat wordt gegeven aan het levende moment, het hier en nu. Een Tibetaanse boeddhistische versie van deze zienswijze komt naar voren in de meditatieve praktijk, waarin een gevoel van simultane doordringing van tijd en ruimte met alle omringende natuur, wordt ervaren (Govinda 1969, 116 e.v.).

Twee oosterse tradities die ook bijzonder meeslepend zijn bij het overdragen van de deemoedige gevoeligheid die nodig is om de helderheid en de sprakeloze dynamiek in de natuur te zien, zijn het taoïsme in China en het shintoïsme in Iapan. Tao is de mysterieuze stilte die de natuurlijke wereld doordringt. Tao is de blijvende oproep om in alle rust terug te keren naar je aangeboren binnenste, in de omhelzing van de natuur (Takao 1982; zie ook Welch 1957 en Kaltenmark 1969).

In het shintoïsme zijn de vereerde objecten heilige geesten of kami. Alle wezens bezitten geesten en kunnen worden gezien als potentiële kami. Bomen en bergen worden aanbeden en het mysterie van de natuur is verborgen in plaatsen met een bijzondere bevalligheid en schoonheid (Ono 1962). Het zachte druppelen van een fontein die in een Japanse rotstuin getuigt van het rustige leven, is een mooie erfenis van deze mysteriën.

Aan de andere kant probeerden de belangrijkste westerse godsdiensten de meeste nadruk te leggen op de relatie tussen God en de menselijke soort en zijn geschiedenis. Al het natuurlijke wordt gezien als bewijs van de kracht van God, maar ook als een gift van Gods zorgzame genade, waar mannen en vrouwen gebruik van mogen maken. Niettemin is door een aantal westerse mystici een diep gevoel van de heiligheid van de natuur duidelijk onder woorden gebracht, door Franciscus van Assisi, William Blake, Broeder Lawrence en Jacob Boehme, om er een paar te noemen.
Het is inderdaad niet ongewoon voor mystici om de natuur te gebruiken als een medium of voorspel om tot eenheid met het goddelijke te komen. (17) Zo was bijvoorbeeld Broeder Lawrence voor eeuwig getroffen door het diepe gevoel van Gods kracht na het zien van een kale tak in de winter, wetend dat daaruit in de lente bladeren zouden groeien (Underhill 1961, 190).

Het wonder van de natuur en onze intieme resonantie daarmee is in het bijzonder zichtbaar bij dieren, vooral bij dieren waarmee wij een zekere mate van contact hebben. Zo krijgen in de islam katten speciale waardering en worden ze, in tegenstelling tot honden, beschouwd als dieren die ritueel schoon zijn. Katten mogen ongehinderd door moskeeën lopen, zelfs in de Grote Moskee in Mekka. In de islamitische literatuur bestaan veel verhalen over katten die reageren op de aanwezigheid van devotie en die biddende mensen zelfs opzoeken. Enige jaren geleden was er in Kuala Lumpur een kat die elke dag in een boeddhistische tempel kwam 'bidden' door op zijn achterpoten te gaan zitten en zijn voorpoten op en neer te bewegen.

Tot op de dag van vandaag wordt animisme, gebaseerd op een diepe verering van de natuur, in veel delen van de wereld gepraktiseerd. Veel stammen van de Amerikaanse Indianen (om een paar te noemen: de Navaho, Hopi en Crow) hebben deze verering behouden door traditionele rituelen in ere te houden. De Navaho-indianen hebben bijvoorbeeld als goden Vader Hemel en Moeder Aarde; en dieren zoals de beer en de gehoornde ratelslang worden geassocieerd met sterrenbeelden.
Het vereren van zon, maan en sterren en het gebruik van vuur in eerbiedige rituelen, laat zien hoe een bepaald deel van de natuur, namelijk licht (dat een elektromagnetische straling is), door de geschiedenis heen een plaats had in het religieuze leven van mannen en vrouwen. Licht was vaak een centraal element in diepgaande spirituele en bijna-doodervaringen. Het rustige branden van een enkele kaars of lamp is eeuwenlang een blijvend aandachtspunt geweest bij vreedzame overpeinzingen. In de rituelen van vrijwel alle godsdiensten in de wereld worden ook nu nog kaarsen gebruikt als een symbool van hoop en om een gevoel van heilige aanwezigheid op te roepen.

