De tien voornaamste punten uit 'De nieuwe openbaring' door Jakob Lorber


(Opmerkingen tussen haakjes zijn niet van mij, wel die tussen [ ] Freek)

Inhoud


Jakob Lorber
Bron: Jakob Lorber Stichting
1. Het wezen van God
2. De geestelijke oerschepping
3. De grondslag van de wereld
4. De stoffelijke materiële schepping overige tekst
5. Doel van het natuurleven overige tekst
6. De mens - het einddoel van deze ontwikkeling
7. Het wezen van Jezus
8. De heilsweg tot de geestelijke wedergeboorte
9. De verdere ontwikkeling in het hiernamaals
10. Het doel der voleinding

1. Het wezen van God
God is de eeuwige, oneindige geest [de eeuwige oneindigheid]. De geest is de oerkracht en de grondslag van alle zijn. Zijn voornaamste eigenschappen zijn liefde [voelen], wijsheid [denken] en wilskracht [willen]. De goddelijke geest vult het heelal (de algeest, de 'wereldziel' van de antieken).
Deze oneindige algeest heeft een innerlijk machtsmiddelpunt [het algeestmiddelpunt, Freek], van waaruit als uit een zon gedachten, liefde en wilskracht in de schepping uitstromen [met de gestalte van engelen]. In dit oermachtscentrum bevindt God zich als bestaand Wezen en wel in de hoogste van alle levensvormen als volkomen 'Geest-Oermens' (God schiep de mensen naar Zijn beeld). Vanuit dit oermachtscentrum is de geest van God eeuwig scheppend werkzaam.
De hele schepping is een geweldige ontwikkeling naar vervolmaking van de Goddelijke gedachten. Zij keren na een grote kringloop tot levensvoleinding weer terug naar God. Die ontwikkeling voltrekt zich in ontzagwekkende, door rustperioden gescheiden tijdperken (de scheppingsdagen) [in India: 'manvantara' en 'pralaya'], van eeuwigheid tot eeuwigheid.

terug naar de Inhoud

2. De geestelijke oerschepping
Aan de voor ons zichtbare, stoffelijke schepping gingen geestelijke scheppingen vooraf. God heeft toen uit de als het ware buiten zichzelf geplaatste oerlevensvonk grote geestelijke wezens geschapen volgens Zijn beeld (oer-aartsengelen), die zelf meerdere aan hun gelijke geestelijke wezens in het leven konden roepen. Zo ontstonden legioenen grote geestelijke wezens (engelen), die zich volgens het ordeningsgebod van de Gods- en broederliefde zouden ontwikkelen, tot ze aan God gelijk zouden zijn.
Een deel van deze wezens verviel onder leiding van hun hoofdgeest Satana (Lucifer) krachtens hun vrije wil in grenzeloze eigenliefde en zelfverheerlijking. Volgens de eeuwige ordening moest echter de voedende levensstroom uit God opdrogen voor degenen, die zich van God afscheidden. Daardoor verstarden ze als het ware en verdichtten ze zich tot hulpeloze massa's. Door verdichting van de geestelijk-etherische oeressentie ontstonden toen in de scheppingsruimte de oernevels van de materie of de wereldstof (materialisatie).

terug naar de Inhoud

3. De grondslag van de wereld
Volgens Lorber bestaat er geen stof in de betekenis die het materialisme daaraan geeft. Alles is energie, namelijk Gods oergeestkracht, gesplitst in allerkleinste oerstofdeeltjes (oerlevensvonken). Ook het vroeger als kleinste deeltje beschouwde atoom is een uit vele deeltjes bestaand levend universum in het kleinste formaat (vergelijk hiermee de nieuwste ontdekkingen der atoomfysika).
Uit de oergronddeeltjes (tegenwoordig elektronen, quarks en kwanten genaamd) die niets anders zijn dan zelfstandig gemaakte gedachtenkrachten van God, is de hele wereldruimte planmatig opgebouwd.

terug naar de Inhoud

4. De stoffelijke materiële schepping
Zouden de gevallen oerwezens eeuwig in de ban van hun gericht blijven of toch nog tot voleinding teruggevoerd worden in Gods heilige levensorde? De goddelijke liefde erbarmde zich over de gevallen geestenwereld. Met behulp van de trouw gebleven engelgeesten bouwde de Schepper het stoffelijke heelal uit de oernevelen van de wereldstof, door deze in te lijven en tot nieuw leven te brengen. Dit beeldt in zijn geheel het verhaal van de 'verloren zoon' uit (hiermee is het ontstaan van de wereld volgens Kant-Laplace geestelijk verklaard). Hiermee begon God in de talloze wereldsystemen en op de wereldgloben een verlossing van de in de materie gebonden wezens.

