Kernpunten van geestkunde

Deze reeks korte artikelen is geplaatst op de sociale media YouTube, Facebook, Instagram en LinkedIn (zie in het Menu onderaan).
- Klik hier voor een lijst met de gesproken tekst (podcasts) op YouTube
- en hieronder voor de geschreven tekst.

Inhoud

1. Geestkunde
2. Het waarnemen
3. Het denken
4. Het voelen
5. Het willen
6. Geest, ziel en lichaam
7. Geest en hersenen
8. De innerlijke stem
9. De innerlijke voorstelling
10a. Persoon en persoonlijkheid
10b. De persoonlijkheidskenmerken
11. Het ingekeerde willen
12. Het uitgekeerde voelen
13. Het uitgekeerde denken
14. Het ingekeerde waarnemen
15. Het uitgekeerde waarnemen
16. Het ingekeerde voelen
17. Het ingekeerde denken
18. Het uitgekeerde willen
19. Het innerlijke evenwicht
20a. Het geweten
20b. De deugden
21. Geestgedaante en lichaam
22. De chakra's
23. Het 'bewustzijn'
24. De onbewustheid
25a. De onbewuste vereenzelviging
25b. De onbewuste vereenzelviging
en de vermogens

1. Geestkunde
Zo op het eeste gezicht lijkt geestkunde iets te zijn, wat niet van deze wereld is. Dus waarom zou je je er mee bezighouden? Toch is het onderscheid tussen geest, ziel en lichaam een onderwerp, waar filosofen en godsdiensten al eeuwen aandacht voor hebben. En ondanks het wetenschappelijke denken dat al sinds de Verlichting of Eeuw van de Rede in de 18e eeuw bestaat, is dit onderwerp niet uit ons gezichtsveld verdwenen. In tegendeel, ook nu nog wordt er over geschreven, ook door natuurwetenschappers zoals Kepler, Newton en Einstein, en in deze serie geestkunde.

Sinds het begin van het Verlichtingsdenken zijn wij veel te weten gekomen over het menselijke lichaam en de werking van organen, wat is samengevat in de biologie, de kennis van het leven. Maar we vergeten dat dat mogelijk is geweest doordat we gebruik hebben gemaakt van onze geestelijke vermogens, zoals het waarnemen, denken en willen. We zijn ons voortdurend bewust van de gedachten die we hebben gevormd over de werking van ons lichaam, maar... we zijn ons niet bewust van de werking van het denkvermogen, dat dit als enige mogelijk heeft gemaakt.

De hele dag door zijn we voortdurend bezig alles wat om ons heen gebeurt waar te nemen, zodat we ons er bewust van zijn. Alles wat we zo in ons opnemen, beoordelen we door die gebeurtenissen te overdenken en te doorvoelen. Zo vormen we gedachten en gevoelens over wat zij voor ons betekenen en nemen we besluiten als we er iets mee willen gaan doen. Dat uiten we door uitspraken te doen over die gebeurtenissen en in verband daarmee handelend op te treden.

De werkzaamheid van die geestelijke vermogens: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen ervan en er iets mee willen doen, verloopt onmerkbaar op de achtergrond in onszelf als geest, de vermogende levenskracht. De eigenschappen van de geest en de werkzaamheid van die vermogens, in onszelf als menselijke geest en in onze medemensen met wie wij dagelijks omgaan, zijn de onderwerpen van geestkunde.
Het doel ervan is ons bewust te worden van de bron van ons denken, voelen en handelen, en die zodanig te leren beheersen, dat wij in vrede met onze medemensen kunnen samenleven.

terug naar de Inhoud

De kringloop van het geestelijke leven van de mens (uit: Emanuel Swedenborg, Hemelse Verborgenheden 10057)
"Het is bekend dat de dingen die door de ogen worden gezien en door de oren worden gehoord, innerlijk door de mens worden waargenomen en als het ware door de ogen of de oren de wereld verlaten en in de gedachte overgaan [denken], en zo in het begrip, want gedachten zijn van het begrip; en als het dingen zijn die geliefd zijn [voelen], gaan ze vandaar over in de wil [willen] en van de wil, door een verstandelijke manier in de spraak van de mond en ook in de handeling van het lichaam.
Zo is de kringloop van dingen vanuit de wereld door de natuurlijke mens heen in zijn geestelijke mens; en van hieruit weer de wereld in."

2. Het waarnemen
De innerlijke werkzaamheid van de vermogens en de uitwerking ervan in uitspraken, handelingen en gedrag, is dat, waardoor de eigenschappen van de menselijke geest onmiddellijk ervaarbaar zijn. Met dat wat van de geest rechtstreeks ervaarbaar is, zal deze reeks artikelen worden begonnen.

Het waarnemen is het vermogen gebeurtenissen en kennis uit de buitenwereld in je op te nemen. Het is letterlijk 'waren in je opnemen'. Dat doe je door je zintuigen heen: door kijken, horen, ruiken, proeven en tasten.
Je ziet bijvoorbeeld een boom. Het beeld daarvan valt op het netvlies achter in je oog. Daar wordt de oogzenuw geprikkeld, die het beeld door de oogzenuw doorgeeft aan de hersenschors in het achterhoofd. Daar zenden de geprikkelde hersencellen een magnetisch veldje uit, dat in de ziel (wordt later behandeld) wordt omgezet in een zielebeeld: een geestelijke afdruk van de boom in je ziel. Jij als menselijke geest in het midden van je ziel stelt je open voor dat beeld en neemt het door waar te nemen in je op. Daardoor wordt het een beeld in jezelf en daardoor krijg je weet van die boom, zo wordt jij als geest je bewust van die boom. Door waar te nemen kom jij als geest in een toestand van bewustzijn. Je stelt je open voor inwerking van beelden uit de buitenwereld en daardoor krijg je weet van die wereld.

Meestal staan je zintuigen open voor inwerking uit de buitenwereld en onwillekeurig dringen gebeurtenissen daaruit bij je naar binnen. Maar je kunt je waarnemingsvermogen ook bewust op een bepaald onderwerp richten en dat heet: aandachtig zijn, ergens aandacht voor hebben, aandacht schenken.
Zo kun je je aandacht richten op wat een medemens je vertelt. Je laat dan bewust tot jezelf toe wat die persoon je wil vertellen en neemt dat in je innerlijk op, waardoor je je in die mens kunt verplaatsen en kunt gaan meeleven. Aandacht is daardoor het mooiste wat je je medemens kunt schenken.

Als je hebt geleerd je omgeving aandachtig waar te nemen, komt er een bijzondere eigenschap daarvan tot ontwikkeling: je schoonheidszin. Je gaat in je omgeving schoonheid ontdekken door het zien van overeenstemming in vormen, kleuren en klanken.

terug naar de Inhoud

3. Het denken
in het verloop van de geestelijke werkzaamheid volgt bij een denker op het waarnemen het denken. De menselijke geest kan alleen over een onderwerp nadenken als die zich daarvan bewust is geworden door waar te nemen. Zoals de geest door het waarnemen in zichzelf ervaringsbeelden vormt, zo door te denken gedachten als denkbeelden.

Door te denken vorm je een begripsmatig oordeel over een onderwerp, een vraagstuk. Dat doe je door het te ontleden, de hoofdzaak van bijzaken te scheiden en zo tot de kern door te dringen. Zo krijg je inzicht en begrijp je de zaak. Het begrijpen is de 'verstandelijke behandeling' ervan, waarbij je door een 'afstandelijke houding' het geheel kunt blijven overzien.
Als je op deze manier het vraagstuk hebt ontleed, kun je de dingen op een rijtje zetten, waardoor de samenhang tussen de onderdelen van een vraagstuk duidelijk wordt. Een vraagstuk kan bijvoorbeeld meerdere oorzaken hebben. Die zijn dan te duiden, wat de zaak verheldert en je de betekenis die het voor je heeft, kunt begrijpen.

Daarna kun je door te redeneren de verschillende aanzichten van een vraagstuk die je hebt onderkend, verbinden met gelijksoortige ervaringen die je al eerder met deze vraagstukken hebt meegemaakt. In tegenstelling tot de ontledende werkzaamheid van het verstand is redeneren een verbindende werkzaamheid. Door te redeneren kun je tot een samenvatting komen en tot een gevolgtrekking, een slotsom en daarmee tot een oplossing voor het vraagstuk. Daarna kun je ook doorredeneren en andere verbanden met vroegere ervaringen of kennis vinden, die eerst nog niet duidelijk waren.

Hoe meer je je op deze verstandelijke en redelijke wijze al denkend met je ervaringen en kennis bezighoudt, hoe meer samenhang je erin ontdekt waardoor je in kortere tijd tot wijzere besluiten kunt komen. Het tot ontwikkeling gekomen denken is de zin voor de waarheid en wordt door wijsheid gekenmerkt. Dat betekent het vinden van zinvolle oplossingen voor de vraagstukken, die zich in de loop van de tijd voortdurend aandienen. Daardoor zul je steeds zelfstandiger in het leven komen te staan en daardoor ook in staat zijn medemensen met wijze raad terzijde te staan.

terug naar de Inhoud

4. Het voelen
in het verloop van de geestelijke werkzaamheid volgt bij een gevoelsmens op het waarnemen het voelen. De menselijke geest kan alleen een gebeurtenis doorvoelen als die zich daarvan bewust is geworden door waar te nemen. Zoals de geest door waar te nemen ervaringsbeelden in zichzelf vormt, zo door te voelen een gemoedstoestand.

Zoals denken voor de geest het verbinden van twee zaken is, is voelen het verbinden van twee persónen met elkaar: de richting van het denken staat dwars op het voelen. Door te denken vormt de geest denkbeelden in zichzelf, maar door te voelen komt de geest zélf als geheel in een bepaalde gevoelstoestand. Door te voelen is de geest zelf in een toestand van blijdschap, dankbaarheid, liefde of somberheid, ontevredenheid, boosheid.
Het vermogen om de voelen betreft het menselijke wezen zelf, de geest als geheel en is daardoor wezenlijker dan het denken, maar even onmisbaar om een gelukkig mens te kunnen worden. Dus de mens heeft gedachten als een bezít, maar is zélf zijn of haar gemoedstoestand.

Het voelen is je open willen stellen voor de gemoedstoestand van een ander, waardoor je die a.h.w. zelf ervaart en je daardoor met de ander meeleeft. Daardoor voel je de aandrang je voor de ander in te zetten, alsof het jezelf betrof. Je zet je daardoor in voor de geest die het wézen is in die ander, waardoor het voelen het meest geestelijke vermogen is. Het is het vermogen waarmee de geest werkzaam is in de kern, in het hart en zich van daar uitstrekt naar het hart van de ander.
Het ontwikkelde voelen leidt daardoor tot gemeenschapsvorming. Een gemeenschap komt tot stand en blijft bestaan, zolang de leden ervan door hun gedrag wederkering een gevoel van vertrouwen in elkaar wekken.

Om lief te kunnen hebben zijn er twee nodig, die, door zich liefdevol tegenover elkaar te gedragen er evenwichtig toe bijdragen, dat de vertrouwensband blijft bestaan. Maar een gevoelstoestand kan ook in de menselijke geest zelf ontstaan door te genieten van de schoonheid van een landschap of muziekstuk. De schoonheidszin van het waarnemen wekt door de verbinding ermee een gevoel van liefde op, wat voor de geest een vreugdevolle ervaring is.

terug naar de Inhoud

5. Het willen
De menselijke geest is in wezen de vermogende, bewuste levenskracht in de mens. De geest is een kracht, die bewust kan zijn; die toestand van bewust te zijn hangt samen met het waarnemingsvermogen en de kracht met de wilskracht. Daarnaast beschikt de geest over twee oordelende vermogens: denken en voelen; daarmee kan de geest beoordelen welke waarde de waargenomen onderwerpen voor de menselijke geest, de persoon kunnen hebben.

De kracht geeft aan de geest het vermogen om werkzaam te zijn en de wijze waarop is het waarnemen, denken en voelen: de geest wil waarnemen, wil denken en wil voelen. Omgekeerd sturen de oordelende vermogens, denken en voelen, de richting waarin de geest de wilskracht beweegt (zoals een ruiter een goed getemd paard). Zonder deze sturing zou de levenskracht de geest meeslepen in een wilde en zinloze beweging (een op hol geslagen paard).
Een kracht bezit het vermogen om in beweging te komen en arbeid te verrichten, maar ook het vermogen weer tot rust te komen; een kracht kan in een toestand van inspanning en ontspanning verkeren; de geest is een zichzelf opwekkende levenskracht, maar ook een zichzelf tot rust brengende kracht. Beweging en rust zijn twee wezenlijke kenmerken van de menselijke geest, die met elkaar in evenwicht moeten zijn voor een goede geestelijke werkzaamheid.

Weliswaar is het verloop van de vermogens waarnemen, denken, voelen en willen, maar doordat de geest een bewuste levenskracht is, zijn ook het willen en waarnemen met elkaar verbonden, waardoor er een kringloop kan ontstaan. Als je iets hebt waargenomen en dat hebt overdacht en doorvoeld, en daarop een besluit hebt genomen dat je met je wilskracht hebt uitgevoerd, dan wil je waarnemen of je overdenking, doorvoeling en daarop volgende handeling, toepasselijk en zinvol zijn geweest. Zo ontstaat een voortdurende kringloop in de werkzaamheid van de vermogens... waardoor deze zichzelf tot ontwikkeling brengen.
Hierdoor ontstaat een geleidelijke krachtsontplooiing die van de menselijke geest een zelfstandig werkzame en zelfscheppende eenheid maakt met ondernemingszin, die leidt tot zelfwerkzaamheid en volharding in een zichzelf gesteld doel.

terug naar de Inhoud

6. Geest, ziel en lichaam
Zoals beschreven zijn de vermogens eigenschappen van de menselijke geest. Voor het geopende geestesoog ziet de geest er uit als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte kunnen zich in twee, tegenovergestelde toestanden bevinden: van buitenaf vormbaar en van binnenuit zelfvormend door een scheppende zelfwerkzaamheid van de geest.
Met die eigenschappen hangen de vermogens samen. Door waar te nemen stelt de geest het innerlijke licht vormbaar open, waardoor daarin ervaringsbeelden van buiten kunnen ontstaan en de geest weet krijgt van wat daar gebeurt; door te denken vormt de geest daarover in zichzelf denkbeelden, wat lichtbeelden zijn; door te voelen stelt de geest de warmte, de gemoedstoestand vormbaar open om zo met een ander mens mee te kunnen voelen; door te willen vormt de geest uit zichzelf warmte om tot wilskracht, waardoor de geest zich kan uitspreken en kan handelen.

Tijdens het verloop van die innerlijke werkzaamheid ontstaat een reeks van lichtbeelden en warmtetoestanden in de geest, die deze stroom met de wilskracht op bepaalde delen van de hersenschors afdrukt, zodat die naar buiten toe tot uiting komt als uitspraken, gemoedsuitingen en gedrag.
Daar die geestelijke werkzaamheid steeds doorgaat, zouden de voortbrengselen daarvan: de gevormde gedachten, gevoelens en wilsbesluiten, na die uitingen verloren gaan. Om dat te voorkomen, houdt de geest tegelijkertijd een afdruk van die voortbrengselen vast in de uitstraling (de aura) om zich heen: dat is de ziel (van salida: zaal). De werkzaamheid van de vermogens binnen de geest (van ghei: aandrijven) vormt die uitstraling. De gevormde gedachten, gevoelens en wilsbesluiten kunnen daar worden vastgehouden in het geestelijke deel van het geheugen: een ruimte in de ziel om de geest heen. Daarin bevinden zich gedachten als lichtbeelden en gevoelens als kleuren. Tegelijkertijd wordt er ook een afdruk gemaakt op hersenschorscellen in de vorm van netwerken: die vormen het stoffelijke deel van het geheugen.
De ziel als zijn uitstraling is een eigenschap van de werkzame geest, zoals de zon om zich heen licht en warmte uitstraalt.

terug naar de Inhoud

7. Geest en hersenen
De geest bestuurt het lichaam middels de hersenen, het hoofdorgaan. Om dat mogelijk te maken, zijn zij aangepast aan de eigenschappen van de geest, zoals een voertuig aan de bestuurder. Zij zijn verdeeld in een LINKer- en rechterhelft, en overdwars door een middengroef in een voorste en achterste helft.
De werkzaamheid van het waarnemen hangt samen met het achterste, die van het willen met het voorste deel. De LINKerhelft voor bevat (bij rechtshandigen) gebieden met cellen die gevoeliger zijn voor de denkwerkzaamheid (zoals woordbegrip, grammatica en geheugen), zodat de geest daarop gedachten kan afdrukken; de rechterhelft voor bevat gebieden gevoeliger voor het voelen (het aanvoelen van de gemoedstoestand in gezichtsuitdrukkingen, van de toon van de stem en van kunstvormen).
Hersencellen hebben zich zo ontwikkeld, dat door hun geestelijke prikkelbaarheid de verbinding tussen geest en stof mogelijk wordt (zie daarvoor geestkunde.net, wisselwerking geest hersenen), waarvoor de ziel, uitstraling van de geest, overdrachtsmiddel is. Alle gebeurtenissen in de hersenen zijn een weerspiegeling van geestelijke werkzaamheid in de stof; maar als de geest de hersenen niet gebruikt (slapen), sturen zij alleen de orgaanwerkzaamheid aan.

