de evolutietheorie


In de natuur is een overal aanwezige eigenschap zichtbaar: ontwikkeling. Dit verschijnsel is voor het eerst op wetenschappelijke wijze door de Britse bioloog Charles Darwin (1809–1882) onderzocht en beschreven. Op de Galápagos-eilanden in de Stille Zuidzee trof hij op ieder eiland een vinkensoort aan, die zich blijkbaar aan de levensomstandigheden op dat eiland had aangepast. Hij veronderstelde dat zij zich uit één soort hadden ontwikkeld, die in het verre verleden uit Equador hier was aangekomen.
De soorten hadden zich uit die ene soort ontwikkeld door:
- de af en toe bij toeval optredende 'veranderingen in de erfmassa' (mutaties)
- en door 'overleven door aanpassing' (survival of the fittest): het overleven van alleen de best aangepaste leden van een soort in een veranderende omgeving (de natuurlijke selectie),
- waardoor vooral die leden zich kunnen voortplanten die de juiste erfmassa bezitten en die zo doorgeven.

Het verschijnsel van overleving door aanpassing, gevolgd door voortplanting is bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar bij de meest eenvoudige levensvormen, virussen en bacteriën. Door mutaties in hun erfmassa (die verloopt door aanpassing aan veranderde levensomstandigheden door epigenetische processen) hebben zij snel en met succes geleerd zich tegen menselijk ingrijpen met antibiotica te verdedigen. Een geslaagde overleving door aanpassing aan veranderde omstandigheden, gevolgd door voortplanting!

Om het verschijnsel evolutie te onderzoeken kunnen biologen putten uit een grote voorraad opgegraven fossielen, waarmee zij al van meerdere diersoorten samenhangende evolutielijnen hebben kunnen opstellen, daarbij geholpen door meerdere takken van wetenschap. Het verschijnsel evolutie is in feite wetenschappelijk aangetoond.
   
    
   foetussen van zoogdieren
duidelijk is te zien dat aan het begin van de ontwikkeling
(bovenste rij) de foetussen sterk op elkaar lijken   
 
Aan het einde van de 19e eeuw was de recapitulatie- theorie van Ernst Haeckel algemeen geaccepteerd. Deze theorie stelt dat het individu in grote lijnen opnieuw de ontwikkeling van de soort meemaakt: de ontogenese is een herhaling van de fylogenese (de ontwikkeling van het individu is een herhaling van de ontwikkeling van de soort).
Zijn theorie bleek later een te eenvoudige voorstelling van zaken, maar is in grote lijnen juist.

Tegenwoordig zijn in de biologie meerdere verbanden tussen de ontwikkeling van een individu en die van zijn soort, bekend. Zij kunnen worden verklaard door evolutie aan te nemen en worden gezien gezien als bewijzen voor het verschijnsel evolutie.
Vanuit het natuurwetenschappelijke standpunt is het feit dat het verschijnsel evolutie er ís, niet te verklaren, maar terecht is wel het feit van het bestáán ervan, vastgesteld.

