Kernpunten van geestkunde

Deze reeks korte artikelen is geplaatst op de sociale media YouTube, Facebook, Instagram en LinkedIn (zie in het Menu onderaan).
- Klik hier voor een lijst met de gesproken tekst (podcasts) op YouTube
- en hieronder voor de geschreven tekst op Facebook, Instagram en LinkedIn.

Inhoud

Lijst van hoofdonderwerpen
1 De geest en zijn vermogens
2 Geest, ziel en lichaam
3 Persoonlijkheidskenmerken
4 De geestgedaante
5 De geestestoestanden
6 De zelfbezinninng
7 De eenheid van het al
8 De aarde als leerschool
9 Ingeving en dromen
10 Betekenis van woorden, klanken en kleuren
11 Geest en hersenen
12 De spreekwijze 'ik' en 'ego'
13 Geestelijke ontwikkeling
14 Hildegard van Bingen
15 De gulden snede
16 Vermogens en ontwikkeling
17 Zo boven, zo beneden
18 Waar gaat het om?
19 Jezus als leraar
20 Mensbeeld van rabbi Jezus
21 Jezus' zelfoffer en opstanding
22 De viereenheid
23 De bron van eeuwig leven
24 De engelenordes
25 Geschiedenis der mensheid
26 De scheppingsverhalen Gen.
27 Het onschuldige lijden
28 Fractalen
29 Invloed van klimaat op de ontwikkeling
30 De oerfractaal
31 De eenheid in de verscheidenheid
32 De harmonische trilling
-----------------------------------------------------------------------------------------------------
Lijst van onderwerpen

1 De geest en zijn vermogens
1. Geestkunde
2. Het waarnemen
3. Het denken
4. Het voelen
5. Het willen
← terug naar de Inhoud

2 Geest, ziel en lichaam
6. Geest, ziel en lichaam
7. Geest en hersenen
8. De innerlijke stem
9. De innerlijke voorstelling
← terug naar de Inhoud

3 Persoonlijkheidskenmerken
10a. Persoon en persoonlijkheid
10b. Persoonlijkheids-kenmerken
11. Het ingekeerde willen
12. Het uitgekeerde voelen
13. Het uitgekeerde denken
14. Het ingekeerde waarnemen
15. Het uitgekeerde waarnemen
16. Het ingekeerde voelen
17. Het ingekeerde denken
18. Het uitgekeerde willen
19. Het innerlijke evenwicht
20a. Het geweten
20b. De deugden
← terug naar de Inhoud

4 Geestgedaante
21. Geestgedaante en lichaam
22. De chakra's
← terug naar de Inhoud

5 Geestestoestanden
23. Het 'bewustzijn'
24. De onbewustheid
25a. De onbewuste vereenzelviging
25b. De onbewuste vereenzelviging
en de vermogens
26. De bewuste vereenzelviging
27. De eenzijdige vereenzelviging
28. Bewustwording en zelfverwerkelijking
← terug naar de Inhoud

6 Zelfbezinninng
29. De zelfbezonnen geestesgesteldheid
30. Zelfbezinning als geestelijke oefening
31. De inwerking en hereniging
← terug naar de Inhoud

7 De eenheid van het al
32. Het ontstaan van de menselijke geest
33a. De algeest en de geestelijke vermogens 1
33b. De algeest en de geestelijke vermogens 2
34. Wat is wetenschap?
35. De eenheid van het al
36. De ongevormde en gevormde toestand van de algeest
37. Mannelijkheid en vrouwelijkheid in de algeest
← terug naar de Inhoud

8 De aarde als leerschool
38. De aarde als geestelijke leerschool
39a. Het aardse bestaan als toneelstuk 1
39b. Het aardse bestaan als toneelstuk 2
40. De gulden regel
41. De begeleiding op de weg
42. De vrije keuze ('vrije wil')
43. Het gaat om de liefde
← terug naar de Inhoud

9 Ingeving en dromen
44. Ingeving en voorgevoel
45. Vijf soorten dromen
46. De 'boom' als droombeeld
47. De Levensboom van de Kabbalah
48a. Kringloop van het leven 1
48b. Kringloop van het leven 2
← terug naar de Inhoud

10 Woordbetekenis, klank en kleur
49a. Woordbetekenis en woordklank 1
49b. Woordbetekenis en woordklank 2
49c. Woordbetekenis en woordklank 3
50a. Chakra's, vermogens, klanken en kleuren
50b. Gewaarwording en waarneming van kleuren
← terug naar de Inhoud

11 Geest en hersenen
51a. De geest en zijn hersenen
51b. Plato's 'mensen in de grot'
52. Spanning, inspanning, ontspanning
53. Gezichtsuitdrukking en lichaamstaal
54. Links, rechts en het verenigende midden
← terug naar de Inhoud

12 De spreekwijze 'ik' en 'ego'
55. 'Het ik' en 'het zelf' of "Ik ben het zélf"
56. Ik en 'mijn ego' (Latijn: 'ik')
← terug naar de Inhoud

13 Ontwikkeling
57. Ontwikkeling is omvorming van de geestesgesteldheid
58. Sint Joris en de draak
59. Verscheidenheid én eenheid van de mensheid
60. Ontwikkeling van mens en mensheid
61. Geestelijke ontwikkeling in het Hebreeuwse alfabet
62. De betekenis van de Hebreeuwse letter aleph
63a. De ontwikkeling in Pythagoras' getallenleer
63b. De zinnebeeldige betekenis van Pythagoras' getallenleer
63c. Jamblichus verbond de getallenleer met persoonlijkheidskenmerken
63d. De numerologiekubus en twee diagonaalvlakken daarin
63e. Pythagoras' tetraktys
← terug naar de Inhoud
14 Hildegard van Bingen
64a. Hildegard van Bingen, mystica
64b. Hildegard en geestelijke ontwikkeling
64c. Hildegard en de overgang en thuiskomst
64d. Hildegard, vermogens en geestgedaante 1
64e. Hildegard, vermogens en geestgedaante 2
65a. Hildegard, verhoudingen binnen de godheid
65b. Hildegard en de levensweg van de mens
65c. Hildegard en de voorstelling van de Mater Sapientia
65d. Hildegard en Zarathoestra
65e. Hildegard en de beschermengel
← terug naar de Inhoud

15 De gulden snede
66a. De gulden snede (proportio divina)
66b. Fibonacci-spiralen, ontstaanswijze
66c. Jakob Lorber en de gulden snede
66d. De proportio divina of goddelijke verhouding
67a. De Fibonacci-spiraal in de natuur
67b. Pythagoras' toonladder, de gulden snede en de chakra's
67c. Pythagoras' harmonie der sferen, het planetenstelsel en de gulden snede
68a. Plato's regelmatige veelvlakken en hun verband met de elementen, gulden snede en vermogens 1
68b. Plato's regelmatige veelvlakken 2
68c. Plato's wagenmenner, 1 de vermogens
68d. Plato's wagenmenner, 2 de ontwikkeling
68e. Plato - De geschiedenis van Er
← terug naar de Inhoud

16 Vermogens en ontwikkeling
69a. De vermogens: enkelvoudig en samengesteld
69b. De vermogens en geestelijke ontwikkeling: de zelfverwerkelijking
70. Zelfverwerkelijking en hereniging
71. Geestelijke begeleiding van de mens
72. Het zelfbeschikkingsrecht
← terug naar de Inhoud

17 Zo boven, zo beneden
73. Het antropisch principe
74. De wisselwerking tussen boven en beneden
75. De wisselwerking tussen geest en hersenen 1
76. De wisselwerking tussen geest en hersenen 2
77. De wisselwerking tussen geest en algeest 1
78. De wisselwerking tussen geest en algeest 2
79. De wisselwerking tussen geest en algeest 3
← terug naar de Inhoud

18 Waar gaat het om?
80. Waar gaat het om?
1 De Bijbel

81. Waar gaat het om?
2 Mystici

82. Waar gaat het om?
3 Het dao

83. Waar gaat het om?
4 Hindoeïsme

84. Waar gaat het om?
5 Boeddhisme

85. Waar gaat het om?
6 Zarathustra

86. Waar gaat het om?
7 Soefisme

87. Waar gaat het om?
8 Quetzalcóatl

88. Waar gaat het om?
9 Alchemie

89. Waar gaat het om?
10 Jan van Ruusbroec

90. Waar gaat het om?
11 Angelus Silezius

91. Samenvatting van
waar het om gaat

← terug naar de Inhoud

19 Jezus als leraar
92. De begeleiding van
de mens

93. Een betekenisvol teken voor Jezus 1
94. Een betekenisvol teken voor Jezus 2 Het zonnewiel
95. Jezus als geestelijke leraar 1
96. Jezus als geestelijke leraar 2 De liefde
97. Waardoor is liefde de kern van het menszijn? 1
98. Waardoor is liefde de kern van het menszijn? 2
99. De zin van zonde
100. Heeft de erfzonde een zin?
101. Jezus' gelijkenis van de Verloren Zoon 1
← terug naar de Inhoud

20 Het mensbeeld van rabbi Jezus
102. Het mensbeeld van rabbi Jezus 1
103. Het mensbeeld van rabbi Jezus 2
104. Het mensbeeld van rabbi Jezus 3
105. Jezus en Pythagoras
106. Genesis en het Aramese Onze Vader
107. De noodzaak van Jezus' zelfoffer
108. De aankondiging van Jezus' komst
109. Het profeteren - hoe het werkt
← terug naar de Inhoud
21 Jezus' zelfoffer en opstanding
110. Jezus en zijn apostel Judas
111. Jezus en Pontius Pilatus
112. De invloed van Constantijn de Grote
113. Jezus' opstanding en kwantumfysica
114. Jezus' opstanding en de leerlingen
115. Jezus' opstanding en apostel Paulus
116. De roeping van Nathanaël
117. De verspreiding van Jezus' leer
← terug naar de Inhoud

22 Viereenheid
118. Een grondplan van oriëntaalse kerken en de leer
119. Het zonnewiel als beeld van licht en warmte
120. Ezechiëls eerste visioen: Gods viereenheid
121. Ezechiël, (Deutero)Jesaja en Pythagoras
122. Het Nieuwe Testament en de vier geestelijke vermogens
← terug naar de Inhoud

23 De bron van eeuwig leven
123. Jezus' bron van eeuwig leven in de mens
124. Waardoor de bron niet stroomt
125. De hemelvaart van Jezus
126. Het tweekamermodel
127. Het feest van de hereniging 1
128. Het feest van de hereniging 2
← terug naar de Inhoud

24 Engelenorde
129. De rangorde der engelen 1
130. De rangorde der engelen 2
131. De rangorde der engelen 3
← terug naar de Inhoud

25 Geschiedenis der mensheid
132. De geestelijke geschiedenis van de mensheid 1
133. De geestelijke geschiedenis van de mensheid 2
134. De geestelijke geschie-denis van de mensheid 3a
135. De geestelijke geschie-denis van de mensheid 3b
136. De geestelijke geschie-denis van de mensheid 4a
137. De geestelijke geschie-denis van de mensheid 4b
← terug naar de Inhoud

26 De scheppingsverhalen in Genesis
138. Genesis 1:1-16, het eerste scheppingsverhaal, deel 1
139. Genesis 1:17-2:4, het eerste scheppingsverhaal, deel 2
140. Genesis 2:6-14, het tweede scheppingsverhaal, dl 1
141. Genesis 2:15-25, het tweede scheppingsverhaal, dl 2
142. Genesis 3:1-16, het tweede scheppingsverhaal, dl 3
143. Genesis 3:17-24, het tweede scheppingsverhaal, dl 4
← terug naar de Inhoud

27 Onschuldig lijden
144. Job, de onschuldig lijdende mens
145. Jezus' gelijkenis van de Verloren Zoon 2
146. De cocon en de vlinder of 'Het gebed dat werd verhoord'
147. De sage van Herakles (Latijn Hercules)
148. De Bijbel en geestelijke ontwikkeling
← terug naar de Inhoud

28 Fractalen
149. Geestelijke ontwikkeling als fractaal
150. De gulden snede als algoritme, meetkundige vorm en fractaal
151. De fractale vorm van de engelenreien
152. Geestelijke groei door wisselwerking met een meer ontwikkelde geest
153. Het bestaan van de vrije keuze, noodzakelijk voor geestelijke ontwikkeling
← terug naar de Inhoud

29 Invloed van klimaat op ontwikkeling
154. De betekenis van het veranderlijke klimaat en weer voor geestelijke groei
155. Fractale kringlopen in de zon en op de aarde
156. De invloed van zon en klimaat op beschavingen
157. Iedere regelmaat kent ook onregelmatigheden
← terug naar de Inhoud

30 De oerfractaal
158. De oerfractaal
159. De ongevormde oertoestand van de algeest 1
160. De ongevormde oertoestand van de algeest 2
161. De beide geslachten 1
162. De beide geslachten 2
← terug naar de Inhoud

31 De eenheid in de verscheidenheid
163. Het oerbegin als de eenheid in de verscheidenheid
164. Het ontbrekende middelpunt
165. Sectevorming

32 De harmonische trilling
166. De evenwichtige, harmonische trilling
167. Golfbewegingen in het christendom
← terug naar de Inhoud

1. Geestkunde
Zo op het eeste gezicht lijkt geestkunde iets te zijn, wat niet van deze wereld is. Dus waarom zou je je er mee bezighouden? Toch is het onderscheid tussen geest, ziel en lichaam een onderwerp, waar filosofen en godsdiensten al eeuwen aandacht voor hebben. En ondanks het wetenschappelijke denken dat al sinds de Verlichting of Eeuw van de Rede in de 18e eeuw bestaat, is dit onderwerp niet uit ons gezichtsveld verdwenen. In tegendeel, ook nu nog wordt er over geschreven, ook door natuurwetenschappers zoals Kepler, Newton en Einstein, en in deze serie geestkunde.

Sinds het begin van het Verlichtingsdenken zijn wij veel te weten gekomen over het menselijke lichaam en de werking van organen, wat is samengevat in de biologie, de kennis van het leven. Maar we vergeten dat dat mogelijk is geweest doordat we gebruik hebben gemaakt van onze geestelijke vermogens, zoals het waarnemen, denken en willen. We zijn ons voortdurend bewust van de gedachten die we hebben gevormd over de werking van ons lichaam, maar... we zijn ons niet bewust van de werking van het denkvermogen, dat dit als enige mogelijk heeft gemaakt.

De hele dag door zijn we voortdurend bezig alles wat om ons heen gebeurt waar te nemen, zodat we ons er bewust van zijn. Alles wat we zo in ons opnemen, beoordelen we door die gebeurtenissen te overdenken en te doorvoelen. Zo vormen we gedachten en gevoelens over wat zij voor ons betekenen en nemen we besluiten als we er iets mee willen gaan doen. Dat uiten we door uitspraken te doen over die gebeurtenissen en in verband daarmee handelend op te treden.

De werkzaamheid van die geestelijke vermogens: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen ervan en er iets mee willen doen, verloopt onmerkbaar op de achtergrond in onszelf als geest, de vermogende levenskracht. De eigenschappen van de geest en de werkzaamheid van die vermogens, in onszelf als menselijke geest en in onze medemensen met wie wij dagelijks omgaan, zijn de onderwerpen van geestkunde.
Het doel ervan is ons bewust te worden van de bron van ons denken, voelen en handelen, en die zodanig te leren beheersen, dat wij in vrede met onze medemensen kunnen samenleven.

De kringloop van het geestelijke leven van de mens (uit: Emanuel Swedenborg, Hemelse Verborgenheden 10057)
"Het is bekend dat de dingen die door de ogen worden gezien en door de oren worden gehoord, innerlijk door de mens worden waargenomen en als het ware door de ogen of de oren de wereld verlaten en in de gedachte overgaan [denken], en zo in het begrip, want gedachten zijn van het begrip; en als het dingen zijn die geliefd zijn [voelen], gaan ze vandaar over in de wil [willen] en van de wil, door een verstandelijke manier in de spraak van de mond en ook in de handeling van het lichaam.
Zo is de kringloop van dingen vanuit de wereld door de natuurlijke mens heen in zijn geestelijke mens; en van hieruit weer de wereld in."

← terug naar Hoofdonderwerp 1

2. Het waarnemen
De innerlijke werkzaamheid van de vermogens en de uitwerking ervan in uitspraken, handelingen en gedrag, is dat, waardoor de eigenschappen van de menselijke geest onmiddellijk ervaarbaar zijn. Met dat wat van de geest rechtstreeks ervaarbaar is, zal deze reeks artikelen worden begonnen.

Het waarnemen is het vermogen gebeurtenissen en kennis uit de buitenwereld in je op te nemen. Het is letterlijk 'waren in je opnemen'. Dat doe je door je zintuigen heen: door kijken, horen, ruiken, proeven en tasten.
Je ziet bijvoorbeeld een boom. Het beeld daarvan valt op het netvlies achter in je oog. Daar wordt de oogzenuw geprikkeld, die het beeld door de oogzenuw doorgeeft aan de hersenschors in het achterhoofd. Daar zenden de geprikkelde hersencellen een magnetisch veldje uit, dat in de ziel (wordt later behandeld) wordt omgezet in een zielebeeld: een geestelijke afdruk van de boom in je ziel. Jij als menselijke geest in het midden van je ziel stelt je open voor dat beeld en neemt het door waar te nemen in je op. Daardoor wordt het een beeld in jezelf en daardoor krijg je weet van die boom, zo wordt jij als geest je bewust van die boom. Door waar te nemen kom jij als geest in een toestand van bewustzijn. Je stelt je open voor inwerking van beelden uit de buitenwereld en daardoor krijg je weet van die wereld.

Meestal staan je zintuigen open voor inwerking uit de buitenwereld en onwillekeurig dringen gebeurtenissen daaruit bij je naar binnen. Maar je kunt je waarnemingsvermogen ook bewust op een bepaald onderwerp richten en dat heet: aandachtig zijn, ergens aandacht voor hebben, aandacht schenken.
Zo kun je je aandacht richten op wat een medemens je vertelt. Je laat dan bewust tot jezelf toe wat die persoon je wil vertellen en neemt dat in je innerlijk op, waardoor je je in die mens kunt verplaatsen en kunt gaan meeleven. Aandacht is daardoor het mooiste wat je je medemens kunt schenken.

Als je hebt geleerd je omgeving aandachtig waar te nemen, komt er een bijzondere eigenschap daarvan tot ontwikkeling: je schoonheidszin. Je gaat in je omgeving schoonheid ontdekken door het zien van overeenstemming in vormen, kleuren en klanken.

← terug naar Hoofdonderwerp 1

3. Het denken
in het verloop van de geestelijke werkzaamheid volgt bij een denker op het waarnemen het denken. De menselijke geest kan alleen over een onderwerp nadenken als die zich daarvan bewust is geworden door waar te nemen. Zoals de geest door het waarnemen in zichzelf ervaringsbeelden vormt, zo door te denken gedachten als denkbeelden.

Door te denken vorm je een begripsmatig oordeel over een onderwerp, een vraagstuk. Dat doe je door het te ontleden, de hoofdzaak van bijzaken te scheiden en zo tot de kern door te dringen. Zo krijg je inzicht en begrijp je de zaak. Het begrijpen is de 'verstandelijke behandeling' ervan, waarbij je door een 'afstandelijke houding' het geheel kunt blijven overzien.
Als je op deze manier het vraagstuk hebt ontleed, kun je de dingen op een rijtje zetten, waardoor de samenhang tussen de onderdelen van een vraagstuk duidelijk wordt. Een vraagstuk kan bijvoorbeeld meerdere oorzaken hebben. Die zijn dan te duiden, wat de zaak verheldert en je de betekenis die het voor je heeft, kunt begrijpen.

Daarna kun je door te redeneren de verschillende aanzichten van een vraagstuk die je hebt onderkend, verbinden met gelijksoortige ervaringen die je al eerder met deze vraagstukken hebt meegemaakt. In tegenstelling tot de ontledende werkzaamheid van het verstand is redeneren een verbindende werkzaamheid. Door te redeneren kun je tot een samenvatting komen en tot een gevolgtrekking, een slotsom en daarmee tot een oplossing voor het vraagstuk. Daarna kun je ook doorredeneren en andere verbanden met vroegere ervaringen of kennis vinden, die eerst nog niet duidelijk waren.

Hoe meer je je op deze verstandelijke en redelijke wijze al denkend met je ervaringen en kennis bezighoudt, hoe meer samenhang je erin ontdekt waardoor je in kortere tijd tot wijzere besluiten kunt komen. Het tot ontwikkeling gekomen denken is de zin voor de waarheid en wordt door wijsheid gekenmerkt. Dat betekent het vinden van zinvolle oplossingen voor de vraagstukken, die zich in de loop van de tijd voortdurend aandienen. Daardoor zul je steeds zelfstandiger in het leven komen te staan en daardoor ook in staat zijn medemensen met wijze raad terzijde te staan.

← terug naar Hoofdonderwerp 1

4. Het voelen
in het verloop van de geestelijke werkzaamheid volgt bij een gevoelsmens op het waarnemen het voelen. De menselijke geest kan alleen een gebeurtenis doorvoelen als die zich daarvan bewust is geworden door waar te nemen. Zoals de geest door waar te nemen ervaringsbeelden in zichzelf vormt, zo door te voelen een gemoedstoestand.

Zoals denken voor de geest het verbinden van twee zaken is, is voelen het verbinden van twee persónen met elkaar: de richting van het denken staat dwars op het voelen. Door te denken vormt de geest denkbeelden in zichzelf, maar door te voelen komt de geest zélf als geheel in een bepaalde gevoelstoestand. Door te voelen is de geest zelf in een toestand van blijdschap, dankbaarheid, liefde of somberheid, ontevredenheid, boosheid.
Het vermogen om de voelen betreft het menselijke wezen zelf, de geest als geheel en is daardoor wezenlijker dan het denken, maar even onmisbaar om een gelukkig mens te kunnen worden. Dus de mens heeft gedachten als een bezít, maar is zélf zijn of haar gemoedstoestand.

Het voelen is je open willen stellen voor de gemoedstoestand van een ander, waardoor je die a.h.w. zelf ervaart en je daardoor met de ander meeleeft. Daardoor voel je de aandrang je voor de ander in te zetten, alsof het jezelf betrof. Je zet je daardoor in voor de geest die het wézen is in die ander, waardoor het voelen het meest geestelijke vermogen is. Het is het vermogen waarmee de geest werkzaam is in de kern, in het hart en zich van daar uitstrekt naar het hart van de ander.
Het ontwikkelde voelen leidt daardoor tot gemeenschapsvorming. Een gemeenschap komt tot stand en blijft bestaan, zolang de leden ervan door hun gedrag wederkering een gevoel van vertrouwen in elkaar wekken.

Om lief te kunnen hebben zijn er twee nodig, die, door zich liefdevol tegenover elkaar te gedragen er evenwichtig toe bijdragen, dat de vertrouwensband blijft bestaan. Maar een gevoelstoestand kan ook in de menselijke geest zelf ontstaan door te genieten van de schoonheid van een landschap of muziekstuk. De schoonheidszin van het waarnemen wekt door de verbinding ermee een gevoel van liefde op, wat voor de geest een vreugdevolle ervaring is.

← terug naar Hoofdonderwerp 1

5. Het willen
De menselijke geest is in wezen de vermogende, bewuste levenskracht in de mens. De geest is een kracht, die bewust kan zijn; die toestand van bewust te zijn hangt samen met het waarnemingsvermogen en de kracht met de wilskracht. Daarnaast beschikt de geest over twee oordelende vermogens: denken en voelen; daarmee kan de geest beoordelen welke waarde de waargenomen onderwerpen voor de menselijke geest, de persoon kunnen hebben.

De kracht geeft aan de geest het vermogen om werkzaam te zijn en de wijze waarop is het waarnemen, denken en voelen: de geest wil waarnemen, wil denken en wil voelen. Omgekeerd sturen de oordelende vermogens, denken en voelen, de richting waarin de geest de wilskracht beweegt (zoals een ruiter een goed getemd paard). Zonder deze sturing zou de levenskracht de geest meeslepen in een wilde en zinloze beweging (een op hol geslagen paard).
Een kracht bezit het vermogen om in beweging te komen en arbeid te verrichten, maar ook het vermogen weer tot rust te komen; een kracht kan in een toestand van inspanning en ontspanning verkeren; de geest is een zichzelf opwekkende levenskracht, maar ook een zichzelf tot rust brengende kracht. Beweging en rust zijn twee wezenlijke kenmerken van de menselijke geest, die met elkaar in evenwicht moeten zijn voor een goede geestelijke werkzaamheid.

Weliswaar is het verloop van de vermogens waarnemen, denken, voelen en willen, maar doordat de geest een bewuste levenskracht is, zijn ook het willen en waarnemen met elkaar verbonden, waardoor er een kringloop kan ontstaan. Als je iets hebt waargenomen en dat hebt overdacht en doorvoeld, en daarop een besluit hebt genomen dat je met je wilskracht hebt uitgevoerd, dan wil je waarnemen of je overdenking, doorvoeling en daarop volgende handeling, toepasselijk en zinvol zijn geweest. Zo ontstaat een voortdurende kringloop in de werkzaamheid van de vermogens... waardoor deze zichzelf tot ontwikkeling brengen.
Hierdoor ontstaat een geleidelijke krachtsontplooiing die van de menselijke geest een zelfstandig werkzame en zelfscheppende eenheid maakt met ondernemingszin, die leidt tot zelfwerkzaamheid en volharding in een zichzelf gesteld doel.

← terug naar Hoofdonderwerp 1

6. Geest, ziel en lichaam
Zoals beschreven zijn de vermogens eigenschappen van de menselijke geest. Voor het geopende geestesoog ziet de geest er uit als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte kunnen zich in twee, tegenovergestelde toestanden bevinden: van buitenaf vormbaar en van binnenuit zelfvormend door een scheppende zelfwerkzaamheid van de geest.
Met die eigenschappen hangen de vermogens samen. Door waar te nemen stelt de geest het innerlijke licht vormbaar open, waardoor daarin ervaringsbeelden van buiten kunnen ontstaan en de geest weet krijgt van wat daar gebeurt; door te denken vormt de geest daarover in zichzelf denkbeelden, wat lichtbeelden zijn; door te voelen stelt de geest de warmte, de gemoedstoestand vormbaar open om zo met een ander mens mee te kunnen voelen; door te willen vormt de geest uit zichzelf warmte om tot wilskracht, waardoor de geest zich kan uitspreken en kan handelen.

Tijdens het verloop van die innerlijke werkzaamheid ontstaat een reeks van lichtbeelden en warmtetoestanden in de geest, die deze stroom met de wilskracht op bepaalde delen van de hersenschors afdrukt, zodat die naar buiten toe tot uiting komt als uitspraken, gemoedsuitingen en gedrag.
Daar die geestelijke werkzaamheid steeds doorgaat, zouden de voortbrengselen daarvan: de gevormde gedachten, gevoelens en wilsbesluiten, na die uitingen verloren gaan. Om dat te voorkomen, houdt de geest tegelijkertijd een afdruk van die voortbrengselen vast in de uitstraling (de aura) om zich heen: dat is de ziel (van salida: zaal). De werkzaamheid van de vermogens binnen de geest (van ghei: aandrijven) vormt die uitstraling. De gevormde gedachten, gevoelens en wilsbesluiten kunnen daar worden vastgehouden in het geestelijke deel van het geheugen: een ruimte in de ziel om de geest heen. Daarin bevinden zich gedachten als lichtbeelden en gevoelens als kleuren. Tegelijkertijd wordt er ook een afdruk gemaakt op hersenschorscellen in de vorm van netwerken: die vormen het stoffelijke deel van het geheugen.
De ziel als zijn uitstraling is een eigenschap van de werkzame geest, zoals de zon om zich heen licht en warmte uitstraalt.

← terug naar Hoofdonderwerp 2

7. Geest en hersenen
De geest bestuurt het lichaam middels de hersenen, het hoofdorgaan. Om dat mogelijk te maken, zijn zij aangepast aan de eigenschappen van de geest, zoals een voertuig aan de bestuurder. Zij zijn verdeeld in een linker- en rechterhelft, en overdwars door een middengroef in een voorste en achterste helft.
De werkzaamheid van het waarnemen hangt samen met het achterste, die van het willen met het voorste deel. De linkerhelft voor bevat (bij rechtshandigen) gebieden met cellen die gevoeliger zijn voor de denkwerkzaamheid (zoals woordbegrip, grammatica en geheugen), zodat de geest daarop gedachten kan afdrukken; de rechterhelft voor bevat gebieden gevoeliger voor het voelen (het aanvoelen van de gemoedstoestand in gezichtsuitdrukkingen, van de toon van de stem en van kunstvormen).
Hersencellen hebben zich zo ontwikkeld, dat door hun geestelijke prikkelbaarheid de verbinding tussen geest en stof mogelijk wordt (zie daarvoor geestkunde.net, wisselwerking geest hersenen), waarvoor de ziel, uitstraling van de geest, overdrachtsmiddel is. Alle gebeurtenissen in de hersenen zijn een weerspiegeling van geestelijke werkzaamheid in de stof; maar als de geest de hersenen niet gebruikt (slapen), sturen zij alleen de orgaanwerkzaamheid aan.

Als de geest zijn werkzaamheid op de cellen van de hersenschors overbrengt, worden de ermee verbonden zenuwen en spieren geprikkeld, waardoor de geest het lichaam in beweging kan brengen en zich ermee in de buitenwereld uitdrukt in de vorm van uitspraken en handelingen; door het achterste deel van de schors heen worden beelden van buiten in de ziel gevormd en daar door de geest waargenomen.
Voor het geestesoog zien de werkzame vermogens in de geest eruit als stromingen van verdunningen en verdichtingen van licht, waardoor lichtvormen ontstaan, samen met veranderingen in de warmtetoestand in de geest. Daardoor ontstaat een ruimtelijk, beweeglijk weefsel van licht- en warmtestromingen, die op de hersencellen en hun verbindingen worden afgedrukt, waardoor de hersenwerkzaamheid nauwkeurig de geestelijke werkzaamheid volgt. Zo verbindt de geest door middel van de hersenen de eigen werkzaamheid met het lichaam en kan die zich in de buitenwereld uitdrukken.

← terug naar Hoofdonderwerp 2

8. De innerlijke stem
Filosofen en godsdiensten maken wel een onderscheid tussen lichaam, ziel en geest, maar hersenwetenschappers niet; zij trachten geestelijke eigenschappen alleen vanuit de werkzaamheid van de hersenen te verklaren. Zo zou ook de 'innerlijke stem' een werkzaamheid van een hersencentrum zijn met de naam Gebied van Wernicke. Dit ligt net boven het linker oor in de hersenschors en is het geheugengebied voor de betekenis van woorden. Daar zou de innerlijke stem moeten klinken.
Maar als je met gesloten ogen tot jezelf inkeert voor innerlijke overwegingen, doe je de onmiskenbare ervaring op dat je innerlijke stem zich in de ruimte van je voorhoofd bevindt, in het midden, net boven je ogen. Daar bevinden zich de hersenkwabben waar ook volgens die hersenwetenschappers wordt gedacht en besluiten worden genomen. iedere mens die tot zichzelf inkeert, ervaart op die plaats in de 'innerlijke ruimte' van het voorhoofd aanwezig te zijn, met zelfbesef, bewust van zichzelf als de persoon, de menselijke geest. In die 'ruimte' in het innerlijk van jezelf, hoor je je innerlijke stem met je geestesoor als een gevolg van je eigen werkzaamheid met je geestelijke vermogens, in jezelf als menselijke geest.

Je herinnert je bijvoorbeeld een bepaalde gebeurtenis (1) en door die waar te nemen, neem je die in je innerlijk op om die te beoordelen door die te overdenken en te doorvoelen (2). Die overwegingen zijn een innerlijk zelfgesprek, waarbij je in jezelf meerdere standpunten kunt innemen; daarbij vorm je er in jezelf gedachten en gevoelens over met de erbij behorende woorden. Die verwoordende werkzaamheid neem je in jezelf met je geestesoor waar en dat is de oorzaak van je innerlijke stem. Die gedachten en gevoelens bewaar je daarna in je geheugen (3).
Door bewust naar je eigen innerlijke stem te luisteren terwijl je een bepaald onderwerp overdenkt en doorvoelt, word je je onmiddellijk bewust van jezelf als werkzame geest en ben je rechtstreeks verbonden met de werkzaamheid van je geestelijke vermogens. Dit besef van je eigen geestelijke werkzaamheid leidt tot een onmiddellijke zelfbewustwording van jezelf als de vermogende geest.

← terug naar Hoofdonderwerp 2

9. De innerlijke voorstelling
Veel mensen, 95% van de ondervraagden, zijn zich bewust van hun innerlijke stem. Daarvan ziet 35% ook innerlijke beelden. Zoals woorden worden gehoord met het geestesoor, een eigenschap van het waarnemingsvermogen, zo is dat ook het geval met het geestesoog voor beelden. in de binnenwereld die je als menselijke geest door uitstraling om je heen hebt gevormd, bevindt zich, verderop in die nog donkere ruimte, het geestelijke deel van je geheugen. Stoffelijke knooppunten die met de inhouden daarvan zijn verbonden, bevinden zich in de hersenschors. Als je je iets wilt 'herinneren', als je dat 'weer in je innerlijk' wilt brengen, dan richt je bewust je waarnemingsvermogen, dat is je aandacht, op dat onderwerp in je geheugen. Daardoor wordt dat belevendigd, waardoor het dichter bij jouzelf als geest komt te staan. Door je aandacht op een geheugeninhoud te richten, put je het uit je geheugen en 'haal je het voor de geest'. Je haalt het naar je toe en stelt het in je binnenwereld voor je, waardoor het een 'voorstelling' wordt.
Het onderwerp bevindt zich dan in je bewustzijnsruimte. Dat is het gebied in je ziel dicht om je heen, waarin zich de onderwerpen bevinden waarvan je je bewust bent. In die toestand ben je in staat die voorstelling, bijvoorbeeld een persoon, met je geestesoog waar te nemen. Je ziet daardoor in de ruimte voor je een min of meer vaag, doorschijnend beeld, dat je als de bedoelde persoon herkent. Je bent je als geest van dat beeld bewust, je hebt er weet van, doordat je door het waar te nemen een afdruk van dat beeld uit de binnenwereld van je ziel, in het innerlijk van jezelf als geest opneemt. Aan die afdruk zijn allerlei feiten verbonden, ervaringen met die persoon en kennis over zijn of haar achtergrond. Die afdruk kun je nu in jezelf beoordelen door die te overdenken en te doorvoelen. Daarna ben je in staat om de nieuw gevormde gedachten en gevoelsoordelen over die persoon weer in je geheugen vast te leggen, door ze uit jezelf weer naar je geheugen, in je eigen uitstraling, over te brengen. Hoe meer dat oordeel met een gevoel gepaard gaat, hoe beter je in staat bent het je later weer te herinneren.

← terug naar Hoofdonderwerp 2

10a. Persoon en persoonlijkheid
Het woord 'persoon' komt van het Latijnse 'per-sonare': 'er doorheen klinken'. Het is de geest die door het lichaam heen gedachten, gevoelens en wilsbesluiten met woorden in de buitenwereld laat klinken: de geest 'klinkt door de mond heen', m.a.w.: de geest is de persoon.
De persoon staat achter de persoonlijkheid en komt erin tot uitdrukking. De persoonlijkheid is het geheel van kenmerken van de persoon, de menselijke geest. Persoonlijkheid wordt ook wel 'karakter' genoemd, wat ook betekent: geheel van kenmerken; maar de persoonlijkheid is een bijzonder soort karakter, namelijk: dat van de persoon. Men kan bijv. wel spreken van het karakter van een landschap, maar niet van de persoonlijkheid ervan.

Door zijn geestelijke werkzaamheid is de geest de bron van gedachten, gevoelens en besluiten. Die zijn in de geest niet alleen lichtbeelden en warmtetoestanden, maar zij komen ook tot klinken als de innerlijke stem (zie 8). Als de geest een taal beheerst, vormen deze klanken herkenbare woorden. De geest is de bron van de woorden, die eerst in zichzelf tot klinken komen door zijn scheppende werkzaamheid. Daarna worden de gedachten en gevoelens door de ziel heen op de hersenschors afgedrukt, waarvandaan zij de stembanden en de tong in ermee overeenkomende beweging brengen. Zo worden zij door de mond heen ook tot klinken gebracht in de ruimte van de stoffelijke wereld.
De kenmerken van de persoonlijkheid, de 'trekken', worden bepaald door de ontwikkelingstoestand van de vermogens. Het enige wat de geest kan en waar die daardoor kan worden gekenmerkt, is door de vermogens. De persoonlijkheid wordt bepaald door de kenmerkende wijze waarop de geest ervaringen waarneemt, die in zichzelf door te denken en te voelen verwerkt en zich, als gevolg daarvan, op een bepaalde, kenmerkende en persoonlijke wijze, naar anderen toe wil gaan gedragen. In dat gedrag, in de persoonlijke manier van doen, komt de mate van zijn bewuste beheersing van de vermogens tot uitdrukking. Die bewuste beheersing van de vermogens is daardoor een maatstaf voor de beschrijving van de persoonlijkheid (zie de volgende serie persoonlijkheidstrekken).

← terug naar Hoofdonderwerp 3

10b. De persoonlijkheidskenmerken
De geest is een bolvormige wolk van licht en warmte, waardoor er een binnenkant is: het innerlijk en een buitenkant: de buitenwereld. Daardoor kan de geest de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf richten, in het innerlijk en naar de buitenwereld; waardoor er twee instellingswijzen zijn: de in- en uitgekeerde instelling.
Bij de ingekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op zichzelf of op een groep waarmee een persoonlijke band bestaat; in die toestand geven persoonlijke doelen de doorslag bij besluiten. Bij de uitgekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op de gemeenschap: dan geven de doelen daarvan de doorslag.
De in- en uitgekeerde instelling vormen twee tegendelen, die elkaar aanvullen.

Ook denken en voelen zijn tegendelen. Door te denken houdt de geest de waargenomen dingen vast en haalt ze uit hun verband. Vervolgens wordt hun betekenis beoordeeld door vergelijking met kennis uit het geheugen. Dan wordt alles weer met elkaar verbonden, de nieuwe gegevens ingepast in bestaande kennis en worden nieuwe denkbeelden gevormd.
Door te voelen is de geest in staat zich in een ander mens in te leven door een gevoelsband te vormen, waardoor de ervaringen van de ander in zichzelf worden beleefd. Door zo een gevoel te laten vormen, de eigen gemoedstoestand, is voelen persoonlijk en verbindt het twee mensen met elkaar. Het denken verbindt feiten en voelen mensen.
Ook waarnemen en willen zijn tegendelen. Door waar te nemen staat de geest in verbinding met de wereld om zich heen, laat de dingen op zich inwerken door zich open te stellen en neemt zo indrukken in zich op. Door de wilskracht kan de geest zelf op de omgeving inwerken; als een besluit is gevormd, kan daarmee het besluit in een uitspraak of handeling worden omgezet om iets te ondernemen. De geest werkt op de omgeving in en daardoor zijn waarnemen en willen tegendelen.

in de innerlijke stem en in de persoonlijkheid zijn de vermogens herkenbaar. Daarin heeft meestal een van de vermogens en een van de instellingen de nadruk, waardoor er 8 persoonlijkheidskenmerken zijn en een 9e, als alle kenmerken in evenwicht zijn. Deze worden in de volgende serie beschreven. De volgorde komt overeen met de wiskundig onderbouwde getallenleer van Pythagoras (z.a.).

← terug naar Hoofdonderwerp 3

11. Het ingekeerde willen (Pythagoras 1)
Het willen is de ondernemingszin, is daadkracht en volharding. De ingekeerd willende persoon wordt gekenmerkt door 'het willen van zichzelf'; deze persoon wil handelend optreden vanuit de eigen gedachten- en gevoelswereld om die te verwerkelijken door er anderen mee te begeleiden.
De ingekeerd willende persoon
- streeft er naar anderen iets te leren, te leiden en de weg te wijzen (leraar);
- zo iemand treedt op als voortrekker en baanbreker; heeft vernieuwende inzichten en durft daarmee voor de dag te komen, tegen de stroom in te gaan en anderen van de waarde ervan te overtuigen;
- brengt strijdvaardig misstanden aan het licht en wijst anderen op hun verantwoordelijkheid;
- is moedig, maar kan ook overmoedig zijn;
- kan niet rusten voor een werk waar men aan is begonnen, af is; maar kan daardoor ook zichzelf onder druk zetten, met een innerlijke gespannenheid als gevolg (perfectionist, idealist).
Door de ingekeerde instelling
- streeft zo iemand naar persoonlijke vrijheid om zelf een standpunt te kunnen bepalen en werkt daardoor het liefst als zelfstandige;
- deze persoon heeft een krachtig geloof in zichzelf en in de waarde van de eigen gedachten- en gevoelswereld, maar kan door de zelfgerichte instelling anderen van zich vervreemden en daardoor alleen komen te staan;
Het denken en voelen worden voor de doelen van het ingekeerde willen gebruikt:
- het denken wordt gebruikt om persoonlijke opvattingen te ontwikkelen en de juistheid ervan te bewijzen; heeft taalbeheersing;
- het voelen wordt gebruikt om bij anderen vertrouwen te wekken voor eigen inzichten.
Het waarnemen en de uitgekeerde instelling zijn het minst ontwikkeld,
- waardoor deze persoon een gebrekkige zin voor de werkelijkheid kan hebben doordat alleen de eigen denkbeelden worden gezien; daardoor wordt vaak niet gezien dat de inspanningen om anderen te leiden een averechts gevolg hebben, doordat men de persoon van de ander niet ziet staan;
- zo iemand kan worden teleurgesteld doordat mensen nu eenmaal niet zijn zoals hij of zij meent dat ze zouden moeten zijn, wat een prikkelbare houding tot gevolg heeft (het lot van de wereldverbeteraar),
- niet van het leven kan genieten.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

12. Het uitgekeerde voelen (Pythagoras 2)
Het voelen is de zin voor saamhorigheid en liefde: het is de liefdeszin; de uitgekeerd voelende persoon is gericht op het vormen van een gevoelsband met anderen.
De uitgekeerd voelende persoon
- heeft een ontwikkeld aanpassingsvermogen, waardoor de gemoedstoestand waarin anderen verkeren, wordt aangevoeld;
- voelt zo met anderen mee, dat die zich voor hen wil inzetten;
- kan eigen in- of ontstemming over een bepaald voorval niet voor zich houden, maar móet ze uitspreken: heeft 'het hart op de tong';
- gebeurtenissen móeten met iemand worden gedeeld;
- deze persoon is voor het éigen zelfgevoel afhankelijk van het kunnen zorgen voor ánderen;
- voelt zich daardoor zo verantwoordelijk voor de verstandhouding met anderen, dat de schuld eerst bij zichzelf wordt gezocht als daarin iets mis gaat.
Door de uitgekeerde instelling
- kan deze persoon niet leven zonder vriendschappen en streeft naar samenwerking;
- deze persoon houdt van gezelligheid en bouwt een grote kennissenkring op;
- voelt zich verantwoordelijk voor de gemoedstoestand van anderen en spant zich in om een goede sfeer te scheppen (de gastvrouw);
- voelt zich persoonlijk betrokken bij anderen en weet door dat te tonen het beste in de ander naar boven te halen (opvoeding, onderwijs, persoonlijke begeleiding),
- als er onenigheid ontstaat, ervaart zo iemand dat als onaangenaam en tracht door gesprekken en gevoelsmatig op iemand in te werken weer tot overeenstemming te komen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het uitgekeerde voelen:
- met het waarnemen wordt de gemoedstoestand van anderen gepeild,
- de wilskracht wordt gebruikt om met anderen mee te leven en zich voor hen in te spannen.
Het denken en de ingekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld,
- door het ontbreken van de vastheid van het denken is er een innerlijke onzekerheid en de behoefte aan herhaalde bevestiging van de goede verstandhouding;
- door het gebrekkige denken ontstaat onduidelijkheid bij het beschrijven van gedachten of gebeurtenissen; er wordt van uitgegaan dat de ander wel aanvoelt wat er wordt bedoeld, daardoor worden stappen in een redenering overgeslagen en springt men van de hak op de tak.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

13. Het uitgekeerde denken (Pythagoras 3)
Het denkvermogen is de zin voor inzicht en waarheid: het is de waarheidszin. De uitgekeerd denkende persoon overdenkt daardoor wat de betekenis is van voorwerpen en gebeurtenissen in de buitenwereld. Door het uitgekeerd denken
- is deze persoon verstandig, zakelijk en heeft verbeeldingskracht;
- zo iemand kan helder en opbouwend denken, kan gedachten goed onder woorden brengen;
- deze persoon streeft naar wetenschap, maar meer door verbreding van kennis dan verdieping ervan;
- zo iemand is voortdurend bezig inzichten te ontwikkelen en is op zoek naar eigenschappen en wetmatigheden in de natuur (natuurwetenschapper).
Door de uitgekeerde instelling
- vertoeft zo iemand graag in gezelschappen en voert dan al vlug de boventoon, doordat deze persoon de neiging heeft voortdurend verstandelijke oordelen met overtuiging uit te spreken;
- zo iemand streeft ernaar de eigen opvattingen bij anderen ingang te doen vinden, maar heeft ook de behoefte anderen tot denken aan te zetten door krachttermen te gebruiken en prikkelende uitspraken te doen;
- door de uitgekeerde instelling wil deze persoon voor de ander denken, wil anderen leiden en besturen door regels en wetten voor hen op te stellen (de bestuurder, manager);
- zo iemand weet het altijd beter en wil ook graag het laatste woord hebben.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het uitgekeerde denken:
- het waarnemingsvermogen wordt gebruikt voor wat men, vanuit de eigen gedachtenwereld, wil waarnemen, wil weten, onderzoeken,
- het willen is gericht op onderzoek in het eigen vakgebied of op het regelen van bijeenkomsten.
Het voelen en de ingekeerde instelling verkeren min of meer in een onontwikkelde toestand,
- waardoor de uitgekeerd denkende persoon ook kan worden gekenmerkt door ongevoelige uitspraken en een persoonlijke vooringenomenheid;
- door het gebrek aan medegevoel kan zo iemand worden gekenmerkt door starre rechtlijnigheid, iemand die zonder mededogen zegt waar het op staat;
- door het gebrek aan medegevoel bestaat de behoefte zich met anderen te meten, wat tot uiting kan komen als minachting en wedijver (de eerzuchtige wetenschapper, de zelfverzekerde politicus).

← terug naar Hoofdonderwerp 3

14. Het ingekeerde waarnemen (Pythagoras 4)
Het waarnemingsvermogen is de zin voor de werkelijkheid, voor echtheid en schoonheid, en als dat naar binnen is gekeerd, dan betekent dat,
- dat deze persoon de beelden in de eigen binnenwereld als een werkelijkheid ervaart;
- wat ook geldt voor de buitenzintuiglijke ervaringen, de ingevingen en voorgevoelens, die daarin doordringen.
Door de ingekeerde waarneming
- worden de aandacht en werkzaamheden beperkt tot een klein gebied, waardoor deze persoon aandacht heeft voor kleinigheden, daardoor aandachtig en nauwkeurig werkt (boekhouder, ambtenaar);
- plichtsgetrouw is en zorgvuldig aan de toebedeelde taak werkt;
- door de ingekeerde waarneming heeft zo iemand een goed verbeeldingsvermogen en vormt daardoor in de eigen binnenwereld beelden en klanken, die vervolgens in de buitenwereld als kunstuitingen worden weergegeven (de kunstenaar, componist).
Door de ingekeerde instelling
- streeft zo iemand ernaar de schoonheid in de naaste omgeving te bevorderen door daar eerst persoonlijke aandacht voor te hebben en die schoonheid vervolgens voor zichzelf te beleven en ervan te genieten;
- zo iemand voelt zich thuis in een kleine, overzichtelijke leefgemeenschap, waar een persoonlijke band met de leden bestaat en houdt zich het liefst bescheiden op de achtergrond (de huisvrouw, medewerker);
- door de ingekeerde aandacht worden ingevingen en voorgevoelens opgemerkt en wordt er ook wat mee gedaan (de intuïtie, paragnost).
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de ingekeerd waarnemende persoon:
- het denken wordt gericht op praktische zaken en op bijzonderheden, kleinigheden,
- het voelen is gericht op een kleine kring van mensen, waarmee een persoonlijke band bestaat.
Het willen en de uitgekeerde instelling verkeren in een min of meer onbeheerste toestand,
- waardoor zo iemand gebrek heeft aan ondernemingslust, en zich daardoor aan behoeften van anderen aanpast en zich daardoor laat leiden;
- zich tot eigen nadeel kan laten gebruiken;
- maar wordt het gedrag van anderen te overheersend, waar zo iemand zelf aanleiding toe geeft, dan kan dat onbeheerste willen ook de oorzaak zijn van lijdzaam verzet of onverwachte opstandigheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

15. Het uitgekeerde waarnemen (Pythagoras 5)
Het waarnemingsvermogen is de zin voor de werkelijkheid en schoonheid, de uitgekeerd waarnemende persoon heeft daardoor aandacht voor personen, voorwerpen en gebeurtenissen in de buitenwereld.
Door de uitgekeerde waarneming
- en de aandacht voor voorwerpen is deze persoon zakelijk en praktisch;
- zo iemand is leergierig en wil veel te weten komen, maar blijft door de uitgekeerde instelling aan de oppervlakte;
- streeft ernaar van het leven te genieten in allerlei vormen: van eenvoudig zintuiglijk genot als eten en drinken (de levensgenieter) tot hoogstaand kunstzinnig genot (de kunstenaar, kunstkenner);
- deze persoon streeft naar afwisseling in de omgeving om veel ervaringen op te doen;
- er moet in de omgeving iets te beleven zijn, anders is er niets aan.
Door de uitgekeerde instelling
- heeft zo iemand de behoefte ook bij anderen aandacht voor iets te wekken en streeft er daardoor naar anderen iets te laten zien of hen iets te leren (de leraar, reisleider, gids);
- door de uitgekeerde instelling heeft deze persoon behoefte aan gezelligheid en drukte om zich heen;
- zo iemand is een gezelschapsmens en is graag het middelpunt van het gezelschap; kan uitgebreid en op boeiende wijze over allerlei ervaringen vertellen (is op feestjes de gangmaker).
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de uitgekeerde waarneming:
- het denken blijft daardoor beperkt tot de ervaarbare werkelijkheid;
- het voelen komt tot uiting in een welgemeende belangstelling, die echter wel oppervlakkig blijft.
Het willen en de ingekeerde instelling verkeren in een min of meer onbeheerste toestand,
- waardoor zo iemand ook ongeduldig kan zijn, kan overdrijven of door een zekere heftigheid wordt gekenmerkt;
- streeft naar vrijheid van handelen om de eigen zin te kunnen doen;
- niet lang stil kan blijven zitten, zich vlug verveelt en zich dan overgeeft aan tijdverdrijf en vermaak;
- zintuiglijk verleidbaar is en bij zintuiglijk genot onmatig kan worden;
- door het ontbreken van de ingekeerde instelling heeft zo iemand geen zin zich ergens in te verdiepen en heeft daardoor een afkeer van levensbeschouwelijke onderwerpen.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

16. Het ingekeerde voelen (Pythagoras 6)
Het voelen is de zin voor saamhorigheid en liefde: het is de liefdeszin. De ingekeerd voelende persoon is gericht op gevoelens die leven in zichzelf en in een kleine groep personen, met wie een vertrouwensband bestaat.
De ingekeerd voelende persoon
is hartelijk, trouw en aanhankelijk; zo iemand wil tegen de partner op kunnen kijken en op hem of haar kunnen steunen om zich veilig te voelen; als de partner kan worden vertrouwd dan zet deze persoon zich volledig voor hem of haar in;
- bijzondere gebeurtenissen móeten met de partner of een goede bekende worden gedeeld;
- zo iemand beleeft de gevoelsband met de ander in de vorm van een persoonlijke gemoedstoestand in zichzelf en voelt daardoor een persoonlijke betrokkenheid naar ander toe, leeft met de ander mee en heeft de neiging alles wat er tussen beiden gebeurt, zich persoonlijk aan te trekken;
- raakt vertederd door alles wat klein en hulpbehoevend is en wil dan graag voor die ander zorgen;
- zo iemand treedt opvoedend op vanuit een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor hen, met wie men zich persoonlijk verbonden voelt.
Door de ingekeerde instelling
- worden gevoelens en gedachten alleen geuit binnen een vertrouwde, persoonlijke verstandhouding;
- zo iemand heeft als het ware een aangeboren geloof in het hogere en heeft een verborgen, maar diep gevoel voor persoonlijke, geestelijke onderwerpen,
- en staat ook open voor ingevingen en voor het aanvoelen van komende gebeurtenissen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van de ingekeerd voelende persoon:
- het waarnemen is gericht op de persoonlijke behoeften van zichzelf en anderen en
- de wilskracht wordt gebruikt om anderen te begeleiden en te verzorgen (huisvrouw, verpleegster).
Het denken en de uitgekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld en
- daardoor kan de ingekeerd voelende persoon wel goed meedenken met anderen, maar een afkeer voelen om zelf gedachten te vormen en die te verwoorden;
- bij zo iemand ontbreekt de zekerheid van het eigen denken en hij of zij lijdt daardoor aan onzekerheid, zelftwijfel en angst;
- is daardoor kwetsbaar en weet zich niet te verdedigen tegen persoonlijke aanvallen.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

17. Het ingekeerde denken (Pythagoras 7)
Het denkvermogen is de zin voor inzicht en waarheid: het is de waarheidszin. De ingekeerd denkende persoon overdenkt het wezenlijke van zichzelf en overdenkt de onderwerpen, gedachten en kennis die aanwezig zijn in de eigen binnenwereld.
De ingekeerd denkende persoon
- is een vrijdenker met persoonlijke inzichten;
- is scheppend denkend werkzaam, maar op een beperkt gebied en kan daardoor de aandacht langdurig bij één bepaald onderwerp vasthouden;
- zo iemand streeft naar geestelijk inzicht door zelfonderzoek,
- hij of zij zoekt naar de zin van het bestaan en ontwikkelt daardoor geesteswetenschappelijke inzichten;
- door het ingekeerde denken kan zo iemand verborgen verbanden ontdekken;
- daardoor ontstaat er orde en samenhang in de eigen gedachtenwereld en daardoor kan die worden uitgebouwd tot een wijsgerig denkstelsel (de wijsgeer, de geesteswetenschapper).
Door de ingekeerde instelling
- is zo iemand echter beter in luisteren en schrijven, dan in spreken,
- en vóór die iets over een onderwerp wil zeggen, moet er een diepgaande studie over worden gemaakt;
- door de ingekeerde instelling uit zo iemand, ondanks een innerlijke rijkdom aan kennis en inzichten, zelden ongevraagd zijn of haar mening over iets;
- deze persoon streeft naar verdieping van inzicht en het begrijpen van de grondslag der dingen, en heeft daardoor uit zichzelf een godsdienstige instelling;
- hij of zij heeft belangstelling voor mystiek en doet uit eigen beweging geestelijke oefeningen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het ingekeerde denken:
- de aandacht wordt gericht op geestelijke onderwerpen en
- de wilskracht wordt gebruikt om zich langdurig met één onderwerp te kunnen bezighouden.
Het voelen en de uitgekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld en dat heeft tot gevolg dat zo iemand
- een verborgen gebrek aan zelfvertrouwen heeft en zich voortdurend onzeker voelt met betrekking tot het oordeel van anderen;
- door zijn of haar zwijgzaamheid niet goed wordt begrepen;
- gevoelens voor zichzelf houdt en daardoor onverschillig lijkt;
- een afkeer van persoonlijke betrokkenheid heeft en daardoor een onverstoorbare indruk maakt.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

18. Het uitgekeerde willen (Pythagoras 8)
Het willen is de ondernemingszin, de ondernemingslust, daadkracht en volharding. De uitgekeerd willende persoon wil handelend optreden en plannen uitvoeren in de buitenwereld. Het uitgekeerde willen is het willen voor en door de ander; de ander wordt bij de wilsbesluiten betrokken.
Door het uitgekeerde willen
- wil zo iemand een vrije ondernemer zijn die op eigen kracht een zaak opbouwt en die zelf leidt;
- weet zo iemand snel wat in een bepaalde toestand te doen, neemt onvervaard een besluit en voert dat uit;
- heeft deze persoon duidelijke doelen en gaat daar ook recht op af,
- is moedig en durft door te zetten als anderen zich terugtrekken,
- maar kan ook overmoedig zijn, aan zelfoverschatting lijden en meerdere malen zakelijk mislukken;
- deze persoon streeft naar de top om persoonlijke vrijheid te hebben en onbelemmerd te kunnen handelen (zakenman/vrouw, politicus),
- meent dat het pas goed is als de zaak in beweging blijft, waardoor er voortdurend wat wordt veranderd en medewerkers overbelast raken;
- streeft men als sportman/vrouw naar de top: alleen de eerste plaats is goed, de tweede een mislukking.
Door de uitgekeerde instelling
- heeft deze persoon leiderseigenschappen en streeft daardoor naar de macht om anderen in beweging te kunnen brengen en leiding te geven;
- straalt zo iemand een natuurlijk gezag en zelfvertrouwen uit of weet die indruk te wekken.
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de uitgekeerd willende persoon:
- het denken wordt gebruikt om plannen te maken, uitdagingen te zien en mogelijkheden te ontdekken om iets te ondernemen;
- het voelen wordt gebruikt om bij anderen vertrouwen te wekken voor die onderneming en hen aan te sporen daaraan mee te werken.
Het waarnemen en de ingekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld, wat tot gevolg heeft dat deze persoon
- nauwelijks een familieleven heeft: de zaak gaat voor;
- geen belangstelling heeft voor diepzinnige onderwerpen;
- wel de grote lijn ziet, maar geen oog heeft voor bijzonderheden en persoonlijke zaken,
- en op dat persoonlijke gebied onjuiste besluiten kan nemen en mislukken,
- zich kan overgeven aan zintuiglijk genot.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

19. Het innerlijke evenwicht (Pythagoras 9)
De acht persoonlijkheidskenmerken kunnen ook op evenwichtige wijze in de persoonlijkheid aanwezig zijn (de rode bol). Daarbij is er in grote lijnen verschil tussen een onontwikkelde, een min of meer en een geheel ontwikkelde toestand.
1. In de onontwikkelde toestand kan deze persoon door de veelzijdigheid
- met iedereen meedenken en meevoelen, daardoor moeilijk een eigen standpunt bepalen en lang twijfelen om een besluit te nemen;
- zich in álle anderen verplaatsen, waardoor weliswaar met niemand ruzie wordt gemaakt, maar ook niet de waarheid wordt gezegd,
- weliswaar door innerlijke rust worden gekenmerkt, maar door de onontwikkelde toestand toch nietszeggend zijn;
- door de vele mogelijkheden kan er geen keuze worden gemaakt, waardoor het voorkomt dat niet een ervan wordt benut.

