De Duitse Wikipedia over Teilhard de Chardin


Bron: de.wikipedia.org
Vertaling door Henk Hogeboom van Buggenum
Voorzitter van de Stichting Teilhard de Chardin
Deze vertaling is in de vorm van een artikel verschenen in het tijdschrift
Gammadelta, jrg. 4 nr. 1, febr. 2017, te downloaden van de website van de Stichting.

Inhoud

Pierre Teilhard de Chardin
Studiejaren
Stappen in zijn theologische ontwikkeling Bijzondere belevenissen aan het front
Eerste reizen, conflicten met de Kerk
Exielperiode in China: 'Het goddelijk milieu'
Ontdekkingsreizen over de hele wereld
Geïnterneerd in Peking: 'Het verschijnsel mens'
Eerbewijzen, verbanning naar New York
Zijn werk: een overzicht
Het verschijnsel mens
Het goddelijk milieu
Teilhard als persoon
Denkwereld
Wat Teilhard vooral ter harte gaat
Geloofsbelijdenis
De kosmogenese
De noögenese
De liefde als kosmische energie
De kosmische Christus
Het punt-Omega
Het kwaad als noodzakelijk gegeven
Innerlijke groeipijnen
De nieuwe, innerlijke zintuigen
De visioenen van Christus

Pierre Teilhard de Chardin

Pierre Teilhard de Chardin
Pierre Teilhard de Chardin sj. (geb. 1 mei 1881 in Orcines bij Clermont-Ferrand; † op 10 april 1955 in New York) was een Franse jezuïet, theoloog en natuurwetenschapper. Hij werd vooral bekend door zijn spirituele evolutietheorie en zijn synthese van godsdienst en wetenschap. Als geoloog, antropoloog en paleontoloog hield Teilhard de Chardin zich wereldwijd met onderzoek bezig. De specialist op het gebied van het ontstaan van de mens was ook betrokken bij de ontdekking van de Sinanthropus pekinensis, de zgn. Pekingmens.

Het kwam er voor Teilhard vooral op aan om de inzichten van de moderne natuurwetenschap en de christelijke verlossingsleer met elkaar in overeenstemming te brengen. In het middelpunt stond daarbij de vraag naar de afstamming en de toekomst van de mens. Zijn motto was: "De wereld is slechts naar voren interessant."
Teilhards werk moet als een poging worden beschouwd om het eeuwenoude christelijke wereldbeeld een nieuwe toekomstgerichte grondslag te verlenen. Dit moest in het denken leiden tot een vereniging van geloof en wetenschap, geest en materie, God en wereld.

De opvattingen van Teilhard over de ontwikkeling van wereld en kosmos stonden in schril contrast met het bijbels fundamentalisme en het religieus creationisme. Voor de katholieke kerk betekenden ze een bedreiging van de traditionele theologie en van het kerkelijke leergezag. De meeste geschriften van Teilhard werden door het Vatikaan afgewezen en mochten tijdens zijn leven niet worden gepubliceerd.
Na de dood van Teilhard bereikten zijn werken al snel grote oplagen en werden ze in vele talen vertaald. Zijn meest bekende boek Le Phénomène humain - Ned. Het verschijnsel mens - verscheen in 1955 (Ned. 1958)


Pierre Teilhard de Chardin
op 12-jarige leeftijd
Pierre Teilhard de Chardin werd op 1 mei 1881 op het landgoed Sarcenat in Orcines (Auvergne), aan de rand van het Franse Centraalmassief, geboren. Hij was het vierde in een gezin van elf kinderen bij Emmanuel Teilhard de Chardin en Berthe-Adèle de Dompierre d'Hornoy.
Zijn vader, die uit een oud adellijk geslacht stamde, zorgde naast het beheer van zijn landgoederen voor dat van de archieven van de nabijgelegen stad Clermont-Ferrand. Bovendien had hij belangstelling voor natuurwetenschap en bracht deze op allerlei wijzen over aan zijn kinderen.
Zijn moeder, een achternicht van Voltaire, was erg godsdienstig. De verbinding van het christelijke wereldbeeld met dat van de natuurwetenschappen ging het leven van Teilhard bepalen. Reeds als kind toonde hij grote belangstelling voor planten en stenen, en hij legde daar verzamelingen van aan.

terug naar de Inhoud

Studiejaren (1892-1905)
Vanaf zijn 12de jaar bezocht Teilhard een school van de jezuïeten. Na zeven jaar trad hij toe tot de orde van de jezuïeten en hij doorliep de in die orde gebruikelijke vormingsstadia. In 1901 legde hij zijn eerste gelofte af. Vanwege de verdrijving van de jezuïeten uit Frankrijk bracht Teilhard drie jaar door op het kanaaleiland Jersey, waar hij filosofie, geologie, natuurkunde en scheikunde studeerde, en het eiland met de loep en de hamer van de geoloog verkende.

terug naar de Inhoud

Stappen in zijn theologische ontwikkeling (1905-1914)
In augustus 1905 trok Teilhard naar Caïro. Daar gaf hij gedurende drie jaar les in natuur en scheikunde aan het jezuïetencollege. Daarnaast ondernam hij geologische excursies naar Mokattam, Fayoum en Opper-Egypte. In oktober 1908 studeerde hij theologie in Ore Place bij Hastings in het zuid-oosten van Engeland en op 24 augustus 1911 werd hij tot priester gewijd.

De theologiestudie was voor Teilhard een belangijke voorbereidingsfase voor zijn latere werk. In de eerste plaats verdiepte hij zich intensief in de spiritualiteit van Ignatius van Loyola. Daarnaast las hij in deze tijd het in 1907 verschenen werk L'évolution créatrice (de scheppende evolutie) van Henri Bergson, dat een grote invloed op hem uitoefende en hem ervan bewust maakte, dat de hele wereld zich nog steeds in een proces van wording bevindt. Voorts schreef hij verscheidene opstellen over theologische onderwerpen, waarin zijn latere visie op de wereld zich stap voor stap uitkristalliseerde.
Hier rijpte in hem het inzicht, dat geest en materie geen tegenstellingen van elkaar zijn, maar twee toestanden van hetzelfde kosmische substraat. Deze geschriften kregen tot 1986 nauwelijks aandacht, maar zijn toch belangrijk voor een goed begrip van Teilhard (zie het artikel Pierre Teilhard de Chardin: Evolutie en Schepping)

In 1912 bezocht hij in het zuiden van Engeland de vindplaats van de Piltdownmens, waarvan later bleek dat het om een vervalsing ging. (Zie ook: natuurwetenschappelijke punten van kritiek). In die tijd nam Teilhard het besluit zich volledig te wijden aan het onderzoek van het fossiele leven. Zijn superieuren hadden daartegen geen enkel bezwaar, aangezien zij niet te spreken waren over zijn eigengereide theologische opvattingen. Ter voorbereiding deed hij in Parijs een aanvullende studie in de paleontologie, de wetenschap van al het leven op aarde in voorbije tijdperken.

terug naar de Inhoud

Bijzondere belevenissen aan het front (1914-1919)
De Eerste Wereldoorlog, tijdens welke Teilhard als hospitaalsoldaat in een Marokkaans artillerieregiment onder andere bij de gevechten rond Yper en Verdun werd ingezet, onderbrak zijn wetenschappelijke loopbaan en liet diepe sporen in hem na. Enerzijds hadden deze te maken met de gebeurtenissen aan het front, anderzijds had hij in die tijd verscheidene visioenen van Christus, die bepalend werden voor zijn verdere levensweg.
De oorlogservaringen brachten hem tot het besef van de bovenindividuele dimensie van het menselijk bestaan: van het collectieve lijden, maar ook van de collectieve eenheidsbeleving. Hij kwam ongedeerd uit de oorlog en werd voor zijn moed en zijn inzet onderscheiden met de 'Orde van het Legioen van Eer'.

Vanaf 1916 schreef Teilhard ongeacht de moeilijke omstandigheden te velde talrijke opstellen. Zijn essay Het kosmische leven (La vie cosmique - 1916) wordt gezien als de eerste volledige synthese en als het eerste echt teilhardiaanse geschrift (opgenomen in Ecrites du temps de la guerre - Vroege Geschriften)

In het voorjaar van 1918 schreef hij tijdens een intensieve briefwisseling met zijn nicht, de filosofe Marguerite Teillard-Chambon [1] een hymne aan Het Eeuwig Vrouwelijke (L'éternel féminen, dat eveneens in Vroege Geschriften is opgenomen). Op 26 mei 1918 legde Teilhard zijn plechtige gelofte voor de orde af en in maart 1919 werd hij uit de militaire dienst ontslagen. Een bevordering tot aalmoezenier te velde had hij afgewezen.

terug naar de Inhoud

Eerste reizen als veldonderzoeker en conflicten met de Kerk (1920-1926)
Een jaar later legde Teilhard aan de Sorbonne het examen in de natuurwetenschap met goed gevolg af en daarna schreef hij zijn dissertatie over de zoogdieren van het Franse onderste Eoceen. In 1922 promoveerde hij tot doctor in de natuurwetenschap en kreeg in aansluiting daarop een aanstelling als buitengewoon hoogleraar voor geologie aan het gerenommeerde Institut Catholique in Parijs.
Hij kreeg echter al gauw moeilijkheden met zijn superieuren, omdat zijn ideeën over de kosmische evolutie en de overwinning van het dualisme tussen materie en geest ingingen tegen de gevestigde theologische opvattingen. Daarom werkte hij hoofdzakelijk als geoloog en paleontoloog en nam hij aan diverse reizen als veldonderzoeker deel. Deze brachten hem in Birma, Ethiopië, Indië, Java alsmede naar China, waar hij met een bevriende geoloog de Ordoswoestijn verkende.
Van de talrijke geschriften uit die tijd zijn vooral het vermelden waard: La messe sur le monde (Ned. dl. 18 Loflied op p. 11-26: De mis op de wereld), evenals L'apparition de l'homme (Ned. dl. 11: Het verschijnen van de mens op aarde en dl.12: De menselijke groep).

In september 1924 keerde Teilhard naar Parijs terug en hervatte hij zijn colleges. Daarnaast schreef en publiceerde hij L'hominisation (in Ned. dl 4: De mens in de evolutie p. 9: De hominisatie), een wetenschappelijke studie over de evolutie van de mens. Een volgend theologisch stuk over de erfzonde leidde opnieuw tot problemen met de kerkelijke overheid en in 1926 raakte hij zijn leerstoel kwijt.

terug naar de Inhoud

Exielperiode in China: 'Het goddelijk milieu' (1926-1932)
Enige tijd later stonden zijn kerkelijke superieuren het hem toe om deel te nemen aan een wat langere expeditie naar Oost-Mongolië. Daar deed Teilhard onderzoek naar de aardlagen en fossielen. Deze periode luidde het begin in van zijn twintig jaar durende verbanning in Azië. Samen met een vriend ondernam hij vervolgens vijf geologische expedities, hetgeen hem in staat stelde om een geologische kaart van China te vervaardigen.
In 1927 deed hij Dalai-Nur op zijn reis in oostelijk Mongolië aan en bezocht in aansluiting daarop ook Abessinië en Frans-Somaliland. Daarnaast schreef hij het eerste van zijn twee belangrijkste werken, Le milieu divin (Het goddelijk milieu), dat hij evenwel door censuur vanuit de Kerk niet in druk mocht laten verschijnen.

In 1929 reisde Teilhard naar China terug. In Peking leerde hij Lucile Swan kennen, een Amerikaanse beeldhouwster, met wie hij tot aan zijn dood een intensieve correspondentie onderhield [2]. In hetzelfde jaar nam Teilhard het oppertoezicht van het National Geological Survey of China op zich en in december van dit jaar baarde de werkgroep rond Teilhard en Davidson Black in de gehele wereld opzien, omdat deze de eerste schedel van de fossiele Pekingmens (Sinanthropus Pekinensis) in een van de grotten van Zhoukoudian in Chou Kou Tien had ontdekt. Het ging om een 500.000 jaar oude schakel tussen de mens en diens vermoedelijke op een aap gelijkende voorouder.
Dit was een van de belangrijkste paleontologische gebeurtenissen van de twintigste eeuw. (Chinese wetenschappelijke onderzoekers hebben de botten kort geleden opnieuw gedateerd. De versteende overblijfselen van deze Homo erectus zijn 780.000 jaar oud). [3]

Er volgden verdere ontdekkingsreizen naar Mansjoerije tot aan de grens met Siberië, naar de Gobiwoestijn en tot aan Turkestan toe. De belangstelling van Teilhard ging steeds meer uit naar de evolutie van de mens, hetgeen zijn neerslag vond in analyses van vondsten, maar ook in talrijke schriftelijke werken, referaten en een omvangrijke correspondentie. Het ging daarbij onder andere ook over de man-vrouwverhouding op geestelijk niveau.

terug naar de Inhoud

Ontdekkingsreizen over de hele wereld (1933-1939)
Vanaf februari 1933 deed Teilhard veel wetenschappelijk onderzoek in Centraal-China. In deze tijd schreef hij ook het essay Mijn geloof. In 1935 bezichtigde hij samen met Helmut de Terra (zie diens boek: Mijn weg met Teilhard de Chardin) vindplaatsen in Indië en op Java. Terug in Peking ontwierp hij verschillende bijdragen aan het thema 'het persoonlijk universum'. In 1937 maakte hij een reis naar de VS, alwaar hij in Philadelphia werd onderscheiden met de Gregor-Mendel-medaille. Er volgde een reis naar Honolulu en Japan.
Vervolgens ging hij naar China terug, daarna naar Birma en opnieuw naar Japan. In deze tijd ontstonden Het geestelijk Fenomeen en De menselijke energie. Al deze reizen ondernam Teilhard in gezelschap van vrienden en als lid van een internationaal netwerk van paleontologen en geologen.

terug naar de Inhoud

Geïnterneerd in Peking: 'Het verschijnsel mens' (1939-1945)
Na diverse tussenstations keerde Teilhard voor de vijfde keer naar Peking terug om daar deel te nemen aan wetenschappelijke onderzoekingen. Door de Tweede Wereldoorlog werd hij gedwongen daar te blijven. In deze tijd schreef hij zijn hoofdwerk Le Phénomène humain (Ned. Het verschijnsel mens), dat in 1940 ontstond. Hoewel het geen theologisch werk betreft, werd hem door de censuur in het Vaticaan ook ditmaal het recht van publicatie geweigerd. Desondanks vond het in duizenden met de hand vervaardigde kopieën zijn weg naar belangstellenden.
Ook zijn andere werken werden door Rome verboden vanwege naar het heette: "verkeerde geloofsopvattingen, die het fundament van de katholieke leer dreigden te ondergraven". Het gelukte Teilhard slechts enkele tientallen wetenschappelijke opstellen in vaktijdschriften te publiceren.

terug naar de Inhoud

Eerbewijzen, verbanning naar New York (1946-1955)
In 1946 keerde Teilhard naar Frankrijk terug. Hij probeerde aansluiting te vinden bij de intellectuele kringen, bezocht conferenties en hoopte op de publicatie van zijn belangrijkste werken. Op 1 juni 1946 kreeg hij een hartaanval die mogelijk werd veroorzaakt door de dreiging uit Rome om zijn werk op de Index van verboden boeken te plaatsen.
Waardering viel Teilhard evenwel te beurt voor zijn geowetenschappelijke verrichtingen: in 1947 werd hij in Parijs tot officier van het legioen van eer benoemd en drie jaar later werd hij door de Franse Academie van Wetenschappen tot lid verkozen. In verdere geschriften rondde hij zijn levenswerk af, zo ook met zijn autobiografie Le Cœur de la Matière (het hart van de materie).

In 1951 reisde Teilhard naar Zuid-Afrika om de plek te bezoeken, waar in 1925 de Australopithecus werd opgegraven. In hetzelfde jaar werd hij door zijn orde in verband met de zojuist verschenen encycliek Humani generis ("Over enkele afwijkende meningen, die het fundament van de katholieke leer dreigen te ondergraven") opnieuw uit Frankrijk verbannen, ditmaal naar New York. En opnieuw onderwierp de zeventigjarige zich aan het gezag van zijn orde.
De laatste jaren van zijn leven bracht Teilhard door als medewerker van de Wenner-Gren-Stichting voor Antropologisch Onderzoek in New York City. Vooral in zijn laatste jaren leed Teilhard onder de toenemende spanningen met Rome en met zijn orde.