Als de geest zijn werkzaamheid op de cellen van de hersenschors overbrengt, worden de ermee verbonden zenuwen en spieren geprikkeld, waardoor de geest het lichaam in beweging kan brengen en zich ermee in de buitenwereld uitdrukt in de vorm van uitspraken en handelingen; door het achterste deel van de schors heen worden beelden van buiten in de ziel gevormd en daar door de geest waargenomen.
Voor het geestesoog zien de werkzame vermogens in de geest eruit als stromingen van verdunningen en verdichtingen van licht, waardoor lichtvormen ontstaan, samen met veranderingen in de warmtetoestand in de geest. Daardoor ontstaat een ruimtelijk, beweeglijk weefsel van licht- en warmtestromingen, die op de hersencellen en hun verbindingen worden afgedrukt, waardoor de hersenwerkzaamheid nauwkeurig de geestelijke werkzaamheid volgt. Zo verbindt de geest door middel van de hersenen de eigen werkzaamheid met het lichaam en kan die zich in de buitenwereld uitdrukken.

terug naar de Inhoud

8. De innerlijke stem
Filosofen en godsdiensten maken wel een onderscheid tussen lichaam, ziel en geest, maar hersenwetenschappers niet; zij trachten geestelijke eigenschappen alleen vanuit de werkzaamheid van de hersenen te verklaren. Zo zou ook de 'innerlijke stem' een werkzaamheid van een hersencentrum zijn met de naam Gebied van Wernicke. Dit ligt net boven het LINKer oor in de hersenschors en is het geheugengebied voor de betekenis van woorden. Daar zou de innerlijke stem moeten kLINKen.
Maar als je met gesloten ogen tot jezelf inkeert voor innerlijke overwegingen, doe je de onmiskenbare ervaring op dat je innerlijke stem zich in de ruimte van je voorhoofd bevindt, in het midden, net boven je ogen. Daar bevinden zich de hersenkwabben waar ook volgens die hersenwetenschappers wordt gedacht en besluiten worden genomen. iedere mens die tot zichzelf inkeert, ervaart op die plaats in de 'innerlijke ruimte' van het voorhoofd aanwezig te zijn, met zelfbesef, bewust van zichzelf als de persoon, de menselijke geest. In die 'ruimte' in het innerlijk van jezelf, hoor je je innerlijke stem met je geestesoor als een gevolg van je eigen werkzaamheid met je geestelijke vermogens, in jezelf als menselijke geest.

Je herinnert je bijvoorbeeld een bepaalde gebeurtenis (1) en door die waar te nemen, neem je die in je innerlijk op om die te beoordelen door die te overdenken en te doorvoelen (2). Die overwegingen zijn een innerlijk zelfgesprek, waarbij je in jezelf meerdere standpunten kunt innemen; daarbij vorm je er in jezelf gedachten en gevoelens over met de erbij behorende woorden. Die verwoordende werkzaamheid neem je in jezelf met je geestesoor waar en dat is de oorzaak van je innerlijke stem. Die gedachten en gevoelens bewaar je daarna in je geheugen (3).
Door bewust naar je eigen innerlijke stem te luisteren terwijl je een bepaald onderwerp overdenkt en doorvoelt, word je je onmiddellijk bewust van jezelf als werkzame geest en ben je rechtstreeks verbonden met de werkzaamheid van je geestelijke vermogens. Dit besef van je eigen geestelijke werkzaamheid leidt tot een onmiddellijke zelfbewustwording van jezelf als de vermogende geest.

terug naar de Inhoud

9. De innerlijke voorstelling
Veel mensen, 95% van de ondervraagden, zijn zich bewust van hun innerlijke stem. Daarvan ziet 35% ook innerlijke beelden. Zoals woorden worden gehoord met het geestesoor, een eigenschap van het waarnemingsvermogen, zo is dat ook het geval met het geestesoog voor beelden. in de binnenwereld die je als menselijke geest door uitstraling om je heen hebt gevormd, bevindt zich, verderop in die nog donkere ruimte, het geestelijke deel van je geheugen. Stoffelijke knooppunten die met de inhouden daarvan zijn verbonden, bevinden zich in de hersenschors. Als je je iets wilt 'herinneren', als je dat 'weer in je innerlijk' wilt brengen, dan richt je bewust je waarnemingsvermogen, dat is je aandacht, op dat onderwerp in je geheugen. Daardoor wordt dat belevendigd, waardoor het dichter bij jouzelf als geest komt te staan. Door je aandacht op een geheugeninhoud te richten, put je het uit je geheugen en 'haal je het voor de geest'. Je haalt het naar je toe en stelt het in je binnenwereld voor je, waardoor het een 'voorstelling' wordt.
Het onderwerp bevindt zich dan in je bewustzijnsruimte. Dat is het gebied in je ziel dicht om je heen, waarin zich de onderwerpen bevinden waarvan je je bewust bent. In die toestand ben je in staat die voorstelling, bijvoorbeeld een persoon, met je geestesoog waar te nemen. Je ziet daardoor in de ruimte voor je een min of meer vaag, doorschijnend beeld, dat je als de bedoelde persoon herkent. Je bent je als geest van dat beeld bewust, je hebt er weet van, doordat je door het waar te nemen een afdruk van dat beeld uit de binnenwereld van je ziel, in het innerlijk van jezelf als geest opneemt. Aan die afdruk zijn allerlei feiten verbonden, ervaringen met die persoon en kennis over zijn of haar achtergrond. Die afdruk kun je nu in jezelf beoordelen door die te overdenken en te doorvoelen. Daarna ben je in staat om de nieuw gevormde gedachten en gevoelsoordelen over die persoon weer in je geheugen vast te leggen, door ze uit jezelf weer naar je geheugen, in je eigen uitstraling, over te brengen. Hoe meer dat oordeel met een gevoel gepaard gaat, hoe beter je in staat bent het je later weer te herinneren.

terug naar de Inhoud

10a. Persoon en persoonlijkheid
Het woord 'persoon' komt van het Latijnse 'per-sonare': 'er doorheen kLINKen'. Het is de geest die door het lichaam heen gedachten, gevoelens en wilsbesluiten met woorden in de buitenwereld laat kLINKen: de geest 'kLINKt door de mond heen', m.a.w.: de geest is de persoon.
De persoon staat achter de persoonlijkheid en komt erin tot uitdrukking. De persoonlijkheid is het geheel van kenmerken van de persoon, de menselijke geest. Persoonlijkheid wordt ook wel 'karakter' genoemd, wat ook betekent: geheel van kenmerken; maar de persoonlijkheid is een bijzonder soort karakter, namelijk: dat van de persoon. Men kan bijv. wel spreken van het karakter van een landschap, maar niet van de persoonlijkheid ervan.

Door zijn geestelijke werkzaamheid is de geest de bron van gedachten, gevoelens en besluiten. Die zijn in de geest niet alleen lichtbeelden en warmtetoestanden, maar zij komen ook tot kLINKen als de innerlijke stem (zie 8). Als de geest een taal beheerst, vormen deze klanken herkenbare woorden. De geest is de bron van de woorden, die eerst in zichzelf tot kLINKen komen door zijn scheppende werkzaamheid. Daarna worden de gedachten en gevoelens door de ziel heen op de hersenschors afgedrukt, waarvandaan zij de stembanden en de tong in ermee overeenkomende beweging brengen. Zo worden zij door de mond heen ook tot kLINKen gebracht in de ruimte van de stoffelijke wereld.
De kenmerken van de persoonlijkheid, de 'trekken', worden bepaald door de ontwikkelingstoestand van de vermogens. Het enige wat de geest kan en waar die daardoor kan worden gekenmerkt, is door de vermogens. De persoonlijkheid wordt bepaald door de kenmerkende wijze waarop de geest ervaringen waarneemt, die in zichzelf door te denken en te voelen verwerkt en zich, als gevolg daarvan, op een bepaalde, kenmerkende en persoonlijke wijze, naar anderen toe wil gaan gedragen. In dat gedrag, in de persoonlijke manier van doen, komt de mate van zijn bewuste beheersing van de vermogens tot uitdrukking. Die bewuste beheersing van de vermogens is daardoor een maatstaf voor de beschrijving van de persoonlijkheid (zie de volgende serie persoonlijkheidstrekken).

terug naar de Inhoud

10b. De persoonlijkheidskenmerken
De geest is een bolvormige wolk van licht en warmte, waardoor er een binnenkant is: het innerlijk en een buitenkant: de buitenwereld. Daardoor kan de geest de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf richten, in het innerlijk en naar de buitenwereld; waardoor er twee instellingswijzen zijn: de in- en uitgekeerde instelling.
Bij de ingekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op zichzelf of op een groep waarmee een persoonlijke band bestaat; in die toestand geven persoonlijke doelen de doorslag bij besluiten. Bij de uitgekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op de gemeenschap: dan geven de doelen daarvan de doorslag.
De in- en uitgekeerde instelling vormen twee tegendelen, die elkaar aanvullen.

Ook denken en voelen zijn tegendelen. Door te denken houdt de geest de waargenomen dingen vast en haalt ze uit hun verband. Vervolgens wordt hun betekenis beoordeeld door vergelijking met kennis uit het geheugen. Dan wordt alles weer met elkaar verbonden, de nieuwe gegevens ingepast in bestaande kennis en worden nieuwe denkbeelden gevormd.
Door te voelen is de geest in staat zich in een ander mens in te leven door een gevoelsband te vormen, waardoor de ervaringen van de ander in zichzelf worden beleefd. Door zo een gevoel te laten vormen, de eigen gemoedstoestand, is voelen persoonlijk en verbindt het twee mensen met elkaar. Het denken verbindt feiten en voelen mensen.
Ook waarnemen en willen zijn tegendelen. Door waar te nemen staat de geest in verbinding met de wereld om zich heen, laat de dingen op zich inwerken door zich open te stellen en neemt zo indrukken in zich op. Door de wilskracht kan de geest zelf op de omgeving inwerken; als een besluit is gevormd, kan daarmee het besluit in een uitspraak of handeling worden omgezet om iets te ondernemen. De geest werkt op de omgeving in en daardoor zijn waarnemen en willen tegendelen.

in de innerlijke stem en in de persoonlijkheid zijn de vermogens herkenbaar. Daarin heeft meestal een van de vermogens en een van de instellingen de nadruk, waardoor er 8 persoonlijkheidskenmerken zijn en een 9e, als alle kenmerken in evenwicht zijn. Deze worden in de volgende serie beschreven. De volgorde komt overeen met de wiskundig onderbouwde getallenleer van Pythagoras (z.a.).

terug naar de Inhoud

11. Het ingekeerde willen (Pythagoras 1)
Het willen is de ondernemingszin, is daadkracht en volharding. De ingekeerd willende persoon wordt gekenmerkt door 'het willen van zichzelf'; deze persoon wil handelend optreden vanuit de eigen gedachten- en gevoelswereld om die te verwerkelijken door er anderen mee te begeleiden.
De ingekeerd willende persoon
- streeft er naar anderen iets te leren, te leiden en de weg te wijzen (leraar);
- zo iemand treedt op als voortrekker en baanbreker; heeft vernieuwende inzichten en durft daarmee voor de dag te komen, tegen de stroom in te gaan en anderen van de waarde ervan te overtuigen;
- brengt strijdvaardig misstanden aan het licht en wijst anderen op hun verantwoordelijkheid;
- is moedig, maar kan ook overmoedig zijn;
- kan niet rusten voor een werk waar men aan is begonnen, af is; maar kan daardoor ook zichzelf onder druk zetten, met een innerlijke gespannenheid als gevolg (perfectionist, idealist).
Door de ingekeerde instelling
- streeft zo iemand naar persoonlijke vrijheid om zelf een standpunt te kunnen bepalen en werkt daardoor het liefst als zelfstandige;
- deze persoon heeft een krachtig geloof in zichzelf en in de waarde van de eigen gedachten- en gevoelswereld, maar kan door de zelfgerichte instelling anderen van zich vervreemden en daardoor alleen komen te staan;
Het denken en voelen worden voor de doelen van het ingekeerde willen gebruikt:
- het denken wordt gebruikt om persoonlijke opvattingen te ontwikkelen en de juistheid ervan te bewijzen; heeft taalbeheersing;
- het voelen wordt gebruikt om bij anderen vertrouwen te wekken voor eigen inzichten.
Het waarnemen en de uitgekeerde instelling zijn het minst ontwikkeld,
- waardoor deze persoon een gebrekkige zin voor de werkelijkheid kan hebben doordat alleen de eigen denkbeelden worden gezien; daardoor wordt vaak niet gezien dat de inspanningen om anderen te leiden een averechts gevolg hebben, doordat men de persoon van de ander niet ziet staan;
- zo iemand kan worden teleurgesteld doordat mensen nu eenmaal niet zijn zoals hij of zij meent dat ze zouden moeten zijn, wat een prikkelbare houding tot gevolg heeft (het lot van de wereldverbeteraar),
- niet van het leven kan genieten.

terug naar de Inhoud

12. Het uitgekeerde voelen (Pythagoras 2)
Het voelen is de zin voor saamhorigheid en liefde: het is de liefdeszin; de uitgekeerd voelende persoon is gericht op het vormen van een gevoelsband met anderen.
De uitgekeerd voelende persoon
- heeft een ontwikkeld aanpassingsvermogen, waardoor de gemoedstoestand waarin anderen verkeren, wordt aangevoeld;
- voelt zo met anderen mee, dat die zich voor hen wil inzetten;
- kan eigen in- of ontstemming over een bepaald voorval niet voor zich houden, maar móet ze uitspreken: heeft 'het hart op de tong';
- gebeurtenissen móeten met iemand worden gedeeld;
- deze persoon is voor het éigen zelfgevoel afhankelijk van het kunnen zorgen voor ánderen;
- voelt zich daardoor zo verantwoordelijk voor de verstandhouding met anderen, dat de schuld eerst bij zichzelf wordt gezocht als daarin iets mis gaat.
Door de uitgekeerde instelling
- kan deze persoon niet leven zonder vriendschappen en streeft naar samenwerking;
- deze persoon houdt van gezelligheid en bouwt een grote kennissenkring op;
- voelt zich verantwoordelijk voor de gemoedstoestand van anderen en spant zich in om een goede sfeer te scheppen (de gastvrouw);
- voelt zich persoonlijk betrokken bij anderen en weet door dat te tonen het beste in de ander naar boven te halen (opvoeding, onderwijs, persoonlijke begeleiding),
- als er onenigheid ontstaat, ervaart zo iemand dat als onaangenaam en tracht door gesprekken en gevoelsmatig op iemand in te werken weer tot overeenstemming te komen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het uitgekeerde voelen:
- met het waarnemen wordt de gemoedstoestand van anderen gepeild,
- de wilskracht wordt gebruikt om met anderen mee te leven en zich voor hen in te spannen.
Het denken en de ingekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld,
- door het ontbreken van de vastheid van het denken is er een innerlijke onzekerheid en de behoefte aan herhaalde bevestiging van de goede verstandhouding;
- door het gebrekkige denken ontstaat onduidelijkheid bij het beschrijven van gedachten of gebeurtenissen; er wordt van uitgegaan dat de ander wel aanvoelt wat er wordt bedoeld, daardoor worden stappen in een redenering overgeslagen en springt men van de hak op de tak.

terug naar de Inhoud

13. Het uitgekeerde denken (Pythagoras 3)
Het denkvermogen is de zin voor inzicht en waarheid: het is de waarheidszin. De uitgekeerd denkende persoon overdenkt daardoor wat de betekenis is van voorwerpen en gebeurtenissen in de buitenwereld. Door het uitgekeerd denken
- is deze persoon verstandig, zakelijk en heeft verbeeldingskracht;
- zo iemand kan helder en opbouwend denken, kan gedachten goed onder woorden brengen;
- deze persoon streeft naar wetenschap, maar meer door verbreding van kennis dan verdieping ervan;
- zo iemand is voortdurend bezig inzichten te ontwikkelen en is op zoek naar eigenschappen en wetmatigheden in de natuur (natuurwetenschapper).
Door de uitgekeerde instelling
- vertoeft zo iemand graag in gezelschappen en voert dan al vlug de boventoon, doordat deze persoon de neiging heeft voortdurend verstandelijke oordelen met overtuiging uit te spreken;
- zo iemand streeft ernaar de eigen opvattingen bij anderen ingang te doen vinden, maar heeft ook de behoefte anderen tot denken aan te zetten door krachttermen te gebruiken en prikkelende uitspraken te doen;
- door de uitgekeerde instelling wil deze persoon voor de ander denken, wil anderen leiden en besturen door regels en wetten voor hen op te stellen (de bestuurder, manager);
- zo iemand weet het altijd beter en wil ook graag het laatste woord hebben.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het uitgekeerde denken:
- het waarnemingsvermogen wordt gebruikt voor wat men, vanuit de eigen gedachtenwereld, wil waarnemen, wil weten, onderzoeken,
- het willen is gericht op onderzoek in het eigen vakgebied of op het regelen van bijeenkomsten.
Het voelen en de ingekeerde instelling verkeren min of meer in een onontwikkelde toestand,
- waardoor de uitgekeerd denkende persoon ook kan worden gekenmerkt door ongevoelige uitspraken en een persoonlijke vooringenomenheid;
- door het gebrek aan medegevoel kan zo iemand worden gekenmerkt door starre rechtlijnigheid, iemand die zonder mededogen zegt waar het op staat;
- door het gebrek aan medegevoel bestaat de behoefte zich met anderen te meten, wat tot uiting kan komen als minachting en wedijver (de eerzuchtige wetenschapper, de zelfverzekerde politicus).

