Johannes Kepler


Hoofdwerk: Harmonices Mundi libri V, over de harmonie in de kosmos (1619)


Johannes Kepler
(1572-1630)
"Ik was alleen Gods gedachten na hem aan het denken. Aangezien wij astronomen priesters zijn van de allerhoogste God ten aanzien van het boek der natuur, doet het ons nut om bedachtzaam te zijn, niet gericht op de glorie van onze gedachten, maar enkel en alleen op de heerlijkheid van God."

Hij maakte ook kenbaar dat hij verlangde naar een persoonlijk relatie met God;
"Kan ik God, wie ik, in de beschouwing van het hele universum bijna in mijn handen kan voelen, ook in mijzelf vinden?"

Inhoud

1. Mysteriumcosmographicum (bron: Wikipedia)
2. Bron: Kuuke's Sterrenbeelden
3. Bron: scheppingswetenschap.nl


1. Mysterium cosmographicum (bron: Wikipedia)
Mysterium cosmograficum is het eerste boek van Johannes Kepler, verschenen in 1596 in Tübingen. Hij behandelt daarin de bouw van de kosmos, zoals hij die zich voorstelde.
Dit boek is belangrijk, omdat dit het eerste boek is na Copernicus' 'De Revolutionibus', dat de zon in het midden van de 'kosmos' plaatst. Kepler is de eerste die in een wetenschappelijk werk het idee van Copernicus als basis voor een these neemt. Hij stuurt het boek onder andere aan Tycho Brahe en komt zo met deze in contact.

Voorgeschiedenis
In 1594 werd Johannes Kepler wiskundeleraar aan de protestantse hogeschool in Graz. 19 juli 1595 behandelde Kepler in een wiskundeles een gecompliceerde meetkundige figuur die bestond uit een cirkel met zo genaamde roterende ingeschreven gelijkzijdige driehoeken. Hij besprak aan de hand van deze figuur conjuncties van de planeten. Hij ziet dat de verhouding tussen twee cirkels dezelfde is als die tussen de omloopbanen van Saturnus en Jupiter. Ineens, zo bericht hijzelf in zijn Mysterium cosmograficum, komt de gedachte bij hem op dat alle verhoudingen van de omloopbanen van de planeten uit te drukken moeten zijn in meetkundige figuren. Hij gaat zoeken of er verhoudingen tussen ingeschreven en omgeschreven gelijkzijdige driehoeken te vinden zijn die overeenkomen met de verhoudingen van de omloopbanen van de planeten zoals die bij Copernicus te vinden zijn. Dat lukt niet: ineens bedenkt hij: het gaat toch over ruimtelijke processen, ik moet dus niet in het platte vlak zoeken bij regelmatige veelhoeken maar driedimensionaal bij regelmatige veelvlakken, de platoonse veelvlakken.

Driedimensionaal
Kepler komt op het idee van de regelmatige veelvlakken. Hij zegt dat 'de sferen' door de vijf regelmatige veelvlakken - de zogenaamde Platoonse regelmatige lichamen - omgrensd worden. De verhoudingen van die vijf regelmatige veelvlakken scheiden de banen van de zes planeten. Volgens het copernicaanse model waren er zes planeten. De officiële voorstelling op de protestantse Universiteit van Tübingen, waar hij gestudeerd had, was het systeem van Ptolemaeus met de aarde in het midden en zeven planeten daar omheen (vijf planeten plus de zon en de maan).

Wiskunde als Gods denken
Hij redeneert: "Van deze veelvlakken zijn er precies vijf en vijf zijn er nodig om de vijf planeten uit elkaar te houden. Zo werkt Gods denken!" (Zie: Timaeus van Plato, wiskunde is Gods denken. Kepler is in deze tijd nog een aanhanger van Plato.) Hij werkt zijn gedachte als volgt uit:
Om de aarde heen een dodecaëder (twaalfvlak); de sfeer daaromheen is die van Mars ;
om Mars een tetraëder viervlak; de sfeer daaromheen is die van Jupiter ;
om Jupiter heen een kubus ; de sfeer daaromheen is die van Saturnus ;
In de baan van de aarde komt een icosaëder (twintigvlak), de sfeer van Venus is daarin een "ingeschreven" sfeer; een octaëder (achtvlak) ligt ten slotte tussen de 'sferen' van Venus en Mercurius.
De inval kreeg hij, zoals hijzelf noteert, op 19 juni 1595. Hij publiceert over zijn ontdekking zijn boek Mysterium cosmograficum dat in 1596 verschijnt in Tübingen met medewerking van zijn leermeester Mästlin, hoogleraar wiskunde aldaar.