Het gevoel van de heilige aanwezigheid, zoals deze wordt waargenomen in de rijke en dynamische aanwezigheid van de natuur, wordt uitgedrukt door een aantal westerse filosofen en theologen, onder wie Alfred North Whitehead (18) en Pierre Teilhard de Chardin. Voor Whitehead ontwikkelt zich de natuurlijke wereld door middel van elementaire gebeurtenissen. Hij noemde ze 'actuele gebeurtenissen'.
Volgens hem konden rotsen ook gewaarwordingen hebben, zij het niet op de manier zoals mensen dat kunnen. De actuele gebeurtenissen worden beïnvloed, maar niet bestuurd door Gods aanwezigheid (Whitehead 1926, 1929). Teilhard sprak over de 'binnenkant van dingen', als een inherent aspect van alle elementen en processen in de natuur. Hij ziet geen scherpe scheidslijn tussen leven en niet-leven (Teilhard de Chardin 1959).

Verderop in dit boek wordt meer gezegd over de boeddhistische, taoïstische en shintoïstische levensbeschouwingen en over de inzichten van de christelijke mystici en de gedachten van Whitehead, Teilhard en anderen. Maar het lijkt erop dat uitgebreide beschrijvingen niet nodig zijn om duidelijk te maken dat een zeker gevoel van heilige aanwezigheid in de natuur de spirituele contemplatie van veel denkers duizenden jaren lang heeft gestimuleerd.

Uiteraard is de perceptie van een heilige aanwezigheid of immanentie slechts één van de twee voornaamste manieren om een heiligheid of God te associëren met de natuur, zoals deze door geïnspireerde religieuze leiders in de godsdienstgeschiedenis gezien zijn. De tweede perceptie is er een van heilige transcendentie, een van ons gescheiden 'anderheid', die in het verleden vaak is geassocieerd met de hemel, zon, maan en sterren.
Dit concept van de transcendente heiligheid komt wereldwijd naar voren in teksten zoals de hindoeïstische Upanishaden, Sutras en Puranas, de Bijbel, de werken van Griekse filosofen en de Koran, om nog maar te zwijgen over de geschriften van joodse, christelijke of islamitische theologen en mystici.

Verder is het ook belangrijk te begrijpen dat deze twee aspecten van God, immanentie en transcendentie, heel algemene concepties van God zijn en dat ze niet noodzakelijk geïnspireerd zijn door of geassocieerd zijn met de natuurlijke wereld. Even vaak, of zelfs vaker, worden ze toegepast bij de strikt menselijke ervaringen met God, voortkomend uit eenvoudige menselijke intuïtie en openbaring. Met andere woorden, hoewel de natuur gezien kan worden als een toegang naar een immanente en een transcendente God, zijn deze twee concepten van God vrij algemeen (19) en voor hun definitie niet heel erg afhankelijk van de externe natuur.

Ik wil echter een specifiek gebied van dit brede theologische landschap afbakenen en mijn aandacht richten op de vraag hoe een onderliggende karakteristiek van de natuur, zoals de wetenschap die ziet, gerelateerd kan worden aan de immanentie van God. Nog specifieker, in dit boek wil ik datgene wat ik zie als een zeer relevant aspect van de moderne fysica, namelijk het elektromagnetisme, naar voren brengen bij ons onderzoek naar de vraag hoe de aanwezigheid van God in de levende wereld vollediger kan worden ervaren.
Dit streven valt onder het algemene gebied van wat een 'theologie van de natuur' is genoemd (zie bijvoorbeeld Barbour 1968, 26; Polkinghorne 1998a, 13). Gewoonlijk ziet men dit als de bestudering van de rol die de geschapen natuur speelt in de traditionele, op goddelijke openbaring gebaseerde theologie.

