Jakob Lorber, Het grote Johannes evangelie Deel 3

De Ster, Tilburg 1990 ISBN 90.6556.002.5
(Het getal achter GJE 3 is het bladzijdenummer. Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Laat niemand van jullie het wereldse en zijn lichaam meer liefhebben dan zijn geest! Ieder mens moet zich vóór alles slechts inzetten voor het geestelijke, dan zal hij ook het snelst dat ontvangen wat des geestes is, namelijk de algehele gelijkheid aan God (zelfverwerkelijking en hereniging). (GJE 3, 8)
Kan de ziel van de mens zich nog sterker met het vlees verbinden dan bij mensen, waarvan de ziel niet alleen geen besef meer heeft van de goddelijke geest, maar zichzelf ten slotte zozeer verliest dat zij zelfs in volle ernst haar eigen bestaan begint te ontkennen en er niet meer van te overtuigen is, dat zij bestaat!(GJE 3, 23)
Niemand denkt eraan dat al het lijden, alle ziekten, oorlogen, duurte en honger alleen maar ontstaan doordat de mensen in plaats van alles naar Gods orde voor hun ziel en hun geest te doen, slechts alles voor hun lichaam doen. (GJE 3, 25)
Als je er in je hart geen liefde voor voelt, kan pracht en praal niet nadelig zijn voor ziel en geest. Alles komt slechts aan op de gesteldheid van het hart (geestesgesteldheid). (GJE 3, 28)
De lichamen lijken wel op elkaar, maar de zielen verschillen enorm! Het verschil zit in de kleur en de vorm. De zielen van degenen die ik je heb aangeduid, zijn wit als sneeuw en hebben een wonderlijk lieflijke gedaante, die er nog menselijker uitziet dan hun lichamelijke vorm. Maar de zielen van de anderen zijn donker en hebben een dierlijke vorm. (GJE 3, 51)
Maar ik ontdek in die dierenzielen nog een kleine, lichte gedaante (de geest), die helemaal op een mens lijkt. Misschien zal zij, als zij in jullie groeit, jullie dierenziel in een menselijke vorm veranderen!(GJE 3, 51)
... je houdt nog teveel van je bestaan en bevindt je er midden in. Maar vanuit dat standpunt is het leven is het léven juist het slechtst te herkennen. Neem een pot (het lichaam) en vul hem met water (de geest). Het water zal rustig in de pot blijven staan en je zult de dampgeesten in het rustige water niet ontdekken. Ga je het water koken, dan verheffen de dampgeesten zich boven het water. De nog in het water rustende geesten zullen nu pas de boven het water uitgestegen dampgeesten gaan herkennen. Zij zullen gaan beseffen dat de dampgeesten voorheen geen andere gewaarwording hadden dan een volkomen één zijn met het koude water. (GJE 3, 56)

Het kokende water beseft dat het zelf doorgaans uit geest en kracht bestaat, maar tijdens zijn koude rust kon het zichzelf niet waarnemen en begrijpen (de onbewuste vereenzelviging). Wordt je levenswaterpot op het ware vuur van de liefde, van deemoediging en lijden gezet, dan begint het in de pot geweldig te koken en daardoor zullen al gauw de vrijgekomen levensdampgeesten zichzelf, hun eerder koude, trage toestand, dat wil zeggen: de 'zinnelijke ziel' in de pot, herkennen! De opstijgende vrije levensgeesten zullen de pot niet als een deel van zichzelf zien, maar slechts als een uitwendig omhulsel. (GJE 3, 56)

God noem ik het levende water, maar het water ziet zelf niet dat het leven in zich heeft. Door zware druk verheft zich de vrije levensgeest boven het hem voordien gevangen houdende water. De geest krijgt 'weet van zichzelf' en van het 'water' en beseft dat hij en het water altijd al één zijn.
Al het bestaande moet eens worden, het moet een begin hebben, omdat het er anders onmogelijk kan zijn. (GJE 3, 58)
Ook vóór dit bestaan water wij er al, maar toen in de vorm van de nog onontwikkelde, koude levensdampen in het koude, rustige water. Zo heeft ook de hoogste levenskracht (de geest) van God een dubbel bestaan. Ten eerste een stil bestaan (rust) dat zich alleen maar bewust is van het bestaan en ten tweede een vrij bestaan, dat lijkt af te stammen van een innerlijk bezigheidsbeginsel (werkzaamheidsbeginsel) dat zich volkomen bewust, geheel en al doorgrondt (beweging). (GJE 3, 58)
Dit geeft aan hoe de eeuwige levenskracht van God in haar bestaan is begonnen de verschillen te onderzoeken en te herkennen. Het middelpunt van God werd heter en heter (koud - warm) naarmate de massa van het zelfbewustzijn er meer op begon te drukken en leerde zichzelf daardoor volledig kennen. Dit 'kennen' is het licht dat Mozes beschrijft (donker - licht).