2. In een meer ontwikkelde toestand heeft deze persoon een kleurrijke persoonlijkheid,
- is een duizendpoot die alles aanpakt en afmaakt,
- heeft een brede belangstelling en ontwikkelt zich veelzijdig;
- is een goede bemiddelaar en onderhandelaar, doordat hij of zij zich in beide partijen kan verplaatsen en zo voor beide aanvaardbaar is;
- toch kan het voorkomen dat door de veelheid van mogelijkheden het moeilijk is een keuze te maken en het lang duurt, voordat een besluit wordt genomen en uitgevoerd (de laatbloeier).

3. De geheel tot ontwikkeling gekomen persoonlijkheid wordt gekenmerkt door het evenwichtige gebruik dat de persoon van de vier vermogens en beide instellingswijzen heeft leren maken. Het uit die geestelijke werkzaamheid voortkomende gedrag wordt gekenmerkt door:
- de zin voor schoonheid en echtheid van het waarnemen;
- het streven naar waarheid en inzicht van het denken;
- de liefde, goedheid en saamhorigheid van het voelen;
- de daadkracht en volharding van het willen;
- de gemeenschapszin van de uitgekeerde en de zelfbezonnenheid van de ingekeerde instelling.
Deze bewust en beheerst gebruikte, ontwikkelde vermogens
- komen ingekeerd tot uitdrukking in het geweten: in zelfbeschouwing, redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zo nodig zelfbeheersing;
- en uitgekeerd in de deugden: in aandacht, begrip, liefde en geduld;
een door medemenselijkheid gekenmerkt gedrag.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

20a. Het geweten
iedere mens heeft een unieke persoonlijkheid, doordat je zoals beschreven één van je vermogens en instellingen goed beheerst. Daarnaast beheers je ook twee vermogens min of meer, terwijl het tegendeel van het hoofdvermogen je zwakke zijde is.
Toch maak je in het dagelijkse leven allerlei gebeurtenissen mee, die je aanzetten al je vermogens te gebruiken, ook dat van je zwakke zijde. Daardoor leer je ze steeds meer bewust en beheerst te gebruiken, waardoor ze geleidelijk tot ontwikkeling komen en je gebeurtenissen beter kunt verwerken. Zo is het dagelijkse bestaan een leerschool voor de ontwikkeling van je vermogens, waardoor je langzaam naar het doel: het innerlijke evenwicht, toegroeit.

Daarnaast komt er geleidelijk ook een bijzondere eigenschap van je vermogens tot ontwikkeling: de mogelijkheid je aandacht en de werkzaamheid van je vermogens niet alleen op een bepaald onderwerp te richten, maar door inkeer in jezelf ook op de waarde van die innerlijke werkzaamheid.
Naast de werkzaamheid met een gebeurtenis als doel, is er een tweede, die de eerste als doel heeft. Er is een weten (het eerste) en een 'medeweten' (het tweede gebeuren), een waarnemen en 'medewaarnemen', een denken en 'mededenken', een voelen en 'medevoelen'. Het geweten is a.h.w. een 'medebewustzijn': een toestand waarbij je ook bewust bent van je eigen werkzaamheid en die beoordeelt.
Door je geweten wil je niet alleen rekening houden met jezelf, maar ook met anderen doordat je in staat bent je vermogens zo te leiden dat je bij voorbaat ook overweegt, wat het gevolg van je gedrag voor je medemens zal zijn.

Je zwakke zijde is echter oorzaak van kwetsend gedrag. Als je geweten dan gaat spreken: - krijg je door zelfbeschouwing (waarnemen) besef van kwetsend gedrag,
- dan volgt zelfbeoordeling: gedroeg ik mij goed of slecht, en zelfstrijd: je redeneert het voorval weg of je laat zelfbeschuldiging toe (denken, voelen),
- door zelfverwijt volgt schuldbesef: gevoelens van spijt, schaamte, berouw en daardoor wil je je gedrag herstellen, boeten, de verstandhouding weer goed maken (willen). Je bekent aan de ander schuld en vraagt om verontschuldiging: ik voel me schuldig, wil je mij verontschuldigen?

Door het geweten als redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zelfbeheersing heeft het tweede gebeuren een bijsturende werking op het eerste in de vorm van een cybernetische stuurkring.
Die bijsturing is de mogelijkheid de vermogens op jezelf terug te koppelen:
- de zelfbeoordeling waar je geweten mee begint, is de terugkoppeling: je wilt de aard van je eigen werkzaamheid onder ogen zien en beoordelen;
- de afkeuring van je eerste overwegingen is de tegenkoppeling: dan beheers je jezelf;
- de goedkeuring ervan is de meekoppeling: dan zet je je geesteswerkzaamheid door.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

20b. De deugden
Het enige wat je als menselijke geest kunt, is gebruik maken van je vermogens: je kunt de gebeurtenissen om je heen waarnemen, ze in jezelf verwerken door ze te overdenken en te doorvoelen, en dan besluiten er iets mee te willen doen; daarbij kun je je werkzaamheid ← terug naar de buitenwereld richten, maar je ook bezinnen op jezelf.
Door het verwerken van alles wat door tijd als stroom van gebeurtenissen op je af komt, leer je je vermogens steeds meer bewust en beheerst te gebruiken, en dat is wat geestelijke groei, persoonlijkheidsvorming wordt genoemd. Door de voortdurende wisseling van levenservaringen groeien je vermogens langzaam toe naar hun ontwikkelde toestand: het waarnemen wordt dan gekenmerkt door de zin voor schoonheid, denken door wijsheid, voelen door liefde en willen door vastberadenheid. De ingekeerde instelling komt tot uiting in zelfbezonnenheid en het daarmee samenhangende geweten, de uitgekeerde uit zich dan in je gedrag als de gemeenschapszin.

in die gemeenschapzin komen je vermogens tot uiting in de vorm van de deugden. Een deugd is één van de tot ontwikkeling gekomen vermogens als eigenschap van je persoonlijkheid. De deugdelijke toestand is een ontwikkelingstoestand, waarin dat vermogen wordt gekenmerkt door: kracht, bruikbaarheid en doelmatigheid. Het woord 'deugd' betekent 'goed zijn', 'het doel treffen', 'krachtig zijn', 'passend zijn'.
Deugdelijkheid is degelijkheid, vastheid en betrouwbaarheid. Door deugdzaamheid wordt je gedrag - en daarmee je persoonlijkheid - uit liefde (voelen) gekenmerkt door aandacht (waarnemen), begrip (denken) en geduld (wilskracht).
Door geestelijke ontwikkeling is er in jouzelf een evenwichtige samenwerking tussen al je vermogens ontstaan, waardoor zij met elkaar samenhangen en die innerlijke samenhang breidt zich door je gedrag heen naar buiten toe uit, waardoor er ook een samenhang met de mensen om je heen kan ontstaan.
Het beste wat je daarom voor je medemensen kunt doen, is streven naar die gewetensvolle toestand en die deugdzaamheid. Daarvoor is zelfinzicht en inzicht in je medemensen, onder andere in de vorm van geestkunde, onontbeerlijk, want je kunt alleen leren liefhebben, wat je kent.

← terug naar Hoofdonderwerp 3

21. Geestgedaante en lichaam
De geestelijke vermogens zijn niet alleen herkenbaar in de innerlijke stem, de hersenen en de persoonlijkheidskenmerken, maar ook in de vorm van het lichaam.
Door de werkzame vermogens straalt de geest een vormbare krachtruimte uit: de ziel. ieder vermogen heeft een eigen uitstraling, waarin het zijn voortbrengselen bewaart: kennis in die van het waarnemen, gedachten in die van het denken, kleuren in die van het voelen, wilsbesluiten in die van het willen.
in de loop van onafzienbare tijden heeft de menselijke geest aan zijn ontwikkeling gewerkt, heeft steeds meer een bewust en beheerst gebruik leren maken van zijn vermogens, waardoor óók de eigenschappen daarvan hebben ingewerkt op die uitstraling en daaraan een vorm hebben gegeven: de geestgedaante.
De geestgedaante houdt in deze stoffelijke wereld de stof vast, die als voedsel door de mond naar binnen wordt gebracht, waardoor de geestgedaante in deze wereld als het lichaam verschijnt.

De eigenschappen van het waarnemen - het opnemen van indrukken - hebben vorm gegeven aan het hoofd met zijn opnemende zintuigen: gezicht, gehoor, reuk, smaak, tast;
- die van het denken - ontleden en samenvoegen - hebben vorm gegeven aan de organen van de buik: ontledende darmen en samenvoegende lever, de ontledende en samenvoegende nier;
- die van het voelen - liefhebben en verzorgen - hebben vorm gegeven aan hart en bloedsomloop: zij verzorgen alle cellen met voedingsstoffen en verwijderen afvalstoffen;
- die van het willen - ondernemen en handelen - hebben vorm gegeven aan skeletspieren en ledematen;
- die van de in- en uitgekeerde instelling hebben vorm gegeven aan de in- en uitademende longen;
- die van de geest als geheel hebben vorm gegeven aan het skelet, de hersenen en het zenuw- en hormoonstelsel, waardoor het lichaam als een eenheid werkt.

Voor de geest is dit lichaam het tijdelijke voertuig, waarmee die zich in de stoffelijke wereld kan bewegen, leerzame ervaringen kan opdoen en zich ontwikkelt door die met de vermogens te verwerken.
Vanuit de eigenschappen van de geestelijke vermogens zijn alle eigenschappen van de mens: geest, ziel, geestgedaante en lichaam, en zijn geestelijke ontwikkeling, als een samenhangend geheel te beschrijven.

← terug naar Hoofdonderwerp 4

22. De chakra's
Tot nu toe heb ik de vermogens besproken in een omgeving, waar hun werking voor iedereen ervaarbaar is: als de innerlijke stem, als eigenschappen van de persoonlijkheid en in de vorm van de hersenen en van het lichaam.
In de omgang met je medemensen in het dagelijkse bestaan kun je trachten je gewetensvol en deugdzaam te gedragen, en daardoor leer je je vermogens steeds meer bewust en beheerst te gebruiken en groeien zij toe naar het ontwikkelde, innerlijke evenwicht. Daardoor worden zij op den duur ook ervaarbaar op een etherische wijze als de z.g.n. chakra's: wielen of padma's: lotusbloemen.
Zoals beschreven heeft ieder vermogen vanuit de geest een eigen uitstraling in de ziel, waarin de voortbrengselen ervan worden bewaard; maar zij hebben vanuit de geest ook een etherisch kanaal dat door de ziel heen uitmondt in een trechtervorm, waarbinnen hun geestkracht als een draaikolk beweegt. In de zelfbezonnen geestestoestand kun je die draaiingen waarnemen als een 'druk' op de chakra's, waardoor je door de chakra's het bestaan van je geestgedaante rechtstreeks ervaart (afbeelding).
In de mannelijke geest is het verloop van de vermogens waarnemen, dénken, voelen en willen, en in de vrouwelijke geest waarnemen, vóelen, denken en willen. Dit wezenlijke onderscheid komt ook in de chakra's tot uiting, doordat bij de mannelijke geest de chakra's in de uitstralende toestand naar rechts draaien en in de opnemende naar links, terwijl het bij de vrouwelijke geest andersom is. Als twee geliefden bij elkaar zijn, draaien hun chakra's daardoor in overeenstemming met elkaar en vormen een etherische band, wat als een groot geluk wordt ervaren.
Iemand met een ontwikkelde persoonlijkheid wekt door zijn chakra's heen een krachtige uitstraling op, wat door anderen wordt opgemerkt en ook zo wordt benoemd.
De geest straalt door zijn chakra's heen geestkracht naar buiten of ontvangt die van anderen; chakra's zijn knooppunten, sluizen. Als een leraar zijn leerlingen iets wil leren, dan helpt het als er eerst een vertrouwensband wordt gevormd, waardoor de leerlingen hun chakra's openen en niet alleen de woorden horen, maar door te luisteren ook in zich opnemen.
Een goede dirigent die voor zijn of haar orkest staat, is niet alleen door gebaren, maar ook door de chakra's heen op etherische wijze met de muziekanten verbonden, waardoor het orkest als een éénheid speelt. Die persoonlijke band met de orkestleden is dan zo sterk, dat de dirigent zijn persoonlijke stempel op de uitvoering drukt. Daardoor kunnen muziekkenners later aan een uitvoering herkennen, welke dirigent voor het orkest heeft gestaan.
Een goede ruiter op zijn of haar paard is door de chakra's heen met het rijdier verbonden, waardoor het zich gewillig door de ruiter laat leiden.

← terug naar Hoofdonderwerp 4

23. Het 'bewustzijn'
Iedere mens verkeert - de een meer, de ander minder - in een toestand van bewustzijn van zichzelf als een zelfstandig wezen; iedere mens leeft min of meer met het besef 'er te zijn' en er weet van te hebben een persoon te zijn, die zich onderscheidt van andere om zich heen. Wetenschappers noemen dit zelfbesef 'het bewustzijn' en zijn naarstig op zoek te vinden wat het is en waar het zetelt. Ook het wonderlijke verschijnsel dat het bewustzijn er overdag wel is, maar 's nachts, in diepe slaap, niet, is een aansporing tot wetenschappelijk onderzoek. Waar al wel overeenstemming over is bereikt, is de opvatting, dat het iets met de hersenen te maken moet hebben, maar verder kan nog niemand dit zo wezenlijke verschijnsel - waar toch ook hun eigen werkzaamheid van afhankelijk is - afdoende verklaren.
Het woord 'bewustzijn' is een zelfstandig naamwoord, dat afkomstig is van het werkwoord 'zich bewust zijn'. Daarin is 'zich' een betrekkelijk voornaamwoord, dat verwijst naar een zekere zelfstandigheid, terwijl 'zijn' een werkwoord is; dat houdt in dat het werkwoord 'zich bewust zijn' betekent, dat er een werkzame zelfstandigheid moet zijn die zichzelf in een zijnstoestand kan brengen, waarin die 'bewust' is. M.a.w. 'zich' wijst op een zelfstandigheid, 'zijn' wijst op een bepaalde toestand van die zelfstandigheid en die toestand wordt 'bewustzijn' genoemd.
Nu is het woord 'bewust' in het verleden aan het Duits ontleend en in die taal hangt het samen met 'wissen': weten. De toestand van 'bewustzijn' is m.a.w. een toestand van 'wetend zijn'. Etymologisch hangt het Germaanse 'weten' samen met het Latijnse 'videre', dat 'zien' betekent; een begrijpelijke samenhang, want de mens komt iets 'te weten' door het 'te zien', met andere woorden: door het waar te nemen.
in het voorafgaande heb ik duidelijk gemaakt dat het de menselijke geest is die werkzaam is met zijn vier geestelijke vermogens - een werkzaamheid die met het waarnemen begint. Het is de menselijke geest die door waar te nemen in een tóestand komt te verkeren, zich van iets bewust te zijn... waardoor 'het bewustzijn' een gééstestoestand is, die alleen in het innerlijk van de geest is te vinden.

Door waar te nemen komt de menselijke geest in de geestestoestand die 'bewustzijn' wordt genoemd, doordat de geest dan weet heeft van de dingen. De geest is dan 'het bewuste' als datgene, wat 'bewust is'. De geest is het enige, dat in de toestand kan verkeren 'het bewuste' te zijn. Maar daardoor is de geest ook het enige, dat in een toestand kan verkeren 'het onbewuste', het niet wetende te zijn, als bepaalde dingen voor de geest niet zijn waar te nemen. Die dingen zijn voor de geest het 'onbekende'.
in het verleden is de vergissing gemaakt dat 'onbekende' met het 'onbewuste' te verwisselen. Het 'onbekende' is dat wat de geest niet kent en het is de geest die daardoor 'het onbewuste' is.
Het Nederlandse werkwoord luidt: 'zich bewustzijn' en is verplicht wederkerend, het betrekkelijke voornaamwoord 'zich' kan niet worden weggelaten, het verwijst naar de persoon die zich van iets bewust is. Het daarvan afgeleide zelfstandige naamwoord moet zijn: 'het zich bewustzijn'; door onjuist 'zich' weg te laten, verdwijnt de persoon uit het zicht en wordt 'het bewustzijn' een raadsel.

← terug naar Hoofdonderwerp 5

24. De geestestoestand van onbewustheid van zichzelf
"De geest weet zelf niet wat de geest is." Cicero, Rom. filosoof

Wat is de oorzaak van deze uitspraak? Neem voor het antwoord voorlopig het volgende van mij aan - later zal ik dit nader verklaren.
Er is een algeest die bestaat uit geestelijk licht en geestelijke warmte, die in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: bewéging en rúst. In rust zijn dat licht en die warmte beweegbaar en vormbaar; in beweging zelfbewegend en zelfvormend werkzaam. Met die eigenschappen hangen zoals beschreven de vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken zelfvormend licht, voelen vormbare warmte, willen zelfvormende warmte. In de geesten van alle levende wezens zijn dat licht en die warmte in een toestand van éénheid zoals in de algeest en daardoor leven zij.
Niet alleen de menselijke geest is door verdichting uit de algeest voortgekomen, maar óók de stof. Die bestaat volgens natuurkundigen uit deeltjes (bouwstenen) en krachten, die hen in het atoom bij elkaar houden. Daardoor vormen deeltjes en krachten weliswaar ook een eenheid, maar licht en warmte blijven daarin verdeeld: een twéé-eenheid.
De bouwstenen worden fermionen genoemd, hun verbindende krachten bosonen. De eerste zijn o.a. elektronen en kwarks, die als drietal protonen of neutronen vormen; de tweede zijn o.a. de fotonen (licht) en de gluonen. De gluonen houden drie kwarks bij elkaar tot pro- en neutronen, die de atoomkern vormen, de fotonen houden de elektronen vast rondom hun kern. De kern trilt, maar blijft op in rúst zijn plaats; de elektronen zijn voortdurend in bewéging rond hun kern.

Zowel geest als stof zijn door verdichting uit het licht en de warmte van de algeest voortgekomen, maar in de geest vormen zij een eenheid en in de stof zijn zij verdeeld. Stof is daardoor ongeestelijk, niet-levend, terwijl de geest de levenskracht is. Daardoor kan de geest als die zich in deze wereld met het tegendeel van zichzelf - de stof - verbindt, hier niet zichzelf zijn en wordt onbewust van het eigen bestaan. Het enige wat overblijft, is de innerlijke stem; dááraan kan de geest het eigen bestaan rechtstreeks herkennen.
Daarnaast is het de geest als levenskracht die de levenloze stof, het lichaam, in beweging brengt.

← terug naar Hoofdonderwerp 5

25a. De aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging
Als de menselijke geest zich met de stoffelijke wereld verbindt door geboorte of er 's morgens wakker te worden, dan verliest de geest het zelfbewustzijn. Dit wordt, zoals ik heb beschreven, veroorzaakt doordat de geest als het levende zich hier met het niet-levende, de stof, verbindt.
in het begín van het aardse bestaan gaan de opvoeders van het kind liefdevol op de pas in het lichaam geboren geest inwerken, om deze te wekken uit die toestand van onbewustheid, waardoor de geest in het kind hier 'wakker wordt'.
Nu is een 'werkelijkheid': 'datgene, wat werkt'. De pasgeboren geest wordt door de inwerking uit de omgéving al wel wakker, maar het is eerst alleen die omgéving die ínwerkt en daardoor het wakker worden veroorzaakt. Daardoor begint de geest dit bestaan met de ervaring en bewustwording, dat de omgéving als 'dat wat werkt' de wérkelijkheid is; want hij of zij is zich nog niet bewust van de eigen innerlijke werkelijkheid, die met de werking van eigen vermogens samenhangt.

Vervolgens draagt de geest dat eigen, nog zwakke besef 'er te zijn', het vage besef van eigen werkelijkheid dat alleen met 'wakker zijn' samenhangt, over op de omgeving. Aandacht en toewijding vloeien uit de geest weg en worden geheel gericht op de krachtig aandacht trekkende opvoeders in de buitenwereld.
Deze overdracht heeft de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan tot gevolg. Hierdoor is alleen de stoffelijke wereld werkelijk en blijft de geest voor zichzelf eerder een ónwerkelijkheid. Door de overdracht van aandacht en toewijding op de omgeving, voelt de geest zich één met dit bestaan en geraakt in de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging. Daardoor wordt alleen de stoffelijke helft van de schepping gezien en gedacht, dat 'dit alles is wat er is'.
Doordat de geest hier zichzelf niet is, wat zich uit in het gedrag, kunnen er moeilijkheden ontstaan die moeten worden opgelost. Daardoor wordt de geest ertoe aangezet de eigen vermogens te gebruiken, waardoor zij geleidelijk aan tot ontwikkeling komen; zo kan de geest tot zichzelf komen en uiteindelijk naar een geestelijk zelfbewustzijn toegroeien.
Deze geestelijke ontwikkeling is de diepe zin van deze beproevende aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan.

← terug naar Hoofdonderwerp 5

25b. De onbewuste vereenzelviging en de vermogens
Door de beschreven overdracht wordt alleen de stoffelijke helft van de werkelijkheid gezien, waardoor waarden worden omgekeerd en het stoffelijke boven het geestelijke wordt verheven. De zin van het bestaan komt te liggen in het verwerven van aanzien en bezit, i.p.v. in geestelijke ontwikkeling.
Hoe zien de vermogens in deze toestand eruit?
in de aanvangstoestand is de geest nog onbewust van zichzelf en beheerst de vermogens daardoor nog niet. Zij kunnen onbeheerst en wanordelijk werkzaam zijn, beïnvloed door gebeurtenissen. Zij gaan a.h.w. ongeheerst hun eigen gang; de persoon is aan hun werking overgeleverd en gedraagt zich min of meer onaangepast: het kinderlijke gedrag.

- Het waarnemingsvermogen gaat op in gewaarwordingen, die door de zintuigen bij de geest binnenkomen, waardoor die aan hen gebonden raakt en door zintuiglijkheid en verleidbaarheid wordt gekenmerkt.
- Door vereenzelviging met gewaarwordingen kan het denken door de voorstellingen die erdoor ontstaan, worden beheerst en door hen worden aangezet tot een onbeheerste gedachtenstroom.
- Door gebrek aan zelfbeheersing kan het voelen voorkomen in de vorm van onbeheerste gemoedstoestanden: gemoedsaandoeningen. Als de geest door onbeheerstheid in een lijdzame toestand terechtkomt in plaats van een zelfwerkzame houding aan te nemen, kunnen ervaringen het gemoed gaan overweldigen, wat gaan aandoen. De geest is dan zelf de eigen gemoedstoestand niet meer meester, maar laat zich beheersen door uiterlijke gebeurtenissen of door de voorstellingen van het onbeheerste denken in de ziel. De geest kan daardoor de speelbal worden van daarmee samenhangende aandoeningen; zij kunnen de geest verontrusten en voortdrijven.
- Bij de onbeheerste werkzaamheid is er ook een oordeelsvorming, maar daarbij zijn de maatstaven aandoeningen zoals lust of onlust, zin of tegenzin, welgevoelen of pijn. Daaruit komen aandriften als begeerte of afkeer voort. De aandrift is de wilskracht in een nog onbeheerste, ongeremde toestand, niet geleid door redelijke of zedelijke overwegingen, maar door wat er toevallig in de omgeving gebeurt; het gedrag wordt daardoor onberekenbaar, de oorzaak van moeilijkheden.
Als met andere woorden de vermogens niet worden beheerst, dan verkeert de geest in een toestand dat die kan worden geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen, en kan worden gedreven door aandoeningen en aandriften.

← terug naar Hoofdonderwerp 5

26. De geestestoestand van bewuste vereenzelviging
De onbewuste vereenzelviging is een algemene, van tevoren bestaande geestestoestand, waarmee iedereen aan dit bestaan begint. Op sommige gebieden kan die uitgroeien tot een bewüste vereenzelviging, de toestand waarin de geest zich bewust is geworden van vereenzelviging met een persoon, beroep, voorwerp, levensomstandigheid of genotverschaffende stof.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid; daarin is de geest tot het beséf gekomen zich één te voelen met iets anders buiten zich. Door de overdracht van aandacht en toewijding op een persoon of voorwerp in de buitenwereld, is a.h.w. ook het zelfgevoel erop overgegaan, waardoor de persoon zich er één mee voelt en er min of meer door bezeten kan zijn. Het lijkt alsof het onderwerp van de gehechtheid de baas is geworden over het gedrag. Maar de oorzaak van deze toestand is het gebrek aan zelfbewustzijn en zelfbeheersing. Waardoor de geest naar de bevrediging van bepaalde verlangens móet streven.

De persoon heeft al wel wéét gekregen (waarnemen) van de toestand van afhankelijkheid door gehechtheid, maar beheerst die toestand nog niet (willen). De wilskracht wordt nog niet bewust beheerst, waardoor de persoon met kracht streeft naar bevrediging van het verlangen.

Hoe zien de vermogens in deze gehechte geestestoestand eruit, waarin de geest in zichzelf is opgegaan en de werkzaamheid van de vermogens zelfzuchtig op zichzelf heeft gericht:
- door de zelfzucht wordt het waarnemen gekenmerkt door hebzucht: alles wat de persoon ziet, wil die hebben;
- het denken wordt gekenmerkt door regelzucht: de geest wil alles regelen naar eigen inzichten, ook voor anderen;
- het voelen wordt gekenmerkt door eerzucht: de geest is zo met zichzelf ingenomen, dat met alles wat die doet, eer moet worden verworven;
- het willen wordt gekenmerkt door heerszucht: de geest stelt zichzelf in het middelpunt en alles wat gebeurt, moet naar zijn of haar zin gaan.

Het woord 'zucht' betekent: ziekte. Door zelfzucht is de geestestoestand ziek door zelfgerichtheid. Het is het oerkwaad; al het verdriet en kwaad, dat mensen elkaar en zichzelf aandoen, komt uit deze zelfgerichte geestestoestand voort.

← terug naar Hoofdonderwerp 5

27. De geestestoestand van eenzijdige vereenzelviging
De eenzijdige vereenzelviging is de geestestoestand waarin de geest zich in zichzelf heeft vereenzelvigd met één van de eigen vermogens. Die bestaan, zoals beschreven (10b), uit paren van tegendelen. De vereenzelviging kan b.v. met het denken zijn als het de tegendelen denken en voelen betreft, of met het willen bij het waarnemen en willen.
Denken en voelen zijn tegendelen, doordat door te denken op afstandelijke wijze twee záken met elkaar worden verbonden en door te voelen een band tussen twee persónen wordt gevormd. Waarnemen en willen zijn tegendelen, doordat de geest door het waarnemen de buitenwereld op zich laat inwerken en door te willen vanuit zichzelf daarop inwerkt.

Vanuit de persoonlijkheidsaanleg en omdat een mens maar één ding tegelijk goed kan doen, kan de voorkeur bewust naar één van de vermogens uitgaan; dat groeit dan eenzijdig uit en het gedrag wordt vooral door eigenschappen van dat vermogen bepaald. Het tegendeel ervan komt dan onvoldoende tot ontwikkeling en wordt de zwakke zijde van de persoonlijkheid. Dat betekent dat de eigenschappen van dat vermogen, die voor een evenwichtige persoonlijkheid onontbeerlijk zijn, vaak op een storende wijze in het gedrag ontbreken of zich onbeheerst uiten. Ook het ontbreken of de onbeheerstheid van die eigenschappen bepalen mede de persoonlijkheid.
Als de eenzijdige voorkeur b.v. het denken is, dan kan de geest zich wel goed en langdurig in de denkende toestand brengen, maar niet of moeilijk in de tegenovergestelde, voelende toestand. Dit heeft een afstandelijke, zakelijke houding tot gevolg, die ongevoelig kan zijn (zie voor de negen persoonlijkheidskenmerken nr. 11-19). Een denker kan ook minachting hebben voor het voelen dat in gevoelsmensen wordt ervaren; maar die afkeer betreft óók een onvervreemdbare eigenschap van zichzélf, wat leidt tot een onevenwichtigheid in de persoonlijkheid en daardoor in het gedrag. Een eerste stap in de ontwikkeling naar innerlijk evenwicht is de erkenning van eigen zwakheden en het streven zich daar steeds bewust van te zijn, en in gevoelsmatige omstandigheden zich te beheersen om kwetsend gedrag te vermijden en medeleven te tonen.

in de Westerse maatschappij bestaat de neiging het denken te bevorderen en te waarderen (wetenschap, handel en techniek) en op het voelen te bezuinigen (onderwijs, zorg en kunst).

← terug naar Hoofdonderwerp 5

28. Bewustwording en zelfverwerkelijking
Door de beschreven onvolmaaktheden en eenzijdigheden kunnen moeilijkheden ontstaan als de mens zich staande moet houden in de tijd als stroom van beproevende gebeurtenissen. Daardoor wordt de mens op zichzelf teruggeworpen, kan zo zichzelf leren kennen en tot bezinning komen. De vraag: Wie ben ik en wat is de zin van dit bestaan? kan zich opdringen en er kan voor worden gekozen dit bestaan te zien als leerschool voor geestelijke ontwikkeling.

Zelfopvoeding én opvoeding is het meest zinvolle 'werk', want heeft niets dan menselijkheid tot gevolg. Als het werk aan het wezenlijke, dat de menselijke geest zelf is, betekent zelfopvoeding het omvormen van de eigen geesteshouding, door de ontwikkeling van de vermogens; terwijl opvoeding het voorleven is van het bewuste en beheerste gebruik, dat de opvoeder van de eigen vermogens maakt.

De vermogens en daarmee de persoonlijkheid komen tot ontwikkeling door de omgang met medemensen in het alledaagse bestaan. De mens wordt mens door omgang met de medemens en de ervaringen daarmee opgedaan op zichzelf toe te passen:
het waarnemen wordt ontwikkeld door bewust voor ervaringen open te staan en met aandacht naar anderen te luisteren;
het denken door te trachten de betekenis van die ervaringen te begrijpen, door ze verstandelijk te ontleden en door de rede te verbinden met overige ervaringen, waardoor je toeneemt in begrip;
het voelen door bewust een open gevoelshouding tegenover ervaringen aan te nemen, waardoor ze je persoonlijk kunnen raken en je met medemensen gaat meeleven;
de ontwikkeling van het willen is een oefening in zelfbeheersing en geduld, waardoor je meester wordt over jezelf als bewust vermogende geestkracht en redelijke en zedelijke besluiten vastberaden uitvoert.

Worden de vermogens ontwikkeld door ze zo veel als mogelijk is bewust en beheerst te gebruiken, dan wordt het waarnemen tot schoonheidszin, het denken tot wijsheid, het voelen wordt liefde en de wil krachtig. In de uitgekeerde instelling komen de vermogens tot uiting als gemeenschapszin en de deugden, in de ingekeerde toestand als zelfbezonnenheid en het geweten: kenmerken van een volwassen geestesgesteldheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 5

29. De zelfbezonnen geestesgesteldheid
Door jezelf als werk ter hand te nemen, kun je uiteindelijk jezelf worden. Als steeds duidelijker voor je wordt dat je de werkzame geest bent, ga je verlangen naar je oorsprong. De innerlijke weg daar naartoe is de zelfbezinning: de inkeer van de geestelijke vermogens in hun eigen bron, de geest, waardoor een toestand van zelfbewustzijn groeit.
Voor zelfbezinning moet je alle onderwerpen buiten je bewustzijnsruimte houden. Dan moet je aandacht en toewijding verinnerlijken door naar de plaats te gaan, waar je in jezelf de woorden spreekt en beseffen:
ik ben niet dit lichaam,
noch de inhouden van mijn ziel;
maar ik ben de menselijke geest,
de bewuste, vermogende levenskracht,
die nu deze woorden in zichzelf spreekt
en die in zichzelf de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt, en er dan iets mee wil doen.

Door je zo op het wezenlijke van jezelf te bezinnen, maak je je aandacht en toewijding eerst los van hun verbondenheid met de buitenwereld, daarna van de inhouden van je ziel en ten slotte trekt je ze samen op jezelf als het innerlijke middelpunt. Door die teruggaande beweging van je vermogens ga je van beleving van de wereld en van inhouden van je ziel, naar zelfbeleving.
Zo kom je als geest op den duur bewust en bezonnen te leven in het hart: de geest zelf als middelpunt, het innerlijke rustpunt - en in dat midden moet je zijn! Alleen in jezelf kun je als menselijke geest jezelf worden en zijn.

Door de bezinning op jezelf als geest heb je bewustzijn en kracht, aandacht en toewijding in jezelf verenigd, waardoor je nu jezelf zuiver waarneemt. Het willen waarnemen van jezelf als de bewuste, vermogende, werkzame levenskracht is het kernpunt. Het is: zelf-besef, zelf-ervaring, zelf-bewustwording.

Niets meer of minder dan dit, bewuste kracht, de uiterste eenvoud, 'wil de geest núzijn'. In het eenzame midden van de eigen ziel, vindt zo de zoeker het gezochte... de zoeker zelf. Door zelfbezinning wordt de aandacht, die door de wilskracht naar het hart is gevloeid, tot een zuiver, stil besef van eigen zelfstandigheid en werkzaamheid, en tot een eenheidsbeleving van innerlijke schoonheid, waarheid, vreugde en kracht.

← terug naar Hoofdonderwerp 6

30. Zelfbezinning als geestelijke oefening
De zelfbezonnen geestestoestand is heel vluchtig en aandacht en toewijding vloeien makkelijk weg uit hun samengetrokken toestand in het hart. Kies om die toestand te oefenen een rustig tijdstip.
Moeilijker is het je binnenwereld stil te houden. Aandacht is: willen waarnemen, maar als het onderwerp nog niet duidelijk is, ga je makkelijk weer over naar mijmeren. Om die geestestoestand vast te houden, is een hulpmiddel nuttig: de beoefening van 'stille herhaling'. Dit houdt in dat je een woord, zin of korte tekst stil voor jezelf herhaalt; zo oefen je jezelf als: 'zichzelf verwoordende vormkracht', de wezenlijkste en meest met je eigen aard overeenkomende, geestelijke oefening:
- laat het herhalingswoord iets persoonlijks zijn, het staat dan het dichtst bij je eigen belevingswereld, zodat je de diepere betekenis begrijpt en het je óók gevoelsmatig aanspreekt;
- breng je lichaam in een makkelijke, rechtop zittende houding;
- in het begin kun je als hulpmiddel voor de stille herhaling je ademhaling gebruiken.

Richt je aandacht geheel op het bezinningswoord, in de geestelijke ruimte van je voorhoofd en herhaal het stil voor jezelf, waardoor de wanorde in je innerlijk ordelijk wordt door je eigen, bewuste wilskracht.
Blijf met je denken bij de diepere betékenis ervan en richt je innig op de gevoelswaarde, die het woord voor je heeft, zodat je het woord ook doorvóelt. Tracht zo 'een en al jezelf' te zijn: een waarnemende, denkende, voelende en willende, bewuste levenskracht, m.b.v. de stille herhaling als geestelijke oefening.
in die zelfbezonnen toestand spreek je het woord in je innerlijk, waardoor je de zelfgeschapen, innerlijke klank in jezelf hoort.
Besef vervolgens in de 'stilte tussen de woorden' dat je je er voortdurend van bewust bent er in de rust van die stilte nog steeds te zijn als diegene, die zich herinnert het woord in zichzelf te hebben gesproken en ook de uit zichzelf scheppende bron is, die dat woord vanuit die stilte weer wil gaan spreken.
Hierdoor verplaats je, tijdens de voorwoordelijke stilte, aandacht en toewijding van woordklank en betékenis naar de woordbrón: jij zélf als woordscheppende geest. Dát is zelfbezinning.

← terug naar Hoofdonderwerp 6

31. Inwerking en hereniging
Door de zelfbezinning heb je bereikt, dat je tijdens de voorwoordelijke stilte tot een innig zelfbesef bent gekomen. Het is een toestand van diepe rust en stilte, doordat je je vermogens tot rust hebt gebracht; zodat je alleen de rustende, bewuste levenskracht bent. Deze innerlijke stilte is een toestand van leegte en ontvankelijkheid, want je merkt dat een andere geestkracht zich nu met jou kan verbinden. Je merkt dat die andere kracht door je chakra's heen op jou gaat inwerken, vooral op je kruin en voorhoofd, wat je als het instromen van kleuren ervaart en je in een verheven geestestoestand brengt.
Door overeenstemming met de geestestoestand van die andere kracht kan er een vereniging tot stand komen, waardoor je op je chakra's een druk ervaart en zij in beweging komen; waarna ook je lichaam meebeweegt, alsof je liefdevol wordt gewiegd.

Ook kun je ervaren hoe je door die kracht in vervoering wordt gebracht, uittreedt en wordt verbonden met een geest, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid, een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte: de alomtegenwoordige algeest. Vanuit de zelfbezonnen toestand kun je als een vonk, een bewuste, lichtende warmte, worden opgenomen in een jou geheel omstralende gloed, een doordringende, lichtende warmte; terwijl je als menselijke persoon toch volkomen jezelf blijft. Opgenomen in dat alomvattende licht, word je van binnenuit doorstroomd door een innige warmte, een verwarmende liefde, wat een met niets te vergelijken oerervaring is. Het is de beleving van het een-zijn met je grondslag, de algeest, bron van jezelf als menselijke geest.

Door deze hereniging zijn beide lichtende warmtes volkomen in elkaar opgegaan: de geest is, wat de algeest is en de algeest is, wat de geest is, de toestand van volmaakte hereniging. Je leeft in de algeest en de algeest leeft in jou; je ervaart jezelf als een vonkje uit en in de algeest.
Er is slechts één verschil gebleven: jij bent de menselijke geest, de kleine geest en je ervaart jezelf als deel van de grote geest. Je bent als menselijke geest een vónk en wordt door de alomvattende gloed met innige, warme liefde omgeven en doordrongen: de ervaring van de geestelijke hereniging.

← terug naar Hoofdonderwerp 6

32. Het ontstaan van de menselijke geest
Door uittreding opgenomen in de algeest, werd aan mij het ontstaan van de menselijke geest uit de algeest getoond.
Eerst bevond ik mij in een geestestoestand van donkere koelte, gekenmerkt door een diepe rust, die zich aan mij voordeed als een 'aanwezigheid'; die verbond zich liefdevol met mij en liet mij delen in de vreugde van haar rust.
Daarna ontstond er in die rust een beweging, die aan mij verscheen als een lichtende warmte, die zich ook liefdevol met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van zijn beweging.
De beweging en zijn lichtende warmte was als zelfstandigheid uit de rust en haar donkere koelte voortgekomen, en verbond zich er daarna weer mee, waarbij de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte doordrong en die liet zich, samenwerkend, doordringen.
Daarbij vond een ompoling plaats, doordat de rust nu geheel in de beweging opging en de beweging en zijn lichtende warmte nu a.h.w. de 'buitenkant' vormde. ik als de toeschouwende geest ervoer hun nieuwe eenheid als een verkoelende warmte! Tegelijkertijd verscheen nu weer de zee van licht en warmte om mij heen, die ik al vaker had meegemaakt: de algeest.

Tijdens de vereniging van de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte, ontstond er a.h.w. tussen hen in eerst een bolvormige wolk van geestelijk licht, waarna er vanuit de algeest warmte naar toestroomde die het licht doordrong zoals in de algeest. Beide begonnen binnen die wolk zachtjes te wervelen, waardoor die bolvormige wolk tot leven kwam. De liefdevolle warmte had de lichtende gedachte die de algeest als een wolk in zichzelf had gevormd, tot leven gebracht.
Op dat ogenblik werd mij ingegeven: je hebt gezien hoe jij als menselijke geest ooit door verdichting van licht en warmte uit de algeest bent voortgekomen en een innige vreugde golfde door mij heen.

Daarna trad ik weer in mijn lichaam in en was vol van de ervaring die ik had mogen meemaken. Deze ervaring heeft mij daarna nooit meer losgelaten, en is altijd meer of minder nadrukkelijk op de achtergrond in mijn binnenwereld aanwezig. Het is de stuwende kracht achter de ontwikkeling van geestkunde.

Dezelfde geest herken ik in alle levende wezens; en zoals al die geesten door verdichting uit de eeuwige oneindigheid van de algeest zijn voortgekomen, zo zijn ook al hun levensvormen waarin zij op de aarde zijn door verdichting uit sterrenstof voortgekomen, dat in het hele heelal in sterren is gevormd.

← terug naar Hoofdonderwerp 7

33a De algeest en de geestelijke vermogens 1
Zoals beschreven mocht ik ervaren dat de geest geheel bestaat uit tegendelen, die alle gelijkwaardig zijn. De oertegendelen worden gevormd door de oereigenschappen: rust en beweging, die zich in volgorde uiten als donker en koelte, licht en warmte.
De rust uit zich in de algeest als de geestestoestand van donkere koelte, die doordringbaar is, waardoor de geest in die toestand beweegbaar en vormbaar is;
en de beweging uit zich als lichtende warmte, waardoor de geest doordringend werkzaam kan zijn en door die werkzaamheid zelfbewegend en zelfvormend is;
al deze eigenschappen vormen in de nieuwe eenheidstoestand een eenheid doordat de rust en haar donkere koelte in de beweging en zijn lichtende warmte is opgegaan; daardoor kunnen het licht en die warmte in de nieuwe eenheidstoestand zowel vormbaar als zelfvormend zijn.

Een vorm kan door een vormende kracht alleen in zichzelf worden gevormd als iets anders vormbaar is; alleen door de vormbaarheid van het vormbare, kan een vormkracht in zichzelf vormen scheppen, zoals de geest. De eerst geschapen vorm, de bolvormige wolk, kon door de vormscheppende beweging in de algeest worden gevormd, doordat de beweging en zijn lichtende warmte door de vereniging ook de eigenschappen van de rust en haar doordringbare, vormbare donkere koelte in zich op had opgenomen.
Daarna werd deze geschapen lichtvorm liefdevol tot leven gebracht door ook de warmte eenzelfde vorm te geven en met het licht in de wolk te verenigen.

Door de verdichting zijn al deze eigenschappen ook in jezelf als menselijke geest aanwezig. Met de vormbare en zelfvormende eigenschappen van het licht en de warmte hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen, denken, voelen en willen.
Als je waarneemt breng je jezelf als geest in een toestand dat je licht van buiten af doordringbaar en vormbaar is; als je denkt breng je jezelf in een toestand dat je je licht van binnenuit zelf vorm geeft tot lichtbeelden; als je voelt, dan stel je je warmte vormbaar open voor inwerking uit de buitenwereld en als je wilt, dan vorm je je geestelijke warmte zelf om tot wilskracht.

Lao tse - Tao teh tsjing 26. Rust is de meester van beweging.

Isja oepanisjad 5. Het Ene is bewegende en onbeweeglijk (beweging en rust).

Aristoteles' Onbewogen Beweger: overal is beweging, waarvoor een oorzaak moet zijn, want iets kan niet uit niets voortkomen; die oorzaak heeft de eerste aanzet tot de beweging gegeven en moet daarom zelf zonder beweging zijn: onbewogen, in rust.

Thomasevangelie 50. Als de mensen vragen: Waar komt gij vandaan? zeg dan: Wij zijn uit het licht gekomen, daar, waar het licht uit zichzelf is ontstaan.
Als de mensen vragen: Wat is het teken van uw Vader in u? zeg dan: Het is beweging en rust.

Duits spreekwoord: "In der Ruhe liegt die Kraft."

← terug naar Hoofdonderwerp 7

33b De algeest en de geestelijke vermogens 2
De algeest deed zich aan mij voor als een scheppende kracht, die wéét had van mij en zich bewúst met mij verbond. Een kracht is het vermogen arbeid te verrichten, werkzaam te zijn en zich ook weer tot rust te brengen, zich in te spannen en ook te ontspannen.
in de geest beschikt deze kracht over bewustzijn en is zo een 'bewuste kracht'. Want met het geestelijke licht hangt het vermogen samen zich van iets 'bewust te zijn' door het waar te nemen en met de warmte het vermogen krachtig te zijn door iets te willen, waardoor het wezen van de geest is dat die de bewuste levenskracht is, die kan waarnemen, denken, voelen en willen.

Door latere ervaringen met de algeest (wordt nog behandeld) werd mij duidelijk, dat de rust en haar donkere koelte de vrouwelijke, ontvankelijke zijde van de algeest is en de beweging en zijn lichtende warmte de mannelijke, indringende zijde. Het verloop van de vermogens begint met de ontvankelijkheid van het waarnemen, waardoor er gegevens de geest kunnen binnenkomen en de geest werkzaam kan worden met de overige vermogens. Zonder die vrouwelijke ontvankelijkheid, zoals het kijken en luisteren, gebeurt er in de geest niets.

Als je waarneemt, breng je jezelf in een toestand dat je licht (in jezelf als de bolvormige wolk) van buitenaf vórmbaar is tot een innerlijk ervaringsbeeld; je laat toe dat de buitenwereld in je doordringt en zich als een lichtbeeld in je afdrukt, waardoor je je van je omgeving bewust wordt, waardoor je er weet van krijgt;
als je denkt, ben je in een toestand dat je je licht van binnenuit zélf vormt tot een lichtbeeld, wat een denkbeeld is, een gedachte, waarmee je tot je toehoorders doordringt;
als je voelt, ben je in een toestand dat je warmte van buitenaf vórmbaar is tot een gevoel, dat is je gemoedstoestand, die je door je omgeving kunt laten vormen doordat je toelaat dat die in je doordringt; daardoor kun je met je medemensen meevoelen, meeleven;
en als je wilt, dan ben je in een toestand dat je je warmte van binnenuit zélf vormt tot wilskracht en zo handelend op kunt treden in de buitenwereld.

Zoals de afbeelding laat zien, kan de algeest door je vermogens heenstralen, als je ze gewetensvol en deugdzaam gebruikt.

← terug naar Hoofdonderwerp 7

34. Wat is wetenschap?
Een wetenschappelijke houding tegenover álle verschijnselen en gebeurtenissen die je kunt ervaren - óók de geestelijke - houdt in:
- dat je die zonder vooroordeel of vooringenomenheid waarneemt en als gegeven aanvaardt;
- dat je vervolgens overdenkt welke betekenis dat verschijnsel of die gebeurtenis voor je kan hebben en beproeft of zij een volgende keer tot eenzelfde gevolgtrekking leiden;
- daarna is het noodzakelijk je tot anderen te wenden om te weten hoe zij de betekenis van dergelijke verschijnselen en ervaringen opvatten, om zo je eigen gedachten te toetsen;
- dan is het tenslotte mogelijk een voorlopige veronderstelling of opvatting te vormen over de betekenis van je ervaringen.

Zo ben ik ook met mijn eigen ervaringen omgegaan, maar moest mij daarvoor tot mystici in het verleden wenden (zie het Literatuuroverzicht op de website Geestkunde). Want de mensheid bevindt zich nu op het dieptepunt van vereenzelviging met de dode stof en de geest in de mens is daardoor een onbekende geworden voor zichzelf. Een aanwijzing hiervoor is de uitspraak: "Wij zijn onze hersenen." De onbewustheid van zichzelf als geest kan niet dieper zijn. Toch was het noodzakelijk dat deze uitspraak werd gedaan. De mensheid moet eerst door het diepste dal heen om de hoogten te kunnen bereiken, die in de verte al door de zon worden verlicht.

