muziek


Muziek is gemoedsbeweging; muziek is een weergave van de bewegingen van het gemoed die leven binnen de menselijke geest.

De menselijke geest is bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, een bolvormige krachtruimte die in zichzelf werkzaam kan zijn door middel van de vermogens. Voor het geestesoog doet de werkzaamheid van die kracht zich voor als een in zichzelf stromende, levendige beweeglijkheid, aanwezig binnen die ruimte. Zij is te vergelijken met een lichtende wolk of nevel, die bestaat uit een dichte massa van rustig inwendig vloeiende en rondwervelende, levendig tintelende vonkjes, waarmee beelden kunnen worden gevormd.
De geest als bol van beweeglijke levenskracht wordt door een warmtetrilling gekenmerkt. Deze warmtetrilling is niet alleen oorzaak van het innerlijke licht, maar ook van de mogelijkheid in zichzelf geluidstrillingen voort te brengen. Dit ijle, innerlijke geluid is met het geestesoor in de geest zelf rechtstreeks hoorbaar in de vorm van de eigen zachte, geestelijke stem, die het denken en lezen begeleidt; een stem die gedurende het hele bestaan zuiver en helder klinkt en die kan spreken en zwijgen in overeenstemming met beweging en rust.

De trillingen van de geestelijke stem worden zowel door de warmte alsook door het licht gedragen. Door de warmtetoestanden waarmee gevoelens samenhangen, kan de geest een gevoelsklank aan de stem geven die in de stembuiging, de toon van de stem, hoorbaar wordt; terwijl lichtbeelden als denkbeelden een 'teken' zijn en daardoor een betekenis aan het geestelijke geluid geven in de vorm van woorden. Dit geluid is in alle geestelijke werelden hoorbaar met het geestesoor.
Dit geluid kan zich in de vorm van woorden voordoen, als de geest op aarde een taal heeft geleerd. Zonder taal zijn er in de geest alleen lichtbeelden en gemoedstoestanden, en daarmee samenhangende betekenisvolle gebaren en klanken; maar als een taal is geleerd, zijn de woorden een weergave van de betekenis van die lichtbeelden en van de aard van gemoedsgesteldheden, in een hoorbare vorm. Hoe meer de geest als levenskracht in beweging is, hoe meer warmte en licht er in de geest zelf is en hoe meer er ook van de eigen werkzaamheid door woorden tot klinken kan komen.

Door de kracht van het denken is de geest in staat zelf richting te geven aan de beweging van lichtbeelden in zichzelf. Daardoor kan de geest in zichzelf een samenhangende reeks van beelden vormen, die door omvorming uit elkaar voortkomen. Deze stroom van lichtbeelden zijn de denkbeelden die gezamenlijk een zin vormen, als deze beeldenstroom met woorden uit de woordenschat wordt verwoord. Zolang het geestesoog niet is geopend, kan de geest alleen met deze betekenisvolle woorden denken; er is dan alleen sprake van woorddenken. Voor de geest in die toestand zijn de eigen gedachten in de vorm van lichtbeelden of vaag of zij worden in het geheel niet gezien. Eenzelfde overweging geldt voor gemoedsgesteldheden. De geest benoemt een bepaalde gemoedsgesteldheid met een woord en kent dat woord, maar is zich meestal nauwelijks bewust van de aard van krachtige gemoedsbewegingen, van de roerige warmtestromingen waarmee die gemoedsgesteldheden in zichzelf gepaard kunnen gaan.

Het geestesoor is al wel bij alle menselijke geesten geopend - men hoort altijd de eigen innerlijke stem, zij het beperkt tot de eigen binnenwereld - maar het geestesoog nog niet. De noodzaak van de toestand dat het geestesoog voorlopig voor de geestelijke wereld is gesloten, is dat de mens hier in de leerschool voor geestelijke zelfstandigheid een toestand moet verkeren dat die schijnbaar aan zichzelf is overgelaten, zodat die is gedwongen in vrijheid zélf beslissingen te nemen. Daarvoor moet gebruik worden gemaakt van de geestelijke vermogens, waardoor de geest ze uit zichzelf bewust en beheerst leert gebruiken.