In de vier jaar die volgden ondernam hij reizen naar Noord- en Zuid-Amerika alsmede nogmaals naar Zuid-Afrika ten dienste van het wetenschappelijk onderzoek. Hij schreef zijn laatste essays zoals De energie van de evolutie en De stof van het universum. In 1952 werd hij erelid van de Society of Vertebrate Paleontology. Pierre Teilhard de Chardin overleed op paaszondag van het jaar 1955 midden in een discussie.
Na zijn dood konden zijn boeken deels pas na vele jaren vertraging gedrukt worden en in andere talen worden vertaald. Ze bereikten in korte tijd miljoenenoplagen nadat reeds zijn lezingen en clandestien vermenigvuldigde manuscripten grote belangstelling hadden gewekt.

terug naar de Inhoud


Zijn werk: een overzicht

Natuurwetenschap en godsdienst
De Teilhardliteratuur is veelomvattend en divers. Teilhard zelf heeft in veertig jaar verscheidene boeken alsmede honderden opstellen en lezingen geschreven, naast ontelbare brieven en dagboekaantekeningen. De meeste van zijn wat kortere geschriften zijn naar onderwerp gerangschikt en in verzameluitgaven gepubliceerd. Daarbij komen ettelijke kritische verhandelingen van tegenstanders van Teilhard, bovendien enkele tientallen publicaties van geestelijken uit zijn orde en vrienden van Teilhard, die hem gedurende kortere of langere tijd van zijn leven hebben vergezeld, hem vanuit hun visie karakteriseren en stelling nemen ten opzichte van afzonderlijke aspecten van zijn werk

De latere Franse kardinaal en concilietheoloog Henri de Lubac schrijft over hem: "Teilhards werk bezit ongetwijfeld een grote innerlijk eenheid, zoals je deze slechts zelden aantreft. Er komt geen passage in voor, waarin het wezen en de persoon van de auteur niet duidelijk zichtbaar worden. Even afgezien van de zuiver natuurwetenschappelijk-technische geschriften vallen bij een eerste blik globaal twee belangrijke delen te onderscheiden:
- in het eerste staat nog de reflexie op natuurwetenschappelijk-filosofisch gebied vanuit de feiten van de ervaringswetenschap centraal;
- het tweede deel is op een zeer bijzondere wijze mystiek en religieus van aard en beroept zich dikwijls uitdrukkelijk op feiten vanuit de christelijke Openbaring.
Het middelpunt van het eerste deel is Le Phénomène humain (Het verschijnsel mens), dat van het tweede Le Milieu divin (Het goddelijk milieu). Hoe belangrijk het eerste deel ook moge zijn, duidelijk blijkt uit de houding en instelling van Teilhard, dat het de bedoeling ervan is om de weg naar het tweede deel voor te bereiden." [4]

Henri de Lubac schrijft verder, dat het in wezen gaat om de twee aspecten van de christelijke verlossingsleer in een nieuw jasje. Teilhard heeft, volgens hem, voortdurend min of meer succesvol gepoogd om de twee delen met elkaar in verbinding te brengen. Als men zich tot een ervan zou beperken, dan zou men ernstig afbreuk doen aan het denken van Teilhard.
Voor Henri de Lubac is het de geestelijke leer van Teilhard, die de meeste aandacht verdient: "Hij heeft helemaal vanuit zijn eigen positie de blik naar voren gericht om Christus aan de komende generaties van het wetenschappelijk tijdperk te verkondigen en om in Christus te werken aan het welslagen van het avontuur van de mensheid." [5]

terug naar de Inhoud

Het verschijnsel mens
Zijn eerste hoofdwerk heeft Teilhard in 1940 geschreven. Het werd in 1955 vlak na zijn dood in het Frans gepubliceerd en in het Duits als Die Welt im Kosmos in 1959 [6]. Met de volgende veertien thesen wordt getracht de inhoud van dit hoofdwerk alsmede centrale uitspraken uit andere boeken en bundels zoals De toekomst van de mens, De menselijke energie en Mijn universum weer te geven. [7]

1. In de loop van de geschiedenis van de aarde ontstonden er steeds complexere vormen: atomen, moleculen, eencelligen en meercelligen. Teilhard spreekt over een 'verdichting' van de materie. Gedreven door een geheimzinnige kracht om zich te verwerkelijken 'rolde' de materie zich steeds meer 'op', terwijl tegelijkertijd de innerlijke geestkracht zich steeds meer 'ontplooide'. Zo verschenen er steeds hogere vormen van bewust leven. De hele schepping wordt gekenmerkt door een voortdurend streven naar 'meer zijn' [ontwikkeling] volgens de formule: hoe complexer, hoe groter het bewustzijn.

2. Met het menselijke brein bereikte de complexiteit van de materie haar hoogtepunt. Hierdoor werd een bewustzijn mogelijk, dat zich van zichzelf bewust is, dat zichzelf kan denken: het zelfbewustzijn van de mens. Fysisch lijkt de evolutie met de Homo sapiens sapiens tot een afsluiting te zijn gekomen.
Maar ze gaat op een ander vlak verder, namelijk: op het psychisch-geestelijke, culturele en sociale niveau van de mens.

3. Tijdens een lange periode van expansie vestigde de mens zich op alle continenten en bevolkte hij zelfs de meest onherbergzame landstreken. Zo ontstond van lieverlee boven op de biosfeer een 'denkende laag', een veld van bewustzijn rond om de aarde. Teilhard noemde deze laag de 'noösfeer'.

4. Door de voortdurende groei van de wereldbevolking (tegenwoordig met 80 miljoen per jaar) komen de mensen vanwege het gekromde, niet rekbare aardoppervlak steeds dichter op elkaar te zitten. Er ontstaat een vorm van verdichting, ditmaal van het aantal mensen onder elkaar: de 'psychische temperatuur' van de mensheid stijgt. Dat leidt tot spanningen en conflicten.

5. Thans is het kritische punt bereikt, waarop we moeten keizen voor de ondergang of de organische eenwording. In deze vervelende situatie brengt een tweede proces licht. Immers, de bovengenoemde formule gold ook hier: hoe complexer, hoe groter het bewustzijn.
Door de verdichting wordt ook het veld van bewustzijn in de wereld sterker. De mensen krijgen meer inzicht, komen tot besef van de grotere verbanden. Zo worden zij zich ook met behulp van de moderne wetenschap langzamerhand ervan bewust, dat in het universum alles met alles samenhangt, dat ieder individu een deel is van het totale organisme van de mensheid en dat de toekomst open ligt.

6. Daaruit groeit het inzicht dat de mensheid alleen kan overleven, als zij zich als één organisme beschouwt en zich dienovereenkomstig organiseert. Dit inzicht leidt tot globaliserend denken en tot een gevoel van saamhorigheid, van eensgezindheid.

7. De hele ontwikkeling moet zinvol, onomkeerbaar en duurzaam zijn, anders zouden de mensen niet altijd en overal streven naar 'meer zijn' [ontwikkeling]: hun inzet voor een gemeenschappelijke toekomst zou al gauw verlamd raken.

8. Met het bewustzijn een gespecialiseerde cel te zijn in het lichaam van de mensheid, groeit in de individuele mensen de 'zin voor het totaal', de behoefte om aan dit geheel dienstbaar te zijn en er mede de verantwoordelijkheid voor te dragen. Het kosmische streven naar 'meer zijn' [ontwikkeling] vindt dus zijn uitdrukking in de mens als het geloof in iets overkoepelends, iets volmaakts.

9. Geloof in iets alomvattends, volmaakts. Daarachter zit de drang om zelf uit te groeien tot een heel mens [zelfverwerkelijking] alsmede het oerverlangen naar vereniging [hereniging]. Individuele pogingen om zichzelf te vervolmaken, kunnen echter leiden tot afzondering en zijn daarmee een doodlopende weg. Slechts het streven naar gemeenschappelijke heelheid heeft toekomst.

10. De mens als individu zal in deze totaliteit niet ondergaan, maar erin opgaan; hij zal er een veilige positie in innemen, er niet mee versmelten, maar zelfs zich erin differentiëren. Zichzelf overgeven kun je slechts in iets groters dan jezelf, dus in iets 'bovenmenselijks'.

11. Dit grotere kan niet een 'iets' zijn. Het moet een 'iemand' zijn, d.w.z. 'volledig zichzelf zijn' en dus de hoedanigheid hebben van een 'persoon'. Gezien vanuit het christendom is deze persoon goddelijk; het is de kosmische Christus (Christus universalis), de krachtbron en aantrekkingskracht voor de naar vervulling strevende mens. Deze begint vanuit die kracht te leven en zijn leven daarop te richten.

12. Zo komt deze mens tot een nieuwe vorm van liefde: tot de ware naastenliefde. Zijn egocentrische behoeften worden allengs minder. Dat is zowel een pijnlijk als een verheugend proces. Steeds meer wordt het mystieke lichaam van Christus daarbij een onderdeel en deze relatie voltooit de mens. Want in de loop van dit proces verandert zijn hele wezen (opstanding).

13. Aangezien de hele kosmische ontwikkeling convergent is, streeft alles naar eenheid (Latijn convertere, univertere). In zo'n universum convergeren ook de mensen, zij streven naar een convergent doel (het punt-Omega), dat eveneens het kenmerk zal dragen van een persoon. Dat wil zeggen, de druk van beneden en de aantrekkingskracht van boven drijven de mensheid over een steeds spitser toelopende spiraal naar haar voltooiing in een hoogst persoonlijke centrum.

14. Door de vrijwillige, liefdevolle eenwording van vele mensen wordt de aantrekkingskracht van het bovenmenselijke brandpunt steeds sterker, totdat alle mensen van goede wil op een kosmologisch moment door een geweldige impuls worden gegrepen (de wederkomst van Christus) en zij als wezenlijke eenheid naar een hogere, goddelijke dimensie doorbreken.
De natuurwetenschappelijke ontwikkelingstheorie [evolutie] en de christelijke verlossingsleer [hereniging] zijn twee verschillende kanten van hetzelfde proces.

terug naar de Inhoud

Het goddelijk milieu
Terwijl het boek Het verschijnsel mens de evolutie en toekomst van de gehele mensheid behandelt, gaat het in Het goddelijk milieu - Een ontwerp van het innerlijk leven, om de ontwikkeling van de individuele persoon zelf.
Teilhard was met de eerste ontwerpen voor dit boek begonnen in 1920 en had de definitieve versie ervan in 1926/7 opgeschreven in Tientsin. Na lang beraad over en weer mocht het tenslotte toch niet worden gedrukt en het verscheen pas in 1957, twee jaar na de dood van Teilhard.

Ladislaus Borus schrijft in het voorwoord van de Duitse uitgave: "Wat Teilhard in dit boek ontwikkelt, is in wezen een ommekeer van het geestelijke leven tot nu toe. De tweespalt, die nu al gauw zo'n tweeduizend jaar in het christendom heerst tussen de liefde voor God en de liefde voor de wereld hier, heeft Teilhard op een tot dusver ongekende wijze op basis van zijn nieuwe visie op de schepping doorbroken."

In zijn inleiding op het boek definieert Teilhard met enkele zinnen het publiek waartoe hij zich richt als volgt: "Dit boek wendt zich niet per se tot christenen, die rotsvast vanuit hun geloof leven; zij kunnen uit de inhoud ervan niets leren. Het is geschreven voor hen die binnen en buiten de Kerk naar vooruitgang streven, dat wil zeggen voor diegenen, die zich niet volledig overgeven aan de Kerk, maar in plaats daarvan aan de zijkant ervan meedoen of zich van haar verwijderen in de hoop boven haar uit te groeien."

Vervolgens voegt Teilhard er nog een "belangrijke opmerking" aan toe, waarmee hij mogelijke critici de wind uit de zeilen wil nemen: "Het boek bevat slechts de eenvoudige beschrijving van een psychologische ontwikkeling over een heel specifiek tijdsbestek, een mogelijke serie nieuwe perspectieven, die zich stap voor stap in de loop van een bescheiden 'door mij belichte opgang' aan de geest onthullen.

Voor het morele kwaad, de zonde, zal slechts weinig plaats worden ingeruimd, want zo stelt Teilhard: "Van de ziel, waarmee wij ons hier bezighouden, wordt aangenomen, dat deze zich al heeft afgekeerd van de banen, waarop zij zich daaraan schuldig zou maken." In dit stadium, zo zegt hij, hoeft men niet meer nadrukkelijk te wijzen op de werking van de genade. En evenmin hoeft meer uitdrukkelijk een onderscheid te worden gemaakt tussen natuur en bovennatuur, goddelijke invloed en menselijke werkzaamheid.

In de inleiding schrijft Teilhard: "De weg, die wij in ons betoog zullen volgen, zal heel eenvoudig zijn, omdat het bestaan van iedere mens op het gebied van de ervaring heel goed in tweeën valt te delen: in datgene wat hij doet en in datgene wat hij ondergaat."

Het werk bestaat uit drie delen:
- De 'vergoddelijking' van het handelen: de heiliging en voltooiing van de wereld als gevolg van de heiliging en voltooiing van de menselijk inspanning;
- De 'vergoddelijking' van het ondergane leed: de verschillende vormen van menselijk leed; de groei door het minderworden ('vermindering'), de ware overgave, de betekenis van het kruis;
- De attributen van het goddelijk milieu, de groei ervan door individuele en collectieve vorderingen in de manier van handelen en ondergaan.

Hiervan zegt Henri de Lubac, dat het niet voldoende is om alleen het eerste deel te lezen - dan blijft men slechts aan de oppervlakte. Alleen door het boek helemaal uit te lezen, dringt men door tot het hart van Teilhards mystiek. [8] Het eerste deel van het werk klinkt naar zijn zeggen als een hymne op de in christelijke zin begrepen inspanning. Maar met het handelen, zelfs als dit geheel zuiver en onbaatzuchtig is, bevindt zich het goddelijk milieu volgens hem pas in de "beginfase van zijn bloei".
Teilhard schrijft zelf: "In het handelen hebben we pas de helft van de weg op de berg der verlichting afgelegd." [9] Naar God streven door al het andere heen betekent nog niet, aldus Lubac, hem waarachtig bereiken. De in het vooruitzicht gestelde vergoddelijking vindt volgens hem plaats tegen een hogere prijs, en "alles, wat de mens daaraan kan doen, is, zich gereed houden en deemoedig aannemen." [10]

terug naar de Inhoud


Teilhard als persoon
Hier volgen enkele indrukken van familieleden, vrienden en broeders uit de orde van Teilhard:

Josef Vital Kopp, vertaler van Teilhards werk: "Teilhard wordt ons beschreven als een lange, op zijn rusteloze tochten mager gebleven figuur. Zijn fijnbesneden, maar krachtige gelaatstrekken waren door zee en woestijnwinden gevormd. Vanonder het hoge voorhoofd keken warme, vriendelijk stralende en tegelijk kritisch onderzoekende ogen je aan. Rond zijn mond vertoonden zich kleine ironische plooien.
De handen van de onderzoeker met hun lange vingers waren voortdurend in beweging en de gebaren, zelfs die van de man op leeftijd, gaven nog steeds blijk van een jeugdige vitaliteit. [...] Teilhard was een beminnelijk mens, een man van de dialoog. Waar hij ook verscheen, daar verbreidde hij optimisme en vertrouwen. Iedereen kwam in de ban van zijn uitstraling en hartelijkheid." [11]

Maurice Blondel, filosoof en vriend van Teilhard: "Zijn overtuigingskracht uitte zich soms in een vurige wil tot bekeren en een profetische toon, die mogelijk door heel wat mensen als bepaald indiscreet kan zijn ervaren. Maar tegelijk gaf hij daarbij blijk van een bescheidenheid, die hem belette ooit te geloven, dat hij de volledige waarheid had gezien." [12]

Marguerite Teillard-Chambon [1], een nicht van Teilhard, over zijn eerste geschriften: "Zelfs naar de vorm, d.w.z. in het handschrift en de indeling, vertonen zijn manuscripten een pijnlijke zorgvuldigheid, alsof ze zo uit een stille studeerkamer kwamen, hoewel zijn hand bij terugkeer uit de loopgraven nog trilde van vermoeidheid en opwinding. [...] Zal hij ons ooit kunnen vertellen, wat hij in die uitzonderlijke periode van zijn leven, waar hij als een ander mens uit kwam, gezien, gevoeld, gedacht heeft? Vóór zijn demobilisering stelde hij zichzelf de bange vraag: Zal ik ooit worden gehoord?" [13]

Henri de Lubac, die gedurende meer dan 13 jaar voortdurend met Teilhard in contact stond, schreef, dat hun relatie vanaf de eerste dag gekenmerkt werd door vertrouwen en volledige oprechtheid. [14] Volgens Henri de Lubac werd Teilhard als kind al bevangen door een hartstocht voor het absolute en zocht hij dit 'bezielende' onvermoeibaar in alles en overal. Voor wie zich in de onderwerpen van Teilhard wil verdiepen is het vanwege de verrukkelijke onbevangenheid van Teilhard beter niet van vooropgezette ideeën uit te gaan.
Hij heeft zichzelf bescheiden, maar bijzonder raak gedefinieerd als de "man, die probeert om getrouw aan zijn diepste overtuiging te formuleren, wat zijn generatie ter harte gaat." De Lubac schrijft verder: "Altijd weer ziet hij in de lezer zijn vriend, die eropuit is om met hem samen een stap verder te komen". Teilhard had volgens hem niet meer voor ogen dan het tonen van enkele "toegangswegen, waarop ons de ogen worden geopend voor de onmetelijkheid van een nog niet in kaart gebrachte werkelijkheid." [15]