Uitgaven
Mysterium Cosmographicum. Te verkrijgen onder: Johannes Kepler - Was die Welt im Innersten zusammenhält. Antworten aus Schriften von Johannes Kepler. (Mysterium cosmographicum, Tertius interveniens, Harmonice mundi) in deutscher übersetzung mit einer Einleitung, Erläuterungen und Glossar herausgegeben von Fritz Krafft. Marixverlag 2005)
1596: Mysterium cosmographicum: Uitgave: Mysterium cosmographicum. De stella nova. Hrsg. Max Caspar. C.H. Beck. München, 1993. ISBN 3-406-01639-1. Hypotheses over de bouw van de kosmos, Kepler verdedigt onder andere de theorieën van Copernicus.

terug naar de Inhoud

2. Bron: Kuuke's Sterrenbeelden

Wie was Johannes Kepler?
Op 27 december 2017
Door kuuke
In Astronomen

Johannes Kepler (27-12-1571 - 15-11-1630)
Johannes Kepler werd aan het einde van de zestiende eeuw geboren en in die periode dachten alle astronomen dat de planeten in ons zonnestelsel allemaal in cirkelvormige banen om de Aarde draaien. Om dit te laten werken, hadden ze kleine cirkels toegevoegd aan de planeetbanen. Deze cirkeltjes werden epicycles genoemd.
Kepler verdedigde niet alleen vol vuur het idee dat de planeten om de Zon draaien, maar hij toonde ook aan dat hun banen geen cirkels zijn. Zijn beschrijvingen van de planeetbewegingen werden bekend als de Wetten van Kepler.

Korte biografie Johannes Kepler
Kepler werd op 27 december 1571 geboren. Hij was een ziekelijk kind van arme ouders, maar omdat hij erg slim was kreeg hij een studiebeurs voor de universiteit van Tübingen waar hij studeerde om een Lutherse predikant te worden. Tijdens zijn studie kwam hij in aanraking met het werk van Nicolas Copernicus die van mening was dat de planeten om de Zon draaien en niet om de Aarde. Copernicus had hier echter geen bewijs voor.

In 1596 schreef Kepler een eerste publieke verdediging - Mysterium Cosmographicum - van het Copernicaanse systeem. Dit was een gevaarlijke onderneming, gegeven het feit dat in 1593 Martin Luther, de oprichter van de Lutherse kerk, die theorie bespotte toen hij er voor het eerst van hoorde en ook de Katholieke kerk vond het een ketterse theorie, gegeven het feit dat die Galileo Galilei in 1615 veroordeelden tot huisarrest.

Op zoek naar gedetailleerde gegevens over de banen van de planeten contacteerde Kepler de astronoom Tycho Brahe. Deze rijke Deense edelman had in Praag een sterrenwacht laten bouwen van waaruit hij de bewegingen van de planeten volgde en voor die tijd de meest nauwkeurige waarnemingen van het zonnestelsel verrichtte. In 1600 nodigde Brahe Kepler uit om met hem samen te komen werken.
Brahe was echter niet de meest gemakkelijke man om mee samen te werken. Hij was heel erg achterdochtig en weigerde zijn aantekeningen te delen met Kepler. In plaats daarvan droeg hij Kepler op om het raadsel van Mars op te lossen. Dit was in die periode een van de grootste astronomische raadsels. Ironisch genoeg waren de nauwkeurige waarnemingen van de planeet precies de middelen die Kepler nodig had om te begrijpen hoe het zonnestelsel werkt. Toen Brahe in 1601 stierf lukte het Kepler om de waarnemingen van Brahe te bemachtigen, voordat zijn familie ze voor veel geld kon verkopen.

De wetten van Kepler
Kepler had aangegeven dat hij het Mars probleem binnen acht dagen zou oplossen, maar het bleken bijna 8 jaar te worden. Astronomen waren al lang bezig om uit te zoeken waarom Mars soms achterwaarts aan de sterrenhemel beweegt [retrograde beweging]. Geen enkel model van het zonnestelsel - zelfs het Copernicaanse niet - was in staat deze retrograde beweging te verklaren.

