de toestand van onbewustheid van de afgescheiden toestand


Door de geboorte in een stoffelijk lichaam en door het dagelijkse wakker worden daarin, komt de menselijke geest in een toestand te verkeren dat die onbewust wordt van zichzelf. Deze toestand van onbewustheid wordt veroorzaakt, doordat de geest als de bewuste levenskracht 'het levende' is, terwijl de stof als de bouwstof voor het lichaam het 'niet levende', het dode is.
Door de verbinding met het tegendeel van zichzelf kan de geest zichzelf niet meer zijn, waardoor die niet alleen zijn zelfbewustzijn verliest, maar waardoor ook de bewuste beheersing over de vermogens wordt geremd. Zo ontstaat de toestand van afgescheidenheid van de geestelijke wereld, waarin de menselijke geest hier schijnbaar aan zichzelf wordt overgelaten. (In de Griekse mythologie wordt deze gebeurtenis beschreven als de onderdompeling in de rivier de Lethe, de rivier der vergetelheid.)
Een toestand trouwens die nuttig en nodig is om de menselijke geest in de gelegenheid te stellen in vrijheid zelf keuzes te maken, zelfstandig beslissingen te nemen en die zelf uit te voeren - niet gehinderd door kennis van zijn verheven achtergrond. Door het bewuste en beheerste gebruik dat de geest daarbij van de vermogens móet maken, komen zij - door eigen inzet - ook hier weer tot ontwikkeling.

Doordat er in deze stoffelijke wereld niets is, wat de geest aan het bestaan van zichzelf zou kunnen herinneren, verblijft de menselijke geest hier in een toestand van onbewustheid van zichzelf. De geest wordt hier een onbekende voor zichzelf en moet zich gaan afvragen, wat 'geest' of 'ziel' eigenlijk is! Maar door die schijnbare innerlijke leegheid zijn aandacht en toewijding geheel uit de geest naar buiten gevloeid en opgegaan in de omgeving, in het lichaam en de wereld. Door de overdracht van zichzelf daarop, meent de geest nu zélf het lichaam te zijn en komt de geest op de gedachte dat die stoffelijke wereld alles is wat er is.
De aanvankelijke toestand van onbewustheid van zichzelf door de verbinding met de stof, wordt als het ware nog een keer versterkt door de overdracht van zichzelf op de wereld - en de toestand van gehechtheid daaraan, waarin de geest komt te verkeren door de onbewuste vereenzelviging daarmee. Er ontstaat een toestand van onbewust zijn van de aanvankelijke onbewustheid, waarmee aan dit bestaan werd begonnen. De geest verkeert hier in een toestand onwetend te zijn van de onwetendheid omtrent zichzelf.
Door de overdracht van zichzelf op de wereld is niet alleen het zelfbesef verdwenen, maar beseft de menselijke geest ook niet dat er zo iets als 'onbewustheid' zou kunnen zijn... en zeker niet van zichzelf! Dít hier is toch alles wat er is?!
Er is in feite sprake van een dubbele toestand van onbewust zijn; en in de ogen van iemand die twijfelloos in deze toestand verkeert, is de persoon die over de werkelijkheid van de geest begint te praten een bazelende zonderling, die snel de mond moet worden gesnoerd.

Wat er moet gebeuren om uit deze toestand te worden bevrijd is, dat eerst moet worden uiteengezet wat de menselijke geest is, wat de eigenschappen ervan zijn en hoe die kunnen worden herkend: in het gedrag van anderen en van zichzelf. De vervolgende stap is om met die kennis gewapend te proberen die toestand van onbewustheid van zichzelf te overwinnen. De weg daarnaartoe is de weg van zelfbezinning, waarbij de aandacht en toewijding, die eerst onbewust waren overgedragen op de omgeving, daaruit los moeten worden gemaakt en om ze weer in hun bron, zichzelf als menselijke geest, terug te kunnen laten vloeien. Door de richting van aandacht en toewijding om te keren, door tot 'bekering' te komen, kan men komen tot zelfbewustwording - in plaats van alleen maar 'wereldbewustzijn'.
Eerst moet de overdracht ongedaan worden gemaakt door tot het inzicht te komen dat dit níet alles is, wat er is en dat er met het einde van de stoffelijke levensvorm niet een einde komt aan het leven van zichzelf als menselijke geest. Zo kunnen aandacht en toewijding uit de wereld worden losgemaakt en kan de betrekkelijkheid daarvan worden ingezien. Vervolgens moet door zelfbezinning en gebed de geestelijke werkzaamheid van de eigen vermogens in zichzelf worden herkend, waardoor de menselijke geest door te leren zichzelf waar te nemen, zelfbesef gaat opbouwen en zich gaandeweg bewust wordt van zijn innerlijke, geestelijke werkzaamheid en zelfstandigheid.
Door deze innerlijke leergang te gaan - de levensweg - komt het door onthechting van de wereld eerst tot bewustwording van zichzelf als een zelfstandige eenheid tegenover die wereld en door zelfbezinning komt het vervolgens tot zelfbewustzijn van zichzelf als de menselijke geest: de bewuste levenskracht, die zichzelf met het woordje 'ik' aanduidt.


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^