terug naar de Inhoud

14. Het ingekeerde waarnemen (Pythagoras 4)
Het waarnemingsvermogen is de zin voor de werkelijkheid, voor echtheid en schoonheid, en als dat naar binnen is gekeerd, dan betekent dat,
- dat deze persoon de beelden in de eigen binnenwereld als een werkelijkheid ervaart;
- wat ook geldt voor de buitenzintuiglijke ervaringen, de ingevingen en voorgevoelens, die daarin doordringen.
Door de ingekeerde waarneming
- worden de aandacht en werkzaamheden beperkt tot een klein gebied, waardoor deze persoon aandacht heeft voor kleinigheden, daardoor aandachtig en nauwkeurig werkt (boekhouder, ambtenaar);
- plichtsgetrouw is en zorgvuldig aan de toebedeelde taak werkt;
- door de ingekeerde waarneming heeft zo iemand een goed verbeeldingsvermogen en vormt daardoor in de eigen binnenwereld beelden en klanken, die vervolgens in de buitenwereld als kunstuitingen worden weergegeven (de kunstenaar, componist).
Door de ingekeerde instelling
- streeft zo iemand ernaar de schoonheid in de naaste omgeving te bevorderen door daar eerst persoonlijke aandacht voor te hebben en die schoonheid vervolgens voor zichzelf te beleven en ervan te genieten;
- zo iemand voelt zich thuis in een kleine, overzichtelijke leefgemeenschap, waar een persoonlijke band met de leden bestaat en houdt zich het liefst bescheiden op de achtergrond (de huisvrouw, medewerker);
- door de ingekeerde aandacht worden ingevingen en voorgevoelens opgemerkt en wordt er ook wat mee gedaan (de intuïtie, paragnost).
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de ingekeerd waarnemende persoon:
- het denken wordt gericht op praktische zaken en op bijzonderheden, kleinigheden,
- het voelen is gericht op een kleine kring van mensen, waarmee een persoonlijke band bestaat.
Het willen en de uitgekeerde instelling verkeren in een min of meer onbeheerste toestand,
- waardoor zo iemand gebrek heeft aan ondernemingslust, en zich daardoor aan behoeften van anderen aanpast en zich daardoor laat leiden;
- zich tot eigen nadeel kan laten gebruiken;
- maar wordt het gedrag van anderen te overheersend, waar zo iemand zelf aanleiding toe geeft, dan kan dat onbeheerste willen ook de oorzaak zijn van lijdzaam verzet of onverwachte opstandigheid.

terug naar de Inhoud

15. Het uitgekeerde waarnemen (Pythagoras 5)
Het waarnemingsvermogen is de zin voor de werkelijkheid en schoonheid, de uitgekeerd waarnemende persoon heeft daardoor aandacht voor personen, voorwerpen en gebeurtenissen in de buitenwereld.
Door de uitgekeerde waarneming
- en de aandacht voor voorwerpen is deze persoon zakelijk en praktisch;
- zo iemand is leergierig en wil veel te weten komen, maar blijft door de uitgekeerde instelling aan de oppervlakte;
- streeft ernaar van het leven te genieten in allerlei vormen: van eenvoudig zintuiglijk genot als eten en drinken (de levensgenieter) tot hoogstaand kunstzinnig genot (de kunstenaar, kunstkenner);
- deze persoon streeft naar afwisseling in de omgeving om veel ervaringen op te doen;
- er moet in de omgeving iets te beleven zijn, anders is er niets aan.
Door de uitgekeerde instelling
- heeft zo iemand de behoefte ook bij anderen aandacht voor iets te wekken en streeft er daardoor naar anderen iets te laten zien of hen iets te leren (de leraar, reisleider, gids);
- door de uitgekeerde instelling heeft deze persoon behoefte aan gezelligheid en drukte om zich heen;
- zo iemand is een gezelschapsmens en is graag het middelpunt van het gezelschap; kan uitgebreid en op boeiende wijze over allerlei ervaringen vertellen (is op feestjes de gangmaker).
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de uitgekeerde waarneming:
- het denken blijft daardoor beperkt tot de ervaarbare werkelijkheid;
- het voelen komt tot uiting in een welgemeende belangstelling, die echter wel oppervlakkig blijft.
Het willen en de ingekeerde instelling verkeren in een min of meer onbeheerste toestand,
- waardoor zo iemand ook ongeduldig kan zijn, kan overdrijven of door een zekere heftigheid wordt gekenmerkt;
- streeft naar vrijheid van handelen om de eigen zin te kunnen doen;
- niet lang stil kan blijven zitten, zich vlug verveelt en zich dan overgeeft aan tijdverdrijf en vermaak;
- zintuiglijk verleidbaar is en bij zintuiglijk genot onmatig kan worden;
- door het ontbreken van de ingekeerde instelling heeft zo iemand geen zin zich ergens in te verdiepen en heeft daardoor een afkeer van levensbeschouwelijke onderwerpen.

terug naar de Inhoud

16. Het ingekeerde voelen (Pythagoras 6)
Het voelen is de zin voor saamhorigheid en liefde: het is de liefdeszin. De ingekeerd voelende persoon is gericht op gevoelens die leven in zichzelf en in een kleine groep personen, met wie een vertrouwensband bestaat.
De ingekeerd voelende persoon
is hartelijk, trouw en aanhankelijk; zo iemand wil tegen de partner op kunnen kijken en op hem of haar kunnen steunen om zich veilig te voelen; als de partner kan worden vertrouwd dan zet deze persoon zich volledig voor hem of haar in;
- bijzondere gebeurtenissen móeten met de partner of een goede bekende worden gedeeld;
- zo iemand beleeft de gevoelsband met de ander in de vorm van een persoonlijke gemoedstoestand in zichzelf en voelt daardoor een persoonlijke betrokkenheid naar ander toe, leeft met de ander mee en heeft de neiging alles wat er tussen beiden gebeurt, zich persoonlijk aan te trekken;
- raakt vertederd door alles wat klein en hulpbehoevend is en wil dan graag voor die ander zorgen;
- zo iemand treedt opvoedend op vanuit een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor hen, met wie men zich persoonlijk verbonden voelt.
Door de ingekeerde instelling
- worden gevoelens en gedachten alleen geuit binnen een vertrouwde, persoonlijke verstandhouding;
- zo iemand heeft als het ware een aangeboren geloof in het hogere en heeft een verborgen, maar diep gevoel voor persoonlijke, geestelijke onderwerpen,
- en staat ook open voor ingevingen en voor het aanvoelen van komende gebeurtenissen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van de ingekeerd voelende persoon:
- het waarnemen is gericht op de persoonlijke behoeften van zichzelf en anderen en
- de wilskracht wordt gebruikt om anderen te begeleiden en te verzorgen (huisvrouw, verpleegster).
Het denken en de uitgekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld en
- daardoor kan de ingekeerd voelende persoon wel goed meedenken met anderen, maar een afkeer voelen om zelf gedachten te vormen en die te verwoorden;
- bij zo iemand ontbreekt de zekerheid van het eigen denken en hij of zij lijdt daardoor aan onzekerheid, zelftwijfel en angst;
- is daardoor kwetsbaar en weet zich niet te verdedigen tegen persoonlijke aanvallen.

terug naar de Inhoud

17. Het ingekeerde denken (Pythagoras 7)
Het denkvermogen is de zin voor inzicht en waarheid: het is de waarheidszin. De ingekeerd denkende persoon overdenkt het wezenlijke van zichzelf en overdenkt de onderwerpen, gedachten en kennis die aanwezig zijn in de eigen binnenwereld.
De ingekeerd denkende persoon
- is een vrijdenker met persoonlijke inzichten;
- is scheppend denkend werkzaam, maar op een beperkt gebied en kan daardoor de aandacht langdurig bij één bepaald onderwerp vasthouden;
- zo iemand streeft naar geestelijk inzicht door zelfonderzoek,
- hij of zij zoekt naar de zin van het bestaan en ontwikkelt daardoor geesteswetenschappelijke inzichten;
- door het ingekeerde denken kan zo iemand verborgen verbanden ontdekken;
- daardoor ontstaat er orde en samenhang in de eigen gedachtenwereld en daardoor kan die worden uitgebouwd tot een wijsgerig denkstelsel (de wijsgeer, de geesteswetenschapper).
Door de ingekeerde instelling
- is zo iemand echter beter in luisteren en schrijven, dan in spreken,
- en vóór die iets over een onderwerp wil zeggen, moet er een diepgaande studie over worden gemaakt;
- door de ingekeerde instelling uit zo iemand, ondanks een innerlijke rijkdom aan kennis en inzichten, zelden ongevraagd zijn of haar mening over iets;
- deze persoon streeft naar verdieping van inzicht en het begrijpen van de grondslag der dingen, en heeft daardoor uit zichzelf een godsdienstige instelling;
- hij of zij heeft belangstelling voor mystiek en doet uit eigen beweging geestelijke oefeningen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het ingekeerde denken:
- de aandacht wordt gericht op geestelijke onderwerpen en
- de wilskracht wordt gebruikt om zich langdurig met één onderwerp te kunnen bezighouden.
Het voelen en de uitgekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld en dat heeft tot gevolg dat zo iemand
- een verborgen gebrek aan zelfvertrouwen heeft en zich voortdurend onzeker voelt met betrekking tot het oordeel van anderen;
- door zijn of haar zwijgzaamheid niet goed wordt begrepen;
- gevoelens voor zichzelf houdt en daardoor onverschillig lijkt;
- een afkeer van persoonlijke betrokkenheid heeft en daardoor een onverstoorbare indruk maakt.

terug naar de Inhoud

18. Het uitgekeerde willen (Pythagoras 8)
Het willen is de ondernemingszin, de ondernemingslust, daadkracht en volharding. De uitgekeerd willende persoon wil handelend optreden en plannen uitvoeren in de buitenwereld. Het uitgekeerde willen is het willen voor en door de ander; de ander wordt bij de wilsbesluiten betrokken.
Door het uitgekeerde willen
- wil zo iemand een vrije ondernemer zijn die op eigen kracht een zaak opbouwt en die zelf leidt;
- weet zo iemand snel wat in een bepaalde toestand te doen, neemt onvervaard een besluit en voert dat uit;
- heeft deze persoon duidelijke doelen en gaat daar ook recht op af,
- is moedig en durft door te zetten als anderen zich terugtrekken,
- maar kan ook overmoedig zijn, aan zelfoverschatting lijden en meerdere malen zakelijk mislukken;
- deze persoon streeft naar de top om persoonlijke vrijheid te hebben en onbelemmerd te kunnen handelen (zakenman/vrouw, politicus),
- meent dat het pas goed is als de zaak in beweging blijft, waardoor er voortdurend wat wordt veranderd en medewerkers overbelast raken;
- streeft men als sportman/vrouw naar de top: alleen de eerste plaats is goed, de tweede een mislukking.
Door de uitgekeerde instelling
- heeft deze persoon leiderseigenschappen en streeft daardoor naar de macht om anderen in beweging te kunnen brengen en leiding te geven;
- straalt zo iemand een natuurlijk gezag en zelfvertrouwen uit of weet die indruk te wekken.
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de uitgekeerd willende persoon:
- het denken wordt gebruikt om plannen te maken, uitdagingen te zien en mogelijkheden te ontdekken om iets te ondernemen;
- het voelen wordt gebruikt om bij anderen vertrouwen te wekken voor die onderneming en hen aan te sporen daaraan mee te werken.
Het waarnemen en de ingekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld, wat tot gevolg heeft dat deze persoon
- nauwelijks een familieleven heeft: de zaak gaat voor;
- geen belangstelling heeft voor diepzinnige onderwerpen;
- wel de grote lijn ziet, maar geen oog heeft voor bijzonderheden en persoonlijke zaken,
- en op dat persoonlijke gebied onjuiste besluiten kan nemen en mislukken,
- zich kan overgeven aan zintuiglijk genot.

terug naar de Inhoud

19. Het innerlijke evenwicht (Pythagoras 9)
De acht persoonlijkheidskenmerken kunnen ook op evenwichtige wijze in de persoonlijkheid aanwezig zijn (de rode bol). Daarbij is er in grote lijnen verschil tussen een onontwikkelde, een min of meer en een geheel ontwikkelde toestand.
1. In de onontwikkelde toestand kan deze persoon door de veelzijdigheid
- met iedereen meedenken en meevoelen, daardoor moeilijk een eigen standpunt bepalen en lang twijfelen om een besluit te nemen;
- zich in álle anderen verplaatsen, waardoor weliswaar met niemand ruzie wordt gemaakt, maar ook niet de waarheid wordt gezegd,
- weliswaar door innerlijke rust worden gekenmerkt, maar door de onontwikkelde toestand toch nietszeggend zijn;
- door de vele mogelijkheden kan er geen keuze worden gemaakt, waardoor het voorkomt dat niet een ervan wordt benut.

2. In een meer ontwikkelde toestand heeft deze persoon een kleurrijke persoonlijkheid,
- is een duizendpoot die alles aanpakt en afmaakt,
- heeft een brede belangstelling en ontwikkelt zich veelzijdig;
- is een goede bemiddelaar en onderhandelaar, doordat hij of zij zich in beide partijen kan verplaatsen en zo voor beide aanvaardbaar is;
- toch kan het voorkomen dat door de veelheid van mogelijkheden het moeilijk is een keuze te maken en het lang duurt, voordat een besluit wordt genomen en uitgevoerd (de laatbloeier).

3. De geheel tot ontwikkeling gekomen persoonlijkheid wordt gekenmerkt door het evenwichtige gebruik dat de persoon van de vier vermogens en beide instellingswijzen heeft leren maken. Het uit die geestelijke werkzaamheid voortkomende gedrag wordt gekenmerkt door:
- de zin voor schoonheid en echtheid van het waarnemen;
- het streven naar waarheid en inzicht van het denken;
- de liefde, goedheid en saamhorigheid van het voelen;
- de daadkracht en volharding van het willen;
- de gemeenschapszin van de uitgekeerde en de zelfbezonnenheid van de ingekeerde instelling.
Deze bewust en beheerst gebruikte, ontwikkelde vermogens
- komen ingekeerd tot uitdrukking in het geweten: in zelfbeschouwing, redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zo nodig zelfbeheersing;
- en uitgekeerd in de deugden: in aandacht, begrip, liefde en geduld;
een door medemenselijkheid gekenmerkt gedrag.

terug naar de Inhoud

20a. Het geweten
iedere mens heeft een unieke persoonlijkheid, doordat je zoals beschreven één van je vermogens en instellingen goed beheerst. Daarnaast beheers je ook twee vermogens min of meer, terwijl het tegendeel van het hoofdvermogen je zwakke zijde is.
Toch maak je in het dagelijkse leven allerlei gebeurtenissen mee, die je aanzetten al je vermogens te gebruiken, ook dat van je zwakke zijde. Daardoor leer je ze steeds meer bewust en beheerst te gebruiken, waardoor ze geleidelijk tot ontwikkeling komen en je gebeurtenissen beter kunt verwerken. Zo is het dagelijkse bestaan een leerschool voor de ontwikkeling van je vermogens, waardoor je langzaam naar het doel: het innerlijke evenwicht, toegroeit.

Daarnaast komt er geleidelijk ook een bijzondere eigenschap van je vermogens tot ontwikkeling: de mogelijkheid je aandacht en de werkzaamheid van je vermogens niet alleen op een bepaald onderwerp te richten, maar door inkeer in jezelf ook op de waarde van die innerlijke werkzaamheid.
Naast de werkzaamheid met een gebeurtenis als doel, is er een tweede, die de eerste als doel heeft. Er is een weten (het eerste) en een 'medeweten' (het tweede gebeuren), een waarnemen en 'medewaarnemen', een denken en 'mededenken', een voelen en 'medevoelen'. Het geweten is a.h.w. een 'medebewustzijn': een toestand waarbij je ook bewust bent van je eigen werkzaamheid en die beoordeelt.
Door je geweten wil je niet alleen rekening houden met jezelf, maar ook met anderen doordat je in staat bent je vermogens zo te leiden dat je bij voorbaat ook overweegt, wat het gevolg van je gedrag voor je medemens zal zijn.