terug naar de Inhoud

5. Doel van het natuurleven
Op alle hemellichamen worden door het Goddelijke bestuur de in de verstarde wereldstofmassa's vastgelegde levensvonken meer en meer losgemaakt. Deze losgemaakte luciferische levensvonken worden door de engelen, de dienaren van de Schepper, naar diens liefdevolle en wijze heilsplan in de rijken van de natuurwereld gebracht en wel in steeds nieuwe geestelijke louteringsscholen. Dit gebeurt doordat ze - tot steeds meer omvattende verbintenissen of 'zielen' verenigd - in steeds hogere levensvormen trapsgewijs door het mineraal-, planten- en dierenrijk omhoog worden geleid (Darwins ontwikkelingsleer vanuit een allesomvattend geestelijk gezichtspunt).
De 'natuurzielen' worden op deze geestelijk-lichamelijke weg geleid tot de bouw en het gebruik van hun tijdelijke levensomhulsel (alle scheppingen van de drie natuurrijken). Ze beginnen daardoor hun tegen Gods ordening ingaande zelfzucht langzamerhand te overwinnen en zich tot de hemelse ordening van dienen in wederzijdse liefde te bekeren (opbouw van gemeenschappelijke verbintenissen, organismen). Het evangelie predikt ook de verlossing van alle schepselen door de macht van de liefde.

terug naar de Inhoud

6. De mens - het einddoel van deze ontwikkeling
De op deze manier uit de luciferische materie opgestegen mensenziel moet - onder invloed van de haar ingeblazen, goddelijk geestelijke liefdesvonk - zich nu in het aardse leven waar maken. Door vrijwillig de liefdesgeboden van God te gehoorzamen, zal de mens zich steeds verder tot een waarlijk kind van God ontwikkelen, om tenslotte, als hij dat doel bereikt heeft, de ware vrijheid en zaligheid van het eeuwige leven binnen te gaan. *)

terug naar de Inhoud

7. Het wezen van Jezus
Toen de schepping zover was gerijpt dat ze de diepste onthulling van de goddelijke liefde - de Godheid als 'Vader' - kon begrijpen, koos God de naar het uiterlijk zo onaanzienlijke aarde voor de grootste liefdedaad van Zijn erbarming uit. Hier, waar de innerlijkste geestkern van Lucifer in de ban wordt gehouden, hulde God Zijn geestmenselijke oermachtscentrum in het gewaad van de materie ('het Woord werd vlees').
In Jezus Christus trad God Zelf het mensenrijk binnen om deze en tevens alle geesten uit de oneindigheid te onderrichten. Als machtigste getuigenis van Zijn liefde trok Hijzelf het kleed van de materie aan. Dit deed Hij om de gevallenen uit het gericht te verlossen en de gelouterden dan naar het Vaderhuis terug te voeren (de gelijkenis van de verloren zoon).

De geest van Jezus, het heilig oermachtscentrum van God, is de 'Vader'.
De ziel van Jezus (en zijn lichaam), dat wil zeggen het menselijke, is de door de Vader geschapen 'Zoon'.
De in de oneindigheid uitstralende Godskracht, uitgaande van de Vader door de Zoon, is de 'Heilige Geest'.
Zo zijn in Christus de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verenigd (de oplossing van het drie-eenheidsvraagstuk). Jezus: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader', en: 'Ik en de Vader zijn een'.

geestestoestandgeestelijke vermogensengelen
God Vaderliefdevoelenserafim
Zoonwijsheiddenkencherubim
Heilige Geestwilskrachtwillenofanim

terug naar de Inhoud

8. De heilsweg tot de geestelijke wedergeboorte
Als de enige tot de voleinding en eeuwig leven in God voerende weg (geestelijke ontwikkelingsweg) predikte Jezus de grondwet van de gehele schepping: 'Heb God lief boven al en je naaste als jezelf'.
Noch uiterlijke goede werken (ontvangen van het sacrament), noch uiterlijke geloofsgerechtigheid (geloofsbelijdenis), zijn voldoende; ze zijn hoogstens hulpmiddelen op de heilsweg van de zuivere daadkrachtige liefde, de oergrond van alle zijn.
Is met behulp van Gods geest in de mens de zuivere hemelse liefde tot onbeperkt heerser geworden, dan is de mens aan het gericht der materie ontgroeid en heeft hij de geestelijke wedergeboorte bereikt. Dan vermag de gelouterde ziel, die met de haar ingeplante geest uit God dan volledig verbonden is, tot een waar kind van God uit te groeien, één met haar Schepper en hemelse Vader en ze heeft dan eeuwig deel aan de volheid van Zijn goddelijke levens- en werkingskrachten [met 'wedergeboorte' wordt bij Lorber bedoeld: 'hereniging', Freek].