Door de onbewuste vereenzelviging zien ook de knapste wetenschappers alleen de stoffelijke helft van de schepping, waardoor hun houding nog eenzijdig is. Ook Einstein - die ik als wetenschapper zeer hoog heb - deed vanuit deze houding zijn uitspraak. Zijn eigen geestelijke vermogens, door de verdichting rechtstreeks uit de algeest in de menselijke geest als erváárbare eigenschappen aanwezig, geven de mens de mogelijkheid de schepping te begrijpen. Die schepping is een gedachtenwereld in de algeest en wordt liefdevol in stand gehouden als leerschool, om de mens hier de gelegenheid te geven op eigen kracht zichzelf te verwerkelijken: door zijn geesteshouding om te vormen van onbewustheid naar zelfbewustzijn, van driftmatigheid naar geestdrift en van zelfzucht naar liefde, om zo aan zijn oorsprong gelijkvomig te worden.

← terug naar Hoofdonderwerp 7

35. De eenheid van het al
Zoals beschreven werd mij getoond dat door de vereniging van de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte, a.h.w. tussen hen een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte werd gevormd, waarin ik mijzelf herkende. Ik mocht zo gezegd de geboorte van mijzelf als menselijke geest door verdichting uit de algeest zien. Doordat die verdichting geleidelijk plaatsvond, ontstond er een vloeiende, naadloze overgang tussen mijzelf en de algeest.

Om de betekenis van deze ervaringen beter te kunnen beoordelen, ondernam ik zoals gezegd een religieus-wijsgerige studie. Daarbij kwam ik één schrijver tegen die een soortgelijke ervaring meemaakte, Jozef Rulof. In zijn boek 'Het ontstaan van het heelal' (Literatuuroverzicht) beschrijft hij dat er in de aanvang van de schepping een diepe, stille duisternis heerste, vol met leven. Daaruit kwam een licht naar voren, dat verflauwde en lichter weer terugkwam, door de duisternis heenbrak en de duisternis in zich oploste. Het heelal werd daardoor een gouden uitstraling waar allerlei kleuren in voorkwamen.
Het heelal verdichtte zich langzaam verder tot een onbeschrijflijke, gouden massa, waarin leven kwam. Er ontstond een spanning, waardoor in de massa ontelbare lichtbollen ontstonden, kleine en grote, die in het heelal zweefden en zich verder verdichtten, ieder met een eigen uitstraling. Zo ontstonden zonnen met planeten en menselijke geesten, die op de planeten woonden en zich ontwikkelden, op weg naar vervolmaking.

Wat ik voor mijzelf als persoon heb mogen zien, zag Jozef voor de mensheid en het heelal. Het al is uit één bron voortgekomen. Ik zag dat dat gebeurde door geleidelijke verdichting van licht en warmte, waardoor er niet een duidelijke grens is aan te wijzen tussen de menselijke geest en de algeest. De menselijke geest is daardoor 'uit en in de algeest' in een toestand van 'eenheid in verscheidenheid': er is een tweeheid, maar tegelijkertijd ook een eenheid.
Hoewel zelfstandige geesten, zijn alle menselijke geesten in wezen door de algeest met elkaar verbonden tot een mogelijke eenheid, waarnaar de mensheid door geestelijke ontwikkeling op weg is.

Doordat de stof een uitdrukking is van de geest, heeft de kwantumfysica de kwantumveldentheorie ontwikkeld, die zegt dat ieder deeltje een verdichting is van een 'aangeslagen' veld. Het deeltje blijft een eenheid vormen met het stralingsveld waaruit het is voortgekomen, wat de 'golf-deeltjedualiteit' wordt genoemd.

Volgens de jezuïet Teilhard de Chardin, priester/paleontoloog, dient de aarde als een leerschool voor de mensheid die zich ontwikkelt naar een punt van vereniging, door hem het punt Omega genoemd.

Jezus spreekt hierover in het Johannesevangelie:
10:29-30 Mijn Vader [...] is groter dan allen; [...]. Ik en de Vader, Wij zijn één.'
16:32 [...] En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
17:21 [...] Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
17:22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn.
De Vader is de algeest en in Jezus woont de heilige geest, door verdichting uit de algeest afkomstig, zoals ook de menselijke geest, die nog op weg is naar die staat van heiligheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 7

36. De ongevormde en gevormde toestand van de algeest
Eerst was mij een aantal malen getoond dat de algeest een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte is, waarin ik als geestvonk aanwezig was. Daarna dat het licht en de warmte uit hun bron, de donkere koelte waren voortgekomen en dat zij die vervolgens in zich hadden opgenomen tot een nieuwe eenheid. In deze toestand waren er geen vormen in het licht en de warmte te onderscheiden: het is de ongevormde oertoestand.
Tijdens een latere uittreding werd ik daar weer mee verbonden, maar nu in een vaag omgrensde ruimte, terwijl ik in het midden stond. Nu was de lichtende warmte in de helft van de ruimte voor mij en de donkere koelte achter mij. Rechts schuin voor mij verscheen een mannelijke gestalte die zich met mij verbond en mij liet weten mijn geestelijke vader te zijn. Daarop vroeg ik waar mijn moeder was, waarop mij werd ingegeven mij om te draaien waarop ik, links schuin achter mij mijn geestelijke moeder zag in de donkere koelte. De rust en haar donkere koelte bleek de vrouwelijke zijde van de algeest te zijn, de beweging en zijn lichtende warmte de mannelijke, maar nu in de gevormde toestand als menselijke gestalte; afbeelding van de geestelijke vermogens.
Bij een andere gelegenheid kwamen zij in diezelfde ruimte van links, schuin boven mij naar mij toe en stelden zich voor mij op, zo dat mijn moeder links en vader rechts stond. Wij keken naar beneden en ik zag dat wij op de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek stonden om onze gelijkwaardigheid te tonen.
Later kwamen zij op gelijke wijze naar mij toe, maar nu kwam mijn vader voor mij staan, op armlengte afstand naar mij toegewend voor bewegingsruimte en mijn moeder dicht achter mij, beschermend over mij heen gebogen, de armen om mij heen.
Weer later waren zij al in dezelfde ruimte toen ik er kwam, maar nu waren zij in liefde in elkaar opgegaan en vormde een éénheid, de moeder in het hart, in de mannelijke gestalte opgegaan, maar door de buitenkant heenstralend: de gedeelde toestand van de tweelinggeest was zo een verenigde toestand overgegaan, zoals eerder in de ongevormde toestand in de algeest ook was gebeurd.

De éne bron waaruit de gehele mensheid en alle levensgeesten zijn voortgekomen, bleek de geestelijke vader en moeder te zijn van de mensheid als geestelijk gezin. Het gezin op aarde is van dat geestelijke gezin een afspiegeling.

← terug naar Hoofdonderwerp 7

37. Mannelijkheid en vrouwelijkheid in de algeest
Zoals beschreven werd mij getoond dat de algeest in de ongevormde oertoestand: de beweging met zijn lichtende warmte en de rust met haar donkere koelte, een mannelijk/vrouwelijke tweelinggeest is. Daar de eigenschappen van een bron zich meedelen aan wat eruit voortkomt, kwam uit die óngevormde oertoestand, door verdichting in de gevórmde toestand, ook zo'n tweelinggeest voort, nu in een mannelijke en vrouwelijke geestgedaante. Zij lieten mij zien dat ook in deze toestand er een verenigde en gedeelde toestand mogelijk is van man en vrouw, én dat beiden gelijkwaardig zijn.

Doordat de vrouwelijke gestalte kleiner is, kwam de vrouwelijke geestgedaante weliswaar uit de mannelijke voort bij de overgang naar de gedeelde toestand, maar ook in de verenigde toestand daarvoor waren zij gelijkwaardig: zij handelden als een eenheid en zij straalde evenwichtig door hem heen. Zo toonden zij mij ook de vrouwelijkheid van de ingekeerde instelling en de mannelijkheid van de uitgekeerde.

Ook werd mij de vrouwelijkheid van het voelen getoond door de persoonlijke verbondenheid met mij en de mannelijkheid van het afstandelijke denken. Daardoor heeft in het verloop van de vermogens in de vrouwelijke geest het voelen de nadruk door de volgorde voelen denken, in de mannelijke geest het denken door de volgorde denken voelen.

Zo vullen man en vrouw elkaar aan, wat ook in de oorspronkelijke betekenis van het woord 'huwelijk' is te vinden. Het woord 'huwen' betekent: de beide echtgenoten, het woord 'laika' spel. Het huwelijk is het heilige samenspel tussen man en vrouw, dat, pas aan het einde van hun geestelijke ontwikkeling, een weergave zal zijn van hun oorsprong, de algeest; maar wat hier in de stof al tot uitdrukking komt als hun vermogen door verwekking en geboorte hun eenheid in hun kindje uit te drukken.

Daardoor vormen zij samen hun 'gezin', een woord waarvan de betekenis samenhangt met 'zenden': zij zijn de 'gezondenen' die samen op weg zijn om, door persoonlijke omgang met elkaar, hun vermogens te ontwikkelen en zo geestelijk te groeien naar volwassenheid.
Niet alleen de geestelijke vermogens, maar ook huwelijk en gezin geven eigenschappen van de algeest weer, geheel in overeenstemming met de oude wijsheid 'Zo boven, zo beneden'.

← terug naar Hoofdonderwerp 7

38. De aarde als geestelijke leerschool
De verhouding van de menselijke geest tot de algeest in de gevormde toestand, blijkt die van ouders en kind te zijn. Daar een kind een groei doormaakt naar volwassenheid, is ontwikkeling een wezenlijk kenmerk van het menszijn en voor die geestelijke groei is de aarde een leerschool.
Het woord 'school' komt van het Griekse 'skola' en dat van het Oud Egyptische: 'she oel a': de eenzame mens zoekt inzicht. Want de algeest is immers alomtegenwoordig en daardoor alleen, en om volwassen te worden zoals de ouders, moet ook de mens in die toestand kunnen verkeren en door in te dalen in het beperkende, aardse lichaam komt de mens in de toestand te leven aan zichzelf overgelaten te zijn.

Door die toestand beschikt de mens hier over de vrije keuze: zelf te kiezen wat te besluiten en hoe te handelen. Om zichzelf staande te houden in de tijd als stroom van veranderende gebeurtenissen, moet de mens zelf keuzes maken en wordt zo aangezet de vermogens te gebruiken. Daardoor groeien zij naar de volwassen, bewust beheerste toestand, in overeenstemming met die van de ouders: het doel van deze geestelijke ontwikkeling.

Door de aan zichzelf overgelaten toestand is de leraar van deze school onzichtbaar. De mens moet hier zijn eigen leermeester zijn door ondervinding op te doen met de gevolgen van eigen besluiten; daardoor leert de mens door zélf ervaringen op te doen en die te verwerken. De geest leert hier al doende. Doordat herhaling de leermeester van de student is, komen in het dagelijkse leven regelmatig leerzame gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, totdat die voldoende is geoefend in het omgaan met dat soort gebeurtenissen.

De vergankelijkheid en daardoor veranderlijkheid van stoffelijke vormen en omstandigheden, levert de oefenstof voor geestelijke groei. Daarin zijn in grote lijnen drie stappen te onderscheiden: (1) de onbeheerste begintoestand waarin de mens nog is onderworpen aan gebeurtenissen, (2) de toestand dat de mens greep begint te krijgen op de omgeving en (3) die waarin de menselijke geest toegroeit naar het uiteindelijke doel: zelfverwerkelijking en hereniging van allen met de geestelijke ouders.

← terug naar Hoofdonderwerp 8

39a. Het aardse bestaan als toneelstuk 1
Onzichtbaar voor de mens op aarde doordringt de geestelijke wereld de stoffelijke. De overgang van de geest van de eerste naar de tweede wordt hier weliswaar ontwaken genoemd, maar tegelijk slaap je geestelijk gedeeltelijk in en word je onbewust van het bestaan van jezelf als geest. Als je door lichamelijke vermoeidheid weer teruggaat, heet dat inslapen, maar dat betreft alléén het lichaam ('slapen' komt van: slap worden), de geest blijft wakker en gaat naar huis om de ervaringen te verwerken, opgedaan in het toneelstuk van het dagelijkse leven, waarin ieder zijn eigen rol speelt.

Bij geboorte en overlijden gebeurt hetzelfde. Vóór de geboorte verbind je je met het lichaam bestemd voor het komende bestaan, bij het 'overlijden' (betekent 'overgeleid worden') verlaat je het weer. Bij de geboorte moet de geest, die thuis volwassen is, zich geestelijk aan de toestand van het kindje aanpassen, moet zich inhouden en klein maken om zich met het lichaampje te verbinden; daardoor is de geest dan wel de levengevende kracht, maar verder onmachtig en begint hier als hulpbehoevende.
De bedoeling daarvan is, dat de ouders de gelegenheid krijgen samen liefdevol voor een ander, hun kindje, te zorgen. Dat brengt in beiden het voelen als geestelijk vermogen tot ontwikkeling, wat een rijkdom voor de eeuwigheid betekent. Aan het einde van de weg gebeurt het omgekeerde en kan het kind zich liefdevol voor de dan hulpbehoevende ouders inzetten, met hetzelfde gevolg.
Door huwelijk en gezin, afbeelding in de stof van het huwelijk in de algeest, krijgen menselijke geesten, door geboorte en door de innige omgang met elkaar, steeds weer de gelegenheid een volgende stap te zetten op hun pad van geestelijke groei. Huwelijk en gezin geven gelegenheid voor geestelijke ontwikkeling in de leerschool die de aarde is; zij spelen een belangrijke rol in de geestelijke groei van mens en mensheid.

Pas als de levengevende geest ten slotte het lichaam verlaat, gaat alleen het lichaam dood en sterft het ('sterven' is: stijf worden); de geest als het eeuwig levende gaat dan naar huis terug, maar kan bij het verscheiden van hier alleen meenemen, wat die in zichzélf heeft ontwikkeld.

← terug naar Hoofdonderwerp 8

39b. Het aardse bestaan als toneelstuk 2
De verhouding tussen de geestelijke en stoffelijke wereld is als twee kamers met een deur ertussen. Bij het ontwaken ga je door de deur van de eerste naar deze wereld, die met kracht door je zintuigen naar binnen stroomt. Daardoor eist die al je aandacht op en brengt je in de toestand van onbewuste vereenzelviging ermee. Door je lichaam te gebruiken, wordt het moe en moet je het met rust laten door in te slapen. Daarbij ga je ruggelings ← terug naar de eerste kamer, waardoor je het inslapen niet merkt. Overdag komt door de tijd een stroom gebeurtenissen op je af die je met je vermogens moet verwerken om daarin staande te blijven. Daarvoor moet je je geestelijke vermogens gebruiken, waardoor je ze steeds beter en bewuster leert beheersen in de vorm van geweten en deugden, wat geestelijke ontwikkeling betekent. Je vermogens hangen samen met geestelijk licht en geestelijke warmte, waardoor je die steeds meer gaat uitstralen.

Doordat je hier schijnbaar aan jezelf wordt overgelaten en daardoor over een vrije keuze beschikt, moet je aan het begin al over een zeker zelfgevoel beschikken om zelf te kunnen kiezen en zo aan je ontwikkeling te beginnen. Door diezelfde vrije keuze echter kan de menselijke geest uit twee wegen kiezen: de ene leidt naar ontwikkeling van de vermogens om daarmee het zelfgevoel te versterken, wat leidt tot zelfgerichtheid; de andere verloopt in gemeenschap met anderen, wat leidt tot het geweten en de deugden, tot liefde en tot: heb je naaste lief alsof het jezelf betrof, door het besef dat allen uit dezelfde bron zijn voortgekomen.

Daar je gehele geestelijke ontwikkeling niet in één leven kan worden volbracht, zijn er wedergeboortes nodig in meerdere levens, wat al gedurende onheuglijke tijden plaatsvindt. Door de genoemde vrije keuze zijn daarbij in grote lijnen drie groepen gevormd: de zelfgerichten, die daardoor geen licht en warmte uitstralen, de gewetensvollen die licht en warmte uitstralen en zij daar tussenin. Op aarde leven zij door elkaar heen, in de geestelijke wereld in donkere, in schemerige en in lichte gebieden. Door uittreding is het bestaan van deze werelden aan mij getoond.

← terug naar Hoofdonderwerp 8

40. De gulden regel
De kerngedachte van genoemd toneelstuk is de overwinning van de aanvankelijke zelfgerichtheid en zich te leren gedragen naar de 'gulden regel', de hoofdwet voor zedelijk gedrag:
'Behandel je medemensen, zoals je het zelf zou wensen.'

Om je zo vanuit je hart tegenover je medemensen te kunnen gedragen, is, al lijkt het tegenstrijdig, zelfkennis noodzakelijk, want voor wat je níet kent, kun je geen liefde voelen! Geestelijke zelfkennis is een onvermijdelijk vereiste om je naaste wézenlijk te kunnen kennen en liefhebben; alleen door zelfkennis kun je tot het besef komen, in iedere mens een wezen als jezelf te ontmoeten ... en daarna uiteindelijk ook een wezen als de algeest, de éne bron van állen. Geestelijke zelfkennis is daardoor de zekerste weg die leidt tot het in vrijheid uit jezelf toepassen van de gulden regel.

De gulden regel is in alle culturen verwoord:
Zarathoestra: Alleen die mens heeft een goed karakter, die anderen niet aandoet wat niet goed is voor hemzelf.
Amerikaanse indianen: Grote Geest, geef dat ik mijn buurman niet beoordeel voor ik een mijl in zijn mocassins heb gelopen.
De joodse leer: U moet uw broeder niet haten in uw hart; ... maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf.
Boeddhisme: Op vijf manieren zou iemand zijn vrienden en bekenden van dienst moeten zijn - met edelmoedigheid, hoffelijkheid, welwillendheid, door hen te behandelen zoals hij zichzelf behandelt en door zijn woord gestand te doen.
Confucius: Doe niet aan anderen, wat u voor uzelf niet wenst.
Griekse filosofie: Doe niet aan anderen, wat uzelf niet wenst te ondergaan (Isokrates).
Behandel uw vrienden, zoals u door hen behandeld wilt worden (Aristoteles).
Hindoeïsme: Men moet zich tegenover anderen niet gedragen op een manier die ons zelf onaangenaam zou zijn. Dit is het wezen van de wet (dharma). Al het overige komt voort uit zelfzucht.
Christendom: Alles nu wat u wilt dat u de mensen doen, doet u hen ook zo, want dit is de wet en de profeten.
Islam: Niemand van u is een gelovige voordat hij zijn broeder toewenst, wat hij voor zichzelf wenst.

Deze regel leidt tot liefdevolle wederkerigheid, voorwaarde voor een persoonlijke band met de ander.

De betekenis van de gulden regel komt ook tot uiting in het gezegde: 'Vrijheid van handelen eindigt daar, waar de vrijheid van een ander begint.' Door zelfgericht, overheersend gedrag overschrijd je die grens. Je verstoort het hoogste goed van een mens, zijn persoonlijke vrijheid van handelen. Alleen door wederzijds die grens te eerbiedigen door zelfbeheersing, ontstaat onderlinge vrede.

← terug naar Hoofdonderwerp 8

41. Begeleiding op de weg
Zoals bij de gulden regel is te lezen, zei Jezus dat de gehele joodse leer daarin is vervat. Niet alleen van het jodendom, maar van alle grote godsdiensten is het de kern van de leer. Deze geestelijke kennis is door de eeuwen heen door wijzen bij ieder volk achtergelaten met als doel, de mensheid voort te helpen op de weg die naar vervolmaking leidt. Daarvoor kwamen zij vanuit hun wereld naar deze toe, uit een wereldomvattende, nooit rustende werkgroep, die door de algeest wordt geleid.

In de mensheid leven alle algeestvonken, die door verdichting uit de algeest zijn voortgekomen. Zij zijn hier schijnbaar aan zichzelf overgelaten om over de vrije keuze te kunnen beschikken, om zelf te kunnen besluiten op weg te gaan en zichzelf te verwerkelijken, en zo het doel van de schepping te vervullen. Maar door die aan zichzelf overgelaten toestand en door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, hebben zij begeleiding nodig om zich al dan niet op die geestelijke weg te begeven.

Die begeleiders zijn broeders en zusters die het pad al hebben afgelegd en zich willen inzetten om hen, die nog onderweg zijn, te begeleiden. Maar ook zij worden daarbij begeleid, door anderen en uiteindelijk door onze liefdevolle ouders, onze geestelijke vader en moeder, de gevormde toestand van de algeest. Het beeld van de moeder, die zich liefdevol over de wieg van haar kindje buigt, is het beeld hoe ook onze geestelijke vader en moeder zich voor hun kinderen, de mensheid, willen inzetten... als die zich uit vrije keuze en vol vertrouwen tot hen wenden. Om deze keuze voor die geestelijke weg, de levensweg, mogelijk te maken, hebben wijzen hun kennis naar de aarde gebracht. Een aanwijzing voor het bestaan van deze begeleiding is het feit, dat bij ieder volk op aarde deze geestelijke wijsheid aanwezig is.
Daardoor is het slechts schijnbaar zo, dat wij hier aan onszelf worden overgelaten en de schepper van het al onzichtbaar is; maar het is aan de mens zich vol vertrouwen tot zijn begeleiders te wenden, want zonder diens vraag om hulp kunnen zij niets doen, daar de vrije keuze moet worden geëerbiedigd. Ook de levensbestemming waarmee de mens naar de aarde is gekomen, het karma, is een beperking van hun mogelijkheid de mens te begeleiden.
Door uittreding is het mij vergund geweest mijn begeleiders te mogen ontmoeten.

← terug naar Hoofdonderwerp 8

42. De vrije keuze ('vrije wil')
Een keuze is een oordeel dat je vormt, door de mogelijkheden van handelen te overdenken en doorvoelen, en de gevolgen ervan te overzien; een keuze maak je na redelijke en zedelijke afwegingen van voor- en nadelen, en dan te besluiten hoe te handelen: het wilsbesluit. In de leerschool die het tijdelijke bestaan voor je is, komen door de tijd als stroom van gebeurtenissen ervaringen op je af, die je steeds voor keuzes plaatsen en je aanzetten je vermogens te gebruiken om in die stroom staande te blijven. Zo leer je al doende je vermogens bewust en beheerst te gebruiken: dat betekent geestelijke ontwikkeling, het doel van dit bestaan.

In deze vrije school is eigen ondervinding de leermeester, waarvoor je hier schijnbaar aan jezelf wordt overgelaten en zonder zichtbare leraar; daardoor hangt de richting van je ontwikkeling af van jouw eigen keuze. Die persoonlijke zelfstandigheid is een onvermijdelijk vereiste, want alleen wat je op eigen kracht hebt gedaan, brengt je vermogens tot ontwikkeling en worden zij jouw éigendom: dat, wat jouw onvervreemdbare eigenschap is, een aanleg, die door eigen inspanning tot ontwikkeling is gebracht door die bewust en beheerst te leren gebruiken.
Wat je hebt verkregen met de hulp van anderen, of door dwang of plicht, is geen eigendom, maar bezit, wat los van je staat, zoals een stoel die je 'bezit'. Maar wat los is, kun je verliezen en zal bij overlijden zeker verloren gaan. Alleen wat jouw eigendom is geworden, is een rijkdom voor de eeuwigheid.

De wilskracht is de levenskracht die het mogelijk maakt je vermogens te gebruiken als innerlijke wilshandeling: je wilt waarnemen, denken en voelen, en vervolgens de zo gevormde gedachten en gevoelens uiten in uitspraken en gedrag als een uiterlijke wilshandeling; daardoor is de wil onwrikbaar ingebed in een hechte samenhang met de overige vermogens. De wil kan daardoor niet 'vrij' zijn, niet los staan van de vermogens, want zou zonder de sturing van de overige vermogens een volkomen ordeloos werkende kracht worden. Dat alleen de wilsuiting wordt gezien en benoemd, als de 'vrije wil', is een gevolg van de onbewuste vereenzelviging met het uiterlijke, waardoor de innerlijke bron niet wordt gezien.

Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is de geest onbewust van zichzelf als de werkzame zelfstandigheid en kan daardoor over de vermogens spreken alsof zij zelfstandigheden zouden zijn, die los van elkaar werkzaam zijn. In die toestand wordt gezegd: 'de wil doet dit of dat' in plaats van te zeggen dat het de géést is die het wil doen.
Door onbewustheid van zichzelf en van de eigen werkzaamheid draagt de geest alle aandacht en toewijding over op de vóórtbrengselen van die werkzaamheid: bij het willen op de wilsbesluiten en -handelingen. Daardoor wordt de aan het wilsbesluit voorafgaande werkzaamheid van de vermogens, de brón van keuze, besluit en handeling, niet gezien.
Daardoor wordt er niet van vrije keuze, maar van 'vrije wil' gesproken.

← terug naar Hoofdonderwerp 8

43. Het gaat om de liefde
Voelen is het vermogen het lichtbeeld van een waargenomen gebeurtenis of gesprek, door een open gevoelshouding ook toe te laten tot je geestelijke warmte, je gemoedstoestand, die daardoor in overeenstemming komt met de gevoelsmatige betekenis van je waarneming. Door te voelen laat je bewust toe, dat je in eenzelfde gemoedstoestand komt als de ander die je spreekt. Daardoor ga je met hem of haar meevoelen, meeleven en ontstaat door deelneming met de ervaringen van de ander de aandrang die persoon bij te willen staan. Afhankelijk van je ontwikkelingstoestand ontstaat door medeleven de aandrang je onbaatzuchtig in te willen zetten voor het geluk van de ander. De grootste vreugde voor het gevoel is de ander gelukkig te zien.

Zoals gezegd doet de geest zich aan het geestesoog voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte: de bewuste levenskracht. Zoals een verhit voorwerp eerst warm wordt en dan licht gaat uitstralen, is het ook met de geest. De warmte als kracht is het leven zelf en het licht als bewustzijn is het gevolg van de levendigheid ervan.
De levenskracht, als warmte ervaarbaar, is de meest wezenlijke eigenschap van de geest en daarmee het voelen en willen als vermogens. De vier vermogens zijn gelijkwaardig en alle voor het innerlijke evenwicht onmisbaar, maar voelen en willen liggen dichter bij de kern dan denken en waarnemen. Een gemoedstoestand als vreugde, dat bén je, kennis of een gedachte, lichtbeelden, héb je.

Voelen is zich vormbaar openstellen voor een ánder, waardoor een gevoelsband ontstaat tussen twee géésten. Door te voelen komt de menselijke geest in een toestand, die met de algeest voortdurend bestaat. Door de verdichting zijn alle geesten onwrikbaar met de algeest door liefde verbonden - ook al wordt dit door de onbewuste vereenzelviging niet beseft.
Het voelen is het vermogen zich met het wezen van de ander te verbinden en is daardoor het meest 'wezenlijke' vermogen. Liefde is de gemoedstoestand die bij deze werkzaamheid van het voelen, het streven naar verbondenheid met een ander, hoort. De liefde is daardoor de meest verheven gemoedstoestand, het is het leven zelf van de mens.

← terug naar Hoofdonderwerp 8

44. Ingeving en voorgevoel
Ooit vormde de algeest in zichzelf een lichtende gedachte van zichzelf, een zelfbeeld, dat met verwarmende liefde tot leven werd gebracht. Aan dat zelfbeeld gaf de algeest een aanleg mee om zichzelf tot zelfstandig levend wezen te ontwikkelen, zoals de scheppende bron, de algeest zelf.
Die algeestvonk, de menselijke geest, wordt daarbij door de algeest, in de verdichte toestand, begeleid. Déze algeestvonk komt rechtstreeks uit de algeest voort en is daardoor de reeds volmaakte algeestvonk. In de gevormde toestand doet die zich voor als vader en moeder van de mensheid, in menselijke gestalten. Samen vormen zij een volmaakte tweelinggeest, die hun kinderen ondersteunen en begeleiden op hun pad.

Zij die de weg al hebben afgelegd en besloten om de zich nog ontwikkelende mens te helpen, werden daarbij ook door de volmaakte tweelinggeest begeleid. Naar de ontwikkelingstoestand van de leden van dit geestelijke gezelschap, is er een rangorde ontstaan, tussen de volmaakte algeestvonk en iedere menselijke geest in. Iedere mens heeft zo een persoonlijke begeleider.

Zij spreken elkaar door ingeving en gebed. Een ingeving is een bewustwording die ontstaat, doordat een gedachte of gevoel van een begeleider vanuit de geestelijke wereld op buitenzintuiglijke wijze in de ziel van de mens op aarde wordt ingegeven, doordat die met zijn uitstraling de ziel van de mens doordringt. Vervolgens maakt die ingeving een indruk op de geest van de aardse mens als die daarvoor ontvankelijk is, waardoor de ingeving wordt waargenomen; maar de mens heeft de vrije keuze er al dan niet naar te luisteren.
Er bestaat een (telepathische) wisselwerking tussen de menselijke geest en zijn ziel enerzijds en de geest van de geestelijke begeleider, in de geestelijke wereld, met zijn of haar uitstraling anderzijds. Door deze wisselwerking ontstaat vanuit de geestelijke wereld de ingeving van gedachten en voorgevoelens overdag, en van betekenisvolle dromen 's nachts. Omgekeerd gebeurt hetzelfde als de mens op aarde zich tot zijn of haar geestelijke begeleider richt, bijvoorbeeld door een vraag om hulp of een gebed. Dit is mijn persoonlijke ervaring hiermee.

Als de geestelijke begeleider de mens op aarde iets wil meedelen, gebeurt het volgende. De begeleider breidt zijn of haar uitstraling uit naar de ziel van de mens op aarde door zich op hem of haar af te stemmen en doordringt de ziel, zodat beiden zich in elkaars sfeer bevinden. Vervolgens denkt de begeleidende geest (1) een denkbeeld en drukt dat af in zijn ziel (2). Daar beide zielen met elkaar zijn verstrengeld, wordt dat denkbeeld tegelijkertijd ook in de ziel van de aardse mens (2) gevormd. De geest van deze mens neemt dit beeld (al dan niet duidelijk bewust van dit gebeuren) in zijn ziel waar, waardoor de gedachte ook in de geest van de aardse mens (3) wordt gevormd; die ervaart dit gebeuren als een ingeving, een inval of een voorgevoel, of als het ontvangen van een betekenisvolle droom.

← terug naar Hoofdonderwerp 9

45. Vijf soorten dromen
Als je lichaam moe wordt, moet je het met rust laten door uit te treden. Dáárdoor wordt het 'slap' en rust door 'slapen' uit. Bij het inslapen kom je eerst in je binnenwereld, je ziel, waar je helderziende bent; dromen is: buitenzintuiglijk, helderziend waarnemen. Eerst zie je de inhouden van je bewustzijnsruimte, dan geheugeninhouden, daarna kun je vanuit jezelf de geestelijke wereld waarnemen en ten slotte uittreden en die ervaren. Door de levensdraad blijf je met je hersenen verbonden, waardoor ervaringen op de hersenschors kunnen worden afgedrukt en de hersenen tijdens dromen werkzaam zijn: wat de 'droom-' of 'paradoxale slaap' (met rapid eye movements), wordt genoemd.

Het woord 'droom' betekent oorspronkelijk 'vreugde', door de verbinding met je begeleiders. Naar de mate van uittreding zijn in grote lijnen vijf soorten dromen te onderscheiden.
1. Tijdens dagdromen zie je in je ziel beelden van je eigen verbeelding, doordat je je denken onbeheerst laat werken.
2. Neem je 's náchts de inhouden van je binnenwereld waar, dan zijn de daar optredende droombeelden 'dagresten', ervaringen van overdag die je verwerkt door herbeleving.
3. Het ontoegankelijke geheugen heeft als inhoud vergeten, verdrongen, of onverwerkte ervaringen uit vorige levens. Deze dromen kunnen verward zijn door beelden die onaangename gemoedstoestanden weergeven.

4. Ben je met de geestelijke wereld verbonden, dan kunnen geestelijke begeleiders je betekenisvolle droombeelden ingeven, die een boodschap bevatten voor je verblijf in de stoffelijke wereld. Deze dromen vormen een samenhangend verhaal en maken een zodanige indruk, dat je de volgende dag de aandrang voelt de droom aan anderen te vertellen. Deze dromen vragen om een uitleg en dat is ook de bedoeling, want al zoekend naar de betekenis ervan kun je je van bepaalde zaken die je geestelijke ontwikkeling betreffen, bewust worden.

5. Ten slotte een groep van dromen die door uittreding ervaringen in de geestelijke wereld zijn. Zij hebben een grote werkelijkheidsbeleving door de zekerheid iets te hebben meegemaakt of anderen daadwerkelijk te hebben ontmoet.
Vóór het inslapen begint je helderziendheid die vlak na het ontwaken eindigt; ook dan kunnen begeleiders boodschappen doorgegeven, die je dan bewust als ingeving ontvangt.

← terug naar Hoofdonderwerp 9

46. De 'boom' als droombeeld
De boom is niet alleen een levend wezen, maar als droombeeld ook de weergave van een kósmisch wezen, voor de dromer een bemoedigende verwijzing naar het allerhoogste.

De boom verenigt in zich de vier elementen: het vuur van de zon met zijn licht voor de bladeren, dat de boom doet groeien en leven; de dampkring met de lucht waarin de boom met zijn bladeren ademt; de aarde waarin hij wortelt en houvast heeft, en het water dat hem voedt.

De boom toont met zijn bladeren de vier jaargetijden, de levenstijdperken van al wat leeft: in de lente geboorte en jeugd; in de zomer de volwassenheid; in de herfst ouderdom en afvallen; in de winter het onzichtbaar zijn door verblijf in de geestelijke wereld, om daarna te worden herboren.
Door jaar in jaar uit bladeren te krijgen en weer te laten vallen, toont de boom de kringloop van het leven die door de tijdelijke en eeuwige wereld draait.

Een boom met zijn stam en kruin is een toonbeeld van de éne stam met zijn verdeelde kruin, waarvan de vele vertakkingen in het klein toch gelijkvormig zijn aan de stam met hoofdtakken; zo vormen zij een eenheid in verscheidenheid: een beeld van de wijze waarop de éne algeest zich uitdrukt in de oneindige verscheidenheid van geschapen geesten, die alle de eigenschappen van de algeest in aanleg in zich hebben.

De wortels die in de aarde dringen om naar voedsel te zoeken, verbeelden het lichaam; de kruin die zich naar het licht van de zon richt, is de geest en de stam waarin het sap uit de wortels opstijgt en uit de bladeren neerdaalt, en zo kruin en wortels met elkaar verbindt, verbeeldt de ziel als verbinding tussen beide.

De boom die uit een zaadje opgroeit tot kiemplantje en daarna tot een volwassen reuzenplant, is een toonbeeld van de ontwikkeling, die ieder levend wezen meemaakt. Door zijn groei vanuit de donkere aarde naar het licht van de zon, verzinnebeeldt de boom de ontwikkeling van de menselijke geest en de hereniging met de algeest.

De boom als levensboom komt daardoor in alle godsdiensten op aarde voor, want wat de boom van zichzelf laat zien, is een zinnebeeld van het eeuwige leven... als droombeeld een bemoediging voor de dromer.

← terug naar Hoofdonderwerp 9

47. Voorbeeld: de Levensboom van de Kabbalah
Kabbalah is joodse mystiek.
Het En Sof, 1 Kether: de kroon, is de eeuwige oneindigheid, overeenkomend met de algeest; met daarin het 'oerpunt' of 'verborgen zaad', dat kan ontkiemen en zich ontwikkelen.
Kether is de verborgenheid van de godheid, de algeest, de Wortel, die door werkzaam te worden ervaarbaar naar buiten treedt in zijn schepping.

De oerpunten vormen de mensheid, 10 Malchoeth, het koninkrijk, de Kruin, waarvan de ontwikkeling wordt aangezet door Jahweh: ik ben, ik was en zal zijn, ook: ik doe zijn, de mannelijke zijde van de algeest; en wordt geleid door Sjechinah: zij die bij ons woont, de vrouwelijke zijde.

Kether en Malchoeth zijn verbonden door de eigenschappen van de algeest tussen hen in, die in de vorm van een boom zijn voorgesteld. De stam is de middelste verbinding met 6 Thefireth: schoonheid, het waarnemen en 9 Jesod: scheppingskracht als de grondslag, het willen: samen de geest als bewuste kracht. Thefireth is ook de Rachamim: de barmhartigheid en is als schoonheid de eenheid van alles ('kosmos': schoonheid, orde, eenheid).

Uit hen steken drie takken uit die twee groepen vormen. De groep van Jahweh is de mannelijke, uitgekeerde zijde, de groep van Sjechinah de vrouwelijke, ingekeerde.
De algeest als de bewuste kracht denkt en voelt. Het denken is 2 Chochmah: de wijsheid, de scheppingsgedachte en 3 Binah: het verstandelijke, ontledende denken en begrip.
Het voelen is 4 Chesed: de liefde van de algeest, ook Gedoelah: grootmoedigheid en 5 Gevoerah: is de rechtvaardige strengheid.
Het willen is 7 Netsach: bestendigheid en vastberadenheid, en 8 Hod is: de macht en luister van de algeest, de albeheerser.

Als Jahweh werkt de algeest naar beneden naar de mensheid toe, waarbij de eigenschappen als zelfstandigheden werkzaam zijn, als 'malak Jahweh', krachten en boodschappers van de algeest. Zij bevorderen de ontwikkeling van de oerzaden, de mensheid in de schepping, die daarvoor de school is. Bij de mensheid is de vrouwelijke zijde van de algeest, Sjechinah, die de mens langs de kringloop van de vrouwelijke, ingekeerde zijde weer omhoog leidt, ← terug naar de algeest voor hereniging.

← terug naar Hoofdonderwerp 9

48a. De kringloop van het leven 1
Zonder eigen ervaringen is het niet mogelijk zekerheid te krijgen over het bestaan van een geestelijke wereld. Niet alleen hebben begeleiders mij meermalen laten uittreden, maar ook werd mij de kringloop van het leven door de stoffelijke en geestelijke wereld getoond.
Ik zag een trap die uit de geestelijke wereld naar de stoffelijke leidde, waarover geesten naar beneden kwamen. Onderaan was een baarmoeder met de opening naar boven, waardoor zij naar binnen gingen. Daarna kantelde die, waarna zij in lichamen op aarde werden geboren.
Zij maakten hun gang over de aarde om levenservaringen op te doen, nodig om volgende stappen te zetten op hun levensweg, het pad van geestelijke groei. Door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, noodzakelijk voor de vrije keuze, wordt hier niet de geestelijke waarde gezien, die iedere gebeurtenis heeft, maar dat wordt duidelijk als na thuiskomst de opgedane ervaringen worden verwerkt, samen met de begeleiders.

Na hun weg over de aarde zag ik hoe mensen moeizaam een trap opgingen. Boven aangekomen was er een opening tussen de trap en de andere wereld. Begeleiders hielpen hen de overstap te maken, waardoor zij behouden in hun eigen wereld aankwamen. Daar gingen zij op weg om de gebeurtenissen van het afgelopen bestaan te verwerken. Mij werd getoond dat de mens thuis zelf moet ervaren, wat anderen op aarde is aangedaan. Op aarde kunnen zaken worden verdrongen, in de geestelijke wereld niet. Daar gaat het geweten spreken, wat door wroeging en schaamte een voortdurende pijn betekent, waardoor het vaste besluit wordt genomen in een volgend bestaan het aan de ander weer goed te maken. Zo komen ook daar het geweten en de deugden tot ontwikkeling.
Door de verwerking wordt duidelijk of er volgende stappen nodig zijn op de geestelijke ontwikkelingsweg. De aarde is daarvoor zeer leerzaam, daar men thuis altijd bij gelijkgezinden is, maar op aarde heel verschillende mensen ontmoet, wat leerzamer is dan het verblijf in het eigen gezelschap. Het meest wordt geleerd van het oplossen van moeilijkheden ontstaan door zelfgericht gedrag van zichzelf en anderen, met blijvend geluk als gevolg.

← terug naar Hoofdonderwerp 9

48b. De kringloop van het leven 2
In de kringloop van het leven die mij werd getoond, zag ik twee zich herhalende overgangen: wedergeboorte en overgeleid worden (overlijden). De gang over de aarde wordt door voortdurend veranderende gebeurtenissen en omstandigheden gekenmerkt, en ook het lichaam hoort daartoe. Afhankelijk van de noodzakelijke ervaringen, vinden wedergeboortes plaats bij verschillende volkeren op aarde. Als je nu minachting voelt voor een bepaald volk (discriminatie), zou dat kunnen betekenen dat je dat voelt voor een gemeenschap, waar je in een eerder bestaan deel van hebt uitgemaakt.

Ook het geslacht van het lichaam waarin je wordt wedergeboren, kan verschillend zijn; je kunt als mannelijke geest besluiten een leven mee te maken in een vrouwelijk lichaam en omgekeerd; dit om het andere geslacht, dat ook dat van je tweelinggeest is, je wederhelft, goed te leren kennen.
- Aanvaard je hier aangekomen het andere geslacht van je lichaam, dan kun je een leven meemaken als mannelijke vrouw of vrouwelijke man, in overeenstemming met de mogelijkheden en beperkingen van dat geslacht.
- Heb je er echter moeite mee, dan heeft je eigen geslacht een sterke invloed op je persoonlijkheid en ontstaat de mannelijke en vrouwelijke homofilie (hetzelfde liefhebben): de vrouwelijke geest in het mannenlichaam zoekt een man, maar dat verlangen wordt alleen beantwoord door eenzelfde vrouwelijke geest in ook een mannenlichaam, en omgekeerd voor de mannelijke geest. Iedere mens heeft dit meerdere keren meegemaakt en minachting voelen voor deze mensen betekent minachting voor wat je zelf ooit was. Homofilie zal er altijd zijn, komt ook in het dierenrijk voor en is een belangrijk leermiddel voor je geestelijke ontwikkeling.
- Kun je het andere geslacht van je lichaam niet (meer) aanvaarden, dan ontstaat de geslachtsonvrede (gender dysforie). Het gevoel in het verkeerde lichaam te zitten, kan zo sterk worden, dat je besluit het volgens je eigen geslacht te kleden (travestie) of het door hormonen en operaties aan te passen.
Dit alles laat zien dat de geest zelfstandig in het lichaam woont en een eigen geslacht heeft, dat anders kan zijn dan het lichaam van de wedergeboorte.

Ik gebruik homofilie omdat dit verschijnsel met de geest heeft te maken. Als het om twee personen van hezelfde geslacht gaat, kan er namelijk van sexualiteit als geslachtsverkeer onmogelijk sprake zijn.
Het woord lesbisch gebruik ik niet omdat dit een overblijfsel is uit het Victoriaanse tijdperk, toen de vrouwlijke homofilie niet mocht worden benoemd (ook toen kwam deze vorm van zelfbedrog al voor). Op het eiland Lesbos woonde in de Oudheid de dichteres Sappho, waarvan men meende dat zij over vrouwelijke homofilie dichtte.

← terug naar Hoofdonderwerp 9

49a. Woordbetekenis en woordklank
Zoals beschreven is de menselijke geest een bolvormige krachtruimte, die in zichzelf met zijn vermogens werkzaam kan zijn; daarbij straalt de kracht als geestelijke warmte niet alleen geestelijk licht uit, maar vormt door een zekere spanning in zichzelf ook een toon, een klank. In het licht kunnen door waarneming en denken lichtbeelden worden gevormd, die middels die geestelijke klankvorming met woorden worden verbonden als de mens een taal heeft geleerd; zo niet, dan klinken er alleen betekenisloze geluiden.

Door een taal te leren, wat in de baarmoeder begint, krijgt ieder ervarings- en denkbeeld ook een daarmee verbonden klank van een woord uit de woordenschat van die taal. Daardoor kan het aanvankelijke beelddenken in de geest van het kind, overgaan in een woorddenken. Dit woorddenken wordt door het geestesoor in het innerlijk gehoord als een 'geluidloze' geestelijke stem, die het hele leven lang zuiver klinkt en een rechtstreekse aanwijzing is voor het bestaan van zichzelf als menselijke geest.
De gemoedstoestand geeft aan die stem een gevoelsklank die in stembuigingen en de toon van de stem hoorbaar wordt als gedachten en gevoelens middels de stembanden en mond worden uitgesproken in de ruimte van deze wereld. In de woordkeus komt de betekenis van gedachten en gevoelens tot uiting.
Door te denken vormt de geest in zichzelf een samenhangende reeks van lichtbeelden, die door omvorming uit elkaar voortkomen en die samen een zin vormen, als de geest die beelden in zichzelf verwoordt.

Het denken en voelen is in zichzelf ervaarbaar als een innerlijk tweegesprek dat de geest als het ware met zichzelf voert door zich eerst in de denkende, dan in de voelende toestand te brengen of door zich begripsmatig eerst in het ene, vervolgens in het andere standpunt te verplaatsen.
Door het uitspreken van gedachten en gevoelens, wordt in de toehoorder door de woordbetekenis onmiddellijk dezelfde gedachte en hetzelfde gevoel gevormd, als die aandachtig naar de ander luistert.

Doordat de menselijke geest de vermogens door verdichting uit de algeest heeft ontvangen, heeft het verschijnsel taal een verheven, geestelijke betekenis.

In verband hiermee heeft het Griekse woord 'logos' belangrijke betekenissen, o.a.: 1. denken, rede, verstand, overwegen, berekenen, menen, oordelen; 2. gedachte, inzicht, woord; 3. besluiten, uiting, spreken, gesprek. Samengevat betekent 'logos': denken, gedachte, besluit, woord, gesprek. Daarmee geeft het begrip 'logos' de menselijke, geestelijke werkzaamheid van het denken en willen, en van de in- en uitgekeerde instelling weer.
Naast de menselijke heeft het woord 'logos' ook altijd een kosmische betekenis gehad. Het was en is een kernbegrip in het wijsgerig-godsdienstige denken om er de algeest mee aan te duiden; het toekennen van alleen de betekenis 'woord' aan 'logos' is een betekenisontkrachtende vereenvoudiging.

← terug naar Hoofdonderwerp 10

49b. Woordbetekenis en woordklank
Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan (zie 25ab) zijn aandacht en toewijding uit de geest op de wereld overgedragen. Daardoor heeft die hier geen besef van het eigen bestaan en is het innerlijk schijnbaar een leegte. Daardoor is het begrip, de betekenis waar het woord naar verwijst, vaag; het woord dat gewoontegetrouw wordt gebruikt, is bekend, maar de woordbetékenis onduidelijk.

Zo wordt bijv. gemeend: 'alles is energie!'; geen woord wordt zo vaak gebruikt, maar als wordt gevraagd wat het is, blijkt dat de betekenis ervan onbekend is. Het is een Grieks woord: 'en-ergeia' en betekent: 'in werking'; maar dat wijst op een zelfstándigheid, die in een tóestand van werkzaamheid verkeert en dat kan alleen als die over het vermógen beschikt 'in werking te zijn': en ergeia.
Dat vermogen is een 'kracht', want kracht is het vermogen arbeid te verrichten, 'in werking te zetten'. Een krachtige persoon beschikt over het vermogen te arbeiden, zichzelf in werking te zetten. Die persoonlijke kracht berust bij de geest, want de stam van het woord 'geest' is 'ghei-', dat 'aanzetten tot werkzaamheid' betekent. De gééstkracht is de levenskracht, die de mens tot leven brengt: in werking zet.
Een kracht kan echter niet alleen tot arbeid aanzetten, maar ook tot rust brengen, door naar de rustende begintoestand terug te keren! Daardoor ontstaat er het noodzakelijke evenwicht tussen beweging en rust.

Dat in de huidige tijd het woord kracht is verlaten en er alleen over 'energie': in beweging wordt gesproken, is kenmerkend voor de rusteloosheid, de bewegingswoede en het lawaai van deze tijd. Datgene, wat energie in evenwicht zou moeten houden, het Griekse 'en-eirene': in rust, in vrede, is onbekend.
Het heeft betekenis dat van dit woord een vrouwennaam is afgeleid: Irene. De gehaastheid en onrust ontstaan door de uitgekeerde instelling, door zich alleen naar de verbrokkelde buitenwereld te keren; de rust komt door de ingekeerde instelling, waardoor men de rustende bron van het leven vindt: zichzelf als de eeuwige geest.

Dat ook het woord 'kracht' al wordt vervangen door 'energie' is te lezen op Wikipedia, waar de zin is te vinden: energie is het vermogen te arbeiden, i.p.v. kracht is het vermogen te arbeiden. Ook daar wordt op eenzijdige wijze de nadruk gelegd op het in beweging zijn en is de eigenschap 'rust' die bij 'kracht' hoort, verdwenen.
De Chinese wijsgeer Lao tse schreef in zijn boek Tao teh tsjing: "Rust is de meester van beweging" en in het Duits bestaat een spreekwoord: "In der Ruhe liegt die Kraft": in de rust ligt de kracht.

← terug naar Hoofdonderwerp 10

49c Een oorzaak van taalverandering
Zoals beschreven, vindt er door onbewuste vereenzelviging een overdracht plaats van aandacht en toewijding op de omgeving, van eigenschappen van jezelf, van de werkzaamheid van je vermogens. Aangezien 'werkelijk is, wat werkt', zijn je geestelijke vermogens door hun werkzaamheid in feite dé innerlijke 'werkelijkheid', maar door de vereenzelviging met de buitenwereld bevindt je werkelijkheidzin zich niet meer in jezelf, maar in de buitenwereld en is dát voor jou de werkelijkheid.
Daardoor is de woordbetekenis, het begrip waar een woord naar verwijst, een vage gedachte en is de woordklánk pas werkelijkheid. De klank van het woord wordt daardoor belangrijker gevonden dan de betekenis, waardoor leenwoorden uit een andere taal en wetenschappelijk aandoende woorden, meer indruk maken dan de alledaags klinkende woorden uit je eigen taal.

Zo is het woord aandacht een wezenlijke eigenschap van het waarnemen; daarmee richt jij je op belangwekkende zaken in de buitenwereld. Dat woord is vervangen door het Latijnse 'focus', met de betekenis 'stookplaats, open haard'. Een open haard is een voorwerp dat weliswaar de aandacht trekt, maar zo wordt het woord dat op een gééstelijke werkzaamheid slaat, vervangen door een woord dat het vóórwerp aanduidt waar jij je aandacht op richt. Dit is een schoolvoorbeeld van overdracht: wat in de géést gebeurt, wordt vervangen door een vóórwerp in de búitenwereld.
Gevoelens als gemoedstoestanden geven eigenschappen van het voelen weer, waarmee je je openstelt voor je medemens. Die woorden zijn vervangen door het Latijnse emotio, emotie, van het werkwoord e-movere: eruit bewegen. Daardoor worden woorden die gemoedstoestanden aanduiden, niet meer gebruikt en vervangen door één woord dat aangeeft, dat iets naar buiten wordt geuit; maar dat gebeurt met alles wat je uitdrukt. Ook het denkvermogen in de vorm van het verstand en de rede, is vervangen door 'intelligentie', van Latijn inter-ligere: ertussen lezen; waardoor er nu tientallen omschrijvingen van dit leenwoord zijn.

Latijnse woorden klinken wetenschappelijk en maken indruk op het gehoor, maar men spreekt wartaal zonder het te beseffen.

Het nuttige woord 'goed' is vervangen door OK, wat een afkorting is voor Oud Kinderhoek, een plaatsje boven New York, waar Nederlanders in het verleden heerlijke appels kweekten, die werden verhandeld in kistjes met de afkorting OK. Nu wordt, door napraten van computerprogramma's, op werkelijk iedere mededeling met OK geantwoord, ook wanneer het om een overlijden gaat, maar dan met een meewarig "OKeeeee, OKeeeee," i.p.v. dat een gevóel onder woorden wordt gebracht: "Mijn medeleven met het overlijden van je vader!"
Zo betekenen leenwoorden niet alleen een verarming van de taal, maar ook van de menselijke omgang.
Andere oorzaken van taalverandering zijn onverschilligheid van de gebruikers en van het onderwijs, terwijl taal een van de wezenlijkste uitingen is van geestelijke werkzaamheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 10

50a. Chakra's, vermogens, klanken en kleuren
Zoals beschreven is de geest de levenskracht. Het woord kracht hangt samen met kramp, samentrekken. Onderdeel van die kracht is de vormbare warmte en als de geest die samentrekt, ontstaat in de geest een klank, een toon, een woord dat samenhangt met tonus: spanning. Als de geest als kracht de vormbare warmte samentrekt: de spanning verhoogt, dan ontstaat die toon.