Zij die zich bezighouden met de studie en de ontwikkeling van een theologie van de natuur, zoeken naar wegen om te kunnen spreken over en te komen tot het begrijpen van de relatie tussen enerzijds God, en anderzijds menselijke wezens en de natuurlijke wereld als schepselen van God. Waarom zouden zij gemotiveerd zijn om dit te doen? Ik geloof dat dit voor een groot deel komt omdat zij, samen met ieder van ons, diep vanbinnen voelen dat wij onszelf en het ons omringende universum niet zelf hebben gemaakt.
Het aanroepen van God als schepper van het universum en onszelf, is dus een redelijke verklaring voor de aanwezigheid van het heelal, waar wij een deeltje van zijn. Als we dit aannemen, dan moet elke formulering van een theologie van de natuur, die geschikt is voor de eenentwintigste eeuw, voorzien in een zinvolle theologische interpretatie van de enorme vooruitgang in de natuurwetenschappen, die in de laatste honderd jaren is gemaakt.

Een bruikbaar spoor voor een formulering is gebaseerd op de logische aanname dat ten minste enkele van de karakteristieken van God als Schepper zijn overgegaan op het geschapene, dat wil zeggen, op ons en de wereld. Een totale loskoppeling tussen de schepping en de Schepper, tussen oorzaak en gevolg, zou moeilijk te accepteren zijn. Een van de methoden die door de theologen van de natuur kan worden gebruikt, is daarom het zoeken naar patronen en karakteristieken in de eigenschappen en in de werking van ons en van de natuur, die analoog zijn aan, of een metaforische relatie hebben met eigenschappen van God (Oakes 1994, 15 e.v.). (20)

Het gebruik van analogie in ons dagelijkse denken en spreken is veel algemener dan velen van ons zich realiseren. Wij leren van anderen door middel van analogie. Gewoonlijk gebruiken we in onze conversatie vergelijkingen ('dit is als iets anders') en metaforen. Het feit dat analogisch denken een authentieke component is van de algemene theologische studie, is in het bijzonder relevant; het werd bijvoorbeeld veel gebruikt in het denken van Thomas van Aquino (Phelan 1941).

In essentie wordt er in dit boek een analogische benadering gevolgd door een deel van de natuur uit te kiezen (elektromagnetisme) en de redenering te volgen dat de alomtegenwoordigheid daarvan in onze wereld een duidelijke fysieke analogie vormt voor de immanentie van God. In deze rol is het een essentieel fysiek instrument, dat wordt gebruikt bij het uitoefenen van die immanentie. In deze rol betekent dit ook een belangrijk studiegebied voor het bereiken van een completere theologie van de natuur.

De volledige bewustwording van de wijde verspreiding van elektromagnetische fenomenen op deze levende planeet, kan bovendien van bijzondere waarde zijn bij het streven naar wat bekend staat als de 'natuurtheologie'. Dat klinkt vrijwel eender als de 'theologie van de natuur', maar het is niet hetzelfde. De theologie van de natuur bestudeert de theologische implicaties van onze moderne kennis van de natuur, maar wel gezien vanuit het standpunt van de geopenbaarde theologie. (21)De natuurtheologie echter zoekt suggesties en aanduidingen van God in de orde en schoonheid van de natuur.
Zeer algemeen gezegd: de eerste begint met God en kijkt naar de natuur en de tweede begint bij de natuur en zoekt God. Anders gesteld, de theologie van de natuur is 'top down' gericht en de natuurtheologie is 'bottom up'-theologie (Polkinghorne 1998b). Preciezer uitgedrukt: de natuurtheologie houdt zich bezig met de vraag of er rationele manieren zijn om de 'hand van God' af te leiden uit de dynamische, symmetrische en systematische kenmerken aangegeven door de natuurwetenschappen.

Natuurtheologie in termen van het zien van de 'hand van God', actief in de natuurlijke wereld, is in verschillende mate naar voren gekomen in de gedachten en inzichten van christenen, sinds Paulus schreef: "Want hetgeen van hem dat niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben." (Rom. 1:20)
Isaac Newton, een devoot christen, interpreteerde zijn buitengewoon succesvolle wetten van de zwaartekracht en mechanische beweging als een bewijs van het bestaan van God. Hij zag de activiteiten van God als een noodzakelijk complement van de wetten die hij had ontdekt, om de natuurlijke tendens tegen te gaan dat grote astronomische massa's (zoals de zon, sterren, etc.) in elkaar zouden storten door de aantrekking van de eigen zwaartekracht (Newton 1958, 280-86).