Gebruikmakende van de gedetailleerde waarnemingen van Brahe realiseerde Kepler zich dat de planeten in uitgerekte cirkels bewogen; zo'n cirkel noemen we een ellips. De Zon bevond zich niet precies in het centrum van hun baan, maar bevindt zich een beetje aan de zijkant in één van de twee punten die we 'focus' (brandpunt) noemen. Sommige planeten, zoals de Aarde, volgen een baan die een cirkel heel dicht benadert, maar de baan van Mars was een van de meest excentrische oftewel meest uitgerekte. Het feit dat de planeten een elliptische baan volgen, is bekend als de eerste wet van Kepler.

Vanaf de Aarde gezien leek Mars achterwaarts te bewegen als de Aarde, vanuit een binnenbaan, van achteren de planeet naderde, inhaalde en dan passeerde. Copernicus had al gesuggereerd dat waarnemingen van een bewegende Aarde (in plaats van een centrale stilstaande Aarde) een oorzaak zou kunnen zijn van deze retrograde beweging maar de perfect cirkelvormige banen waar Copernicus van uitging maakten het gebruik van epicycles nog steeds noodzakelijk. Kepler realiseerde zich dat twee planeten die een ellipsvormige baan volgen de retrograde beweging van de rode planeet aan de sterrenhemel zouden verklaren.
Kepler worstelde ook de de veranderende snelheden van de planeten. Hij realiseerde zich dat een planeet langzamer beweegt als die zich verder van de Zon bevindt en wanneer die planeet dichterbij de Zon is. Toen hij eenmaal begreep dat planeten een ellipsvormige baan volgen stelde hij dat een onzichtbare lijn tussen de Zon en de planeet een even groot gebied bedekt in eenzelfde tijdsbestek. In 1609 publiceerde hij in zijn Astronomia Nova dit als de tweede wet van Kepler.

De derde wet van Kepler werd tien jaar later gepubliceerd en beschrijft de relatie tussen de periode de tijd die ze nodig hebben om om de Zon te draaien - van twee planeten. Deze relatie is afhankelijk van hun afstand tot de Zon. Specifieker: het kwadraat van de verhouding van de periode van twee planeten is gelijk aan de derde macht van de verhouding van de straal van hun baan. De eerste twee wetten van Kepler zijn gericht op de beweging van een enkele planeet maar in zijn derde wet gaat het over een vergelijking tussen de banen van twee planeten.

Andere ontdekkingen
Kepler is het bekendst voor zijn beschrijvingen van de planeetbanen maar hij heeft meer bijdragen aan de wetenschap geleverd. Hij was de eerste die beschreef hoe breking van licht zorgt dat ons oog iets kan zien en dat twee ogen zorgen voor het zien van diepte. Hij maakte brillenglazen voor verzienden en bijzienden en hij legde de werking van de telescoop uit. Hij beschreef afbeeldingen en vergrotingen en hij begreep de eigenschappen van reflectie van licht. Zijn optische studies zijn verschenen als 'Astronomia pars Optica' en 'Dioptrice'

Kepler beweerde dat zwaartekracht niet door één lichaam maar door twee lichamen werd veroorzaakt en beschreef daarmee de getijden op Aarde die worden veroorzaakt door de beweging van de Maan. Hij stelde ook dat de Zon ronddraaide en hij voerde het woord 'satelliet' in. Hij probeerde zijn kennis over het meten van afstanden toe te passen voor het meten van afstanden naar de sterren.
Kepler berekende ook het geboortejaar van Jezus Christus.

terug naar de Inhoud

3. Bron: scheppingswetenschap.nl

Johannes Kepler (1571 - 1630)
Er is niemand die zal ontkennen dat Johannes Kepler in de wetenschapsgeschiedenis een goudenmedaillewinnaar is. Deze grootse Duitse wiskundige en astronoom (in de tijd van de King James Bijbel en de Engelse pelgrimstochten naar Amerika) ontdekte enkele fundamentele natuurwetten die de tand des tijds hebben doorstaan en vandaag de dag nog steeds alom worden gebruikt. Hij leidde de wiskunde in de wetenschap naar nieuwe hoogten, zoals het eerste gebruik van logaritmen in de astronomie en het fundament van de integraalrekening. Hij deed diverse uitvindingen en was een van de stuwende krachten achter de beweging van de wetenschap van slaafsheid aan menselijke autoriteit naar een empirisch fundament en van bijgeloof naar wiskundige wetmatigheden. Hij hielp de mensheid begrijpen hoe het heelal werkt.
Toen de grote Isaac Newton zei dat zijn vermogen om verder te kijken dan anderen te danken was aan het feit dat hij "op de schouders van reuzen stond", moet hij ongetwijfeld Kepler in gedachten hebben gehad. Het leven van deze nederige, vrome christen uit een arm, ongeletterd gezin was gevuld met moeilijkheden. Desondanks werd hij een volmaakt voorbeeld van een christen die uitstekend wetenschappelijk werk verrichtte op basis van theologische motieven; Kepler wilde wetenschap doen om God te dienen. In zijn eigen woorden: "Hij dacht slechts achter Gods gedachten aan". Ieder die denkt dat het christendom schadelijk is voor de wetenschap, moet eens beter kijken naar het leven van deze reus van de wetenschap - en van het christelijke geloof.