Als de mens een taal heeft geleerd, dan wordt door de geest een reeks tonen van klinkers en medeklinkers gevormd, waardoor een woord uit die taal wordt gevormd: de innerlijke stem. Het woord als warmtetrilling wordt met geestkracht door de ziel heen op het woordvormgebied (Broca) in de hersenschors afgedrukt; daardoor komen zenuwen, longen, stembanden en de mond in werking om door de mond heen het woord ook in de ruimte van de buitenwereld te laten klinken. De klank van dat woord is een rechtstreekse weergave van wat een ogenblik daarvóór in de geest heeft 'geklonken'. Door de spanning van de warmte steeds te veranderen, worden de gevormde woorden van een zin op een andere toonhoogte gevormd, waardoor de zin wordt gezongen.
Woordvorming en het zingen ervan is een wezenlijk vermogen van de menselijke geest.

Het voortgebrachte gezang is in de ruimte van deze wereld niets dan een luchttrilling, die zelf geluidloos is. Die luchttrilling wordt pas weer geluid, als die eerst door een luisterend oor is opgenomen. Het trommelvlies raakt in trilling, wat door botjes naar het slakkehuis wordt overgebracht. De gang daarvan, gevuld met vocht en veel haartjes, vernauwt zich. Op de plaats in de gang die met een toonhoogte overeenkomt, gaan de haartjes meetrillen.
De bewegingen van de haartjes vormen zenuwprikkels, die door de gehoorszenuw naar het gehoorsgebied in de hersenschors worden gebracht. Daar vormen de schorscellen een magneetveld, dat zich ook in de ziel uitstrekt. De ziel als uitstraling van de geest gaat meetrillen, wat de aandacht van de geest trekt. Die stelt zich door waar te nemen open en laat de eigen warmte meetrillen, waardoor de geest de trilling met het geestesoor als een klank hoort. Pas ín de geest komt het gezang weer tot klinken.

Dat het toch lijkt alsof de klanken, van bijvoorbeeld een orkest, zich in de ruimte van de concertzaal bevinden, is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewust vereenzelvigde toestand. Daardoor wordt datgene, wat er in de geest gebeurt, op de buitenwereld overgedragen.

← terug naar Hoofdonderwerp 10

50b. Gewaarwording en waarneming van kleuren
Niet alleen klanken, ook kleuren bestaan alleen binnen de geest. Zoals de tonen van het zingen, hangen ook kleuren met de vermogens samen (50a); zoals spanningsverhoging in de vormbare warmte klanken vormt, veroorzaakt dat in vormbaar licht het bestaan van kleuren. Het verschil is dat de geest in zichzelf een klank kan vormen en ook úiten, doordat klank als warmtevorm een kracht is; die kan schorscellen in werking zetten waardoor de klank als woord kan worden geuit.
Deze mogelijkheid om te spreken met klanken is er voor kleuren niet, doordat zij lichtvormen zijn. De geest kan zich van kleuren in zichzelf wel bewust zijn, maar heeft een klánk nodig om een kleur te benóemen; wel kan vanuit de innerlijke voorstelling van kleuren voor een bepaalde kleur worden gekozen.

Bij het 'waarnemen van kleuren', ontstaan die in feite pas binnen de geest. Stel je ziet een boom. Zonlicht als elektromagnetische straling valt op de bladeren, die het rode deel van de straling opnemen en het groene deel weerkaatsen. Dat valt als louter lichtstraling op het netvlies van je oog. In de kleurgevoelige cellen daarvan wordt dit omgezet in niets dan zenuwprikkels, die door de oogzenuwen naar de achterkant van de hersenschors reizen, waar zij de schorscellen in werking zetten. Die stralen een magneetveld uit, waar je ziel, jouw eigen uitstraling mee gaat meetrillen. Dat trekt jouw aandacht, waardoor je je waarnemend voor die trilling openstelt en die in je opneemt. In jou komt het trillingsgetal overeen met dat van het voelen (hartchakra) en dán word jij je bewust van de kleur groen. Kleur bestaat net als klank alleen binnen de menselijke geest. Als de kleurgevoelige netvliescellen bij kleurenblindheid niet werken, wordt alles in grijstinten gezien.

Door de onbewust vereenzelvigde geestestoestand waarmee iedereen dit bestaan begint, worden eigenschappen van jezelf op de buitenwereld overgedragen, waardoor het lijkt alsof de krúin groen is. In werkelijkheid is de kleur niet dáár, maar alleen in het beeld in jouzelf. Dat deze verwisseling bestaat, is een aanwijzing voor het bestaan van de toestand van onbewuste vereenzelviging.

Het gehoor als zintuig beschikt over het onderscheidingsvermogen de instrumenten van een spelend orkest apart te herkennen; als daarentegen een aantal kleuren worden gemengd, kan het gezicht als zintuig de samenstellende kleuren niet meer onderscheiden, maar ziet slechts één, nieuwe kleur.
Schilderkunst is een andere kunstvorm dan muziek. Een schilderij kan door één schilder maar één keer worden gemaakt en kan vergaan; een muziekwerk kan ontelbare keren door vele muzikanten opnieuw worden uitgevoerd en blijft daardoor bestaan.

← terug naar Hoofdonderwerp 10

51a. De geest en zijn hersenen
Zoals beschreven bestuurt de geest het lichaam middels de hersenen. Die zijn met het lichaam verbonden door de zintuigzenuwen, die van het lichaam naar de hersenen gaan en de bewegingszenuwen, die daar vandaan naar de spieren gaan. In de hersenen kruisen de zenuwen van de rechter- en linkerkant van het lichaam elkaar, waardoor de réchterkant met de línker hersenhelft is verbonden en omgekeerd.
Datzelfde gebeurt met de oogzenuwen, waarbij de zenuwen van de réchter netvlieshelften van beide ogen kruisen met die van de linker; zij komen bij de cellen van de línker achterste hersenschors aan en omgekeerd. De hersenen zetten daarbij het door de ooglens omgekeerde beeld weer recht.
Bij het gehoor bestaat ook zo'n kruising en verdeling, maar daar gaat ongeveer de helft van de gehoorszenuwen naar de andere kant en omgekeerd bij het andere oor. Geluid is gelijkmatiger over de ruimte verdeeld en kent niet een linker- en rechterkant zoals beelden.

Deze linksrechtskruisingen zijn nodig om de geest zich goed te kunnen laten bewegen in deze wereld. De geest bevindt zich - in het midden van zijn eigen uitstraling, de ziel - op die plaats in de geestelijke wereld, waar in de stoffelijke wereld het voorhoofd is. Van daar kijkt de geest met het geestesoog naar achteren, waardoor, dankzij de kruisingen, rechts en links van de geest met die van het lichaam overeenkomen en dat geldt ook voor de beelden van het gezicht.

De zintuiglijke gewaarwording van de wereld is zó werkelijkheidsgetrouw, ook ruimtelijk, dat de geest niet beseft naar de zintuiglijke voorstelling van de wereld in de eigen binnenwereld van zijn ziel te kijken. De schorsgebieden van gezicht en gehoor vormen in de ziel a.h.w. het toneel, waar de geest de toeschouwer van is. Die heeft de schorsgebieden van het denken, voelen en willen dicht bij de hand om daarmee zijn besluiten te kunnen uitvoeren door de hersenen te bewerken, om zich te uiten en met het lichaam in de wereld te bewegen.
Door de overdracht van de onbewust vereenzelvigde toestand denk je door je ogen naar buiten te kijken; maar in werkelijkheid laat je de wereld door je ogen naar binnen komen en in je eigen binnenwereld zie je de buitenwereld.

Tijdens de evolutie hebben de frontale lobben in het voorhoofd van de mens zich doorontwikkeld, waardoor die nu geschikt zijn voor de geest om zich volledig met de hersenen te verbinden. Bij dieren bestaat genoemde kruising ook, maar zij missen de menselijke frontale lobben, waardoor de dierengeest nog niet is ingedaald en zich nog boven de hersenen bevindt.

← terug naar Hoofdonderwerp 11

51b. Plato's 'mensen in de grot'
De Griekse wijsgeer Plato (428-347 v.Chr.) beschrijft in zijn boek 'Politeia' (de Staat) de toestand van de mens op aarde in de beeldspraak 'mensen in de grot'. De mens is van jongs af aan opgesloten in een grot en zo geboeid, dat die alleen de achterwand van de grot kan zien. Een eindje bij de ingang van de grot vandaan brandt een vuur. Vlak vóór de ingang staat een muur als grens tussen de binnen- en buitenwereld en daarvoor ligt een weg, waarover mensen lopen die voorwerpen op hun hoofd dragen: de 'ideeën' (Grieks 'eidolon': 'beeld', 'begrip', 'vorm') als de denkbeelden van God, waarmee die de stoffelijke wereld vormgeeft en die zich nu als voorwerpen in de buitenwereld buiten de grot bevinden.

Het vuur werpt een schaduw van een 'idee' of 'vorm' (bv. 'appel') als een afbeelding ervan op de achterwand van de binnenwereld, het enige wat voor de gebonden mens zichtbaar is. Deze schaduw, de áfbeelding van de stoffelijke vorm van het idee van buiten, is het enige wat de mens op aarde van Gods denkbeelden ziet; daardoor houdt de mens in de gebonden toestand die schaduw voor de werkelijkheid.
Als de mens zou worden bevrijd en zich zou omdraaien, zouden zijn ogen het licht niet kunnen verdragen en zou hij de 'ideeën' niet kunnen zien. Hij zou daardoor ook niet willen geloven dat de oorzakelijke werkelijkheid zich daarbúiten bevindt. Dat inzicht kan alleen groeien als de mens zich uit de gebonden toestand bevrijdt en zich geestelijk ontwikkelt, waardoor hij in het licht van de geestelijke waarheid leert zien.

Ook de filosoof Schopenhauer beschrijft in 'De wereld als wil en voorstelling' deze toestand: "De wereld is mijn voorstelling - dit is een waarheid die voor elk levend en kennend wezen geldt, ofschoon alleen de mens haar in het reflexieve, abstracte bewustzijn kan brengen; doet hij dit dan is bij hem het stadium van de filosofische bezinning ingetreden. Dan wordt het hem duidelijk en staat het voor hem vast, dat hij geen zon kent en geen aarde, maar altijd alleen maar een oog dat een zon ziet, een hand die een aarde voelt; dat de wereld om hem heen er alleen is als voorstelling, dat wil zeggen uitsluitend en alleen in relatie tot iets anders, namelijk een íets dat voorstelt - en dat is hij zélf.

← terug naar Hoofdonderwerp 11

52. Spanning, inspanning, ontspanning
De tijd als stroom van voortdurend wisselende gebeurtenissen is de oorzaak dat de menselijke geest ertoe wordt aangezet zijn vermogens bewust en beheerst te gebruiken om in die stroom staande te blijven. Afhankelijk van de ernst ervan betekent een gebeurtenis een belasting, waardoor de aanvankelijke rust van het innerlijke evenwicht wordt verstoord en de geest in een gespannen toestand geraakt.
Die innerlijke spanning is noodzakelijk om de geest ertoe aan te zetten zich in te spannen en de vermogens te gebruiken om de gebeurtenis te verwerken. Als dat lukt dan treedt ontspanning op en wordt het innerlijke evenwicht hersteld.
Lukt het niet dan blijft de belastende toestand bestaan, waardoor de spanning niet in een handeling kan wegvloeien, maar zich ophoopt tot het de geest teveel wordt en die in een overspannen toestand komt.

De evenwichtige afwisseling tussen rust en spanning is de natuurlijke toestand die met de eigenschappen van de geest als levenskracht overeenkomt: een kracht kan aanzetten tot beweging en weer tot rust komen. De stroom van gebeurtenissenis is er om de geest wérkzaam te laten zijn, noodzakelijk voor de geestelijke groei. Om die reden is onderspanning even onwenselijk als overspanning, daar het leidt tot onwerkzaamheid, ongunstig voor groei. Zowel over- als onderspanning verstoren het innerlijke evenwicht in de geest, wat door de ziel heen een verstorende invloed op de hersenwerkzaamheid heeft en daardoor op de gezondheidstoestand van het lichaam.

Deze eenvoudige beschrijving van uiterlijke en innerlijke gebeurtenissen heeft men vervangen door een wetenschappelijk aandoend begrip: stress, afkomstig van Latijn 'stringere': spannen(!). Daarbij heeft men verzuimd het werk van Selye te lezen, die dit invoerde, maar duidelijk de volgorde beschreef (afbeelding): strain leidt tot stress, wat noodzaakt tot coping en wat leidt tot eustress; lukt dat niet dan ontstaat disstress. Onkundig van zijn werk heeft men alles samengevoegd tot 'stress', waardoor niemand het meer begreep en er nu tientallen omschrijvingen zijn van stress. Het gebruik van leenwoorden is niet altijd een verrijking van de taal.

← terug naar Hoofdonderwerp 11

53. Gezichtsuitdrukking en lichaamstaal
Zoals uiteengezet in nummer 32 doet de menselijke geest zich aan het geopende geestesoog voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. In de zelfvormende toestand is de geest in staat door de kracht van de warmte in zichzelf betekenisvolle lichtbeelden te vormen: denkbeelden; zij worden door verdunning en verdichting van licht gevormd.
Een reeks van deze beelden vormt een gedachtengang, waarin de beelden door omvorming uit elkaar voortkomen. Ieder van die te onderscheiden beelden heeft een betekenis, die door een woord wordt weergegeven. De geest drukt door de ziel heen deze beeldenstroom op het spraakgebied in de hersenschors af, waardoor de betekenis van de gedachtengang in een zin in de buitenwereld wordt verwoord.

De geestelijke warmtetoestand geeft ook de gemoedstoestand weer. Hoe meer die meewerkt bij de verwoording van de gedachtengang, hoe levendiger die wordt en hoe meer de ernaast liggende bewegingsgebieden van gezicht en handen gaan meedoen, doordat alle hersenonderdelen met elkaar zijn verbonden. Daardoor wordt het spreken begeleid door gezichtsuitdrukkingen en gebaren. In de vrouwelijke geest gaat het voelen vooraf aan het denken, waardoor de gezichtsuitdrukkingen zeer levendig zijn.
De gemoedstoestand komt ook tot uitdrukking in betekenisvolle vormen van de gebaren die tijdens het spreken worden gemaakt. Ook zij zijn een rechtstreekse weergave van innerlijke beweeglijkheid van het gemoed.

De schorsgebieden zijn ook verbonden met de tussenhersenen, waarin alle aan- en afvoerende zenuwen samenkomen. Daarin liggen de bewegingskernen striatum en pallidum, waarin alle onwillekeurig verlopende en aangeleerde gewoontehandelingen zijn vastgelegd, zoals: lopen, eten en schrijven, maar ook alle gezichtsuitdrukkingen, houdingen en gedragingen, die uitdrukking geven aan de lichaamstaal. Dat is de taal waarmee onbewust door de lichaamshouding aan de ander de eigen gemoedsgesteldheid wordt getoond. Deze lichaamstaal is een algemene, aangeboren houdingstaal; de betekenis ervan wordt door alle menselijke geesten onmiddellijk begrepen. Ook bij hogere diersoorten komt dit voor.

← terug naar Hoofdonderwerp 11

54. Links, rechts en het verenigende midden
De geest is zoals gezegd een bolvormige wolk van licht en warmte, en heeft daardoor een binnen- en buitenkant: het innerlijk en de buitenwereld. Daardoor kan de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf worden gericht, op de persoon én op de gemeenschap van personen, en zijn er twee instellingswijzen: de in- en uitgekeerde instelling.
Bij de ingekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op zichzelf of op een groep waarmee een persoonlijke band bestaat; die instelling gaat de diepte in en kan door diepzinnigheid of teruggetrokkenheid worden gekenmerkt, en in die toestand geven persoonlijke doelen de doorslag bij het vormen van besluiten.
Bij de uitgekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op de gemeenschap; zij blijft aan de buitenkant en kan door vriendelijkheid of oppervlakkigheid worden gekenmerkt en bij de besluitvorming geven de doelen van de gemeenschap de doorslag.
Beide instellingswijzen horen echter onwrikbaar bij iedere menselijke geest, zij vormen twee tegendelen, die elkaar aanvullen; maar in de persoonlijkheid voor dít bestaan, kan de nadruk óf op één van de twee liggen wat tot eenzijdigheid leidt óf er kan een evenwicht zijn.

Het landsbestuur bestaat uit een regering en een volksvertegenwoordiging middels politieke partijen, die door het volk worden gekozen. Die keuze geschiedt vanuit ieders persoonlijkheid, waarvan genoemde eenzijdigheid een kenmerk kan zijn. Daardoor is de verdeling van partijen een weergave van het gemiddelde van de eenzijdigheden die in een volk leven: rechtse partijen vertegenwoordigen de op de persoon gerichte instelling, linkse partijen de gemeenschap en de middenpartijen het evenwicht daartussen.
Om een zinvol bestuur mogelijk te maken door weloverwogen besluiten te nemen, is een evenwichtige samenwerking tussen links en rechts noodzakelijk. Een leidraad daarvoor is de uitspraak van de Franse filosoof Jean Claude de Saint-Martin: vrijheid (rechts), gelijkheid (links) en broederschap (het politieke midden).
Doordat de gemeenschap er een van persónen is, kan het peil ervan alleen worden verhoogd als die persónen dat zélf doen: het beste wat een mens daarom voor zijn medemensen kan doen, is zichzelf ontwikkelen door zelfverwerkelijking: dát leidt tot het noodzakelijke innerlijke evenwicht... zowel in de mens als in de maatschappij.

"Gebeden kunnen de wereld niet veranderen, maar gebeden veranderen de mensen en dát verandert de wereld."
Albert Einstein, Duitse natuurkundige

Pogingen de maatschappij van bovenaf te veranderen vanuit één van de genoemde eenzijdigheden (fascisme-rechts, communisme-links), zijn altijd uitgelopen op een pijnlijke mislukking voor iedereen. Vanuit de geest gezien is het evenwicht van het midden - het broeder-zusterschap - het enig juiste uitgangspunt, dat leidt tot de gulden middenweg van de Griekse wijsgeer Aristoteles.

← terug naar Hoofdonderwerp 11

55. 'Het ik' en 'het zelf' of "Ik ben het zélf"
Over de aanname van een gespleten zelfbeeld, wat leidt tot een mensbeeld met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

"De geest weet zelf niet, wat de geest is." Cicero

Of: het oog dat kijkt, ziet alles, maar niet zichzelf; dat is het beeld van de geest, die nog onbewust is van zichzelf en daardoor níet zichzelf, maar alléén deze stoffelijke wereld ziet (zie 25). In die toestand is de waarnemende geest met al zijn aandacht bij de omgéving, maar niet bij zichzelf als wáárnemer ervan, of is met al zijn aandacht bij de gevormde gedáchten in de ziel: zoals de gedachte 'het ik' of 'het zelf', maar niet bij 'zichzelf' als de bedénker ervan: 'ikzélf'.

Deze toestand van onwetendheid omtrent zichzelf als menselijke geest wordt veroorzaakt, doordat de geest als het enig levende, bij het intreden in het lichaam vanuit de geestelijke wereld, zich met zijn tegendeel, het niet-levende, de stof, verbindt (24). Daardoor kan de geest hier zichzelf niet zijn en wordt onbewust van het bestaan van zichzelf als zelfstandige eenheid: de vermogende, want waarnemende en denkende geest. Hoewel onbewust van het bestaan van zichzelf, heeft de menselijke geest hier wel een taal geleerd en daardoor geleerd zichzelf met het persoonlijke voornaamwoord 'ik' aan te duiden, maar weet niet wie die 'persoon' is en moet zich daardoor toch de vraag stellen: "Wie ben ik?"

Deze toestand van onwetendheid omtrent zichzelf heeft als doel de geest hier in de gelegenheid te stellen zich naar vrije keuze en op eigen kracht bewust te worden van het wezen van zichzelf: de vermogende, in zichzelf werkzame geest. De mens wordt hier zichzelf als raadsel gesteld om hem de gelegenheid te geven dat raadsel op te lossen en zo zich bewust te worden van zichzelf, zich te leren beheersen en zijn geestelijke aanleg te ontwikkelen.
Maar het tegendeel gebeurt als deze onbewustheid wordt bestendigd door op een afstándelijke wijze over zichzélf te gaan spreken als: 'hét ik' en 'hét zelf', enz., alsof dat zelfstandigheden zouden zijn, die 'ik' zou bezitten als 'mijn ik', 'mijn zelf', 'mijn ego', enz., en zo aan zichzelf voorbij te gaan!

Doordat dit slechts denkbeelden zijn en oorzaak van een kunstmatige spreekwijze, komt men er niet verder mee dan als een gespreksonderwerp; door de kunstmatigheid ervan kan men er eindeloos over door blijven filosoferen.
In plaats van zich naar binnen te keren en zichzelf de juiste vraag te stellen: "Wie ben ík eigenlijk?" vragen sommigen zich af: "Wat is dat eigenlijk, 'het zelf'". Waardoor men zich met zijn vraag niet naar binnen keert, waar de oplossing wacht: de menselijke, werkzame geest, maar juist naar buiten, naar een afstandelijke gedachte in de vorm van 'het zelf', waardoor men zich blijvend van zichzelf vervreemdt.

Het feit dat de mens ertoe overgaat op deze gekunstelde wijze over het wezenlijke van zichzelf te spreken, is een aanwijzing voor het bestaan van de toestand van onbewustheid van zichzelf als menselijke geest; die ontstaat door de verbinding met het tegendeel van zichzelf, de stof (24); én het is een aanwijzing voor het bestaan van de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof (25), als de menselijke geest zich daarmee verbindt door in het stoffelijke lichaam in te treden tijdens het ontwaken in deze wereld.

Doordat zoals gezegd de menselijke geest als het levende zich hier moet verbinden met het tegendeel van zichzelf, de stof, het niet-levende, kent de geest in dit tijdelijke bestaan zichzelf niet meer. Nog wel is een vaag zelfgevoel en zelfbesef gebleven, een besef dat er toch wel zoiets moet bestaan als een 'bewustzijn', waarmee het woord 'ik' is verbonden.
Door de vaagheid daarvan, wordt er echter niet gekozen voor een duidelijk zelfstandig naamwoord om de bron van dat zelfbesef te benoemen (zoals 'mens' of beter: 'persoon' en nog beter: 'geest') maar er wordt gekozen voor een woordsoort, die alleen maar naar een zelfstandigheid verwíjst: een persoonlijk voornaamwoord, zoals 'ik' of een aanwijzend voornaamwoord, zoals 'zelf', maar dan in de vorm van 'het ik' en 'het zelf', alsof dat zelfstandigheden zouden zijn.

In een poging er op kunstmatige wijze iets zelfstandigs van te maken, om het iets zelfstandigs te laten lijken wordt er vóór die woordsoorten een lidwoord gezet... alsof het dan wel zelfstandige naamwoorden zouden zijn. M.a.w.: onbewust wordt de denkfout gemaakt van een persoonlijk en van een aanwijzend voornaamwoord een zelfstandig naamwoord te maken, door er eenvoudig een lidwoord voor te zetten en dan te menen, dat men door deze taalkundige kunstgreep iets heeft verklaard; het is echter onbewuste zelfmisleiding, die je ontwikkeling belemmert.
Iedere schrijver over dit onderwerp geeft vervolgens allerlei toevoegingen aan 'het ik' zoals 'het hogere ik' en 'het lagere ik', 'het ware ik' en het 'valse ik' enz. enz. waardoor de mens wordt beschreven als een patiënt met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

← terug naar Hoofdonderwerp 12

56. Ik en 'mijn ego' (Latijn voor 'ik')
Bij sommige levensbeschouwingen kan men de uitspraak tegenkomen: "Het door jezelf opgebouwde ego." In die zin staat één werkzame eenheid, die werkt en met het aanwijzende voornaamwoord 'jezelf' wordt aangeduid en één onderwerp waaraan wórdt gewerkt: het lijdende voorwerp dat 'het ego' wordt genoemd.
Die werkzame zelfstandigheid is de persoon: jijzelf als menselijke geest, die voor die opbouw zijn vermogens gebruikt. Het enige, wat je als die persoon daarmee kunt opbouwen, bedenken, is een dénkbeeld en als dat zichzelf als onderwerp heeft - wat in die zin wordt gesteld - dan betreft dat het vormen van je zelfbeeld.

Het is echter een natuurlijke gang van zaken dat de menselijke geest, afgaande op ervaringen die in de omgang met anderen worden opgedaan, in zichzelf een beeld van zichzelf vormt. Dit is het gezonde verloop van iedere persoonlijkheidsontwikkeling en het leidt tot moeilijkheden als een mens níet een goed zelfbeeld heeft ontwikkeld. Als je door geboorte dit bestaan moet meemaken, kún je hier niet anders dan een bepaald beeld van jezelf krijgen doordat je medemensen jouw uitspraken en gedragingen op een bepaalde wijze beantwoorden.

De menselijke geest gebruikt het woord 'ik' om er zichzélf mee aan te duiden. Door de 'het ik-zeggers' wordt het zelfbeeld weliswaar 'het ego' of 'mijn ego' genoemd, maar dat is Latijn voor 'ik'; en door het lidwoord krijgt dat een zelfstandigheid, het wordt verpersoonlijkt.
Vervolgens worden onaangename eigenschappen daarop overgedragen. Men zegt dan niet meer: "Ik ben zelfzuchtig, eer- of hebzuchtig." Deze trekken worden niet meer benóemd, maar op het schijnwetenschappelijke 'ego' overgedragen, waardoor op een afstándelijke, berustende wijze kan worden verzucht: "Mijn grote ego!"

Zoals in de Oudheid persoonlijkheidseigenschappen op goden in de hemel werden overdragen, doen de 'het ik-zeggers' dat nu op een dénkbeeld in de binnenwereld van zichzelf: dat ondeugdelijke 'ego', waarop ze hun onvolmaaktheden overdragen en zo de pijnlijke bewustwording van de ware toestand van zichzelf als de verantwoordelijke persoon, met zijn nog onvolmaakte persoonlijkheidseigenschappen, belemmeren.

← terug naar Hoofdonderwerp 12

57. Ontwikkeling is omvorming van de geestesgesteldheid
Zoals beschreven is de menselijke geest door verdichting als een bolvormige wolk van geestelijk licht en warmte uit de algeest voortgekomen. Doordat die verdichting in één punt begon, is de menselijke geest een éénheid, en zijn de eigenschappen van de algeest in aanleg daarin aanwezig. Daardoor is de geest in de gelegenheid zich in de leerschool van de aarde op eigen kracht tot ontwikkeling te brengen en toe te groeien naar eenzelfde zelfstandigheid als de algeest zelf. Die ontwikkeling behelst een steeds bewuster en beheerster gebruik leren maken van de vermogens van die éne geest, tot die de vorm van het geweten en de deugden hebben gekregen.

De geestelijke ontwikkeling kenmerkt zich door omvorming; de geest neemt toe in het vermogen zich bewust en beheerst, liefdevol en begripvol te gedragen. Daarbij verandert langzaam de geestesgesteldheid: de houding die tegenover anderen wordt aangenomen en die weergeeft hoe het is gesteld met de wijze hoe de geest zijn vermogens gebruikt.
Dat gebeurt ook bij het verwerken van gebeurtenissen, vaak onveranderbare feiten, die je alleen kunt verwerken door je eigen houding er tegenover te veranderen, je aan te passen en te leren je lot te aanvaarden. Gebeurtenissen die je naar eigen vrije keuze zelf kunt aanpassen, zijn er minder. Dan is iets verwerken iets omvormen van een onnutte begin- naar een nuttige eindtoestand, zoals de bakker wat meel, samen met andere bestanddelen, omvormt tot een eetbaar brood. Al doende leert hij steeds betere en ook andere broden te bakken en dat is het gevolg van de geleidelijke verbetering van de wijze waarop hij zijn vermogens gebruikt en zo een kundige bakker wordt.

Omvormingen, metamorfoses komen in de natuur veel voor. Een vlinder legt een eitje op een blad. Daaruit komt het volgende jaar een rupsje, dat veel eet en een snelle groei doormaakt. De volgroeide rups vormt een cocon (pop), waarbinnen het lichaam van de rups verandert in dat van een vlinder (gedaanteverwisseling). Uit de pop kruipt een vlinder die zich door paring en eitjesleggen voortplant.
Die vlinder behoudt het geheugen van de rups, het blijft hetzelfde wezen.

← terug naar Hoofdonderwerp 13

58. Sint Joris en de draak
Het beeld van Sint Joris op zijn paard in gevecht met de draak stelt een psychodrama voor: de mens die worstelt met eigen onvolmaaktheden. Het is een oerbeeld in de zin van Jung, van de innerlijke tweestrijd in de menselijke geest zelf.
De vermogens zijn geestelijke krachten, die tezamen worden voorgesteld door beide dieren. Het deel van de vermogens dat al door de geest wordt beheerst, verkeert in de toestand van een hogere diersoort: het paard dat bewustzijn heeft en persoonlijkheid toont, dat is getemd en kan worden gemend; terwijl de nog onbeheerste vermogens in de toestand verkeren van een lagere diersoort: de ongetemde draak, een monster dat zich in onbeheerste toestand tégen de mens keert.

Het beeld schetst de omvorming van driftkracht naar geestdrift, van onbewustheid naar zelfbewustzijn.
Met de linkerhand houdt Joris de teugels vast waarmee hij zijn paard leidt, met de rechter de lans, waarmee hij de bek van zijn eigen draak bedwingt; ook zet hij zijn voet erop. Hij is geen drakendoder, maar bedwinger, de draak is deel van hemzelf.
Zijn paard is wit (al bewust) en heeft een 'meer verheven toestand' bereikt boven de aarde; schimmels komen niet veel voor, het steigert en staat daardoor 'als een mens' op twee benen. Zijn draak bevindt zich nog 'laag bij de grond', is meestal zwart (nog onbewust), omklemt de achterpoot van het paard en belemmert zo de voortgang van de geestelijke ontwikkeling, de zelfverwerkelijking.

St Joris is het archetype van de cultuurheld: in de Griekse sagen Herakles (Hercules), Jason, Odyseus en Perseus, Baldr bij de Germanen. In de Perzische Mithrasgodsdienst overwint Mithras een stier die uit een grot (onderwereld) komt. Uit het bloed van de stier dat in de aarde zinkt, komt de nieuwe mensheid voort: oerbeeld van 'sterf en wordt geboren' en in die zin kan ook het overwinnen van de draak worden gezien als het verdwijnen van het oude, nog dierlijke, dat wordt omgevormd in het nieuwe, menselijke.
Dit komt ook overeen met de Midden-Amerikaanse godheid Quetzalcoatl, die zich van een aardse slang omvormt tot een hemelse vogel en eveneens met de Chinese wijsgeer Lao tse, die op zijn os rijdt.

"Zichzelf te overwinnen is de beste
en grootste van alle overwinningen."
Plato, Griekse filosoof (427-347 v.Chr.)

← terug naar Hoofdonderwerp 13

59. Verscheidenheid én eenheid van de mensheid
In wezen is de mensheid een eenheid, want zoals gezegd, is iedere menselijke geest door verdichting uit de algeest voortgekomen. Doordat die zich in de oneindigheid uitstrekt, kan niemand er buiten zijn, allen zijn erin. Door die verdichting is de overgang naar de algeest naadloos, waardoor iedere menselijke geest één én ál is: door de verdichting een éénheid als zelfstandige persoon, maar daardoor ook in een eeuwige gemeenschap met de éne algeest en elkaar.

Door de verdichting zijn alle algeesteigenschappen in aanleg in íedere menselijke geest aanwezig; ook een zeker zélfgevoel doordat de algeest, als de énige, altijd op zichzelf is. Dat zelfgevoel is ook nodig om de geest de mogelijkheid te geven naar eigen vrije keuze van zijn vermogens gebruik te maken, om ze daardoor steeds zelfstandiger te leren gebruiken en zo geestelijk te groeien.

Door dat zélfgevoel en die persóónlijke ontwikkeling is de mensheid nu uitgegroeid tot een toestand waarin de mens het verst van zijn oorsprong, de algeest is verwijderd én waarin er een uiterste verwijdering is ontstaan van elkaar door de grootste verscheidenheid, die tussen personen mogelijk is... een toestand van verwijdering van de oorsprong en van elkaar, noodzakelijk om de zelfstándigheid te verwerven, die met die van de algeest overeenkomt.

Deze verdeeldheid is versterkt door de indaling in het lichaam, waardoor de mens geheel op zichzelf kwam te staan. Door verbinding met het tegendeel van zichzelf, de stof, trad de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan in, waardoor ook de geest zelf uit zicht raakte en de mens middels de natuurwetenschappen in de stóf is gaan zoeken naar de betekenis van deze toestand; wat de verwijdering van geest en algeest heeft voltooid: het punt dat de mensheid nu heeft bereikt. Daardoor zijn we niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen vreemden geworden, zeker als we niet tot dezelfde groep behoren.

Wie naar buiten kijkt, ziet verscheidenheid; naar binnen: éénheid. Er is er slechts één die de mensheid kan verenigen: de gezamenlijke oorsprong van allen, want dáár zijn alle mensen in wezen broeders en zusters van elkaar.


"Als de vooruitgang werkelijk niets dan een mythe is, als wij ons bij al onze inspanning moeten afvragen: Wat heeft het voor zin, waarvoor? Dan verlammen al onze pogingen. Dat zou het punt zijn, waarop de evolutie tot stilstand kwam, want wij zelf zijn die evolutie."
Pierre Teilhard de Chardin, Franse jezuiet en paleontoloog

"Alleen de liefde is in staat om levende wezens te verenigen op zo'n manier dat ze elkaar aanvullen en elkaar voltooien, want alleen liefde brengt hen bij elkaar door het diepste in henzelf."
Pierre Teilhard de Chardin

← terug naar Hoofdonderwerp 13

60. Ontwikkeling van mens en mensheid
In de vorige stukjes is over de ontwikkeling gesproken van mens en mensheid. De mensheid is het geheel van mensen, die er de bouwstenen van zijn. Wat er in hén persoonlijk gebeurt, zet zich voort in de gemeenschap. Jezelf verwerkelijken is daarom het beste wat je voor je medemens kunt doen, want de ontwikkeling die in de persoon zelf plaatsvindt, is niet een op zichzelf staand gebeuren, maar heeft ook invloed op de omgeving door de wisselwerking tussen mensen onderling; en tussen die twee moet een evenwicht zijn.

De ontwikkeling in jezelf hangt samen met de toename in het bewuste en beheerste gebruik dat je van je vermogens leert maken: dat is datgene, wat in de mens kan worden opgevoed. Als je ieder werk dat je aanpakt, met de inzet van al je vermogens doet, voegt ieder werk, al is het nog zo weinig, toe aan je geestelijke groei. Daardoor wordt ieder werk, ook het meest eenvoudige, een mogelijkheid geestelijke rijkdom te verwerven, die blijft tot in de eeuwigheid. Vanuit de geest gezien, doet het er niet toe, wát voor werk je doet, maar hóe je het doet.

Het is te vergelijken met het leren bespelen van een muziekinstrument. In het begin gaat dat nog moeizaam en is de muziek nog niet foutloos. Door veel te oefenen, neemt je vermogen het instrument te bespelen toe en klinkt de muziek mooier, tot je uiteindelijk de moeilijkste stukken op indrukwekkende en meeslepende wijze ten gehore kunt brengen.

Muziek kun je voor jezélf maken, waarin je genoegen kunt vinden, maar je kunt het ook sámen met anderen doen en ook vóór anderen, wat eveneens voldoening geeft. Dat geldt ook voor geestelijke ontwikkeling. Je wordt mens door je medemens. Je menselijkheid neemt toe als je, in de ontmoeting met je medemens, in je spreken en handelen je vermogens zo inzet, dat het gesprek een vruchtbare uitwisseling wordt van gedachten en gevoelens. Daardoor neemt de ontwikkelingsgraad van beider geestesgesteldheid toe.

Dé heilige gebeurtenis vindt plaats als je door zelfbezinning tot inzicht komt in jezelf als mens én vindt plaats in de begripvolle en liefdevolle ontmoeting met je medemens. Dat laat niet na zich voort te zetten in de omgeving, waardoor de ontwikkelingstoestand van de mensheid weer een beetje is toegenomen.

"Het echte leven is ontmoeting."
Martin Buber, godsdienstfilosoof

← terug naar Hoofdonderwerp 13

61. Geestelijke ontwikkeling in het Hebreeuwse alfabet
De letters van het Hebreeuwse alfabet vormen een beeldentaal en om die te kunnen begrijpen, is het nodig analogisch (overeenstemmend) te denken.
Het is daardoor een bijzonder alfabet, want
- het bestaat niet alleen uit 22 schrijfletters,
- maar dat zijn ook cijfers, waarmee wordt geteld;
- en het zijn tekens met een zinnebeeldige betekenis;
- zij vormen een beeldentaal met een diepere zin, waar ook hun namen naar verwijzen (zie het Menu);
- de betekenissen van de eerste tien letters hangen met elkaar samen en vormen een beschrijving van tien stappen op de levensweg, de geestelijke ontwikkelingsweg van de mens in dit bestaan.

De mens vertrekt uit zijn oorsprong, aleph en treedt bij bêth het stoffelijke bestaan binnen om bij gimel een leerzame tocht door dit bestaan te maken, waardoor die bij daleth op zichzelf terug wordt geworpen en bij hee leert dit bestaan te zien vanuit de kern van zichzelf; daardoor komt bij waw het verlangen op naar de bron terug te keren en wordt bij zajin daarvoor een levensbeschouwing gevormd; die leidt ertoe dat bij chêth een ommekeer plaatsvindt die bij têth leidt tot de voltooiing door het evenwicht tussen denken (zajin) en voelen (waw), waardoor bij jôd de laatste stap naar de hereniging met aleph kan worden gezet. De betekenis van deze letters is een zinnebeeldige weergave van dit bestaan als geestelijke leerschool.

De strekking van deze levensweg komt overeen met Jezus' vergelijking van de Verloren Zoon (Lukas 15:11-32): 1) de zoon besluit zélf het ouderlijke huis te verlaten; 2) hij doet eigen, leerzame ervaringen op in de wereld; 3) hij komt door tegenslagen tot bezinning en 4) neemt zélf het besluit naar huis terug te keren (het woord 'religio' betekent: hérverbinding).
Jezus' Verloren Zoon (dat zijn wij allen) beschikt over een vrije keuze en moet door eigen ondervinding met de gevolgen van die keuzes, leren, daardoor groeien en ten slotte besluiten terug te keren!

Zoals gezegd geven de Hebreeuwse lettertekens ook de cijfers weer; kenners van het Hebreeuws zien daardoor niet alleen een woord, maar evengoed een getal! Dit samenvallen van letters en cijfers heet 'gematria' (getallenleer).

← terug naar Hoofdonderwerp 13

62. De betekenis van de Hebreeuwse letter aleph
Hebreeuwse woorden bestaan uit medeklinkers, waaraan klinkers kunnen worden toegevoegd; daardoor zijn er stamwoorden waarmee een woordenfamilie kan worden gevormd.

a Zo betekent aleph 'stierenkop' terwijl 'alloeph' 'vorst' betekent (stier en vorst lopen vooraan) en 'alaph': 'leren', m.a.w.: geestelijke ontwikkeling.
Aleph is als de 'Volkomen Ene' Gods eenheidstoestand. Het is een samengestelde letter: de schuine waw (6) is de lopende, zich ontwikkelende mens, en jôd (10) betekent hand; die rechtsboven is de mannelijke, leidende hand, die linksbeneden de vrouwelijke, zorgzaam geopende hand; zij leiden en steunen de zich ontwikkelende mens op de levensweg: de betekenis van de op aleph volgende negen letters van het alfabet. Aleph verbeeldt het gezin, waarin het kind door de ouders wordt opgevoed.

b De jôd is de oervorm van alle letters, die hangen aan de schrijflijn bóven de letters: de grens tussen hemel en aarde. Daar steekt de jôd met een punt doorheen: de verbondenheid van alle letters met de geestelijke wereld, want alle letters worden gevormd door aan jôd tekens vast te maken die naar beneden hangen.

c In het begin is alles in God nog een eenheid (1). Dan begint er een ontwikkeling naar volwassenheid, de bewustwording van geestelijke zelfstandigheid. Bewustwording ontstaat door onderscheid te maken tussen tegendelen: de mens wordt zich bewust van warmte door het ervaren van koude, enz. Om die bewustwording mogelijk te maken, vormt God een scheiding tussen de geestelijke wereld, de wereld van de eenheid en de stoffelijke wereld, die van de tweeheid (2); daar wordt alles door het bestaan van tegendelen gekenmerkt: links en rechts, voor en achter, boven en onder, waardoor er onzekerheid in de wereld is gekomen, maar ook een keuzemogelijkheid.

De afstand tussen tegendelen kan groter worden, waardoor zij uitgroeien tot tegenstellingen of tot tegenstrijdigheden. Daardoor ontmoet de mens moeilijkheden op zijn pad, die moeten worden opgelost. Daarvoor moet men keuzes maken door de geestelijke vermogens te gebruiken, die daardoor tot ontwikkeling komen; wat de mens ooit terugleidt op de weg naar God (1).


Gematria
Voluit geschreven bestaat het stamwoord van 'aleph' uit de letters aleph-lamed-pee. De getalswaarde van die letters is 1-30-80, wat opgeteld 111 is: de eerste van de eenheden, de eerste van de tientallen en van de honderdtallen; daar komt de eerste van de duizendtallen nog bij, want het woord 'eleph' met dezelfde letters, maar andere klinkers, betekent duizend.
Het woord 'aleph' wordt zo getalsmatig gekenmerkt door: 1111. Er zijn 4 enen en het getal 4 heeft volgens de gereduceerde cijfersom de betekenis: 1+2+3+4=10 en 1+0=1. Het getal 4 wijst zelf ook weer ← terug naar de 1.

Als de letter aleph vóór een stamwoord is geplaatst, dan heeft die aleph de betekenis 'ik'. De aleph als de klinker 'a' wordt het diepst in de keel gevormd en is zo de meest innerlijke, geestelijke klinker. Die klinker 'a' kan dus ook de betekenis van het woordje 'ik' hebben; dat is een heel bijzonder woord, want daarmee duidt de sprekende menselijke geest zichzélf aan; het woord 'ik' verwijst naar de levende kern van de mens. In het Oudindisch is 'acham' - ook met een 'a' - het woord voor 'ik'.

De aleph is een stille 'keelklank', de onhoorbare, scheppende ademstoot die de aanzet is van alle andere letters. De aleph duidt niet alleen de 'a' aan, maar ook de andere klinkers: i, e, o, u. Achter elkaar uitgesproken, klinken die als 'i-e-o-u-a': dat is de naam Jehova. Jehova is de Ene, de Eerste, God. Ook is de 'i' de klinker die vóór in de mond wordt gevormd en de 'a' het diepst in de keel; alle andere liggen daartussen en zo is het woord 'jehova' ook een klanksymbool van totaliteit (overeenkomend met het Indiase 'aum' of 'om').
De aleph is 'de eenheid in de verscheidenheid', zij staat voor 'de eenheid van het al' en in het bijzonder voor de eenheid in en met God.

← terug naar Hoofdonderwerp 13

63a. De ontwikkeling in Pythagoras' getallenleer
Pythagoras was de eerste filosoof met een volledige wereldbeschouwing. Hij leerde dat God de kosmische geest is: de algeest; de menselijke geest is Gods werkstuk en een deel van het goddelijke wezen.
De wereld is een toneelspel en filosofen zijn de toeschouwers. Het leven is eeuwig, bij de dood gaat de geest terug naar zijn wereld.
De persoonlijkheid ontwikkelt zich door meerdere wedergeboortes en het doel is hereniging met het goddelijke.
Hij leerde dat getallen zinnebeelden zijn van geestelijke eigenschappen. Alles in de schepping, ook die eigenschappen en de door hem ontdekte toonladder in de muziek, berust op getalsverhoudingen. Getallen zijn levende krachten, werkzaam in de kosmos.

De vormen van de eerste tien getallen komen ordelijk uit elkaar voort en hebben de eenvoudigste meetkundige vorm.
1. De één is het beginpunt, oorsprong van de getallen en hun vormen, door vermenigvuldiging van zichzelf gevormd. De één is de zelfstandige aanzet tot scheppen en leiding geven.
2. Als dat punt uit rust in beweging komt, vormt het een lijn als een rij punten, een verzameling tussen begin- en eindpunt.
3. Dan vormt het punt het eenvoudigste vlak, de gelijkzijdige driehoek, door recht tegenover de lijn te gaan staan.
4. Daarna gaat het de ruimte in, recht boven de driehoek, waardoor het viervlak ontstaat met vier hoekpunten: de binnenwereld.
5. Vervolgens gaat het die ruimte in en door naar de andere kant, in de richting van de buitenwereld en vormt zo de vijfhoek.
6. Daaruit terugkerend in zichzelf verwijdt het punt zijn binnenwereld door de driehoek tot vierkant te vormen; oorzaak van de oktaëder met zes hoekpunten.
7. Daarin zoekt het punt naar de kern om zichzelf te hervinden.
8. Van hieruit wil het optreden in de wereld en zet zich daartoe bolvormig uit, waardoor eerst de zes tetraëdervlakken in hun midden worden geraakt en de kubus ontstaat.
9. Nu zijn alle vormen voltooid en met elkaar in evenwicht. Het punt hervindt in het middelpunt zijn oorsprong en zo is de kringloop rond.
10. Van daaruit vormt het een evenwichtige band met anderen in de omgeving, weergegeven door de bol door de hoekpunten van de kubus.

← terug naar Hoofdonderwerp 13

63b. De zinnebeeldige betekenis van Pythagoras' getallenleer
De meetkundige vorm van de eerste tien getallen beeldt hun geestelijke betekenis uit.

1. De één als eerste is de zelfstandige aanzet tot schepping van de getallen waarop de kosmos berust; als ondeelbaar punt is het de eenvoudigste vorm, maar bevat in aanleg alle eigenschappen, daar het alle vormen vermag te scheppen.
2. De beweging vanuit het rustpunt vormt een rechte lijn, die het beginpunt met het nieuwe, als tweede gevormde eindpunt, verbindt, langs de eenvoudigste, rechte weg. De lijn verenigt de een met de ander, de tweede.
3. De volgende beweging vormt de gelijkzijdige driehoek, het eenvoudigste vlak, doordat het punt recht tegenover de lijn komt te staan en die zo afstandelijk kan beschouwen en beoordelen.
4. Dan verlaat het punt het platte vlak en gaat de ruimte in waardoor het recht boven de driehoek komt te staan. Zo ontstaat de tetraëder, het eenvoudigste veelvlak: de binnenwereld in de mens en het eerste lichaam in de buitenwereld.
5. De volgende beweging van het punt gaat naar de overeenkomende plaats in de ruimte er tegenover: zo ontstaat de vijfhoek, door de evenwichtige beweging van 'boven' naar 'beneden' of van binnen naar buiten, waardoor het punt nu in de buitenwereld is.

6. Om het evenwicht te bewaren gaat het punt naar binnen en vormt daarbij een nieuwe ribbe, waardoor het vlak van de driehoek de volgende eenvoudigste vorm, het vierkant wordt en de oktaëder ontstaat met een ruimere, innerlijke wereld.
7. Door de naar binnen gerichte beweging komt het punt vervolgens terecht in het middelpunt van de oktaëder, in zichzelf als de kern.
8. Vanuit die kern zich naar buiten richtend, ontstaat door de alzijdige beweging zoals bij de één, vanuit dat punt een bol, die eerst de acht zijden van de oktaëder in hun midden raakt; die punten zijn ook de acht hoekpunten van de kubus.
9. Na zo alle vormen te hebben voltooid, gaat het punt weer naar binnen en zoekt de kern van de kubus voor het innerlijke evenwicht.
10. De eindvorm is de bol als een middelpunt dat alzijdig is uitgezet. Hij omvat alle vormen door hun raakpunten met het oppervlak en hun samenvallen met het middelpunt, de één als de oorsprong.

← terug naar Hoofdonderwerp 13

63c. Jamblichus, neoplatonist, verbond de getallenleer met persoonlijkheidskenmerken (de numerologie)
Deze persoonlijkheidskenmerken komen overeen met de vier geestelijke vermogens en de in- en uitgekeerde instelling. Zie de stukjes 10-19, waarvan hieronder een korte samenvatting.

1. De zelfstandige aanzet tot werkzaamheid en leiding geven is een eigenschap van het ingekeerde willen, het willen van zichzelf, het verwerkelijken van eigen gedachten en gevoelens in de maatschappij door ermee naar buiten te treden.
2. Gemeenschapsvorming door naar een gevoelsband met de ander te streven, is een eigenschap van het uitgekeerde voelen, het voelen voor de ander. Relatie betekent: heen en weer gaan, en als dat aandacht en toewijding betreft, kweekt dat saamhorigheid.
3. Het vormen van een verstandelijk oordeel is een eigenschap van het uitgekeerde denken, het denken voor de ander, dat ernaar streeft de stelling (het eerste punt) en de tegenstelling (het tweede punt) door samenstelling te verbinden.
4. Vier is de binnenwereld, het gebied van het ingekeerde waarnemen, het waarnemen van de inhouden ervan: kennis, gedachten en gevoelens, en het door arbeid vormgeven ervan in de buitenwerteld.
5. Vijf is de buitenwereld, het gebied van het uitgekeerde waarnemen middels de vijf zintuigen, de mogelijkheid zich ermee te verbinden en die dan in zich op te nemen, in zichzelf te ervaren en ervan te genieten.

6. Door de overvloed aan ervaringen in de buitenwereld trekt de mens zich in zichzelf terug en groeit het zelfgevoel, het ingekeerde voelen, het innerlijk doorvoelen en persóónlijk beleven van die wereld.
7. Ervaringen wekken levensvragen, waardoor het ingekeerde denken, het overdenken van het wezen van zichzelf, wordt aangezet te zoeken naar de begripsmatige betekenis van de ervaringen die vragen hebben opgeworpen, waardoor een levensbeschouwing wordt gevormd.
8. Het handelend op willen treden in de buitenwereld om daar iets te ondernemen vanuit een gedachte of gevoel, is een eigenschap van het uitgekeerde willen.
9. Als alle acht persoonlijkheidskenmerken tot ontwikkeling zijn gekomen, vormen zij in de kern een evenwichtig samenhangende eenheid en is de persoonlijkheid innerlijk in evenwicht gekomen.
10. Als deze voltooide persoon naar buiten treedt, ontstaat ten slotte de éénheid van de persoon met alle anderen. Deze eenheid brengt de mens terug tot de oorspronkelijke, geestelijke toestand, waarin die zoals iedereen als vonk uit en in de algeest is gevormd door liefdevolle verdichting ervan.

← terug naar Hoofdonderwerp 13

63d. De numerologiekubus en twee diagonaalvlakken daarin
Pythagoras ontwikkelde een getallenleer en verbond elk getal met een meetkundige vorm, die de zinnebeeldige voorstelling ervan is; Jamblichus voegde er later persoonlijkheidskenmerken aan toe. De getallen kunnen zoals getoond over de kubus (a) worden verdeeld volgens de gematria of gereduceerde cijfersom, door Pythagoras ingevoerd: de cijfers van een getal worden zolang opgeteld tot een cijfer tussen 1 en 9 is bereikt, wat de geestelijke waarde van dat getal weergeeft; en de 9 betekent voltooiing.

1. Als eerst in de kubus de vermogens op zich worden beschouwd,
- is de volgorde in het onderste vlak: waarnemen 4, dénken 3, voelen 2 en willen 1: de mannelijke volgorde van geestelijke werkzaamheid;
- en het bovenste vlak: waarnemen 5, vóelen 6, denken 7 en willen 8: de vrouwelijke volgorde;
- ook is er evenwicht tussen beneden en boven, tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid, die volgens Pythagoras' gelijkwaardig zijn en elkaar aanvullen en voltooien. Dat blijkt uit het feit dat de som van de getallen van de hoekpunten van de staande ribben alle 9 zijn: 1+8=9, 2+7=9, 3+6=9, 4+5=9;
- ook de cijfers van álle hoekpunten van de kubus opgeteld: 1+2+3+4+5+6+7+8 geeft 36 en 3+6 is 9, de voltooiing in het middelpunt.

2. Vervolgens kunnen in de kubus de diagonale vlakken met hoekpunten: 4,6,7,1 en 5,3,2,8 worden getekend, uitgesneden en een kwart slag naar voren gekanteld. Door de verdeling van de persoonlijkheidskenmerken over de hoekpunten van kubus én diagonaalvlakken, wordt de volgende samenhang zichtbaar:
- het staande vlak bevat alle íngekeerde persoonlijkheidskenmerken en de vróuwelijke volgorde van de vermogens;
- het liggende vlak alle úitgekeerde kenmerken en de mánnelijke volgorde;
- worden de vier cijfers van zowel het ingekeerde als het uitgekeerde diagonaalvlak bij elkaar opgeteld, dan geeft dat bij beide 18 (4+6+7+1=18 en ook 5+3+2+8=18) en 1+8 opgeteld is 9.