Je zwakke zijde is echter oorzaak van kwetsend gedrag. Als je geweten dan gaat spreken: - krijg je door zelfbeschouwing (waarnemen) besef van kwetsend gedrag,
- dan volgt zelfbeoordeling: gedroeg ik mij goed of slecht, en zelfstrijd: je redeneert het voorval weg of je laat zelfbeschuldiging toe (denken, voelen),
- door zelfverwijt volgt schuldbesef: gevoelens van spijt, schaamte, berouw en daardoor wil je je gedrag herstellen, boeten, de verstandhouding weer goed maken (willen). Je bekent aan de ander schuld en vraagt om verontschuldiging: ik voel me schuldig, wil je mij verontschuldigen?

Door het geweten als redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zelfbeheersing heeft het tweede gebeuren een bijsturende werking op het eerste in de vorm van een cybernetische stuurkring.
Die bijsturing is de mogelijkheid de vermogens op jezelf terug te koppelen:
- de zelfbeoordeling waar je geweten mee begint, is de terugkoppeling: je wilt de aard van je eigen werkzaamheid onder ogen zien en beoordelen;
- de afkeuring van je eerste overwegingen is de tegenkoppeling: dan beheers je jezelf;
- de goedkeuring ervan is de meekoppeling: dan zet je je geesteswerkzaamheid door.

terug naar de Inhoud

20b. De deugden
Het enige wat je als menselijke geest kunt, is gebruik maken van je vermogens: je kunt de gebeurtenissen om je heen waarnemen, ze in jezelf verwerken door ze te overdenken en te doorvoelen, en dan besluiten er iets mee te willen doen; daarbij kun je je werkzaamheid terug naar de buitenwereld richten, maar je ook bezinnen op jezelf.
Door het verwerken van alles wat door tijd als stroom van gebeurtenissen op je af komt, leer je je vermogens steeds meer bewust en beheerst te gebruiken, en dat is wat geestelijke groei, persoonlijkheidsvorming wordt genoemd. Door de voortdurende wisseling van levenservaringen groeien je vermogens langzaam toe naar hun ontwikkelde toestand: het waarnemen wordt dan gekenmerkt door de zin voor schoonheid, denken door wijsheid, voelen door liefde en willen door vastberadenheid. De ingekeerde instelling komt tot uiting in zelfbezonnenheid en het daarmee samenhangende geweten, de uitgekeerde uit zich dan in je gedrag als de gemeenschapszin.

in die gemeenschapzin komen je vermogens tot uiting in de vorm van de deugden. Een deugd is één van de tot ontwikkeling gekomen vermogens als eigenschap van je persoonlijkheid. De deugdelijke toestand is een ontwikkelingstoestand, waarin dat vermogen wordt gekenmerkt door: kracht, bruikbaarheid en doelmatigheid. Het woord 'deugd' betekent 'goed zijn', 'het doel treffen', 'krachtig zijn', 'passend zijn'.
Deugdelijkheid is degelijkheid, vastheid en betrouwbaarheid. Door deugdzaamheid wordt je gedrag - en daarmee je persoonlijkheid - uit liefde (voelen) gekenmerkt door aandacht (waarnemen), begrip (denken) en geduld (wilskracht).
Door geestelijke ontwikkeling is er in jouzelf een evenwichtige samenwerking tussen al je vermogens ontstaan, waardoor zij met elkaar samenhangen en die innerlijke samenhang breidt zich door je gedrag heen naar buiten toe uit, waardoor er ook een samenhang met de mensen om je heen kan ontstaan.
Het beste wat je daarom voor je medemensen kunt doen, is streven naar die gewetensvolle toestand en die deugdzaamheid. Daarvoor is zelfinzicht en inzicht in je medemensen, onder andere in de vorm van geestkunde, onontbeerlijk, want je kunt alleen leren liefhebben, wat je kent.

terug naar de Inhoud

21. Geestgedaante en lichaam
De geestelijke vermogens zijn niet alleen herkenbaar in de innerlijke stem, de hersenen en de persoonlijkheidskenmerken, maar ook in de vorm van het lichaam.
Door de werkzame vermogens straalt de geest een vormbare krachtruimte uit: de ziel. ieder vermogen heeft een eigen uitstraling, waarin het zijn voortbrengselen bewaart: kennis in die van het waarnemen, gedachten in die van het denken, kleuren in die van het voelen, wilsbesluiten in die van het willen.
in de loop van onafzienbare tijden heeft de menselijke geest aan zijn ontwikkeling gewerkt, heeft steeds meer een bewust en beheerst gebruik leren maken van zijn vermogens, waardoor óók de eigenschappen daarvan hebben ingewerkt op die uitstraling en daaraan een vorm hebben gegeven: de geestgedaante.
De geestgedaante houdt in deze stoffelijke wereld de stof vast, die als voedsel door de mond naar binnen wordt gebracht, waardoor de geestgedaante in deze wereld als het lichaam verschijnt.

De eigenschappen van het waarnemen - het opnemen van indrukken - hebben vorm gegeven aan het hoofd met zijn opnemende zintuigen: gezicht, gehoor, reuk, smaak, tast;
- die van het denken - ontleden en samenvoegen - hebben vorm gegeven aan de organen van de buik: ontledende darmen en samenvoegende lever, de ontledende en samenvoegende nier;
- die van het voelen - liefhebben en verzorgen - hebben vorm gegeven aan hart en bloedsomloop: zij verzorgen alle cellen met voedingsstoffen en verwijderen afvalstoffen;
- die van het willen - ondernemen en handelen - hebben vorm gegeven aan skeletspieren en ledematen;
- die van de in- en uitgekeerde instelling hebben vorm gegeven aan de in- en uitademende longen;
- die van de geest als geheel hebben vorm gegeven aan het skelet, de hersenen en het zenuw- en hormoonstelsel, waardoor het lichaam als een eenheid werkt.

Voor de geest is dit lichaam het tijdelijke voertuig, waarmee die zich in de stoffelijke wereld kan bewegen, leerzame ervaringen kan opdoen en zich ontwikkelt door die met de vermogens te verwerken.
Vanuit de eigenschappen van de geestelijke vermogens zijn alle eigenschappen van de mens: geest, ziel, geestgedaante en lichaam, en zijn geestelijke ontwikkeling, als een samenhangend geheel te beschrijven.

terug naar de Inhoud

22. De chakra's
Tot nu toe heb ik de vermogens besproken in een omgeving, waar hun werking voor iedereen ervaarbaar is: als de innerlijke stem, als eigenschappen van de persoonlijkheid en in de vorm van de hersenen en van het lichaam.
in de omgang met je medemensen in het dagelijkse bestaan kun je trachten je gewetensvol en deugdzaam te gedragen, en daardoor leer je je vermogens steeds meer bewust en beheerst te gebruiken en groeien zij toe naar het ontwikkelde, innerlijke evenwicht. Daardoor worden zij op den duur ook ervaarbaar op een etherische wijze als de z.g.n. chakra's: wielen of padma's: lotusbloemen.
Zoals beschreven heeft ieder vermogen vanuit de geest een eigen uitstraling in de ziel, waarin de voortbrengselen ervan worden bewaard; maar zij hebben vanuit de geest ook een etherisch kanaal dat door de ziel heen uitmondt in een trechtervorm, waarbinnen hun geestkracht als een draaikolk beweegt. In de zelfbezonnen geestestoestand kun je die draaiingen waarnemen als een 'druk' op de chakra's, waardoor je door de chakra's het bestaan van je geestgedaante rechtstreeks ervaart (afbeelding).
in de mannelijke geest is het verloop van de vermogens waarnemen, dénken, voelen en willen, en in de vrouwelijke geest waarnemen, vóelen, denken en willen. Dit wezenlijke onderscheid komt ook in de chakra's tot uiting, doordat bij de mannelijke geest de chakra's in de uitstralende toestand naar rechts draaien en in de opnemende naar LINKs, terwijl het bij de vrouwelijke geest andersom is. Als twee geliefden bij elkaar zijn, draaien hun chakra's daardoor in overeenstemming met elkaar en vormen een etherische band, wat als een groot geluk wordt ervaren.
iemand met een ontwikkelde persoonlijkheid wekt door zijn chakra's heen een krachtige uitstraling op, wat door anderen wordt opgemerkt en ook zo wordt benoemd.
De geest straalt door zijn chakra's heen geestkracht naar buiten of ontvangt die van anderen; chakra's zijn knooppunten, sluizen. Als een leraar zijn leerlingen iets wil leren, dan helpt het als er eerst een vertrouwensband wordt gevormd, waardoor de leerlingen hun chakra's openen en niet alleen de woorden horen, maar door te luisteren ook in zich opnemen.
Een goede dirigent die voor zijn of haar orkest staat, is niet alleen door gebaren, maar ook door de chakra's heen op etherische wijze met de muziekanten verbonden, waardoor het orkest als een éénheid speelt. Die persoonlijke band met de orkestleden is dan zo sterk, dat de dirigent zijn persoonlijke stempel op de uitvoering drukt. Daardoor kunnen muziekkenners later aan een uitvoering herkennen, welke dirigent voor het orkest heeft gestaan.
Een goede ruiter op zijn of haar paard is door de chakra's heen met het rijdier verbonden, waardoor het zich gewillig door de ruiter laat leiden.

terug naar de Inhoud

23. Het 'bewustzijn'
iedere mens verkeert - de een meer, de ander minder - in een toestand van bewustzijn van zichzelf als een zelfstandig wezen; iedere mens leeft min of meer met het besef 'er te zijn' en er weet van te hebben een persoon te zijn, die zich onderscheidt van andere om zich heen. Wetenschappers noemen dit zelfbesef 'het bewustzijn' en zijn naarstig op zoek te vinden wat het is en waar het zetelt. Ook het wonderlijke verschijnsel dat het bewustzijn er overdag wel is, maar 's nachts, in diepe slaap, niet, is een aansporing tot wetenschappelijk onderzoek. Waar al wel overeenstemming over is bereikt, is de opvatting, dat het iets met de hersenen te maken moet hebben, maar verder kan nog niemand dit zo wezenlijke verschijnsel - waar toch ook hun eigen werkzaamheid van afhankelijk is - afdoende verklaren.
Het woord 'bewustzijn' is een zelfstandig naamwoord, dat afkomstig is van het werkwoord 'zich bewust zijn'. Daarin is 'zich' een betrekkelijk voornaamwoord, dat verwijst naar een zekere zelfstandigheid, terwijl 'zijn' een werkwoord is; dat houdt in dat het werkwoord 'zich bewust zijn' betekent, dat er een werkzame zelfstandigheid moet zijn die zichzelf in een zijnstoestand kan brengen, waarin die 'bewust' is. M.a.w. 'zich' wijst op een zelfstandigheid, 'zijn' wijst op een bepaalde toestand van die zelfstandigheid en die toestand wordt 'bewustzijn' genoemd.
Nu is het woord 'bewust' in het verleden aan het Duits ontleend en in die taal hangt het samen met 'wissen': weten. De toestand van 'bewustzijn' is m.a.w. een toestand van 'wetend zijn'. Etymologisch hangt het Germaanse 'weten' samen met het Latijnse 'videre', dat 'zien' betekent; een begrijpelijke samenhang, want de mens komt iets 'te weten' door het 'te zien', met andere woorden: door het waar te nemen.
in het voorafgaande heb ik duidelijk gemaakt dat het de menselijke geest is die werkzaam is met zijn vier geestelijke vermogens - een werkzaamheid die met het waarnemen begint. Het is de menselijke geest die door waar te nemen in een tóestand komt te verkeren, zich van iets bewust te zijn... waardoor 'het bewustzijn' een gééstestoestand is, die alleen in het innerlijk van de geest is te vinden.

Door waar te nemen komt de menselijke geest in de geestestoestand die 'bewustzijn' wordt genoemd, doordat de geest dan weet heeft van de dingen. De geest is dan 'het bewuste' als datgene, wat 'bewust is'. De geest is het enige, dat in de toestand kan verkeren 'het bewuste' te zijn. Maar daardoor is de geest ook het enige, dat in een toestand kan verkeren 'het onbewuste', het niet wetende te zijn, als bepaalde dingen voor de geest niet zijn waar te nemen. Die dingen zijn voor de geest het 'onbekende'.
in het verleden is de vergissing gemaakt dat 'onbekende' met het 'onbewuste' te verwisselen. Het 'onbekende' is dat wat de geest niet kent en het is de geest die daardoor 'het onbewuste' is.
Het Nederlandse werkwoord luidt: 'zich bewustzijn' en is verplicht wederkerend, het betrekkelijke voornaamwoord 'zich' kan niet worden weggelaten, het verwijst naar de persoon die zich van iets bewust is. Het daarvan afgeleide zelfstandige naamwoord moet zijn: 'het zich bewustzijn'; door onjuist 'zich' weg te laten, verdwijnt de persoon uit het zicht en wordt 'het bewustzijn' een raadsel.

terug naar de Inhoud

24. De geestestoestand van onbewustheid van zichzelf
"De geest weet zelf niet wat de geest is." Cicero, Rom. filosoof

Wat is de oorzaak van deze uitspraak? Neem voor het antwoord voorlopig het volgende van mij aan - later zal ik dit nader verklaren.
Er is een algeest die bestaat uit geestelijk licht en geestelijke warmte, die in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: bewéging en rúst. In rust zijn dat licht en die warmte beweegbaar en vormbaar; in beweging zelfbewegend en zelfvormend werkzaam. Met die eigenschappen hangen zoals beschreven de vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken zelfvormend licht, voelen vormbare warmte, willen zelfvormende warmte. In de geesten van alle levende wezens zijn dat licht en die warmte in een toestand van éénheid zoals in de algeest en daardoor leven zij.
Niet alleen de menselijke geest is door verdichting uit de algeest voortgekomen, maar óók de stof. Die bestaat volgens natuurkundigen uit deeltjes (bouwstenen) en krachten, die hen in het atoom bij elkaar houden. Daardoor vormen deeltjes en krachten weliswaar ook een eenheid, maar licht en warmte blijven daarin verdeeld: een twéé-eenheid.
De bouwstenen worden fermionen genoemd, hun verbindende krachten bosonen. De eerste zijn o.a. elektronen en kwarks, die als drietal protonen of neutronen vormen; de tweede zijn o.a. de fotonen (licht) en de gluonen. De gluonen houden drie kwarks bij elkaar tot pro- en neutronen, die de atoomkern vormen, de fotonen houden de elektronen vast rondom hun kern. De kern trilt, maar blijft op in rúst zijn plaats; de elektronen zijn voortdurend in bewéging rond hun kern.

Zowel geest als stof zijn door verdichting uit het licht en de warmte van de algeest voortgekomen, maar in de geest vormen zij een eenheid en in de stof zijn zij verdeeld. Stof is daardoor ongeestelijk, niet-levend, terwijl de geest de levenskracht is. Daardoor kan de geest als die zich in deze wereld met het tegendeel van zichzelf - de stof - verbindt, hier niet zichzelf zijn en wordt onbewust van het eigen bestaan. Het enige wat overblijft, is de innerlijke stem; dááraan kan de geest het eigen bestaan rechtstreeks herkennen.
Daarnaast is het de geest als levenskracht die de levenloze stof, het lichaam, in beweging brengt.

terug naar de Inhoud

25a. De aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging
Als de menselijke geest zich met de stoffelijke wereld verbindt door geboorte of er 's morgens wakker te worden, dan verliest de geest het zelfbewustzijn. Dit wordt, zoals ik heb beschreven, veroorzaakt doordat de geest als het levende zich hier met het niet-levende, de stof, verbindt.
in het begín van het aardse bestaan gaan de opvoeders van het kind liefdevol op de pas in het lichaam geboren geest inwerken, om deze te wekken uit die toestand van onbewustheid, waardoor de geest in het kind hier 'wakker wordt'.
Nu is een 'werkelijkheid': 'datgene, wat werkt'. De pasgeboren geest wordt door de inwerking uit de omgéving al wel wakker, maar het is eerst alleen die omgéving die ínwerkt en daardoor het wakker worden veroorzaakt. Daardoor begint de geest dit bestaan met de ervaring en bewustwording, dat de omgéving als 'dat wat werkt' de wérkelijkheid is; want hij of zij is zich nog niet bewust van de eigen innerlijke werkelijkheid, die met de werking van eigen vermogens samenhangt.