Paul Grenet, een broeder uit de orde van Teilhard: "In zijn geschriften zowel als in zijn houding tegenover de mensen vertoonde hij steeds hetzelfde gedrag: de diplomatie van de oprechtheid". [16]

De bioloog Adolf Portmann was van mening, dat de opgraving van de Pekingmens de reputatie van Teilhard als wetenschappelijk onderzoeker van een voorbije leefwereld had gevestigd en de basis had gelegd voor het vertrouwen, waarmee veel mensen zijn vèrstrekkende conclusies over de evolutie van de mens tot zich hebben genomen. Maar tegelijkertijd concludeerde Portmann, dat heel dikwijls bij hem "de profeet de onderzoeker de pen uit handen heeft genomen". [17]

Claude Cuénot, een vriend van Teilhard: "Er is geen Teilhard voor een brede kring en een andere voor ingewijden. [...] Hij nam niet alleen bereidwillig goede raad en terechtwijzingen aan, maar vroeg er zelfs om en weliswaar niet alleen van zijn superieuren [...] maar zelfs van jongeren en mensen met minder ervaring." [18]

Alice Teillard-Chambon, een zus van Marguerite: "Alhoewel het werk rationeel van opbouw is, komt de krachtige taal erin (men zou bijna zeggen: de inspirerende kracht) van een eerste vonk, die alles in licht heeft gedoopt." [19]

Een journalist van het blad 'der Spiegel': "Alhoewel Teilhard door het opperste leergezag van de Romeinse curie een 'theologisch dwalende geest' werd genoemd, die voor de leer van de Kerk een gevaar inhield, werd er toch aan toegevoegd, dat hij de kwalificatie 'ketter' gevoelsmatig gezien wellicht vanwege zijn goedgelovigheid niet verdiende." [20]

De geoloog Helmut de Terra, die Teilhard had vergezeld op vrij lange wetenschappelijke expedities door Indië alsmede naar Birma en Java, beschreef hem als volgt: "Hij was wars van elke vorm van preken; hij paste zich steeds aan zijn omgeving aan en deed nooit uit de hoogte. Als hij vanuit zijn kennis en positie met gezag kon spreken, stond hij nooit op zijn gelijk, zoals hij ook onder de moeilijkste omstandigheden op reis als werkelijk alles tegenzat zich nergens op voorstond, maar iedereen gewoon in verlegenheid bracht door de bescheidenheid waarmee hij zich wist aan te passen."

Om een voorbeeld te noemen voegde De Terra hieraan toe: "Bij het bestuderen van een bot, waarbij het ging om de mate van fossilisatie, probeerde Teilhard een tot dan toe onbekend middel uit: hij liet zijn tong over het bot heen glijden en zei, dat het niet genoeg mineralen bevatte om als fossiel in aanmerking te komen, daar het nog even poreus was als oorspronkelijk. De manier, waarop hij het bot uit de vuile hand van de arbeider overnam en het zonder zich om iets te bekommeren aan zijn lippen bracht, was opnieuw tekenend voor zijn zorgeloosheid. Deze eigenschap maakte hem tot een ideale metgezel op expedities."

Helmut de Terra deed ook verslag van een voorval, dat op hem een onuitwisbare indruk achterliet. Hij was met Teilhard in Centraal-Indië onderweg op een smal bergpad in een bos, waarin panters voorkwamen. Als er zich ook maar iets in het kreupelhout bewoog, werd De Terra behoorlijk bang en toen er op een gegeven moment duidelijk een krakend geluid van takken te horen was, wilde hij hard weglopen, maar Teilhard bleef rustig staan en zei geboeid: "Dit bos is net als de zee vol verborgen leven."
Dit gevoel van vertrouwen had hem ook op de slagvelden in de Eerste Wereldoorlog onderscheiden. Op de vraag, hoe hij het toch klaarspeelde om zo kalm te blijven, moet Teilhard hebben geantwoord: "De dood is niets anders dan een transformatie van ons wezenlijke zijn." [21]

terug naar de Inhoud


Denkwereld
Teilhards denkwereld is gevormd door een brede kennis op natuurwetenschappelijk gebied en tegelijkertijd door een intense vroomheid. Tegen het algemene gevoel van onze tijd in gaat hij er in zijn overtuiging stelselmatig vanuit, dat de schepping moet worden beschouwd als een proces met nog onvermoede resultaten, dat tot het einde der tijden voortduurt, en niet als iets dat is afgesloten en klaar, zoals de scheppingsverhalen in de Bijbel dat kennelijk doen voorkomen. Schepping en evolutie zijn voor Teilhard geen tegenstelling.
Ook over de verhouding tussen 'noodzakelijkheid' en menselijke vrijheid heeft hij nieuwe ideeën ontwikkeld. Theologisch sluit hij daarin aan bij de leer van de Heilige Geest als de Creator Spiritus, die steeds aanwezig is en samenwerkt met de in vrijheid beslissende schepselen.
De ideeën van Teilhard ten aanzien van de evolutie van de mens worden verder, vooral als het om de spirituele kanten ervan gaat, vaak met die van de Indiase filosoof Sri Aurobindo vergeleken, die de mens van deze tijd ziet als een overgang naar een hogere trap van ontwikkeling. [22]

terug naar de Inhoud

Wat Teilhard vooral ter harte gaat
Met zijn levenswerk toont Teilhard, hoe hij de wereld en de mensen daarin ziet. [23] Wat hij daarin vooral wil, is duidelijk de relatie in het licht te stellen tussen God, de mens en de wereld. Het is belangrijk om dat ook vooral voor ogen te houden als zijn geschriften de indruk wekken natuurwetenschappeliijk te willen zijn.
Vaak is namelijk de manier, waarop hij zich natuurwetenschappelijk uit, niets anders dan een middel om ook mensen middels de taal te bereiken, die zich noch aangesproken voelen door de gebruikelijke theologische, noch door de filosofische terminologie.

De theoloog en psychotherapeut Giulio Haas: "Teilhard denkt en schrijft als iemand die ergens door is gegrepen en dat was hij ook, omdat hij een visioen heeft gehad. Daarna ontdekte hij wat zijn taak in het leven was: de mensen van toen zijn kijk op de wereld vanuit zijn diepste overtuiging voor te leggen." [24]
Welke terminologie Teilhard ook gebruikt, het gaat er hem volgens Giulio Haas steeds om, zijn visie op de totale werkelijkheid door te geven. Het is volgens deze dan ook niet verwonderlijk, dat hij daardoor zeer snel in conflict raakt met de natuurwetenschap, de filosofie en de theologie. Immers, iedere wetenschap beschouwt de werkelijkheid steeds vanuit haar eigen standpunt.

Voor de theoloog Thomas Broch put Teilhard in wezen uit een geestelijke bron: "Aan de basis van zijn werk ligt nooit het rationele argument, het begrip of zelfs het natuurwetenschappelijke feit, maar het visioen, de innerlijke beleving, een totaalervaring van mystieke of religieuze aard." [25]

terug naar de Inhoud

Geloofsbelijdenis
Teilhard zelf vat zijn wereldbeeld in een soort geloofsbelijdenis samen:
- "Ik geloof dat het universum een evolutie is.
- Ik geloof dat de evolutie in de richting gaat van de geest.
- Ik geloof dat de geest zich in de mens voltooit in het persoonzijn.
- Ik geloof dat de hoogste vorm van persoonzijn de Christus-Universalis is." [26]

Ergens anders schrijft Teilhard: "Vaak bid ik tot God om toch de as te mogen zijn, waaruit datgene zal opbloeien, waaraan het in onze generatie heeft ontbroken." En ook: "De enigszins gedurfde of systeemgebonden punten van mijn 'leer' zijn voor mij als het erop aankomt slechts van secundair belang; ik wil niet zozeer ideeën verbreiden als wel een geest." [27]

Iets dergelijks deelt hij in 1927 in een brief mee aan Ida Treat: "Wat ik zou willen overbrengen is niet zozeer een theorie, een systeem, een wereldbeschouwing, maar een bepaalde smaak (Fr.: goût), een bepaalde wijze om de schoonheid, de ervaring, de eenheid van het zijn waar te nemen. Ik probeer om de vredige roes, die de bewustwording van de diepten van de 'Weltstoff' in mij teweegbrengt te vertalen in begrippen, in een theorie (iets, wat ik graag in muziek zou doen, als ik daartoe in staat was); maar deze theorie heeft voor mij slechts gelding door de resonantie, die ze in de omgeving van de ziel oproept, en die niet behoort tot het intellect." [28]

terug naar de Inhoud

De kosmogenese
Voor Teilhard is de werklijkheid als geheel dynamisch, iets, dat voortdurend in ontwikkeling is. De kosmos als een statische grootheid, waarin alles vastligt, is voor hem definitief achterhaald. Hij gebruikt daarom heel zelden het begrip 'kosmos'. Liever spreekt hij van 'kosmogenese', waardoor het ontstaan, de ontwikkeling en de bloei van het universum duidelijker tot uitdrukking komen. En bovendien: door het woord 'genese' te gebruiken, laat hij niet alleen zien, dat hij het universum als dynamisch beschouwt, maar tevens dat deze dynamiek doelgericht is.

Theodor Frey daarover in Experimente zur Gestaltwerdung (2011): Teilhard ziet in de kosmogenese een creatieve beweging, die door God is ingezet en haar doel nog niet heeft bereikt. Het kenmerk van deze beweging is de voortdurend toenemende organisatie van alles wat bestaat. De kosmogenese bevindt zich op een weg, maar het gaat daarbij niet om de weg zelf. Deze weg heeft een doel. Het betreft daarbij geen doel, dat vanbovenaf is voorgeschreven of gedicteerd is. De kosmogenese zoekt tastend haar weg vooruit naar een doel, dat ze stap voor stap zelf ontwerpt.
Als Teilhard het over de doelgerichtheid van de totale werkelijkheid heeft, betekent dat niet per se de doelgerichtheid van het afzonderlijke verschijnsel of hooguit alleen, als het in verband gezien wordt met de hele kosmogenese.

De weg, die de kosmogenese in het verleden heeft ingeslagen, verloopt volgens Teilhard volgens de wet van convergentie. Daaronder verstaat hij de vereniging van voorheen gescheiden eenheden tot steeds grotere complexe eenheden. In de beide factoren convergentie en complexiteit wordt het onderliggende streven van de kosmogenese openbaar. Naar voren verschijnen er steeds complexere structuren, die tevens steeds intensiever convergeren. Het doel zal zijn: de meest complex gestructureerde vorm met de grootst mogelijke convergentie van haar delen.

terug naar de Inhoud

De noögenese
a. Teilhard duidt het rijk van het levenloze aan met de term 'hylosfeer' (hylisch: materieel, stoffelijk). Deze sfeer wordt door natuurkundige wetten bepaald.
b. Tevens bevat het rijk in zich de kiemen voor het komende leven. Deze nieuwe fase, welke hij de biogenese noemt, maakt een nieuwe sfeer mogelijk, de sfeer van al wat leeft: de 'biosfeer'.
c. Tastend en zoekend vormen zich steeds complexere vormen waarin de innerlijke drang of gecentreerde richting zich steeds duidelijker manifesteert, tot aan de mens toe. Deze derde fase in het kosmische proces noemt Teilhard de noögenese, die leidt tot de 'noösfeer' (van Oud-Grieks 'nous': geest).

De noösfeer is het laatste stadium in de kosmogenese. Het geestelijke wordt door Teilhard als gecentreerde werkelijkheid gezien, die zich in de mens van zichzelf bewust geworden is. Tot zover is de meerderheid van de natuurwetenschappers uit zijn tijd het met Teilhard eens.
Dat hij echter de geest consequent als bestanddeel van zijn kosmogenetisch model heeft ingebracht, is vooral voor de theologie onaanvaardbaar. Want door deze inbreng van de geest relativeert Teilhard het van oudsher aangenomen dualisme tussen geest en materie. Aan de andere kant daarentegen roept de visie van Teilhard, waarbij de geest als kosmische grootheid naar voren komt, verzet op van de materialisten.

In wezen ligt het vernieuwende inzicht van Teilhard volgens Giulio Haas daarin, dat voor hem de kosmogenese met het ontstaan van de menselijke geest niet is afgesloten. Door dezelfde dynamiek gedreven ontwikkelt ze zich verder volgens dezelfde wetten van toenemende complexiteit en convergentie. Bij zijn poging deze voortgaande ontwikkeling te beschrijven, was hij gedwongen om iets weer te geven, wat zich noodzakelijkerwijs aan de ervaring en de bewijsvoering onttrekt. Voor de natuurwetenschap is dit zeker het zwakste punt in het totale werk van Teilhard.
Hij is op dit verwijt van onbewijsbare speculaties en fantasieën meermalen ingegaan en was zich duidelijk bewust van hetgeen hij te berde bracht. Het ging hem er evenwel niet om een concreet beeld van de toekomst te schilderen. Hij wilde alleen aangeven hoe de weg naar de toekomst eruit moet zien, als men de kosmische wetten, die in het verleden maatgevend waren, naar de toekomst toe extrapoleert.

Op grond van de wetten van convergentie, complexiteit, verinnerlijking en gecentreerdheid is de noösfeer voor Teilhard een werkelijkheid, die zichzelf schept, die afstevent op een gemeenschappelijk middelpunt, op een 'bovenpersoonlijk' centrum.
Het punt, waarop de noögenese als doel gericht is, stelt Teilhard vooral in zijn latere geschriften gelijk aan de 'kosmische Christus'. Noö-genese en Christogenese vormen voor hem een eenheid, maar het heeft hem een lange tijd van worsteling gekost voordat hij de eenheid van deze twee stromingen naar voren kon brengen.

Teilhard is zich van de conflicten tussen de volkeren, de kloof in de samenleving tussen jong en oud, de spanningen tussen de generaties enz. bewust. Daarom onderscheidt hij twee stadia binnen de noö-genese zoals ook in de daaraan voorafgaande perioden van de kosmogenese.
a. De eerste fase is die van de divergentie. Daaronder valt het in bezit nemen van de aarde, de uitsluiting van anderen, het zich verheffen boven anderen.
b. Daarop volgt de fase van convergentie (toenadering), het zoeken naar elkaar en het zich in elkaar verdiepen. Volgens Teilhard is deze fase vooral zichtbaar geworden door de menswording van God in de persoon van Jezus Christus.
In het christendom wordt deze volgens hem voortgezet. Van hem verwacht hij niet alleen de sterkste impulsen voor de convergentie, maar ook de definitieve overwinning. In deze geest spreekt Teilhard de enigszins gedurfde gedachte uit, dat het christendom de ware erfgenaam is van de kosmogenese. In de concrete werkelijkheid vallen deze twee fasen naar de tijd niet van elkaar te scheiden; ze verlopen parallel naast elkaar.

terug naar de Inhoud

De liefde als kosmische energie
Aangezien de totale werkelijkheid op een doel is gericht, moet daarin de energie aanwezig zijn, die het haar mogelijk maakt om tastend en zoekend de weg naar dit doel te vinden. Teilhard meent deze 'kosmische energie' overal te ontdekken. Hij gaat er in verschillende essays op in. Op het niveau van de mens verschijnt ze als de liefdes-energie. Maar ze was al geruime tijd actief voordat de mens opdoemde.
Zo schrijft hij in zijn werk Het verschijnsel mens (p. 277/8): "Naar haar totale biologische realiteit is de liefde (d.w.z. de affiniteit tussen twee wezens) niet alleen en uitsluitend iets van de mens. Zij vormt een algemene eigenschap van alle leven en als zodanig voegt zij zich, in variaties en graden van intensiteit, naar alle vormen welke de organische stof achtereenvolgens heeft aangenomen. [...] Het zou psychisch onmogelijk zijn dat de liefde in de hogere stadia en bij ons, in het gehominiseerde stadium optrad, wanneer er tot zelfs bij de moleculen, in een nog volstrekt onontwikkelde vorm uiteraard, maar in de kiem aanwezig, niet een innerlijke neiging tot vereniging bestond." [29]

Voor Teilhard is de liefde de meest universele, de meest geweldige en meest wonderbaarlijke van alle kosmische energieën. Ze is de stuwende kracht achter het hele kosmische streven. Ze houdt reeds bij al het handelen en lijden rekening met het uiteindelijke doel, de organische eenheid van al het zijnde. Deze liefde ziet Teilhard reeds volmaakt vewezenlijkt in het hart van Jezus Christus. Ze is niet van buitenaf binnengedrongen in de kosmische werkelijkheid, maar ze is evenals de menselijke geest aan deze werkelijkheid ontsproten, is daarbij van karakter veranderd en heeft zich in de mens gericht op de persoon.