Hieruit volgt: de numerologiekubus en de diagonaalvlakken
- bevestigen de waarde van Pythagoras' getallenleer
- en de samenhang van getallen met persoonlijkheidskenmerken;
- geven de mannelijke en vrouwelijke tweevoudigheid in de menselijke geest weer
- en de numerologiekubus is met zijn omgeschreven bol een toonbeeld van geestelijke heelheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 13

63e. Pythagoras' tetraktys (vierheid)
Pythagoras voerde de rekenkundige bewerking 'samenstelling van getallen' of 'gereduceerde cijfersom' in, waarmee de zinnebeeldige waarde van elk getal met een cijfer tussen 1 t/m 9 wordt uitgedrukt. Door die bewerking wordt bijv. de 10 een 1 door de som 1+0=1; zo is de 10 als nieuwe 1 het beginpunt van de volgende reeks getallen, nadat de aanleg van de eerste 1, door de gang door de cijfers 1 t/m 9, geheel tot ontwikkeling is gekomen.

Het beginpunt (1) heeft zich alzijdig uitgewerkt tot de bol (10): volgens Plato de volmaakte meetkundige vorm, want het eerste punt heeft zich ontwikkeld tot alle punten van het boloppervlak, die alle gelijkwaardig zijn, waardoor er geen begin- of eindpunt is: zinnebeeld van de eeuwige oneindigheid... wat ook in de mens is te vinden: de menselijke geest is een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte.

De 10 wordt gevormd door de som 1+2+3+4+5+6+7+8+9+10=55, 5+5=10 en 1+0=1. 10 wijst zo ← terug naar de 1 en daardoor naar het begin van een nieuwe kringloop, wat uitloopt op een eeuwige kringloop; wat ook geldt voor de som 1+2+3+4+5+6+7=28, 2+8=10 en 1+0=1 en voor 1+2+3+4=10 en 1+0=1.
Daar 1, 2, 3 en 4 de getallen zijn met de eenvoudigste meetkundige vormen (punt, lijn, driehoek en viervlak), waaruit alle andere voortkomen, noemde Pythagoras deze vierheid: tetraktys, de grondslag van de kosmos.

De tetraktys werd getekend als een gelijkzijdige driehoek, de volmaakte vorm in het platte vlak, met punt 1 als binnenkant in het midden en 9 punten als buitenkant eromheen in de vorm van de rijen punten 1, 2, 3 en 4, de tetraktys: 1 plus 9 vormt 10 en vervolgens weer 1; het verbeeldt de eenheid (1) in verscheidenheid (9) en een eeuwig voortdurende kringloop.
Punt 1 is zo ook het middelpunt van 2 cirkels, waarvan het oppervlak gelijk is aan πr². Een kwadraat is een vierkant, dat de vierheid ook weergeeft, maar in een andere vorm, zoals in de schepping de vier jaargetijden: lente, zomer, herfst, winter; de vier dagdelen: ochtend, namiddag, avond, nacht; de vier schijngestalten van de maan; en het gezin: als er een man (1) en een vrouw (2) zijn, is het natuurlijke beloop dat er een gezin wordt gevormd met zonen (3) en dochters (4); ook zij vormen weer gezinnnen, oorzaak van een kringloop van geslachten: de mensheid in de kosmos.

Uit de Gulden Verzen van Pythagoras:
"Zegen ons, heilig getal, gij die de goden en mensen voortbrengt. O heilige tetraktys, gij die de wortel en de bron bent van de eeuwig voortvloeiende schepping. Want het heilige getal begint met de diepe zuivere eenheid, tot het komt bij de heilige vier; dan baart het de moeder van het al, de alomvattende, de alles begrenzende, de eerstgeborene, de nimmer dwalende, de nooit vermoeide heilige tien."

← terug naar Hoofdonderwerp 13

64a. Hildegard van Bingen, mystica
Zij werd in 1098 geboren in een adelijke familie te Bernersheim, Rijnland. Ze was van jongs af aan helderziende. Toen ze 8 jaar was werd ze naar de vrouwenafdeling van het benedictijner klooster op de Disibodenberg gebracht en kreeg de naam Hildegardis. Zij werd abdis toen ze 38 was.
Op 43-jarige leeftijd kwamen de 45 unieke visioenen in drie groepen ('visioen' van Latijn visio, gezicht, gezien door te schouwen). Ze kreeg de opdracht die op schrift te stellen en te verspreiden.
Hildegard heeft veel gestudeerd en geschreven, zoals muziek, liederen en een toneelstuk: Ordo virtutum, de ontwikkeling van de deugden. Naast het boek Liber scivias schreef ze Liber Vitae Meritorum, Liber Divinorum Operum, over de natuur (Physica) en geneeskunde (Causae et Curae).

Ze was in haar tijd alom bekend en maakte reizen in de omgeving om op uitnodiging van abten te komen preken. De vrouwenafdeling groeide en ze besloot een eigen klooster te stichten op de Rupertsberg bij Bingen. Ze kwam eigenlijk als een Joodse profetes in een tijd dat het Christendom op zijn hoogtepunt was en de tekenen van verval zichtbaar werden. Ze wees mensen erop een deugdzaam leven te leiden en keurde jodenvervolging en kruistochten af. Ze schreef honderden brieven en wees koningen en bischoppen op hun plichten, waardoor ze naast medewerking ook tegenwerking ondervond. Ze werd 81 jaar.

Op de afbeelding spelen om haar hoofd vijf rode vlammen, één reikt tot op haar borst. Het is de schittering van het hemelse vuur dat volgens haar plotseling vanuit de geopende hemel neerdaalt om hoofd en hart te doordringen. De achtergrond waartegen Hildegard afsteekt, is van bladgoud. De gouden kleur heeft op haar afbeeldingen de zinnebeeldige betekenis van het bovennatuurlijke leven, uitgestraald door Gods geest, die zich rechtstreeks met haar verbindt.
Deze afbeelding, ontstaan onder toezicht van de heilige zelf, is een duidelijke aanwijzing van de persoonlijke overtuiging van deze nederige vrouw, dat zij een geroepene was en dat zij als profetes moest optreden. Volmar was haar toegewijde secretaris; hij zat in een klein bijgebouwtje en tekende op wat Hildegard zag en zei.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

64b. Hildegard en geestelijke ontwikkeling
Hildegards vierde visioen heeft drie afbeeldingen, waarvan het eerste (4a) uit twee helften bestaat. Het blauwe vlak bij 1 toont de geestelijke wereld met zijn bewoners, wat wordt weergegeven door sterren. Het vierkante gouden vlak bij 2 toont de oneindigheid en alwetendheid, door de vele ogen, van de goddelijke algeest (het vierkant heeft de kenmerken van Pythagoras' tetraktys). In het midden daarvan bevindt zich een oranje baan of weg en op die weg zijn vurige bollen zichtbaar, die door Hildegard als menselijke geesten worden beschreven, zoals dat ook in geestkunde het geval is.
De kleur van die weg is oranje, de kleur van de 'zonsopgang', m.a.w. geestelijke groei; de betekenis van die weg is daardoor: geestelijke ontwikkeling', die ook in de geestelijke wereld plaatsvindt.

Eén van de bollen zoekt zijn weg naar een zwangere vrouw op de aarde bij 4; in haar buik wacht een nieuw lichaampje op de uit de geestelijke wereld neerdalende menselijke geest. Bij 3 heeft die mens begeleiders om zich heen, die zullen helpen met zijn of haar geestelijke groei. Die groei wordt verzinnebeeld door kannen met melk: dat is vloeibaar voedsel voor de zuigeling, wat moet worden omgezet in bolvormige kazen: niet alleen is dat vast voedsel voor de volwassen geworden menselijke geest, maar als bol is het ook de voltooide vorm. (Vergelijk ook de tekst in Job 10:10 "Als melk hebt gij mij uitgestort, als kaas hebt gij mij doen stollen.")
Bij de vorming van de kazen wordt vermeld dat er slappe, gemiddelde en stevige kazen worden gevormd, afhankelijk van de vorderingen van de mens op de levensweg.
De aarde heeft een groene kleur, wat bij Hildegard groeikracht betekent, en een eivorm, wat een zinnebeeld is van de groei van een kiem tot een levensvorm.

Bij 5 worden de beproevingen op die levensweg getoond: de mens raakt met kettingen geboeid door aardse beslommeringen, hij komt als in een wijnpers onder druk te staan en wordt door lelijke monsters, zintuiglijke aanvechtingen belaagd. Ook krijgt hij te maken met bruine figuurtjes: tegenstrevende, verstorende krachten.
Daardoor wordt de mens op zichzelf teruggeworpen, komt bij 6 door bezinning tot zichzelf en begint in zichzelf een blauwe, geestelijke berg te bestijgen: toonbeeld van de innerlijke strijd om zelfverwerkelijking door zichzelf als werk ter hand te nemen.

Door die strijd is de menselijke geest krachtig geworden en heeft bij 7 zijn geestelijke vermogens tot ontwikkeling gebracht, wat wordt weergegeven door de beide vleugels en het zweven. De binnenwereld van de mens is een geestelijk tehuis geworden, een hemelse woning, waar de tegenstrevende krachten geen toegang meer hebben.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

64c. Hildegard en de overgang en thuiskomst
De laatste afbeelding van haar vierde visioen toont bij 1 het einde van de levensweg, als de lessen voor dit bestaan zijn geleerd. Dan komt het ogenblik dat de menselijke geest het lichaam, het voertuig voor het verblijf op aarde, verlaat, overgaat naar de geestelijke wereld en terugkeert naar zijn eigen thuis.
Zoals te zien is, heeft, als gevolg van zijn groei, de uitstraling van de geest zich als zijn geestgedaante gevormd.

De geestelijke begeleiders helpen bij 2 bij het 'overlijden', een werkwoord dat de lijdende vorm is van leiden, met de betekenis: 'overgeleid worden'. Afhankelijk van hoe de mens zich tijdens zijn bestaan op aarde heeft gedragen, heeft hij daarmee overeenkomende begeleiders. Zijn dat lichtende geesten, die ook zichzelf verder hebben ontwikkeld door hun onbaatzuchtige inzet voor de mens op aarde, dan staan zij klaar om de uittredende geest bij het overgaan te steunen en liefdevol op te vangen. Zij leiden hem of haar bij 3 door geestelijke werelden heen naar die wereld, waarvan het geestelijke licht overeenkomt met het licht dat de mens in zichzelf, door zijn wijze van gedrag, tot ontwikkeling heeft gebracht.

Bij 4 is het hoogste gebied, met aan de linkerkant het paradijs, van 'para-disum': de bewerkte grond rondom het huis: de tuin, in tegenstelling tot de onbewerkte natuur. Het gebouw rechts is het hemelse Jeruzalem, een geestelijke stad als woonplaats voor de liefdevollen. De stad heeft enorme afmetingen en de vorm van een kubus, die bij Pythagoras de voltooide meetkundige figuur is.

Tussen tuin en stad is bij 5 Gods hand te zien, die uit een hemelse wolk tevoorschijn komt. De houding van de hand, met wijs- en middelvinger omhoog, geeft aan dat het om een lerende hand gaat, om de verkondiging van een leer. Deze hand is door een pad of weg, door de geestelijke werelden heen met de aarde verbonden als aanduiding, dat de stoffelijke wereld als leerschool uiteindelijk door God wordt geleid. Maar Hildegard wijst meermalen op de vrijheid van de mens voor het goede of het kwade te kiezen, wat door iedereen moet worden geëerbiedigd. Alleen met zachte hand mag de mens op het rechte pad worden gebracht.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

64d. Hildegard, vermogens en geestgedaante 1
In boek I ging het om dagelijkse gebeurtenissen in Gods schepping, in boek II om eigenschappen van de Schepper zelf. In het 2e visioen daarvan zegt de stem van het levende Licht:
"Dit is de diepe zin van het grote goddelijke geheim dat helder door je werd aanschouwd, dat je zou inzien, hoe groot die volheid wel is, welke geen oorsprong kent en nooit vermindert en aan wier kracht alle 'levensstromen' [menselijke geesten] ontspringen. In het volmaakte werk [de mens] herkent men het diepste wezen van de Maker zelf."

Wat zich in het eerste visioen van boek II naar buiten openbaarde door schepping en verlossing, door de goddelijke liefde voor de mens, vinden we in het tweede als het innerlijke leven van God zelf. Hildegard: "Vervolgens zag ik een zuiver licht en in dat licht een mensenbeeld in de kleur van saffier. En deze mensengestalte was omgeven door een zacht trillend vuur. Het zuivere licht doorstroomt het trillende vuur en dit doorstroomt op zijn beurt het zuivere licht. Maar dit zuivere licht en dat trillende vuur verenigen zich, om zich samen uit te storten over het mensenbeeld. Aldus vormen vuur, licht en mensenbeeld slechts één licht en als het ware één volheid van macht ... deze volheid kent geen oorsprong en vermindert nooit."
De volheid is niet alleen eeuwig, maar overschrijdt ook de rand wat op onbegrensdheid wijst en is daardoor de eeuwige oneindigheid van de algeest.

Volgens de stem zijn licht en vuur (warmte), en de kleuren rood en blauw wel te onderscheiden, maar vormen één eenheid van tegendelen. Rood is een doordringende kleur en blauw terugwijkend. Over de blauwe figuur hoort zij de stem zeggen: "Uit de levensbron kwam de moederlijke liefde van Gods omhelzing tot ons." Blauw kan daardoor met vrouwelijkheid en ontvankelijkheid worden verbonden, rood met mannelijkheid en doordringing.

De strekking van wat aan Hildegard is getoond, komt daardoor overeen met wat men mij heeft laten zien. Er was ook licht en warmte, maar i.p.v. rood en blauw waren er de doordringende eigenschappen van licht en warmte, en doordringbare van donker en koelte, waarmee de vermogens samenhangen; zie het volgende stukje.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

64e. Hildegard, vermogens en geestgedaante 2
In haar tijd was het leerstuk van de drieëenheid gemeengoed, maar nu wordt aan haar de betekenis ervan uitgelegd... die blijkt de vier geestelijke vermogens te zijn en ook oorzaak van de menselijke gestalte. De stem zegt:

"Het allerhelderste licht ... is 'zonder smet van bedrog' [dat is: waarheid] ... en duidt de Vader aan [dus: de Vader is waarheid en dat is: denken].
Het allerzoetste rode vuur ... is 'zonder smet van sterfelijkheid' [dat is: levenskracht] en 'zonder smet van duisternis' [dat is: bewustzijn] ... en duidt de Heilige Geest aan [dus: de Heilige Geest is de bewuste kracht en dat is het waarnemen en willen].
De mensengestalte ... is 'zonder smet van verharding' [dat is: zachtmoedigheid] ... en duidt de Zoon aan, uit de Vader geboren [dus: de Zoon is zachtmoedigheid: het voelen]."
De eigenschappen van "De Vader en de Heilige Geest worden kenbaar gemaakt door de Zoon." Of de gestalte geeft de vermogens weer.

Bij een visioen uit Liber Divinorum Operum I,1:
"Ik ben de rationalitas (dat is: 'berekenen', denken), die de wind van het klinkende woord bevat, ... de woorden van de redelijkheid ... waardoor elk schepsel is gemaakt.
Ik ben ook officialis (dat is: 'dienstvaardigheid', voelen). Want de levende dingen branden dankzij mij. Ik ben dienaar en toeverlaat.
En ik ben het equalis leven ('equalis' is a. 'van het paard', dus: kracht, willen; en b. 'van de ruiter': die waarneemt en besluit) in eeuwigheid, dat niet is ontstaan en niet zal eindigen. En datzelfde leven is de zich bewegende en werkende God, en toch is dit leven één in deze drie krachten [en dat zijn de vier vermogens]."

De menselijke geest is in de algeest een verdichting van licht en warmte. Met dat licht en die warmte hangen de geestelijke vermogens samen: waarnemen, denken, voelen en willen. Als de bolvormige geest in zichzelf met deze vermogens werkzaam is, vormen zij een uitstraling (dat is de aura of de ziel), waarin de eigenschapppen van de vermogens vorm geven aan de geestgedaante, die op aarde in het menselijke lichaam tot uitdrukking komt.
Deze uitleg over de drieëenheid komt overeen met die van mystici zoals Emanuel Swedenborg, Jakob Lorber en Murdo MacDonald-Bayne. Door geestkunde is te zien, hoe duidelijk de overeenkomst is tussen die mystici, die uitgebreid verslag hebben gedaan van hun mystieke ervaringen in de geestelijke wereld.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

65a. Hildegard, verhoudingen binnen de godheid
De visioenen van Hildegard zijn uniek in de wereldgeschiedenis, te vergelijken met de werken van Bach, de schilderijen van Rembrandt en de Divina Commedia van Dante.

Haar derde boek behandelt het geheim van de godheid. De jongere, vrouwelijke gestalte is Gods liefde en een wonder van schoonheid. Op haar hoofd is een gouden ring met daarboven een ouder, mannelijk gezicht. Zij vormen een onbeschrijflijke eenheid, uitgebeeld door de ring [ik mocht hen zien als een verenigde tweelinggeest, in liefde in elkaar opgegaan].

De hemelse stem zegt: "Ik ben de hoogste, scheppende kracht, uit mij komt elk levensvonkje voort, ik beslis over alles, door Mij komt alles tot leven. Ik ben zonder begin en zonder einde, Ik ben het leven dat op dezelfde wijze eeuwig voortbestaat. Dat leven is God. Het is voortdurend in beweging, voortdurend werkzaam en zijn eenheid blijkt uit een drievoudige kracht."
Zoals eerder beschreven is dat rationalitas (denken), officialis (voelen) en het equalis leven (willen, waarnemen).
De stem: "In de mens verwezenlijkt Hij de volle bloei van al Zijn werken. Want Hij heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen." Daarop verschijnt in de buik van de goddelijke liefde hun beider kind, de mens. Deze mens is geslachtloos: een mannelijke en vrouwelijke tweelinggeest, zoals de beide goddelijke ouders.
De mens wordt in de schepping op de aarde geplaatst voor zijn groei naar volwassenheid. De schepping met een blauwe kleur, hier het denken, is door God als vader (Jahweh) gedacht; God als moeder, de rode gestalte, hier het voelen, omarmt liefdevol de mensheid op aarde (Sjechinah). De gedachtenwereld van de vader wordt door haar liefdevol met rode stralen doordrongen.

Vergelijk hiermee de schepping van de mens in Genesis: "In het begin schiep God de hemel en de aarde." In de Hebreeuwse tekst staat: "Uit het eeuwig bestaande wezen der ruimte vormde de tweevoudige kracht hemel en aarde." Deze tweevoudige kracht wordt verder 'de elohim' genoemd, een samenstelling van de Hebreeuwse woorden:
'el': god;
'eloh': godin (het vrouwelijke enkelvoud van 'el')
'elim': goden (het mannelijke meervoud van 'el').
Het woord 'elohim' heeft daardoor de betekenis: de godin en de god, m.a.w. 'God als tweevoudige kracht, als vrouw en man'. Zij zeggen: "Laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijkenis... en zij schiepen de mens als man en vrouw."

Bron uitleg Genesis: Max Heindel - Leer der Rozekruisers

← terug naar Hoofdonderwerp 14

65b. Hildegard en de levensweg van de mens
Vanuit de hemel wordt aan Hildegard getoond dat de mens, weliswaar een godenkind, toch een kind is, dat een groei naar volwassenheid moet meemaken.

Haar derde visioen laat zien, dat er vier x drie winden [krachten] zijn uit evenzoveel dierenkoppen, die de schepping in stand houden. Deze winden komen overeen met vier krachten in de mens.
De toestand waarin de mens op aarde verkeert, is, dat die schijnbaar aan zichzelf is overgelaten - want God zelf is in zijn schepping onzichtbaar - waardoor de mens in vrijheid zelfstandig keuzes kan en moet maken.
Om te kiezen moet de mens zijn vermogens gebruiken, waardoor zij tot ontwikkeling komen.

De stem van het levende Licht zegt: "Als de krachten [het willen] van de mens alle worden beheerst, als de gedachten [denken] van de mens noch te heftig, noch te slap zijn, dan wordt hij vredig [voelen] in zijn hart en licht in zijn rede [denken]. Dan wordt de geest de dochter van de Eerste [God].
Wat jou betreft, mens, die dit schouwspel ziet [waarnemen], begrijp dat deze verschijnselen ook het binnenste van de geest betreffen!"
In deze alinea worden de zelfverwerkelijking en de hereniging beschreven.

Dan "De vier voornaamste winden komen overeen met de vier krachten in de mens:
- het denkvermogen [denken]
- het woord [hoorbare gedachte: waarnemen]
- de wil [willen]
- en het gevoelsleven [voelen].
Zoals elke wind naar links of rechts kan blazen, zo kan de geest, geholpen door deze vier krachten, door zijn natuurlijke kennis het doel van zijn keuze bereiken door nu eens het goede, dan weer het kwade te kiezen."
De mens heeft dus een vrije keuze en heeft die nodig om zich te kunnen ontwikkelen.

Het vierde visioen toont de levensweg van de mens, die wordt vergeleken met de gang door de vier jaargetijden.

De stem zegt: "De aarde stelt de mens voor. De mens wordt, door de vijf zinnen die hem in staat stellen in zijn behoeften te voorzien, tot zijn zieleheil geleid."
De werkzaamheid van de geest lijkt op een boom die vruchten geeft.
"De geest heeft vier vleugels [geestelijke vermogens]: de zintuigen [voelen], de kennis [waarnemen], de wil [willen] en het verstand [denken]."

De stem vervolgt: "De geest, zolang hij in het lichaam woont, voelt Gods aanwezigheid, omdat hij uit God is voortgekomen, maar zolang hij zijn taak onder de mensen vervult, ziet hij God niet.
Als de geest de werkplaats die het lichaam voor hem is heeft verlaten en oog in oog met God komt te staan, dan zal hij zijn ware toestand leren kennen en zijn vroegere afhankelijkheid van het lichaam." [De geestestoestand van onbewuste vereenzelviging.]

"God heeft in de gedaante van de mens zijn hele werk vastgelegd."

De overeenkomst van dit alles met geestkunde is duidelijk.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

65c. Hildegard en de voorstelling van de Mater Sapientia
In het Oude Testament leeft de vrouwelijke paargenoot van Jahweh nog voort als Sjechinah: zij, die bij ons woont. In de Spreuken van Salomo treedt zij zelfstandig op als Sophia, de Wijsheid, als eerste uit de godheid afgescheiden naast Jahweh. De eerste christenen waren hiermee vertrouwd en in de Oosters Orthodoxe Kerken is dit beeld van God als moeder behouden gebleven, getuige de ikonen van de Mater Sapientia of Sophia. Hiervan is er een te vinden in de Sophia-kathedraal van de Russische stad Nizjni Novgorod.

De wijze waarop de Mater Sapientia, God als moeder, daar is afgebeeld, duidt erop dat zij gelijkwaardig is aan God als vader. Beiden hebben een stralenkrans of aureool rondom het hoofd. God als vader heeft daarin een kruis, God als moeder draagt een kroon op haar hoofd. Beiden bevinden zij zich in een stralenkrans rond het lichaam: een mandorla. Bij beiden is dat de weergave van de drie hemelen (donkerblauw, blauw en lichtblauw), die zij alle drie bewonen.
God als vader heeft een zetel in de hemelen, omringd door drie paar engelen; God als moeder heeft er een die ook op de aarde rust en met zeven staven, getal van de wijsheid, daarmee is verbonden.
Sophia bevindt zich tussen hun godenkinderen (immers volgens Genesis 1:26 "Zij schiepen de mens naar hun beeld als man en vrouw.") De wijze waarop zij zich tussen hen bevindt, wijst op de betekenis van haar naam: 'zij, die bij ons woont'.
Zij zit op een rond, rood kussen (rond is de hemel) en haar voeten rusten op een rond voetenkussen; maar haar zetel is vierkant: de aarde, zoals ook de zetel van God als vader vierkant is; ook hij is immers verbonden met de eeuwige oneindigheid en daardoor ook met de aarde.
Links naast haar staat Maria, zwanger van Jezus en rechts staat Johannes de Doper, die een boodschap in zijn handen heeft: hun godenkinderen. Zij staan op een vierkant, zinnebeeld van de aarde.
Sophia heeft in haar hand een herdersstaf, die de hemel met de aarde verbindt en waarmee zij de mensheid leidt.

Ruim een millennium later krijgt Hildegard een overeenkomstig beeld te zien, alleen omarmt God als moeder in Hildegards visioen haar kinderen, op het ikoon staat zij tussen hen in.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

65d. Hildegard en Zarathoestra
De oudste van de godsdienststichters in het Midden-Oosten is de profeet Zarathoestra (14e-12e eeuw v.Chr., Perzië) of met zijn Griekse naam Zoroaster; zijn vrouw was Arduizur.
De hoogste godheid in zijn leer is Zurvan Akarana (letterlijk: Eindeloze Tijdsruimte, m.a.w. eeuwige oneindigheid: de algeest), die zowel mannelijk als vrouwelijk is: op de afbeelding een gedeelde tweelinggeest. Uit hun scheppende werkzaamheid kwamen goden en godinnen voort, en de engelen (amahraspands).
Onder de goden bevond zich ook de tweeling Ahura Mazda (het grote licht, goddelijke wijsheid) of Ormoezd, het goede en Ahriman (Angra Mainya: slechte geest), het kwade.

Op de zilverplaat uit Luristan staat Zurvan Akarana in het midden. Zoals bij Hildegards visioen is de mannelijke helft (met baard) boven, de vrouwelijke beneden (met een wijd uitwaaierend kleed) en ook op een bijzondere manier met elkaar verbonden. Naar rechts bovenaan worden mannelijke goden (met baard) geschapen, naar links vrouwelijke. Zij bezitten een vleugel op een staf. De vleugel, waarmee de vogel kan vliegen, betekent: geestelijk vermogen. De staf verbindt boven met beneden, hemel en aarde. De herdersstaf wordt gebruikt om schapen te weiden of om leerlingen geestelijk te leiden.
Het ronde hoofddeksel is een weergave van hun geestelijke uitstraling.
Aan de linker kant beneden bevinden zich ook de engelen op de voorgrond, wel al met een vleugel, maar nog niet op een staf.

De leer van Zarathustra is samengevat in het heilige boek van het zoroastrisme (tegenwoordig in de vorm van Mazdaznan), de Avesta. Zijn leer behelst een deugdzaam leven, waarbij het gaat om het kiezen van goede gedachten, goede woorden en goede daden; dat leidt tot het geweten, de strijd tussen goed en kwaad in de mens. Volgens zijn leer gaat het leven door na de dood van het lichaam; in ieder bestaan moet de mens zichzelf verbeteren, om zich uiteindelijk met Ahura Mazda te kunnen verbinden.
In de eeuwen na Zarathoestra ontstond het zurvanisme, waar men zowel Ahura Mazda als Ahriman beschouwde als nakomelingen van Zurvan Akarana. Aan het einde der tijden zou Ahura Mazda overwinnen en gaan regeren.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

65e. Hildegard en de beschermengel
Door een lezing, verzorgd door broeder Henri Boelaars OSB over Hildegard van Bingen, maakte ik kennis met haar visioenen, die mij onmiddellijk aanspraken.
Nadat wij het boek De Levensweg hadden uitgegeven, ontstonden er gespreksgroepen en één van de deelneemsters was spiritueel schilderes Tiny Grünewald. Zij nodigde ons uit en bij die gelegenheid overhandigde zij mij het schilderij, rechts op de afbeelding. Zij had het ooit gemaakt en had nu de ingeving gekregen, dat het voor mij bestemd was.

Ik zag meteen de overeenkomst met Hildegards eerste visioen uit haar boek LDO, links. Uit de engelenliteratuur (zie de website) was mij bekend, dat engelen tweelinggeesten zijn en Gods boodschappers, waarbij één van hen, hier de mannelijke geest, het bovenste gezicht, naar boven kijkt en de vrouwelijke geest naar de mens beneden, die zij begeleiden. Die mens ligt als een klein kindje in haar armen, terwijl de mannelijke geest zijn armen om beiden heen slaat.
Om hen heen is in het geel een slang zichtbaar, zinnebeeld van geestkracht en wedergeboorte, doordat de slang ieder jaar uit zijn oude huid kruipt en een nieuwe krijgt, dus: zelfvernieuwing, zelfverwerkelijking. Het geel doordringt het hele schilderij, zoals bij Hildegard het rood van God als moeder de hele schepping en de mens doordringt.

Op beide afbeeldingen staan zij beiden op één paar voeten, hebben hun lichamen een gezamenlijke bolvorm en is het mannelijke hoofd boven het vrouwelijke, wat aangeeft dat het om tweelinggeesten gaat. Zij zijn in liefde geheel in elkaar opgegaan, waarbij de mannelijke vorm de buitenzijde is en de kleinere, vrouwelijke vorm de kern, het hart. Dit komt weer overeen met Zurvan Akarana en Sophia, zie de vorige artikeltjes.
Later werd ik tijdens zelfbezinning in vervoering gebracht en bevond mijzelf op overeenkomende wijze in de armen van mijn beschermengel, waarbij zij liefdevol naar mij keek en ik zag, dat hij naar boven keek. Ik mocht een bevestiging meemaken van de betekenis van beelden, van Hildegard, Sophia en Zurvan Akarana, uit een ver verleden, maar blijkbaar met een eeuwige waarde, beelden die zeggen: het gezin is de grondslag van schepping en mensheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 14

66a. De gulden snede (proportio divina)
Een snede is in de wiskunde een punt, waar een lijnstuk in twee delen wordt doorgesneden, verdeeld (zie de tekening: s). De gulden snede is een unieke verdeling, waarbij de beide delen een hechte, samenhangende verhouding hebben, want niet alleen met elkaar, maar ook met het gehele lijnstuk.
Bij de gulden snede is namelijk de verhouding van het kleine deel (b) tot het grote (a) gelijk aan de verhouding van het grote deel tot de hele lijn (de som van beide): b : a = a : (a+b).
De drie delen vertonen daardoor een grote mate van overeenstemming; en overeenstemming van vormen, kleuren en klanken is de omschrijving van schoonheid.

Deze verhouding werd waarschijnlijk ontdekt door Theano, Pythagoras' vrouw; zij was arts en leerlinge van zijn school, de pythagoreeërs. Plato bouwde later voort op zijn leer en beschreef die in zijn boek Timaios, waarin ook de gulden snede wordt vermeld.
De gulden snede wordt ook beschreven door de Griekse wiskundige Euklides in zijn boek de Elementen.

De gulden snede heeft een groot aantal kenmerken, waaronder een verhouding, getal en rij:
a. Een lijn wordt bij s in tweeën gedeeld, zo, dat deel b zich verhoudt tot deel a als a zich verhoudt tot het geheel: b : a = a : (a+b).
b. Door wiskundige constructie blijkt punt s te zijn: 0,618... Als de lijn (a+b) 1 m is, dan is a 0,618 en b 0,382 m. Dit in de formule invullen, dan: 0,382 : 0,618 = 0,618 : 1. Delen door 1 kan vervallen, dus 0,382 : 0,618 = 0,618 (!) Van deze breuk is de uitkomst gelijk aan de noemer; dit is alleen het geval bij de gulden snede.
c. De Fibonacci-rij ontstaat door steeds de laatste getallen van de rij op te tellen. Worden die laatste twee getallen gedeeld, dan nadert de breuk het getal phi (φ) is 0,618 van de gulden snede.
Als bij 1 wordt begonnen, is de rij van Fibonacci: 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55 ...
Bijvoorbeeld bij: 34 : 55 = 0,618.

Schoonheid is een overeenstemming in de verhoudingen tussen vormen, kleuren en klanken, die een aangename indruk maakt op de menselijke geest, doordat die daarin iets wezenlijks van zichzelf herkent, n.l. zijn scheppende werkzaamheid en zich daarin verheugt. Dit is de persoonlijke, subjectieve schoonheidsbeleving.
Volgens de Griekse filosofen was het heelal een 'kosmos', een schoonheid: de welgeordende indeling en eenheid van de schepping en daarmee een objectieve schoonheid.

"Het goede is van nature altijd schoon en
aan schoonheid ontbreekt nooit een verhouding."
Plato, Griekse filosoof (427-347 v.Chr.)

"Schoonheid is enkel het geestelijke,
waarvan men zich gevoelsmatig bewust wordt."
Hegel, Duitse filosoof (1770-1831)

← terug naar Hoofdonderwerp 15

66b. Fibonacci-spiralen, ontstaanswijze
Samengesteldbloemigen zoals margriet en zonnebloem, hebben lintbloemen aan de rand en buisbloemen op het bloembed in het hart. De laatste worden afgezet vanuit een stamcel (1) in het midden, het meristeem genoemd (de verdeler). Dit vormt de cellen voor de buisbloemen en later de zaden.

Deze cellen (primordia) worden in een schijnbaar draaiende beweging om het meristeem afgezet, de volgende cel steeds een hoek van 137,5° verder. Als de kleine binnenhoek 137,5° is, dan is de grote buitenhoek:
360° - 137,5° = 222,5°; als dit getal wordt gedeeld door 360°, is de uitkomst 0,618, het getal phi van de gulden snede. Deze hoek wordt daarom de gulden hoek genoemd.

Het aantal jonge cellen rond het meristeem wordt bepaald door hun eigen groeisnelheid en is altijd een Fibonacci-getal. Als het een eerste ring van (hier) 13 cellen (F-getal) heeft afgezet (2), komt er een tweede ring, maar ondertussen zijn de eerst afgezette cellen ook gaan groeien. Tegelijk worden deze door de volgende ring naar buiten geduwd (3).
Het meristeem zet voortdurend nieuwe ringen af (4), wat hier schematisch is getekend. In werkelijkheid ontstaat er rondom deze cel een schijnbare chaos van nieuwe en al groeiende cellen die elkaar verdringen, maar uiteindelijk komt hier toch een duidelijk zichtbare orde uit voort. De buisbloemen staan op het bloembed namelijk in een patroon waarin zij tot twee groepen spiralen behoren. Daarvan waaiert de ene groep naar rechts (5) uit, de andere naar links (6). Deze Fibonacci-spiralen komen vrijwel met logarithmische spiralen overeen. De aantallen spiralen verhouden zich als F-getallen, bij de margriet 21 naar links en 34 naar rechts.
Deze verdeling over het bloembed zorgt voor het nuttigste gebruik van de ruimte; berekeningen met andere hoeken laten chaos en open plekken zien.

Door de spiralen lijkt het hart van de samengesteldbloemigen op een draaikolk. De mystica Hadewich beschreef als haar godservaring: "God is een grondeloze 'wieling' (draaikolk), die alles bevat." Op het bloembed van b.v. margriet en zonnebloem is Gods scheppingskracht daardoor openlijk zichtbaar werkzaam.

In het bloembed van deze bloemen, maar ook in een korenaar wordt Gods scheppingskracht zichtbaar, doordat het meristeem, dat aanvankelijk uit één zaadje omhoog is gegroeid, zich hier aangekomen veelvoudig begint te vermenigvuldigen; dit is de vermeerdering van zaden die in de hele natuur voor voortplanting en leven zorgt.

← terug naar Hoofdonderwerp 15

66c. Jakob Lorber en de gulden snede
De Oostenrijkse mysticus Jakob Lorber schreef 32 boeken, samen meer dan 10.000 blz. De tekst is samenhangend en één en dezelfde persoon heeft Lorber hierin begeleid. Zij werden hem door Jezus 'in de geest' gedicteerd; hij hoorde en zag wat Jezus hem vertelde.
In het Grote Johannes Evangelie, elf boeken, worden de drie jaren van Jezus' openbare leven van dag tot dag beschreven en wordt verslag gedaan van gesprekken die Jezus met leerlingen en omstanders voerde. Zij bevestigen de Bijbel.

In 'De Huishouding van God' deel 3 wordt de grondslag van de verhouding van de mens met God en de schepping behandeld in een gesprek tussen de Heer, Henoch en twee personen met de naam Lamech. Henoch is de zoon van Kaïn, vader van Methusalem, voorvader van Noach. Hij leefde in de tijd dat het geestesoog van de mens nog door begeleiders was te openen en de mens rechtstreeks door God kon worden benaderd, zoals o.a. voor de aartsvaders en profeten is beschreven.

Bij genoemd gesprek blijkt dat de verhouding van de anderen tot de Heer niet zodanig is, dat die in hun midden staat. In tegendeel, de Heer plaatst twee van hen aan zijn rechter en een aan zijn linker zijde (zie afbeelding). De Heer komt op de derde plaats in de rij te staan; deze plaats temidden van zijn schepselen komt (vrijwel) overeen met de verhouding van de gulden snede.

Samenvatting van een deel van dit filosofische gesprek over de verhouding in de schepping: daar is met iedere stoffelijke vorm een geest verbonden, die er de levenskracht van is. Deze geest moet niet samenvallen met het stoffelijke 'zwaartepunt' van die levensvorm, want dat remt zijn levendigheid. De geest moet vrij kunnen waarnemen en het waargenomene verwerken met de vermogens, waardoor de geest tot leven komt. Maar de geest moet daarvoor over levensruimte beschikken en enige afstand tot dat 'zwaartepunt' bewaren om van daaruit de levensvorm in beweging te kunnen brengen. De verhouding tussen de lichte geest en de zware levensvorm komt met de gulden snede overeen. Zij is de grondslag van Gods schepping en komt daar tot uiting, waar schoonheid is ontstaan.
Wordt vervolgd over de verhouding met de mens.

← terug naar Hoofdonderwerp 15

66d. De proportio divina of goddelijke verhouding
Met een lijnstuk kan de verhouding van de gulden snede eenvoudig worden weergegeven, maar dat kan ook met de gulden rechthoek: daar is het de verhouding van de hoogte a en de breedte c.
In de boeken van Jakob Lorber is te lezen dat deze meetkundige verhouding een weergave is van een persoonlijke verhouding (zie de figuren in de afbeelding) want zoals daar is te lezen, heeft alles in de stoffelijke wereld een geestelijke oorsprong en daardoor ook meetkundige vormen, zoals de gulden rechthoek.

In zijn Grote Johannes Evangelie, 3 blz. 365 staat: "... rechtvaardige en vrome mensen, die in een zekere geestesvervoering zijn gebracht, waarin zij de geest van God zagen als een licht, dat alle ruimten der oneindigheid vervulde en zagen, dat zij zelf een deel van dat licht waren."
Hier wordt de ongevormde oertoestand van de goddelijke algeest beschreven, waaruit door bolvormige verdichting de menselijke geesten als geestelijk licht en geestelijke warmte zijn voortgekomen. Daarmee hangen de geestelijke vermogens samen, zoals in de eerste stukjes is beschreven. Door die vermogens te gebruiken, krijgt de geest een uitstraling, de ziel, die op den duur als menselijke gestalte wordt gevormd: de geestgedaante.
Voor zijn ontwikkeling moet de geest die vermogens bewust en beheerst leren gebruiken, waardoor zij worden tot het geweten en de deugden; daarvoor begaat de mens een ontwikkelingsweg, waarop die door de algeest wordt begeleid, maar wel in de zichtbare vorm als de heilige geest. Overal in zichzelf waar dat nodig is, kan de algeest zich tot die heilige geest verdichten en één keer is die in de mens Jezus bij de mensheid op aarde geweest.

Deze verhouding tussen de mens, de heilige geest en de algeest wordt door Jezus uitgesproken in Johannes 14:6 "... de mens komt alleen door Mij tot de Vader." M.a.w.: de mens (het kleine deel, b) komt alleen door Jezus (of de heilige geest, het grote deel, a) tot de Vader (de algeest, het geheel, c).

Alleen door de band met Jezus ontstaat het nagestreefde geheel: Joh. 17:21 "Opdat zij allen één zijn, gelijk U in Mij en Ik in U, dat ook zij in ons zijn ..."
Joh. 17:22 En de heerlijkheid, die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, zoals wij één zijn. Ik in hen en U in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, ...
14:20 Op die dag zult u weten, dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u.
14:28 ...want de Vader is meer dan Ik.
15:9 Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad...

← terug naar Hoofdonderwerp 15

67a. De Fibonacci-spiraal in de natuur
Er zijn meerdere soorten spiralen, waaronder de logarithmische; een kenmerk ervan is de hoek van de raaklijn met de kromme spiraallijn. Blijft die overal op de kromme lijn gelijk en is die 81° groot, dan valt deze logarithmische spiraal vrijwel samen met die van Fibonacci.
Die spiraal wordt met de getallen van de Fibonacci-rij als volgt gevormd: begin met één vierkant met zijde 1 en één vierkant ernaast, hierboven komt een vierkant met zijde 2, rechts ervan een met zijde 3, daaronder met zijde 5, links ervan met zijde 8, erboven met zijde 13, rechts ervan met zijde 21, eronder met zijde 34, links ervan met zijde 55 enz. (zie de tekening). Trek vanuit een der hoeken van een vierkant de kwartcirkel zoals getekend en verbind deze met elkaar tot de (rode) Fibonacci-spiraal.

In de natuur komen benaderingen hiervan veel voor, hieronder enkele voorbeelden.
Zoals uiteengezet in stukje 66b, is die spiraal de groeicurve van pas gevormde en groeiende cellen op het bloembed van de zonnebloem, van de familie der samengesteldbloemigen en van andere families; maar die is ook de groeicurve van de inktvis en zijn schelp die tegelijkertijd wordt gevormd, alsook bij andere dieren zoals slakken.
De vorm van de draaikolk (vortex) beantwoordt eraan, alsook die van depressies. In het heelal vertonen veel sterrenstelsels deze spiraal en ook de schijf rond zwarte gaten, waarlangs zij materie aantrekken.

Volgens Pythagoras berust alles in de schepping op verhouding van getallen, wat de formules voor de logarithmische spiraal en de Fibonacci-rij bevestigen. Daarnaast wordt de Fibonacci-spiraal gevormd m.b.v. vierkanten, wat met Pythagoras' tetraktys samenhangt én volgens zijn getallenleer betekent de 9 voltooiing, en de hoek van genoemde logarithmische spiraal is 81° groot, dat is 9x9!

Zoals in stukje 63c beschreven verbond de neoplatonist Jamblichus in de numerologie zijn getallenleer met de 9 persoonlijkheidskenmerken, die met de vier geestelijke vermogens en beide instellingswijzen samenhangen. Die vermogens komen vanuit de geest door de ziel heen tot uitdrukking in de 7 chakra's die de vorm van de vortex hebben, de ruimtelijke logarithmische spiraal.
Eigenschappen van de geest komen zo tot uitdrukking in die van de stof, zoals de draaikolk.

Zoals gezegd berust volgens Pythagoras (6e eeuw v.Chr.) het heelal op getalsmatige verhoudingen. De hedendaagse Amerikaanse natuurkundige Leonard Susskind valt hem bij en zegt: "Het is niet alleen makkelijker om het universum met wiskunde te beschrijven, maar als je dieper in de materie duikt, wordt wiskunde de enige manier om de werkelijkheid te beschrijven."

← terug naar Hoofdonderwerp 15

67b. Pythagoras' toonladder, de gulden snede en de chakra's
Pythagoras was niet alleen een veelzijdige filosoof en wiskundige, maar ook een begenadigde lierspeler. Hij deed mystieke ervaringen op door het toepassen van de z.g.n. tempelslaap; bij zijn bezoeken aan de geestelijke wereld leerde hij de 'harmonie der sferen' kennen, reden waarom hij bij zonsopgang met zijn leerlingen de zon met lierspel begroette.

Hij hechtte grote waarde aan muziek en bouwde een monochord, een klankkast met één snaar met een verplaatsbare kam, om klanken te bestuderen. Hij luisterde naar de klanken links en rechts van de kam en koos de plaatsen waar de verhouding welluidend was. Zo ontdekte hij de zeven tonen van de diatonische toonladder. Hij deelde die in uitgaande van de prime en het octaaf, én van de vijfde toon, de kwint, die hij naast de genoemde een belangrijke toon vond. Deze toonladder is eeuwenlang in gebruik geweest, maar moest later worden aangepast om meerstemmige muziek en het gebruik van toetsinstrumenten met meerdere accoorden, mogelijk te maken; o.a. Galilei stelde een geschikte toonladder vast. In de negentiende eeuw werd verder de gelijkzwevende stemming ingevoerd.

Pythagoras' toonladder was wiskundig opgebouwd en had 7 hele noten, b.v. de toonladder van C: C, D, E, F, G, A, B, (C'). Voor meerstemmige muziek moest later een toonladder met 12 halve noten worden ingevoerd; die van C werd: C cis D dis E F fis G gis A ais B (C') met 12 halve toonsafstanden.
De prime (C, do) was de grondtoon, de kwint (G, so) de dominant, de C' het octaaf; dat was ook de 1e boventoon en de 2e boventoon de 2e kwint G'.
De kwint (G) is de 8e halve toon in de rij van 12. De wiskundige verhouding van de trillingsgetallen tussen de prime (C) en de kwint (G) is gelijk aan 12√28 is 1,6180 ... het getal Φ (Phi) van de gulden snede (1:1,618=0,618).

Het enige wat Pythagoras tot zijn beschikking had, was zijn monochord en eigen gehoor. Daarmee vond hij niet alleen de toonladder, maar ontdekte ook het belang van de kwint. In het slakkehuis in het gehoor van de mens is bij de trilhaartjes dus een verhouding te vinden, die met de gulden snede overeenkomt!

Door de oosterse kennis van de chakra's en de invloed van klankschalen die daarop uitgaat, werd de samenhang tussen de toonladder van Pythagoras en de chakra's gevonden. De keelchakra komt met de kwint overeen en daardoor met de gulden snede.

Door zijn uittredingen tijdens de tempelslaap ervoer Pythagoras de harmonie der sferen en de tonen van de planeten. De grootste componist aller tijden, Johan Sebastiaan Bach zei bij zijn overgang naar het hiernamaals: "Nu ga ik naar de plaats waar mijn muziek vandaan komt!"

← terug naar Hoofdonderwerp 15

67c. Pythagoras' harmonie der sferen, het planetenstelsel en de gulden snede
Het zonnestelsel is ontstaan door bolvormige verdichting van waterstofgas en sterrenstof tot de jonge zon, met daaromheen een schijf met dezelfde stoffen, waarin zich door eenzelfde bolvormige verdichting planeten vormden. In het begin draaiden die op wanordelijke wijze om de zon en kwamen er botsingen voor; maar vooral buurplaneten hadden door hun zwaartekracht invloed op elkaars omloopbanen, waardoor die in overeenstemming kwamen: 'resoneerden' met 'baanresonantie' als gevolg.

Geleidelijk ontstond er zo een wisselwerking tussen de planeten, waardoor het zonnestelsel zich ontwikkelde tot een organisch wezen, een organisme zoals het menselijke lichaam. Alle hemellichamen van het zonnestelsel, zowel de zon als de planeten en hun manen, zijn door zwaartekrachten met elkaar verbonden en vormen een hemels uurwerk, waarin ze ritmisch en harmonisch bewegen.

Het blijkt dat er een stabiele toestand intreedt als door baanresonantie de verhouding van de omlooptijden van buurplaneten of -manen gelijk is aan of een benadering is van de gulden snede, in de vorm van Fibonacci-getallen.
Bijvoorbeeld: de omlooptijd van Venus is 224 dagen, die van buurplaneet aarde 365 en de verhouding van hun omlooptijden 8:13 (Fibonacci-getallen) of 0,615 (vrijwel phi). Wordt er een denkbeeldige lijn getrokken tussen de aarde en Venus, dan beweegt door hun omlopen het middelpunt ervan zo, dat een bloemvormig patroon ontstaat, zie de afbeelding. Daar hun omloopbanen bijna rond en concentrisch zijn, is het gevormde patroon een vrijwel regelmatig pentagram, waarin alle lijnstukken zich als de gulden snede verhouden.
Voor Jupiter en Saturnus is de verhouding 2:5, voor Neptunus en Pluto 2:3 en ook voor hun manen gelden Fibonacci-verhoudingen. Door de zoektocht naar exoplaneten is dit verschijnsel in het hele heelal aangetroffen.

Pythagoras ontdekte door de harmonie der sferen dat alles op verhouding van getallen berust, wat niet alleen voor de tonen van de toonladder geldt, maar ook voor bewegingen van hemellichamen in het heelal. Dit is bevestigd door sterrenkundig onderzoek, waarvoor o.a. Kepler de aanzet gaf.

Johannes Kepler (1571-1630), Duitse astronoom, astroloog, wis- en natuurkundige zei:
"De geometrische wet die zich in het planetenstelsel openbaart, is de enige en eeuwige weerspiegeling van de geest van God. Het feit dat de mens in deze geometrie kan delen, is voor mij een aanwijzing dat de mens een beeld is van God."

En Isaac Newton (1643-1727), Engelse natuurwetenschapper en natuurfilosoof:
"Twijfel niet aan de Schepper, want het is ondenkbaar dat toeval alleen de sturing van dit universum kan zijn."

← terug naar Hoofdonderwerp 15

68a. Plato's regelmatige veelvlakken en hun verband met de elementen, gulden snede en vermogens 1
Plato bouwde voort op het gedachtengoed van Pythagoras, dat hij in zijn boek Timaios behandelde. Daarin stelde hij dat de vijf elementen met de vijf regelmatige veelvlakken samenhangen (zie afbeelding). Pythagoras kende er drie: kubus, tetra- en oktaëder; later werd de ikosaëder ontdekt en Aristoteles vond als laatste de dodekaëder.
Ieder regelmatig veelvlak wordt gekenmerkt door gelijke vlakken, ribben en hoeken, en een omgeschreven en ingeschreven bol. Ook hangen zij alle met de gulden snede samen, doordat drie in elkaar geschoven gulden rechthoeken (zie de kubus) op enigerlei wijze in alle vormen passen (zie de website).
Door deze eigenschappen zijn zij een schoolvoorbeeld van eenheid in verscheidenheid.

De elementen hangen ook met de geestelijke vermogens samen, wat als volgt kan worden beredeneerd:
met aarde kunnen vormen worden gemaakt, die je kunt waarnemen;
lucht kan in trilling worden gebracht, waardoor je gedachten kunt verwoorden;
het water voegt zich naar het voorwerp, dat het liefdevol in zich opneemt;
het vuur beweegt geheel uit zichzelf zoals de wilskracht;
het woord 'ether' komt van het Griekse 'aither': hemelstreek, de geestelijke wereld.

En ten slotte is er verband tussen veelvlakken en vermogens:
kubussen kunnen worden gestapeld tot vormen, die zijn waar te nemen;
de zes hoekpunten van de oktaëder raken aan de zes middelpunten van de kubuszijden en is de eerste inwendige vorm: het beeldende denken;
het dichtst bij de kern, het hart, bevindt zich de ikosaëder, het voelen;
de tetraëder wordt door de zes diagonalen van de kubuszijden gevormd en heeft scherpe hoeken, die steken zoals vuur, het willen;
de kern wordt door de meest ronde, de dodekaëder, de geest gevormd.
Zie het volgende stukje voor de hiermee samenhangende volgorde van de regelmatige veelvlakken.

De gevolgtrekking is:
het element aarde hangt samen met waarnemen en dat met de kubus;
lucht hangt samen met denken en dat met de oktaëder;
water hangt samen met voelen en dat met de ikosaëder;
vuur hangt samen met willen en dat met de tetraëder;
en de geest die van dit alles de kern is, hangt samen met de dodekaëder.

← terug naar Hoofdonderwerp 15

68b. Plato's regelmatige veelvlakken en hun verband met de elementen, gulden snede en vermogens 2
De vijf veelvlakken passen op één manier alle in elkaar, waarbij de volgende redenering mogelijk is.

- Met aardse stoffen kan men voorwerpen vormen die de aandacht trekken, waardoor de geest ze in de buitenwereld waarneemt; daardoor is de kubus de buitenzijde van het geheel van veelvlakken.

- Vuur kan zich met die voorwerpen verbinden, wat verbranding veroorzaakt als een heftige beweging (is de betekenis van 'branden'); daardoor komt het vuur overeen met de wilskracht, waarmee de geest werkzaam kan worden.

De geest is in wezen bewuste levenskracht; waarnemen is het vermogen zich van iets bewust te worden en willen het vermogen een kracht uit te oefenen. Daardoor horen aarde en vuur als kubus en tetraëder bij elkaar als bewuste levenskracht. De zes ribben van de tetraëder liggen als de diagonalen in de kubuszijden; daardoor vormen zij een aparte eenheid en aan de buitenkant.

- Na het waarnemen van een voorwerp moet de betekenis worden beoordeeld, waarvoor het denken volgt als de oktaëder, gevormd vanuit de zes middelpunten van de kubuszijden. De gevormde gedachten worden met woorden uitgesproken: bewegingen van de lucht in de buitenwereld, waarin zij tot klinken komen.

- Het waargenomen voorwerp kan de geest ook ontroeren, innerlijk in beweging brengen, wat als een gemoedsbeweging, een gevoel wordt ervaren; daardoor is het volgende veelvlak de ikosaëder, het water, dat zich gedienstig opent voor en liefdevol aanpast aan het voorwerp dat in haar wordt gebracht en zo in beweging brengt. De ikosaëder ligt rondom het middelpunt van de kubus, de kern.