Vervolgens draagt de geest dat eigen, nog zwakke besef 'er te zijn', het vage besef van eigen werkelijkheid dat alleen met 'wakker zijn' samenhangt, over op de omgeving. Aandacht en toewijding vloeien uit de geest weg en worden geheel gericht op de krachtig aandacht trekkende opvoeders in de buitenwereld.
Deze overdracht heeft de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan tot gevolg. Hierdoor is alleen de stoffelijke wereld werkelijk en blijft de geest voor zichzelf eerder een ónwerkelijkheid. Door de overdracht van aandacht en toewijding op de omgeving, voelt de geest zich één met dit bestaan en geraakt in de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging. Daardoor wordt alleen de stoffelijke helft van de schepping gezien en gedacht, dat 'dit alles is wat er is'.
Doordat de geest hier zichzelf niet is, wat zich uit in het gedrag, kunnen er moeilijkheden ontstaan die moeten worden opgelost. Daardoor wordt de geest ertoe aangezet de eigen vermogens te gebruiken, waardoor zij geleidelijk aan tot ontwikkeling komen; zo kan de geest tot zichzelf komen en uiteindelijk naar een geestelijk zelfbewustzijn toegroeien.
Deze geestelijke ontwikkeling is de diepe zin van deze beproevende aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan.

terug naar de Inhoud

25b. De onbewuste vereenzelviging en de vermogens
Door de beschreven overdracht wordt alleen de stoffelijke helft van de werkelijkheid gezien, waardoor waarden worden omgekeerd en het stoffelijke boven het geestelijke wordt verheven. De zin van het bestaan komt te liggen in het verwerven van aanzien en bezit, i.p.v. in geestelijke ontwikkeling.
Hoe zien de vermogens in deze toestand eruit?
in de aanvangstoestand is de geest nog onbewust van zichzelf en beheerst de vermogens daardoor nog niet. Zij kunnen onbeheerst en wanordelijk werkzaam zijn, beïnvloed door gebeurtenissen. Zij gaan a.h.w. ongeheerst hun eigen gang; de persoon is aan hun werking overgeleverd en gedraagt zich min of meer onaangepast: het kinderlijke gedrag.

- Het waarnemingsvermogen gaat op in gewaarwordingen, die door de zintuigen bij de geest binnenkomen, waardoor die aan hen gebonden raakt en door zintuiglijkheid en verleidbaarheid wordt gekenmerkt.
- Door vereenzelviging met gewaarwordingen kan het denken door de voorstellingen die erdoor ontstaan, worden beheerst en door hen worden aangezet tot een onbeheerste gedachtenstroom.
- Door gebrek aan zelfbeheersing kan het voelen voorkomen in de vorm van onbeheerste gemoedstoestanden: gemoedsaandoeningen. Als de geest door onbeheerstheid in een lijdzame toestand terechtkomt in plaats van een zelfwerkzame houding aan te nemen, kunnen ervaringen het gemoed gaan overweldigen, wat gaan aandoen. De geest is dan zelf de eigen gemoedstoestand niet meer meester, maar laat zich beheersen door uiterlijke gebeurtenissen of door de voorstellingen van het onbeheerste denken in de ziel. De geest kan daardoor de speelbal worden van daarmee samenhangende aandoeningen; zij kunnen de geest verontrusten en voortdrijven.
- Bij de onbeheerste werkzaamheid is er ook een oordeelsvorming, maar daarbij zijn de maatstaven aandoeningen zoals lust of onlust, zin of tegenzin, welgevoelen of pijn. Daaruit komen aandriften als begeerte of afkeer voort. De aandrift is de wilskracht in een nog onbeheerste, ongeremde toestand, niet geleid door redelijke of zedelijke overwegingen, maar door wat er toevallig in de omgeving gebeurt; het gedrag wordt daardoor onberekenbaar, de oorzaak van moeilijkheden.
Als met andere woorden de vermogens niet worden beheerst, dan verkeert de geest in een toestand dat die kan worden geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen, en kan worden gedreven door aandoeningen en aandriften.

terug naar de Inhoud

26. De geestestoestand van bewuste vereenzelviging
De onbewuste vereenzelviging is een algemene, van tevoren bestaande geestestoestand, waarmee iedereen aan dit bestaan begint. Op sommige gebieden kan die uitgroeien tot een bewüste vereenzelviging, de toestand waarin de geest zich bewust is geworden van vereenzelviging met een persoon, beroep, voorwerp, levensomstandigheid of genotverschaffende stof.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid; daarin is de geest tot het beséf gekomen zich één te voelen met iets anders buiten zich. Door de overdracht van aandacht en toewijding op een persoon of voorwerp in de buitenwereld, is a.h.w. ook het zelfgevoel erop overgegaan, waardoor de persoon zich er één mee voelt en er min of meer door bezeten kan zijn. Het lijkt alsof het onderwerp van de gehechtheid de baas is geworden over het gedrag. Maar de oorzaak van deze toestand is het gebrek aan zelfbewustzijn en zelfbeheersing. Waardoor de geest naar de bevrediging van bepaalde verlangens móet streven.

De persoon heeft al wel wéét gekregen (waarnemen) van de toestand van afhankelijkheid door gehechtheid, maar beheerst die toestand nog niet (willen). De wilskracht wordt nog niet bewust beheerst, waardoor de persoon met kracht streeft naar bevrediging van het verlangen.

Hoe zien de vermogens in deze gehechte geestestoestand eruit, waarin de geest in zichzelf is opgegaan en de werkzaamheid van de vermogens zelfzuchtig op zichzelf heeft gericht:
- door de zelfzucht wordt het waarnemen gekenmerkt door hebzucht: alles wat de persoon ziet, wil die hebben;
- het denken wordt gekenmerkt door regelzucht: de geest wil alles regelen naar eigen inzichten, ook voor anderen;
- het voelen wordt gekenmerkt door eerzucht: de geest is zo met zichzelf ingenomen, dat met alles wat die doet, eer moet worden verworven;
- het willen wordt gekenmerkt door heerszucht: de geest stelt zichzelf in het middelpunt en alles wat gebeurt, moet naar zijn of haar zin gaan.

Het woord 'zucht' betekent: ziekte. Door zelfzucht is de geestestoestand ziek door zelfgerichtheid. Het is het oerkwaad; al het verdriet en kwaad, dat mensen elkaar en zichzelf aandoen, komt uit deze zelfgerichte geestestoestand voort.

terug naar de Inhoud

27. De geestestoestand van eenzijdige vereenzelviging
De eenzijdige vereenzelviging is de geestestoestand waarin de geest zich in zichzelf heeft vereenzelvigd met één van de eigen vermogens. Die bestaan, zoals beschreven (10b), uit paren van tegendelen. De vereenzelviging kan b.v. met het denken zijn als het de tegendelen denken en voelen betreft, of met het willen bij het waarnemen en willen.
Denken en voelen zijn tegendelen, doordat door te denken op afstandelijke wijze twee záken met elkaar worden verbonden en door te voelen een band tussen twee persónen wordt gevormd. Waarnemen en willen zijn tegendelen, doordat de geest door het waarnemen de buitenwereld op zich laat inwerken en door te willen vanuit zichzelf daarop inwerkt.

Vanuit de persoonlijkheidsaanleg en omdat een mens maar één ding tegelijk goed kan doen, kan de voorkeur bewust naar één van de vermogens uitgaan; dat groeit dan eenzijdig uit en het gedrag wordt vooral door eigenschappen van dat vermogen bepaald. Het tegendeel ervan komt dan onvoldoende tot ontwikkeling en wordt de zwakke zijde van de persoonlijkheid. Dat betekent dat de eigenschappen van dat vermogen, die voor een evenwichtige persoonlijkheid onontbeerlijk zijn, vaak op een storende wijze in het gedrag ontbreken of zich onbeheerst uiten. Ook het ontbreken of de onbeheerstheid van die eigenschappen bepalen mede de persoonlijkheid.
Als de eenzijdige voorkeur b.v. het denken is, dan kan de geest zich wel goed en langdurig in de denkende toestand brengen, maar niet of moeilijk in de tegenovergestelde, voelende toestand. Dit heeft een afstandelijke, zakelijke houding tot gevolg, die ongevoelig kan zijn (zie voor de negen persoonlijkheidskenmerken nr. 11-19). Een denker kan ook minachting hebben voor het voelen dat in gevoelsmensen wordt ervaren; maar die afkeer betreft óók een onvervreemdbare eigenschap van zichzélf, wat leidt tot een onevenwichtigheid in de persoonlijkheid en daardoor in het gedrag. Een eerste stap in de ontwikkeling naar innerlijk evenwicht is de erkenning van eigen zwakheden en het streven zich daar steeds bewust van te zijn, en in gevoelsmatige omstandigheden zich te beheersen om kwetsend gedrag te vermijden en medeleven te tonen.

in de Westerse maatschappij bestaat de neiging het denken te bevorderen en te waarderen (wetenschap, handel en techniek) en op het voelen te bezuinigen (onderwijs, zorg en kunst).

terug naar de Inhoud

28. Bewustwording en zelfverwerkelijking
Door de beschreven onvolmaaktheden en eenzijdigheden kunnen moeilijkheden ontstaan als de mens zich staande moet houden in de tijd als stroom van beproevende gebeurtenissen. Daardoor wordt de mens op zichzelf teruggeworpen, kan zo zichzelf leren kennen en tot bezinning komen. De vraag: Wie ben ik en wat is de zin van dit bestaan? kan zich opdringen en er kan voor worden gekozen dit bestaan te zien als leerschool voor geestelijke ontwikkeling.

Zelfopvoeding én opvoeding is het meest zinvolle 'werk', want heeft niets dan menselijkheid tot gevolg. Als het werk aan het wezenlijke, dat de menselijke geest zelf is, betekent zelfopvoeding het omvormen van de eigen geesteshouding, door de ontwikkeling van de vermogens; terwijl opvoeding het voorleven is van het bewuste en beheerste gebruik, dat de opvoeder van de eigen vermogens maakt.

De vermogens en daarmee de persoonlijkheid komen tot ontwikkeling door de omgang met medemensen in het alledaagse bestaan. De mens wordt mens door omgang met de medemens en de ervaringen daarmee opgedaan op zichzelf toe te passen:
het waarnemen wordt ontwikkeld door bewust voor ervaringen open te staan en met aandacht naar anderen te luisteren;
het denken door te trachten de betekenis van die ervaringen te begrijpen, door ze verstandelijk te ontleden en door de rede te verbinden met overige ervaringen, waardoor je toeneemt in begrip;
het voelen door bewust een open gevoelshouding tegenover ervaringen aan te nemen, waardoor ze je persoonlijk kunnen raken en je met medemensen gaat meeleven;
de ontwikkeling van het willen is een oefening in zelfbeheersing en geduld, waardoor je meester wordt over jezelf als bewust vermogende geestkracht en redelijke en zedelijke besluiten vastberaden uitvoert.

Worden de vermogens ontwikkeld door ze zo veel als mogelijk is bewust en beheerst te gebruiken, dan wordt het waarnemen tot schoonheidszin, het denken tot wijsheid, het voelen wordt liefde en de wil krachtig. In de uitgekeerde instelling komen de vermogens tot uiting als gemeenschapszin en de deugden, in de ingekeerde toestand als zelfbezonnenheid en het geweten: kenmerken van een volwassen geestesgesteldheid.

terug naar de Inhoud

29. De zelfbezonnen geestesgesteldheid
Door jezelf als werk ter hand te nemen, kun je uiteindelijk jezelf worden. Als steeds duidelijker voor je wordt dat je de werkzame geest bent, ga je verlangen naar je oorsprong. De innerlijke weg daar naartoe is de zelfbezinning: de inkeer van de geestelijke vermogens in hun eigen bron, de geest, waardoor een toestand van zelfbewustzijn groeit.
Voor zelfbezinning moet je alle onderwerpen buiten je bewustzijnsruimte houden. Dan moet je aandacht en toewijding verinnerlijken door naar de plaats te gaan, waar je in jezelf de woorden spreekt en beseffen:
ik ben niet dit lichaam,
noch de inhouden van mijn ziel;
maar ik ben de menselijke geest,
de bewuste, vermogende levenskracht,
die nu deze woorden in zichzelf spreekt
en die in zichzelf de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt, en er dan iets mee wil doen.

Door je zo op het wezenlijke van jezelf te bezinnen, maak je je aandacht en toewijding eerst los van hun verbondenheid met de buitenwereld, daarna van de inhouden van je ziel en ten slotte trekt je ze samen op jezelf als het innerlijke middelpunt. Door die teruggaande beweging van je vermogens ga je van beleving van de wereld en van inhouden van je ziel, naar zelfbeleving.
Zo kom je als geest op den duur bewust en bezonnen te leven in het hart: de geest zelf als middelpunt, het innerlijke rustpunt - en in dat midden moet je zijn! Alleen in jezelf kun je als menselijke geest jezelf worden en zijn.

Door de bezinning op jezelf als geest heb je bewustzijn en kracht, aandacht en toewijding in jezelf verenigd, waardoor je nu jezelf zuiver waarneemt. Het willen waarnemen van jezelf als de bewuste, vermogende, werkzame levenskracht is het kernpunt. Het is: zelf-besef, zelf-ervaring, zelf-bewustwording.

Niets meer of minder dan dit, bewuste kracht, de uiterste eenvoud, 'wil de geest núzijn'. In het eenzame midden van de eigen ziel, vindt zo de zoeker het gezochte... de zoeker zelf. Door zelfbezinning wordt de aandacht, die door de wilskracht naar het hart is gevloeid, tot een zuiver, stil besef van eigen zelfstandigheid en werkzaamheid, en tot een eenheidsbeleving van innerlijke schoonheid, waarheid, vreugde en kracht.

terug naar de Inhoud

30. Zelfbezinning als geestelijke oefening
De zelfbezonnen geestestoestand is heel vluchtig en aandacht en toewijding vloeien makkelijk weg uit hun samengetrokken toestand in het hart. Kies om die toestand te oefenen een rustig tijdstip.
Moeilijker is het je binnenwereld stil te houden. Aandacht is: willen waarnemen, maar als het onderwerp nog niet duidelijk is, ga je makkelijk weer over naar mijmeren. Om die geestestoestand vast te houden, is een hulpmiddel nuttig: de beoefening van 'stille herhaling'. Dit houdt in dat je een woord, zin of korte tekst stil voor jezelf herhaalt; zo oefen je jezelf als: 'zichzelf verwoordende vormkracht', de wezenlijkste en meest met je eigen aard overeenkomende, geestelijke oefening:
- laat het herhalingswoord iets persoonlijks zijn, het staat dan het dichtst bij je eigen belevingswereld, zodat je de diepere betekenis begrijpt en het je óók gevoelsmatig aanspreekt;
- breng je lichaam in een makkelijke, rechtop zittende houding;
- in het begin kun je als hulpmiddel voor de stille herhaling je ademhaling gebruiken.

Richt je aandacht geheel op het bezinningswoord, in de geestelijke ruimte van je voorhoofd en herhaal het stil voor jezelf, waardoor de wanorde in je innerlijk ordelijk wordt door je eigen, bewuste wilskracht.
Blijf met je denken bij de diepere betékenis ervan en richt je innig op de gevoelswaarde, die het woord voor je heeft, zodat je het woord ook doorvóelt. Tracht zo 'een en al jezelf' te zijn: een waarnemende, denkende, voelende en willende, bewuste levenskracht, m.b.v. de stille herhaling als geestelijke oefening.
in die zelfbezonnen toestand spreek je het woord in je innerlijk, waardoor je de zelfgeschapen, innerlijke klank in jezelf hoort.
Besef vervolgens in de 'stilte tussen de woorden' dat je je er voortdurend van bewust bent er in de rust van die stilte nog steeds te zijn als diegene, die zich herinnert het woord in zichzelf te hebben gesproken en ook de uit zichzelf scheppende bron is, die dat woord vanuit die stilte weer wil gaan spreken.
Hierdoor verplaats je, tijdens de voorwoordelijke stilte, aandacht en toewijding van woordklank en betékenis naar de woordbrón: jij zélf als woordscheppende geest. Dát is zelfbezinning.

terug naar de Inhoud

31. Inwerking en hereniging
Door de zelfbezinning heb je bereikt, dat je tijdens de voorwoordelijke stilte tot een innig zelfbesef bent gekomen. Het is een toestand van diepe rust en stilte, doordat je je vermogens tot rust hebt gebracht; zodat je alleen de rustende, bewuste levenskracht bent. Deze innerlijke stilte is een toestand van leegte en ontvankelijkheid, want je merkt dat een andere geestkracht zich nu met jou kan verbinden. Je merkt dat die andere kracht door je chakra's heen op jou gaat inwerken, vooral op je kruin en voorhoofd, wat je als het instromen van kleuren ervaart en je in een verheven geestestoestand brengt.
Door overeenstemming met de geestestoestand van die andere kracht kan er een vereniging tot stand komen, waardoor je op je chakra's een druk ervaart en zij in beweging komen; waarna ook je lichaam meebeweegt, alsof je liefdevol wordt gewiegd.