De glijdende schaal
De mate van geestelijke werkzaamheid met de vermogens wordt gekenmerkt door een glijdende schaal, die loopt van rust tot levendige beweeglijkheid, mogelijk uitlopend op heftige bewogenheid; dit hangt samen met de omschrijving van kracht als het vermogen te rusten en bewegen. In overeenstemming daarmee kent ook de warmte van het gemoed de glijdende schaal van gemoedsgesteldheden. Een oneindig aantal schakeringen van gemoedsgesteldheden is daardoor ervaarbaar.
In samenhang met het verschijnsel van de glijdende schaal van gemoedsgesteldheden kent het geestelijke licht kleuren. Kleur is een zuiver geestelijk kenmerk en treedt alleen binnen de geest op. Ook kleuren kennen eenzelfde glijdende schaal met een oneindig aantal tinten. Door hun samenhang met gemoedsgesteldheden kunnen kleuren met een bepaald gevoel worden verbonden.
De innerlijke stem waarmee de stroom van lichtbeelden die een zin vormen tot klinken kan worden gebracht, kent, in overeenstemming met gemoedsgesteldheden en kleuren, het verschijnsel van de toon. Ook het geestelijke geluid heeft een glijdende schaal tussen lage en hoge tonen; het verloop van de toonhoogte in de stem heet de stembuiging. Evenals kleuren hangen ook tonen samen met de gemoedsgesteldheid van de geest. Het horen van tonen is net als bij het zien van kleuren een zuiver innerlijk, geestelijk verschijnsel, dat alleen binnen de geest als zodanig ervaarbaar is; in de buitenwereld doen zich alleen bepaalde luchttrillingen voor.

De zangstem
Niet alleen komt de aard van de gemoedsgesteldheid in de klank, de klankkleur of de toon van de stem tot uiting, maar ook is de geest door de stembuiging in staat de toonhoogte van de innerlijke stem te kiezen. Daarbij doet het verschijnsel zich voor dat de toonhoogte weliswaar de genoemde glijdende schaal kent, maar dat slechts een beperkt aantal toonhoogtes een welluidend, samenhangend geheel kunnen vormen. Deze toonhoogtes hebben een bepaalde verhouding tot elkaar, die tot uitdrukking komt in de reeks van zeven tonen (of twaalf halve tonen), die de klankladder of toonladder wordt genoemd. Bij kleuren doet zich eenzelfde verschijnsel voor in de vorm van de zeven kleuren van de regenboog.

Afhankelijk van de toon waarmee een toonladder begint, bestaan er meerdere toonladders die elk een toonsoort aangeven. Iedere toonsoort heeft een eigen karakter, dat weer met een bepaalde gemoedsgesteldheid overeenkomt. Samenhangend met de eigenschappen van de stembanden en de keelholte of met een bepaald muziekinstrument, heeft iedere toon ook meerdere boventonen, waarvan het aantal en de verhouding tot elkaar de 'klankkleur' of de gevoelswaarde van het voortgebrachte geluid bepalen.
De menselijke geest als scheppende vormkracht is in staat in zichzelf meerdere tonen achter elkaar te zetten, de toonlengtes en rusten ertussen te wisselen en aan de reeks tonen een bepaald ritme te geven op een zodanige wijze, dat een samengestelde, samenhangende klankvorm ontstaat: een melodie.
Als al deze kenmerken met elkaar overeenstemmen, ontstaat een spel van klanken dat muziek en voor de menselijke stem een gezang wordt genoemd; terwijl de mate van overeenstemming van al die kenmerken en het verloop van de melodie, de schoonheid van het muziekstuk bepaalt.
In muziek kan de geest de voortdurende wisselingen die in de gemoedsgesteldheid kunnen voorkomen, tot uitdrukking brengen. Het aantal mogelijkheden om de kenmerken van een melodie te veranderen is zo groot, dat het aantal melodieën oneindig is, waardoor ook het oneindige aantal gemoedsgesteldheden, lopend van majeur tot mineur, tot uitdrukking kan worden gebracht. Als er weinig stembuiging is waardoor de stem vlak klinkt, toonloos, dan is de klank van de stem somber, in mineur; hoe meer stembuigingen er zijn, hoe vrolijker de klank van de stem (majeur).


terug naar de woordenlijst

terug naar het weblog







^