Kepler wordt gezien als de 'vader van de hemelmechanica'. Het verhaal over hoe hij acht jaar lang werkte aan het ontcijferen van de banen van Mars en de andere planeten op basis van de waarnemingen van Tycho Brahe is legendarisch. Kepler was een perfectionist: 'goed genoeg' was voor hem niet goed genoeg.
Hij begon met de algemeen aanvaarde aanname dat de banen van de planeten perfecte cirkels waren. Hij had bovendien een aanlokkelijke hypothese dat er een relatie bestond tussen de verhoudingen van de afstanden van de banen en de regelmatige veelvlakken, maar dat bleek niet helemaal te werken. Keplers genialiteit en integriteit dwongen hem om zijn geliefkoosde theorie te laten varen en de waarheid te ontdekken.
Na vele jaren werk en duizenden bladzijden gevuld met langdradige berekeningen, ontdekte hij dat de data pasten bij de formule voor een ellips... en eindelijk viel alles op zijn plaats. Dit laat zien dat in de wetenschap een fundamentele waarheid vaak gevonden wordt in details die niet passen bij het bestaande verwachtingspatroon.
Een eerlijk wetenschapper zal zijn conclusies baseren op de waargenomen data, en Keplers ontdekking betekende een doorbaak in de geschiedenis van de wetenschap. Met deze ontdekking overwon hij de foutieve gedachte die Ptolemaeus, Aristoteles en zelfs Copernicus deelden en die al 1500 jaar de ronde deed, namelijk dat de banen van de hemellichamen cirkels waren.

Uit deze ontdekking leidde Kepler zijn drie beroemde natuurkundige wetten af. Deze waren de eerste werkelijk wetenschappelijke wetten, omdat zij gebaseerd waren op empirische data en niet op autoriteit of Aristoteliaanse logica. Kepler stelde precieze wiskundige relaties vast die de beweging van de banen beschreven:
(1) de banen van de planeten zijn ellipsen, met de zon als een van de brandpunten; daardoor
(2) de beweging van een lichaam is niet gelijkblijvend, maar versnelt dichter bij de zon (de verbindingslijn tussen de zon en de planeet bestrijkt in gelijke tijdsintervallen dezelfde oppervlakte); en
(3) hoe verder de planeet van de zon verwijderd is, hoe langzamer zij beweegt (het kwadraat van de omlooptijd is evenredig met de derde macht van haar halve lange as).

Newton legde deze relaties later uit in zijn gravitatiewet, maar Keplers wetten zijn vandaag de dag nog net zo nauwkeurig als toen hij ze voor het eerst formuleerde en bleken zelfs nuttiger dan hij zich ooit had kunnen voorstellen! Het Jet Propulsion Laboratory van NASA gebruikt Keplers wetten om ruimtevaartuigen door het zonnestelsel te navigeren en astronomen hebben het regelmatig over Kepleriaanse banen, niet alleen als het om ons zonnestelsel gaat, maar ook bij de omloopbanen van sterren rond sterrenstelsels en de omloopbanen van sterrenstelsels rond clusters en superclusters.
Het hele heelal gehoorzaamt Keplers wetten, of - zoals hij het liever zou hebben gezegd - het hele heelal gehoorzaamt Gods wetten die hij slechts blootlegde. Hij zei: "Omdat wij astronomen priesters van de allerhoogste God zijn aangaande het boek der natuur, is het gepast dat wij ons niet zozeer bewust zijn van de glorie van ons verstand, maar - boven alle dingen - van de glorie van God."