Het idee om God in te roepen om gebieden in de natuur te verklaren die nog niet door de wetenschap zijn verklaard, wordt tegenwoordig echter niet als theologisch levensvatbaar beschouwd. Het probleem van deze zogenoemde 'God van de gaten' wordt besproken in hoofdstuk 8.

In ieder geval is de steun voor een vorm van natuurtheologie - het zoeken naar de rol van God in de natuur - door de eeuwen wisselend geweest. Dat kwam hoofdzakelijk doordat deze vaak werd gezien als in strijd met de traditionele, geopenbaarde theologie, alhoewel het in de afgelopen jaren hernieuwde aandacht heeft gekregen (McMullin 1988; Buckley 1988; Clarke 1988; Polkinghorne 1989; Peacocke 1990; Barr 1993). Deze aandacht lijkt ruwweg te correleren met de interesse in een dialoog tussen de wetenschappelijke en religieuze groeperingen.
Deze dialoog is eeuwenlang gevoerd in een zeer wisselende sfeer van conflict (22) en harmonie, maar vertoonde een opmerkelijke groei sinds de Tweede Wereldoorlog. Zoals ik zal bespreken in hoofdstuk 8, lijkt de subdiscipline natuurtheologie en ook haar zuster de theologie van de natuur, te dienen als een intellectuele ontmoetingsplaats voor de twee groeperingen.

In mijn eigen overpeinzingen over de vraag hoe een studie van (en eerbied voor) de natuur zou kunnen leiden tot bruikbare ideeën voor de theologie, gaan mijn gedachten af en toe naar een etentje, dat ik jaren geleden had in een buitenlands restaurant met een behoorlijk goed opgeleide vriendin. Terloops genoten we tijdens het eten van de nutteloze klachten over de slechte kanten van ons beroepsbezigheden. Haar jammerklacht, als verslaggever van de culturele wereld in Washington D.C., was het halen van deadlines en, meer in het bijzonder, het goochelen met woorden, woorden, woorden. Het ging dus over het gebrek aan iets tastbaars, waar je met je handen mee bezig kunt zijn.
Voor mij, nog afgezien van het gebrek aan onmiddellijke waardering bij langdurige en pietepeuterige natuurkundige experimenten, was de fundamentele klacht getallen, getallen, getallen - met weinig kans op menselijke, artistieke expressie.

Bij deze badinerende kritiek op onze zeer verschillende werelden, vroeg zij: "Als jij zo veel tijd besteedt aan het ontleden en kwantificeren van de natuur, is het dan soms niet gekmakend als je bij het kijken naar een madeliefje steeds maar denkt dat de bloemblaadjes gemaakt zijn van bewegende atomen en moleculen die elkaar steeds blijven aanstoten?"
Ik hoefde niet lang na te denken over het antwoord. Op momenten als deze komen dit soort analytische gedachten zelden naar voren, maar als ze het doen, versterkt het mijn gevoel van verwondering.

Het wonder wordt steeds groter als we ons realiseren hoe de moleculen in een bloemblaadje collectief samenwerken bij het vormen van cellen, die op hun beurt deel uitmaken van een nog subtielere en geraffineerde samenwerking om de blaadjes te vormen tot een prachtig, symmetrisch geheel. Alle interactie en communicatie tussen moleculen en cellen, alle doelgerichte samenwerking om dit geheel te vormen, wordt mogelijk gemaakt door de elektromagnetische kracht.