Ook kun je ervaren hoe je door die kracht in vervoering wordt gebracht, uittreedt en wordt verbonden met een geest, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid, een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte: de alomtegenwoordige algeest. Vanuit de zelfbezonnen toestand kun je als een vonk, een bewuste, lichtende warmte, worden opgenomen in een jou geheel omstralende gloed, een doordringende, lichtende warmte; terwijl je als menselijke persoon toch volkomen jezelf blijft. Opgenomen in dat alomvattende licht, word je van binnenuit doorstroomd door een innige warmte, een verwarmende liefde, wat een met niets te vergelijken oerervaring is. Het is de beleving van het een-zijn met je grondslag, de algeest, bron van jezelf als menselijke geest.

Door deze hereniging zijn beide lichtende warmtes volkomen in elkaar opgegaan: de geest is, wat de algeest is en de algeest is, wat de geest is, de toestand van volmaakte hereniging. Je leeft in de algeest en de algeest leeft in jou; je ervaart jezelf als een vonkje uit en in de algeest.
Er is slechts één verschil gebleven: jij bent de menselijke geest, de kleine geest en je ervaart jezelf als deel van de grote geest. Je bent als menselijke geest een vónk en wordt door de alomvattende gloed met innige, warme liefde omgeven en doordrongen: de ervaring van de geestelijke hereniging.

terug naar de Inhoud

32. Het ontstaan van de menselijke geest
Door uittreding opgenomen in de algeest, werd aan mij het ontstaan van de menselijke geest uit de algeest getoond.
Eerst bevond ik mij in een geestestoestand van donkere koelte, gekenmerkt door een diepe rust, die zich aan mij voordeed als een 'aanwezigheid'; die verbond zich liefdevol met mij en liet mij delen in de vreugde van haar rust.
Daarna ontstond er in die rust een beweging, die aan mij verscheen als een lichtende warmte, die zich ook liefdevol met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van zijn beweging.
De beweging en zijn lichtende warmte was als zelfstandigheid uit de rust en haar donkere koelte voortgekomen, en verbond zich er daarna weer mee, waarbij de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte doordrong en die liet zich, samenwerkend, doordringen.
Daarbij vond een ompoling plaats, doordat de rust nu geheel in de beweging opging en de beweging en zijn lichtende warmte nu a.h.w. de 'buitenkant' vormde. ik als de toeschouwende geest ervoer hun nieuwe eenheid als een verkoelende warmte! Tegelijkertijd verscheen nu weer de zee van licht en warmte om mij heen, die ik al vaker had meegemaakt: de algeest.

Tijdens de vereniging van de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte, ontstond er a.h.w. tussen hen in eerst een bolvormige wolk van geestelijk licht, waarna er vanuit de algeest warmte naar toestroomde die het licht doordrong zoals in de algeest. Beide begonnen binnen die wolk zachtjes te wervelen, waardoor die bolvormige wolk tot leven kwam. De liefdevolle warmte had de lichtende gedachte die de algeest als een wolk in zichzelf had gevormd, tot leven gebracht.
Op dat ogenblik werd mij ingegeven: je hebt gezien hoe jij als menselijke geest ooit door verdichting van licht en warmte uit de algeest bent voortgekomen en een innige vreugde golfde door mij heen.

Daarna trad ik weer in mijn lichaam in en was vol van de ervaring die ik had mogen meemaken. Deze ervaring heeft mij daarna nooit meer losgelaten, en is altijd meer of minder nadrukkelijk op de achtergrond in mijn binnenwereld aanwezig. Het is de stuwende kracht achter de ontwikkeling van geestkunde.

Dezelfde geest herken ik in alle levende wezens; en zoals al die geesten door verdichting uit de eeuwige oneindigheid van de algeest zijn voortgekomen, zo zijn ook al hun levensvormen waarin zij op de aarde zijn door verdichting uit sterrenstof voortgekomen, dat in het hele heelal in sterren is gevormd.

terug naar de Inhoud

33a De algeest en de geestelijke vermogens 1
Zoals beschreven mocht ik ervaren dat de geest geheel bestaat uit tegendelen, die alle gelijkwaardig zijn. De oertegendelen worden gevormd door de oereigenschappen: rust en beweging, die zich in volgorde uiten als donker en koelte, licht en warmte.
De rust uit zich in de algeest als de geestestoestand van donkere koelte, die doordringbaar is, waardoor de geest in die toestand beweegbaar en vormbaar is;
en de beweging uit zich als lichtende warmte, waardoor de geest doordringend werkzaam kan zijn en door die werkzaamheid zelfbewegend en zelfvormend is;
al deze eigenschappen vormen in de nieuwe eenheidstoestand een eenheid doordat de rust en haar donkere koelte in de beweging en zijn lichtende warmte is opgegaan; daardoor kunnen het licht en die warmte in de nieuwe eenheidstoestand zowel vormbaar als zelfvormend zijn.

Een vorm kan door een vormende kracht alleen in zichzelf worden gevormd als iets anders vormbaar is; alleen door de vormbaarheid van het vormbare, kan een vormkracht in zichzelf vormen scheppen, zoals de geest. De eerst geschapen vorm, de bolvormige wolk, kon door de vormscheppende beweging in de algeest worden gevormd, doordat de beweging en zijn lichtende warmte door de vereniging ook de eigenschappen van de rust en haar doordringbare, vormbare donkere koelte in zich op had opgenomen.
Daarna werd deze geschapen lichtvorm liefdevol tot leven gebracht door ook de warmte eenzelfde vorm te geven en met het licht in de wolk te verenigen.

Door de verdichting zijn al deze eigenschappen ook in jezelf als menselijke geest aanwezig. Met de vormbare en zelfvormende eigenschappen van het licht en de warmte hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen, denken, voelen en willen.
Als je waarneemt breng je jezelf als geest in een toestand dat je licht van buiten af doordringbaar en vormbaar is; als je denkt breng je jezelf in een toestand dat je je licht van binnenuit zelf vorm geeft tot lichtbeelden; als je voelt, dan stel je je warmte vormbaar open voor inwerking uit de buitenwereld en als je wilt, dan vorm je je geestelijke warmte zelf om tot wilskracht.

Lao tse - Tao teh tsjing 26. Rust is de meester van beweging.

Isja oepanisjad 5. Het Ene is bewegende en onbeweeglijk (beweging en rust).

Aristoteles' Onbewogen Beweger: overal is beweging, waarvoor een oorzaak moet zijn, want iets kan niet uit niets voortkomen; die oorzaak heeft de eerste aanzet tot de beweging gegeven en moet daarom zelf zonder beweging zijn: onbewogen, in rust.

Thomasevangelie 50. Als de mensen vragen: Waar komt gij vandaan? zeg dan: Wij zijn uit het licht gekomen, daar, waar het licht uit zichzelf is ontstaan.
Als de mensen vragen: Wat is het teken van uw Vader in u? zeg dan: Het is beweging en rust.

Duits spreekwoord: "In der Ruhe liegt die Kraft."

terug naar de Inhoud

33b De algeest en de geestelijke vermogens 2
De algeest deed zich aan mij voor als een scheppende kracht, die wéét had van mij en zich bewúst met mij verbond. Een kracht is het vermogen arbeid te verrichten, werkzaam te zijn en zich ook weer tot rust te brengen, zich in te spannen en ook te ontspannen.
in de geest beschikt deze kracht over bewustzijn en is zo een 'bewuste kracht'. Want met het geestelijke licht hangt het vermogen samen zich van iets 'bewust te zijn' door het waar te nemen en met de warmte het vermogen krachtig te zijn door iets te willen, waardoor het wezen van de geest is dat die de bewuste levenskracht is, die kan waarnemen, denken, voelen en willen.

Door latere ervaringen met de algeest (wordt nog behandeld) werd mij duidelijk, dat de rust en haar donkere koelte de vrouwelijke, ontvankelijke zijde van de algeest is en de beweging en zijn lichtende warmte de mannelijke, indringende zijde. Het verloop van de vermogens begint met de ontvankelijkheid van het waarnemen, waardoor er gegevens de geest kunnen binnenkomen en de geest werkzaam kan worden met de overige vermogens. Zonder die vrouwelijke ontvankelijkheid, zoals het kijken en luisteren, gebeurt er in de geest niets.

Als je waarneemt, breng je jezelf in een toestand dat je licht (in jezelf als de bolvormige wolk) van buitenaf vórmbaar is tot een innerlijk ervaringsbeeld; je laat toe dat de buitenwereld in je doordringt en zich als een lichtbeeld in je afdrukt, waardoor je je van je omgeving bewust wordt, waardoor je er weet van krijgt;
als je denkt, ben je in een toestand dat je je licht van binnenuit zélf vormt tot een lichtbeeld, wat een denkbeeld is, een gedachte, waarmee je tot je toehoorders doordringt;
als je voelt, ben je in een toestand dat je warmte van buitenaf vórmbaar is tot een gevoel, dat is je gemoedstoestand, die je door je omgeving kunt laten vormen doordat je toelaat dat die in je doordringt; daardoor kun je met je medemensen meevoelen, meeleven;
en als je wilt, dan ben je in een toestand dat je je warmte van binnenuit zélf vormt tot wilskracht en zo handelend op kunt treden in de buitenwereld.

Zoals de afbeelding laat zien, kan de algeest door je vermogens heenstralen, als je ze gewetensvol en deugdzaam gebruikt.

terug naar de Inhoud

34. Wat is wetenschap?
Een wetenschappelijke houding tegenover álle verschijnselen en gebeurtenissen die je kunt ervaren - óók de geestelijke - houdt in:
- dat je die zonder vooroordeel of vooringenomenheid waarneemt en als gegeven aanvaardt;
- dat je vervolgens overdenkt welke betekenis dat verschijnsel of die gebeurtenis voor je kan hebben en beproeft of zij een volgende keer tot eenzelfde gevolgtrekking leiden;
- daarna is het noodzakelijk je tot anderen te wenden om te weten hoe zij de betekenis van dergelijke verschijnselen en ervaringen opvatten, om zo je eigen gedachten te toetsen;
- dan is het tenslotte mogelijk een voorlopige veronderstelling of opvatting te vormen over de betekenis van je ervaringen.

Zo ben ik ook met mijn eigen ervaringen omgegaan, maar moest mij daarvoor tot mystici in het verleden wenden (zie het Literatuuroverzicht op de website Geestkunde). Want de mensheid bevindt zich nu op het dieptepunt van vereenzelviging met de dode stof en de geest in de mens is daardoor een onbekende geworden voor zichzelf. Een aanwijzing hiervoor is de uitspraak: "Wij zijn onze hersenen." De onbewustheid van zichzelf als geest kan niet dieper zijn. Toch was het noodzakelijk dat deze uitspraak werd gedaan. De mensheid moet eerst door het diepste dal heen om de hoogten te kunnen bereiken, die in de verte al door de zon worden verlicht.

Door de onbewuste vereenzelviging zien ook de knapste wetenschappers alleen de stoffelijke helft van de schepping, waardoor hun houding nog eenzijdig is. Ook Einstein - die ik als wetenschapper zeer hoog heb - deed vanuit deze houding zijn uitspraak. Zijn eigen geestelijke vermogens, door de verdichting rechtstreeks uit de algeest in de menselijke geest als erváárbare eigenschappen aanwezig, geven de mens de mogelijkheid de schepping te begrijpen. Die schepping is een gedachtenwereld in de algeest en wordt liefdevol in stand gehouden als leerschool, om de mens hier de gelegenheid te geven op eigen kracht zichzelf te verwerkelijken: door zijn geesteshouding om te vormen van onbewustheid naar zelfbewustzijn, van driftmatigheid naar geestdrift en van zelfzucht naar liefde, om zo aan zijn oorsprong gelijkvomig te worden.

terug naar de Inhoud

35. De eenheid van het al
Zoals beschreven werd mij getoond dat door de vereniging van de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte, a.h.w. tussen hen een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte werd gevormd, waarin ik mijzelf herkende. Ik mocht zo gezegd de geboorte van mijzelf als menselijke geest door verdichting uit de algeest zien. Doordat die verdichting geleidelijk plaatsvond, ontstond er een vloeiende, naadloze overgang tussen mijzelf en de algeest.

Om de betekenis van deze ervaringen beter te kunnen beoordelen, ondernam ik zoals gezegd een religieus-wijsgerige studie. Daarbij kwam ik één schrijver tegen die een soortgelijke ervaring meemaakte, Jozef Rulof. In zijn boek 'Het ontstaan van het heelal' (Literatuuroverzicht) beschrijft hij dat er in de aanvang van de schepping een diepe, stille duisternis heerste, vol met leven. Daaruit kwam een licht naar voren, dat verflauwde en lichter weer terugkwam, door de duisternis heenbrak en de duisternis in zich oploste. Het heelal werd daardoor een gouden uitstraling waar allerlei kleuren in voorkwamen.
Het heelal verdichtte zich langzaam verder tot een onbeschrijflijke, gouden massa, waarin leven kwam. Er ontstond een spanning, waardoor in de massa ontelbare lichtbollen ontstonden, kleine en grote, die in het heelal zweefden en zich verder verdichtten, ieder met een eigen uitstraling. Zo ontstonden zonnen met planeten en menselijke geesten, die op de planeten woonden en zich ontwikkelden, op weg naar vervolmaking.

Wat ik voor mijzelf als persoon heb mogen zien, zag Jozef voor de mensheid en het heelal. Het al is uit één bron voortgekomen. Ik zag dat dat gebeurde door geleidelijke verdichting van licht en warmte, waardoor er niet een duidelijke grens is aan te wijzen tussen de menselijke geest en de algeest. De menselijke geest is daardoor 'uit en in de algeest' in een toestand van 'eenheid in verscheidenheid': er is een tweeheid, maar tegelijkertijd ook een eenheid.
Hoewel zelfstandige geesten, zijn alle menselijke geesten in wezen door de algeest met elkaar verbonden tot een mogelijke eenheid, waarnaar de mensheid door geestelijke ontwikkeling op weg is.

Doordat de stof een uitdrukking is van de geest, heeft de kwantumfysica de kwantumveldentheorie ontwikkeld, die zegt dat ieder deeltje een verdichting is van een 'aangeslagen' veld. Het deeltje blijft een eenheid vormen met het stralingsveld waaruit het is voortgekomen, wat de 'golf-deeltjedualiteit' wordt genoemd.

Volgens de jezuïet Teilhard de Chardin, priester/paleontoloog, dient de aarde als een leerschool voor de mensheid die zich ontwikkelt naar een punt van vereniging, door hem het punt Omega genoemd.

Jezus spreekt hierover in het Johannesevangelie:
10:29-30 Mijn Vader [...] is groter dan allen; [...]. Ik en de Vader, Wij zijn één.'
16:32 [...] En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
17:21 [...] Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
17:22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn.
De Vader is de algeest en in Jezus woont de heilige geest, door verdichting uit de algeest afkomstig, zoals ook de menselijke geest, die nog op weg is naar die staat van heiligheid.

terug naar de Inhoud

36. De ongevormde en gevormde toestand van de algeest
Eerst was mij een aantal malen getoond dat de algeest een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte is, waarin ik als geestvonk aanwezig was. Daarna dat het licht en de warmte uit hun bron, de donkere koelte waren voortgekomen en dat zij die vervolgens in zich hadden opgenomen tot een nieuwe eenheid. In deze toestand waren er geen vormen in het licht en de warmte te onderscheiden: het is de ongevormde oertoestand.
Tijdens een latere uittreding werd ik daar weer mee verbonden, maar nu in een vaag omgrensde ruimte, terwijl ik in het midden stond. Nu was de lichtende warmte in de helft van de ruimte voor mij en de donkere koelte achter mij. Rechts schuin voor mij verscheen een mannelijke gestalte die zich met mij verbond en mij liet weten mijn geestelijke vader te zijn. Daarop vroeg ik waar mijn moeder was, waarop mij werd ingegeven mij om te draaien waarop ik, links schuin achter mij mijn geestelijke moeder zag in de donkere koelte. De rust en haar donkere koelte bleek de vrouwelijke zijde van de algeest te zijn, de beweging en zijn lichtende warmte de mannelijke, maar nu in de gevormde toestand als menselijke gestalte; afbeelding van de geestelijke vermogens.
Bij een andere gelegenheid kwamen zij in diezelfde ruimte van links, schuin boven mij naar mij toe en stelden zich voor mij op, zo dat mijn moeder links en vader rechts stond. Wij keken naar beneden en ik zag dat wij op de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek stonden om onze gelijkwaardigheid te tonen.
Later kwamen zij op gelijke wijze naar mij toe, maar nu kwam mijn vader voor mij staan, op armlengte afstand naar mij toegewend voor bewegingsruimte en mijn moeder dicht achter mij, beschermend over mij heen gebogen, de armen om mij heen.
Weer later waren zij al in dezelfde ruimte toen ik er kwam, maar nu waren zij in liefde in elkaar opgegaan en vormde een éénheid, de moeder in het hart, in de mannelijke gestalte opgegaan, maar door de buitenkant heenstralend: de gedeelde toestand van de tweelinggeest was zo een verenigde toestand overgegaan, zoals eerder in de ongevormde toestand in de algeest ook was gebeurd.

