antropomorfisme


Het woord 'antropomorfisme' komt van het Griekse 'anthropos': mens en 'morfe': vorm.
Het woord heeft de betekenis: 'met de gedaante van een mens', 'overeenkomsten vertonend met de mens' of 'mensachtig'. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt in de uitdrukking 'antropomorfe goden': aan die goden worden dan, door de mens, menselijke eigenschappen toegekend. De goden in de Griekse mythologie bijvoorbeeld hebben duidelijk menselijke trekken en ook in de theologie wordt er over God of goden gesproken, alsof deze kenmerken hebben die op die van mensen lijken.
Antropomorfisme is een projectieverschijnsel; wat plaats vindt is een overdracht van eigenschappen van zichzelf op een denkbeeld, dat ergens in hemelstreken wordt geplaatst. Het spraakgebruik 'het ego' komt met antropomorfisme overeen, alleen vindt daar een overdracht van eigen eigenschappen op een denkbeeld in de ziel plaats.

In een aantal humanistische, materialistische levensbeschouwingen gaat men ervan uit dat 'God' een verschijnsel is, dat door de mens wordt bedacht; en aangezien de mens daarbij niet anders kan dan van zichzelf uitgaan, is het de méns die menselijke eigenschappen aan die denkbeeldige 'God' toedicht. Volgens deze zienswijze schiep de mens 'God' en niet omgekeerd.
De geestelijke werkelijkheid die met het geopende geestesoog ervaarbaar is, laat echter iets geheel anders zien! Op geestelijke wijze waarnemen verschaft de mens ervaringen, die de werkelijkheid aantonen van wat in Genesis staat beschreven:
1:26 En God zei: Laten wij mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis, [...].
1:27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.

God verscheen op twee tegenovergestelde wijzen aan mijn geopende geestesoog: in een ongevormde en in een gevormde toestand, waarbij de laatste uit de eerste is voortgekomen.
In de ongevormde oertoestand is Gods geest ervaarbaar als de algeest. Deze doet zich eerst aan de mens voor als een alomaanwezig donker en koelte, die een uitdrukking zijn van de algeest in de toestand van diepe rust. Door zelfopwekking komt uit die diepe rust een beweging voort, die zich uit als een geestelijk licht en een geestelijke warmte.
Na zich eerst als deze tweeheid - rust en beweging - te hebben vertoond, treedt een nieuwe vereniging van die twee op, doordat de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte doordringt, waarbij de laatste zich laat doordringen. Door deze innige samenwerking ontstaat een nieuwe, omgekeerde toestand van de algeest die zich voordoet als een alomtegenwoordige zee van beweeglijk, maar gedempt geestelijk licht en geestelijke warmte; maar waarbij die de rust en haar donkere koelte in zich hebben opgenomen en er een evenwichtige eenheid mee vormen.

Tegelijk met de vereniging van de beweging en de rust, verscheen in de zee van alomtegenwoordig licht en warmte een verdichting van het licht tot een bolvormige wolk, als een denkbeeld in de algeest, die vervolgens vanuit de algeest met geestelijke warmte, met liefde uit de algeest werd doorstroomd en zo tot léven kwam: de voortkomst van de menselijke geest uit en in de goddelijke algeest.
Ook in de menselijke geest is daardoor die eenheid aanwezig van de beweging met zijn lichtende warmte, die door de zelfvórmende, doordringende eigenschap wordt gekenmerkt, en met de rust en haar donkere koelte, die door doordringbaarheid en vórmbaarheid wordt gekenmerkt.

Met die vormbare en zelfvormende eigenschappen van het licht en de warmte in de nieuwe eenheidstoestand van de algeest hangen de vier geestelijke vermogens samen, die daardoor ook in de menselijke geest aanwezig zijn. Een kracht is het vermogen van een zelfstandigheid werkzaam te zijn en de geest als geestelijke levenskracht kan op viervoudige wijze werkzaam zijn in de vorm van het waamemen, denken, voelen en willen.
Het vermogen waar te nemen hangt samen met doordringbaar, vormbaar licht, denken met zelfvormend, doordringend licht, voelen met doordringbare, vormbare warmte en willen met zelfvormende, doordringende warmte. Deze werkingen vinden plaats binnen de bolvormige wolk van de geest. De werkzaamheid van de geestelijke vermogens is daardoor een - onmiddellijk in zichzelf ervaarbare - uitdrukking van de kerneigenschappen van zichzelf als menselijke geest.
Door waar te nemen kan de geest toelaten dat de buitenwereld zich in de geest afdrukt in de vorm van waarnemingsbeelden, die lichtbeelden zijn; door te denken is de geest in staat in zichzelf lichtbeelden te vormen, die denkbeelden zijn; door te voelen laat de geest de innerlijke warmte door ervaringen met medemensen doordringen, waardoor die warmte wordt gevormd tot de gemoedstoestand; en door te willen vormt de geest de eigen warmtetoestand, wat dan de wilskracht is, om tot wilsbesluiten en handelingen.

Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens in zichzelf, straalt de geest vervolgens een vormbare krachtruimte (aura) om zich heen uit: de 'ziel' (van 'salida': zaal, woonruimte). Ieder vermogen heeft een eigen uitstraling, waarin de voortbrengselen van dat vermogen worden bewaard, zoals kennis in de uitstraling van het waarnemen, gedachten in de uitstraling van het denken, kleuren in de uitstraling van het voelen, wilsbesluiten in de uitstraling van het willen.
De ziel bestaat uit zeven uitstralingen: vier van het waarnemen, denken, voelen en willen; twee van het vermogen de richting van hun werkzaamheid naar binnen of naar buiten te keren, en één uitstraling van de geest als geheel, nodig om de werkzaamheid van de overige zes tot een eenheid te vormen en te behouden.
In de loop van de onafzienbare tijden dat de menselijke geest al aan zijn of haar geestelijke ontwikkeling werkt, heeft de geest steeds meer een bewust en beheerst, zelfstandig gebruik leren maken van de eigen vermogens - wat ook het doel is van die ontwikkeling. Daardoor hebben ook de eigenschappen van de vermogens ingewerkt op de uitstraling van de geest en hebben tot nu toe aan een aantal van die uitstralingen een vorm gegeven: de geestgedaante. Een deel van de ziel is daardoor gevormd als de geestgedaante, een deel is nog min of meer eivormig.

De eigenschappen van het waarnemen - het opnemen van indrukken - hebben vorm gegeven aan het hoofd;
de eigenschappen van het denken - ontleden en samenvoegen - hebben vorm gegeven aan de organen van de buik;
de eigenschappen van het voelen - liefhebben en verzorgen - hebben vorm gegeven aan hart en bloedsomloop;
de eigenschappen van het willen - ondernemen en handelen - hebben vorm gegeven aan skeletspieren en ledematen;
de eigenschappen van de in- en uitgekeerde instelling hebben vorm gegeven aan de in- en uitademende longen;
de eigenschappen van de geest als geheel hebben vorm gegeven aan het skelet, de hersenen en het daarmee verbonden zenuw- en hormoonstelsel, waardoor het lichaam een geheel is en blijft.

De menselijke geestgedaante is de onmiddellijke uitdrukking van de eigenschappen van de geest en de geestelijke vermogens. Het is de meest verheven vorm; ook God verschijnt als heilige geest - de algeest in gevormde toestand - in de vorm van de geestgedaante voor het geestesoog van de mens.
In de stoffelijke wereld is het de geestgedaante die de stof vasthoudt, die door de mond naar binnen wordt gebracht; daardoor verschijnt de geestgedaante in de stoffelijke wereld als het lichaam. Voor de geest is dit lichaam het tijdelijke voertuig, waarmee in de stoffelijke wereld bewegingen kunnen worden gemaakt en waarmee kan worden gesproken en gehandeld.

De geest als bewuste, vermogende levenskracht is de scheppende vormkracht.
De ziel is de van de geest uitstralende vormbare krachtruimte, waarin de geest de vóórtbrengselen van de vermogens vast kan houden.
De geestgedaante is de gevormde krachtruimte, waarin de éigenschappen van de vermogens tot uitdrukking komen in een vorm.
Het lichaam is de vaste vorm door middel van de stof als de verdichtingstoestand van het licht en de warmte van de algeest (zie: stof), die door de geestgedaante vorm wordt gegeven.
Vanuit de eigenschappen van de geest als bewuste levenskracht en de daaruit voortkomende geestelijke vermogens, zijn alle verschijnselen in de schepping van de mens: geest, ziel, geestgedaante en lichaam als een volstrekt samenhangende eenheid te beschrijven.
Het uitgangspunt van de schepping is immers: God als de algeest.
Het al (en ook de menselijke geest) is daardoor: geest in de vorm van...

Het verschijnsel dat de mens tot de opvatting kan komen dat er sprake zou zijn van 'antropomorfisme', is een aanwijzing voor het bestaan van de geestestoestand van 'onbewuste vereenzelving'; dit is de toestand dat de menselijke geest, door de afdaling in de dode stof, het tegendeel van zichzelf, onbewust van zichzelf is geworden en zich daardoor heeft vereenzelvigd met het stoffelijke lichaam.
Door die vereenzelviging wordt alleen het stoffelijke gezien en niet meer het geestelijke, waardoor ook God niet meer een ervaarbare, geestelijke werkelijkheid kan zijn en er als verklaring van de aanname van het bestaan van goden, 'antropomorfisme' wordt aangevoerd.


terug naar de woordenlijst






^