terug naar de Inhoud

9. De verdere ontwikkeling in het hiernamaals
De meeste mensen van de aarde treden na de dood van hun lichaam nog onvolmaakt in de fijnstoffelijke sfeer van het hiernamaals binnen. De goddelijke liefde biedt hen dan nieuwe mogelijkheden om zich te scholen, zodat tenslotte allen - zij het vaak op moeilijker en pijnlijker manier - toch nog tot voleinding komen. Want het goddelijke plan van een algemene verlossing kent geen eeuwige verdoemenis!
Om dit einddoel te bereiken komen de nog onrijp uit het leven scheidende zielen aan 'gene zijde', dat wil zeggen in de voor de aarde onzichtbare, geestelijke wereld, eerst in een soort droomleven. Hier valt hen tot hun belering een innerlijk geestelijk schouwen ten deel, waarbij zij door beschermende machten worden geleid.
Al naar gelang van hun goede of boze instelling roept dit een paradijslijke verrukking of een helse pijn bij hen op. Hemel en hel zijn dus geen plaatselijke bepalingen, maar geestelijke ontwikkelingsstadia van de ziel. Sterk op zichzelfgerichte, aardegebonden zielen worden ook wel verder opgevoed door opnieuw in het leven geroepen te worden (reïncarnatie) op andere stoffelijke werelden of soms ook op deze planeet.

terug naar de Inhoud

10. Het doel der voleinding
Zielen, die zich op aarde of in het hiernamaals tot zuivere Gods- en naastenliefde lieten louteren, geraken in een steeds nieuwe en gelukkig makende werkelijkheid. Hun geestelijke zien en innerlijke kracht nemen toe in de drie opeenvolgende hemelen, in overeenstemming met de zuiverheid en sterkte van hun liefde.
De eindeloze opklimming in gelukzaligheid van de voleindigde wezens bestaat uit een steeds dieper erkennen van God, een steeds grotere liefde tot Hem en al Zijn schepselen, alsook in een steeds intensiever medewerken aan het verheven werk der schepping als de openbaring van alle zijn en leven.

Deze korte aanduidingen laten al zien dat bij Lorber sprake is van een omvangrijke geestelijke religie, logisch opgebouwd volgens een vastomlijnd plan. Ze brengt ons een verheven levensleer van de zuiverste liefde en grootste daadkracht, waarvan de Godheid, de Vader in Jezus, de grondslag vormt.
De volle rijkdom en veelzijdigheid van de leer maakt zich evenwel pas dan kenbaar, als men de Lorberwerken grondig bestudeert. Ze bieden juist datgene, waarnaar de hoogste geesten van onze generatie diep en ernstig streven: een synthese te vinden tussen de Heilandsleer van de Bijbel en de ontwikkelingsgedachte der wetenschap. Dat leidt tot een overeenstemmend, aan geen confessie gebonden Christendom, dat door zijn karakter van liefde en de diepte van zijn erkenning alle mensen tot een edelgezinde geestes- en levensgemeenschap vermag te verenigen.

*) [In de boeken van Jakob Lorber wordt het woord 'ziel' met twee verschillende betekenissen gebruikt.
- In de eerste betekenis is de ziel, overeenkomstig de oorspronkelijke betekenis van het woord, de uitstraling van de geest (de aura) die wordt veroorzaakt door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens binnen de geest (de bolvormige wolk van licht en warmte). In deze uitstraling worden de voortbrengselen van de vermogens: kennis, gedachten, gevoelservaringen en wilsbesluiten, bewaard in het geheugen.
- In de tweede betekenis vertegenwoordigt de 'ziel' de geestestoestand, waarin de menselijke geest - onbewust geworden van zichzelf door indaling in het lichaam - zich heeft vereenzelvigd met de inhouden van de ziel en met het lichaam. Over deze geestestoestand wordt gezegd, dat de 'ziel' (in feite de geest) zichzelf moet louteren - zich moet bevrijden van die toestand van vereenzelviging met kennis en stof - om zich met 'de geest, die in hem woont', te kunnen verenigen.
In feite is er dan sprake van onthechting van de geest van de stof, gevolgd door zelfbewustwording van de geest.]


terug naar het literatuuroverzicht

terug naar Samenvatting geestkunde







^