Echter, de expressies van eerbied voor de natuur, die mijn bespreking van de onderliggende universaliteit van elektromagnetisme in onze wereld steeds begeleiden, (23) mogen niet worden gezien als een ondersteuning van het pantheïsme, het volkomen identificeren van God met de natuur. Als we een God postuleren die de natuur heeft geschapen, met een scheiding tussen de Schepper en het geschapene, dan kan God niet de natuur zijn, of het elektromagnetisme. Evenmin is elektromagnetisme de immanentie van God, maar het is wel het primaire fysieke mechanisme dat het stoffelijke fundament is voor het beschouwen van die immanentie.

In lijn daarmee richt dit boek zich, in tegenstelling tot diegenen die in één blik de gehele relatie tussen wetenschap en religie overzien, uitsluitend op de relatie tussen een specifiek aspect van de natuur en een specifiek aspect van God. Als zodanig verschaft het een hypothese waarin de kracht en de subtiliteit van het elektromagnetisme een vitale rol spelen in elk aspect van onze ervaring. We kunnen dit elektromagnetisme zien als een fysieke analogie van de aanwezigheid van God en als een middel om deze aanwezigheid in onszelf dieper te begrijpen en helderder te omschrijven.

De alomtegenwoordigheid van de onderliggende elektromagnetische verschijnselen vormt niet alleen een zinvolle analogie voor deze aanwezigheid in de context van de theologie van de natuur. Deze alomtegenwoordigheid is ook een overtuigend gegeven dat wijst op een alomtegenwoordige God in de voortgaande zoektocht naar een samenhangende natuurtheologie. De natuurtheologie aan de ene kant en de theologie van de natuur met de geopenbaarde theologie als geheel aan de andere kant, worden steeds meer gezien als complementaire ondernemingen in het zoeken en het geïntegreerd begrijpen van de relatie tussen God, mens en het universum. Ik geloof, dat een beschrijving van de doordringendheid van elektromagnetisme die in dit boek wordt gegeven, een bijdrage levert aan deze integratie.

Om de zeer speciale rol die de elektromagnetische kracht speelt in alle natuur op deze planeet helemaal te begrijpen, moeten we echter haar bijdrage aan ons bestaan vergelijken met die van de andere drie krachten in de natuur. Deze drie krachten zijn ook zeer vitaal geweest bij het mogelijk worden van deze aarde met haar potentieel om de evolutie van het leven te laten ontstaan. Daarom moeten, om helderder in te kunnen gaan op de unieke rol van elektromagnetisme in onze wereld, (24) de eigenschappen begrepen worden in de context van alle vier de krachten. Om dit te bereiken worden in het volgende hoofdstuk de belangrijkste eigenschappen van de vier bekende natuurkrachten kort beschreven, terwijl we in de daaropvolgende hoofdstukken de eigenschappen van de elektromagnetische kracht meer in detail beschrijven. (25)

Achterkant
Eiektromagnetisme is volgens Lawrence Fagg uiteindelijk de basis voor alle natuur, vanaf rotsen en planten tot mensen en hun hersenen. Elektromagnetische straling - licht - is in het spirituele leven van de mens al duizenden jaren een symbool voor de goddelijke aanwezigheid. Nu de natuur steeds meer ontdaan wordt van haar mysteries, hebben we het contact tussen het fysieke en het spirituele verloren.
In deze hymne aan de natuurlijke, elektrische stromingen, waardoor we worden omringd en die door ons heen pulseren, zegt Lawrence Fagg dat de alomtegenwoordigheid van elektromagnetische fenomenen een krachtige, fysieke analogie is voor Gods aanwezigheid in en om ons heen. Fagg presenteert de wetenschappelijke informatie op een begrijpelijke en leesbare manier en opent een rijk en nog braak- liggend studieterrein tussen wetenschap en religie.

Lawrence W. Fagg (1923, New Jersey) is emeritus research-professor in de kernfysica aan de Katholieke Universiteit van Amerika in Washington, D.C. Hij kreeg zijn opleiding bij de U.S. Military Academy, een Ph.D. in fysica van de Johns Hopkins University en zijn master's degree in de godsdienstwetenschap bij de George Washington University. Hij is Fellow van de American Physical Society en een Academic Fellow en voorheen vice president van het Institute on Religion in an Age of Science. Hij is de auteur van 'Two Faces of Time' en 'The Becoming of Time'.


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^