Het waarnemen en willen zijn de vermogens waarmee de geest zich eerst voor de omgeving openstelt en er na beoordeling op inwerkt; het denken en voelen zijn de beoordelende vermogens, werkzaam in het innerlijk van de geest.

- Het middelpunt van de kubus wordt gevormd door de dodekaëder, als vijfvlak de meest bolvormige, als vijfde de 'kwintessens' (quinta essentia: het vijfde wezen), het punt waar alles om draait. Door zijn vijf-talligheid maakt hij de vier-plus-één veelvlakken tot een éénheid, wat de menselijke geest als vijfde doet met de vier vermogens waarmee die werkzaam is.

← terug naar Hoofdonderwerp 15

68c. Plato's wagenmenner, 1 de vermogens
Samenvatting uit Phaidros (Phaedrus) 1
De geest beweegt uit zichzelf en werkt naar binnen en naar buiten; wat uit zichzelf beweegt, is onsterfelijk en de bron van beweging voor alle andere dingen. De geest is het begin van alles en is zelf ongeschapen, want wat eeuwig beweegt, houdt daar nooit mee op en kan daardoor zelf niet worden voortgebracht.

Plato noemt de geest de stuurman van de ziel; de geest verheugt zich (voelen) bij het zien van de geestelijke werkelijkheid (waarnemen), van rechtvaardigheid (voelen) en zelfbeheersing (willen); de geest voedt zich met kennis en begrip van het wezenlijke (denken), aanschouwt de eeuwig bestaande dingen met bewondering (voelen) en neemt die in zich op (waarnemen).

De geest is te vergelijken met een wagenmenner met twee paarden. Het rechter paard is goed gebouwd, heft het hoofd naar de hemel en is licht van kleur, het heeft de waarheid lief en laat zich leiden door gezond verstand (denken), is eerbiedig en ingetogen (voelen), en matig (wilskracht).
Het linker paard is slecht gebouwd, kijkt naar de aarde, is donker van kleur, overmoedig, losbandig en gehoorzaamt de menner nauwelijks. Het begeert zintuiglijk genot, het laat zich moeilijk door de anderen tegenhouden en kan hen juist meeslepen.
De menner zoekt schoonheid (waarnemen), neigt naar matigheid (willen), gebruikt de zweep met de linker hand en trekt met de rechter hand de teugels van het linker paard aan als dit zintuiglijk wordt; daardoor wordt het echter driftig, maakt de anderen verwijten, waarvoor het rechter paard zich schaamt; maar door deze innerlijke tweestrijd kan het toch zover komen dat het linker paard zich mokkend aanpast.

De wagenmenner is de redelijkheid (denken), die de driftmatigheid van het linker paard moet omvormen tot de geestdrift van het rechter. Als de geestelijke eigenschappen, die tot een ordelijk leven (willen) en liefde (voelen) tot de waarheid (denken) en de deugden leiden, worden ontwikkeld, leeft het drietal gelukkig en in overeenstemming met de wetten van het heelal. Zij hebben de oorzaak van leed: hebzucht en heerszucht, overwonnen.
Krijgt het linker paard echter de overhand, dan wordt het innerlijke leven van de geest verstoord en stort die uit de hemel op aarde, waar die herhaalde malen door geboorte in een lichaam de gelegenheid krijgt, driftmatigheid te overwinnen en om te zetten in geestdrift.

Zoals gezegd noemt Plato de geest de stuurman van de ziel, wat betekent dat de geest de leidende eenheid is. Die heb ik daarom in deze en de volgende samenvatting als de met de geestelijke vermogens werkzame zelfstandheid, als geest i.p.v. ziel benoemd. Waar kenmerken van de vermogens ter sprake komen, heb ik die er tussen haakjes achter gezet.
In de 1e samenvatting gaat het vooral om de vermelding door Plato van de geestelijke vermogens, in de volgende om de geestelijke ontwikkeling die daarmee kan worden volbracht.

← terug naar Hoofdonderwerp 15

68d. Plato's wagenmenner, 2 de ontwikkeling
Samenvatting uit Phaidros (Phaedrus) 2
Plato noemt de geest de stuurman van de ziel, wat betekent dat de geest de leidende eenheid is. Die heb ik daarom in de vorige en deze samenvatting als de met geestelijke vermogens werkzame zelfstandigheid, de geest benoemd.
In de ontwikkelde toestand heeft de geest veel met het goddelijke gemeen. Het goddelijke is schoon (waarnemen), wijs (denken) en goed (voelen), en alles wat daarmee samenhangt, zoals: kennis, gedachten en gevoelens.
In die ontwikkelde toestand beschikt de geest over 'vleugels': dat zijn twee uitstralingen uit de ziel, die zijn ontstaan door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens. De betekenis van die vleugels is dat die bewuste en beheerste werkzaamheid met de vermogens, de geest omhoog voert naar de woonplaats van de goden.
Als de geest over die vleugels beschikt, kan hij de geestelijke werelden bezoeken, maar als de vermogens nog niet worden beheerst, is de aarde zijn woonplaats en moet hij in een stoffelijk lichaam wonen. Door de kracht van de geest lijkt het, alsof dat uit zichzelf beweegt.

Er zijn in grote lijnen drie soorten ontwikkelingstoestanden.
- Sommigen streven naar geestelijke ontwikkeling (filosofen) en beginnen op het goddelijke te lijken, waardoor zij de vleugels verkrijgen.
- Anderen trachten zich steeds weer op te richten, maar vallen nog terug.
- En er zijn er die nog niet in staat zijn zich op te richten. Zij blijven in de lagere werelden, waar zij elkaar verdringen en trachten door wedijver en zwoegen elkaar voorbij te streven en te vertrappen. Zij zien de werkelijkheid niet en vormen zich valse voorstellingen.
Na het overlijden gaan allen naar een plaats in de geestelijke wereld die in overeenstemming is met het leven dat zij op aarde hebben geleid.

Iedere geest die op aarde een menselijke vorm heeft, zag in de geestelijke wereld ooit de geestelijke dingen, maar door de aanraking met de stof zijn zij die hier vergeten. Sommigen hebben nog een vage herinnering eraan en telkens wanneer zij iets zien of horen dat enige gelijkenis heeft met die werkelijke, geestelijke wereld, worden zij diep ontroerd en raken buiten zichzelf, doordat zij geestelijk worden geraakt.

← terug naar Hoofdonderwerp 15

68e. Plato - De geschiedenis van Er in Politeia
De soldaat Er was gesneuveld en werd voor zijn begrafenis naar huis gebracht; maar hij was schijndood, kwam op tijd weer tot leven en vertelde wat hij in de geestelijke wereld had meegemaak.
Hij was met andere overledenen op een weide gekomen waar werd beoordeeld, wie naar rechts naar de hemel of links naar de onderwereld zou gaan. Een van de beoordelaars echter zei hem dat hij goed moest rondkijken, omdat hij naar de aarde terug zou gaan om over zijn ervaringen te vertellen.

Er sprak met mensen die uit de hemel of de onderwereld op de weide kwamen. De eersten vertelden hem van hun geluk, de laatsten van de moeilijkheden die zij hadden doorstaan, omdat zij moesten boeten voor het leed dat zij anderen hadden aangedaan.

Er stonden ook mensen die aan een nieuwe kringloop in een bestaan op aarde zouden beginnen. Zij kozen zelf het lot dat zij zouden ondergaan. De verantwoordelijkheid ervoor ligt bij de keuze die de mens zelf maakt. Ook de eigenschappen van de persoonlijkheid kwamen met dat lot overeen.
Er zag hoe iedere mens zijn eigen leven kiest, waarbij een mannelijke geest ook het bestaan als vrouw kan kiezen en omgekeerd.
Ieder kreeg een begeleider mee voor het leven dat hij had gekozen; maar na weer op aarde te zijn geboren, ging de herinnering aan de geestelijke wereld geheel verloren.

De mens moet leren in het leven het juiste midden te kiezen en de uitersten naar beide zijden te vermijden. Alleen zo bereikt die het hoogste geluk! Alleen maar deugdzaam te zijn uit opgelegde plichten, i.p.v. uit zichzelf wijs en liefdevol te handelen, heeft voor de ontwikkeling weinig nut.
Als een mens, wanneer hij naar het leven op aarde terugkeert, altijd oprecht naar wijsheid en goedheid zou streven, dan is hij niet alleen op aarde gelukkig, maar gaat ook zijn tocht van hier naar de andere wereld en weer terug, niet over een ruw pad onder de aarde, maar over een effen pad door de hemel.

Dit is het allereerste verslag van een bijna-doodervaring en met de esoterie overeenkomend. Het is in feite een ik-blijf-levenervaring, de ervaring een zelfstandige geest te zijn, wat ook mijn persoonlijke ervaring is.

← terug naar Hoofdonderwerp 15

69a. De vermogens: enkelvoudig en samengesteld
Binnen de menselijke geest als wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, zijn de vermogens, in de ontwikkelde toestand, werkzaam als een evenwichtig met elkaar samenhangende eenheid. Zij vormen een eenheid in verscheidenheid, want de werkzaamheid van de een is toch te onderscheiden van die van de ander, zoals het denken en voelen. Dit is hun enkelvoudige toestand (a).

In het gedrag naar de ander toe is dat niet het geval, want de ander ervaart de werkzaamheid van b.v. het denken, altijd als het uitgekeerde of ingekeerde denken. In de ingekeerde toestand is er in stilte sprake van innerlijke overwegingen, in de uitgekeerde toestand worden die naar buiten verwoord. Het denken en de instellingswijzen verkeren dan in de samengestelde toestand (b).

In de enkelvoudige en samengestelde toestand zijn de vermogens en de instellingswijzen door een groot aantal wetenschappers, schrijvers en wijsgeren herkend en beschreven.
Klik hier voor het PDF met het overzicht.

Door de eeuwen heen is er onderscheid gemaakt tussen denkers en doeners, tussen mensen die op de voorgrond traden om leiding te geven en zij die zich tevreden stelden met medewerker te zijn, tussen hen die de wereld bereisden om die te ontdekken en zij die de inhouden van hun eigen binnenwereld verkenden. Toch zijn al deze verschillen terug te voeren tot de werkzaamheid van dezelfde vier vermogens en beide instellingen. Zij werden door vele onderzoekers herkend, maar met verschillende woorden beschreven, afhankelijk van de eigenschappen van hún persoonlijkheid.

Toch is er één algemene grondslag voor de werkzaamheid van de menselijke geest, want allen zijn door verdichting in en uit één en dezelfde bron, de algeest, tot een zelfstandig bestaan gekomen. Een bron geeft zijn eigenschappen mee aan alles wat uit haar is voortgekomen, waardoor in de geestelijke kern iedere mens aan de ander niet gelijk is door persoonlijke groei, maar wel gelijkwaardig.
Door in zichzelf terug te keren tot die kern en in zichzelf de werkzaamheid van de vermogens te ervaren, wordt eenieder zich bewust van die wezenlijke overeenkomst, wat een natuurlijke grondslag is voor een blijvende, onderlinge vrede.

← terug naar Hoofdonderwerp 16

69b. De vermogens en geestelijke ontwikkeling: de zelfverwerkelijking
De geestelijke vermogens zijn de menselijke geest in aanleg meegegeven, zodat hij ze zélf tot ontwikkeling kan brengen; alleen daardoor worden zij geheel zijn eigendom. De mogelijkheid daartoe wordt de mens geboden door hem op aarde schijnbaar aan zichzelf over te laten, zodat hij zelfstandig beslissingen kan nemen bij het oplossen van vraagstukken, die hij op zijn levensweg ontmoet. Daarvoor moet de mens zijn vermogens bewust en beheerst gebruiken, waardoor die tot ontwikkeling worden gebracht en ten slotte uitgroeien tot het geweten en de deugden: de zelfverwerkelijkte toestand.

Door de aanleg verkeren de vermogens aanvankelijk in een onbewuste en onbeheerste toestand; door ze bewust en beheerst te leren gebruiken, worden ze omgevormd en wel van een driftmatige begintoestand tot een geestdriftige eindtoestand. In één leven is die groei alleen te zien door terug te kijken naar de jeugdige begintoestand en de afgelegde weg; in het licht van de eeuwigheid kun je het je bewust worden als begeleiders je door ingeving laten merken, hoe gebeurtenissen in het heden door karma met je verre verleden samenhangen.

Zinnebeeldig werd deze omvorming weergegeven door de mens zijn nog onbeheerste, dierlijke zijde door strijd te laten overwinnen. In het verleden is deze innerlijke strijd op vele wijzen uitgebeeld, onder meer als:
1 Herakles en de Nemeïsche leeuw: zijn naam betekent 'door Hera groot', want hij ontwikkelde zich door het oplossen van twaalf moeilijkheden, die Hera, de vrouw van Zeus, op zijn pad bracht.
2 De vogel Fenix: door zichzelf te offeren in het vuur van zijn brandende nest, waardoor vaste stof werd omgevormd tot naar de hemel opstijgende verbrandingsgassen, een vergeestelijking waardoor hij als geestelijke vogel werd herboren.
3 Mitras en de stier: hij streed met een wilde stier die uit een grot op hem afkwam; uit het daarbij vloeiende bloed ontstond een nieuwe mensheid.
4 Shiva nataraja: dit verbeeldt Shiva als kosmische danser die de schepping door voortdurende omvorming voortstuwt en daarbij met de rechter voet de dwerg der onwetendheid in bedwang houdt.
5 Plato's wagenmenner: die beteugelt zijn nog wilde paard en brengt zo evenwicht in het span van zijn eigen, innerlijke krachten.
6 Sint Joris en de draak, die het nog onbeheerste deel van zichzelf, de draak bedwingt en in geestkracht, het paard omvormt.

"Zichzelf te overwinnen is de beste en grootste van alle overwinningen."
Plato, Griekse filosoof

"Eigen ervaring is de beste leermeester."
Cicero, Romeinse filosoof

"Door tegenspoed maak je kennis met jezelf."
Albert Einstein, Duitse natuurkundige

"De mens is op aarde gekomen met één groot, allesoverheersend doel: zelfverwerkelijking."
C.G. Jung, Zwitserse psychiater

← terug naar Hoofdonderwerp 16

70. Zelfverwerkelijking en hereniging
Het bewuste en beheerste gebruik dat je van je vermogens hebt leren maken door de omgang met je medemensen in het alledaagse bestaan, heeft ze, zoals gezegd, omgevormd tot het geweten en de deugden. Door het geweten ga je, vóór je gaat handelen, eerst over tot zelfbeschouwing (waarnemen), tot een redelijke en zedelijke zelfbeoordeling (denken en voelen) en zo nodig tot zelfbeheersing (willen). Het daarmee samenhangende gedrag wordt erdoor gekenmerkt dat je uit liefde (voelen) aandacht (waarnemen), begrip (denken) en geduld (willen) hebt met je medemensen, de kenmerken van de deugden.

Dát is wat met geestelijke ontwikkeling of zelfverwerkelijking wordt bedoeld. Dat heeft niet alleen een gunstige invloed op je persoonlijkheid, maar ook op je uitstraling (de aura of ziel) en op je chakra's. Daar je chakra's van binnen uit, uit jouzelf als geest door je ziel heen naar buiten uitstralen, is dit de enige veilige weg om die tot ontwikkeling te brengen en zo de knooppunten worden voor een etherische band met medemensen, zowel hier als met begeleiders thuis, in de geestelijke wereld. Zelfverwerkelijking heeft ook een gunstige invloed op je uitstraling, je geestelijke licht en warmte. Daardoor komen hun eigenschappen steeds meer overeen met die van je begeleiders, waardoor die zich steeds beter met jou kunnen verbinden om je te begeleiden op je pad over de levensweg.

Uiteindelijk komt je licht en warmte zo ook weer in overeenstemming met het licht en de warmte van de algeest, de bron waar je door liefdevolle verdichting ooit uit bent voortgekomen; van daaruit ben je aan een ontwikkelingstocht begonnen, met als doel je er ooit weer mee te herenigen, maar dan als geheel ontwikkelde, menselijke geest.
Na op die weg voldoende gevorderd te zijn, kun je door zelfbezinning en gebed ervaren in vervoering te worden gebracht en met je bron te worden herenigd, waarbij licht en warmte van beiden elkaar liefdevol doordringen en een eenheid vormen; maar toch blijf je tegelijkertijd ervaren dat jij de kleine geest bent, de algeestvónk en dat je wordt opgenomen in de goddelijke algeest, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 16

71. Geestelijke begeleiding van de mens
Zoals gezegd strekt de algeest zich uit in de eeuwige oneindigheid, waardoor er geen plaats is voor een tweede: de algeest kan niet anders dan de Ene zijn. Daardoor is die bij het nemen van besluiten op zichzelf aangewezen, is geheel aan zichzelf overgelaten. De menselijke geest is door verdichting als algeestvonk eruit voortgekomen en moet, om door ontwikkeling zich te kunnen verwerkelijken en zich weer te herenigen, in dezelfde omstandigheid verkeren als de algeest.
Dat bereikt de algeest door in zichzelf de stoffelijke wereld te denken, opgebouwd uit levenloze stof (zie daarvoor 24), waardoor de menselijke geest, daar in een lichaam afgedaald, schijnbaar van de algeest is afgesloten. Doordat de stof, het levenloze het tegendeel is van de geest als het eeuwige leven, kan die hier zichzelf niet zijn en wordt onbewust van zichzelf als geest. Daardoor laat de geest aandacht en toewijding naar buiten wegtrekken, waardoor die zich onbewust met het lichaam en deze wereld vereenzelvigt.

Toch streeft de algeest liefdevol naar herverbinding met alle algeestvonken, maar daarvoor moeten zij volwassen worden. Om die ontwikkeling in gang te kunnen zetten,
- is aan de mens niet alleen de vermogens in aanleg meegegeven,
- maar ook al een zeker zelfgevoel, waardoor die, door zijn vermogens te gebruiken, gebeurtenissen kan verwerken en ervaringen opdoen, zo aan zijn ontwikkeling kan werken en zich van zichzelf bewust worden,
- en daarbij wordt de mens in stilte begeleid.

Want daar de algeest (behoudens zijn eigen wetten) vrij is om te kiezen en de menselijke geest op weg is die toestand te bereiken en daarvoor zijn vrije keuze heeft als oefening, loopt die hier gevaar alleen voor alle vormen van genot te kiezen en zo tot stilstand te komen;
- en daarom zijn er begeleiders, die onmerkbaar gedachten en voorgevoelens ingeven als de mens er voor open staat en zo zacht erop aansturen de mens keuzes te laten maken die naar het doel leiden;
- daarbij moet toch de vrije keuze van de mens worden geëerbiedigd en die bedoelde weg hoeft niet de makkelijkste te zijn;
- en ook aan het karma voor dat leven kan niet worden getornd.

Zelf heb ik mijn begeleider bij mij zien staan zoals op de afbeelding is uitgebeeld; maar vaak doen zij hun werk zonder dat de mens het merkt, want eigen ondervinding is de beste leermeester, opdat de mens leert zelfstandig te zijn.

← terug naar Hoofdonderwerp 16

72. Het zelfbeschikkingsrecht
Zoals reeds gezegd, is de algeest de eeuwige oneindigheid, waardoor die geest de Ene is. Daardoor kan die bij niemand te rade gaan, noch is er een ander die de algeest kan beletten iets te doen (alleen eigen wetten); de algeest is daardoor geheel vrij keuzes te maken en zelf over de vorm van de denkwereld in zichzelf te beschikken.

Het woord 'schikken' betekent: op doelbewuste wijze iets regelen of ordenen, en zelfbeschikking: naar eigen gedachten en gevoel zijn bestaan inrichten (willen). Het zelfbeschikkingsrecht is vervolgens het recht van iedereen zelf vorm en zin aan het eigen leven te geven, zolang dat het zelfbeschikkingsrecht van anderen niet aantast. De vrijheid van spreken en handelen eindigt daar, waar de vrijheid van de ander begint (zo niet, dan heerst er bandeloosheid).

Die beperking houdt het gebruiken van het geweten en toepassen van de deugden in (zie 20a en b). Geweten en deugden zijn de einddoelen van geestelijke ontwikkeling: de groei van het bewuste en beheerste gebruik van de geestelijke vermogens en instellingswijzen. Die ontwikkeling vindt voortgang door het omgaan met medemensen in het alledaagse bestaan: de mens wordt mens door de ontmoeting met de medemens.

Tijdens die groei neemt het bewuste en beheerste gebruik van de vermogens toe, waardoor ze worden omgevormd van een driftmatige begin- naar een geestdriftige eindtoestand. Dat is wat wordt uitgebeeld door Leonardo's Vitruviusman: die in het vierkant is de aardse, nog zelfgerichte mens, dezelfde in de cirkel de geheel ontwikkelde, met de algeest overeenkomende mens.

De weg naar dat doel, de levensweg, is een leerschool die stoelt op eigen ondervinding, die de beste leermeester is; maar daarvoor moet de mens wel in de vrije toestand zoals de algeest verkeren en geheel vrij zijn zelf zijn eigen vermogens te gebruiken en besluiten te nemen omtrent de richting, die de mens over de levensweg zal gaan; en te leren van de gevolgen van eigen keuzes.
De vrije keuze en het zelfbeschikkingsrecht zijn in de leerschool, waar de leerling zijn eigen leermeester moet zijn om zichzelf meester te worden, onvermijdelijke vereisten. Alleen de mens die binnen de genoemde beperkingen over persoonlijke vrijheid beschikt, kan het geestelijke doel van deze aardse leerschool verwerkelijken.

"We worden gelijkenissen van God en worden met Hem verbonden,
wanneer we goede en ware dingen zaken van ons leven maken
door ze ons bewust voor te nemen en te doen."
Emanuel Swedenborg, Hemel en Hel 16
(goede-voelen; ware-denken; bewust-waarnemen; doen-willen)

← terug naar Hoofdonderwerp 16

73. Het antropisch principe
Een aantal keren raakte ik in mijn jeugd in vervoering en kwam als vonkje geest thuis in de eeuwige oneindigheid van de algeest. De laatste keer zag ik hoe er a.h.w. daarbinnen een nieuwe wereld of sfeer werd gevormd, waarin ik als menselijke geest werd verdicht; daardoor kreeg ik in aanleg de geestelijke vermogens van de algeest mee, om die in mijzelf tot ontwikkeling te brengen, in de wereld van de mens. De menselijke geest was er vóór de schepping, die later in die nieuwe sfeer werd verdicht, maar waarbij geestelijk licht en warmte niet een eenheid vormden zoals in de menselijke geest, waardoor de stof levenloos is (zie 24).

Toch komen de menselijke geest en de stoffelijke schepping uit één en dezelfde bron voort! Het is daardoor dat de mens, na het bereiken van een bepaalde graad van ontwikkeling, in zekere zin in de schepping ook zichzelf onderzoekt en daardoor kan begrijpen, hoe de stof is gevormd uit fermionen (verdicht licht) en bosonen (verdichte warmte). Vanuit geestkundig gezichtspunt is het begrijpelijk, dat de mens het heelal kan begrijpen! Stof komt met de geest overeen, maar in een andere vorm; het is een eenheid in verscheidenheid.

Dat mens en heelal nauw samenhangen, wordt door natuurwetenschappelijke bevindingen ondersteund, die samen het 'antropisch principe' worden genoemd; dat houdt het volgende in.
- Er is een nauw verband tussen de aanwezigheid van de mens in het heelal en de natuurkundige eigenschappen ervan. Een kernpunt daarbij is de 'fijnafstemming van de 38 natuurconstanten'; dat zijn getallen waarvan de waarde niet verandert en die onderdelen zijn van natuurkundige formules, waamee b.v. temperatuur, druk en elektrische spanning kunnen worden berekend. Zou er ook maar iets in hun huidige verhouding anders zijn, dan zouden of het heelal of het leven daarin er niet zijn.
- Er zijn veel natuurkundige omstandigheden in het heelal, in het zonnestelsel en op aarde (met zijn uitzonderlijke maan), waarvan het bestaan van levensvormen op aarde geheel afhankelijk is (zie voor meer de website).
Natuurkundige inzichten wijzen erop, dat het heelal er is voor de mens, met zijn ontwikkeling als doel.

"The temptatien to believe that the Universe is the product of some sort of design, a manifestation of subtle aestetic and mathematical judgement, is overwhelming. The belief that there is something behind it all, is one that I personaly share with a majority of scientists." Albert Einstein, Duitse natuurkundige

← terug naar Hoofdonderwerp 17

74. De wisselwerking tussen boven en beneden
Zoals gezegd wijzen natuurkundige inzichten erop, dat het heelal er is voor de mens en zijn ontwikkeling. De natuurlijke ontwikkeling is o.a. door Darwin in zijn evolutietheorie beschreven, maar de drijvende kracht erachter is de geestelijke ontwikkeling die alle geesten meemaken, ook die van planten en dieren. Een ontwikkeling die voortgang vindt door de noodzaak zich met zijn levensvorm voortdurend aan veranderende omstandigheden en gebeurtenissen op aarde aan te passen; daarvoor moeten de geestelijke vermogens worden gebruikt waardoor zij tot ontwikkeling komen. De ervaringen die zo worden opgedaan, moeten worden verwerkt door er een zinvolle houding tegenover aan te nemen; dat gebeurt niet alleen overdag door overleg met medemensen, maar ook 's nachts tijdens gesprekken met begeleiders in de geestelijke wereld.

Doordat zij de vrije keuze moeten eerbiedigen, kan begeleiding alleen in stilte plaatsvinden door ingevingen; maar nadat de geest 's avonds het lichaam heeft verlaten (dat daardoor in slaap valt) gaat die naar zijn eigen gebied in de geestelijke wereld terug en ontmoet zijn begeleiders op een wijds grasveld, in de literatuur 'de weide' genoemd.
De groene weide die aan mij werd getoond, zag eruit zoals op de tekening. Zij was door hoge bomen omzoomd en door de bosrand heen stak een Griekse tempel met een plat dak naar voren. Er heerste daar een diepe rust.
Bij een andere gelegenheid was ik bij een overgegane vriend die op zinnebeeldige wijze de onaangename ervaringen, die hij op aarde anderen had aangedaan, zelf moest ondergaan; maar het gebeurde in een sfeer van liefde en begrip.

Alle ervaringen die je op aarde hebt opgedaan, neem je in je geestelijke geheugen met je mee, wat zich thuis voor je ogen ontrolt. Waar je de gulden regel (zie 40) veronachtzaamde, gaat je geweten spreken en maak je mee wat je anderen aandeed. Daardoor wil je beslist teruggaan om het weer goed te maken; wat zolang doorgaat, tot je geheel uit jezelf gewetensvol handelt.
Alle gebeurtenissen op aarde, hoe ingrijpend ook, hebben betekenis voor onze geestelijke groei, wat ons echter pas duidelijk wordt als we weer thuis zijn.

← terug naar Hoofdonderwerp 17

75. De wisselwerking tussen geest en hersenen 1
Hoe werkt de zenuwcel?
De zenuwcel of neuron is de bouwsteen van het zenuwstelsel, dat uit 85-miljard neuronen bestaat met ieder ±1000 verbindingen. Het neuron heeft een cellichaam dat zenuwprikkels verwerkt en twee uitlopers: korte dendrieten die prikkels opnemen en één lange uitloper (axon) dat een gevormde prikkel naar de volgende cel stuurt.

Het neuron werkt als volgt: het heeft een celwand (membraan) waarin zich kanaaltjes bevinden voor natrium- en kalium-ionen; de rand van het Na-kanaal is gevoelig voor dichtheidsverandering van Na. In de rusttoestand is Na buiten en K binnen de cel. Bij een prikkel openen de ionkanaaltjes zich: Na stroomt naar binnen, K naar buiten. De dichtheidsverandering van Na beïnvloedt het volgende kanaaltje, dat zich ook opent. Zo plant de prikkel (actiepotentiaal) zich over de celwand voort. Het cellichaam telt prikkels op of trekt ze af; als een bepaalde drempelwaarde is bereikt bij het axon, stuurt de cel daarover een nieuwe prikkel weg (1).

Als de prikkel over het axon bij de eindknop aankomt (2), springt die van een Na/K-kanaal over naar een Ca/Mg-kanaal; die bevinden zich in het membraan rond de eindknop (3). Calcium (Ca) stroomt de cel in en magnesium (Mg) eruit. Hoe meer prikkels er aankomen, hoe meer kanalen zich openen.
De verbinding met de volgende cel verloopt biochemisch door neurotransmitters (er zijn 100 soorten). Zij zitten in blaasjes in de eindknop, vóór het raakpunt (de synaptische spleet) met de volgende cel. Ca zet in de eindknop een enzym in werking dat de blaasjes naar die spleet stuurt en hun celwand en de wand van het neuron gereed maakt zich te openen, om de transmitters in de spleet uit te storten (4).

In de celwand van het volgende neuron bevinden zich weer Na/K-kanalen, verbonden met een receptor (r) bij 5. De transmitter bindt zich daaraan en dan opent het kanaal zich (6), waardoor Na naar binnen en K naar buiten stroomt (7). De dichtheidsverandering van het Na beïnvloedt het volgende kanaal en als een bepaalde drempelwaarde is overschreden door de soort en hoeveelheid transmitter in de synaptische spleet, zet de prikkel zich hier weer voort (zie verder 76).

De zenuwcel werkt als een optellende en aftrekkende rekenmachine, en daar het de bouwsteen van het gehele zenuwstelsel is met inbegrip van de hersenen, is ook dat alleen een rekenmachine. Maar doordat de hersenen geheel gevormd zijn in overeenstemming met de vermogens van de geest, kan die de hersenen gebruiken als een orgaan ('werktuig') om zich door het lichaam heen in het aardse bestaan uit te drukken. De neuronale activiteit die daar door hersenonderzoek wordt bespeurd, wordt daar door inwerking van de menselijke geest opgewekt.

← terug naar Hoofdonderwerp 17

76. De wisselwerking tussen geest en hersenen 2
1. Zoals gezegd is de rand van de Na-kanaaltjes in de celwand van de zenuwcel gevoelig voor verstoring van de dichtheid van Na-ionen in de vloeistof buiten de cel, wat ook het geval is bij de Ca-kanaaltjes. De verstoring van de dichtheid van Na door het binnenstromen in de cel, verstoort ook de Ca-dichtheid, met binnenstromen van Ca als gevolg. Dat regelt de hoeveelheid transmitter die in de spleet vrijkomt en dat op zijn beurt weer de werkzaamheid van het volgende neuron; als dat bij meerdere zenuwcellen tegelijk gebeurt, beïnvloedt dat uiteindelijk de werking van een orgaan of b.v. de spieren die de vingers laten bewegen.

2. Door hersenonderzoek is ontdekt dat een bewegend magneetveld in de vloeistof met Ca-ionen buiten de cel een stroompje opwekt (TMS door inductie: zwerfstromen van Foucauld). Het min of meer puntvormige magneetveld wordt opgewekt met twee ronde spoelen. Dat verstoort plaatselijk de dichtheid van Ca, waarop het kanaaltje zich opent en Ca de cel ingaat. Dat heeft het uitstorten van transmitters in de spleet tot gevolg, waarna onwillekeurig(!) de vingers worden bewogen, als dat op de juiste plaats in de hersenschors gebeurt: het bewegingsveld van de hand.

3. Daar gebeurt op kunstmatige en gebrekkige wijze, wat op natuurlijke wijze in het bewegingsveld van de hand gebeurt door inwerking van de menselijke geest. Als de geest besluit met de hand een bepaalde beweging uit te voeren, dan drukt die met zijn geesteshand door de ziel heen een denkbeeld (lichtbeeld) van die handeling af op het bewegingsveld van de hand in de schors. De geestkracht waarmee het denkbeeld is geladen, beïnvloedt nauwkeurig de Ca-dichtheid ter plaatse op een zodanige wijze, dat de handbeweging volkomen beheerst wordt uitgevoerd.
Op deze wijze is de geest in staat b.v. het vioolconcert van Beethoven te spelen en niet alleen technisch, maar ook met gevoel!

Geloven dat het alleen de hersenen zijn die dit muziekstuk ten gehore brengen, komt overeen met geloven dat de viool uit zichzelf dit stuk speelt en de violiste haar viool alleen maar vasthoudt. Deze mening komt voort uit de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan (zie 25ab), waardoor alleen deze, stoffelijke helft van de schepping, wordt gezien.

← terug naar Hoofdonderwerp 17

77. De wisselwerking tussen geest en algeest 1
Zoals beschreven in de nummers 31 en 32 werd aan mij getoond hoe de menselijke geest door verdichting van geestelijk licht en geestelijke warmte uit en in de algeest voortkwam als een zelfstandige, bolvormige wolk van datzelfde licht en diezelfde warmte.
De algeest wordt erdoor gekenmerkt dat die zich onbegrensd in de eeuwige oneindigheid uitstrekt, terwijl de menselijke geest door de verdichting een zekere begrenzing heeft, hoewel de overgang naar de algeest geleidelijk is.
De meest wezenlijke beschrijving van de menselijke geest is daardoor: algeestvonk, een vonkje licht en warmte uit en in de oneindige algeest, te vergelijken met een ster aan de hemel.

Ooit heeft de algeest in zichzelf algeestvonken verdicht... en een ervan ben jij, de bewuste levenskracht die dit nu leest.

Echter, in die kleine algeestvonk konden niet de vermogens aanwezig zijn, zoals ze in volwassen toestand eigenschappen van de algeest zijn. Ook zij moesten worden ingeperkt tot een aangepaste toestand en werden daardoor als aanleg aan de menselijke geest meegegeven. Een aanleg die door de mens zelf tot ontwikkeling kan worden gebracht om zo aan de algeest gelijkwaardig te worden en zich in volwassen toestand daar weer mee te herenigen.

Daarvoor moest de mens in omstandigheden worden geplaatst om net als de algeest, de Ene ook aan zichzelf overgelaten te zijn, om te leren zelfstandig besluiten te nemen door de geestelijke vermogens te gebruiken, waardoor de aanleg tot ontwikkeling komt.
- Daarvoor daalde de menselijke geest op aarde af in een stoffelijke levensvorm, het lichaam, de oorzaak van afzondering en van onwetend zijn van zijn grondslag; de hereniging daarmee is het heil dat op je wacht, maar waar je nog onbewust van bent, terwijl je al wel bezig bent jezelf te verwerkelijken om naar die hereniging met de algeest toe te groeien.
- Omdat de algeest zelf daar bewust naar streeft, word je door die geest liefdevol op je ontwikkelingsweg begeleid. Overal waar dat nodig is en waar om hulp wordt gevraagd, verdicht de algeest zich tot een volmaakte algeestvonk, om iedere mens die daarvoor kiest, te begeleiden op de weg naar huis.

← terug naar Hoofdonderwerp 17

78. De wisselwerking tussen geest en algeest 2
De algeest is eeuwig en alomtegenwoordig, en daardoor één, waardoor er geen ánder was waarmee de algeest zich zou kunnen vergelijken; er was geen tegendeel door middel waarvan die zich van zichzelf bewust zou kunnen worden. Bewustwording komt immers voort uit het onderscheiden van tegendelen: het lichte is licht, doordat het van donker is te onderscheiden.

Het tegendeel
Het tegendeel van de éne algeest is het oneindige aantal algeestvonken, die de algeest mede daarom in zichzelf verdichtte; dat gebeurde op zevenvoudige wijze, wat samenhangt met de zevenvoudige eigenschappen van de geest als verdichte, bolvormige wolk: de vier vermogens en twee instellingswijzen, en de ene geest die hen evenwichtig in zichzelf laat samenwerken (zie 22, 50a).
De algeest is de zelf ongevormde geest, maar die zijn eigenschappen in vórmen uitdrukt; dat gebeurde in de vorm van: drie groepen engelengeesten, de mensengeesten en dieren-, planten- en mineralengeesten. Iedere geest is een bolvormige wolk, door de algeest in aanleg als denkbeeld van zichzelf, in zichzelf gedacht en met liefde tot leven gewekt.

Vader en moeder
Maar ook het mannelijke en vrouwelijke zijn kenmerken van de algeest (36, 37). Waar die twee in liefde bij elkaar zijn, is het vader- en moederschap het gevolg door geestelijke verwekking en geboorte van kinderen, in wie zij samen liefdevol tot een nieuwe eenheid zijn gevormd.

Het voelen als liefde
Een ander kenmerk is het voelen, in volwassen toestand het vermogen lief te hebben; maar om lief te kunnen hebben, is een ander nodig naar wie die liefde uit kan gaan en voor wie men zich kan inzetten alsof het zichzelf betrof.

Liefde is daardoor de grondslag van het bestaan van de mensheid en liefde is de oorzaak van het bestaan van de schepping, om de mens de gelegenheid te geven uit eigen vrije keuze en op eigen kracht - door de algeest en door engelen in stilte begeleid - zichzelf te verwerkelijken en naar hereniging te streven. Daarom heeft de algeest zichzelf in algeestvonken en daarna in de schepping uitgedrukt, om, nadat de mens zich van zichzelf als algeestvonk bewust is geworden, zich van daaruit ook van zichzelf als de álgeest bewust te worden en die twee zich liefdevol te laten herenigen.

Door de eigenschappen van de algeest die men mij heeft laten zien, is het bestaan van de menselijke geest een vanzelf daaruit voortvloeiend gevolg evenals het bestaan van de stoffelijke schepping, wat door wetenschappelijke bevindingen is bevestigd (zie 73 Het antropisch principe).

← terug naar Hoofdonderwerp 17

79. De wisselwerking tussen geest en algeest 3
De kern van wat ik mocht ervaren is, dat we door verdichting als algeestvonk uit de algeest zijn voortgekomen en daarin blijven leven als zelfstandige geesten. De algeest, maar dan in de vorm van de eveneens verdichte, volmaakte algeestvonk, spant zich in om ons te begeleiden op onze weg naar volwassenheid door zelfverwerkelijking en hereniging. Door wat er in een gezin gebeurt tussen liefdevolle ouders en hun kinderen, beleven wij dit op aarde keer op keer als een uitbeelding van wat er ongemerkt in de geest gebeurt; maar onbelemmerd blijft daarbij de vrije keuze en het karma van de mens.

In de loop van de geschiedenis is de volmaakte algeestvonk bij alle volken op aarde geweest, sprak door godsdienststichters, wijzen en profeten en is er nog steeds. Bij het joodse volk zijn deze leringen vanaf Abraham eerst mondeling doorgegeven en later schriftelijk in de Tenach; daar wordt de volmaakte algeestvonk de heilige geest genoemd. Later heeft Jezus, in wie de volmaakte algeestvonk één keer bij ons op aarde is geweest, deze uitspraken bevestigd en verder uitgelegd als joodse rabbi: godsdienstleraar.

Jezus' leer, samengevat in Bergrede en Laatste Avondmaal, wordt door zelfverwerkelijking en hereniging gekenmerkt, zie hiervoor geestkunde.net in het menu: 2 de Bijbel en geestkunde:

In Matth. 5:8-9 b.v. is te lezen:
Gelukkig wie zuiver van hart zijn en - gelukkig de vredestichters [dat leidt tot zelfverwerkelijking], want zij zullen kinderen van God worden genoemd - en zij zullen God zien [hereniging].

En in Johannes, hoofdstukken 14 en 17:
Ik [dat zegt Jezus als Gods heilige geest] ben [door verdichting] in de Vader [zo noemt Jezus de algeest, 'die meer is dan ik']
en de Vader is in mij [door diezelfde verdichting]. Joh. 14:11
Vader, laat hen één zijn zoals wij, de Vader in mij, ik in de Vader en zij in ons. Joh. 17:21
Opdat zij één zijn zoals wij één zijn [de hereniging]. Joh. 17:22

In Matth. 22:36-40 vat Jezus samen wat hij door de mond van de profeten al eerder had gezegd:
- Heb God lief boven al [streef naar hereniging] en daaraan gelijk is:
- heb je naaste lief als jezelf [dit leidt tot zelfverwerkelijking],
- dit is de grondslag van de Wet en de profeten.

De plaats waar deze geestelijke groei zich voltrekt, is in de ontmoeting met je medemens in het alledaagse bestaan: dé heilige plaats en hét heilige tijdstip.

← terug naar Hoofdonderwerp 17

80. Waar gaat het om? 1 de Bijbel
In het Oosten gaat het om de Verlichting, Satori of het bereiken van Nirvana; het Sanskriet woord 'yoga' hangt samen met Latijn 'iungo' en betekent Vereniging. In de Islam spreken Soefi's over eenwording met de Ene en de liefde die zo wordt ervaren; de betekenis van de plaats Teotihuacán in Mexico is: Plaats waar mensen goden worden.

In het bijbelboek Genesis (Begin) zegt El Sjaddai, God de Almachtige tegen Abraham:
- "Leef in verbondenheid met mij
- en leid een onberispelijk leven." Gen. 17:1

In het boek Exodus (Uittocht) geeft diezelfde God, Jahweh aan Mozes de Tien Woorden of Geboden;
- de eerste drie gaan over je verhouding met God,
- die daarna over de verhouding met je medemensen. Ex. 20:2-17

In o.a. Mattheüs vat Jezus, in wie Gods heilige geest bij de mensheid op aarde is geweest, de joodse wet en profeten samen met de woorden:
- "Heb God lief boven al
- en je naaste als jezelf." Matth. 22:37-40

De kern van wat ik mocht ervaren is, dat wij als menselijke geesten door verdichting als algeestvonken uit de algeest zijn voortgekomen en daarin als zelfstandige geesten blijven leven. De algeest, maar in de vorm van de eveneens verdichte, volmaakte algeestvonk, Gods heilige geest, spant zich in om iedere mens te begeleiden op de weg naar volwassenheid door zelfverwerkelijking met hereniging als doel en sprak door profeten en godsdienststichters.

De vraag is hoe je God kunt liefhebben, want God is hier onzichtbaar en wat je niet kent, kun je niet liefhebben.
Om de eigenschappen van God te leren kennen, keer dan in tot jezelf en richt je aandacht naar het midden, je hart waar je je bewust kunt worden van de werkzaamheid van je eigen geestelijke vermogens: het feit dat je daar weet hebt van de dingen door ze waar te nemen, dat je de betekenis ervan in jezelf overdenkt en doorvoelt en er dan iets mee wilt doen.
Zo vindt in jezelf de ontmoeting plaats met de geest die je bent uit God en diezelfde geest ontmoet je in al je medemensen.
Die ontmoeting met medemensen in het alledaagse bestaan is daardoor dé heilige plaats en hét heilige tijdstip; de yogagroet namasté betekent dan ook: het goddelijke in mij groet het goddelijke in jou.
Door dat toe te passen, komt het tot zelfverwerkelijking (28) en hereniging (31, 70).

Maar we zijn wel allemaal nog onderweg!

← terug naar Hoofdonderwerp 18

81. Waar gaat het om? 2 Mystici
Ook hedendaagse profeten deden uitspraken, die bij de kern van Jezus' leer aansluiten. Een kleine bloemlezing:

1. Hildegard van Bingen schreef o.a. het boek Liber Divinorum Operum. Tijdens het 3e visioen zegt de hemelse stem tegen haar:
"Als de krachten van de mens (het willen) alle worden beheerst,
als de gedachten van de mens (denken) noch te heftig, noch te slap zijn,
dan wordt hij vredig in zijn lichaam (voelen) en licht in zijn rede (denken).
Dan wordt de geest de dochter van de Eerste.
Wat jou betreft, mens, die dit schouwspel ziet (waarnemen), begrijp dat deze verschijnselen ook het binnenste van de geest betreffen!"

2. De mysticus Jacob Boehme zei:
"De enige weg naar God,
is een nieuw gemoed."

3. Dante schrijft in zijn La divina commedia, op weg naar de Louteringsberg:

Om koers te zetten over stiller wat'ren,
hijst 't scheepje van mijn geest nu blij de zeilen,
de zee van 't bitterst leed voorgoed ontvarend.

En zingen zal ik van die ánd're wereld,
waar zich de mensengeest in tranen loutert
en waardig wordt zijn vlucht tot God te nemen.

4. Emanuel Swedenborg, in Hemel en Hel 16
"We worden gelijkenissen van God en worden met God verbonden,
wanneer we de goede en ware dingen tot zaken van ons leven maken
door ze ons bewust voor te nemen en te doen."

5. Jakob Lorber beschrijft in het Grote Johannes Evangelie deel 3, 53 De hoofdlijnen van de leer van Jezus:
"Zoals al het goede alleen wil dat men het liefheeft omdat het goed en daarom waar is, zo wil ook God dat men Hem liefheeft, omdat Hij alleen volmaakt goed en waar is!
Je naaste moet je daarom evenzeer liefhebben, omdat hij net als jij het evenbeeld van God is en evenals jij een goddelijke geest in zich draagt.
Kijk, dat is de eigenlijke kern van Mijn leer en die kan men gemakkelijk in acht nemen, [...]
Door deze nieuwe leer zo goed mogelijk op te volgen, wordt de in de mens aanvankelijk zeer gebonden geest vrijer en vrijer, groeit en doordringt ten slotte de gehele mens en betrekt op die manier alles bij zijn leven, dat een leven van God is en daarom eeuwig en gelukkig.
Iedere mens wordt zo, in zekere zin, geestelijk wedergeboren, [...]"

Hun uitspraken komen met Jezus' leer overeen.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

82. Waar gaat het om? 3 Het dao
I Tjing, het Boek der Veranderingen
Dit is een oeroud, Chinees wijsheidsboek, bewerkt door o.a. Koeng foe tse (Confucius, 6e eeuw v.Chr.).
Het eerste van de 64 hexagrammen in de I Tjing is Tjièn, dat als volgt begint:

1 Tjièn - Het scheppende
"Onmetelijk is de grootsheid en verhevenheid van het scheppende, dat de bron is van alle dingen en dat hemel en aarde doordringt (het dao).
Nadat hemel en aarde zijn ontstaan, worden de ontelbare wezens geschapen.
Het scheppende bewerkt verheven welslagen, bevorderend door standvastigheid en rechtschapenheid van de wezens.
De wolken gaan en de regen werkt, en alle wezens vervolmaken hun eigen, persoonlijke gestalte."

"Doordat de heilige mens grote klaarheid heeft over aanvang en einde, en de wijze, waarop de zes ontwikkelingstreden zich elk op zijn eigen tijd voltooien, vaart hij erop ten hemel als op zes draken.
De weg van het scheppende bewerkt door verandering en omvorming, dat elk ding zijn juiste aard en bestemming krijgt en in voortdurende overeenstemming komt met de hemelse harmonie.
Als het scheppende zich met het hoofd boven de menigte der wezens verheft, komen alle mensen tezamen tot rust."

"De verhevenheid is van al het goede het hoogste, het gaat samen met liefde [voelen].
Het welslagen is het samenvallen van al het schone [waarnemen] en gaat samen met goede zeden.
Het bevorderende is de overeenstemming van al het goede [voelen] en rechtvaardige.
Standvastigheid gaat samen met wijsheid [denken] en is de grondslag van alle handelingen [willen]."

"Doordat de edele de liefde belichaamt, is hij in staat over de mensen te heersen.
Doordat hij het samenwerken van al het schone bewerkstelligt, is hij in staat hen door de goede zeden te verenigen.
Doordat hij alle wezens verder brengt, is hij in staat hen door gerechtigheid in harmonie te brengen. Doordat hij standvastig is, is hij in staat alle handelingen door te voeren."

"De edele handelt naar deze vier deugden; daarom staat er: het scheppende is verheven, welslagend, bevorderend en standvastig.
De verhevenheid van het scheppende berust op het feit, dat het alles aanvangt en in alles slaagt.
Bevorderend en standvastig: daardoor bewerkt het de natuur en de aard der wezens."

Ook hier weer: zelfverwerkelijking en hereniging.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

83. Waar gaat het om? 4 Hindoeïsme
Het hindoeïsme kent een aantal heilige boeken: de Veda's, Bhagavad gita en Oepanisjads. Zelf noemen hindoes hun godsdienst 'sanatan dharma': een persoonlijke, geestelijke levensbeschouwing en -houding, die leidt tot geestelijke ontwikkeling van Atman en hereniging met Brahman.
Het begrip 'atman' hangt samen met 'an': ademen; het is de ademende, spiritus, de menselijke geest. Het begrip 'brahman' hangt samen met de sanskriet stam 'brh': steunen, stevig zijn, met 'brih': vermeerderen, uitzetten, en met 'bhrigu': stralen. Brahman is: de uitgezette, alomtegenwoordig en eeuwig, de algeest, zelf vormloos, maar waaruit zowel de geestelijke als stoffelijke wereld door verdichting zijn voortgekomen.

Door verdichting is ook Atman voortgekomen uit Brahman en is er in wezen gelijkwaardig aan: "Dat, wat dat ijle is, dat is de Geest van de gehele wereld (Brahman). Dat is de werkelijkheid, dat is de Atman. Dat zijt gij." Tsjandogya oepanisjad, 6.8.7

Als meditatie-onderwerp wordt Brahman aangeduid met Aum of Om. De diepst in de keel gevormde klank is 'o', die het meest naar boven is de 'm'; alle klanken liggen ertussen als een klanksymbool van volledigheid; zoals ook de klinkers i, e, o, u, a samen de naam Jehova vormen; en Jezus zei: "Ik ben de alfa en de omega."

Volgens de Mandoekja oepanisjad betekent de stip rechtsboven in het teken de bevrijde, menselijke geest (1) en zijn de vier open bogen eronder bewustzijnstoestanden, die de geest in het lichaam kan ervaren. Bij 2 daalt de geest uit de geestelijke wereld in het lichaam af en wordt door maya, zinsbegoocheling, onbewust van zichzelf. In de toestand bij 3 is de geest in de zelfbezonnen geestestoestand weliswaar met zijn vermogens werkzaam, maar blijft onbewust van zichzelf als werkzame geest; bij 4 in de ingekeerde en bij 5 in de, naar de wereld toe, uitgekeerde geestestoestand.
De bogen zijn open wat aangeeft, dat de mens zich uit de aardse verwikkelingen kan bevrijden door zich hier geestelijk te ontwikkelen om zo in overeenstemming te komen met Brahman, de algeest: de hereniging met God.
Het hindoeïsme kent daartoe tien geboden, die vergelijkbaar zijn met die van Mozes (80).

De strekking van Om-kara komt overeen met 'de mensen in de grot' van Plato (51b).

← terug naar Hoofdonderwerp 18

84. Waar gaat het om? 5 Boeddhisme
Boeddhisme is een hervorming van het hindoeïsme, ingevoerd door prins Sidharta Gautama (6e eeuw v.Chr.). Hij groeide in weelde op en was geschokt toen hij eens armoede, ziekte en ouderdom van zijn medemensen zag; hij besloot de oorzaak van het lijden te zoeken en werd een mediterende monnik. Onder de Ficus religiosa (de boddhiboom) mediterend, verkreeg hij inzicht en werd de boeddha (wetende).

Daarna stelde hij de vier edele waarheden op:
- Het bestaan is lijden.
- Het lijden heeft een oorzaak.
- Die oorzaak kan worden opgeheven.
- De weg om het lijden op te heffen is het achtvoudige pad.

De oorzaak van lijden
Om dat te verduidelijken, stelde hij de formule op van de 'oorzakelijke medevoortbrenging':
de mens verkeert op aarde in onwetendheid, daardoor ontstaat onderscheiding [tussen zichzelf en de dingen], uit onderscheiding bewustzijn [het ik-bewustzijn], uit bewustzijn naam-en-vorm [van de dingen], uit naam-en-vorm de zes verbindingen [door vereenzelviging ermee], uit die verbindingen aanraking [het tasten], uit aanraking aandoeningen [verlangen], uit aandoening dorst [begeerte], uit dorst hechten, uit hechten worden, uit worden geboorte [als onbewust vereenzelvigde mens], uit geboorte bekommernis, vertwijfeling, leed, klagen, ouderdom en dood.

Het leven naar het achtvoudige pad heft het lijden op:
1. juist waakzaamheid, de aandacht richten op eigen gedrag [waarnemen]; 2. juist verstaan, het juiste inzicht is nodig [denken]; 3. juist besluiten [denken, voelen en willen] en 4. juist spreken [denken]; 5. juist doen, het zedelijke gedrag tegenover mens en dier [voelen en willen]; 6. juist leven [eerbaar beroep]; 7. juist streven [willen] en 8. juist mediteren.

Het toepassen van deze leer leidt tot bevrijding: het nirvana ('neerwaaien', het uitdoven van de vlam van begeerte). Het nirvana is "liefde aan het begin, liefde in het midden en liefde aan het einde". Boeddha spreekt niet over een god, maar stelt de liefde in het middelpunt en komt zo overeen met Jezus: "Heb God lief boven al en je naaste als jezelf."
Boeddhisme is weliswaar niet een godsdienst als 'dienst aan God', maar een levensleer die tot zelfverwerkelijking leidt, met liefde (dat is dan de godheid, zoals bij Plato het goede) als hoogste doel.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

85. Waar gaat het om? 6. Zarathustra
Zarathustra (Grieks Zoroaster) was een Perzische profeet en grondlegger van het zoroastrisme, tegenwoordig de godsdienst van de Parsi's in India en onderdeel van Mazdaznan.