Pas vanaf dat ogenblik wordt God, als war hij een uitgesproken woord, zelf het woord en dit woord is een vrije wil, die zichzelf door en door kent. Vanaf dat ogenblik begint pas de zich nu door en door kennende oerlevensbron van al het andere leven uit vrije wil tevoorschijn te komen. (GJE 3, 58)
Het is niet de wijsheid die leven geeft, maar de liefde. (GJE 3, 60)
Wij moeten doen en daden stellen en moeten door het water met ons levenswater en door het vuur met ons liefdeslevensvuur. Dan pas begint ons levenswater op het vuur van de innerlijke liefde tot God, tot de naaste en tenslotte tot onszelf, te koken en daardoor bemerken wij dat er een onverwoestbare levenskracht in ons schuilt, die zich dan pas van zichzelf bewust wordt en de juiste middelen aangrijpt om zich zo voor eeuwig in stand te houden. (GJE 3, 60)
De ziel is slechts een vat voor het goddelijke leven en lang niet het leven zelf. Slechts een vonkje in het hart van de ziel is datgene, wat men de geest van God en het eigenlijke leven noemt. Dit vonkje moet worden gevoed met geestelijke voeding, namelijk het zuivere woord van God. (GJE 3, 84)
Als je jezelf ergens toe moet dwingen en het niet uit liefde doet, laat het dan en doe ondertussen wat je uit liefde wilt doen. Want wat een mens niet geheel uit liefde doet, heeft voor zijn leven weinig waarde, want de liefde is de bouwsteen van het leven, zij is het leven zelf. (GJE 3, 96)
Alles in de mens is dood, behalve de liefde. De liefde die zichzelf voelt (beseft) en zich door dit gevoel ook herkent, is het leven zelf. De liefde of de geest van God in de mensen is wel in beginsel een evenbeeld van God, maar naar de volledige gelijkheid aan God moet zij toegroeien. (GJE 3, 96)
Maak je los van het lichamelijke en zintuiglijke, gebruik je wil om afstand te nemen van de 'oude, vleselijke mens' en sta als een zuiver 'geestelijk mens' voor mij, anders kun je mijn stem niet horen. (GJE 3, 98)
De samenvatting van de leer van Jezus: Men moet God liefhebben boven al en de naaste als zichzelf. Maar God boven alles liefhebben betekent: God en Gods geopenbaarde wil erkennen en vervolgens uit ware innerlijke liefde tot God daarnaar handelen en tevens ter wille van God zich tegenover ieder mens zo gedragen, als ieder verstandig mens zich tegenover zichzelf gedraagt. Daarbij gaat het om onbaatzuchtige liefde ten opzichte van God en de naaste. (GJE 3, 108)
Door deze nieuwe leer zo nauwkeurig mogelijk op te volgen wordt de in de mens aanvankelijk zeer gebonden geest vrijer en vrijer, groeit en doordringt ten slotte de gehele mens en betrekt op die manier alles bij zijn leven, dat een leven van God is en daarom eeuwig moet duren en wel zo gelukkig mogelijk. Ieder mens kan zo geestelijk worden wedergeboren. (GJE 3, 108)
Want als de geest van een mens zo volledig één is met zijn ziel, lijkt hij op een mens in een gevangenis. (GJE 3, 108)
De geest van een mens lijkt op de levensvrucht in een vogelei. Als het door de broedwarmte rijp is geworden binnen in de harde, zijn vrij leven gevangen houdende omhulling, verbreekt het de omhulling en verheugt zich over het vrije leven.