De éne bron waaruit de gehele mensheid en alle levensgeesten zijn voortgekomen, bleek de geestelijke vader en moeder te zijn van de mensheid als geestelijk gezin. Het gezin op aarde is van dat geestelijke gezin een afspiegeling.

terug naar de Inhoud

37. Mannelijkheid en vrouwelijkheid in de algeest
Zoals beschreven werd mij getoond dat de algeest in de ongevormde oertoestand: de beweging met zijn lichtende warmte en de rust met haar donkere koelte, een mannelijk/vrouwelijke tweelinggeest is. Daar de eigenschappen van een bron zich meedelen aan wat eruit voortkomt, kwam uit die óngevormde oertoestand, door verdichting in de gevórmde toestand, ook zo'n tweelinggeest voort, nu in een mannelijke en vrouwelijke geestgedaante. Zij lieten mij zien dat ook in deze toestand er een verenigde en gedeelde toestand mogelijk is van man en vrouw, én dat beiden gelijkwaardig zijn.

Doordat de vrouwelijke gestalte kleiner is, kwam de vrouwelijke geestgedaante weliswaar uit de mannelijke voort bij de overgang naar de gedeelde toestand, maar ook in de verenigde toestand daarvoor waren zij gelijkwaardig: zij handelden als een eenheid en zij straalde evenwichtig door hem heen. Zo toonden zij mij ook de vrouwelijkheid van de ingekeerde instelling en de mannelijkheid van de uitgekeerde.

Ook werd mij de vrouwelijkheid van het voelen getoond door de persoonlijke verbondenheid met mij en de mannelijkheid van het afstandelijke denken. Daardoor heeft in het verloop van de vermogens in de vrouwelijke geest het voelen de nadruk door de volgorde voelen denken, in de mannelijke geest het denken door de volgorde denken voelen.

Zo vullen man en vrouw elkaar aan, wat ook in de oorspronkelijke betekenis van het woord 'huwelijk' is te vinden. Het woord 'huwen' betekent: de beide echtgenoten, het woord 'laika' spel. Het huwelijk is het heilige samenspel tussen man en vrouw, dat, pas aan het einde van hun geestelijke ontwikkeling, een weergave zal zijn van hun oorsprong, de algeest; maar wat hier in de stof al tot uitdrukking komt als hun vermogen door verwekking en geboorte hun eenheid in hun kindje uit te drukken.

Daardoor vormen zij samen hun 'gezin', een woord waarvan de betekenis samenhangt met 'zenden': zij zijn de 'gezondenen' die samen op weg zijn om, door persoonlijke omgang met elkaar, hun vermogens te ontwikkelen en zo geestelijk te groeien naar volwassenheid.
Niet alleen de geestelijke vermogens, maar ook huwelijk en gezin geven eigenschappen van de algeest weer, geheel in overeenstemming met de oude wijsheid 'Zo boven, zo beneden'.

terug naar de Inhoud

38. De aarde als geestelijke leerschool
De verhouding van de menselijke geest tot de algeest in de gevormde toestand, blijkt die van ouders en kind te zijn. Daar een kind een groei doormaakt naar volwassenheid, is ontwikkeling een wezenlijk kenmerk van het menszijn en voor die geestelijke groei is de aarde een leerschool.
Het woord 'school' komt van het Griekse 'skola' en dat van het Oud Egyptische: 'she oel a': de eenzame mens zoekt inzicht. Want de algeest is immers alomtegenwoordig en daardoor alleen, en om volwassen te worden zoals de ouders, moet ook de mens in die toestand kunnen verkeren en door in te dalen in het beperkende, aardse lichaam komt de mens in de toestand te leven aan zichzelf overgelaten te zijn.

Door die toestand beschikt de mens hier over de vrije keuze: zelf te kiezen wat te besluiten en hoe te handelen. Om zichzelf staande te houden in de tijd als stroom van veranderende gebeurtenissen, moet de mens zelf keuzes maken en wordt zo aangezet de vermogens te gebruiken. Daardoor groeien zij naar de volwassen, bewust beheerste toestand, in overeenstemming met die van de ouders: het doel van deze geestelijke ontwikkeling.

Door de aan zichzelf overgelaten toestand is de leraar van deze school onzichtbaar. De mens moet hier zijn eigen leermeester zijn door ondervinding op te doen met de gevolgen van eigen besluiten; daardoor leert de mens door zélf ervaringen op te doen en die te verwerken. De geest leert hier al doende. Doordat herhaling de leermeester van de student is, komen in het dagelijkse leven regelmatig leerzame gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, totdat die voldoende is geoefend in het omgaan met dat soort gebeurtenissen.

De vergankelijkheid en daardoor veranderlijkheid van stoffelijke vormen en omstandigheden, levert de oefenstof voor geestelijke groei. Daarin zijn in grote lijnen drie stappen te onderscheiden: (1) de onbeheerste begintoestand waarin de mens nog is onderworpen aan gebeurtenissen, (2) de toestand dat de mens greep begint te krijgen op de omgeving en (3) die waarin de menselijke geest toegroeit naar het uiteindelijke doel: zelfverwerkelijking en hereniging van allen met de geestelijke ouders.

terug naar de Inhoud

39a. Het aardse bestaan als toneelstuk 1
Onzichtbaar voor de mens op aarde doordringt de geestelijke wereld de stoffelijke. De overgang van de geest van de eerste naar de tweede wordt hier weliswaar ontwaken genoemd, maar tegelijk slaap je geestelijk gedeeltelijk in en word je onbewust van het bestaan van jezelf als geest. Als je door lichamelijke vermoeidheid weer teruggaat, heet dat inslapen, maar dat betreft alléén het lichaam ('slapen' komt van: slap worden), de geest blijft wakker en gaat naar huis om de ervaringen te verwerken, opgedaan in het toneelstuk van het dagelijkse leven, waarin ieder zijn eigen rol speelt.

Bij geboorte en overlijden gebeurt hetzelfde. Vóór de geboorte verbind je je met het lichaam bestemd voor het komende bestaan, bij het 'overlijden' (betekent 'overgeleid worden') verlaat je het weer. Bij de geboorte moet de geest, die thuis volwassen is, zich geestelijk aan de toestand van het kindje aanpassen, moet zich inhouden en klein maken om zich met het lichaampje te verbinden; daardoor is de geest dan wel de levengevende kracht, maar verder onmachtig en begint hier als hulpbehoevende.
De bedoeling daarvan is, dat de ouders de gelegenheid krijgen samen liefdevol voor een ander, hun kindje, te zorgen. Dat brengt in beiden het voelen als geestelijk vermogen tot ontwikkeling, wat een rijkdom voor de eeuwigheid betekent. Aan het einde van de weg gebeurt het omgekeerde en kan het kind zich liefdevol voor de dan hulpbehoevende ouders inzetten, met hetzelfde gevolg.
Door huwelijk en gezin, afbeelding in de stof van het huwelijk in de algeest, krijgen menselijke geesten, door geboorte en door de innige omgang met elkaar, steeds weer de gelegenheid een volgende stap te zetten op hun pad van geestelijke groei. Huwelijk en gezin geven gelegenheid voor geestelijke ontwikkeling in de leerschool die de aarde is; zij spelen een belangrijke rol in de geestelijke groei van mens en mensheid.

Pas als de levengevende geest ten slotte het lichaam verlaat, gaat alleen het lichaam dood en sterft het ('sterven' is: stijf worden); de geest als het eeuwig levende gaat dan naar huis terug, maar kan bij het verscheiden van hier alleen meenemen, wat die in zichzélf heeft ontwikkeld.

terug naar de Inhoud

39b. Het aardse bestaan als toneelstuk 2
De verhouding tussen de geestelijke en stoffelijke wereld is als twee kamers met een deur ertussen. Bij het ontwaken ga je door de deur van de eerste naar deze wereld, die met kracht door je zintuigen naar binnen stroomt. Daardoor eist die al je aandacht op en brengt je in de toestand van onbewuste vereenzelviging ermee. Door je lichaam te gebruiken, wordt het moe en moet je het met rust laten door in te slapen. Daarbij ga je ruggelings terug naar de eerste kamer, waardoor je het inslapen niet merkt. Overdag komt door de tijd een stroom gebeurtenissen op je af die je met je vermogens moet verwerken om daarin staande te blijven. Daarvoor moet je je geestelijke vermogens gebruiken, waardoor je ze steeds beter en bewuster leert beheersen in de vorm van geweten en deugden, wat geestelijke ontwikkeling betekent. Je vermogens hangen samen met geestelijk licht en geestelijke warmte, waardoor je die steeds meer gaat uitstralen.

Doordat je hier schijnbaar aan jezelf wordt overgelaten en daardoor over een vrije keuze beschikt, moet je aan het begin al over een zeker zelfgevoel beschikken om zelf te kunnen kiezen en zo aan je ontwikkeling te beginnen. Door diezelfde vrije keuze echter kan de menselijke geest uit twee wegen kiezen: de ene leidt naar ontwikkeling van de vermogens om daarmee het zelfgevoel te versterken, wat leidt tot zelfgerichtheid; de andere verloopt in gemeenschap met anderen, wat leidt tot het geweten en de deugden, tot liefde en tot: heb je naaste lief alsof het jezelf betrof, door het besef dat allen uit dezelfde bron zijn voortgekomen.

Daar je gehele geestelijke ontwikkeling niet in één leven kan worden volbracht, zijn er wedergeboortes nodig in meerdere levens, wat al gedurende onheuglijke tijden plaatsvindt. Door de genoemde vrije keuze zijn daarbij in grote lijnen drie groepen gevormd: de zelfgerichten, die daardoor geen licht en warmte uitstralen, de gewetensvollen die licht en warmte uitstralen en zij daar tussenin. Op aarde leven zij door elkaar heen, in de geestelijke wereld in donkere, in schemerige en in lichte gebieden. Door uittreding is het bestaan van deze werelden aan mij getoond.

terug naar de Inhoud

40. De gulden regel
De kerngedachte van genoemd toneelstuk is de overwinning van de aanvankelijke zelfgerichtheid en zich te leren gedragen naar de 'gulden regel', de hoofdwet voor zedelijk gedrag:
'Behandel je medemensen, zoals je het zelf zou wensen.'

Om je zo vanuit je hart tegenover je medemensen te kunnen gedragen, is, al lijkt het tegenstrijdig, zelfkennis noodzakelijk, want voor wat je níet kent, kun je geen liefde voelen! Geestelijke zelfkennis is een onvermijdelijk vereiste om je naaste wézenlijk te kunnen kennen en liefhebben; alleen door zelfkennis kun je tot het besef komen, in iedere mens een wezen als jezelf te ontmoeten ... en daarna uiteindelijk ook een wezen als de algeest, de éne bron van állen. Geestelijke zelfkennis is daardoor de zekerste weg die leidt tot het in vrijheid uit jezelf toepassen van de gulden regel.

De gulden regel is in alle culturen verwoord:
Zarathoestra: Alleen die mens heeft een goed karakter, die anderen niet aandoet wat niet goed is voor hemzelf.
Amerikaanse indianen: Grote Geest, geef dat ik mijn buurman niet beoordeel voor ik een mijl in zijn mocassins heb gelopen.
De joodse leer: U moet uw broeder niet haten in uw hart; ... maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Boeddhisme: Op vijf manieren zou iemand zijn vrienden en bekenden van dienst moeten zijn - met edelmoedigheid, hoffelijkheid, welwillendheid, door hen te behandelen zoals hij zichzelf behandelt en door zijn woord gestand te doen.
Confucius: Doe niet aan anderen, wat u voor uzelf niet wenst.
Griekse filosofie: Doe niet aan anderen, wat uzelf niet wenst te ondergaan (Isokrates).
Behandel uw vrienden, zoals u door hen behandeld wilt worden (Aristoteles).
Hindoeïsme: Men moet zich tegenover anderen niet gedragen op een manier die ons zelf onaangenaam zou zijn. Dit is het wezen van de wet (dharma). Al het overige komt voort uit zelfzucht.
Christendom: Alles nu wat u wilt dat u de mensen doen, doet u hen ook zo, want dit is de wet en de profeten.
Islam: Niemand van u is een gelovige voordat hij zijn broeder toewenst, wat hij voor zichzelf wenst.

Deze regel leidt tot liefdevolle wederkerigheid, voorwaarde voor een persoonlijke band met de ander.

De betekenis van de gulden regel komt ook tot uiting in het gezegde: 'Vrijheid van handelen eindigt daar, waar de vrijheid van een ander begint.' Door zelfgericht, overheersend gedrag overschrijd je die grens. Je verstoort het hoogste goed van een mens, zijn persoonlijke vrijheid van handelen. Alleen door wederzijds die grens te eerbiedigen door zelfbeheersing, ontstaat onderlinge vrede.

terug naar de Inhoud

41. Begeleiding op de weg
Zoals bij de gulden regel is te lezen, zei Jezus dat de gehele joodse leer daarin is vervat. Niet alleen van het jodendom, maar van alle grote godsdiensten is het de kern van de leer. Deze geestelijke kennis is door de eeuwen heen door wijzen bij ieder volk achtergelaten met als doel, de mensheid voort te helpen op de weg die naar vervolmaking leidt. Daarvoor kwamen zij vanuit hun wereld naar deze toe, uit een wereldomvattende, nooit rustende werkgroep, die door de algeest wordt geleid.

In de mensheid leven alle algeestvonken, die door verdichting uit de algeest zijn voortgekomen. Zij zijn hier schijnbaar aan zichzelf overgelaten om over de vrije keuze te kunnen beschikken, om zelf te kunnen besluiten op weg te gaan en zichzelf te verwerkelijken, en zo het doel van de schepping te vervullen. Maar door die aan zichzelf overgelaten toestand en door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, hebben zij begeleiding nodig om zich al dan niet op die geestelijke weg te begeven.

Die begeleiders zijn broeders en zusters die het pad al hebben afgelegd en zich willen inzetten om hen, die nog onderweg zijn, te begeleiden. Maar ook zij worden daarbij begeleid, door anderen en uiteindelijk door onze liefdevolle ouders, onze geestelijke vader en moeder, de gevormde toestand van de algeest. Het beeld van de moeder, die zich liefdevol over de wieg van haar kindje buigt, is het beeld hoe ook onze geestelijke vader en moeder zich voor hun kinderen, de mensheid, willen inzetten… als die zich uit vrije keuze en vol vertrouwen tot hen wenden. Om deze keuze voor die geestelijke weg, de levensweg, mogelijk te maken, hebben wijzen hun kennis naar de aarde gebracht. Een aanwijzing voor het bestaan van deze begeleiding is het feit, dat bij ieder volk op aarde deze geestelijke wijsheid aanwezig is.
Daardoor is het slechts schijnbaar zo, dat wij hier aan onszelf worden overgelaten en de schepper van het al onzichtbaar is; maar het is aan de mens zich vol vertrouwen tot zijn begeleiders te wenden, want zonder diens vraag om hulp kunnen zij niets doen, daar de vrije keuze moet worden geëerbiedigd. Ook de levensbestemming waarmee de mens naar de aarde is gekomen, het karma, is een beperking van hun mogelijkheid de mens te begeleiden.
Door uittreding is het mij vergund geweest mijn begeleiders te mogen ontmoeten.

terug naar de Inhoud

42. De vrije keuze (‘vrije wil’)
Een keuze is een oordeel dat je vormt, door de mogelijkheden van handelen te overdenken en doorvoelen, en de gevolgen ervan te overzien; een keuze maak je na redelijke en zedelijke afwegingen van voor- en nadelen, en dan te besluiten hoe te handelen: het wilsbesluit. In de leerschool die het tijdelijke bestaan voor je is, komen door de tijd als stroom van gebeurtenissen ervaringen op je af, die je steeds voor keuzes plaatsen en je aanzetten je vermogens te gebruiken om in die stroom staande te blijven. Zo leer je al doende je vermogens bewust en beheerst te gebruiken: dat betekent geestelijke ontwikkeling, het doel van dit bestaan.

In deze vrije school is eigen ondervinding de leermeester, waarvoor je hier schijnbaar aan jezelf wordt overgelaten en zonder zichtbare leraar; daardoor hangt de richting van je ontwikkeling af van jouw eigen keuze. Die persoonlijke zelfstandigheid is een onvermijdelijk vereiste, want alleen wat je op eigen kracht hebt gedaan, brengt je vermogens tot ontwikkeling en worden zij jouw éigendom: dat, wat jouw onvervreemdbare eigenschap is, een aanleg, die door eigen inspanning tot ontwikkeling is gebracht door die bewust en beheerst te leren gebruiken.
Wat je hebt verkregen met de hulp van anderen, of door dwang of plicht, is geen eigendom, maar bezit, wat los van je staat, zoals een stoel die je 'bezit'. Maar wat los is, kun je verliezen en zal bij overlijden zeker verloren gaan. Alleen wat jouw eigendom is geworden, is een rijkdom voor de eeuwigheid.