Daarbij moet op twee dingen worden gewezen: op de continuïteit van de liefdesenergie en de discontinuïteit ervan door de steeds andere vorm, waarin ze zich voordoet. Net zoals twee verliefde mensen elkaar aantrekken en door deze aantrekking veranderen, zo geeft de menselijke geest zich over aan datgene wat hem overstijgt en verenigt zich daarmee [30].
Vanaf het begin is het dezelfde energie, die de werkelijkheid als geheel voortdrijft, maar de wijze waarop deze zich manifesteert, verandert in de verschillende stadia van de kosmogenese. Gezien vanuit dit aspect duidt Teilhard het totale kosmische proces aan met het woord 'amorisatie' (de verenigende en voltooiende liefdeskracht). Daarom is de liefde de drijvende oerkracht van de kosmogenese. [31]

terug naar de Inhoud

De kosmische Christus
De evoluerende kracht van de kosmogenese 'van onderop' heeft haar tegenpool in een aantrekkingskracht 'van boven'. Teilhard gebruikt daarvoor de term Christus universalis of kosmische Christus, geheel volgens de brief van de apostel Paulus aan de Kolossenzen: "Want in Hem is alles geschapen‚Ķ Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem." (Kol. 1:16). Zonder te letten op andere exegetische interpretaties nam hij dit over zoals hij het in zijn bijbel aantrof; het werd voor hem de kern van zijn wereldbeschouwing.

Door deze twee krachten ontvouwt de kosmos haar dynamiek. In het symbool van de universele Christus uitgedrukt: Christus krijgt door de kosmogenese een kosmische dimensie en de kosmos krijgt een 'christische' dimensie. Dit is het, wat Teilhard met het begrip christogenese tot uitdrukking brengt. Op een plaats spreekt hij zelfs van 'theogenese', dus van een 'wording tot God' van de totale werkelijkheid. [32]

De vraag, wie deze kosmische Christus dan wel was, werd herhaaldelijk aan Teilhard gesteld. Velen waren niet met zijn antwoord tevreden. Maar voor Teilhard stond het vast, dat het daarbij om niemand anders kon gaan dan om de historische Jezus van Nazaret, die hij in zijn kinderjaren door zijn moeder had leren kennen en liefhebben. [33]

terug naar de Inhoud

Het punt-Omega
Om het doel te beschrijven waarnaar de kosmogenese met vallen en opstaan op weg is, gebruikte Teilhard de metafoor 'punt-Omega'. Hij zag het punt-Omega als een centrum van de totale werkelijkheid, die haar doel had bereikt en hij probeerde daarmee ook in gesprek te blijven met mensen van andere geloofsrichtingen en wereldbeschouwingen dan het christendom: "Om zichzelf te zijn moet Omega van nature buiten de tijd en de ruimte staan, die erdoor worden samengebracht. Autonomie, tegenwoordigheid, onherroepelijkheid en in laatste instantie dus transcendentie: dat zijn de vier eigenschappen van Omega." [34 - p. 285)

Omega, de eeuwige verbondenheid, is een verheven bijbelse titel voor Christus in de Openbaring van Johannes (Openb. 21:6). Het punt-Omega is tegelijkertijd het doel, de richting en de drijvende kracht van de evolutie. Teilhard beschreef in zijn hoofdwerk Het verschijnsel mens (p. 312 - Frans: Le Phénomène humain; Duits: Der Mensch im Kosmos) de eenwording van de wereld door God middels Jezus Christus met de volgende woorden: "De wereld scheppen, voltooien en zuiveren, zo lezen we reeds bij Paulus en Johannes, is voor God haar éénmaken door haar organisch met Zich te verenigen.
Hoe maakt Hij één? Door zich gedeeltelijk onder te dompelen in de dingen, door zich 'bouwsteen' te maken en dan vanuit het aldus in het binnenste van de materie gevonden standpunt de leiding en 'de kop' te nemen van wat wij nu de evolutie noemen. De Christus is het universele beginsel van levenskracht; omdat Hij is opgestaan als mens onder de mensen is Hij in de gelegenheid en altijd bezig, om de algemene opstijging der bewustzijns, waarvan Hij zich deel gemaakt heeft, onder zich te buigen, te zuiveren, te richten en overdadig te bezielen." [35]

In het boekje Mijn Universum, dat aan de Unio Creatrix, de eenheid van de schepping, is gewijd, bracht Teilhard Christus nog directer in verband met het punt-Omega: "Omdat Christus Omega is, is het universum fysiek tot in het diepste van de materie doordrongen van de invloed van diens bovenmenselijke natuur." [p. 40 in 36]

Het begrip Omega maakte het voor Teilhard lastig om de dimensie van de persoon te laten meeklinken als doel, waarop de kosmogenese is gericht. Er was hem echter alles aan gelegen om erop te wijzen, dat het doel waarop de kosmosgenese is gericht als iets persoonlijks zal worden begrepen, of beter nog, als een 'bovenpersoonlijke'. Hij wilde aangeven, dat geest voor hem een historisch gegroeide, biologische, ja planetaire grootheid is, een echte vrucht van de kosmogenese en geen buitenkosmisch nevenverschijnsel. Terwijl de geest in de mens persoonsgericht is geworden, moet ook het doel als persoonsgericht worden gezien, en wel als het centrum van alle gecentreerde eenheden.
Teilhard zag de voltooiing van de mens niet in een verdere vervolmaking van de individuen, maar in het uiteindelijke opgaan van de individuen in de gemeenschap.

terug naar de Inhoud

Het kwaad als noodzakelijk gegeven
Men maakt Teilhard vaak het verwijt, dat zijn wereldbeschouwing te optimistisch was en dat hij te weinig aandacht in zijn werk besteedde aan het kwaad. Teilhard zelf zag dat anders. In zijn kosmos, die zich met vallen en opstaan ontwikkelt, is het kwaad steeds aanwezig. Onder het kwaad verstond hij alles, wat de toenemende convergentie in de weg stond. Het kwaad is een ondermijnende kracht.
Als zodanig vertoont het kwaad zich in de kosmogenese op velerlei wijze. Het verschijnt als het euvel van de wanorde en van de mislukking. Ook het verval in de betekenis van toenemende entropie is een kwaad en desalniettemin is het noodzakelijk voor de verdere ontwikkeling. Dat is de onvermijdelijke keerzijde van de gehele kosmogenese: dat deze een zekere mate van 'afval, resp. terugval' accepteert.
"Disharmoniën of fysiek verval in de stadia die voorafgaan aan het leven, het lijden bij de levende soorten, de zonde in het bereik van de vrijheid: niets van hetgeen bezig is zich te ordenen valt op enig niveau te ontkomen aan wanorde." [p. 212 - 37]

Teilhard was overtuigd van de noodzakelijkheid van het kwaad, want aangezien de veelheid onderworpen is aan het 'spel der mogelijkheden', moet het kwaad wel temidden van het reusachtige aantal schepselen voorkomen. Met de komst van de mens wordt de kosmogenese het grote waagstuk, aangezien de mens met vrijheid begiftigd is en zijn egocentrische streven naar onafhankelijkheid niet spoort met het doel van de eenheid.
Als het kwaad bijvoorbeeld in de vrijheid van de mens geen plaats zou vinden, dan zou men gerede twijfel mogen hebben aan de vrijheid zelf. Het kwaad is dus een onvermijdelijk bijproduct van een wereld, die op weg is naar eenwording; het is een euvel dat onlosmakelijk is verbonden met de schepping. [Het goddelijk milieu - blz. 80 - 38]

Bij de mens vertoont het kwaad zich tevens in een gevoel van eenzaamheid, van uitgesloten zijn en angst ook vanwege de eigen sterflijkheid. Ook het besef van de onmetelijkheid van het universum kan gezien de eigen kleinheid een gevoel van angst teweegbrengen.

Met het probleem van het kwaad had Teilhard zich al vanaf zijn eerste geschriften beziggehouden en tegen het einde van zijn leven benadrukte hij in een brief aan zijn vriend Henri de Lubac "de steeds grotere betekenis, die het kwaad welbeschouwd in zijn denken inneemt. [...] Hoe meer de mens zich van zijn menszijn bewust wordt, hoe erger wordt het probleem van het kwaad, deste meer ervaart hij het lijfelijk, in al zijn vezels en in zijn geest: het kwaad, dat wij moeten onderkennen en ondergaan." [39]

Zelfs als het einde van de wereld is aangebroken, kan het kwaad zich nog op beslissende wijze doen gelden: "maar het is evenzeer mogelijk, dat het kwaad tegelijk met het goede toeneemt - volgens een wetmatigheid, die zonder uitzondering in het verleden gold - en dat daarvan uiteindelijk een hoogtepunt wordt bereikt, en wel in een bijzondere en nieuwe vorm. [...] De universele liefde zou dan slechts een deel van de noösfeer bezielen en vrijmaken om deze te voltooien - namelijk dat deel, dat zou beslissen om de 'sprong' vanuit zichzelf naar de ander te wagen." [40]

terug naar de Inhoud

Innerlijke groeipijnen
Voor Teilhard zijn de verschillende vormen van de menselijke verdraagzaamheid en toewijding een eerste vereiste om het Rijk Gods te betreden. De verdraagzaamheid bepaalt ons hele leven; ze speelt een rol in de helft van het menselijk bestaan: "Aan de ene kant zijn er de vriendelijke en stimulerende krachten, die onze inspanningen ondersteunen en ons succes brengen: ze bewerkstelligen het ondergaan van de groei. Aan de andere kant zijn er de vijandelijke machten, die op pijnlijke wijze al onze pogingen dwarszitten, die onze weg omhoog naar 'meerzijn' bemoeilijken of afbuigen en onze echte of vermeende vermogens tot verdere ontwikkeling verkleinen: ze bewerkstelligen het ondergaan van de vermindering." [41]

Ook bij de groei van de hele wereld is het lijden onvermijdelijk. Zoals de groei op psychisch en geestelijk vlak bij de mens gepaard gaat met pijnen, zo is ook het eenwordingsproces van de totale mensheid in hoge mate doortrokken van leed. Hoe inspirerend de behaalde eenwording is, zo moeizaam en smartelijk is de weg naar de voltrekking ervan. Teilhard noemt drie redenen, die het proces van eenwording zo pijnlijk doen zijn: Deze ontwikkeling "heeft de veelheid als basis [...], vervolgt haar baan door differentiatie [...] en leidt tot metamorfoses." [42]

De veelheid is een kwaad, omdat deze de verenigende bedoeling van de 'amorisatie' in de weg staat. Hoe duidelijker het individualisme in een mens naar voren komt, deste meer voelen de anderen zich in hun vrijheid beperkt. Anderzijds beleeft iedere mens voor zich de veelheid als afgescheidenheid van de anderen. Om ervoor te zorgen dat de mens een eenheid met anderen kan gaan vormen, dient hij te leren loslaten. Zonder de bereidheid om van iets af te zien en zichzelf te geven, is vereniging niet mogelijk. Nooit echter zijn verandering en overgave bij de mens vrij van pijn. [43]

In de loop van zijn ontwikkeling tot volledig mens bereikt de mens een grens, die hij slechts kan overschrijden door een totale verandering. Zijn uiteindelijke voltooiing gaat gepaard met een metamorfose (Teilhard gebruikt hier ook het begrip transfiguratie). In deze metamorfose ziet Teilhard het kritieke punt, waar de mensen als individu overheen moeten komen. Ze kunnen zich echter ook aan deze metamorfose onttrekken. In de afwijzing ervan ligt voor Teilhard het morele kwaad besloten, de menselijke schuld, de zonde op het vlak van de vrijheid. [44]

terug naar de Inhoud

De nieuwe, innerlijke zintuigen
Wil men een goed begrip krijgen van de wereldbeschouwing van Teilhard, dan is het belangrijk om zich rekenschap te geven van de door hem geïntroduceerde 'innerlijke zintuigen'. Dat deze niet werden onderkend, is volgens Giulio Haas een van de voornaamste redenen, waarom Teilhard steeds weer gestuit is op afwijzing.

Fysiologische zintuigen zijn bij levende wezens de mogelijkheid met behulp waarvan de verschijnselen van de tastbare wereld rechtstreeks en aanschouwelijk kunnen worden waargenomen. Teilhard sluit bij dit fysiologische begrip aan, maar breidt het uit tot het leven van de psyche en de geest. Volgens Teilhard heeft de mens ook zintuigen nodig, die het voor hem mogelijk maken, de verschijnselen van de gehele werkelijkheid in zich op te nemen en zo het hele spectrum van het zijn te kunnen ervaren [waarnemen].
Teilhard spreekt over een zintuig voor de onmetelijke ruimte en van een zintuig voor de diepte van de tijd. Daaronder verstaat hij het bewustzijn voor het getal, voor de afmeting (proportie), de dualiteit, voor het nieuwe, de beweging en het organische. [45]
Giulio Haas noemt deze zintuigen de logosfuncties [denken] van de mens. Even belangrijk zijn de zintuigen met een erosfunctie [voelen]: het gevoel voor evolutie, het gevoel voor de soort, het gevoel voor de aarde alsmede het gevoel voor het geheel; verder het kosmische gevoel, het menselijke gevoel en het christische gevoel. Beide groepen van functies [geestelijke vermogens] vormen tesamen het bewustzijn van de komende mens.

In zijn latere werk Le Cœur de la Matière noemt Teilhard de zin voor het geheel, dus het gevoel voor de volheid [God], de drijvende kracht in zijn leven. [46] Hij is ervan overtuigd, dat hij zonder dit soort gevoel de totale werkelijkheid niet zou hebben kunnen vatten. Hij is er zich dan ook van bewust, dat zijn wereldbeeld niet alleen maar het resultaat is van objectieve feiten, maar ook de vrucht van subjectieve, innerlijke drijfkrachten. Dankzij de nieuwe zintuigen is de mens in staat zich een denkbeeld te vormen van het proces van kosmogenese in zijn voltooiing, zijn volheid, zijn pleroma (vgl. Kol. 2:9). Daardoor kan de mens zich met het universum verenigen.

Onder de zin voor de kosmos verstaat Teilhard het gevoel van verwantschap van de menselijke werkelijkheid met het evolutieve en uiteindelijk personale universum: "In een personaal universum vindt [...] de kosmische zin direct zijn natuurliijke plaats: deze vormt het min of meer vage bewustzijn, dat ieder van ons bij het denken over de eenheid krijgt, waarin hij zich met alle anderen verbindt." [47]

De menselijke zin op zijn beurt is voor Teilhard een wederzijdse aantrekkingskracht, die over het totale gebied van de noösfeer voelbaar is. [48] Het moeilijkst te vatten is de christische zin. 'Christisch' is een neologisme, dat Teilhard vormde als tegenhanger van het woord 'kosmisch'. Zoals hij in Le Cœur de la Matière uiteenzet, had hij er zijn hele leven voor nodig om de christische zin te vatten en deze samen met de kosmische zin en de menselijke zin in zijn wereldvisie te incorporeren.

terug naar de Inhoud

De visioenen van Christus
Gedurende de Eerste Wereldoorlog had Teilhard aan het front verschillende numineuze visoenen, waarin hij de kosmische Christus mocht aanschouwen. Zij waren bepalend voor zijn wereldvisie. Daarvan gaf hij in zijn autobiografische essay Le Cœur de la Matière een uitvoerige beschrijving.
De beelden die zijn visioenen veroorzaakten, hadden voornamelijk betrekking op katholieke symbolen: het hart van Jezus, de monstrans, de hostie enz. Doordat hij de visioenen kreeg middels religieuze symbolen werd het hem mogelijk om het kosmische en het christelijke vereend te beleven. Door deze voelde hij zich geroepen actief deel te nemen aan het proces van de 'vergoddelijking' van de kosmos en de 'kosmisering' van God. Voor de psychotherapeut en theoloog Giulio Haas vinden deze visioenen hun oorsprong in archetypen uit het collectieve onbewuste (zie: C.G.Jung), die door de buitengewone situatie aan het front tijdens de oorlog opdoken.