Dan ontvangt de mens, als hij geestelijk wordt wedergeboren, ook andere volmachten, waar de alleen maar natuurlijke, lichamelijke mens, zich geen voorstelling van kan maken. De geest is dan een macht op zichzelf, gelijk aan de goddelijke. Wat zo?n volmaakte geest in de mens dan wil, gebeurt en moet gebeuren omdat er, buiten de levenskracht van de geest, in de hele oneindigheid van God geen andere kracht en macht kan bestaan. (GJE 3, 108)
Het hart is het huis van je ziel en vooral van je geest. Als je echter steeds maar naar buiten gericht bezig bent, wanneer zul je dan je levenshuis schoonmaken, opdat je geest, in de gezonde lucht van de ziel, zich zal ontwikkelen?(GJE 3, 124)
Het leven is een strijd van het binnenste tegen het buitenste. De 'uiterlijke mens' moet tenslotte geheel door de 'innerlijke mens' worden overwonnen, anders sterft de innerlijke samen met de uiterlijke. (GJE 3, 125)
Al het uiterlijk schone vindt in het innerlijk zijn oorsprong in een gevorderde, geestelijke ontwikkeling. (GJE 3, 158)
De levensgeest, die tot uitdrukking komt door de liefde, is het eigenlijk verstandelijke leven in de mens en is datgene, wat met zijn natuur en orde overeenkomt. (GJE 3, 158)
Het genoemde, uiterlijke verliefd worden op een mooi voorwerp (gehechtheid) is op zichzelf geen zonde, maar kan zonde worden, als het onbeheerst aan het uiterlijke blijft hangen. Daardoor wordt het moeilijk zo'n geest te scheiden van de schone buitenkant en hem op zijn eigen plaats terug te brengen (onthechting en zelfbewustwording). (GJE 3, 158)
Wij handelen door de kracht van de geest van God, die in ons is, in ons denkt en wil wat zijn alziende en alvoelende, hoogste wijsheid nodig en goed acht. (GJE 3, 168)
... overschat mij niet en onderschat jezelf niet teveel. Dat overdreven eerbetoon moeten jullie weglaten. We moeten hier namelijk als mensen, vrienden en broeders tegen elkaar spreken en met elkaar omgaan, want ieder mens heeft een goddelijke geest in zich, anders zou hij niet leven en die geest is niet minder goddelijk dan het oergoddelijke zelf. (GJE 3, 195)
God heeft mij geheel laten ontwaken, waardoor ik 'één ben met met mijn geest'. (GJE 3, 197)
... mensen, die hun geheel ontwaakte geest gebruiken om te denken, te voelen en te willen, vanuit het middelpunt van hun levensbron. (GJE 3, 197)
Als de geest van God in je ziel ontwaakt, zul je alles vanzelf weten, zonder enig moeilijk onderricht van anderen. Daarom is vooral één ding nodig: besef te hebben van jezelf en van God en God boven alles lief te hebben. Al het andere komt dan wel vanzelf. (GJE 3, 212)
De eigen domheid herkent zijn eigen blindheid niet. (GJE 3, 212)
Zij zullen God in de eindeloze verten zoeken en God niet vinden, omdat het voor hen te eenvoudig was om mij bij zichzelf te zoeken, namelijk in hun hart!(GJE 3, 217)
God is zelf slechts liefde en kan daardoor slechts door liefde worden gevonden. Die mij met hun verstand zoeken, zullen mij in eeuwigheid niet vinden. Het hart van de mens, dat het meest aan God verwant is, is als enige bestemd voor het zoeken en ook vinden van God. De liefde brengt alles tezamen, God en schepsel worden door haar één. (GJE 3, 217) De liefde doet alles!