Deze ontdekkingen zouden op zich al voldoende zijn om Keplers plaats in de 'hall of fame' van de wetenschap te garanderen, maar er is nog veel meer. Niet alleen was Kepler de vader van de hemelmechanica, hij wordt ook gezien als de vader van de moderne optiek. Hij vergrootte het begrip van reflectie, lichtbreking en het menselijke gezichtsvermogen, en verbeterde de bestaande brillen voor zowel bijziendheid als verziendheid én de telescopen waarmee zijn collega Galileo (met wie hij correspondeerde) voor het eerst de ruimte had ingetuurd. Hij vond de zogenaamde 'gaatjescamera' uit en ontwierp een mechanische rekenmachine. Hij onderzocht natuurverschijnselen en deed andere fundamentele ontdekkingen over de hemellichamen, zoals de rotatie van de zon en het feit dat de oceaangetijden voornamelijk door de maan worden veroorzaakt (een idee waarvoor Galileo hem uitlachte, maar Kepler bleek gelijk te hebben).
Hij voorspelde dat de trigonometrische parallax gebruikt zou kunnen worden om de afstanden tot de sterren te meten. Ook al waren de telescopen in zijn tijd te grof om de parallaxverschuiving te kunnen detecteren, toch bleek hij wederom gelijk te hebben. De recente Hipparcos satelliet gebruikte dit principe om onze metingen van duizenden sterren te verfijnen. Keplers ontdekkingen vormen tezamen een indrukwekkende lijst.

Men zou kunnen denken dat een mens wel uit een heel bevoorrechte familie afkomstig moet zijn om dergelijke grote hoogten te kunnen bereiken, maar niets was minder waar voor deze en andere grote christenen in de wetenschap zoals Newton, Carver en Faraday. Kepler was afkomstig uit een arm, ongeletterd gezin. Hij was vaak ziek en had geen enkel voordeel in zijn leven op basis waarvan zijn succes voorspeld had kunnen worden. Zijn moeder was een lichtzinnige, vaak bijgelovige vrouw en zijn vader was een rondreizende huursoldaat, die vaak van huis was om op het slagveld voor de hoogste bieder ten strijde te trekken.
Op zesjarige leeftijd zag Kepler de Grote Komeet van 1577. In die tijd werden kometen beschouwd als slechte voortekens, maar Kepler raakte erdoor gefascineerd. Later kocht en exploiteerde zijn vader een volkscafé; de jonge Johannes moest nu hard werken om te helpen het kwakkelende familiebedrijf draaiend te houden (later, toen de zaak over de kop ging, liet zijn vader zijn gezin in de steek). Toen Kepler de kans kreeg om naar school te gaan, maakte hij grote sprongen voorwaarts door zijn combinatie van genialiteit en ijver.
Hij was van nature een godvruchtig mens en besloot daarom dat hij God zou dienen als geestelijke. Hij studeerde twee jaar aan een seminarie van de Universiteit van Tübingen, waar hij onderwezen werd in Latijn, Grieks, Hebreeuws, wiskunde en de gebruikelijke Griekse filosofie. Maar hij kwam hier ook in aanraking met de nieuwere ideeën van Copernicus en mensen die eraan twijfelden dat de Grieken het laatste woord hadden op het gebied van kennis. Toen hij onder druk werd gezet om een baan te accepteren als wiskundeleraar in Graz, 800 kilometer verderop, stelde hij zijn plan om een lutherse predikant te worden met tegenzin uit.
In 1597 werd hij uit Graz verdreven door de druk van de katholieke contrareformatie. Hij verhuisde naar Praag, waar hij de assistent werd van de grootse, maar excentrieke astronoom Tycho Brahe, de beste observator van hemellichamen in zijn tijd. Toen Brahe in 1601 overleed, erfde Kepler al zijn vastgelegde waarnemingen van Mars. Hij legde zich toen helemaal toe op het ontraadselen van het probleem van de omloopbaan van Mars en de rest is geschiedenis. Kepler werd de hofmathematicus van de keizer totdat zijn gezin zich in 1612 door godsdienstige oorlogen opnieuw gedwongen zag te verhuizen, ditmaal naar Linz. Daar publiceerde hij, als mathematicus van het district, nog meer werken en ontdekte hij zijn derde wet van de hemelmechanica. Hij verhuisde in 1626 nog drie keer en stierf uiteindelijk in 1630.