Voor Teilhard is de mystiek 'de moeder van alle wetenschappen'. Zij is de wetenschap en de kunst met een hoofdletter, de enige macht, die in staat is om alle schatten, die door andere vormen van menselijke bedrijvigheid zijn verzameld, tot een synthese te brengen. Daarom moet de 'mystieke bevlogenheid' (la vibration mystique) in zijn ogen beslist niet los worden gezien van de 'wetenschappelijke bevlogenheid' (la vibration scientifique). [49]

terug naar de Inhoud


Vragen en antwoorden

Bewustzijn - Heeft ook de levenloze materie bij Teilhard een bewustzijn?
Teilhard reikt een integratief voorstel aan voor de oplossing van het vraagstuk betreffende lichaam en ziel. Hij gaat er namelijk vanuit, dat zich in alle fysieke verschijnselen geestelijke eigenschappen bevinden. De materie moet volgens hem om 'geest' voort te kunnen brengen reeds in haar oorspronkelijke vorm bezield geweest zijn. Ze zou zich via het proces van evolutie tenslotte in het bewustzijn van de mens van zichzelf bewust geworden zijn.
Teilhard beweert evenwel niet, dat levenloze dingen bewustzijn hebben en bijvoorbeeld pijn kunnen lijden. Veeleer gaat hij ervan uit, dat er bij de levende wezens getrapte vormen van bewuste geestkracht voorkomen. Slechts wanneer een soort in fysiek opzicht complex genoeg is, kan ook de geestelijke kant daarin complexe vormen aannemen. [50]

Het 'goddelijk milieu' - Wat verstaat Teilhard onder 'het goddelijk milieu'?
Teilhard legt een scheiding tussen de gevallen aardse werkelijkheid van onze wereld en de 'bovennatuur' (oftewel 'het goddelijk milieu'). Het goddelijk milieu is het stralingsveld van de goddelijke aanwezigheid alom in de wereld [de geestelijke wereld], dat slechts voor het gelovige bewustzijn toegankelijk is en dat voor Teilhard 'een overal plaatsvindende manifestatie van de wording van Christus' vormt.
Dit stralingsveld is zowel een centrum, dat "in zich alles en allen verenigt en voltooit" als een milieu, waarop de tegenwoordigheid van Christus afstraalt en "waarin wij leven, ons bewegen en zijn". De wereld krijgt door het goddelijk milieu uitzicht op God en op Christus, en de dingen, gebeurtenissen, menselijke relaties worden "sacramenteel" van karakter. Het goddelijk milieu lijkt op het Rijk Gods van het evangelie en brengt schijnbaar controversiële eigenschappen met elkaar in harmonie: universaliteit en personaliteit, immanentie en transcendentie, onvergelijkbare nabijheid en ongrijpbare oneindigheid. [51] [de geestelijke wereld]

Het pleroma - Waar komt het begrip 'pleroma' vandaan?
Teilhard wordt ook wel een 'stille aanhanger van de gnostiek' genoemd, bijvoorbeeld vanwege zijn 'gevoel voor het pleroma'. Dit begrip had in de christelijke gnostiek vooral bij de Valentianen betekenis gekregen, waar het de volmaakte wereld van de geest als oorsprong en doel van de schepping aangaf. Volgens het Nieuwe Theologische Woordenboek van Herbert Vorgrimler is pleroma evenwel "een vaag begrip, dat waarschijnlijk niet teruggaat op de gnostiek en dat de 'volheid' van het bestaan van God of van zijn genade aanduidt en dat ook christologisch en kosmisch-ecclesiologisch wordt gebruikt." (vgl. Kol. 1,19; 2,9; Ef. 1,23; 3,19; 4,13)

Opstanding - Wat betekent voor Teilhard de opstanding van Christus?
De opstanding is bij Teilhard in tweeërlei opzicht een belangrijk thema: de opstanding van Jezus als deel van het verlossingsverhaal in het geloof van Teilhard staat de waarheid van de gebeurtenis met Pasen centraal. De overwinning op de dood betekent het begin van de eindtijd: in en door Christus begint een nieuwe mensheid, ja een nieuwe schepping (vgl. Rom. 6:3-14). Teilhard gebruikt daarvoor ook begrippen als 'metamorfose', 'transformatie' of 'transfiguratie': "Christus heeft de dood overwonnen, niet alleen door het kwaad ervan te bestraffen, maar ook door zijn prikkel om te keren. Uit kracht van de opstanding is niets meer noodzakelijkerwijs dodelijk." (Het goddelijk milieu, p. 54)

Anderzijds wordt in de theologische opvatting van Teilhard aan de opstanding van Christus een speciale betekenis toegekend. Ze krijgt daarin een kosmische dimensie voor de gehele mensheid: De opstanding leidt tot voltooiing van Gods plan tot heil van de wereld en de mensheid. Alles wat er tot aan het punt-Omega gebeurt, is de voltrekking en onthulling van hetgeen met de opstanding werd ingezet. De opgestane Christus wordt zo het universele centrum van alles wat in de kosmos en de mensheid gebeurt. Hij is werkzaam in het centrum en op het hoogtepunt van de schepping en leidt deze naar zijn voltooiing. (vgl. het hoofdstuk "De bezieling van de wereld door de universele Christus" in Mijn universum, p. 45 ff.)

Pantheïsme - Kan men Teilhard zien als een pantheïst?
De werkzaamheid van God in de schepping ziet Teilhard eerder als pan-entheïstisch, d.w.z. "God is immanent aan (aanwezig in) de wereld en tegelijk aan haar transcendent (deze overstijgend), waarbij de wereld van haar kant aan God immanent, in God aanwezig, is of door God wordt omvat." (1 Kor. 15:28). Het pantheïsme daarentegen vereenzelvigt God met de kosmos en de natuur, zij zijn één. Een almachtige God als persoon is in dit godsbeeld niet aanwezig.

Het doel van de evolutie (zie Theodor Frey: Vom offenen Geheimnis, 2005)
Men krijgt bij Teilhard de indruk alsof de evolutie noodzakelijk en wetmatig op weg is naar het punt-Omega. Staat Teilhard daarvoor dan garant? Hangt het niet evenzeer af van de mate, waarin de mens gebruik maakt van zijn vrijheid?
Zeker, Teilhard zegt: "De mens is onvervangbaar. Ondanks de onwaarschijnlijkheid van zijn vooruitzichten moet hij zijn doel bereiken; niet noodzakelijk, maar toch, het kan niet missen."
Desondanks kent hij ook het gevaar van de ontmoediging en de wanhoop. De ontmoediging is het grote risico in de menselijke evolutie, de basis voor alle verleiding. Teilhard heeft deze vaak en met felheid bezworen. Hij heeft zelf de prikkel ervan gevoeld en deze met veel moeite steeds weer het zwijgen weten op te leggen: "Geen druk van buiten, ook al is die nog zo sterk, zal het de mens kunnen beletten het werk neer te leggen, [...] als hij onverhoopt zijn interesse heeft verloren in of wanhoopt aan de beweging, die hem oproept verder te gaan." [52]

terug naar de Inhoud

Invloed
Het wereldhistorische optimisme van Teilhard vond in de jaren zestig van de vorige eeuw veel weerklank. De filosoof, theoloog en vertaler van Teilhards werk Karl Schmitz-Moormann schreef omstreeks 1964: "Er is nauwelijks een schrijver te vinden, die in de 20ste eeuw wereldwijd zoveel geestdrift heeft losgemaakt en tegelijk zoveel verbitterde weerstand heeft ondervonden als Pierre Teilhard de Chardin. Het eerste van hem in Frankrijk gepubliceerde werk Le Phénomène humain (Ned. Het verschijnsel mens [1958]; Duits: Die Welt im Kosmos [1959]) is een bestseller geworden. En dat terwijl het alles behalve makkelijke lectuur is." [53]
Schmitz-Moormann verklaarde deze weerklank, die alle grenzen van wereldbeschouwingen doorbrak, vanuit de poging van Teilhard om vanuit het denken het christelijke geloof te verbinden met het nieuwe inzicht op de evolutie van kosmos en wereld, dat (toen) in brede kringen van het volk verbreid was. [54]

terug naar de Inhoud

Verschillen in interpretatie
Henri de Lubac, die als theoloog deelnam aan het Tweede Vaticaanse Concilie (van 1962-1965), zette zich met kracht in voor de vrije discussie over Teilhards denkbeelden. Volgens De Lubac heeft Teilhard nooit getracht om zijn visioenen in hun totaliteit maatgevend of zelfs maar verdedigbaar voor te stellen.
Strikt genomen onttrekt zich de door Teilhard voorgelegde wereldvisie aan een nauwkeurige theologische beoordeling. Derhalve konden uit zijn volledig œuvre ook geen afzonderlijke lessen worden getrokken of stellingen worden veroordeeld. Het moet echter worden toegegeven, dat de congregatie van het Heilig Officium, de opperste instantie van de Roomse Kerk die is ingesteld om dogma's te beoordelen, terecht daartegen heeft gewaarschuwd. [55]

Volgens een andere interpretatie ging het bij Teilhards inspanningen om "de groots opgezette poging de natuurwetenschappelijke evolutietheorie te verzoenen met de dogma's van de kerk, teneinde het Vaticaan een nieuwe spectaculaire nederlaag te besparen, zoals Rome deze moest ondergaan in de strijd tegen Copernicus en Galilei." [56] Er waren in de jaren 60 van de vorige eeuw ook theologen, die Teilhard verantwoordelijk hielden voor de toenmalige crisis van het christendom. (zie verder 'punten van theologische kritiek')

Twintig jaar later stelde de theoloog Thomas Becker vast: "In de eerste jaren (vanaf 1955-1965) werd het werk van Teilhard vooral met gloeiend enthousiasme, maar ook felle afwijzingen ontvangen. Vooral zijn denken over geest en materie trok de aandacht. Het behoort tot de meest omstreden thema's in het werk van Teilhard, dat vanaf 1955 postuum werd uitgegeven. [...] Door de eenzijdige en overhaaste conclusies in de interpretaties van het eerste decennium ontstonden in die tijd maar weinig werken die een evenwichtig beeld overbrachten. Totaal verschillende benaderingen veroorzaakten een groot verschil in de kwaliteit van deze beschrijvingen."

Juist bij de beschrijving van hetgeen geest en materie onderscheidt en verbindt, aldus Becker, ontstaat vanwege de vaagheid van deze begrippen, waaraan elke denker een eigen inhoud geeft, de noodzaak alle facetten van de daarin uitgedrukte werkelijkheid bij een denker grondig te bestuderen. Dit is een bewustwordingsproces, dat volgens hem nooit kan worden afgesloten. [57]

Over de blijvende betekenis van Teilhard liepen de meningen in de eerste fase van de beoordeling sterk uiteen. Sommigen waren van mening, dat het fenomeen-Teilhard slechts van voorbijgaande aard was geweest: "Na het verstommen van de geweldige 'hype rond Teilhard' ging de serieuze theologie vanaf 1970 weer over tot haar eigen taken." [58]

Anderen zagen in Teilhard de gebeurtenis van de eeuw, vergelijkbaar met de invloed van iemand als Thomas van Aquino. Zo werd het eerste hoofdwerk van Teilhard door het dagblad DIE WELT uit Hamburg aangekondigd met de volgende woorden: "Het behoort qua belangrijkheid tot de boeken, zoals die maar één keer in de honderd jaar geschreven worden. Er zal een tijd komen - wij durven dat gerust te voorspellen - waarin men Teilhard de Chardin in één adem zal noemen met Descartes, Hegel, Kant, Darwin en Einstein." [59]

terug naar de Inhoud

De weerklank van Teilhard in de New-Age-beweging
Een vorm van Teilhard-herleving veroorzaakten de toonaangevende schrijvers van de New-Age-beweging, nadat Marilyn Ferguson (The Aquarian Conspiracy, 1980) en Fritjof Capra (Het keerpunt, 1982) Teilhard als de belangrijkste getuige van een humane, planetaire 'samenzwering' hadden benoemd. En inderdaad, er zijn wezenlijke overeenstemmingen vast te stellen:
- een spirituele 'wereldbeschouwing', de de aarde en de kosmos in hun eindeloze wisselwerkingen systeemtheoretisch ('holistisch') wil duiden;
- de prognose van een opkomend 'planetair bewustzijn', waarvan de positieve krachten in staat zullen zijn om de menselijke samenleving en alle levende wezens tot een proces van vereniging te bewegen;
- een nieuwe, positieve waardering van de vrouwelijke dimensie van de menselijke geest.

Er zijn echter ook aanzienlijke verschillen met het wereldbeeld van Teilhard. Deze zijn uitgewerkt door Thomas Broch en Josef Sudbrack, die Teilhard in bescherming nemen tegen onjuiste claims van die kant. (meer daarover vindt u in het Teilhard-Forum van Ludwig Ebersberger, zie weblink.)

terug naar de Inhoud

Jongere uitgaven
Tot de meer recente uitgaven van de werken over Teilhard in het Duitse taalgebied horen de boeken van de Teilhardkenner Ludwig Ebersberger. In zijn eerste boek Der Mensch und seine Zukunft uit 1990 geeft Ebersberger een overzicht over de lange weg van emancipatie van het menselijk denken over de verschillende trappen van bewustzijn tot aan de grote perioden van doorbraak in de 20ste eeuw. Deze werden ingeluid door de nieuwe natuurwetenschappen en hebben geleid tot een ander wereldbeeld. Volgens Ebersberger doen wij er het beste aan op onze weg naar de toekomst uit te gaan van Teilhards inzichten "waarmee hij niet alleen zijn eigen tijd, maar ook de onze ver vooruit geweest is en die hem tot de eerste burger van het komende tijdperk maakten". [60]

Ook het tweede boek van Ebersberger: Glaubenskrise und Menschheitskrise (2001) gaat uit van de spiritualiteit van Teilhard. Hij bespreekt daarin de radikale veranderingen in onze kijk op de wereld en het bestaan bij alle wetenschapsgebieden en levensvormen, die onze toekomst mogelijk moeten maken.
Ebersberger is bovendien van mening, dat men Teilhard volslagen ten onrechte een levenslang publicatieverbod oplegde. Volgens hem heeft Teilhard aangetoond, dat het mogelijk is om overgeleverde geloofstradities te vertalen naar de nieuwe denk- en belevingsvormen "zonder er ook maar iets van waarde door prijs te geven - men was niet in staat, om hem ook maar met één zin in zijn werk van 'ketterse' opvattingen te beschuldigen." [61]

terug naar de Inhoud

Een poging tot vertalen
Een bijdrage tot de verdere ontwikkeling en vertaling van Teilhards ideeën komt van de katholieke kloosterlinge en zenmeesteres Pia Gyger. Samen met Maria-Christina Eggers heeft zij een "christelijke inwijdingsweg voor onze tijd" geconcipieerd. [62]

Op het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw al heeft Pia Gyger de oecumenische en interreligieuze Katharina-Gemeenschap in Bazel volgens de spiritualiteit van Teilhard opgezet. De theologe Ursula King beschrijft deze gemeenschap in 1993 als volgt: "Hier ervoer ik heel concreet, hoe het christelijke geloof in onze tijd op creatieve wijze kan worden beleefd en gevormd. Hier voelde ik, hoe het dynamische en mystieke Christusbeeld van de Franse denker Teilhard de Chardin met belangrijke inzichten van Oosterse zen-meditatie geslaagd werd verbonden [...], een spiritualiteit, die zowel in het persoonlijke leven, als in de maatschappij en politiek haar vruchten afwerpt - een geest van verzoening, eenheid en liefde [...]" [63]

Bij een volgend boek van Pia Gyger schrijft Ervin László, een bekende filosoof en lid van de Club van Rome: "Er zijn boeken die een tijdloze wijsheid uitdrukken en die ons juist daarmee motiveren tijdig en adequaat te handelen. Pia Geiger heeft zo'n boek geschreven. Haar kernboodschap is eenvoudig, diepzinnig en actueel: Wij staan voor een kosmische verandering en ons is gevraagd, het beste van onszelf te geven." [64]

(Een uitvoerig werk uit theologisch gezichtspunt over de weerklank die Teilhard vond in het Duitse taalgebied heeft Gerhard H. Sitzmann geschreven op de website van de Duitse Teilhard de Chardin-Vereniging, zie de weblink)

De overige invloeden en eerbewijzen
Het werk van Teilhard levert tot dusverre een keur aan wetenschappeliijke, culturele en artistieke uitingen op. Zo zijn er in Frankrijk tientallen straten, pleinen enz. die zijn naam dragen. Tevens dragen gymnasia en collegezalen zijn naam. Ook in het Duitse Saargebied is er een Teilhard de Chardin-Allee.

terug naar de Inhoud

Teilhard-Organisaties
In 1965 werd in Parijs de Fondation Teilhard de Chardin opgericht. Zij werd ondergebracht bij het Musée national d'histoire naturelle. Er zijn verenigingen in diverse landen die zijn naam dragen. De Duitse vereniging in München heeft onder andere het tijdschrift Acta Teilhardiana uitgegeven (zie de weblink). Ook zijn er veel studie en leesgroepen onder zijn naam. Teilhard-specialisten zoals P. Richard Brüchsel sj. hebben decennialkang in hun cursussen honderden deelnemers met de spiritualiteit van Teilhard bekend gemaakt.

terug naar de Inhoud

Wetenschap
Theodosius Dobzhansky, een van de belangrijkste evolutiebiologen van de 20ste eeuw, die mede aan de wieg stond van de synthetische evolutietheorie, wijdde aan Teilhard het essay Niets in de biologie heeft zin, behalve in het licht van de evolutie. Vermeldenswaard is ook, dat zeven uitgestorven primaten, die in het Eoceen in Noord-Amerika, Europa en Azië voorkwamen, de soortnaam Teilhardina kregen.

terug naar de Inhoud

Literatuur
De bestseller van Morris West In de schoenen van de visser (1963) werd in 1968 verfilmd met Oskar Werner in de rol van de twijfelende pater David Télémond, alias Teilhard. De titel van de bundel korte verhalen Alles wat groeit, moet samenkomen van Flannery O'Connor uit 1965 is een verwijzing naar het werk van Teilhard. In verscheidene sciencefiction-romans wordt aan Teilhard gerefereerd, bijvoorbeeld in De bloedmuziek van Greg Bear (1985/88), in Le successeur de pierre van Jean-Michel Truong (1999), in Het licht uit vervlogen dagen van Arthur C. Clarke en Stephen Baxter (2001).