Het is voor ieder mens voldoende als hij slechts zorgt voor de reiniging van het eigen hart. Vaak is er veel tijd en geduld voor nodig om een ziel te reinigen van alle ballast. (GJE 3, 217)
Het hart moet het doen, maar als dit nog geheel stoffelijk is, dan kan het zuiver geestelijke daarin geen aangrijpingspunt vinden. (GJE 3, 217)
Je krijgt lasten te dragen om alles wat wereld heet uit je te verwijderen, opdat je hart krachtig wordt. (GJE 3, 236)
Vrees dus niet de veelvuldige levenslasten die je hier en daar op je levensweg zult ontmoeten, want ik zal ze ter versterking van je ziel en je geest op je weg brengen. (GJE 3, 236)
Als je dus zo nu en dan iets zal overkomen, bedenk dan dat ik het ben die je zo?n versterking doet toekomen. Want hoe meer ik een mens liefheb, des te meer zal ik hem ook verzoeken. Want eenieder moet net als ik volmaakt worden, maar daarvoor zal veel zelfverloochening, geduld, zachtmoedigheid en algehele overgave aan mijn wil nodig zijn. (GJE 3, 236)
Wie echter volkomen één wordt met mijn wil, zal in zijn geest ook zo volmaakt zijn als ik zelf ben, omdat zo?n geest daardoor geheel één wordt met mij. (GJE 3, 236)
Draagt God hier op aarde niet, net als wij allen, vlees en bloed, waaruit zijn ziel zich evenals de onze heeft ontwikkeld om in staat te zijn een volledige verbinding met de eeuwige, goddelijke geest aan te gaan?(GJE 3,238)
Wat zijn geest betreft is hij werkelijk zon; wij en alle geesten zijn levende afbeeldingen van God, deze eeuwige oerzon. (GJE 3, 238)
Wij engelen zijn in wezen de uitvoerende organen van de goddelijke wil, ofwel de verpersoonlijkte wil van God en uit onszelf kunnen wij niets, doordat wij zonder de goddelijke wil helemaal niet als zelfstandige wezens kunnen bestaan. (GJE 3, 240)
Ik bid door mij met al mijn gedachten en gevoelens naar het diepst van mijn hart te verplaatsen, waar Gods liefde woont. Daardoor wordt deze heilige liefde net zo gevoed als wanneer men op een zwakke vuurgloed die niet meer vlamt, goed brandbaar hout legt. (GJE 3, 241)
Dit bidden heeft voor God slechts dan pas waarde, als eerst in het diepst van het hart op de beschreven wijze de liefde tot God is gaan branden door de eenwording van alle gedachten en gevoelens in het goddelijke middelpunt in het hart. (GJE 3, 242)
Als dat vooraf niet gebeurd is, is ieder gebed van nog zulke mooie woorden voor God zonder waarde. Want God zelf is een geest en moet daarom in een geest van liefde en waarheid worden aanbeden. (GJE 3, 242)
Want de mens is een werk van God, dat zich volgens de wijze orde van God zèlf in de zedelijke sfeer moet vervolmaken, om datgene te worden, waartoe het door de schepper is bestemd. (GJE 3, 326)
Er zullen bij de engelen wel geen geslachtelijke verschillen voorkomen, maar verschillen in gemoedsgesteldheid zullen er zeker zodanig zijn, dat zij zich t.o.v. elkaar zullen verhouden als op deze aarde een goede man t.o.v. zijn liefste vrouw. Het uiterlijk van de engel is immers duidelijk tweeslachtig. (GJE 3, 331)
Dit zegt niet jouw lichaam, maar de geest, die je van boven hebt gekregen. In Stahar is ook wel een geest, maar die sluimert nog (onbewuste vereenzelviging met het lichaam) en daarom spreekt zijn lichaam duidelijker dan zijn geest. (GJE 3, 336)
Als uit iemand een ontwaakte geest spreekt, staat zijn geest hem ook het naast en zal zijn zorg ook voor alles zijn gericht op dat, wat zijn geest betreft. (GJE 3, 336)
Maar degene, die meer aan het vlees hangt en lichamelijk denkt en wil, die vindt het vlees het belangrijkst en zorgt daarom vóór alles voor zijn lichaam en stelt de zorg voor de geest op de achtergrond. Zo verhouden zich zaken en mensen in deze wereld. (GJE 3, 336)
De ware zorg van de geest is erop gericht, dat jullie hart van liefde wordt vervuld voor God en de naaste. (GJE 3, 336)
De geest van de mens moet met echt en onecht, goed en kwaad in aanraking komen om vrij te kunnen onderzoeken, herkennen en kiezen, daar hij anders nooit aan het denken zou worden gezet. Hij moet altijd strijd voeren, omdat hij anders in zou slapen. Zijn leven moet steeds opnieuw gelegenheid krijgen om zich in dat leven te oefenen en daardoor ook zichzelf in stand te houden, te versterken en zijn voltooiing te bereiken. (GJE 3, 348)