Ondanks zijn successen was Keplers leven gevuld met moeilijkheden, armoede, politieke onrust, valse beschuldigingen en zwaar werk. Hij werd gekweld door complicaties van een pokkenaanval die hij op jonge leeftijd had gehad. Hij had daardoor in zijn verdere leven een groot aantal kwalen. Zijn eerste vrouw kon zijn werk niet waarderen en stierf op jonge leeftijd; drie van hun vijf kinderen stierven als zuigelingen. Kepler hertrouwde later, maar slechts twee van zijn zeven kinderen bereikten de volwassen leeftijd. Door de Dertigjarige Oorlog werd hij herhaaldelijk gedwongen om te verhuizen. Als lutheraan stond hij niet alleen tussen de katholieken en de protestanten in, maar ook tussen de lutherse en de calvinistische geschillen aangaande de communie, de doop en andere onderwerpen. Hij vond dat geen van de beide groepen volledig in overeenstemming was met zijn begrip van de Schrift.
Omdat hij alleen aan het Woord van God zelf trouw was, stond hij vaak op gespannen voet met enkele van zijn mede-protestanten. In een tijd vol godsdienstige onrust en bijgeloof leek hij - tussen de verschillende extreme posities - de enige met werkelijke wijsheid en evenwicht. Hij moest zijn moeder verdedigen toen zij valselijk beschuldigd werd van hekserij. Hij zag zich door oorlogen en de pest meerdere malen gedwongen om te verhuizen; drie keer op het hoogtepunt van zijn carrière en drie keer na zijn vijfenvijftigste levensjaar. Hij kreeg nooit betaald voor wat hij waard was; zelfs in die tijd werd al vaak betaald met schuldbewijzen, die maar nooit leken te worden uitbetaald. Zijn vroegtijdige dood was het gevolg van een kou die hij had opgelopen toen hij een zware reis aflegde in een poging om achterstallige betalingen te innen uit de keizerlijke schatkist - een schuld die zelfs zijn nakomelingen later maar met moeite wisten te innen.

Kepler zag zichzelf nooit als een beroemd persoon en was vaak depressief vanwege zijn zware omstandigheden. Toch had hij een innerlijke vreugde die zijn voorstellingsvermogen verhief wanneer hij nadacht over de hemelen en hoe alles werkte volgens het wiskundige plan van de Schepper. De astronomie was zijn 'uitvlucht uit de werkelijkheid' wanneer de moeilijkheden en de dwaasheden van de samenleving hem teveel werden. Hij stelde zich voor hoe mensen door de ruimte zouden reizen en speculeerde over aarde-achtige planeten rond verafgelegen sterren. Hij schreef tachtig boeken, waaronder het eerste sciencefictionverhaal 'Somnium' ('De droom', over een denkbeeldige vlucht naar de maan) en natuurlijk technischer verhandelingen zoals de volledige compilatie van Tycho's data met gebruik van logaritmen, 'De Rudolphinische tafelen'; dit werk leverde een grote bijdrage aan de bevordering van de heliocentrische theorie.

Kepler bouwde op een Pythagorese voorstelling van het heelal, waarin getallen en wiskundige relaties de kern van alle dingen vormen, maar hij goot dit in een karakteristiek christelijke gedaante. Voor hem was de God van de Schriftteksten de grote Mathematicus. Keplers belangrijkste werk, de 'Harmonice mundi' ('De harmonie van de wereld') beschreef zijn idee dat de hemellichamen een soort hemelse 'muziek van de sferen' zou maken als uitwerking van de gedachten van God, in een perfecte geometrische harmonie. In dit boek drukte hij zijn geloof uit dat de wereld van de natuur, de wereld van de mens en de wereld van God allemaal samen passen in een harmonieus systeem dat door de wetenschap onderzocht zou kunnen worden.

Ooit geloofde Kepler dat een leven als geestelijke de enige manier was waarop hij God zou kunnen dienen en zijn waarheid zou kunnen verkondigen, maar hij ontdekte dat astronomie en wiskunde óók een bediening waren: een manier om deuren te openen naar de gedachten van God.
Zijn hele leven lang was Kepler een diep geestelijk en gelovig mens. Hij zei: "Laat ook mijn naam vergaan, als de naam van God de Vader maar wordt verhoogd." Op 15 november 1630, op zijn sterfbed, vroeg men hem waarop zijn hoop op verlossing was gericht. Vol vertrouwen en vastberaden getuigde hij: "Enkel en alleen op de verdiensten van Jezus Christus. In Hem is alle toevlucht, alle troost en alle heil."


terug naar Doelstelling geestkunde

terug naar het weblog







^