De evolutietheorie
Om de ontwikkeling die in de evolutie zichtbaar is te kunnen verklaren, is door Darwin de evolutietheorie opgesteld. (De evolutietheorie werd trouwens in de achtste eeuw al nauwkeurig beschreven door de Arabische geleerde Jahiz in Bagdad.) Een aanname van de evolutietheorie is dat in de natuur zelf de drijvende krachten aanwezig zijn die ontwikkeling tot gevolg hebben, onder andere de ontwikkeling van levensvormen op aarde: de ontwikkeling der soorten. Volgens die theorie is uitsluitend de ontwikkeling van levensvormen, de soorten, het doel van de evolutie.
Bij die ontwikkeling der soorten is alles ervan afhankelijk, dat de best aangepasten zich kunnen voortplanten. De natuur zet door veranderingen in de omgeving de leden van een soort onder druk, waardoor de minst aangepasten uitsterven en alleen de aangepasten zich kunnen vermenigvuldigen: de natuurlijke selectie. Voortplanting onder belastende omstandigheden is daarmee de drijvende kracht in de natuur die de ontwikkeling van de soort tot gevolg heeft.
Diezelfde natuurwetenschap toont echter ook aan, dat wat hier nu als de natuur wordt aangetroffen, ooit moet zijn begonnen met wat de 'oerknal' wordt genoemd; en dat alles in de stoffelijke schepping daarnaast wordt gekenmerkt door het verloop van geboorte, groei, verval en dood, dat overal in haar is te herkennen en als eigenschap al in de toestand van de oerknal aanwezig moet zijn geweest.
De uitkomst van natuurwetenschappelijk onderzoek is, dat de stoffelijke schepping zelf ook aan de beschreven evolutie is onderworpen. Dit deel van het heelal dat uit de hete oerknal is voortgekomen, zal volgens de Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica ooit geheel uitdoven; de stof ervan zal in de eindeloze, donkere ruimte vervliegen, moleculen, atomen en subatomaire deeltjes zullen uiteen worden gescheurd en weer in de oorspronkelijke straling van de 'oerknal' worden omgezet.
Daar het de natuurkrachten zijn die dit alles veroorzaken, is de natuur met andere woorden tegelijk met de ontwikkeling van soorten in zichzelf óók op weg om een zelfdoding uit te gaan voeren.

Deze uitkomst ontkracht de aanname dat alleen 'het overleven van de meest aangepaste om zich te kunnen voortplanten en zo de soorten te ontwikkelen' de drijvende kracht in de natuur zou zijn. Alle inspanningen om zich aan te passen met als doel te overleven, zich te kunnen voortplanten en daardoor de soorten in de natuur te ontwikkelen, blijken namelijk bij voorbaat zinloos te zijn. Diezelfde zich ontwikkelende natuur heft blijkbaar door een tegelijkertijd in zichzelf verlopende andere ontwikkeling in zichzelf, op een gegeven ogenblik zichzelf ook weer op.
Alle werkzaamheden die door de natuur zelf op aarde zijn verricht om zich staande te houden en zich te ontwikkelen, waren slechts een toevallige en onvermijdelijke, maar ook een wanhopige en tot mislukken gedoemde onderneming. Alles wat in onafzienbare tijden van miljarden jaren is opgebouwd, zal onvermijdelijk na miljarden jaren ook weer ten onder gaan en niemand heeft dan meer weet van alle inspanningen en moeiten die de mensheid zich geeft getroost om zich in die tijdspanne te ontwikkelen. De evolutietheorie is ontwikkeld, de relativiteits- en kwantumtheorie is opgesteld en de natuur bijna begrepen in een alomvattende theorie, maar met welk doel?
In de natuur als de stoffelijke wereld is juist van 'door strijd om het bestaan overleven en voortplanten' geen enkele sprake, want hoe verwoed de natuur zich nu ook voortplant, alles zal ooit in een door diezelfde natuur tegelijkertijd gegraven graf verdwijnen. Het evolutietheoretische standpunt leidt tot een innerlijke tegenstrijdigheid, die in de natuur aanwezig zou zijn. Daarmee toont de natuurwetenschap zelf de onhoudbaarheid van haar eenzijdige voorkeur voor alleen de stoffelijke helft van Gods schepping aan, evenals haar mening dat de betekenis van de schepping alleen in de natuur zelf terug zou zijn te vinden middels de evolutietheorie.