Daarom moet er nood en ellende onder de mensen zijn en smart en leed, omdat de mens anders vergaat in zijn onzelfwerkzame traagheid. (GJE 3, 348)
De mensheid moet door nood en ellende, die uit de leugen en allerlei bedrog ontstaat, de bittere noodzaak van de waarheid eerst diep en levendig gaan voelen en deze ernstig gaan zoeken. (348)
De gehele, naakte waarheid kan in het algemeen ook door mij nu niet aan de mens worden gegeven. Dat kan slechts in gelijkenissen en beelden worden gedaan, opdat de mens m.b.v. zulke beelden al zoekende zelf de waarheid kan ontdekken. (GJE 3, 349)
Ik kan niet alles onverhuld vertellen, maar bedekt, opdat er gelegenheid blijft om vrij na te denken en vrij te handelen. Wanneer echter de geest der waarheid over jullie zal komen, zal hij jullie in alle waarheid inleiden. (GJE 3, 349)
Je begrijpt nu nog wel niet hoe je iets kunt doen zonder het te willen, maar je handelt dan uit andere beweegredenen die je niet kent en de ?verlangens? van je lichaam bepalen je handelen niet zelden tegen de wil van je geest in. (GJE 3, 353)
Want de wil maakt geen deel uit van het lichaam en ook niet van de ziel, die het lichaam heeft gemaakt. Maar de wil maakt deel uit van de liefde, die mijn geest in jullie is ... . (GJE 3, 353)
Pas na de hemelvaart zal ik mijn geest vol waarheid en kracht uit de hemelen over al de mijnen uitstorten, waardoor dan pas de volledige wedergeboorte van de geest mogelijk is. Dan zullen alle de wedergeboorte van hun geest in hun ziel deelachtig worden. (GJE 3, 353)
Een grondregel is: de mensen moeten, vóór zij enige kennis vergaren, eerst echte mensen worden, omdat anders ieder kennis veel meer schaadt dan baat. Want alle wetenschap houdt slechts het verstand bezig. Maar het hart als de grondslag van het leven blijft onontwikkeld en ruw. Het begaat dan met behulp van de wetenschap nog meer kwaad dan z?nder die kennis, want bij een goddeloos hart is al die kennis een wegwijzer naar het kwade in al zijn uitingen!(GJE 3,361)
Tracht daarom éérst jullie geest geheel op te wekken!(GJE 3,361)
Ik zal mijzelf door de mensen, als die dat willen, moeten laten gevangennemen en daarna zelfs lichamelijk moeten laten doden, om juist daardoor de mensen de meest vrije en grootste speelruimte te geven voor hun vrije wil. Want pas door deze grootste en onbeperkte vrijheid zijn de mensen van deze aarde geheel in staat zich te verheffen tot waarachtige en God in alles volkomen gelijkzijnde kinderen en goden. (GJE 3, 364)
Want zoals ikzelf alleen door mijn totaal onbeperkte wilskracht en macht van eeuwigheid tot eeuwigheid God ben, zo moeten de kinderen van mijn liefde dat ook voor eeuwig worden. Maar om dat te worden is nu juist de geestelijke ontwikkelingsweg nodig, die je nog zo tegenstaat. (GJE 3, 364)
Waar het hoogste te bereiken is, daar moet ook het laagste mogelijk zijn. (GJE 3, 364)
Ik wil en moet het ook willen, dat ieder mens op de door mij afgebakende weg voortgaat en zich door eigen moeite en opoffering datgene verwerft, wat hij voor hier en voor het hiernamaals nodig heeft, omdat hij anders nooit helemaal zelfwerkzaam en zelfstandig zou worden. De volledige zelfstandigheid is een van de meest noodzakelijke zaken voor de hoogst mogelijke zaligheid. (GJE 3, 364)
Dat komt doordat de geest van God, die alle levenskrachten der ziel doordringt, ook de delen van het lichaam waar de 'zenuwgeest' (de zenuwgeest verbindt het lichaam met de ziel) zich bevindt, doordringt en deze daarmee het vergankelijkheidsgevoel ontneemt ... . (GJE 3, 371)
Ten eerste houdt mijn orde in, dat, wil iets voor jullie een levensdoel hebben, het juist ook door jullie mensen ten opzichte van mij vrij ontwikkeld en aanschouwelijk moet worden gemaakt. (GJE 3, 374)
Als je je hart gebruikt om dat te ontwikkelen, dan blijft het ook voor eeuwig in degene die zelf eeuwig is, namelijk in je geest en door de geest ook voor eeuwig in de ziel. Wat de 'hersenen' echter in zich hebben opgenomen, vergaat en van alle wereldse kennis blijft er niets in de ziel over als zij eenmaal het lichaam heeft verlaten. (GJE 3, 374)

God als een oneindige lichtzee ... . (GJE 3, 378)

