afgescheidenheid


De afgescheidenheid is de geestestoestand waarin de menselijke geest verkeert, wanneer die op aarde tijdelijk een lichaam bezit. Door de betrekkelijke zelfstandigheid en onafhankelijkheid van het lichaam, voelt de geest zich zélf ook zo.
De menselijke geest is uit de goddelijke algeest door verdichting tot een algeestvonk ontstaan. Het oorspronkelijke besef en de ervaring van de onlosmakelijke verbondenheid van de menselijke geest met de goddelijke algeest, is door het indalen in een lichaam verloren gegaan. De menselijke geest is zich van die afgescheidenheid echter niet bewust, doordat door de tijdelijke verbondenheid met het tegendeel van zichzelf, de stof, het zelfbewustzijn verloren is gegaan en de geest onbewust is geworden van het eigen bestaan. Deze toestand is echter noodzakelijk om de geestelijke groei naar persoonlijke zelfstandigheid mogelijk te maken en de menselijke geest te laten worden wat de geest in aanleg is: een godenkind.

De goddelijke algeest is alomtegenwoordig en door die eigenschap oneindig en eeuwig. Daardoor is de algeest één. Buiten de algeest kan er geen ander zijn, doordat er geen 'buiten' is. De goddelijke algeest is daardoor volkomen zichzelf, geheel zelfstandig en volstrekt onafhankelijk.
Om de goddelijkheid die de menselijke geest in aanleg eigen is, tot ontwikkeling te kunnen brengen, moet de geest in omstandigheden worden gebracht, die met de goddelijke overeenkomen. Die omstandigheid is het één-zijn. Om de menselijke geest als Gods godenkind het één-zijn te kunnen laten ervaren, schiep God, samen met de mens, in de loop der miljoenen jaren oude ontwikkeling, de stoffelijke wereld en daarin het menselijke lichaam.
Door de geboorte: het overgeleid worden van de geestelijke naar de stoffelijke wereld, daalt de geest in het lichaam en woont erin gedurende het tijdelijke bestaan. Door de bewoning van de stoffelijke, afgescheiden vorm, ervaart de geest een toestand van betrekkelijke zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Daardoor is de geest in de gelegenheid zichzelf te oefenen zelfstandig en onafhankelijk te zijn. Daartoe komen - door de tijd als stroom van leerzame gebeurtenissen - ervaringen op de geest af, die de geest met behulp van de geestelijke vermogens kan verwerken. Daardoor neemt het bewuste en beheerste gebruik dat de geest van de vermogens maakt, toe. Zo groeit de geest, op eigen kracht, naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Deze door eigen kracht bewerkte groei is de zelfverwerkelijking.


(Bij de afbeelding: vanuit zijn eigen wereld treedt iedere geest bij het ontwaken tussen de coulissen door in de leerschool van de stoffelijke wereld in. Daar wordt het toneelstuk 'Het dagelijkse bestaan' gespeeld. Ieders rol daarin wordt op ieder tijdstip door de mens zelf bepaald - maar daarbij onmerkbaar door begeleiders begeleid. Het doel ervan is te leren liefdevol met elkaar om te gaan.
De lesmethode van die school is de vrije keuze, waardoor de mens als leerling zélf de geestelijke vermogens tot ontwikkeling brengt. Sommigen zijn door hun geestelijke groei zelfbewust geworden en kunnen het stuk nu van een afstand bekijken in het licht van de eeuwigheid.
Aan het einde van de dag treedt de geest uit en gaat tussen de coulissen door weer terug naar huis voor verwerking van ervaringen en lessen - die in het stuk zijn opgedaan - tijdens de nacht.
De aarde behoort tot de schemerwereld. De beschrijving van deze verhoudingen berust op persoonlijke ervaringen met deze gebeurtenissen.)

De tijdelijkheid van het stoffelijke bestaan levert de oefenstof voor de geestelijke groei. Alle stof is oefenstof, oefenstof voor de geest. Dat is het doel en de zin van dit tijdelijke, stoffelijke bestaan: het is een leerschool voor de geest om de goddelijke eigenschappen, de vermogens waarover de geest in aanleg beschikt, op eigen kracht te kunnen ontwikkelen. Daartoe is de toestand van tijdelijke, schijnbare afgescheidenheid een onvermijdelijk vereiste.


terug naar de woordenlijst






^