onbewuste vereenzelviging



De geestestoestand van onbewuste vereenzelviging is een van het begin af aan bestaande toestand, waarin de menselijke geest zich niet bewust is van het bestaan van zichzelf en van de vereenzelviging met de omgeving. De geest is in die toestand niet zichzelf, maar beseft dat niet.
Als de menselijke geest vanuit de geestelijke wereld in de stoffelijke wereld overgaat en in een lichaam wordt geboren of er 's morgens weer in wakker wordt, dan verliest de geest het bewustzijn van zichzelf dat in de geestelijke wereld aanwezig was. Dit verlies van zelfbewustzijn wordt veroorzaakt door de onderdompeling in het tegendeel van zichzelf, de stof. Het levende, de geest verbindt zich met het niet-levende, de stof, kan daarin niet zichzelf zijn en komt daardoor in een toestand van vernauwd bewustzijn te verkeren.
Door deze bewustzijnsvernauwing is de geest zich niet meer bewust van zichzelf en daardoor ook niet van de werkzaamheid van de eigen vermogens. Door deze vernauwde bewustzijnstoestand lijkt de geest op het oog, dat al ziende zichzelf niet ziet. Daarentegen beginnen de opvoeders van het kind in te werken op de pas in het nieuwe kinderlichaam geboren geest, om deze te wekken uit de toestand van onbewustheid; op een zeker moment lukt dat, waardoor de geest in het kind 'wakker wordt'.
Nu is een 'werkelijkheid': 'datgene, wat werkt'. De 'pasgeboren' geest wordt door de 'inwerking' uit de omgéving wel bewust, wakker, maar is zich nog niet bewust van de eigen, innerlijke 'werkelijkheid', die samenhangt met de werking van de eigen vermogens. Er is alleen de omgéving die wérkt en daardoor het bewustzijn van de geest wekt, waardoor de geest het bestaan begint met de ervaring en de bewustwording, dat de omgéving de werkelijkheid is als 'dat wat werkt'.
Onbewust van zichzelf draagt vervolgens de pas in het lichaam geboren geest het eigen, vage besef iets te zijn - het vage besef van werkelijkheid die met het 'wakker zijn' samenhangt - over op de omgeving. De aandacht en de toewijding vloeien uit de geest weg en zijn geheel gericht op de buitenwereld.
Deze overdracht heeft de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan tot gevolg. Door dit gebeuren is de geest voor zichzelf een ónwerkelijkheid geworden en bestaat alleen de stoffelijke wereld als een werkelijkheid. Doordat de geest alle aandacht en toewijding op de omgeving overdraagt, voelt die zich één met het stoffelijke bestaan en het is daardoor dat wordt gedacht, dat 'dit alles is wat er is'.

Door de onbewuste vereenzelviging ziet de geest niet meer de geestelijke helft van de werkelijkheid, maar alleen de stoffelijke. Door deze onbewuste vereenzelviging met wat de geest niet is, worden waarden omgekeerd en wordt de waarde van het stoffelijke boven het geestelijke verheven. Daardoor heeft de geest voor het stoffelijke álle belangstelling, maar gaat aan zichzelf, het wézenlijke, de geest, onbewust voorbij ... en kan daardoor zelfs tot de bewering komen 'het brein te zijn'.
(Klik hier voor een vraaggesprek met professor Swaab: 'De 'geest' is een neurologische activiteit' - en hier voor een vraaggesprek met een tegenstander van die zienswijze, professor Merckelbach: 'Niet het brein, maar de mens!')
De zin van het bestaan kan daardoor in uiterlijke omstandigheden komen te liggen en in het verwerven van aanzien en bezit, in plaats van in geestelijke ontwikkeling, wat de werkelijke zin van dit bestaan is. Door de vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan, ziet de geest ook alleen dit bestaan en blijft de gééstelijke werkelijkheid verborgen; maar daardoor wordt in feite slechts de helft van de werkelijkheid gezien - met alle gevolgen van dien voor de beoordeling van de zin en de waarde van dit stoffelijke bestaan.
In plaats van dat de stof het middel wordt om zich er geestelijk mee te ontwikkelen, door de tegenstand die de stof biedt te overwinnen, wordt de stof een doel op zichzelf.

Deze onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke, met wat de geest zelf niet is, is het kernvraagstuk van de menselijke geest. Het is hierdoor dat al die wederwaardigheden en moeilijkheden ontstaan, die de geest moet oplossen en er daardoor toe wordt aangezet een bewust en beheerst gebruik te leren maken van de geestelijke vermogens.
Door de voortdurende moeilijkheden, die door het gedrag van de geest zelf en van anderen in deze onbewuste aanvangstoestand worden veroorzaakt, kan de geest zich van die remmende aanvangstoestand bewust worden. Daardoor kan er een 'heilige onrust' ontstaan, een heilig verlangen, waardoor de geest wil gaan streven naar inzicht in zichzelf en naar bevrijding uit die aanvangstoestand door onthechting. Om dat te kunnen bereiken, moet de geest de vermogens bewust en beheerst gaan gebruiken, waardoor die steeds meer zichzelf verwerkelijkt en daardoor weer zichzelf wordt.
De zin van die remmende aanvangstoestand is daardoor, dat zij de menselijke geest de mogelijkheid geeft zich van zichzelf bewust te worden en zichzelf eruit te bevrijden, en door dat werken aan zichzelf de eigen geestelijke zelfstandigheid te verwerkelijken.


terug naar de woordenlijst






^