Als de mens de innerlijke stem van het geweten volgt, zal hij meteen op de goede weg zijn. (GJE 3, 401)
Als het zogeheten wiskundig bepaalde, wereldse verstand bij de mensen eenmaal een harde kern heeft gevormd, is een geloof aan iets zuiver geestelijks heel moeilijk te verwezenlijken. (GJE 3, 407)
De echte profeet kan men nooit beledigen; als een lam zal hij alles verdragen, w?t de wereld hem ook zal aandoen. (GJE 3, 426)
Heeft de mens al de vereiste levensvoorwaarden vervuld en heeft hij God liefgehad boven al en zijn naaste als zichzelf, dan heeft hij in zichzelf de in het hart van zijn ziel gelegde vonk van de goddelijke geest leven gegeven en tot groei aangezet. (GJE 3, 464)
Gods eeuwige en oneindig volmaakte wijsheid zou God ontzettend gaan vervelen, als God die alleen maar voor zichzelf zou gebruiken. (GJE 3, 492)
In God zelf leeft daarom het verlangen om ons, Gods kinderen, op het peil te brengen dat ons volgens zijn orde in staat stelt God te zien, persoonlijk lief te hebben en vertrouwen te schenken, zonder dat dit ons bestaan schaadt. (GJE 3, 492)
Stel je een mens voor die zich helemaal alleen op deze aarde bevindt maar toch alle wijsheid bezit. Hij zou graag andere mensen, zo die er waren, ontmoeten. Er is echter niemand. Zijn grote wijsheid wordt hem tot last, want wat hij ook maakt en doet, het wordt door niemand gezien. (GJE 3, 492)
Om God te kunnen kennen en liefhebben, moet God een schepsel scheppen en het zo tegemoetkomen en zich zó aan het schepsel openbaren, dat het voor het schepsel mogelijk wordt de schepper als zodanig te leren kennen. (GJE 3, 492)
Maar hoe ver is de mens van het doel verwijderd door zijn verstand en zijn koude oordeel, waarin zich in ?t geheel geen liefde bevindt. (GJE 3, 498)
De vorming van het hart is geheel aan de mens overgelaten. (GJE 3, 499)
Weten en voelen zijn twee geheel verschillende zaken. Het weten kan men zelfs door de ongevoeligste vlijt en wereldwijsheid bereiken door ervaring op te doen; maar om tot het juiste gevoel te komen, heeft men meer nodig dan alleen te leren en te ondervinden. (GJE 3, 499)
Als men veel kennis heeft, geeft dat het hart nog geen gevoel en ook niet de juiste wil. Ondervinding kan ons, zowel in het goede als in het slechte, kennis verschaffen; maar alleen een juist gevoel brengt alles tot leven en ordent alles en geeft rust en zaligheid. (GJE 3, 499)
Daarom moet reeds in de beginfase bij de vorming van een mens (opvoeding) tot een waar mens, vóór alles op het hart worden gelet. Want als het hart niet meteen in het begin is bewerkt, maar slechts het verstand (eenzijdigheid), dan verhardt het hart zich en wordt weldra door de eisen van het verstand hoogmoedig. Als het hart echter eenmaal hoogmoedig is, dan staat het vrijwel niet meer open voor de vorming van het gevoel!(GJE 3, 499)
Je hebt de leer wel met je verstand opgenomen, maar nog niet met je hart!(GJE 3, 500)
Het weten en het handelen van het (eenzijdige) verstand bezit geen waarde voor het léven. De mens moet alles in het hart opnemen, dáárin bevindt zich het leven. Wat hij in het hart zaait, zal opgroeien en de beloofde vruchten dragen. (GJE 3, 500)
Gaat de mens echter door met alléén maar het verstànd te raadplegen (eenzijdigheid) en daarnaar te handelen, dan zal hij het aan zichzelf hebben te wijten als hij gedurende zijn hele verdere aardse leven geen vervulling van de gedane belofte zal bereiken!(GJE 3, 500)
Wie in zijn hart leeft, dènkt en vóelt, begrijpt de levensaangelegenheden van het hart heel goed. Wie echter alleen in zijn 'hersens' leeft (door onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan), vindt de levensaangelegenheden belachelijk (door eenzijdigheid). (GJE 3, 500)
Van nu af aan zal de grote geest in geheel menselijke gedaante voor al zijn met rede begaafde schepselen net zo toegankelijk zijn als de ene mens voor de andere. De grote geest leeft nu als een volmaakt mens op de aarde. (GJE 3, 505)
Een uiterlijk zichtbare vooruitgang werkt belemmerend voor de ontwikkeling van de geest. Bij de mensen die het uiterlijke al te zeer verzorgen (onbewuste vereenzelviging), heerst in het innerlijk onontwikkeldheid. (GJE 3, 507)


terug naar het literatuuroverzicht






^