rouwen


In de vereenzelvigde toestand kan de geest gehecht raken aan dat, wat die zelf niet is. De geest kan gehecht raken aan ziel, lichaam en wereld - zonder duidelijk te beseffen in deze toestand te verkeren. Het is voor het gevoel immers de gewone, vertrouwde toestand.
Alles in de omgeving wat de geest zelf niet is, is echter vergankelijk, tijdelijk, niet duurzaam. Alleen uit onwetendheid omtrent de eigen ware, geestelijke aard, is de geest ertoe gekomen zich daar toch aan te hechten. Door deze gehechtheid kunnen echter moeilijkheden ontstaan. Want dat, wat vergankelijk is, zal ook eens vergaan; wat tijdelijk is, zal eens ophouden te bestaan; wat stuk kan, gaat ook stuk; wat kan worden verloren, zal ooit verloren gaan.

Als de geest zich nooit bij voorbaat al innerlijk heeft losgemaakt uit het onwezenlijke en tijdelijke door het vormen van een levensbeschouwing, door zelfverwerkelijking en zelfbezinning, dan zal de geest zich op een zeker ogenblik móeten onthechten als iets vergankelijks zijn onvermijdelijke weg gaat en verdwijnt. Dit naderhand zich moeten losmaken uit bindingen en de gevoelens van smart die daarbij worden gewekt, deze gedwongen onthechting heet rouwen (zie ook: zelfmedelijden).
'Rouwen' betekent: smart voelen. Rouwen is het op pijnlijke wijze moeten verwerken en leren aanvaarden van het feit, dat er niets bestendigs is in het stoffelijke bestaan. Rouwen is, dat de geest door omstandigheden wordt gedwongen te beseffen, dat juist de enige zekerheid temidden van al deze onzekerheden, de eindigheid ervan is. Diegene, die dit bewust vaststelt en bewust wil aanvaarden, en beseft de persoon te zijn die dit inzicht tot zich door laat dringen, is daardoor aangeland bij het enige blijvende in dit bestaan: de levende, menselijke geest zelf.


terug naar de woordenlijst






^