In de 1400 bladzijden tellende dubbelroman Die Hyperion-Gesänge (1989-1997, Duits 2002) van Dan Simmons wordt Teilhard in de verre toekomst heilig verklaard. Een door hem geïnspireerde priester en antropoloog, Paul Duré, wordt later paus en neemt dan de naam Teilhard als pausnaam aan.

Teilhard werd in het toneelstuk Fake van Eric Simonson opgenomen en 2009 in een stuk van het theatergezelschap Steppenwolf uit Chicago. Robert Wright nam in zijn boek Nonzero, De logica van het menselijk lot (2001) de stelling van Teilhard op, dat de biologische en culturele evolutie mogelijk doelgericht is. De Amerikaanse schrijver Don DeLillo ontleende in de roman Punkt Omega (2010) de titel en enkele andere ideeën aan Teilhard de Chardin.

terug naar de Inhoud

Kunst
De Italiaans-Amerikaanse architect Paolo Soleri (Arcosanti, gesticht in 1970) werd sterk beïnvloed door Teilhard de Chardin. Zoals te lezen valt in het Engelstalige Wikipedia-artikel heeft Teilhard vooral Amerikaanse beeldhouw(st)ers tot hun werken geïspireerd; zij beelden Teilhard zelf of een van zijn ideeën uit. In de eerste plaats moet daarbij Lucile Swan genoemd worden, met wie hij jarenlang een vriendschappelijke briefwisseling onderhield. Uit het Duitse taalgebied moet vervolgens de kunstschilderes Maria Hafner [65] worden genoemd, die een aantal afbeeldingen bij motieven van Teilhard heeft gemaakt.
Tevens zijn er verscheidene muziekstukken als eerbetoon aan Teilhard ontstaan, zoals de Sinfonie Nr. 8 van Edmund Rubbra (1968) en de muziek-cd Le Cœur de la matière von Matthias Müller. Verder moeten hier met betrekking tot Teilhard de volgende musici worden genoemd: André Jolivet, Tina Davidson, Georges Lentz - meer over hen is te vinden op de website van Theodor Frey onder Teilhardkunst (zie de weblink)

terug naar de Inhoud


Kritiek

Dit hoofdstuk belicht de negative weerklank op het werk van Pierre Teilhard de Chardin
De doorbraak van Teilhard in het denken stuitte bij conservatief ingestelde kerkgangers en wetenschappers op verzet. Uit de levensloop van Teilhard blijkt hoezeer hij leed onder verwijten en publicatieverboden, uitsluiting en verbanning. Maar de voornaamste aanvallen vonden pas na zijn dood plaats, toen zijn geschriften gepublceerd konden worden. En deze omvatten niet alleen maar kritiek uit theologische kringen, maar ook uit filosofische, natuurwetenschappelijke en taalkundige hoek. De invoering van nieuwe zintuigen door Teilhard, zoals "de zin voor het geheel", leverde hem bij voorbeeld van de kant van de natuurwetenschap het verwijt op, dat hij te weinig objectief was, te onwetenschappelijk. De traditionele theologie veroordeelde hem als patheïst en verkapte aanhanger van de gnostiek vanwege zijn denken over schepping en evolutie in termen van eenheid.

Theologische punten van kritiek
Reeds tijdens zijn studie theologie kreeg Teilhard problemen met de Kerk vanwege zijn opvatting over het ontstaan van de mens (zie daarvoor 'Evolutie en schepping'). Paus Pius XII had nog in 1950 in zijn encycliek Humani generis (Over het ontstaan van de mens) uitdrukkelijk de bijbelse legende volgens welke de mensheid afstamt van een in zonde gevallen oervader, Adam, onaantastbaar genoemd. Tegen deze bijbelse afstammingslegende in beweerde de natuurkundig geschoolde Teilhard: "In de ogen van de wetenschap, die van een afstand slechts totaliteiten waarneemt, is de eerste mens een verzameling en kan deze niets anders zijn."

Ook voor Teilhard was de antropogenese nog niet afgesloten. Daardoor ging hij in tegen de kerkelijke leer van de erfzonde, aangezien deze "voortkwam uit de zonde, die Adam werkelijk had begaan en die middels de geboorte op iedereen overging, en waarmee iedereen dus afzonderlijk behept is." [66]

terug naar de Inhoud

Het monitum
Nadat Teilhard herhaaldelijk door de superieuren van zijn orde was vermaand, verscheen als uiterste sanctie op 30 juni 1962, zeven jaar na zijn dood, een monitum van het Heilig Officie onder paus Johannes XXIII met de volgende inhoud:
"Er worden heel wat werken van Teilhard de Chardin verbreid, die ook pas na zijn dood zijn verschenen en die een niet geringe weerklank vinden. Zonder dat wij een oordeel willen vellen over al datgene, wat tot de positieve wetenschappen (de natuurwetenschap) behoort, is het ons volstrekt duidelijk, dat de genoemde werken op filosofisch en theologisch gebied aan dermate grote dubbelzinnigheden en dwalingen lijden, dat zij afbreuk doen aan de katholieke leer. Daarom manen hunne eminenties, de eerbiedwaardigste vaders van de Opperste Heilige Congregatie van het Heilig Officie, alle opperherders en zeker ook alle oversten van orden, leiders van seminaria en rectoren van de universiteiten, dat zij de geest van vooral de jonge mensen beschermen tegen de gevaren van de werken van Pierre Teilhard de Chardin en zijn aanhangers. Gegeven te Rome, vanuit het Heilig Officie, 30 juni 1962, Sebastian Masale, notaris." (Zie: Osservatore Romano d.d. 30-6-1962, kolom notre informazioni)" [67]

In datzelfde jaar verbood een decreet van de congregatie in Rome voor de seminaria en hogescholen het lezen van de werken van Teilhard. En een jaar later verordende het vicariaat van het diocees Rome uit naam van paus Paulus VI, dat de geschriften van Teilhard, die nog in omloop waren, uit de roulatie moesten worden genomen, daar ze weleens een gevaar zouden kunnen vormen voor de leer van de Kerk. Bovendien werd in een brief van de congregatie van het Heilig Officie in november 1967 opdracht gegeven, de werken van Teilhard uit de katholieke boekwinkels en uit de bibliotheken van religieuze instellingen te doen verwijderen. (In dezelfde tijd, van 1962-1965, vond het Tweede Vaticaanse Concilie plaats.)

terug naar de Inhoud

Kritiek vanuit de theologie
Een van de theologen die zich diepgaand met de geschriften van Teilhard hadden beziggehouden, was de christelijke filosoof en bekeerling Hans-Eduard Hengstenberg. In zijn eerste boek Evolution und Schöpfung [vert. Schepping en evolutie] uit 1963 verweet hij Teilhard nog de "ondermijning van alle leerstellingen en principes" en schreef samenvattend: "Zulke zinnen hadden in het Westen nooit geschreven mogen worden." [68]

Een paar jaar later oordeelde Hengstenberg in zijn tweede boek Mensch und Materie (vert. Mens en stof) meer gedifferentieerd: "Het lijdt geen twijfel, dat er bij Teilhard de Chardin waardevolle ideeën, vooral in religieus-ascetisch opzicht, te vinden zijn. Men zal zijn boek Het goddelijk milieu niet lezen zonder erdoor te worden geraakt. Maar deze positieve momenten vallen iemand pas ten deel en worden pas vruchtbaar, als men ze los ziet van het systeem van Teilhard en zijn evolutionistische categorieën, die een vertekend beeld geven van de werkelijkheid." [69]

Ergens anders schrijft Hengstenberg: "Laten we wel zijn, het is natuurlijk niet zo dat we Teilhard verwijten, dat hij God helemaal als schepper betrekt bij de ontologische interpretatie van de evolutie (daarover zijn we het eens), maar veeleer dat hij hem als 'deus ex machina' ter verklaring van onverklaarde zaken opvoert, dat hij hem reduceert tot de 'categorie-Omega'. [70] Ook kan niet worden ontkend, dat Teilhard de christologie zozeer verandert, dat ze gaat passen in het schema van de evolutie, van de voortschrijdende complexificatie en kosmische vergeestelijking. [...] Het is absoluut niet uit de lucht gegrepen, als Hans Urs van Balthasar zegt: Het onverteerbare aan het ontwerp van Teilhard is echter, dat hij het bestaat dit mysterie van de zichzelf vernietigende liefde Gods te verdisconteren in zijn biologische alomvattende energetica (krachtenveldleer)." [71]

Ook met betrekking tot de menselijke vrijheid was de kritiek van Hengstenberg vernietigend: "Van de conflicten met de werkelijkheid, waarin het transformistische evolutionisme terechtkomt, is het conflict met de keuzevrijheid bijzonder duidelijk. Dat blijkt uit het systeem van Teilhard de Chardin. [...] Ofwel men moet vasthouden aan de onomkeerbaarheid van de evolutie en van haar transformisme en afzien van de daarin opgesloten feilbare keuzevrijheid, ofwel men houdt vast aan de indeterministische 'keuze' en laat de onomkeerbaarheid van de transformistische weg omhoog vallen. In beide gevallen echter klapt het systeem van Teilhard volledig in elkaar." [72]

Voor de filosoof Dietrich von Hildebrand (zie ook onder 'filosofische punten van kritiek') was Teilhard "het paard van Troje in de stad Gods" (1968), een "aartsketter" (1972); hij had graag gewild, dat "het grote woord 'anathema sit' ('vervloekt zij hij!') opnieuw zou klinken. (Dat was de gangbare uitspraak voor ketters van de katholieke inquisitieleden, waarna de excommunicatie plaatsvond.) [73]

terug naar de Inhoud

Het teilhardisme en andere -ismen
Andere theologische tegenstanders verweten Teilhard diens eclecticisme (vermenging van theorieën) en titanisme (verzet tegen de macht van de Roomse Kerk). Weer anderen betichtten hem van progressisme, neomodernisme, panevolutionisme, pantheïsme, relativisme, maar ook van een superieure en aanmatigende houding evenals van wensdenken met betrekking tot de toekomst.

Onder deze critici nam de theoloog en volkenkundige Albert Drexel een uitzonderlijke plaats in. Hij klaagde in zijn analyse van een ideologie uit 1969 over het geloofsverval na het Tweede Vaticaanse Concilie en zag in het 'teilhardisme' een belangrijke oorzaak van de toenmalige verwarring der geesten en de geloofscrisis binnen de christelijke gemeenschap. Volgens hem werd het "hoog tijd en bittere noodzaak, dat eindelijk in alle duidelijkheid de voornaamste punten en hypotheses in het wereldbeeld van deze natuuronderzoeker naar voren worden gebracht en het dubieuze karakter en de misleidende uitwerking ervan worden aangetoond." [74]

Aan de grote waardering, die Teilhard volgens Drexel ten deel viel heeft "niet in de laatste plaats de grotendeels progressieve katholieke dagbladpers bijgedragen, als we tenminste even afzien van de massamedia." Als "verklaring voor de verspreiding van de Teilhards opvattingen en van een min of meer duidelijk teilhardisme" noemde Drexel de volgende gezichtspunten, stellingen en beweringen van Teilhard:
- de devaluatie en uitschakeling van het bovennatuurlijke;
- de ontkenning van de erfzonde;
- de uitschakeling van het verlossingswerk, van de incarnatie en van het lijden van Jezus;
- de vervalsing van de begrippen 'zonde' en 'religie';
- het losraken van de persoonlijke eeuwige aanschouwing Gods in het hiernamaals;
- de onderdompeling van het individuele bewustzijn in het algemene bewustzijn van "hetgeen de mensheid overstijgt";
- de devaluatie van de christelijke ascese, met name van de voorstelling van het heilige vroeger;
- de gerichtheid van het leven op het hiernumaals en de plaats ervan in het natuurlijke proces van een universele en vergoddelijkte panevolutie;
- de ingrijpende herdefinitie van het godsbegrip (het 'immanentisme') waarbij automatisch het fundamentele geheim van de drieëenheid (de triniteit) van God wordt verzwegen en/of buiten beschouwing wordt gelaten.

Verder schreef Drexel, dat de geloofscrisis binnen het christendom evenals vooral de toenemende onzekerheid en verwarring bij de gelovigen van de rooms-katholieke Kerk in grote mate was toe te schrijven aan de invloed van het teilhardisme, doordat Teilhard de mysteries van het katholieke geloof, van het wonder, de genade en het kruis met zijn nieuwe interpretatie van de schepping had afgewezen: "De vaagheden, herinterpretaties en het geloof ondermijnende formuleringen die het hele modernisme en postmodernisme kenmerken, zijn in belangrijke mate en ten dele bewust en uitdrukkelijk terug te voeren op Teilhard de Chardin."

Zo gezien is de ideologie van Teilhard niet alleen niet zaligmakend, maar is deze uiteindelijk en in haar uitwerking vernietigend en verwarrend voor het op de bijbelse geschiedenis berustende christendom in het algemeen en in het bijzonder voor het gedachtegoed en het geloofsleven van de Kerk van Rome: "Heeft hij er een idee van gehad, hoezeer brede kringen van mensen met een wat lagere ontwikkeling en zwak geloof, evenals theologen en intellectuelen, die aan het twijfelen waren geraakt over die eeuwige dogma's, het geloof en het bovennatuurlijke, door zijn hypothese gefascineerd zouden raken? Heeft hij geweten of het zich enigszins kunnen voorstellen, dat alles wat hij leerde en aan meningen uitdroeg eens tot in de catechismus aan toe de gelovigen in verwarring zou brengen en hun waarheid en zekerheid zou bedreigen, verwoesten, ja hun deze in vele gevallen zelfs zou ontnemen?" [75]

terug naar de Inhoud

Kritische geluiden van de laatste tijd
Enkele decennia later spraken andere theologen zich veel gematigder uit en wel alleen over afzonderlijke vraagstukken, zoals de hierboven reeds genoemde Giulio Haas, die van mening was, dat Teilhard het probleem van het kwaad in één opzicht niet had opgelost: "Het gaat om het individuele kwaad. De wereldbeschouwing van Teilhard probeert weliswaar duidelijk te maken, waarom het kwaad in de wereld onvermijdelijk is en daardoor niets afdoet aan God als schepper. Maar zijn visie beantwoordt niet de vraag, waarom juist deze specifieke mens en op deze bijzondere manier door het kwaad wordt bezocht. Hier komt de zwakte van Teilhard het duidelijkst naar voren, namelijk zijn gebrek aan interesse voor het concrete afzonderlijke geval. Hoe zorgvuldig hij ook als paleontoloog elk gevonden voorwerp apart onderzocht en beschreef - het kwam er voor hem toch vooral op aan om het afzonderlijke deel in te passen in het grotere geheel en niet om dit telkens te zien als iets unieks." [76]
Vooraanstaande moderne theologen zoals bijvoorbeeld Hans Küng toonden zich sceptisch tegenover de poging van Teilhard om een theologisch concept als de eindfase-Omega met natuurwetenschappelijke argumenten te kunnen bewijzen. Küng had zelfs een keer Teilhards graf in New York bezocht en het haast niet gevonden, omdat het zo was overwoekerd. Hij noemde Teilhard een van de belangrijkste theologen van zijn tijd en vond het bijzonder erg, dat deze het grootste deel van zijn leven in ballingschap moest doorbrengen, als een door zijn Kerk miskende en als vijand beschouwde ketter. Aan zichzelf stelde hij de eis om "zonder de harmonische vereniging of vermenging van wetenschappelijke gegevens met de resultaten van het bijbelonderzoek de diepere betekenis van het scheppingsgeloof te doorgronden, dat niet in tegenspraak hoeft te zijn met de resultaten van de natuurwetenschappelijke evolutietheorie." [77]

Eugen Drewermann
Eugen Drewermann uitte eveneens zulke bezwaren, waar Teilhard de toenemende complexiteit van de evolutie uitlegt als een doelgerichte ontwikkeling. Volgens hem kon een dergelijke interpretatie van het evolutieproces niet met de feiten worden verenigd. [78]

terug naar de Inhoud

Pogingen tot rehabilitatie
Er zijn steeds opnieuw pogingen ondernomen om Teilhard te rehabiliteren en op zijn juiste waarde te schatten: De Franse conferentie van bisschoppen heeft in 1959 in Marseille een minuut stilte in acht genomen om eer te bewijzen aan "het grootste religieuze genie van de eeuw". [79]

Als een van de eersten ging de toenmalige kardinaal Henri de Lubac in de jaren 1960 in debat met theologen, die kritiek op Teilhard hadden. Hij gaf toe dat Teilhard in enkele van zijn concepten niet erg precies was geweest, maar benadrukte diens trouw aan de opvattingen van zijn Kerk. Volgens Henri de Lubac komt veel van hetgeen critici over Teilhard schrijven voort uit kennis van slechts een deel van zijn werk of uit vooringenomenheid: "Laten we verder geen woorden besteden aan een aantal door emotie verblinde schrijvers, die men slechts lasterlijk kan noemen". Anderen zouden Teilhard hooglijk bewonderen, maar zijn denken onder een hoek plaatsen, vanwaaruit het tot bijzonder veel misverstand kon gaan leiden. [80]

Gerhard H. Sitzmann van de Duitse Teilhard-Vereniging sprak van een koerswijziging in het Vaticaan vanaf 1981: "Met de benoeming van de aartsbisschop Josef kardinaal Ratzinger tot hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer (op 25 november) begon een nieuwe periode van communicatie door de Kerk met de moderne wereld; de maatregelen van de curie tegen Teilhard hielden per direct op; een discursieve stijl in de omgang met de wereldwijde rijkdom van elkaar tegensprekende intellectuele concepten, kreeg de overhand; de Congregatie voor de Geloofsleer (het instituut dat het Heilig Officium opvolgde) bepaalde nu zelf haar standpunt ten aanzien van vakgebieden, respectievelijk op wetenschappelijk niveau en ook de katholieke intellectuelen konden zich in de kerkelijk top eindelijk vertegenwoordigd voelen." [81]

(Volgens kathpedia moet evenwel de encycliek Fides et ratio van 1998 nog als een bedekte afwijzing van belangrijke uitgangspunten van Teilhard worden beschouwd.)