Wat is de zinnebeeldige betekenis van de adelaarmens Faravahar?
1. De man in het midden verbeeldt een koning, Ahura Mazda of de fravashi als de reeds wijs en daardoor verheven, goddelijk geworden mens.
2. De middelste ring is de eeuwige oneindigheid van het Al, want een cirkel heeft begin noch einde. Die ring omvat ook de mens, waardoor de menselijke geest met het Al is verbonden en het eeuwige leven heeft.
3. De drie rijen veren in vleugels en staart betekenen: 'juist denken, juist spreken, juist handelen'; daardoor leert de mens in figuurlijke zin 'vliegen': geestelijke ontwikkeling. De mens ontwikkelt zichzelf door de geestelijke vermogens bewust en beheerst te gebruiken, waardoor het geweten en de deugden worden gevormd.
4. Een vogel kiest met de staart een richting, ook nodig om te kunnen 'vliegen'; dit verbeeldt de gewetensvolle keuze die de mens moet maken tussen het goede en kwade, tussen 'boven' en 'beneden'. Door de vrije keuze is iedere mens verantwoordelijk voor eigen daden en leert, door zelf de gevolgen van besluiten en daden te ondergaan.
5. De beide lussen aan de voor- en achterkant van de staart vertegenwoordigen het goede en kwade. Gekozen moet worden voor het goede, het kwade worden vermeden.
6. De rechterhand van de mens wijst naar de hemel als de richting waarin moet worden gestreefd naar hereniging met God, Ahura Mazda - de linkerhand houdt de ring van vriendschap en trouw vast; beide handen wijzen op godsliefde en naastenliefde (zoals bij Jezus).
7. De hoge hoed wijst op de uitstraling van de kruinchakra, die toeneemt al naar de mens erin slaagt voor het goede te kiezen en het kwade te laten. Daardoor komt de geestesgesteldheid steeds meer in overeenstemming met die van het Al en kan de hereniging ermee plaatsvinden.

Etymologisch hangt het woord 'fravashi' samen met de stam 'var-': kiezen. De fravashi gaat naar de stoffelijke wereld om het kiezen tussen goed en kwaad te oefenen en zich zo geestelijk te ontwikkelen. De fravashi betekent in het heilige boek Avesta de persoonlijke geest, die bestaat vóór de geboorte, tijdens het bestaan op aarde en na het overlijden.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

86. Waar gaat het om? 7 Islammystiek - soefisme
De soefimystiek heeft van oudsher tot de Islam behoord. Hoewel de Koran (voorlezing) meer een wets- en gebodenboek voor de gemeenschap der gelovigen is, staan er ook verzen (soera's) in die ruimte geven aan een persoonlijke geloofsbeleving, zoals:
"Aan Allah behoren het Oosten en het Westen; waarheen gij u ook wendt, overal is Allah's aangezicht. Allah is werkelijk alomvattend." Soera 2, 115
"Hij geeft wijsheid aan wie Hij wil." Soera 2, 269
"Er is geen dwang in de godsdienst ... Allah is verbonden met hen die geloven; Hij voert hen uit de duisternis naar het licht." Soera 2, 256-257

La ikrah fi al-din: Er is geen dwang in de godsdienst.

"God is het licht van de hemelen en de aarde. (...) Licht boven licht. God leidt tot Zijn licht wie Hij wil." Soera 24, 35

In de Koran wordt Allah 'de Aanbidwaardige' genoemd. Dat is ook de betekenis van het woord 'god', dat etymologisch afkomstig is van het Gotische 'hutas': aanbeden worden en 'guth': het aanbidwaardige.

Door de inspanningen van Inayat Khan ontstond er begin 20e eeuw een wedergeboorte van het soefisme. Hij stichtte de Soefi Beweging, waarvan de afbeelding het merkteken is. Het toont een hart met vleugels als een vliegende vogel. In het hart een ster en wassende maan.
- De wassende maan verbeeldt het hart dat ontvankelijk is voor het goddelijke licht: zoals de maan het zonlicht weerspiegelt, zo de menselijk geest het goddelijke licht.
De taak is zichzelf als de wassende maan om te vormen tot volle maan, die het licht van de zon geheel weerspiegelt.
- De vijfpuntige ster verbeeldt de goddelijke vonk, de menselijke geest, die als Liefde in het hart van de mens aanwezig is.
"Waarlijk, het hart dat het goddelijk licht ontvangt, is bevrijd", aldus Inayat Khan.

1. De soefi-dichter Rumi
Zo ben ik licht, zo ben ik blind,
Zo hard, zo week, dan boos, dan goed,
Ben blij en droef, ben luwte, wind,
Ben liefde, haat, soms ijs, soms gloed,
Ben duivel en ben engelenkind,
Tot ik het paradijs hervind.

Wij zijn de zoekers en wij zijn het goud,
De reizigers, maar ook het oponthoud.
De pelgrims zijn wij en het heiligdom.
Met zwijgen wordt Gods spreken ons vertrouwd.

2. Al-Junaid al Baghdadi
Nu heb ik erkend, o Heer,
De diepste grond van mijn hart,
Met u, van de wereld apart,
Sprekend in innig verkeer.

Zo was ik in zekere zin
Niet mijzelf, maar met u één.
Doch thans, wederom alleen,
Ik anders de wereld min.

Rumi's gedicht geeft de innerlijke strijd weer die tot zelfverwerkelijking leidt, dat van Al-Junaid de hereniging met God. De schrijver Al-Hujwiri noemde drie religieuze ontwikkelingstrappen:
- reiniging,
- verlichting en
- vereniging.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

87. Waar gaat het om? 8 Quetzalcóatl
De Midden-Amerikaanse volkeren van vóór Columbus ontwikkelden zich geheel naar hun eigen aard. Ondanks de grote verscheidenheid aan goden van de verschillende beschavingen, was er één die ze alle gemeenschappelijk hadden en die ook boven de andere goden verheven was: Quetzalcóatl (bij de Maya's: Kukulkán).
Zijn naam betekent: 'gevederde slang'. Hij was een wind- en vegetatiegodheid, die voor water en aarde zorgde, en zo voor plantengroei en vruchtvorming voor de oogst, i.h.b. maïs. Hij trad op als beschermer van priesters en goudsmeden, hij bracht de mens kennis bij en was de uitvinder van de kalender en het boek. Hij was zo verheven, dat hij op aarde geen tempel had, maar een geheel vergeestelijkte godheid was, die in de hoogste, negende hemel woonde.

Als aardegodheid vertegenwoordigt hij het waarnemen,
als de wind (lucht) het denken,
als het water het voelen,
als de felle, glanzende kleuren van de vogel quetzal (vuur) het willen - een vogel die groen en rood, wit en zwart is, met een sierlijke, slangachtige staart.
Zijn eigenschappen zijn een uitbeelding van de geest (een vogel) met zijn geestelijke vermogens.

Hij werd echter door de nachtgod Tezcatlipoca aangevallen en ontkwam aan strijd door zich in het vuur te offeren; hij daalde daarna af naar de onderwereld, verzamelde de botten van alle overledenen en zalfde ze met zijn bloed, waardoor een nieuwe mensheid opstond. Daarna steeg hij op naar de hemel om als Venus als morgen- en avondster te stralen. Als zodanig verbeeldde hij het sterven en de wederopstanding (als vegetatiegod de oogst en afsterven in de herfst en het groeien en bloeien in de lente).
Quetzalcóatl was een tweelinggeest en had als wederhelft zijn zuster Quetzalpetlatl.
Hij zou geboren zijn uit de maagd Chimalman en Spaanse priesters vereenzelvigden hem later met Jezus.

Quetzalcóatl verbeeldt de innerlijke strijd van de mens om zich van de aardse 'slang-toestand' om te vormen (de zelfverwerkelijking) tot de hemelse 'vogeltoestand' van de quetzal. Hij verblijft als slang op de aarde, maar moet leren als vogel naar de zon vliegen (de hereniging). Zijn betekenis komt overeen met die van Herakles en de Phoenix, die hun oude toestand opofferen in het vuur om de hemelse aan te kunnen nemen.

De menselijke vorm van Quetzalcóatl en Quetzalpetlatl was het godenpaar Ometecuthli en Omecihuatl; zij begeleidden de geesten die uit de geestelijke wereld op aarde zouden worden geboren. Alle Midden-Amerikaanse goden waren een eenheid van tegendelen: mannelijk en vrouwelijk, licht en donker, beweging en rust. Bij de Inka's in Peru bv. waren het de zonnegod Inti en de maangodin Mama Quilla.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

88. Waar gaat het om? 9 Alchemie
De alchemie als levensbeschouwing is een voortzetting van het gedachtengoed van filosofen zoals Pythagoras, Sokrates, Plato en Aristoteles; zij zochten naar wegen om een deugdelijk mens te worden en in de alchemie wordt veel naar hen verwezen. Alchemie gaat uit van de gedachte dat de persoonlijkheidseigenschappen van de mens aanvankelijk als aanleg aanwezig zijn, in de vorm van de 'prima materia'. In die nog dierlijke toestand zijn zij onvolmaakt, is de mens zelfgericht en daardoor de oorzaak van onmin.
Deze begintoestand en de moeilijkheden die daardoor ontstaan, zetten de alchemisten ertoe aan door zelfonderzoek eerst zichzelf en eigen onvolmaakte eigenschappen grondig te leren kennen. Het doel was die door metamorfose zélf om te vormen naar een toestand van volmaaktheid. Daartoe moest de onvolmaakte toestand afsterven, opdat de groei naar volmaaktheid mogelijk werd, het 'solve et coagula': het scheikundige 'ontleed en voeg weer samen' - dit is hun kernspreuk. De persoonlijkheid kwam daardoor tot ontwikkeling en kreeg zo de eigenschappen van de zon: de 'solificatio'.

Deze geestelijke ontwikkeling werd overgedragen op stoffelijke gebeurtenissen, in het bijzonder op chemische reacties. Daarbij ging het erom alle onedele metalen zinnebeeldig om te zetten - te ontwikkelen - tot het edelste: goud.
Deze overdracht vond ook plaats op dieren: de groene leeuw (afbeelding) is een zinnebeeld van de ongevormde, zelfgerichte begintoestand van de persoonlijkheid. Groen is de kleur van het begin van het Grote Werk (Magnus Opus) aan zichzelf; rood de kleur van het welslagen daarvan en zo ook: de zon. De leeuw die de zon 'uitbraakt' of voortbrengt, beeldt de omvorming uit van de geestestoestand van onbewustheid en onbeheerstheid, naar die van bewustheid en beheerstheid: de zelfverwerkelijking.

Alchemisten ontdekten de spanningsreeks der metalen (van onedel naar edel) en verbonden die met de planeten, die ook met de geestelijke vermogens overeenkomen: Saturnus en Jupiter - de in- en uitgekeerde instelling, Mars - willen, Venus - voelen, Mercurius - denken, de Maan - waarnemen en de Zon - de geest die met deze vermogens werkzaam is en zich zo ontwikkelt.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

89. Waar gaat het om? 10 Jan van Ruusbroec
De Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec leefde in de 14e eeuw in een maatschappij, die geheel van het christelijke levensgevoel was doordrongen. Er waren meerdere mystieke stromingen en hij wees op de noodzaak van 'de onderscheiding der geesten'. Hij beijverde zich om de gelovigen voor dwalingen te behoeden en hen op de innerlijke weg naar de ontmoeting met God te leiden. Daarom schreef hij - heel ongebruikelijk - in de volkstaal, waardoor lang niet is onderkend, dat hij tot de grootste mystici behoorde.

Jan van Ruusbroec leerde de onthechting van zichzelf en de hechting aan God; het ging hem om beoefening van de christelijke deugden en de naastenliefde. Zijn grondbeginsel is het 'exemplarisme': de mens is ertoe bestemd een 'beeld van God' te worden op de weg die door Jezus is onderwezen; door inkeer in het eigen wezen en aan Jezus gelijkvormig te worden, ervaart de mens de goddelijke tegemoetkoming.
Zijn beschrijving van die weg omvat drie trappen:
- temidden van de gemeenschap een geestelijke leven leiden,
- het persoonlijke, innige of God-begerende leven en
- ten slotte het - door zijn verhevenheid en 's mensen ontoereikendheid - slechts voor enkelen weggelegde godschouwende leven.

- Door zijn lichamelijkheid is de mens een stoffelijk wezen en betrokken op de wereld. De mens moet leren daarmee beheerst om te gaan door de vermogens rede en vrije wil bewust te gebruiken: het werkende leven.
- Als geest kan de mens denken, willen en zich richten op het bovenzintuiglijk door dat vanuit de 'memorie', het geheugen, bewust te blijven. De gerichtheid op de inwendigheid, de deugdbeoefening en gelatenheid bij wederwaardigheden, geven de mens een innig, geestelijk leven.
- De mens is door God geschapen en heeft een onlosmakelijke schepselverhouding tot God. Door het gebruiken van de geestelijke vermogens wordt de mens een 'nabeeld van God zelf' en ontwikkelt zo een drang naar vereniging met zijn Oerbeeld.

Die drang is een vrije keuze van de mens en die leidt tot de 'tegemoetkoming' van God zelf. Dit ondersteunt de werkzaamheid van de mens, waardoor de aanschouwing van God (de hereniging) ten slotte werkelijkheid wordt.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

90. Waar gaat het om? 11 Angelus Silesius
Angelus Silesius is de dichtersnaam van Johann Scheffler (1624-1677); hij was lutheraan van geboorte. Geneeskunde studerend in Leiden, sloot hij zich aan bij de collegianten: oecumenische gespreksgroepen die door zelfbezinning naar een persoonlijk beleefd geloof streefden, de Bijbel lazen, van de Bergrede uitgingen en het woord lieten voeren door wie zich geroepen voelde.
Later verbond hij zich met overeenkomende groepen in Silezië. In die tijd schreef hij zijn puntdichten. Een bloemlezing:

Gehechtheid

Het hart dat zich tevreden stelt met plaats en tijd,
heeft waarlijk geen besef van zijn onmetelijkheid.

Noch God, noch schepsel, mens, kan u tot onrust dwingen,
gij zelf verliest uw rust, oh dwaasheid, door de dingen.

Veel hebben maakt niet rijk, hij is een wijze man,
die alles wat hij heeft, gerust verliezen kan.

Keer tot u zelve in, want voor de steen der wijzen,
behoeft gij helemaal geen landen af te reizen.

Inkeer

De wezenlijke mens gelijkt de eeuwigheid,
die onaantastbaar is voor alle uitwendigheid.

Gij jaagt de hemel na, weet dat hij in u is,
en zoekt gij elders hem, gij loopt hem aldoor mis.

Het bovenaardse licht, aanschouwt men in dit leven,
zodra men is bereid, het licht hier op te geven.

Weet dat het ware licht, je dan pas onderkent,
als je van binnen zelf tot licht geworden bent.

Zelfverwerkelijking

Wat is, vraagt gij, mijn vriend, het allerhoogste leven?
Te sterven aan zichzelf, om zich aan God te geven.

Het kruis op Golgotha, verlost u van geen kwaad,
zo in uw eigen hart, het niet geheven staat.

Gij vraagt, hoe denkt u God? Wel, schouw u zelve aan,
want wie zichzelve schouwt, schouwt God waarachtig aan.

Roep niet tot God, de bron welt in u zelf tot leven,
zo gij die niet verstopt, blijft hij zijn water geven.

Ach mens, vertwijfel niet, weet ge u uit God geboren,
dan zijt ge in de eeuwigheid tot leven uitverkoren.

Hereniging

Acht hier een mensengeest zich kleiner nog dan klein,
Hij zal in 't hemelrijk de allergrootste zijn.

Ik ben een berg in God en moet mijzelf bestijgen,
wil ik het aanschijn Gods in mijn gezichtsveld krijgen.

De druppel wordt tot zee, is hij in zee gekomen,
de mens wordt god, als hij in God is opgenomen.

Als God zich met de mens verenigt en verbindt,
dan ziet het oerbegin, dat het zijn einde vindt.

God is mijn middelpunt, mijn omtrek tegelijk,
als ik hém in mij sluit, vloei ik in liefde uit.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

91. Samenvatting van waar het om gaat
Wat de mens in het dagelijkse leven voortdurend doet, is gebruik maken van de geestelijke vermogens: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen van hun betekenis en het vormen van een wilsbesluit er iets mee te doen.
Hierdoor neemt de mens toe in het bewuste en beheerste gebruik van de vermogens, waardoor zij langzaam maar zeker worden ontwikkeld. Dat leidt tot zelfverwerkelijking en uiteindelijk tot hereniging met zijn oorsprong, de goddelijke algeest.

Waarom begaat de mens deze ontwikkelingsweg? Oorzaak zijn de eigenschappen van de algeest, die ook de bron is van de vermogens: waarnemen, denken, voelen en willen. Daarvan wordt het ontwikkelde voelen door liefde gekenmerkt; maar om lief te kunnen hebben, is een ánder nodig. Het is daardoor dat de éne algeest ertoe overging in zichzelf het tegendeel van zichzelf te vormen, door verdichting van ontelbare algeestvonken: de anderen.
Een liefdesband met een ander is echter alleen bestendig als er een evenwichtige wisselwerking tussen de een en de ander bestaat, waarvoor beiden zelfstandig moeten zijn. De algeest is de eeuwige oneindigheid en heeft zelfstandigheid als kenmerk. De menselijke geest, door verdichting uit de algeest voortgekomen, heeft de vermogens in áánleg meegekregen om in de gelegenheid te zijn ze zélf tot ontwikkeling te brengen, om zo, zij het als kleine geest, ten slotte aan de algeest gelijkwaardig te worden. Alleen door die gelijkwaardigheid is de noodzakelijke, evenwichtige wisselwerking mogelijk en daardoor een liefdesband met God.

Om de ontwikkeling van de vermogens, de zelfverwerkelijking, mogelijk te maken, is de mens in de stoffelijke schepping in een stoffelijke levensvorm afgedaald, en zo als het geestelijk levende met de levenloze stof verbonden. Daardoor is de geest hier onbewust geworden van zichzelf en zo in eenzaamheid aan zichzelf overgelaten - een beproevende geestestoestand die wel de gelegenheid biedt geheel zelfstandig met de vermogens gebeurtenissen te verwerken; daardoor wordt geleerd de vermogens bewust en beheerst te gebruiken en zich zo geestelijk te ontwikkelen... met de liefdevolle hereniging met de algeest als einddoel.

← terug naar Hoofdonderwerp 18

92. De begeleiding van de mens
Op de weg door dit bestaan naar het doel, de hereniging, wordt de mens schijnbaar aan zichzelf overgelaten en heeft daardoor de vrije keuze zelf zijn richting te bepalen: naar de stof of de geest, naar zichzelf of ook naar de ander. Daar hier niets de mens aan het bestaan van zichzelf als geest herinnert, moet er begeleiding zijn, die stil op de achtergrond, door ingeving, tracht de mens naar het doel te begeleiden, de vrijheid van keuze eerbiedigend.

De algeest, die de mens door verdichting uit en in zich voort heeft laten komen, verlangt naar de hereniging en komt de mens op zijn pad tegemoet; dat doet de algeest in de vorm van eenzelfde verdichting als die van de menselijke geest, maar dan in een reeds volmaakte toestand, als de heilige, want volmaakte geest.

De heilige geest is bij alle volken door leraren heen werkzaam geweest, maar wilde ook zelf als mens worden geboren. Dat deed hij om hen, die alleen voor zichzelf hadden gekozen en door zelfzucht zich voor de algeest dreigden af te sluiten, weer met zich te verbinden door ook hen tegemoet te komen. Hun eigenliefde werd binnen de algeest door hem in evenwicht gebracht door hier, ook als mens, het tegendeel te laten geschieden: zijn liefdevolle zelfoffer voor hen.

Daarvóór was de heilige geest, de geest in de mens Jezus, drie jaar als leraar opgetreden. Zijn leerlingen, die dagelijks met hem optrokken, zagen hem als een joodse rabbi, wat godsdienstleraar, meester betekent. Zij luisterden naar zijn voor die tijd ongehoorde leer van naastenliefde en godsliefde, en schreven die op om die verder te kunnen verspreiden.
De heilige geest, die ervoor had gekozen als jood te worden geboren, was met de joodse leer opgegroeid en vatte die samen met de raad God lief te hebben boven al en de naaste als zichzelf, want daarin waren de joodse wet en de woorden van de profeten verenigd.

Voor zijn leerlingen was hij in de eerste plaats hun leraar; ook na zijn terechtstelling en opstanding uit de dood, bleef hij dat voor hen. Zijn leerlingen, die Jezus persoonlijk hadden meegemaakt, verspreiden daarna - met gevaar voor eigen leven - zijn leer als een blijde boodschap onder de volkeren.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

93. Een betekenisvol teken voor Jezus 1
De vraag is door welke ogen zijn léérlingen naar rabbi Jezus keken. Mensen in die tijd begrepen nog weinig van het leven op aarde vergeleken met nu en het bestaan was daardoor vol geheimzinnige gebeurtenissen en dreigend gevaar. De hemel leek echter wél betrouwbaar te zijn door vaste kringlopen van gebeurtenissen, zoals de afwisseling van de vier dagdelen en jaargetijden door de zon.

Die hemelse orde moest als bescherming tegen het onheil ook op aarde worden gebracht, wat gebeurde middels merktekens en amuletten. Een veel voorkomend, beschermend geluksteken was het zonnewiel ⨁ met de zon als punt in de dagdelen. Dit gaf niet alleen de vaste orde weer van lente, zomer, herfst en winter, maar ook van plantengroei in de lente, vruchtvorming in de zomer, oogst en afsterven in de herfst, rust in de winter en de wederopstanding van de natuur in de lente.

Door de overeenkomst werd Jezus' sterven en zijn wederopstanding op de derde dag daarmee verbonden. Het zonnewiel werd het zinnebeeld van wat in de eerste eeuwen van het christendom in het middelpunt stond: Jezus' opstanding uit de dood!
Zijn leerlingen waren met dit teken vertrouwd, daar in het Oudhebreeuwse alfabet de 9e letter thêt deze vorm ⨂ had en de laatste letter taw deze +. De letters gaven ook de getallen weer en op het cijfer 9, de voltooiing volgde de 10 als een nieuw begin, de opstanding; wat ook gold voor de taw met getalswaarde 400, de 4 van de + en de honderd als de hemel.
Uit het zonnewiel, de thêt ⨂ en de taw + kwam het Griekse kruis + voort, het kruis van Jezus' opstanding en bewijs van eeuwig léven, voor zijn leerlingen na zijn overlijden dé vreugdevolle gebeurtenis, die immers zijn leer bevestigde.

Dít kruis werd door hen op alle christusikonen afgebeeld: achter zijn hoofd in zijn aureool, met daarin +-vormige versieringen, ook op de omslag van zijn leerboek; steeds wordt daarmee naar het eeuwige leven van zijn opstanding verwezen. Jezus houdt op de ikonen zijn wijs- en middelvinger omhoog, wat geestelijke leringen betekent (alleen de wijsvinger betekende: stoffelijke leringen).
Jezus werd door zijn volgelingen als Albeheerser en als Overwinnaar afgebeeld, als een geestelijke leraar en als navolgenswaardig voorbeeld.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

94. Een betekenisvol teken voor Jezus 2 Het zonnewiel
Zoals in het vorige stukje gezegd, wist men in de oudheid niet wat hemellichamen waren noch hoe die niet alleen zelf draaiden, maar ook om elkaar heen. De waargenomen bewegingen bleken echter wel zeer betrouwbaar en moesten wel door bovenmenselijke krachten worden beheerst; die werden goden genoemd en werden aanbeden. Het woord 'god' komt van het Gotische 'hutas': aanbeden worden en 'guth': het aanbidwaardige; en dat waren die krachten in de ogen van de mensheid van toen, zeker.

Daarbij stond de zon in het middelpunt. Niet alleen om de al beschreven vier dagdelen en jaargetijden, maar ook om de daarmee samenhangende, schijnbare stilstand van de zon tijdens de zomer (midzomer, langste dag) en vervolgens de winter (midwinter, kortste dag), om daarna in tegengestelde richting weer naar het noorden terug te keren: de winterzonnewende (wintersolstitium). In de noordelijke landen werd daarvoor het joel- of lichtfeest gevierd. Daarbij werden kransen met kaarsen opgehangen en houten wielen in brand gestoken.
Overal op aarde spanden volkeren zich in om dit belangrijke tidstip in - voor die tijd - grote bouwwerken vast te leggen (bv. Stonehenge) en zo de zegenrijke beweging van de zon met de aarde te verbinden; op deze wijze was men er zeker van, dat de krachten van de hemelse orde met de aarde verbonden bleven. Naast het bouwen van deze zonnetempels werden overal merktekens in de vorm van het zonnewiel ⨁ aangebracht en afleidingen daarvan, in de vorm van, + of ✠, maar ook als ⨂ of ✕ en stervormig als ✻ en ✳︎, al dan niet versierd.
Een volledig zonnewiel was een door het gelijkarmige kruis in vieren verdeelde cirkel met vier stippen voor de zon.

Na de midwinter, waarbij de zon bijna ten onder dreigde te gaan, maar het licht toch weer naar de mensheid terugkeerde, werd door hen de wederopstanding van de onoverwinnelijke zon gevierd. Met deze alom bekende gebeurtenis werd door zijn volgelingen het overlijden en de wederopstandig van Jezus verbonden. Daarop werd het zonnewiel en het Griekse kruis - een kosmisch teken van het eeuwige leven - een zinnebeeld voor Jezus in de vroeg-christelijke wereld.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

95. Jezus als geestelijke leraar 1
Gezien door de ogen van zijn volgelingen - als mensen van die tijd - zagen zij Jezus als een kosmisch wezen en verbonden hem daarom met de betekenis van het hun al bekende zonnewiel. Daarnaast opende hij bij gelegenheid ook hun geestesoog, zoals op de berg Tabor en bij Paulus voor Damascus. Zij kenden Jezus daardoor ook als geestelijk wezen in de geestelijke wereld en hadden zo weet van zijn geestelijke, als heilige geest gouden, uitstraling. Beide eigenschappen werden daardoor ook aan zijn afbeelding als geestelijk wezen toegevoegd, zijn ikoon, dat een venster op de geestelijke wereld is.

Vanuit die wereld was de algeest, de Vader, de mensheid tegemoet gekomen in de verdichte vorm, als Gods heilige geest en door Maria heen als de mens Jezus in de mensheid geboren, als één van hen. De heilige geest 'kwam tot de zijnen', tot wie van hem waren, want ooit op dezelfde wijze door verdichting uit de algeest voortgekomen; maar zij als zijn nog volwassen te worden kinderen. Hij kwam hier als leraar om hen op hun weg terug naar hun oorsprong te leiden en zijn leerlingen noemden zich dan ook 'de mensen van de weg': de weg van de waarheid en het leven, die Jezus hun had onderwezen.

Zijn leer is in de Bergrede (Mat. 5-7) en het Laatste Avondmaal (Joh. 13-17) samengevat. In de eerste beschreef Jezus een tot dan toe ongehoorde verhouding tussen God en mens:
Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel;
Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien;
Alleen als je rechtvaardig bent, zul je het hemelse rijk binnengaan;
Hecht je niet aan dit aardse bestaan, maar zoek eerst het Godsrijk... dat in je is (Luk. 17:21).

Hij leerde dat als je je gewetensvol en deugdzaam gedraagt, de mens niet alleen met zijn medemens, maar ook met God in de geestelijke wereld wordt verbonden. Dat is in deze serie beschreven als zelfverwerkelijking en hereniging, en dat bleek ook de kern te zijn van de, onder anderen, besproken geestelijke leraren; door hen heeft de heilige geest gesproken in een vorm, die aan de aard van dat volk was aangepast. Immers, iedere mens is door verdichting uit de ene algeest voortgekomen en behoort daardoor tot 'de zijnen'.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

96. Jezus als geestelijke leraar 2 De liefde
De aura of uitstraling om de mens wordt veroorzaakt door de werkzaamheid van de vermogens binnen de geest, die de bron van die uitstraling is; daardoor is de aura daar het sterkst en die wordt dan ook apart getekend als nimbus: wolkje - maar in feite is de hele aura wolkachtig zoals de geest zelf is.

De menselijke geest is zevenvoudig door de vier vermogens, de beide instellingen en de geest als geheel, die voor eenheid zorgt door de vermogens evenwichtig te laten samenwerken. Door het zevental zijn er niet alleen zeven lagen in de aura, maar ook zeven chakra's of knooppunten, die de geest op etherische wijze met de omgeving verbinden.
Op de afbeelding van Jezus' Gedaanteverwisseling zijn die lagen en chakra's gestileerd weergegeven. In de afbeelding rechts zijn alleen de kruin- en stuitchakra getekend. De goudgele, zevende laag is die van een ontwikkeld, geestelijk mens, oorzaak van Jezus' goudgele nimbus.

Op de berg Tabor liet Jezus aan drie leerlingen zien, dat Mozes en de profeet Elia bij hem waren. Zij hadden hun geestelijke ontwikkeling voltooid en waren in de geestelijke wereld met Gods heilige geest herenigd.
Tijdens het Laatste Avondmaal legde Jezus de nadruk op die hereniging. In Johannes 13-17 is te lezen dat Jezus meerdere malen duidelijk maakte, dat hij als heilige geest in de algeest, de Vader is en de algeest in hem; want ook hij is als geest een verdichting uit en in de algeest - als een druppel in de zee met een zekere zelfstandigheid, maar toch ook steeds uit en in die zee.
Hij verzekerde zijn leerlingen dat ook zij, net als hij, deel van de algeest, de Vader, zijn en door die wezenlijke verbondenheid ook met de heilige geest, de geest van de mens Jezus zijn verbonden: "Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, [...] Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij hebt gegeven, opdat zij één zijn zoals wij: ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden en dat u hen liefhad, zoals u mij liefhad." Joh. 17:21-23

Alleen het geestelijke vermogen voelen, in de ontwikkelde vorm als onvoorwaardelijk liefhebben, leidt tot die hereniging.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

97. Waardoor is liefde de kern van het menszijn? 1
Zoals in 32 e.v. beschreven, werd de aanvang van de schepping aan mij getoond als een geestestoestand in de algeest: als de rust en haar donkere koelte die zich in de eeuwige oneindigheid uitstrekte. Daaruit kwam door beweging een lichtende warmte voort, die de rust en haar donkere koelte eerst overstraalde en zich daarna met haar verbond door haar op zijn beurt liefdevol in zich op te nemen.

Daarbij doordrong de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte, die zich - samenwerkend - liet doordringen; en ik ervoer een 'verkoelende warmte' doordat de rust en haar donkere koelte in liefde in de beweging en zijn lichtende warmte was opgegaan: een ompoling.

Daarna zag ik dat in hun midden door verdichting van het licht (waarin het donker was opgegaan) een bolvormige wolk van licht werd gevormd, die tot leven kwam doordat die vanuit de algeest liefdevol met warmte (en daarin de koelte) werd doorstroomd. Door de verdichting had de algeestvonk alle eigenschappen van de algeest in zich. In de zo geschapen menselijke geest vormen deze eigenschappen een eenheid, waarmee de geestelijke vermogens samenhangen:
waarnemen is een geestestoestand van vormbaar licht,
denken een toestand van zelfvormend, beeldvormend licht,
voelen een toestand van vormbare warmte en
willen van zelfvormende warmte.

Het waarnemen van een onderwerp door de geest leidt tot het opnemen van een beeld van buiten in het vormbare licht en verstandelijk overdenken vormt er gedachten over; dan laat de geest het waargenomene toe tot de vormbare warmte, wat de innerlijke, persoonlijke gemoedstoestand is, waardoor er gevoelens over worden gevormd en tenslotte wordt een wilsbesluit gevormd, dat de geest als gedrag vorm geeft.

In dit verloop van buiten naar binnen en weer naar buiten is het voelen de kern; het vormt de persoonlijke gemoedstoestand die alleen in het hart leeft, het innerlijk van de geest. Is dat een gevoel van liefde, dan verbindt dat de mens niet alleen met een andere mens, maar als algeestvonk ook met de bron van zijn bestaan, doordat de gemoedsgesteldheid dan met die van de liefdevolle algeest overeenkomt.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

98. Waardoor is liefde de kern van het menszijn? 2
Door de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, worden aandacht en toewijding geheel overgedragen op de buitenwereld, waardoor je voor jezelf als menselijke geest een onbekende wordt in je binnenwereld - waar 'alleen maar gedachten' zijn.
Daardoor besef je niet dat je je van de buitenwereld bewust wordt, doordat de beelden ervan als lichtbeelden in jezelf als geest worden afgedrukt (zie 51a). Ook het denken erover om hun betekenis te beoordelen, gebeurt in de vorm van denk- of lichtbeelden. Dat overdenken doe je door die gebeurtenissen te vergelijken met andere uit je geheugen, zodat je de nieuwe kunt plaatsen, begrijpen.

Daarna kun je die gebeurtenissen dieper in jezelf door laten dringen en verbinden met je geestelijke warmte, je gemoed. Denken is een verstandelijke, afstandelijke vergelijking van gebeurtenissen, wat meer in de binnenwereld vóór je gebeurt, maar voelen een verbinding maken tussen het andere in de buitenwereld en jezélf als persóón in je innerlijk, waardoor dat jou kan raken, jou wat kan aandoen. Je kunt in een aangedane gemoedstoestand komen, doordat je toelaat dat je gemoedstoestand wordt als die van de ander, die jou belevenissen vertelt. Door die woorden tot je toe te laten, ga je als méns met die andere mens meevoelen, meeleven en ervaar je zélf de vreugdevolle of verdrietige gemoedstoestand, waarin je medemens verkeert.

Denken is meer het verbinden van dingen met elkaar, voelen het verbinden van persónen, levende wezens, waardoor eensgezindheid ontstaat, één van gemoed en beleven - waardoor je je voor de ander wilt inzetten alsof het jezelf betrof. Daardoor wordt de eenzaamheid van dit bestaan doorbroken, veroorzaakt doordat je door het indalen in het lichaam van de ander wordt afgescheiden.

Door de gevormde gevoelsband ontstaat op aarde een toestand die met de hemel overeenkomt, waar geesten zover zijn ontwikkeld dat zij met de algeest in overeenstemming zijn en door de algeest heen ook met elkaar.
Alles wat op aarde is bedacht en gemaakt, moet daar worden achtergelaten;
maar wat hier diep is doorvoeld, is nu al een rijkdom voor de eeuwigheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

99. De zin van zonde
Zoals reeds uiteengezet, verdichtte de algeest in zichzelf menselijke geesten om een ander te hebben, waarmee een liefdevolle wisselwerking mogelijk zou zijn. Daartoe moesten die de mogelijkheid krijgen op eigen kracht zichzelf te ontwikkelen tot een geestesgesteldheid, gelijkwaardig aan die van de algeest; waarvoor zij vanuit de geestelijke wereld in een stoffelijke schepping afdaalden in een lichaam, waarin zij - schijnbaar aan zichzelf overgelaten - aan hun groei naar geestelijke zelfstandigheid zouden kunnen gaan werken. Dat werk behelst een bewust en beheerst gebruik leren maken van de vier geestelijke vermogens en daartoe kregen zij meteen al een zekere zelfstandigheid in de vorm van zelfgevoel mee.

Doordat die schijnbaar aan zichzelf was overgelaten, beschikte de mens hier over een vrije keuze. Sommigen ontwikkelden hun vermogens in de richting van het geweten en de deugden, en daardoor van de liefde; anderen vormden hun zelfgevoel om tot eigenliefde: zij zagen zichzelf als het middelpunt en ontwikkelden hun vermogens tot zelfzucht, in de vorm van: hebzucht, regelzucht, eerzucht en heerszucht. Maar daardoor verbraken zij het evenwicht in Gods schepping en berokkenden anderen leed. Zij beantwoorden niet aan het doel van de schepping en 'het doel missen', 'niet aan het doel beantwoorden', is de betekenis van 'zonde'.

Hun zelfzuchtige gedrag betekende zowel voor anderen als voor henzelf moeilijkheden, wederwaardigheden en tegenspoed, waardoor zij op zichzelf werden teruggeworpen om zich af te vragen waar zij mee bezig waren, met de kans zo zélf tot bewustwording en inzicht te komen.
Maar ook het leed dat zij anderen aandeden, sloeg op hen terug, want, aan het einde van de rit hier weer thuisgekomen in de geestelijke wereld, wordt de afgelegde weg door begeleiders liefdevol met hen besproken; zo gaat het geweten spreken en moeten zij zelf ervaren, wat zij op aarde anderen aandeden - wat mij daar is getoond en wat terecht de hel wordt genoemd. Daardoor neemt thuis iedereen uit eigen beweging zich voor een volgende keer zijn leven te beteren.

De zin van de vrijheid om te zondigen is, dat het de mens zélf laat besluiten zich te ontwikkelen in de richting van de liefde, dat alleen zó een persoonlijke eigenschap wordt.
Wat er ook op aarde gebeurt, in het eeuwige leven heeft het geestelijke groei tot gevolg.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

100. Heeft het leerstuk 'erfzonde' een zin?
In Genesis 2,3 wordt beschreven dat God de mens als levend wezen vormde en in een lusthof plaatste, met in het midden de levensboom en de boom van 'kennis van goed en kwaad'. Van alle bomen mocht hij de vruchten eten, maar niet van de laatste.
Daarna scheidde God de vrouw uit de zijde(!) (niet rib) van de mens; daardoor verscheen het paar Adam en Eva, de eerste gedeelde tweelinggeest.

Onder de dieren had God ook de sluwe slang geschapen(!), die zich in de verboden boom verborg (de vraag kan worden gesteld hoe het kwam, dat die slang, in Gods eigen tuin, juist in díe boom zat). De slang zei tegen Eva dat als zij aten, zij als goden zouden zijn, goed en kwaad kennend. Die wijsheid leek Eva goed, zij plukte en gaf ook Adam te eten, waarop zij zich bewust werden van zichzelf(!) als man en vrouw.
God riep hen ter verantwoording, maar voerde zijn dreigement, de dood als straf, niet uit. Hij zei dat ze voortaan moeilijkheden zouden moeten overwinnen. Hij wilde voorkomen dat ze meteen goddelijk zouden worden door ook van de levensboom te eten, maakte daarom kleren voor hen en zond ze de wereld in om op hun lévensweg zelfstandig te worden.

De strekking van Gen. 2,3 komt overeen met Jezus' vergelijking van de Verloren Zoon en daardoor wordt de betekenis van het paradijsverhaal begrijpelijk: de zoon besluit zélf zijn vader te verlaten, die hem de vrije keuze laat en ook zijn erfdeel geeft: hij stemt ermee in. De zoon doet zelf leerzame ervaringen op in de wereld, komt door tegenslag tot bezinning en neemt zélf het besluit terug te keren ('religio': hérverbinding).
Zijn vader is verheugd over zijn terugkeer en zegt tot twee keer: Mijn zoon was dood en is weer levend geworden! (hij was eerst onbewust en vereenzelvigd met de stof, maar is nu bewust en zichzelf geworden).

De Verloren Zoon (wij allen) heeft een vrije keuze en moet door eigen ondervinding van de gevolgen daarvan leren, daardoor groeien en zelf besluiten zich met zijn oorsprong te herenigen!

De kerkleraar Augustinus voelde zich schuldig over zijn losbandige jeugd, waarin hij had gezondigd. Dát dreef hem n.a.v. het paradijsverhaal tot het leerstuk van de 'erfzonde': iedere mens wordt in zonde geboren. Lang niet iedereen was het met hem eens; Pelagius bv. hield vast aan de vrije keuze van de mens; die bevórdert de geestelijke ontwikkeling, maar door dit ontmoedigende, bedachte leerstuk wordt die ernstig geremd.
Genesis is een joods boek en het jodendom wijst de erfzonde af.

← terug naar Hoofdonderwerp 19

101. Jezus' gelijkenis van de Verloren Zoon 1
Jezus zei: Iemand had twee zonen. De jongste zei tegen zijn vader: "Geef mij het deel van uw bezit, waarop ik recht heb." De vader verdeelde zijn vermogen en de jongste zoon verzilverde zijn bezit. Hij reisde naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.
Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een hongersnood en begon hij gebrek te lijden. Hij vroeg om werk en een van de inwoners liet hem zijn varkens hoeden. Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen voor de varkens, maar niemand gaf ze hem.

Toen kwam hij tot zichzelf. Hij dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten genoeg en ik kom hier van honger om. Ik zal naar mijn vader teruggaan en zeggen: "Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon te worden genoemd; behandel mij als een van uw dagloners." Hij stond op en ging op weg naar zijn vader.

Die zag hem in de verte aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. De zoon zei: "Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon te worden genoemd." Maar de vader zei tegen zijn knechten: "Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, geef hem een ring om zijn vinger en sandalen. Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden."

Wat leert Jezus hier aan zijn leerlingen?
Hij benadrukt niet alleen de waarde van onvoorwaardelijke liefde, maar ook van de vrije keuze van de mens en daarmee van zijn eigen verantwoordelijkheid voor het begaan van de levensweg: de weg van geestelijke ontwikkeling in deze leerschool.

Als de mens tot erkenning van zijn fouten komt, klinkt er geen verwijt! In tegendeel, er is vreugde om iedereen die zélf tot inzicht en ommekeer is gekomen, en naar hereniging streeft: het doel waarvoor de mens hier schijnbaar aan zichzelf wordt overgelaten!

Jezus zegt tegen ons:
Ooit ben je als mens uit vrije keuze op weg gegaan
om hier zélf levenservaring op te doen
en daardoor tot bezinning te komen
en uit éigen beweging terug te keren.

"God, u bent goed en tot vergeving bereid, uw trouw is groot voor ieder die u aanroept." Psalmen 86:5
En de profeet Joël (2:13) "Keer terug tot God, want hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid."

← terug naar Hoofdonderwerp 19

102. Het mensbeeld van rabbi Jezus 1
Als joods kind kreeg Jezus een grondig godsdienstonderricht, waardoor hij de Tenach (het Oude Testament) kende. Die was geschreven in het Hebreeuws, een woord afkomstig van 'eber': de overzijde; het was de taal van de 'overzijde', de engelentaal waarmee Jahweh tegen Abraham en de profeten sprak; daarom noemen rabijnen het 'lasjon ha-qadesj', de heilige taal (die trouwens géén hoofdletters heeft).

In tegenstelling tot de afgodendiensten om hem heen had Abraham (± 2000 v.Chr.) als eerste een persoonlijke verstandhouding met de Almachtige, God en dat is tot en met Jezus en zijn volgelingen - ook in het heden - zo gebleven. Die persoonlijke band tussen God en mens komt in vele Tenach-teksten tot uiting en dat bepaalde ook Jezus' mensbeeld.

Bijvoorbeeld Psalm 82:6-8 "Ooit heb ik gezegd: Jullie zijn goden, allen kinderen van de Allerhoogste." Jezus haalt deze tekst aan als Farizeeën hem verwijten dat hij zegt Gods zoon te zijn. Ook toen waren er mensen die niet beseften dat deze woorden ook op hen sloegen.

In Leviticus 19:2 zegt God tegen Mozes: "Spreek tot alle kinderen van Israël en zeg hen: Wees heilig, want ik, de almachtige, jullie God, ben heilig!" Daar staat dat de mens in aanleg heilig is, maar het zelf nog moet verwerkelijken, want daarna volgen de gedragsregels, waaonder de tien geboden, die leiden tot het geweten en de deugden, die nodig zijn om dit doel te bereiken.

Bij de profeet Jesaja 11:2-3, die - onder anderen - de komst van Jezus aankondigde, is te lezen: "Op hem [Jezus] zal Gods geest rusten, de geest van wijsheid en verstand [denken], de geest van raad [denken en voelen] en sterkte [willen], de geest van kennis [waarnemen] en hoogachting [voelen] voor God," m.a.w. een geest die over de vier geestelijke vermogens beschikt, zoals die ook aan mij zijn getoond voor de menselijke geest (zie hiervoor de stukjes 1-20).

Het zinnebeeld van de spreuk 'Zo boven, zo beneden' en ook van Israël is het hexagram; een zinnebeeld voor de eenheid der tegendelen die zich als tweeheid voordoen, de eenheid van wat boven en wat beneden is, het geestelijke en stoffelijke.
In de alchemie stond de staande driehoek als het opstijgende vuur voor mannelijkheid, de omgekeerde als het neerstromende water voor vrouwelijkheid én voor hun innige verstrengeling. Het gold daar als dé afbeelding van het heelal.

← terug naar Hoofdonderwerp 20

103. Het mensbeeld van rabbi Jezus 2
Jezus kende de Tenach: de boeken van Mozes, van de profeten en de geschriften.
In Mattheüs 22:43-40 geeft hij daarvan een samenvatting: Heb God lief met heel je hart, ziel en verstand. Dit is het eerste en grote gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: heb je naaste lief als jezelf.
Al in Genesis 17:1 krijgt Abraham de raad: Leid een onberispelijk leven in verbondenheid met God; en in Leviticus 19:18 wordt gezegd: Heb je naaste lief als jezelf.

Vanaf het begin wijst God op de vrije keuze van de mens; in Deuteronomium 30:15-19: Je staat voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. [...] Kies voor het leven.
Om te kiezen, moet je je geestelijke vermogens gebruiken, die Salomo beschrijft in 1 Koningen 3:9-10: Schenk uw dienaar een opmerkzame geest [waarnemen], zodat ik [...] onderscheid kan maken tussen goed en kwaad [denken en voelen].
In zijn Spreuken 2:1-6 staat: Mijn zoon, als je in acht neemt wat ik zeg [...], luistert [waarnemen] naar mijn wijsheid [denken], vraagt om een geest die neigt naar inzicht om de dingen te begrijpen [denken], als je roept om scherpzinnigheid [denken], ernaar speurt als een verborgen schat [waarnemen]; dan zul je ontdekken wat ontzag [voelen] voor God is, dan zul je kennis van God verwerven [waarnemen].
Daarom in Spreuken 4:23: Behoed je hart boven al wat te bewaren is, want dat is de bron van je leven; en Spreuken 23:19: Luister en word wijs, kies de juiste weg; Spreuken 9:6: Leef ... en betreed de weg van het inzicht.

In Psalm 25:4-5 staat: Maak mij, God, met uw wegen vertrouwd, leer mij uw paden te gaan. Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij.

Dat geestelijke onderricht zet Jezus onder andere voort in de Bergrede:
Zoek eerst Gods Koninkrijk... Mattheüs 6:33.
En: Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel (5:3).

Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn (6:21).
En: Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien (5:8).

Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God worden genoemd (5:9).
God maakt immers geen onderscheid (5:44-45): Hij laat zijn zon opgaan over goede en slechte mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

← terug naar Hoofdonderwerp 20

104. Het mensbeeld van rabbi Jezus 3
Een onderwerp dat Jezus tijdens zijn Laatste Avondmaal behandelde, is de wezenlijke verstandhouding die bestaat tussen God, Jezus en de mens.
1. Volgens Mattheüs 5:48 zei hij: "Wees volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is." Daarbij haalde hij een tekst aan uit Leviticus 19:1-2, waar Jahweh tegen Mozes zegt: "Heilig moeten jullie zijn, want ik, jullie God, ben heilig," en uit een psalm van David 8:2-7 "Wie zijn toch de stervelingen, dat u aan hen denkt, de mensenkinderen, dat u naar hen omziet? U hebt hen bijna goden gemaakt."

In een aantal teksten volgens Johannes beschrijft Jezus de innige band die bestaat tussen de menselijke geesten, die door verdichting uit de goddelijke algeest (de Vader) zijn voortgekomen en Gods heilige geest in de mens Jezus, die hen op hun ontwikkelingsweg begeleidt:

2. "Geloven jullie niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mijzelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij. Geloof me: Ik (de heilige geest) ben in de Vader (de algeest) en de Vader is in mij (14:9-11).
De Vader is meer dan ik (14:28).
3. En dan tot God:
Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden. Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij hebt gegeven, opdat zij één zijn zoals wij, ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden en dat u hen liefhad zoals u mij liefhad (17:21-23).

Vader, laat hen één zijn zoals wij, de Vader in mij, ik in de Vader en zij in ons (17:21).
Opdat zij één zijn, zoals wij één zijn (17:22).
[...] Ik ben in mijn Vader en jullie zijn in Mij, en Ik ben in jullie (14:20).
Blijven jullie in mij, dan blijf ik in jullie (15:4).
Als iemand mij liefheeft, [...] dan zullen wij bij hem komen en bij hem wonen" (14:23).

Met de raad volmaakt te zijn, zoals God volmaakt is (1), wijst Jezus de leerlingen (2) op de innerlijke heelwording, de zelfverwerkelijking van de mens. Vervolgens beschrijft hij de geestelijke hereniging van de heelgeworden menselijke geest met de goddelijke algeest (3)... door de liefde.

← terug naar Hoofdonderwerp 20

105. Jezus en Pythagoras
Pythagoras leefde in de 6e eeuw v.Chr. als tijdgenoot van Boeddha en van het verschijnen van de Oepanishads in India, van Confucius en Lao-tze in China, en Jesaja en Ezechiël in Palestina; een tijd waarin wijsheidsboeken, alle met dezelfde strekking, maar aan de aard van de volkeren aangepast, op aarde werden gebracht.

Pythagoras leerde
- dat God een geest is die de gehele kosmos doortrekt [de algeest]; de menselijke geest is een werkstuk van God, uit God gemaakt en blijft een deel van het goddelijke wezen;
- de menselijke geest is een zelfstandige eenheid die uit het lichaam kan uittreden;
- de woorden die we een mens horen zeggen, zijn een ademtocht van de geest;
- deze wereld is een toneelspel en filosofen zijn de toeschouwers ervan; het leven gaat niet verloren, want bij de dood van het lichaam gaat de geest naar een andere wereld, zie 39a-b;
- de persoonlijkheid maakt een groei door, doordat de geest door wedergeboorten meerdere malen een gang door het aardse bestaan maakt; het doel van die geestelijke ontwikkeling [de zelfverwerkelijking] is de eenheid met het goddelijke [de hereniging], dat in aanleg al in de mens aanwezig is.
Pythagoras was de eerste Griekse filosoof met een samenhangende leer, die in de oudheid algemeen bekend was en waarop Plato voortbouwde.

Bij zijn leerlingen, de pythagoreeërs, was het hexagram als de verstrengeling van het mannelijke en vrouwelijke het belangrijkste zinnebeeld: het beeld van het gezin, maar ook weergegeven door het vierkant als vader, moeder, zoon en dochter. Het Griekse woord 'tetra-gonos' betekent niet alleen vierhoekig en vierkant, maar ook sterk en volmaakt. Zie ook 63a-e.

In het Oud-Grieks:
tetra-ktys: viergroep 1+2+3+4=10
tetra-gonos: vierhoekig, vierkant, sterk, volmaakt
De kern van de tetraktys was volgens Pythagoras' getallenleer: 1+2+3+4=10, en 1+0=1
de vorm werd op meerdere manieren weergegeven.

De Gulden Verzen van Pythagoras beschrijven een levenswijze, die de vergoddelijking van de mens door geestelijke groei als doel heeft. De Verzen hebben dezelfde strekking als de Tau teh tjing van Lao tse, de Vier edele waarheden en het Achtvoudige pad van Boeddha en de leringen van de Oepanishads.
De joodse profeten Jesaja en Ezechiël vertegenwoordigen aan de ene kant de Wetten van Mozes, aan de andere kant wijzen zij op de komst van Jezus, die die wetten tijdens de Bergrede en het Laatste Avondmaal heeft samengevat en voltooid als een persoonlijke levenswijze voor de mens, die uiteindelijk leidt tot God.

← terug naar Hoofdonderwerp 20

106. Genesis en het Aramese Onze Vader
1. De helderziende Max Heindel bespreekt in 'Leer der Rozekruizers' de betekenis van Genesis 1:1. Volgens hem luidt de Hebreeuwse tekst letterlijk: "Uit het eeuwig bestaande wezen der ruimte vormde de tweevoudige kracht hemel en aarde."
Die tweevoudige kracht wordt 'elohim' genoemd, wat een Hebreeuwse woordsamenstelling is van de woorden:
- 'el': god;
- 'eloh': godin, het vrouw. enkelvoud van 'el' en
- 'elim': goden, het man. meervoud van 'el'.

De betekenis van 'elohim' is: de 'godin en god', m.a.w. God als tweevoudige kracht als vrouw en man, of God als tweelinggeest en die tweelinggeest, de Elohim: ... schiepen de mens als hun evenbeeld, [...] mannelijk en vrouwelijk schiepen zij de mensen (Gen. 1:27);
wat met het bekende 'Zo boven, zo beneden' overeenkomt.
Het woord 'elohim' komt meer dan tweeduizend maal in de Tenach voor en werd meestal met 'God' vertaald, zodat de man-vrouwelijke betekenis van dit woord verloren ging en er alleen een mannelijk gedachte God overbleef, die ook nog eens 'de Heer' werd genoemd.