De wilskracht is de levenskracht die het mogelijk maakt je vermogens te gebruiken als innerlijke wilshandeling: je wilt waarnemen, denken en voelen, en vervolgens de zo gevormde gedachten en gevoelens uiten in uitspraken en gedrag als een uiterlijke wilshandeling; daardoor is de wil onwrikbaar ingebed in een hechte samenhang met de overige vermogens. De wil kan daardoor niet 'vrij' zijn, niet los staan van de vermogens, want zou zonder de sturing van de overige vermogens een volkomen ordeloos werkende kracht worden. Dat alleen de wilsuiting wordt gezien en benoemd, als de ‘vrije wil’, is een gevolg van de onbewuste vereenzelviging met het uiterlijke, waardoor de innerlijke bron niet wordt gezien.

Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is de geest onbewust van zichzelf als de werkzame zelfstandigheid en kan daardoor over de vermogens spreken alsof zij zelfstandigheden zouden zijn, die los van elkaar werkzaam zijn. In die toestand wordt gezegd: 'de wil doet dit of dat' in plaats van te zeggen dat het de géést is die het wil doen.
Door onbewustheid van zichzelf en van de eigen werkzaamheid draagt de geest alle aandacht en toewijding over op de vóórtbrengselen van die werkzaamheid: bij het willen op de wilsbesluiten en -handelingen. Daardoor wordt de aan het wilsbesluit voorafgaande werkzaamheid van de vermogens, de brón van keuze, besluit en handeling, niet gezien.
Daardoor wordt er niet van vrije keuze, maar van 'vrije wil' gesproken.

terug naar de Inhoud

43. Het gaat om de liefde
Voelen is het vermogen het lichtbeeld van een waargenomen gebeurtenis of gesprek, door een open gevoelshouding ook toe te laten tot je geestelijke warmte, je gemoedstoestand, die daardoor in overeenstemming komt met de gevoelsmatige betekenis van je waarneming. Door te voelen laat je bewust toe, dat je in eenzelfde gemoedstoestand komt als de ander die je spreekt. Daardoor ga je met hem of haar meevoelen, meeleven en ontstaat door deelneming met de ervaringen van de ander de aandrang die persoon bij te willen staan. Afhankelijk van je ontwikkelingstoestand ontstaat door medeleven de aandrang je onbaatzuchtig in te willen zetten voor het geluk van de ander. De grootste vreugde voor het gevoel is de ander gelukkig te zien.

Zoals gezegd doet de geest zich aan het geestesoog voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte: de bewuste levenskracht. Zoals een verhit voorwerp eerst warm wordt en dan licht gaat uitstralen, is het ook met de geest. De warmte als kracht is het leven zelf en het licht als bewustzijn is het gevolg van de levendigheid ervan.
De levenskracht, als warmte ervaarbaar, is de meest wezenlijke eigenschap van de geest en daarmee het voelen en willen als vermogens. De vier vermogens zijn gelijkwaardig en alle voor het innerlijke evenwicht onmisbaar, maar voelen en willen liggen dichter bij de kern dan denken en waarnemen. Een gemoedstoestand als vreugde, dat bén je, kennis of een gedachte, lichtbeelden, héb je.

Voelen is zich vormbaar openstellen voor een ánder, waardoor een gevoelsband ontstaat tussen twee géésten. Door te voelen komt de menselijke geest in een toestand, die met de algeest voortdurend bestaat. Door de verdichting zijn alle geesten onwrikbaar met de algeest door liefde verbonden - ook al wordt dit door de onbewuste vereenzelviging niet beseft.
Het voelen is het vermogen zich met het wezen van de ander te verbinden en is daardoor het meest 'wezenlijke' vermogen. Liefde is de gemoedstoestand die bij deze werkzaamheid van het voelen, het streven naar verbondenheid met een ander, hoort. De liefde is daardoor de meest verheven gemoedstoestand, het is het leven zelf van de mens.

terug naar de Inhoud

44. Ingeving en voorgevoel
Ooit vormde de algeest in zichzelf een lichtende gedachte van zichzelf, een zelfbeeld, dat met verwarmende liefde tot leven werd gebracht. Aan dat zelfbeeld gaf de algeest een aanleg mee om zichzelf tot zelfstandig levend wezen te ontwikkelen, zoals de scheppende bron, de algeest zelf.
Die algeestvonk, de menselijke geest, wordt daarbij door de algeest, in de verdichte toestand, begeleid. Déze algeestvonk komt rechtstreeks uit de algeest voort en is daardoor de reeds volmaakte algeestvonk. In de gevormde toestand doet die zich voor als vader en moeder van de mensheid, in menselijke gestalten. Samen vormen zij een volmaakte tweelinggeest, die hun kinderen ondersteunen en begeleiden op hun pad.

Zij die de weg al hebben afgelegd en besloten om de zich nog ontwikkelende mens te helpen, werden daarbij ook door de volmaakte tweelinggeest begeleid. Naar de ontwikkelingstoestand van de leden van dit geestelijke gezelschap, is er een rangorde ontstaan, tussen de volmaakte algeestvonk en iedere menselijke geest in. Iedere mens heeft zo een persoonlijke begeleider.

Zij spreken elkaar door ingeving en gebed. Een ingeving is een bewustwording die ontstaat, doordat een gedachte of gevoel van een begeleider vanuit de geestelijke wereld op buitenzintuiglijke wijze in de ziel van de mens op aarde wordt ingegeven, doordat die met zijn uitstraling de ziel van de mens doordringt. Vervolgens maakt die ingeving een indruk op de geest van de aardse mens als die daarvoor ontvankelijk is, waardoor de ingeving wordt waargenomen; maar de mens heeft de vrije keuze er al dan niet naar te luisteren.
Er bestaat een (telepathische) wisselwerking tussen de menselijke geest en zijn ziel enerzijds en de geest van de geestelijke begeleider, in de geestelijke wereld, met zijn of haar uitstraling anderzijds. Door deze wisselwerking ontstaat vanuit de geestelijke wereld de ingeving van gedachten en voorgevoelens overdag, en van betekenisvolle dromen 's nachts. Omgekeerd gebeurt hetzelfde als de mens op aarde zich tot zijn of haar geestelijke begeleider richt, bijvoorbeeld door een vraag om hulp of een gebed. Dit is mijn persoonlijke ervaring hiermee.

Als de geestelijke begeleider de mens op aarde iets wil meedelen, gebeurt het volgende. De begeleider breidt zijn of haar uitstraling uit naar de ziel van de mens op aarde door zich op hem of haar af te stemmen en doordringt de ziel, zodat beiden zich in elkaars sfeer bevinden. Vervolgens denkt de begeleidende geest (1) een denkbeeld en drukt dat af in zijn ziel (2). Daar beide zielen met elkaar zijn verstrengeld, wordt dat denkbeeld tegelijkertijd ook in de ziel van de aardse mens (2) gevormd. De geest van deze mens neemt dit beeld (al dan niet duidelijk bewust van dit gebeuren) in zijn ziel waar, waardoor de gedachte ook in de geest van de aardse mens (3) wordt gevormd; die ervaart dit gebeuren als een ingeving, een inval of een voorgevoel, of als het ontvangen van een betekenisvolle droom.

terug naar de Inhoud

45. Vijf soorten dromen
Als je lichaam moe wordt, moet je het met rust laten door uit te treden. Dáárdoor wordt het ‘slap’ en rust door ‘slapen' uit. Bij het inslapen kom je eerst in je binnenwereld, je ziel, waar je helderziende bent; dromen is: buitenzintuiglijk, helderziend waarnemen. Eerst zie je de inhouden van je bewustzijnsruimte, dan geheugeninhouden, daarna kun je vanuit jezelf de geestelijke wereld waarnemen en ten slotte uittreden en die ervaren. Door de levensdraad blijf je met je hersenen verbonden, waardoor ervaringen op de hersenschors kunnen worden afgedrukt en de hersenen tijdens dromen werkzaam zijn: wat de ‘droom-‘ of ‘paradoxale slaap’ (met rapid eye movements), wordt genoemd.

Het woord 'droom' betekent oorspronkelijk ‘vreugde', door de verbinding met je begeleiders. Naar de mate van uittreding zijn in grote lijnen vijf soorten dromen te onderscheiden.
1. Tijdens dagdromen zie je in je ziel beelden van je eigen verbeelding, doordat je je denken onbeheerst laat werken.
2. Neem je ’s náchts de inhouden van je binnenwereld waar, dan zijn de daar optredende droombeelden 'dagresten', ervaringen van overdag die je verwerkt door herbeleving.
3. Het ontoegankelijke geheugen heeft als inhoud vergeten, verdrongen, of onverwerkte ervaringen uit vorige levens. Deze dromen kunnen verward zijn door beelden die onaangename gemoedstoestanden weergeven.

4. Ben je met de geestelijke wereld verbonden, dan kunnen geestelijke begeleiders je betekenisvolle droombeelden ingeven, die een boodschap bevatten voor je verblijf in de stoffelijke wereld. Deze dromen vormen een samenhangend verhaal en maken een zodanige indruk, dat je de volgende dag de aandrang voelt de droom aan anderen te vertellen. Deze dromen vragen om een uitleg en dat is ook de bedoeling, want al zoekend naar de betekenis ervan kun je je van bepaalde zaken die je geestelijke ontwikkeling betreffen, bewust worden.

5. Ten slotte een groep van dromen die door uittreding ervaringen in de geestelijke wereld zijn. Zij hebben een grote werkelijkheidsbeleving door de zekerheid iets te hebben meegemaakt of anderen daadwerkelijk te hebben ontmoet.
Vóór het inslapen begint je helderziendheid die vlak na het ontwaken eindigt; ook dan kunnen begeleiders boodschappen doorgegeven, die je dan bewust als ingeving ontvangt.

terug naar de Inhoud

46. De ‘boom’ als droombeeld
De boom is niet alleen een levend wezen, maar als droombeeld ook de weergave van een kósmisch wezen, voor de dromer een bemoedigende verwijzing naar het allerhoogste.

De boom verenigt in zich de vier elementen: het vuur van de zon met zijn licht voor de bladeren, dat de boom doet groeien en leven; de dampkring met de lucht waarin de boom met zijn bladeren ademt; de aarde waarin hij wortelt en houvast heeft, en het water dat hem voedt.

De boom toont met zijn bladeren de vier jaargetijden, de levenstijdperken van al wat leeft: in de lente geboorte en jeugd; in de zomer de volwassenheid; in de herfst ouderdom en afvallen; in de winter het onzichtbaar zijn door verblijf in de geestelijke wereld, om daarna te worden herboren.
Door jaar in jaar uit bladeren te krijgen en weer te laten vallen, toont de boom de kringloop van het leven die door de tijdelijke en eeuwige wereld draait.

Een boom met zijn stam en kruin is een toonbeeld van de éne stam met zijn verdeelde kruin, waarvan de vele vertakkingen in het klein toch gelijkvormig zijn aan de stam met hoofdtakken; zo vormen zij een eenheid in verscheidenheid: een beeld van de wijze waarop de éne algeest zich uitdrukt in de oneindige verscheidenheid van geschapen geesten, die alle de eigenschappen van de algeest in aanleg in zich hebben.

De wortels die in de aarde dringen om naar voedsel te zoeken, verbeelden het lichaam; de kruin die zich naar het licht van de zon richt, is de geest en de stam waarin het sap uit de wortels opstijgt en uit de bladeren neerdaalt, en zo kruin en wortels met elkaar verbindt, verbeeldt de ziel als verbinding tussen beide.

De boom die uit een zaadje opgroeit tot kiemplantje en daarna tot een volwassen reuzenplant, is een toonbeeld van de ontwikkeling, die ieder levend wezen meemaakt. Door zijn groei vanuit de donkere aarde naar het licht van de zon, verzinnebeeldt de boom de ontwikkeling van de menselijke geest en de hereniging met de algeest.

De boom als levensboom komt daardoor in alle godsdiensten op aarde voor, want wat de boom van zichzelf laat zien, is een zinnebeeld van het eeuwige leven... als droombeeld een bemoediging voor de dromer.

terug naar de Inhoud

47. Voorbeeld: de Levensboom van de Kabbalah
Kabbalah is joodse mystiek.
Het En Sof, 1 Kether: de kroon, is de eeuwige oneindigheid, overeenkomend met de algeest; met daarin het ‘oerpunt’ of ‘verborgen zaad’, dat kan ontkiemen en zich ontwikkelen.
Kether is de verborgenheid van de godheid, de algeest, de Wortel, die door werkzaam te worden ervaarbaar naar buiten treedt in zijn schepping.

De oerpunten vormen de mensheid, 10 Malchoeth, het koninkrijk, de Kruin, waarvan de ontwikkeling wordt aangezet door Jahweh: ik ben, ik was en zal zijn, ook: ik doe zijn, de mannelijke zijde van de algeest; en wordt geleid door Sjechinah: zij die bij ons woont, de vrouwelijke zijde.

Kether en Malchoeth zijn verbonden door de eigenschappen van de algeest tussen hen in, die in de vorm van een boom zijn voorgesteld. De stam is de middelste verbinding met 6 Thefireth: schoonheid, het waarnemen en 9 Jesod: scheppingskracht als de grondslag, het willen: samen de geest als bewuste kracht. Thefireth is ook de Rachamim: de barmhartigheid en is als schoonheid de eenheid van alles (‘kosmos’: schoonheid, orde, eenheid).

Uit hen steken drie takken uit die twee groepen vormen. De groep van Jahweh is de mannelijke, uitgekeerde zijde, de groep van Sjechinah de vrouwelijke, ingekeerde.
De algeest als de bewuste kracht denkt en voelt. Het denken is 2 Chochmah: de wijsheid, de scheppingsgedachte en 3 Binah: het verstandelijke, ontledende denken en begrip.
Het voelen is 4 Chesed: de liefde van de algeest, ook Gedoelah: grootmoedigheid en 5 Gevoerah: is de rechtvaardige strengheid.
Het willen is 7 Netsach: bestendigheid en vastberadenheid, en 8 Hod is: de macht en luister van de algeest, de albeheerser.

Als Jahweh werkt de algeest naar beneden naar de mensheid toe, waarbij de eigenschappen als zelfstandigheden werkzaam zijn, als ‘malak Jahweh’, krachten en boodschappers van de algeest. Zij bevorderen de ontwikkeling van de oerzaden, de mensheid in de schepping, die daarvoor de school is. Bij de mensheid is de vrouwelijke zijde van de algeest, Sjechinah, die de mens langs de kringloop van de vrouwelijke, ingekeerde zijde weer omhoog leidt, terug naar de algeest voor hereniging.

terug naar de Inhoud

48. De kringloop van het leven
Zonder eigen ervaringen is het niet mogelijk zekerheid te krijgen over het bestaan van een geestelijke wereld. Niet alleen hebben begeleiders mij meermalen laten uittreden, maar ook werd mij de kringloop van het leven door de stoffelijke en geestelijke wereld getoond.
Ik zag een trap die uit de geestelijke wereld naar de stoffelijke leidde, waarover geesten naar beneden kwamen. Onderaan was een baarmoeder met de opening naar boven, waardoor zij naar binnen gingen. Daarna kantelde die, waarna zij in lichamen op aarde werden geboren.
Zij maakten hun gang over de aarde om levenservaringen op te doen, nodig om volgende stappen te zetten op hun levensweg, het pad van geestelijke groei. Door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, noodzakelijk voor de vrije keuze, wordt hier niet de geestelijke waarde gezien, die iedere gebeurtenis heeft, maar dat wordt duidelijk als na thuiskomst de opgedane ervaringen worden verwerkt, samen met de begeleiders.

Na hun weg over de aarde zag ik hoe mensen moeizaam een trap opgingen. Boven aangekomen was er een opening tussen de trap en de andere wereld. Begeleiders hielpen hen de overstap te maken, waardoor zij behouden in hun eigen wereld aankwamen. Daar gingen zij op weg om de gebeurtenissen van het afgelopen bestaan te verwerken. Mij werd getoond dat de mens thuis zelf moet ervaren, wat anderen op aarde is aangedaan. Op aarde kunnen zaken worden verdrongen, in de geestelijke wereld niet. Daar gaat het geweten spreken, wat door wroeging en schaamte een voortdurende pijn betekent, waardoor het vaste besluit wordt genomen in een volgend bestaan het aan de ander weer goed te maken. Zo komen ook daar het geweten en de deugden tot ontwikkeling.
Door de verwerking wordt duidelijk of er volgende stappen nodig zijn op de geestelijke ontwikkelingsweg. De aarde is daarvoor zeer leerzaam, daar men thuis altijd bij gelijkgezinden is, maar op aarde heel verschillende mensen ontmoet, wat leerzamer is dan het verblijf in het eigen gezelschap. Het meest wordt geleerd van het oplossen van moeilijkheden ontstaan door zelfgericht gedrag van zichzelf en anderen, met blijvend geluk als gevolg.


terug naar het Menu

terug naar het weblog







^