Tijdens de volgende decennia schreven vooraanstaande theologen en kerkleiders, onder wie paus Johannes Paulus II, waarderend over de denkbeelden van Teilhard. Een volledig eerherstel volgde echter niet.

Ter gelegenheid van het 40ste sterfjaar van Teilhard in 1995 vond de generaaloverste van de jezuïeten Peter-Hans Kolvenbach sj., de volgende woorden: "Als men vraagt, waarin de grote betekenis van Teilhards werk bestaat, dan moet het antwoord niet alleen worden gezocht in de bevestiging van de evolutie en van de wereld, ook niet in zijn streven om wetenschap en geloof zonder tegenspraak met elkaar te verenigen, nee het ligt dieper: in de erkenning, dat Christus het middelpunt is van de kosmos, die evolutief op Hem is gericht en in Hem wordt voltooid." [82]

Kardinaal Christoph Schönborn schreef in 2007: "Er is bijna niemand anders die geprobeerd heeft de kennis omtrent Christus en de idee van evolutie tot een synthese te brengen." [83]

In zijn boek De geest der Liturgie uit 2009 noemde paus Benedictus XVI het visioen van Teilhard een testcase voor de katholieke mis. (Deze paus had zich reeds als de jonge theoloog Joseph Ratzinger enthousiast betoond over de christologie van Teilhard.) [84]

De laatste poging tot rehabilitatie komt van Maurizio Gronchi, professor voor christologie aan de theologische faculteit van de pauselijke universiteit in Rome en adviseur van de congregatie voor het geloof. De publicatie ervan vond plaats op 29 december 2013 in de Osservatore Romano en was getiteld: "Ik bestudeer de materie en vind de geest." Volgens Gronchi is Teilhards denken niet ketters, maar vertoont het slechts "enkele zwakheden en moeilijkheden". Van "gevaarlijke dubbelzinnigheden en zwaarwegende vergissingen" is volgens Gronchi geen sprake. Het monitum van 1962 noemde hij "pijnlijk en omstreden".

terug naar de Inhoud

Filosofische punten van kritiek
Dietrich von Hildebrand, een katholieke filosoof en 'kerkleraar van de 20ste eeuw' (zoals paus Pius XII hem noemde) leerde Teilhard in 1951 in New York kennen, waar deze een lezing hield. Hij schreef over deze ontmoeting: "De lezing was een grote teleurstelling, want er bleek een buitengewone filosofische verwarring uit, vooral waar het Teilhards opvatting betrof over de menselijke persoon. Ik wond me destijds echter nog meer op over zijn theologische, primitieve standpunten, aangezien hij het beslissende verschil tussen natuur en bovennatuur volkomen buiten beschouwing liet. [...] Maar pas nadat ik enkele werken van Teilhard had gelezen, werd ik mij er ten volle van bewust hoe rampzalig de conseqenties van zijn filosofische ideeën zijn en dat zijn theologische gevolgtrekking [...] zich absoluut niet verdraagt met de christelijke openbaring en de leer van de kerk." [85]

Bovendien meende Von Hildebrand: "Teilhard is een schrijver, die 'boeit'. Dat is niet goed voor de objectiviteit. Wie over Teilhard nadenkt komt al gauw in een soort 'roes', waardoor hij zijn orientatie verliest." [86]

Hij zegt evenwel ook: "De kritiek ten aanzien van Teilhards werk is tot dusver ook in dier voege gebrekkig, dat het echt positieve bij Teilhard weinig wordt uitgewerkt. Zeker, men dweept met hem en zijn werk wordt verheerlijkt. Maar daarmee is niemand gediend. Wat ontbreekt is gewoon een echte analyse." [87] En verder: "Het valt niet mee om over Teilhard te schrijven. Ik ken geen denker, die zo bedreven van de ene positie in een volgende, tegenovergestelde springt zonder ook maar te merken dat hij een sprong maakt en zonder zich erdoor van de wijs te laten brengen." [88]

Iets milder was het oordeel van de Nederlandse filosoof Bernard Delfgaauw: "Derhalve moet men zeggen, dat de evolutietheorie van Teilhard wel logisch stringent is, maar dat ze met de thans ter beschikking staande middelen in de wetenschap niet kan worden gefalsifieerd. Men kan bewijzen noch weerleggen, dat in de materie, al is het dan slechts in aanleg, een vorm van bewustzijn aanwezig is. Derhalve kan Teilhards theorie vanuit het huidige gezichtspunt niet als een wetenschappelijke theorie worden beschouwd." [89]

terug naar de Inhoud

Natuurwetenschappelijke punten van kritiek
De meeste natuurwetenschappers van naam lieten zich voorzichtig tot buitengewoon kritisch uit over het werk van Teilhard. De Nobel-prijswinnaar Sir Peter Medawar had helemaal niets op met Teilhard. Hij dichtte hem geestelijke verwardheid en een overtrokken wijze van uitdrukking toe, die verdacht veel leek op hysterie. Hij zei over Het verschijnsel mens, dat dit werk in zijn hele opzet onwetenschappelijk was:
"Teilhard bedrijft een niet-exacte vorm van wetenschap en heeft daarin een zeker handigheid bereikt. Hij heeft geen idee, wat een logisch argument behelst en wat een bewijs is. Hij houdt zich bij zijn schrijven niet eens aan de gebruikelijke vormen van wetenschapsbeoefening, hoewel hij zijn boek nadrukkelijk een wetenschappelijke verhandeling noemt. [...] Ik heb het boek van Teilhard werkelijk met kromme tenen, om niet te zeggen, met een gevoel van wanhoop gelezen en doorgewerkt. Inplaats van zich handenwrijvend uit te laten over de menselijke situatie in het algemeen, zouden wij onze aandacht beter kunnen besteden aan hetgeen kan worden hersteld: vooral aan de goedgelovigheid, waarmee de lezers zo'n misleidende voorstelling van zaken voor zoete koek slikken. Als het daarbij zou gaan om een naïeve, passieve goedgelovigheid, kon het er nog mee door, maar het is overduidelijk, dat de mensen bedrogen willen worden." [90]

Meer terughoudend was het oordeel van de evolutiebioloog Edward O. Dodson: "Dat hij een grote christelijke mysticus was, is zeker waar, maar het is wellicht niet eerlijk, hem slechts te bestempelen als tweederangsnatuurwetenschapper, want hij was een van de toonaangevende geologen en paleontologen van zijn tijd."
Maar vervolgens constateerde Dodson ook, dat Teilhard in zijn wetenschappelijk onderzoek niet voldoende gegevens had overgelegd, waarop zijn generaliserende uitspraken gebaseerd waren; en dat zijn overwegingen soms inductief waren en zijn schrijfstijl erg poëtisch was en daarom misleidend of onbegrijpelijk voor hen, die zijn essays als wetenschappelijke geschriften lezen. Hij komt tot de conclusie, dat er iets in het werk overblijft, dat vanuit wetenschappelijk oogpunt bezien niet kan worden gesteund, namelijk de 'binnenkant', het 'collectieve' alsmede het 'punt-Omega'.

De Franse bioloog en filosoof Jean Rostand heeft over het werk van Teilhard het volgende gezegd: "Teilhard is geen bioloog; hij mist daarvoor de opleiding, de kennis en de geest van een bioloog. Hij schenkt systematisch geen aandacht aan de embryologie [...]."

De antroposoof Johannes Hemleben schreef in zijn Teilhard-biografie: "Teilhard verlaat te snel de vaste grond van de natuurwetenschappelijk onderzochte feiten. Onmerkbaar gaat hij over van de wetenschap naar het geloof." [91]

De wetenschapstheoreticus Franz M. Wuketits noemde Teilhard een 'evolutie-mysticus': "Als men meent uit natuurwetenschappelijke verklaringen religieuze waarheden te kunnen afleiden, dan heeft men [...] twee fundamenteel verschillende denkniveaus met elkaar verwisseld. Het resultaat is dan een merkwaardig mengsel van wetenschappelijke theorie en mystiek, en in ieder geval moeilijk te verteren voor iemand, die ook maar volgens enigszins heldere lijnen denkt." [92]

De met Teilhard bevriende bioloog Adolf Portmann uit Basel: "Eén ding maakt het bijzonder lastig om Teilhards werk op zijn juiste waarde te schatten. Het is de innige verbinding, die in alle geschriften het resultaat van het werk te velde van de paleontoloog met het mystiek opgaan in het wonder van het leven tot een eenheid heeft gevormd. [...] De scherpste grens tegenover de uitspraken van Teilhard de Chardin trek ik daar, waar hij door zijn profetische blik wordt gedwongen om dat wat de toekomst brengt als duidelijke consequentie van de wetenschap voor te stellen." [93]

In dit verband moet de zaak rond de Piltdownmens worden vermeld, waarin Teilhard op jeugdige leeftijd betrokken raakte en in het verloop waarvan deze mens als wetenschappelijke vervalsing werd ontmaskerd. Die kwestie wordt tot in onze tijd steeds weer opgerakeld en krijgt daarbij steeds weer een andere interpretatie, zodat Teilhard uiteindelijk als een 'heel gewone bedrieger' wordt neergezet. Karl Schmitz-Moormann moet evenwel reeds in 1983 hebben aangetoond, dat Teilhard onmogelijk de vervalser geweest kan zijn. [94]

terug naar de Inhoud

Taalproblemen
Niet te veronachtzamen is volgens Thomas Becker het moeilijke taalgebruik van Teilhard, de eigenzinnige vormgeving van zijn teksten, wat door de meestal moeizame vertalingen het begrip niet bepaald vergemakkelijkt. "Daar komt nog bij, dat men de indruk heeft, dat Teilhard soms opzettelijk verhullende taal gebruikt en dat de oorspronkelijke tekst door de censuur zó werd verminkt, dat zijn woorden niet meer te begrijpen zijn." [95]

De theoloog en godsdienstwetenschapper Ernst Benz maakte al in 1965 duidelijk, wat de toegankelijkheid van Teilhard in het Duitse taalgebied vooral bemoeilijkt: Enerzijds had hij, volgens hem, een beeldende taal geschapen, die bijzonder eigengewild is. Verder had hij de theologie verrijkt met een heleboel natuurwetenschappelijke categorieën, die bij hem een geheel nieuwe spirituele lading krijgen. En daarnaast had hij een reeks verrassende nieuwe woorden ingevoerd, zoals bijvoorbeeld 'planetisatie', 'hominisatie', 'amorisatie' (van het Frans: l'amour). [96]

Teilhard zelf beoordeelde heel wat verhandelingen over hem als 'verwarrend', omdat daarin teveel citaten bij elkaar waren gevoegd uit werk, dat in verschillende perioden van zijn leven was geschreven." [97]

terug naar de Inhoud

Vooruitblik
Als een van de weinigen serieus te nemen critici boorde Hans-Eduard Hengstenberg in de jaren 1960 voor het eerst dieperliggende problemen aan, die suggereerden in welke richting een wetenschappelijke studie van Teilhards werk zou kunnen gaan. Terzelfdertijd kwam Ernst Benz tot de volgende conclusie: "Wat er tot dusverre van Duitse kant over Teilhard is geschreven, gaat in veel gevallen niet verder dan wat oppervlakkige informatie en kortzichtige kritiek, en berust dikwijls op een volledig gebrek aan kennis van de Franse bronnen." [101]

Tot dusverre zijn er weinig tekenen, die wijzen op een diepgaande bestudering van Teilhards wereldbeeld. Zeker, talloze publicaties hebben de afgelopen decennia onderwerpen van Teilhard ter sprake gebracht en verder ontwikkeld. Ook zijn heel wat van zijn inzichten intussen door de wetenschap bevestigd en leeft zijn hoopvolle visie bij vele mensen door. Toch zou het volgens Karl Schmitz-Moormann nog weleens lang kunnen duren voordat zijn evolutief wereldbeeld deel uitmaakt van het algemene denken.

