tweelinggeesten


De goddelijke algeest deed zich in de ongevormde oertoestand eerst aan mij voor als een oneindige ruimte van geestelijk donker en geestelijke koelte, een toestand die door een diepe rust werd gekenmerkt. Even later kwam uit die rust en haar donkere koelte een beweging voort - hij werd er a.h.w. uit geboren - die door geestelijk licht en geestelijke warmte werd gekenmerkt.
Nadat die twee oertoestanden zich ieder als een geestelijke zelfstandigheid aan mij hadden voorgedaan, verenigden zij zich weer met elkaar, maar nu omgekeerd, waardoor de rust en haar donkere koelte in de beweging en zijn lichtende warmte werd opgenomen. De ongevormde oertoestand was daarna een oneindige ruimte van geestelijk licht en warmte geworden, waarin de donkerte en koelte waren opgelost, waren verborgen.

Later deed de algeest zich aan mij voor als een ruimte die in tweeën was gedeeld. De ruimte vóór mij was nu de lichtende warmte, de ruimte áchter mij de donkere koelte. Daarna verscheen in de ruimte schuin rechts vóór mij God als mijn vader in de gevormde toestand in zijn geestgedaante: een mannelijke, menselijke lichtgestalte; in de ruimte schuin links áchter mij verscheen God als mijn moeder, ook in haar geestgedaante, een vrouwelijke, menselijke lichtgestalte.
God deed zich zo aan mij voor als een mannelijke en vrouwelijke tweelinggeest.


'Unio mystica': de menselijke geest als Januskop;
links boven de vrouwelijke geest:
haar vrwl gezicht links, beschenen door de zon
haar mnl gezicht rechts, beschenen door de maan;
rechts beneden de mannelijke geest:
mnl gezicht links, vrwl gezicht rechts
I Tjing: jang bevat jin, jin bevat jang
Jung: animus en anima
Weer later verschenen zij aan mij in de ruimte van de lichtende warmte - waarin de donkere koelte was opgelost - als een tweelinggeest in de verenigde toestand, waarbij hun geestgedaantes door liefde volkomen in elkaar waren opgegaan tot een eenheid, tot één geestgedaante. Daarbij was de vrouwelijke geestgedaante verborgen in de mannelijke, die haar liefdevol in zich had opgenomen tot één geest: een tweelinggeest in de verenigde toestand, met een mannelijke buitenkant en een vrouwelijke binnenkant.

Als de goddelijke algeest vanuit de rustende, óngevormde oertoestand werkzaam wordt, verschijnt de algeest in de allereerste vorm als de geestgedaante van de heilige geest van God. Deze heilige geest is een eenheid van twee geesten, twee lichtgestaltes die volkomen in elkaar zijn opgegaan. De heilige geest van God is de eenheid van God als vader en God als moeder in de gevórmde, werkzame toestand.
Als beiden scheppend werkzaam worden, bedenkt God als vader in zijn wijsheid als eerste het denkbeeld van henzelf - hun zelfbeeld - en God als moeder belevendigt dat denkbeeld door het met haar liefde te doorstromen. In dat denkbeeld komt het wezen van henzelf tot uitdrukking, wat betekent dat door hun scheppende werkzaamheid een wezen wordt geboren in de vorm van een tweelinggeest.
Vanuit de goddelijke geest gezien is dit wezen een zoon/dochter. Naar elkaar toe zijn de tweelinggeesten echter zowel broeder en zuster als man en vrouw (zoals bij de Egyptenaren Isis en Osiris dat waren).

Naar het beeld van God is ook de mens bij de geboorte uit de algeest als een tweelinggeest, als man en vrouw geschapen (Genesis 1:26-27). Iedere menselijke geest is de helft van een tweeling, van twee wederhelften. Tijdens de eeuwenoude ontwikkeling zijn zij echter door verschil in groeisnelheid uit elkaar geraakt; maar uiteindelijk zullen allen elkaar weer vinden, waarna het eeuwige huwelijk wordt gesloten, 'dat geen mens verbreken kan'.

De afbeelding. De Ouroboros ('staarteter') op de grond verzinnebeeldt het evenwicht tussen de mannelijke 'beweging' en de vrouwelijke 'rust', als de eeuwig rustig voortgaande werkzaamheid (de beweging) van de geestelijke vermogens.
Binnen de mannelijke en vrouwelijke geest zelf wordt de tweelinggeest weergegeven door de eigenschappen van de vier geestelijke vermogens: het waarnemen en voelen, de ontvankelijke vermogens zijn de vrouwelijke vermogens, het denken en willen, de zelfvormende vermogens zijn de mannelijke vermogens.
Jung benoemde deze innerlijke verhouding als die tussen de anima (het vrouwelijke in de mannelijke geest) en de animus (het mannelijke in de vrouwelijke geest).
Zie ook: schepping, liefde oorzaak van de -.

P.S. Er wordt ook wel over 'tweelingzielen' gesproken. De ziel is echter een uitstraling van de geest, die door de geestelijke werkzaamheid van de geestelijke vermogens wordt veroorzaakt. Door die werkzaamheid ontstaat er een uitstraling van geestelijk licht (de aura: uitwaseming) rondom de geest.
De geest is de bron van de ziel en woont er als het ware in. Dat is ook de oorspronkelijke betekenis van het woord 'ziel', dat afkomstig is van het Gothische 'salida': 'woning', 'zaal'; terwijl het woord 'geest' afkomstig is van de Gothische woordstam 'ghei': aandrijven, in beweging zetten.
'Geest' hangt ook samen met 'gist': het van leven bruisende.
Tijdens verschillende kerkconcilies (vooral Constantinopel IV) is het oorspronkelijke gebruik van de verhouding tussen geest, ziel en lichaam, alsmede het spreken over wedergeboorte en karma - zoals dat bij de gnostici gebruikelijk was - door de toenmalige kerkbestuurders verboden.
Men besloot tijdens die vergaderingen dat leken een ziel hebben en dat de geest was voorbehouden aan de 'geestelijkheid'. Met als gevolg dat er nu onjuist over 'tweelingzielen' wordt gesproken.


terug naar de woordenlijst

terug naar God als man en vrouw

terug naar het weblog







^