Wat er in de natuur gebeurt, is namelijk een uitdrukking van wat er in de menselijke geest en de gees- ten van alle levensvormen op aarde, van dieren en planten, gebeurt. De geest ontwikkelt zich doordat die in een bepaalde levensvorm in een zekere omgeving is geplaatst, die door de tijd als stroom van gebeurtenissen voortdurend verandert; dat noodzaakt de geest in zijn levensvorm steeds zich daaraan aan te passen. Daarvoor moeten de geestelijke vermogens worden gebruikt, waardoor ze tot ontwikkeling worden gebracht.
God heeft met de schepping aan de mens en aan alle levende wezens ontwikkelingsmogelijkheden gegeven, een leerschool, die hen in de gelegenheid stellen zichzelf geestelijk te kunnen ontwikkelen; daarvoor is de lichamelijke levensvorm de oefenpop. Door het verwerken van alle levenservaringen met die oefenpop opgedaan, maken alle geesten (mensen-, dieren- en plantengeesten) een geestelijke ontwikkeling door. Die geeft in de geestelijke wereld vorm aan hun geestgedaante en dat komt tot uitdrukking in de ontwikkeling van de lichaamsvormen op aarde: de oorzaak van de evolutie die door de natuurwetenschappen eenzijdig alleen vanaf de stoffelijke zijde op aarde wordt bestudeerd.
Door die eenzijdige benadering ontstaat die innerlijke tegenstrijdigheid van een zich ontwikkelende en een zich tegelijkertijd naar het graf drijvende natuur. Als het een mens betrof dan zou deze onder behandeling moeten worden gesteld bij een psychiater. De werkelijkheid is echter dat de evolutie een geestelijk doel dient: de ontwikkeling van de geesten Gods naar persoonlijke zelfstandigheid.

Ontwikkeling van de mensheid
In die ontwikkeling neemt de groep geesten die de mensheid vormen een aparte plaats in, doordat zij als groep een trede hoger staan dan de andere groepen. Dat is duidelijk te zien als de ontwikkeling van de mensheid met die van dieren wordt vergeleken. Zeven miljoen jaar geleden leken de voorouders van de mens geheel op de huidige bonobo en chimpansee. Die zijn in de loop der tijden vrijwel dezelfden gebleven, maar de mens is geheel veranderd: de mens ging o.a. rechtop lopen, verloor zijn vacht, kreeg grote hersenen, ging praten, gebruikte voor alles gereedschappen en ontwikkelde kunst en cultuur; daardoor lijkt de mens van nu nauwelijks nog op de aap die hij vroeger was.

Het is voor de wetenschap nog steeds een raadsel wat hiervan de oorzaak is. Niemand kan aantonen waardoor de mensheid zich heeft kunnen ontwikkelen tot de huidige culturele hoogte. Sinds Darwin zijn evolutietheorie publiceerde, kreeg het onderwerp veel aandacht van evolutiebiologen en er zijn en worden nog steeds veel theorieën over gevormd. In het hele dierenrijk is niets vergelijkbaars te vinden en veel wetenschappers over de hele wereld hebben zich daarom gebogen over de vragen rond de bijzonderheid van de ontwikkeling van de mensheid.
Dat heeft een geweldige hoeveelheid kennis opgeleverd op alle mogelijke wetenschappelijke gebieden. Er is een groot aantal fossielen opgegraven die de mensheid veel kennis heeft gebracht over de voorouders van de mens en hun leefwijze. Het klimaat en de geologie van de aarde van de afgelopen zeven miljoen jaar werden onderzocht en ook is men veel te weten gekomen over het gedrag van mensapen in het wild. Ook de bestudering van het DNA heeft de mens veel geleerd over zijn ontwikkeling. Maar ondanks deze uitgebreide kennis wordt algemeen erkend dat de oorzaak van de uitzonderlijke ontwikkeling die de mens heeft meegemaakt, nog steeds onduidelijk is - alle pogingen ten spijt.
(Zie bijvoorbeeld het boek Homo nudis van Dick Slagter; weliswaar een duidelijke beschrijving van de ontwikkeling, maar niet van de oorzaak ervan.)

Vanuit de geest gezien is het voorkomen van dit wetenschappelijke vraagstuk heel begrijpelijk. De meeste wetenschappers verwerpen immers de geest en richten zich eenzijdig op de stoffelijke helft van de schepping. Het antwoord op deze vraag is echter dat de menselijke geest zich zeven miljoen jaar geleden zover had ontwikkeld, dat die geestelijke zelfstandigheid verkreeg en zélf ging meewerken aan zijn eigen ontwikkeling, waardoor deze langzaam maar zeker in de huidige stroomversnelling geraakte.
De geesten die in het dierenrijk hun langzame ontwikkeling meemaken, hebben deze zelfstandigheid nog niet bereikt, maar zullen eens ook zover komen.


terug naar de vragenlijst






^