terug naar de Inhoud

Literatuur

Madeleine Barthélemy-Madaule: Bergson und Teilhard de Chardin: Die Anfänge einer neuen Welterkenntnis. Walter, Olten 1970 (Französisches Original Paris 1963).
Thomas Becker: Geist und Materie in den ersten Schriften Pierre Teilhard de Chardins. In: Freiburger Theologische Studien. Band 134, Herder, Freiburg im Breisgau, Basel, Wien 1987, ISBN 3-451-20982-9.
Ernst Benz: Schöpfungsglaube und Endzeiterwartung - Antwort auf Teilhard de Chardins Theologie der Evolution. Nymphen-burger, München 1965.
Peter Gotthard Bieri (Hrsg.): Pierre Teilhard de Chardin. Sinn und Ziel der Evolution. Shaker Media, Aachen 2010, ISBN 978-3-86858-521-6 (ausgewählte und bearbeitete Kapitel aus Die Zukunft des Menschen.)
Thomas Broch: Das Problem der Freiheit im Werk Pierre Teilhard de Chardins. Matthias-Grünewald, Mainz 1977.
Thomas Broch: Pierre Teilhard de Chardin. Wegbereiter des New Age? Matthias-Grünewald/Quell, Mainz, Stuttgart 1989.
Thomas Broch: Denker der Krise - Vermittler von Hoffnung. Pierre Teilhard de Chardin. Echter (topos plus), Würzburg 2000, ISBN 3-7867-8324-1.
Bernard Delfgaauw: Teilhard de Chardin und das Evolutions-problem. C.H. Beck, München 1971.
Ludwig Ebersberger: Der Mensch und seine Zukunft - Natur- und Humanwissenschaften nähern sich dem Weltverständnis von Teilhard de Chardin. Walter, Olten 1990.
Ludwig Ebersberger: Glaubenskrise und Menschheitskrise. Die neue Aktualität Pierre Teilhards de Chardin. LIT, Münster 2001, ISBN 3-8258-4612-1.
Maria-Christina Eggers/Pia Gyger: Aufstieg ins Licht - Der Kreuzweg als Weg meiner Verwandlung. Kösel, München 2009, ISBN 978-3-466-36823-5.
Ida Friederike Görres: Sohn der Erde: Der Mensch Teilhard de Chardin. Drei Versuche. Josef Knecht, Frankfurt 1971.
Pia Gyger: Mensch verbinde Erde und Himmel - Christliche Elemente einer kosmischen Spiritualität. Rex, Luzern 1993, ISBN 3-466-36726-3.
Adolf Haas: Teilhard de Chardin-Lexikon. Grundbegriffe, Erläuterungen, Texte. 2 Bände, Herder, Freiburg im Breisgau 1984.
Giulio Haas: Die Weltsicht von Teilhard und Jung. Walter, Olten 1991, ISBN 3-530-30130-2.
Maria Hafner: Nichts als das Ganze. Bilder und Texte zu "Das Herz der Materie" von Pierre Teilhard de Chardin. Rex, Luzern 2005, ISBN 3-7252-0791-7.
Johannes Hemleben: Teilhard de Chardin in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten. Rowohlt (rm 116), Reinbek 1966.
Hans-Eduard Hengstenberg: Evolution und Schöpfung. Eine Antwort auf den Evolutionismus Teilhard de Chardins. A. Pustet, München 1963.
Hans-Eduard Hengstenberg: Mensch und Materie. Zur Problematik Teilhard de Chardins. Kohlhammer, Stuttgart 1965.
Josef Vital Kopp: Entstehung und Zukunft des Menschen. Pierre Teilhard de Chardin und sein Weltbild. Rex, Luzern 1970.
Rupert Lay: Die Ketzer - Von Roger Bacon bis Teilhard de Chardin. Georg Müller, München, Wien 1981, ISBN 3-7844-1888-0.
Erik Lehnert: Finalität als Naturdetermination. Zur Naturteleologie bei Teilhard de Chardin. Ibidem, Stuttgart 2002, ISBN 3-89821-173-8.
Henri de Lubac: Der Glaube des Teilhard de Chardin. Herold, Wien/München 1968.
Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. Herder, Freiburg 1969.
Christian Modemann: Omegapunkt. Christologische Eschatologie bei Teilhard de Chardin und ihre Rezeption durch F. Capra, J. Ratzinger und F. Tipler. LIT, Münster 2004, ISBN 3-8258-7306-4.
Adolf Portmann: Der Pfeil des Humanen. über P. Teilhard de Chardin. Alber, Freiburg im Breisgau/München 1960.
Olivier A. Rabut: Gespräch mit Teilhard de Chardin. Naturwissenschaftliche, philosophische und theologische Diskussion seines Werkes. Herder, Freiburg im Breisgau 1981.
Günther Schiwy: Teilhard de Chardin. Sein Leben und seine Zeit. 2 Bände, Kösel, München 1981/90, ISBN 3-466-20211-6 (Band 1), ISBN 3-466-20212-4 (Band 2).
Günther Schiwy: Ein Gott im Wandel. Teilhard de Chardin und sein Bild der Evolution. Patmos, Düsseldorf 2001.
Günther Schiwy: Eine heimliche Liebe. Lucile Swan und Teilhard de Chardin. Herder, Freiburg im Breisgau 2005.
Karl Schmitz-Moormann: Das Weltbild Teilhard de Chardins. Physik, Ultraphysik, Metaphysik. VS Verlag für Sozialwissenschaften, Wiesbaden 1966, ISBN 3-663-04068-2.
Karl Schmitz-Moormann: Teilhard de Chardin in der Diskussion. Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt 1986.
Karl Schmitz-Moormann: Pierre Teilhard de Chardin: Evolution - die Schöpfung Gottes. Matthias-Grünewald, 1996, ISBN 3-7867-1901-2.
Christoph Schönborn: Ziel oder Zufall? Schöpfung und Evolution aus der Sicht eines vernünftigen Glaubens. Herder, 2007, ISBN 978-3-451-29389-4.
Helmut de Terra: Mein Weg mit Teilhard de Chardin. Forschungen und Erlebnisse. Beck, München 1962.
Helmut de Terra (Hrsg.): Perspektiven Teilhard de Chardins. Acht Beiträge von Ernst Benz, Madeleine Barthelemy-Madaule, F. G. Elliot, Lama Anagarika Govinda, Fritz Paepcke, Max Knoll, Adolf Remane. Beck (BSR 43), München 1966.
Mathias Trennert-Helwig: Die Urkraft des Kosmos. Dimensionen der Liebe im Werk Pierre Teilhards de Chardin. Herder, Freiburg 1993.
Francois-Albert Viallet: Zwischen Alpha und Omega. Das Weltbild Teilhards de Chardin. Glock und Lutz, Nürnberg 1958. 2. verbesserte Auflage 1963, dazu (als 2. Band): Zwischen Ja und Nein. Dialog - Dokumente - Kritik. Nürnberg 1963.]
Franz M. Wuketits: Evolutionstheorien - Historische Voraus-setzungen, Positionen, Kritik. Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt 1988.

Weblinks
Commons: Teilhard de Chardin - Sammlung von Bildern, Videos und Audiodateien
Wiktionary: Teilhardina - Bedeutungserklärungen, Wortherkunft, Synonyme, übersetzungen

Literatur von und über Pierre Teilhard de Chardin im Katalog der Deutschen Nationalbibliothek
Werke von und über Pierre Teilhard de Chardin in der Deutschen Digitalen Bibliothek

Gesellschaft Teilhard de Chardin e.V.
Die deutsche Gesellschaft Teilhard de Chardin präsentiert umfassend Kommentare zu Teilhard aus deutschsprachigen Zeitschriften und Zeitungen sowie nennenswerte Bezugnahmen auf Teilhard in Publikationen, die nach ihrem Veröffentlichungstitel nicht ausschlie√ülich Teilhard-Bezüge aufweisen.

American Teilhard Association ATA: http://teilharddechardin.org/index.php

Ludwig Ebersberger: Teilhard-Forum www.teilhard.de.
Theodor Frey: Seite über Teilhard de Chardin.
Arbeitsgemeinschaft Evolution, Menschheitszukunft und Sinnfragen (AGEMUS).
Forum Holistic Evolution zur Vertiefung von Teilhards Ideen: www.holisticevolution.net

Association des Amis de Pierre Teilhard de Chardin
(französisch). Mit einer 24-minütigen Animation zum Leben Teilhards auf der Homepage.
Stiftung Teilhard de Chardin Niederlande: teilharddechardin.nl.
Spiegel Online vom 17. Februar 1960: Anti-Darwin? - Beitrag zu einer Sondernummer der Zeitschrift "Divinitas", Organ der Päpstlichen Theologischen Akademie in Rom, über Pierre Teilhard de Chardin: spiegel.de

Eva-Maria Faber: Ein Feuer: fähig, alles zu durchdringen. Christlich-universales Denken bei Pierre Teilhard de Chardin.

2008 (PDF-Datei; 114 kB).
Vera Haag: Pierre Teilhard de Chardin: Visionär oder Evolutionsmystiker.

Bei: socio.ch.
Heinz Rußmann: Die Stufen der Evolution nach Teilhard de Chardin als Hilfe zur Verständigung zwischen Weltanschauungen, Religionen, im Kreationismus-Streit, als Vision und als die große Hoffnung! Lübeck 2008. (pkgodzik.de)
(PDF; 5,8 MB).

Einzelnachweise
1. Marguerite Teillard-Chambon in der französischen Wikipedia
2. Vgl. Günther Schiwy: Eine heimliche Liebe.
3. Vgl. Weblinks: Spiegel Online Wissenschaft, 12. März 2009
4. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. (fr. La pensée religieuse du Père Teilhard de Chardin. 1962), 1. Kapitel., Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 15.
5. Le phénomène humain. Paris 1955. Die deutsche übersetzung erschien 1959 bei Beck in München unter dem Titel: Der Mensch im Kosmos.
6. Nach Pia Gyger und Peter Gotthard Bieri, vgl. Pierre Teilhard de Chardin: Sinn und Ziel der Evolution. Hrsg. P. G. Bieri, S. 193 ff.
7. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 11.
8. Pierre Teilhard de Chardin: Das göttliche Milieu. S. 59 (Neuübersetzung von: Der Göttliche Bereich.).
9. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 44.
10. Josef Vital Kopp: Entstehung und Zukunft des Menschen - Pierre Teilhard de Chardin und sein Weltbild. S. 75.
11. Josef Vital Kopp: Entstehung und Zukunft des Menschen - Pierre Teilhard de Chardin und sein Weltbild. S. 18.
12. Entwurf und Entfaltung, Briefe aus den Jahren 1914-1919. S. 49 f.
13. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 12 ff.
14. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 20.
15. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 16.
16. Adolf Portmann: Der Pfeil des Humanen. S. 48.
17. Henry de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 16.
18. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 19.
19. Spiegel Online, 17. Februar 1960, s. Weblinks
20. Helmut de Terra: Mein Weg mit Teilhard de Chardin. S. 62, 89, 63.
21. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 15.
22. Dieses Kapitel besteht aus einer bearbeiteten und ergänzten Zusammenfassung der Kapitel 1-3 aus dem Buch von Giulio Haas: "Die Weltsicht von Teilhard und Jung - Gegensätze, die sich vereinen."
23. Giulio Haas: Die Weltsicht von Teilhard und Jung. S. 39.
24. Thomas Broch: Das Problem der Freiheit im Werk Pierre Teilhard de Chardins. S. 31.
25. Pierre Teilhard de Chardin, in: Mein Glaube. Peking 1934, S. 116.
26. Nach Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 19/22.
27. Nach Gunter Schiwy, Teilhard de Chardin. (Anm. 2) Bd. 2, S. 144.
28. Pierre Teilhard de Chardin, Der Mensch im Kosmos. S. 272.
29. Giulio Haas: Die Weltsicht von Teilhard und Jung. S. 17.
30. Giulio Haas: Die Weltsicht von Teilhard und Jung. S. 257 ff.
31. Giulio Haas: Die Weltsicht von Teilhard und Jung. S. 14.
32. Vgl. Pierre Teilhard de Chardin: Das Herz der Materie. S. 64.
33. Pierre Teilhard de Chardin: Der Mensch im Kosmos. S. 279.
34. Pierre Teilhard de Chardin: Der Mensch im Kosmos. S. 305.
35. Pierre Teilhard de Chardin: Mein Universum. S. 40.
36. Pierre Teilhard de Chardin: Mein Universum. S. 212
37. Pierre Teilhard de Chardin: Das göttliche Milieu. S. 84
38. Pierre Teilhard de Chardin: Die lebendige Macht der Evolution. S. 255.
39. Pierre Teilhard de Chardin: Der Mensch im Kosmos. S. 299.
40. Pierre Teilhard de Chardin: Das göttliche Milieu. S. 70.
41. Pierre Teilhard de Chardin: Mein Universum. S. 62 ff.
42. Pierre Teilhard de Chardin: Die menschliche Energie. S. 113.
43. Pierre Teilhard de Chardin: Die menschliche Energie. S. 116.
44. Pierre Teilhard de Chardin: Das göttliche Milieu. S. 70.
45. Pierre Teilhard de Chardin: Mein Universum. S. 62 ff.
46. Pierre Teilhard de Chardin: Der Mensch im Kosmos. S. 20.
47. Pierre Teilhard de Chardin: Das Herz der Materie. S. 29 f.
48. Pierre Teilhard de Chardin: Die menschliche Energie. S. 109 f.
49. Pierre Teilhard de Chardin: Die menschliche Energie. S. 104.
50. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 13.
51. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 15.
52. Adolf Haas: Teilhard de Chardin-Lexikon. Bd. 1, S. 257.
53. Pierre Teilhard de Chardin: Der Mensch im Kosmos. S. 185 und 282.
54. Karl Schmitz-Moormann: Das Weltbild Teilhard de Chardins. S. 273.
55. Pierre Teilhard de Chardin: Der Mensch im Kosmos. S. 305.
56. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. 1. Kapitel.
57. Spiegel Online, s. Weblink
58. Thomas Becker: Geist und Materie in den ersten Schriften Pierre Teilhard de Chardins. S. 11 und 228.
59. Nach Kathpedia
60. Nach Adolf Portmann: Der Pfeil des Humanen. S. 63.
61. Ludwig Ebersberger: Der Mensch und seine Zukunft. Natur- und Humanwissenschaften nähern sich dem Weltverständnis von Teilhard de Chardin.
62. Ludwig Ebersberger: Glaubenskrise und Menschheitskrise. Die neue Aktualität Pierre Teilhards de Chardin. S. 14 f.
63. Maria-Christina Eggers/Pia Gyger: Aufstieg ins Licht - Der Kreuzweg als Weg meiner Verwandlung.
64. Aus dem Vorwort zum Buch von Pia Gyger: Mensch verbinde Erde und Himmel - Christliche Elemente einer kosmischen Spiritualität.
65. Pia Gyger: Hört die Stimme des Herzens - Werdet Priesterinnen und Priester der kosmischen Wandlung. mariahafner.ch
66. Quellen: Spiegel Online vom 17. Februar 1960, s. Weblinks, S. 2, und Adolf Haas: Teilhard de Chardin-Lexikon. Bd. 1.
67. Osservatore Romano vom 30. Juni 1962 (Acta Apostolicae Sedis 54 1962, 526).
68. Hans-Eduard Hengstenberg: Evolution und Schöpfung - Eine Antwort auf den Evolutionismus Teilhard de Chardins. S. 127 und 139.
69. Hans-Eduard Hengstenberg: Mensch und Materie. Quelle: Teilhard-Forum, s. Weblinks
70. Hans-Eduard Hengstenberg: Mensch und Materie - zur Problematik Teilhard de Chardins, S. 168
71. Hans-Eduard Hengstenberg: Mensch und Materie. S. 169.
72. Hans-Eduard Hengstenberg: Mensch und Materie. S. 118 f.
73. Quelle: theodor-frey.de
74. Albert Drexel: Teilhard de Chardin - ein neuer Prophet. Akademie-Verlag, Egg/Zürich 1969/72, Schutztitel.
75. Albert Drexel: Teilhard de Chardin - ein neuer Prophet. S. 13 f.
76. Giulio Haas: Die Weltsicht von Teilhard und Jung. S. 29.
77. Hans Küng: Ewiges Leben? Piper, München 1982, S. 287.
78. Hans Küng: Erlebte Menschlichkeit - Erinnerungen. Piper, München 2013, S. 165, ISBN 978-3-492-05601-4.
79. Eugen Drewermann: ... und es geschah so - Die moderne Biologie und die Frage nach Gott. Walter, Zürich 1999, S. 421, ISBN 3-530-16899-8.
80. nach Spiegel Online, s. Weblinks
81. Henri de Lubac: Teilhard de Chardins religiöse Welt. S. 11 ff.
82. Teilhard-Kommentare von Gerhard H. Sitzmann, s. Weblinks.
83. Gerhard H. Sitzmann: Teilhard-Kommentare. S. Weblink.
84. Christoph Schönborn: Ziel oder Zufall? Schöpfung und Evolution aus der Sicht eines vernünftigen Glaubens. S. 148 f.
85. Joseph Ratzinger: Einführung in das Christentum. München 1968, ISBN 3-466-20089-X.
86. Dietrich von Hildebrand: Das trojanische Pferd in der Stadt Gottes. Anhang: Teilhard de Chardins neue Religion. Auf: kathtube.com.> Hildebrand, S. 339.
87. Dietrich von Hildebrand: Das trojanische Pferd in der Stadt Gottes. Anhang: Teilhard de Chardins neue Religion. S. 6.
88. Dietrich von Hildebrand: Das trojanische Pferd in der Stadt Gottes. Anhang: Teilhard de Chardins neue Religion. S. 176.
89. Dietrich von Hildebrand: Das trojanische Pferd in der Stadt Gottes. Anhang: Teilhard de Chardins neue Religion. S. 342.
90. Bernard Delfgaauw: Teilhard de Chardin und das Evolutionsproblem.
91. P. B. Medawar: Jahrbuch für kritische Aufklärung. Club Voltaire. Szezesny, München 1963, zitiert nach Dietrich von Hildebrand, a. a. O. S. 341.
92. Vera Haag: Pierre Teilhard de Chardin: Visionär oder Evolutionsmystiker. 2006, S. 10, s. Weblink.
93. Franz M. Wuketits: Evolutionstheorien - Historische Voraussetzungen, Positionen, Kritik.
94. Adolf Portmann: Der Pfeil des Humanen. S. 21, 45.
95. Thomas Becker: Geist und Materie in den ersten Schriften Pierre Teilhard de Chardins. S. 131.
96. Thomas Becker: Geist und Materie in den ersten Schriften Pierre Teilhard de Chardins. S. 21, 205.
97. Ernst Benz: Schöpfungsglaube und Endzeiterwartung - Antwort auf Teilhard de Chardins Theologie der Evolution. S. 230 ff.
98. Thomas Becker: Geist und Materie in den ersten Schriften Pierre Teilhard de Chardins. S. 19.
99. Albert Drexel: Teilhard de Chardin - ein neuer Prophet. Schutztitel; Zitat ohne Quellenangabe.
100. Josef Vital Kopp: Entstehung und Zukunft des Menschen. Pierre Teilhard de Chardin und sein Weltbild. 1970, S. 62.
101. Peter Gotthard Bieri (Hrsg.): Pierre Teilhard de Chardin: Sinn und Ziel der Evolution. Anhang.
102. Ernst Benz: Schöpfungsglaube und Endzeiterwartung, S. 233. Frz. in: Etudes. Revue bimensuelle. Zs. der frz. Jesuiten, No. 13, 1937, 20. Oktober 1937. Nicht bei Gallica, anders als viele andere Schriften Teilhards.


terug naar het overzicht






^