2. Wat is hierover bij rabbi Jezus te vinden? Het Syrisch-Aramese manuscript van de Evangeliën wordt door de Oosterse kerken als het oudste en meest gezaghebbende beschouwd. Een vertaling van Jezus' gebed uit het Aramees luidt:

O Geboorte-gever! Vader-Moeder van de kosmos,
Verdicht Uw licht in ons - maak het nuttig.
Vestig Uw rijk van eenheid nu.
Uw verlangen handelt dan samen met het onze,
zoals in alle licht, zo ook in alle vormen.
Geef ons wat we elke dag nodig hebben aan brood en inzicht.
Maak de banden van fouten die ons binden los,
zoals wij die van onze schuldenaren loslaten.
Laat oppervlakkige dingen ons niet misleiden,
maar bevrijd ons van wat ons tegenhoudt.
Uit U wordt de alwerkzame wil geboren,
de levenskracht om te handelen, het lied dat alles verfraait
en dat zich van eeuw tot eeuw vernieuwt.
Waarlijk - dat er kracht zij in deze woorden -
mogen zij de oorsprong vormen,
waaruit al mijn daden ontstaan: Amen

3. Het meest wezenlijke wat mijn begeleiders mij in de geestelijke wereld hebben getoond, is de ongevormde oertoestand van de algeest als een tweeheid: als de rust en haar donkere koelte, en de beweging en zijn lichtende warmte;
in de gevormde toestand deden die zich aan mij voor als man en vrouw, als Vader-Moeder van de mensheid, de tweelinggeest in de gedeelde toestand (zie nr. 36-37);
in de verenigde toestand van de tweelinggeest is de vrouwelijke helft liefdevol in de mannelijke helft opgegaan, waardoor zij de kern, het hart van hun gemeenschap vormt en hij de buitenkant, die er daardoor mannelijk uitziet... wat de oorzaak was van de onjuiste mening, dat God alleen mannelijk zou zijn.

← terug naar Hoofdonderwerp 20

107. De noodzaak van Jezus' zelfoffer
Zoals beschreven (zie 32, 35, 59) is de éne algeest eeuwig en oneindig, en daardoor geheel zelfstandig. Eén van zijn vier geestelijke vermogens is het voelen en daaruit de liefde, maar om lief te kunnen hebben, is een ánder nodig, waarmee een evenwichtige liefdesband alleen kan worden gevormd door gelijkwaardigheid van beiden. Om die reden begaf de verdichte algeestvonk, de menselijke geest - die ander - zich op een ontwikkelingsweg om de vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken en zo in het klein gelijkwaardig te worden aan de geestesgesteldheid van de algeest: de 'Vader'.
Overal in zichzelf waar dat nodig is, kan de algeest zich opnieuw verdichten, maar dan in volmaakte vorm als de heilige geest: de 'Zoon', om een persoonlijke liefdesband te kunnen vormen met de mens - als die zich uit vrije keuze tot zijn of haar schepper wendt en zo de evenwichtige wederkerigheid tussen schepper en schepsel, ouder en kind, mogelijk maakt.

Als de Ene bezit de algeest van eeuwigheid her een zelfgevoel, dat door de verdichting ook een kenmerk van de mens werd. Daardoor zou, door de noodzaak van vrije keuze, diens ontwikkeling twee kanten op kunnen gaan: die van liefde alleen voor zichzelf of ook voor de ander. De algeest voorzag dat door zelfgerichte eigenliefde sommige geesten zich voor de anderen zouden gaan afsluiten en zo onbereikbaar zouden worden, ook voor de algeest zelf. Doordat zij hun licht en warmte voor zichzelf hielden en niet uitstraalden, vormden zij op den duur binnen de algeest aparte, koude en schemerige gebieden, een onderwereld, waarin zij opgesloten raakten.

Doordat alles binnen de algeest gebeurt, wist die dat hun zelfgerichtheid, die de evenwichtige samenhang binnen de algeest verstoorde, alleen kon worden opgeheven, door zich als de heilige geest ook als méns geboren te laten worden om door het tegendeel, een liefdevol zelfoffer van zijn kant, dat evenwicht te herstellen. Alleen door als mens zelf het lot van de zelfgerichte misdadiger te ondergaan en zo tot één van hen te worden gerekend (Jesaja 53:9), zou die hen vervolgens in hun schemerwereld kunnen opzoeken om de geestelijke band met hen te herstellen.
De terechtstelling van Gods heilige geest als de mens Jezus, betekende een liefdevolle, goddelijke tegemoetkoming naar hen, die zich door eigenliefde juist van God hadden afgekeerd. Middels de joodse profeten kondigde hij zijn voornemen hén te gaan redden, meermalen aan. Immers, volgens Jezus' woorden hebben zij die gezond zijn geen dokter nodig, maar wel zij die ziek zijn (Lukas 5:31).

← terug naar Hoofdonderwerp 20

108. De aankondiging van Jezus' komst
De Hebreeuwse Bijbel, Tenach genoemd, is samengesteld uit de Thora (onderwijs), Neviim (profeten) en Chetoevim (geschriften). Het woord 'profeet' komt van het Griekse 'prophètès': voorzéggen, voorspellen. Zij traden op als bemiddelaar om Gods woord aan het joodse volk over te brengen en werden 'man of vrouw Gods' of zieners genoemd.
Het gaat om een twintigtal en velen voorzegden de komst van een 'masiach' (van masja, zalven): een messias of verlosser, die de mensen zou verlossen van hun onwetendheid en zwakheden. Bij het joodse volk werden hogepriesters en koningen 'gezalfd' met olie en ook de masiach werd 'gezalfde' genoemd. In het Grieks werd dat 'christos' (hangt samen met 'chrestos': deugdelijk) en in het Latijn 'christus'. Jezus Christus betekent dus: Jezus de Gezalfde.

De eerste joodse profeet is Mozes, die aan het volk hun Uittocht uit Egypte, het slavenhuis, aankondigde. Hij noemde hen Gods naam als Jahweh: ik ben, was, zal zijn en 'doe zijn', gaf aan het volk de Tien Woorden als zedelijk voorschrift om naar te leven en leidde hen naar het beloofde land.

De profeet die uitgebreid Jezus' komst en terechtstelling voorzegde, is Jesaja (±750 v.Chr.), in o.a. de volgende teksten:

7:14 Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: De jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; zij zal hem de naam Immanuel geven (God met ons).
9:1 Het volk dat in duisternis ronddoolt, ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen, worden door een helder licht beschenen.
9:5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij rust op zijn schouders en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
11:2 Op hem zal de Geest Gods rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en hoogachting voor de Heer.
52:13 De Heer: Mijn dienaar zal wijs zijn.
52:15 Hij zal vele heidenvolken besprenkelen.
53:1 Aan hem is Gods kracht geopenbaard.

Maar ook:
53:5 Zijn lichaam werd stukgeslagen met de zweep.
53:7 Hij werd in een hoek gedreven en mishandeld, maar zei geen woord. Hij was als een schaap dat voor de slacht werd weggebracht.
53:9 Hij zou bij misdadigers begraven worden, maar kreeg een graf bij de rijken.
53:12 Hij heeft gebeden voor de schuldige mensen.

Zo zijn er in de Tenach meer dan 350 verwijzingen naar Jezus' leven te vinden.
Het is buitengewoon hoe nauwkeurig sommige gebeurtenissen uit het leven van Jezus, eeuwen daarvóór al door meerdere profeten is voorzegd! Zie hiervoor de website Geestkunde bij Vragen en Antwoorden.

← terug naar Hoofdonderwerp 20

109. Het profeteren - hoe het werkt
Rond 750 v.Chr. voorzegde o.a. de profeet Jesaja allerlei bijzonderheden over het leven van Jezus. Profeteren (A) wordt mogelijk doordat een begeleider vanuit de geestelijke wereld de chakra's (zie 22, 75) van beiden met elkaar verbindt. Doordat die het hoofd van de ander ook gedeeltelijk laat uittreden, kan de begeleider diens hersenen gebruiken om door de mens op aarde heen te spreken.

Op fMRI-beelden (A) is te zien, wat er in de hersenen gebeurt als een proefpersoon een taak uitvoert; maar ook als de geest zélf gedachten op de hersenschors afdrukt, waardoor daar de celwerkzaamheid toeneemt, te zien aan de verhoogde bloedtoevoer (rood). Van daaruit zet de geest zenuwen en spieren van het spraakorgaan in werking, waardoor die gedachten in woorden tot klinken komen.
Door de verbonden chakra's heen kan ook een begeleider vanuit de geestelijke wereld op dezelfde wijze gedachten tot klinken brengen in de stoffelijke wereld, door als hemeling van het lichaam van een aardling gebruik te maken (dit is mijn persoonlijke ervaring).

Bij B is te zien hoe de verhouding is bij een ingeving (zie 44). Dan doordringt de begeleider met zijn uitstraling die van de ander en vormt daarin een gedachte, die zo wordt ingegeven. Als de ander geestelijk in rust is, mijmert, dan kan die een inval als een plotseling opkomende gedachte opmerken.

Mijmeren en dagdromen (default-modenetwerk)
Met fMRI ontdekte men samenhangende hersengebieden die juist tijdens rúst werkzaam zijn! Een eigenschap van dit netwerk is, dat in deze ónwerkzame toestand toch gedachten kunnen opkomen of men invallen krijgt als oplossing voor een vraagstuk. Ondanks de rust is een geheimzinnige werkzaamheid oorzaak van nuttige ingevingen.
Voor deterministische natuurwetenschappers is dit tegenstrijdig en onbegrijpelijk. Terwijl je níet naar de oplossing voor een vraagstuk zoekt, dient die zich spontaan toch aan... wat de keten van oorzaak en gevolg doorbreekt(!).

Men denkt niet aan de begeleider in de geestelijke wereld die ziel en hersenen beïnvloedt en de bron is van deze hulp. Juist als de aardling tot rust komt, kan de tijdloze hemeling werkzaam zijn en zo voorspellingen doen, die eeuwen later pas uitkomen.

← terug naar Hoofdonderwerp 20

110. Jezus en zijn apostel Judas
Kerkvader Hiëronymus vertaalde de Bijbel van het Grieks in het Latijn (de Vulgaat), waarbij hij echter voor het werkwoord 'paradidomi': 'hem overhandigen' voor 'verraden' koos. Daardoor kreeg Judas' optreden bij Jezus' gevangenneming een andere, ongunstige betekenis!

Jezus wist wat er in de mens leefde en toch koos hij als één van de twaalf leerlingen ook Judas. Hij vertrouwde hem de kas toe, waardoor Judas het geld beheerde: de wereldlijke macht - dát was zijn wereld. Daardoor sprak, van wat Jezus hen leerde, het Koninkrijk Gods hem aan. Zoals de meeste joden, haatte hij de wrede Romeinse bezetters. Hij vond echter dat Jezus de komst van zijn koninkrijk moest doorzetten en verzon daarom een plan hem tot handelen te dwingen.

De tempelpriesters dorsten Jezus in het openbaar niet gevangen te nemen. Ze vreesden voor een volksopstand, waarbij de Romeinen hardhandig zouden ingrijpen. Judas begreep dit. Hij ging naar hen toe en zei dat hij Jezus 's nachts aan hen wilde overleveren, waarvoor hij dertig zilverlingen kreeg.

Hij wachtte nu op een goede gelegenheid. Jezus doorzag de mensen en kende hun overleggingen; tijdens het paasmaal dat het laatste werd, zei híj tegen Judas dat hij nu moest gaan doen, wat hij van plan was!
Judas hoopte dat als Jezus eenmaal voor de Hoge Raad zou staan, hij zich gedwongen voelde zijn goddelijke macht te gebruiken. Het liep echter geheel anders. Jezus beledigde eerst de hogepriester Kajafas en beschuldigde daarna zichzelf door een godslastering: hij noemde zich Gods Zoon.

Daarop werd hij door de raad tot de doodstraf veroordeeld, maar die werd alleen door de Romeinen uitgevoerd. Tegenover Pilatus bevestigde Jezus dat hij de koning der joden was, wat hem in diens ogen tot een staatsgevaarlijke opstandeling maakte. In tegenstelling tot het bijbelverhaal, beschrijven historici Pilatus als een medogenloze onderdrukker. Opstandelingen werden zonder omwegen ter dood gebracht, waarop ook Jezus' terechtstelling volgde.

Judas zag zijn plan mislukken en kreeg zo diep berouw, dat hij er een eind aan maakte.
Zou hij Jezus werkelijk hebben willen verráden, dan was de loop der gebeurtenissen juist in overeenstemming met zijn plan en zou Judas met de afloop zeer tevreden zijn geweest.

← terug naar Hoofdonderwerp 21

111. Jezus en Pontius Pilatus
Pilatus' familie kwam uit Zuid-Italië en zij waren geen Romeinen. Zoals velen trokken ook zij naar Rome, waar Pilatus door vriendendiensten zich in het Romeinse bestuur wist op te werken. Hij werd als tribuun, bevelhebber aangesteld over 6000 soldaten en vocht tegen de Germanen. Die boden krachtig weerstand, waardoor hij een geharde strijder werd.

Als niet-Romein spande Pilatus zich overmatig in om zich te bewijzen en viel daardoor op bij keizer Tiberius. Die zond hem naar de opstandige joden in Palestina om de orde te handhaven en belasting te innen. Ieder verzet tegen Rome smoorde hij daar met harde hand. Hogepriester Kajafas streefde ook naar rust, waardoor zij tot een vorm van samenwerking kwamen, hoewel Pilatus weinig begreep van de joodse godsdienst.

Iedere leider met volgelingen, was in Pilatus' ogen bij voorbaat verdacht; iedere opstandeling werd opgepakt en ter dood veroordeeld. Dat deden de Romeinen aan een paal ('stauros' in het Grieks). Zij hadden een T-vormig kruis (stipes et patibulum), maar dat werd alleen voor Romeinen gebruikt. Niet-romeinen werden aan alleen de paal terechtgesteld.

Ook in Palestina wilde Pilatus zich tegenover de keizer bewijzen, waardoor hij medogenloos te werk ging. Hij liet zoveel joden terechtstellen, dat er een palentekort ontstond. Zijn gedrag had echter bij hen een averechts gevolg; i.p.v. zich te onderwerpen, wakkerde hij hun opstandigheid juist aan.
Het gevolg was ook dat er zoveel klachten over zijn gedrag Tiberius ter ore kwamen, dat die besloot hem na tien jaar voortijdig terug te roepen. Dat was voor Romeinse militairen een smadelijke afgang, waarna zij er een einde aan maakten. Van Pilatus is daarna niets meer vernomen.

Maar toen Jezus vanuit Galilea naar Jeruzalem trok om daar het Pesach te vieren, vertrok in dezelfde tijd Pilatus vanuit de Romeinse provinciehoofdstad Caesarea naar die plaats om er de orde te handhaven. Zij troffen elkaar in het gerechtsgebouw aldaar. Toen Jezus hem bevestigde de 'koning der joden' te zijn, stond voor Pilatus zijn veroordeling vast en gaf hij hem over aan het leedvermaak van zijn wrede soldaten.
Die bespotten hem om zijn uitspraak. Naast de doornenkroon en koningsstaf was een andere vernedering, dat zij hem tussen twee veroordeelden plaatsten, waardoor Jezus 'tot de misdadigers werd gerekend'... maar daardoor zijn gang naar de onderwereld kon maken om hen die zich daar hadden opgesloten, de gelegenheid te geven zich weer met hem te verbinden en zich zo te bevrijden (1 Petrus 3:18-22).

← terug naar Hoofdonderwerp 21

112. De invloed van Constantijn de Grote op de jonge kerk
Constantijn streefde naar het keizerschap, maar had een mededinger: Maxentius. Op weg naar Rome moest hij met zijn leger over de Milvische brug de Tiber oversteken, waarvoor hij tegen hem een veldslag moest leveren.
Vóór de strijd zag hij boven de zon een lichtend kruis X met in het Grieks de woorden: "In dit teken overwinning." Hij liet dit teken op alle vaandels aanbrengen en overwon. Hij schreef dit toe aan de christelijke god (het ging om de X van Grieks Χριστός: Christus) en gaf de christenen daarom later godsdienstvrijheid.

Hij won ook alle volgende veldslagen, waardoor hij zich door God uitverkoren voelde. Hij ging zich daardoor indringend met de - zich nog vormende - christelijke kerk bemoeien; maar daarnaast bleef hij ook de hogepriester van de Romeinse oppergod Sol Invictus (de Onoverwinnelijke Zon). Hij voegde Christus eenvoudig aan de al bestaande rij Romeinse goden toe.

Constantijn waardeerde het, dat de christelijke godsdienst rust bracht in zijn rijk. Om de kerk te laten groeien, lieten hij en latere keizers ook heidenen tot de kerk toe; die namen echter ook hun heilige zinnebeelden mee. Wijd verbreid in het Oosten was destijds de verering van de god Tammuz: god van vruchtbaarheid en groei in de lente, en van oogst en afsterven in de herfst, waarna zijn wederopstanding weer volgde in de lente. Door de overeenkomst met Christus' overlijden en opstanding werden Christus en Tammuz in de loop van de vierde eeuw met elkaar verbonden.

Christenen gebruikten het Griekse kruis + (of de X van Xristos) en de Tammuz-vereerders gebruikten de T als zinnebeeld. Door overlijden en opstanding als overeenkomst tussen beiden, groeide het + en het T-teken in de loop van de 4e eeuw naar elkaar toe door verplaatsing van de dwarsbalk, wat leidde tot de vorm die het Latijnse kruis ✝︎ werd genoemd.

Toen Hiëronymus rond het jaar 400 de Griekse oertekst in het Latijn van de Vulgaat vertaalde, was het Latijnse kruis al zo ingeburgerd, dat hij het Griekse 'stauros': paal, onjuist vertaalde met het Latijnse 'crux': kruis; en 'stauroo': aan de paal bevestigen, met 'crucifixus': kruisigen. Doordat zijn Vulgaat in de gehele westerse kerk werd gebruikt, werd het Latijnse kruis in de 5e eeuw in het Westen gemeengoed, zeker toen het ook in en op kerken werd geplaatst, en kunstenaars deze vorm op aangrijpende wijze gingen uitbeelden. De oorspronkelijke paal leende zich daar niet zo voor.

Historisch onderzoek heeft echter laten zien, dat het gebruik van het Latijnse kruis nergens is terug te vinden. Het zou ook te veel moeite hebben gekost het voor de duizenden veroordeelden te maken, wat men voor misdadigers ook niet overhad; en de Romeinen hadden immers al hun praktische, T-vormige kruis: stipes et patibulum als buitengewoon wreed martelwerktuig, in gebruik.

← terug naar Hoofdonderwerp 21

113. Jezus' opstanding en kwantumfysica
De ontwikkeling van de kwantumfysica begon toen Thomas Young met zijn twee-spletenproef bewees, dat licht zowel een deeltje (foton) als elektromagnetische straling (golf) is en toen Max Planck ontdekte, dat straling uit 'hoeveelheidjes' (kwanta) bestaat.

Tot verbazing van sommige natuurkundigen bezaten stof én straling in het subatomaire kwantumgebied paranormale eigenschappen (zoals kwantumverstrengeling, de superpositie en het tunnelen); zij gingen beseffen onderzoek te doen op de grens tussen geest en stof, en deden o.a. deze uitspraken:

Volgens Max Planck is de buitenwereld volkomen verstrengeld met onze binnenwereld. Hij zei: "De geest is de bron van de materie, niet deze zichtbare, maar vergankelijke materie is het echte, het ware. Werkelijk (...), want zonder de geest zou deze materie helemaal niet bestaan, maar de onzichtbare, onsterfelijke geest is de ware ..."

Werner Heisenberg stelde: "De eerste slok uit de beker der natuurwetenschap maakt atheïstisch, maar op de bodem ervan wacht God." en
"Volgens mij heeft de moderne fysica definitief in het voordeel van Plato beslist. Want de kleinste deeltjes van de materie zijn inderdaad geen fysische objecten in de gewone zin van het woord, het zijn vormen, structuren, of - in de geest van Plato - ideeën, waar men alleen in een wiskundige taal ondubbelzinnig over kan spreken."

Albert Einstein schreef: "Het is nu duidelijk dat ruimte in de fysica, zoals het er nu voorstaat, niet iets is dat in de natuur bestaat of onafhankelijk is van het menselijke denken. Het is een functie van onze geest (mind)."
"De verleiding om te geloven dat het heelal het product is van een soort ontwerp, een manifestatie van subtiel esthetisch en wiskundig inzicht, is overweldigend. Het geloof dat er achter dit alles iets zit, deel ik persoonlijk met de meeste wetenschappers."

De stelling van Bernardo Kastrup kan als volgt worden samengevat:
- Er is alleen kosmisch bewustzijn.
- Wij, evenals alle andere levende organismen, zijn slechts afgescheiden 'alter ego's' van het kosmische bewustzijn, omgeven door zijn gedachten.
- De levenloze wereld die wij om ons heen zien, is de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedachten.

Als bij Youngs twee-spletenproef (zie de afb.) i.p.v. licht het elektron wordt gebruikt, kan de onderzoeker de toestand ervan bepalen door bij 1 te besluiten niet te meten door welke spleet het deeltje gaat (de detector is uit) en dan is het elektron een massaloze golf of bij 2 dat wel te meten (met de detector aan) en dan gedraagt het elektron zich als een deeltje met massa.

De uitkomsten van deze wereldbeschouwing plaatst Jezus' opstanding in een geheel ander licht. Naar aanleiding van het voorafgaande kan worden gesteld, dat Gods heilige geest in de mens Jezus in staat was zijn geschonden lichaam (een verzameling deeltjes) om te zetten in straling (een golf) en op te nemen in zijn ongeschonden lichtvorm: zijn geestgedaante (zie 21). In die etherische toestand kon hij opstaan uit het graf en door later naar believen zijn geestgedaante te verstoffelijken, overal aan zijn leerlingen verschijnen, ook in afgesloten ruimtes - wat op hen een overweldigende indruk maakte.
Paulus beschrijft het opstandingslichaam of geestelijk lichaam in 1 Kor. 15:35-49.

← terug naar Hoofdonderwerp 21

114. Jezus' opstanding en zijn leerlingen
Tijdens de drie jaren dat Jezus zijn leerlingen onderwees, had hij hen een aantal malen over zijn terechtstelling en opstanding gesproken en verzekerd, dat het moest gaan zoals het in de geschriften der profeten was voorzegd; maar ook sprak hij over het op handen zijnde Koninkrijk Gods en gezien de wrede onderdrukking door de Romeinse bezetter, was dat een vooruitzicht waar zij op hoopten. Daardoor lieten zij Jezus' woorden over zijn lijden niet zo goed tot zich doordringen en toen, na het Laatste Avondmaal zich dat toch dreigend aandiende, vluchtten zij in de tuin van Gethsemane in de slaap en lieten later hun meester bij zijn aanhouding in de steek.

Gebeurtenissen zoals de gevangenneming, de verhoren in de Tempel en voorgeleiding voor Pilatus, vervulden hen die dag met diepe zorg en de daarop volgende terechtstelling van hun geliefde meester was een schokkende ervaring. Al hun hoop voor de toekomst werd de bodem ingeslagen en na de graflegging bleven zij in een toestand van verwarring achter. Beroofd van hun buitengewone leider, wisten zij niet wat te doen en zaten verslagen bijeen.

Daar er na de graflegging die avond geen tijd voor was geweest, wilden de vrouwen Jezus gaan verzorgen naar de joodse begrafenisgebruiken en gingen op de derde dag al vroeg naar het graf, dat zij geopend en leeg aantroffen. Een engel zei hen dat Jezus was opgestaan uit de dood en dat zij het de leerlingen moesten gaan vertellen. Die waren nog steeds ontzet door de gebeurtenissen en konden het niet geloven. Pas toen Jezus zelf aan hen verscheen en nogmaals de woorden van de profeten uitlegde, kwamen zij tot zichzelf en verheugden zich over zijn opstanding en over de waarheid van wat al eeuwen was voorzegd.

Jezus zei hen naar Galilea te gaan, waar hij meerdere malen aan hen en ook aan anderen verscheen, en waar hij verder ging hen in zijn leer in te wijden. Op een zekere dag zei hij dat de heilige geest over hen zou komen en zij zijn leer over de hele aarde zouden gaan verspreiden. Daarna werd hij opgeheven en verdween in een wolk, waarna engelen de leerlingen verzekerden, dat hij op dezelfde wijze terug zou komen.

In het bijbelboek Exodus wordt meermalen over een wolk gesproken, waarin Jahweh het joodse volk voorging bij hun tocht door de woestijn. Ook mijn persoonlijke ervaring is, dat mijn geestelijke begeleidster eerst voor mij als een wolk verscheen, waarin zij zelf zichtbaar werd en waarna zij ook weer in die wolk verdween.

← terug naar Hoofdonderwerp 21

115. Jezus' opstanding en Paulus
Het historische bewijs van Jezus' opstanding is de levensbeschrijving van Paulus van Tarsus.
Zijn geboortenaam is Saulus, hij kwam uit Tarsus en behoorde tot de Farizeeën ('apart staan': secte). Zij hielden zich nauwgezet aan de mozaïsche wetten, met het doel dichter bij God te komen; i.t.t. tot de Sadduceeën, die het Griekse hellenisme aanhingen.

De Farizeeën, recht in de leer, vonden dat de volgelingen van Jezus, die eerst 'de mensen van de Weg' werden genoemd, zich niet aan de wetten hielden, waarom ze werden vervolgd.
Onderweg naar Damascus om hen ook daar op te pakken, werd Saulus plotseling omstraald door een hemels licht en viel op de grond. Hij hoorde een stem zeggen: "Saul, Saul, waarom vervolg je mij?" en vroeg: "Wie bent u, heer?" Het antwoord was: "Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Maar kom nu overeind, want ik ben aan je verschenen om je aan te stellen als mijn dienaar, opdat je bekend zult maken dat je mij hebt gezien en zult getuigen van alles wat ik je nog zal laten zien."
Door de helderheid van het licht kon hij drie dagen niets zien.

Deze ervaring had hem zo aangegrepen, dat hij een persoonlijke omwenteling meemaakte en i.t.t. vroeger Jezus' ijverigste zendeling werd (in Jungs dieptepsychologie een enantiodromie genoemd: tegengestelde richting). Hij noemde zich nu Paulus; hij maakte drie zendingsreizen, ging overal naar de markt of synagoge om Jezus' leer en opstanding te verkondigen, stichtte een groot aantal gemeentes en schreef dertien zendingsbrieven.
Hij legde zo vaak uit dat Jezus de verwachte Messias (de Christus) was, dat zijn volgelingen christenen werden genoemd, i.p.v. de mensen van de Weg.
In zijn 1e Brief aan de Korinthiërs (15:35-49) beschrijft hij het geestelijke opstandingslichaam.

Terug in Jeruzalem wilden zijn vroegere geloofsgenoten dat hij ophield met zijn zendingswerk en lieten een opstandje ontstaan, waarop de Romeinen hem gevangen zetten. Daar hij ook Romeins staatsburger was, wilde hij in Rome worden berecht, waarop hij als gevangene naar die stad een vierde en laatste reis maakte. Daar kreeg hij huisarrest, maar mocht vrij spreken en maakte samen met Petrus veel volgelingen. Door de christenvervolgingen onder Nero vonden zij echter hun einde.
Samen met Petrus stichtte hij de westerse kerk en de aanleiding daartoe was hun ontmoeting met de opgestane Jezus.

← terug naar Hoofdonderwerp 21

116. De roeping van Nathanaël
Bij zijn eerste ontmoeting met Jezus maakt Nathanaë̈l eenzelfde persoonlijke omwenteling mee als Paulus. Zijn roeping Jezus' leerling te worden, staat uitgebreid in Johannes 1:45-51:

Philippus kwam Nathanaël tegen en zei tegen hem: "We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!" "Uit Nazaret?" zei Nathanaël. "Kan daar iets goeds vandaan komen?" "Ga zelf maar kijken," zei Filippus.
Jezus zag Nathanaël aankomen en zei: "Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog." "Waar kent u mij van?" vroeg Nathanaël. Jezus antwoordde: "Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat."
"Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!" zei Nathanaël. Jezus vroeg: "Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien. Waarachtig, ik verzeker jullie," voegde hij eraan toe, "jullie zullen de hemel geopend zien en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon."

Volgens joodse schriftgeleerden zou de Messias niet uit Galilea komen - en zeker niet uit Nazareth, want bij opgravingen bleek dat het een arm dorp is geweest. Vandaar dat Nathanaël eerst met een afwijzing op de uitspraak van Philippus antwoordt.
Bij de ontmoeting noemt Jezus hem echter 'een echte Israëliet zonder bedrog'. Dat Jezus dit van hem zegt, raakt hem, want volgens de esoterie is dit de aanduiding van een hogere graad van inwijding in de mysteriën. De bevestiging daarvan komt als Jezus vervolgens zegt, dat hij hem ook 'onder de vijgenboom' zag; wat in de esoterie betekent: samenkomen voor bijbelstudie en gebed in de beschuttende schaduw van de vijgenboom.
Nathanaël beseft dat Jezus iets van hem weet, wat aan anderen niet bekend kon zijn vanwege de geheimhouding die in de mysteriën gold; daardoor weet hij dat Jezus hem doorziet en ook zijn geestelijke ontwikkeling kent.

Vandaar de omwenteling in zijn houding, omdat hij door deze gebeurtenis en door zijn eigen geestelijke ontwikkeling begrijpt, wie Jezus moet zijn; onmiddellijk erkent hij dat, noemt hem Gods Zoon en neemt het besluit hem, samen met zijn vriend Philippus, te volgen.
Door zijn filosofische inslag hield Nathanaël zich op de achtergrond en wordt daardoor in de evangeliën niet meer genoemd; behalve in de opsommingen van Jezus' leerlingen en als Jezus na zijn opstanding weer aan zijn leerlingen verschijnt.

← terug naar Hoofdonderwerp 21

117. De verspreiding van Jezus' leer
Paulus en Petrus trokken naar het westen om Jezus' leer te verspreiden, anderen gingen naar de landen van het Midden-Oosten, Egypte en Ethiopië, India en China. Alleen gewapend met Jezus' leer en de geestelijke vermogens die zij hadden verkregen door het neerdalen van de heilige geest tijdens het Pinksterfeest, trokken zij met ware doodsverachting erop uit; want zij ontmoetten niet alleen vreugde door hun verkondiging, maar ook tegenwerking en niets ontziend geweld.

Toch was, door hun niet aflatende inspanningen, na een paar eeuwen in grote delen van de toen bekende wereld, Jezus' leer op geweldloze wijze verspreid. Het opzetten van zo'n omvangrijke beweging door alleen het gesproken woord, was nog niet eerder op aarde gezien en is uniek gebleven - en dat alleen in gang gezet door de overweldigende indruk die drie jaar optreden van Jezus op een handvol leerlingen had gemaakt! Datzelfde moet ook bij hun toehoorders het geval zijn geweest.

Van Paulus en Petrus is in het westen veel bekend door het bijbelboek Handelingen en Paulus' brieven, en de hier bekende geschiedenis. Van hen die vanuit Jeruzalem naar een groot gebied in het oosten trokken, is soms pas door historisch onderzoek van gevonden teksten en ontdekking van nog bestaande overblijfselen, meer bekend geworden.

Nathanaël trok met zijn vriend Philippus eerst naar Hiërapolis in Zuid-West-Turkije, waar een achthoekige koepelkerk aan de laatste is gewijd. Daarna vertrok Nathanaël naar Oxyrinchus in Egypte om er te studeren en later sloot hij zich bij Thaddeüs aan, die in Armenië de leer verkondigde. Samen stichtten zij er de Armeense kerk, die daar in 301 ook de eerste staatsgodsdienst werd. Het allereerste christelijke kerkgebouw, de Qara Kelisa, werd in 66 aan Thaddeüs gewijd en bestaat nog steeds (afb.).
Thomas ging naar Kerala in India waar nog steeds Thomaschristenen wonen, maar ook in China zijn aanwijzingen dat hij daar Jezus' leer heeft verkondigd.
Markus trok naar Egypte en stichtte de kerk van Alexandrië, ook de Koptische kerk genoemd, terwijl in Ethiopië de grootste oriëntaals-orthodoxe kerk bestaat, die waarschijnlijk is gesticht door een kamerheer van de koning, die door Philippus tot het christelijke geloof werd bekeerd.

← terug naar Hoofdonderwerp 21

118. Een grondplan van oriëntaalse kerken en de leer
In het oriëntaals-orthodoxe christendom is voor het grondplan van kerken de centraalbouw gebruikelijk: de kerk is gebouwd rondom een as in het midden als de staf, die aarde en hemel verbindt.
Eén van de bestaande vormen is het gelijkarmige kruis (rood) met zijn omgetekende cirkel én vierkant, dat vanuit het midden in vier richtingen wordt verdubbeld (afb.). Op de omtrek bouwt men de muren en op de versterkte binnenhoeken komt de ronde toren. Daarin is een koepel (het hemelgewelf) en erop een spits met een niet-gelijkarmig, Armeens kruis; dat stond al in de oudheid bekend als een zinnebeeld van de levensboom.

Onder de koepel verzamelen de gelovigen zich in de vierkanten op de aarde, zodat zij in hun gebouw zinnebeeldig in hemel en aarde zijn opgenomen.
Het kruis in de cirkel is het aloude zonnewiel dat de omloop van de zon verbeeldt, oorzaak van de vier jaargetijden en dagdelen, zodat de aanwezigen ook op deze wijze met de kosmos zijn verbonden. Het zonnewiel komt als versiering op oriëntaalse kerken veel voor, op Armeense kerken als het Arevakhach-zonnewiel, dat de oneindigheid uitbeeldt (zie de afb.).

Door de geometrische opbouw van hun kerk en de koepel als het hemelgewelf boven zich, voelen de gelovigen zich één met Gods schepping. Zoals het Westen meer een uitgekeerde instelling heeft, horizontaal, naar de mens toe, is het Oosten meer ingekeerd, vertikaal en mystiek: daardoor voelen zij zich meer verwant aan het Johannesevangelie. Dat begint met de schepping door God van de mens, die 'uit zijn volheid (het pleroma, de algeest) ontvangen heeft (de geest)' (Joh. 1:16) en wiens heilige geest in de gestalte van de mens Jezus bij ons op aarde is geweest (Joh. 1:10); en het eindigt met de uitspraak van die heilige geest: 'laat hen één zijn (met de volheid, de algeest) zoals wij één zijn' (Joh. 17:22-23).

Dat is ook mijn persoonlijke ervaring: zowel de menselijke als de heilige geest zijn verdichtingen uit én in de algeest; maar de menselijke geest met een nog te verwerkelijken aanleg.
Vasthoudend aan deze geestelijke eenheid: de een-natuurleer, hebben de oriëntaalse kerken het leerstuk van de drieëenheid niet aanvaard, i.t.t. de andere kerkgenootschappen.
Zie voor de geschiedenis van het ontstaan van dit kerkelijke leerstuk in de verklarende woordenlijst.

← terug naar Hoofdonderwerp 22

119. Het zonnewiel als beeld van licht en warmte, beweging en rust
Het gelijkarmige kruis, met vaak in de vier hoeken de stip van de zon, maar ook als de Griekse X van Xristos, werd in de eerste eeuwen van het christendom veel gebruikt als een teken met een diepzinnige, kosmische betekenis. Het werd ook met Jezus verbonden, die de 'pantokrator': albeheerser, almachtige, werd genoemd, de oorzaak dat alles in de schepping draait. Zo werd Jezus gezien door hen, voor wie hij nog een mens uit hun tijdsbestek was.

In de oudheid had de mens geen inzicht in de oorzaak van natuurverschijnselen en ziektes, waardoor het bestaan onzeker was en vol gevaren. Er was echter één verschijnsel dat door orde werd gekenmerkt: de omloop van de zon; zijn beweging was volkomen gelijkmatig en daardoor betrouwbaar, en zorgde voor een vaste indeling van dagdelen en jaargetijden. De zon vertoonde een volmaakte rust in de beweging en deze hemelse harmonie trachtte men als houvast op aarde te brengen in de vorm van zinnebeelden, zoals het zonnewiel: +, x, ⁜ of ※.

In de herfst trok de zon met zijn licht en warmte zich terug, zodat de natuur afstierf om in de lente terug te komen, waardoor het leven weer opbloeide. De zon kreeg daardoor bij alle volkeren goddelijke eigenschappen en werd in de eerste eeuwen ook met Jezus verbonden.

Het licht en de warmte, en de rust in de beweging van de zon bestaan niet alleen in de stoffelijke helft van de schepping, maar ook in de geestelijke, wat aan mij werd getoond. In vervoering gebracht, zag ik eerst een geestestoestand van donkere koelte, gekenmerkt door een diepe rust die zich liefdevol met mij verbond; wat ook gebeurde met de beweging die later uit die rust voortkwam en door een lichtende warmte werd gekenmerkt.
Deze bewegende, lichtende warmte doordrong daarna de rustende, donkere koelte, die zich liet doordringen, waardoor een nieuwe eenheidstoestand ontstond van getemperd licht en warmte, die zich in de eeuwige oneindigheid uitstrekte. Daarin werd ik door verdichting als menselijke geest geboren en daardoor waren al die eigenschappen ook in mij, maar in aanleg, aanwezig (zie 32 e.v.).
Later zag ik dat ook Gods heilige geest, die in de mens Jezus bij ons op aarde is geweest, in volmaakte vorm door eenzelfde verdichting uit de algeest was voortgekomen.

Deze gebeurtenis in de geestelijke wereld komt in de stoffelijke wereld in de zon tot uitdrukking, wordt door de betekenis van het zonnewiel rechtstreeks weergegeven en is door tijdgenoten met Jezus verbonden.

Hieronder volgen enkele met het bovenstaande samenhangende teksten uit de esoterische literatuur:
Een kracht zet in beweging én brengt tot rust.
Lao tse: "Rust is de meester van beweging." Tao teh tsjing 26
Thomas 50: "Als de mensen vragen: Wat is het teken van uw Vader in u? zeg dan: Het is beweging en rust."
Bhagavad gita 9:10 "Onder Mijn toezicht brengt de natuur het beweeglijke en onbeweeglijke voort en hierdoor draait de wereld."
Emanuel Swedenborg: "De zichtbare dingen in het geschapen heelal getuigen
dat de natuur zelf niets heeft voortgebracht en niets voortbrengt,
maar dat het goddelijke vanuit zichzelf en vanuit de geestelijke wereld
alle dingen voortbrengt."
Engelenwijsheid over de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid, 349

← terug naar Hoofdonderwerp 22

120. Ezechiëls eerste visioen: Gods viereenheid (herzien)
De Tenach bevat het boek van de profeet Ezechiël met daarin zijn eerste visioen (bewerkt):
"De hemel opende zich en ik werd door Gods hand gegrepen. In een stormwind uit het noorden zag ik een grote gloeiende wolk vol bliksemflitsen met middenin een viertal wezens. De vier leken op mensen, maar hadden ieder vier gezichten met vier vleugels, en onder hun vleugels mensenhanden [willen]. Twee vleugels waren naar boven uitgespreid en raakten elkaar, en met de andere twee bedekten ze hun lichaam.

Hun gezichten waren van voren als een mens 1, rechts als een leeuw 2, links als een stier 3 en achteraan als een adelaar 4, en vormden een viereenheid. Zij bewogen zich waarheen Gods geest hen dreef, ze flitsten heen en weer als bliksemstralen en zagen eruit als fakkels, waartussen een gloeiend vuur heen en weer ging. Als ze van richting veranderden, draaiden ze zich niet want ze hadden aan elke kant een gezicht. Als ze stilstonden, vouwden ze hun vleugels weer toe.

Bij elk van de vier viertallen waren aan de voorkant bij hun voeten wielen, die leken op een wiel middenin een ander wiel; zij gingen met de vier viervoudige wezens mee, zonder om te draaien. Hun velgen waren heel hoog en met ogen [waarnemen] bedekt. Zij gingen waarheen Gods geest de vier viervoudige wezens met hun wielen leidde. Het geluid van hun vleugels klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende.

Hoog boven hun hoofden welfde zich een koepel en daarboven hoorde ik een geluid. Ik zag iets dat op een saffieren troon leek, met daarop een gedaante als van een mens, die glansde als wit goud en door vuur was omgeven. Naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een gloed, die eruit zag als de regenboog. Het was de stralende verschijning van God."

In de joodse, esoterische literatuur worden deze wezens beschreven als de Cherubim en de Ofanim. De Cherubim is het viertal wezens die de vier geestelijke vermogens uitbeelden, maar waarvan er één de nadruk heeft: het denken; het Hebreeuwse woord 'cherub' betekent 'grijpen' en 'begrijpen', denken.
De Ofanim zijn de engelen door wie God waarneemt (de ogen op de velgen) en handelt (zowel de handen onder de vleugels als de beweging van de wielen); het Hebreeuwse woord 'ofan' betekent: handelen.
Die esoterische literatuur kent ook de tekens van de dierenriem, waarmee de vermogens samenhangen (zie de afb.). Deze vermogens worden overeenkomstig beschreven in een visioen van de profeet Jesaja in het volgende stukje, waarin ook de betekenis van Pythagoras' tetraktys, de viereenheid, weer aan bod zal komen (zie 63a e.v.).

Samenvatting:
1 voor - Waterman lucht denken
2 rechts - Leeuw vuur willen
3 links - Stier aarde waarnemen
4 achter - Adelaar water voelen (Adelaar: de ontwikkelde vorm van Schorpioen)
Denken en voelen zijn tegendelen van elkaar, evenals waarnemen (in zich opnemen van de omgeving) en willen (vanuit zichzelf op de omgeving inwerken), waardoor zij een kruis vormen. De 'vleugel' is een zinnebeeld van 'vermogen' en ieder viervoudig wezen heeft vier vleugels, vier vermogens.

← terug naar Hoofdonderwerp 22

121. Ezechiël, (Deutero)Jesaja en Pythagoras (herzien)
In Ezechiëls visioen komt Gods werkzame geest tot uitdrukking in de Ofanim en de Cherubim, en die worden in alles door het viertal gekenmerkt, zoals door vier gezichten en vier vleugels, die de geestelijke vermogens verbeelden.
1 De Cherubim tonen van voren de Waterman, een luchtteken dat denken beduidt;
2 rechts de Leeuw, als vuurteken het willen;
3 links de Stier, als aardeteken het waarnemen;
4 van achteren de Adelaar (Schorpioen), als waterteken het voelen;
in de Tenach worden deze góddelijke vermogens in meerdere teksten genoemd, zoals in:

Jesaja 7:14
God zelf zal u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren en zij zal hem de naam Immanuel geven (God met ons).
11:2 En op hem zal Gods Geest rusten, de Geest van wijsheid en verstand [denken], de Geest van raad [denken en voelen] en sterkte [willen], de Geest van kennis [waarnemen] en hoogachting [voelen] voor God.

In de Spreuken van Salomo 2:1-6
Mijn zoon, als je in acht neemt wat ik zeg, [...], een open oor hebt voor mijn wijsheid [waarnemen en denken], een geest die neigt naar inzicht en als je erom vraagt de dingen te begrijpen [denken] [...], ernaar speurt als naar een verborgen schat [waarnemen]; dan zul je ontdekken wat ontzag voor God is [voelen], dan zul je kennis van God verwerven [waarnemen].

En in de Wijsheid van Jezus ben Sirach (Ecclesiasticus) 7:22 - 8:1
De Wijsheid, de maakster van alles heeft mij onderricht. Zij is een geest die verstandig is [denken] en heilig, uniek, veelzijdig, [...], scherpzinnig [denken], liefdevol, [...], weldadig, menslievend [voelen], standvastig, onwrikbaar, [...], almachtig [willen], álles overziend [waarnemen] en álle geesten doordringend, [...]

Pythagoras toonde met zijn getallenleer het verband aan tussen de getallen, hun ruimtelijke, meetkundige vorm en hun geestelijke betekenis; zijn leerling Jamblichus verbond daarmee de acht persoonlijkheidskenmerken: de vier vermogens en hun in- en uitgekeerde instelling. Die kenmerken zijn op de hoekpunten van de kübus te plaatsen (63a-e).

In hun niet-samengestelde, enkelvoudige vorm zijn de vier vermogens waarnemen, denken, voelen en willen verbonden met de vorm van het getal vier in het platte vlak: de hoekpunten van het víerkant, maar daardoor ook met het diagonaalkruis, zoals bij de Cherubim en het zonnewiel (zie de afb.).

Het getal tien wordt weergegeven door de tienhoek, die met tien gulden driehoeken is opgebouwd, waardoor op deze wijze ook de gulden snede met de tetraktys is verbonden.

← terug naar Hoofdonderwerp 22

122. Het Nieuwe Testament en de vier geestelijke vermogens
Door Johannes wordt in zijn evangelie Gods heilige geest ook het 'Woord' genoemd, een vertaling van het Griekse 'logos'; hij kwam uit Galilea, dat een sterke Griekse invloed kende. Dit woord heeft echter veel betekenissen, die zijn samen te vatten als: kennis, overdenken, mening, besluiten, spreken, bevelen; dit zijn eigenschappen van de geestelijke werkzaamheid met de vermogens waarnemen (kennis), denken en willen.

Het begrip werd ingevoerd door Herakleitos, Pythagoras' tijdgenoot. Hij zag de logos als de wereldwet,
- door de goden ingesteld als de ordelijke grondslag van de aardse tijd;
- die tijd is een stroom van steeds wisselende gebeurtenissen,
- want leven wordt door strijd gekenmerkt,
- waardoor alles in een toestand van wording verkeert (panta rhei).
De logos komt overeen met de betekenis van Tau (Dao, de Weg) en dharma (wereldwet), van Lao tse en Boeddha, ook tijdgenoten in de spiltijd.

In zijn 1e brief aan de Korinthiërs 12:4-9 bespreekt Paulus: een geest van kennis, een geest van wijsheid en een geest van geloof.

In zijn 2e brief aan Timotheüs 1:6-7:
Daarom spoor ik je aan het vuur brandend te houden van de gave die God je schonk toen ik je de handen oplegde. God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht [willen], liefde [voelen] en bezonnenheid [waarnemen en denken].

Aan de Filippenzen 4:8-9 schrijft hij:
[...] schenk aandacht [waarnemen] aan alles wat waar is [denken], alles wat edel is [voelen], alles wat rechtvaardig is [denken, voelen], alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is [voelen], kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient [voelen]. Doe alles [willen] wat ik u heb geleerd en overgedragen, [...] Doe het en Gods vrede zal met u zijn.

M.a.w: ontwikkel je geestelijke vermogens tot het geweten en de deugden door ze bewust en beheerst te leren gebruiken, dus: verwerkelijk jezelf… en God zal zich met je verenigen.

De samenhang met de eigenschappen van Gods geest, zoals getoond in het visioen van Ezechiël door de viervoudige Cherubim, is duidelijk. De vier geestelijke vermogens in de mens zijn door verdichting rechtstreeks uit de goddelijke algeest afkomstig.

← terug naar Hoofdonderwerp 22

123. Jezus' bron van eeuwig leven in de mens
Op weg naar Galilea trok Jezus door Samaria en kwam voor de stad Sichar bij de waterput van aartsvader Jakob. (Joh. 4:1-42) Door Jakob verwijst die put naar de leer van de Tenach en de voorspellingen van de profeten over Jezus.

Jezus ontmoette rond het middaguur bij de put een Samaritaanse vrouw, die er water kwam halen. Hij vroeg haar wat te drinken, waarop zij een wedervraag stelde waarom hij dat deed, want joden gingen niet met Samaritanen om. Jezus antwoordde haar dat als zij wist wie haar om water vroeg, zij hém erom zou vragen en hij haar levend water zou geven.

Zij merkt dan op dat hij geen emmer heeft, terwijl de put diep is; waarop Jezus zegt: "Iedereen die dit water drinkt, zal weer dorst krijgen, maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Want het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt, dat eeuwig leven geeft."
De vrouw vroeg om dat water, maar Jezus zei: "Ga uw man roepen en kom dan terug." Zij zegt hem geen man te hebben, waarop Jezus antwoordt: "U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt, u hebt vijf mannen gehad en degene die u nu hebt, is uw man niet." Hierdoor getroffen, beleeft zij een ommekeer en noemt zij Jezus een profeet.

Zij bespreken dan het aanbidden van God en Jezus zegt: "Er komt een tijd en die is nu gekomen, dat wie God echt aanbidt, hem aanbidt in geest en in waarheid. God zoekt mensen die hem zo aanbidden, want God is geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in geest en in waarheid." De vrouw wijst dan op de komst van de Messias en Jezus bevestigt haar dat hij dat is.
Na dit voor haar buitengewone gesprek*) gaat zij de stad in en vertelt haar ervaringen, waarop de inwoners met haar meegaan en door de ontmoeting met Jezus tot geloof komen.

De eerste christenen hebben dit bijzondere gesprek uitgebeeld en daarbij heeft een aantal de 'put van Jakob' de vorm van het zonnewiel gegeven. Jezus zit bij die put en bouwt voort op de Tenach, maar op een geestelijke wijze. Aan de op geloofsplichten berustende Tenach voegt hij een innerlijke, geestelijke leer toe: de mens wordt zélf een bron van eeuwig leven, door zich persoonlijk en in geest en waarheid, dus gewetensvol, naar God te richten.

"God, bij U is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht." (Psalmen 36:10)

*)
- Joden gingen niet met Samaritanen om.
- Het was ongepast dat een man een vrouw zonder begeleider aansprak.
- Alleen paria's moesten op het heetst van de dag water putten, de anderen gingen in de koelte van de ochtend of de avond.
Jezus richtte zich juist tot de armen, zieken en verstotenen der aarde, zoals hij zich na zijn terechtstelling ook wendde tot hen, die zich door hun zelfgerichtheid in de schemergebieden in de onderwereld hadden opgesloten.

← terug naar Hoofdonderwerp 23

124. Waardoor de bron niet stroomt
De oorzaak waardoor de bron niet stroomt, is de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan, waardoor de geest als het levende hier zichzelf niet is en geestelijk als 'dood' (zie 25a). Deze toestand beschrijft Ezechiëls visioen 'Een dal vol beenderen' op zinnebeeldige wijze.

Gods geest voerde mij naar een dal vol beenderen en vroeg: "Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?" Ik antwoordde: "Mijn God, dat weet u alleen."

Toen zei hij: "Profeteer en zeg: 'Dorre beenderen, Gods geest zegt: ik zal jullie pezen en vlees geven en met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen en gaan beseffen dat ik God ben.'" Ik profeteerde en hoorde een geruis van botten die aaneen werden gevoegd; pezen en vlees werden aangehecht en met huid bedekt; maar ademen deden ze nog niet.

Toen zei Gods geest tegen mij: "Zeg tegen de wind: 'Dit zegt God: Wind, kom uit de vier windstreken en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.'" Ik profeteerde en de lichamen werden met adem gevuld, kwamen tot leven en gingen staan: een onafzienbare menigte.

Hij zei: "Deze beenderen zijn het volk Israël, dat zegt: 'Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad afgesneden.'" "Zeg tegen hen: 'Dit zegt God, ik zal jullie graven openen en je naar je land terugbrengen. Jullie zullen beseffen dat ik jullie God ben als ik jullie mijn adem geef, zodat jullie weer tot leven komen [...]'"

Als de menselijke geest zich door geboorte met de stoffelijke wereld verbindt of hier wakker wordt, verliest de geest het zelfbewustzijn doordat die als het levende zich verbindt met het niet-levende, de stof. Wat daarna rest is een besef 'er te zijn', een vaag zelfbesef dat echter op de omgeving wordt overgedragen, doordat die het is, die door de zintuigen heen op de geest inwerkt en de aandacht naar buiten trekt.
Want 'werkelijk is, wat werkt', waardoor alleen de omgéving als werkelijkheid wordt ervaren. Daardoor wordt het vage besef van de werkelijkheid van zichzelf als persoon, de menselijke geest, onbewust op de omgeving overgedragen, waardoor de geest 'als dood', want onbewust van zichzelf, in het innerlijk achterblijft en alleen door deze wereld gedreven, beweegt.

← terug naar Hoofdonderwerp 23

125. De hemelvaart van Jezus
In het bijbelboek Handelingen wordt beschreven dat Jezus van zijn leerlingen afscheid nam. Na zijn laatste woorden werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen.

Een wolk is het element water in dampvorm, doordat de vloeibare vorm door verwarming als waterdamp is opgestegen. Er heeft een omvorming plaatsgevonden naar een vluchtiger, meer vergeestelijkte, hemelse toestand.

Door heel de Bijbel hebben wolken deze geestelijke betekenis. Tijdens de tocht door de woestijn ging een wolk voor het volk uit, waarin Sjechinah: 'zij die bij ons woont', de vrouwelijke helft van God, het volk begeleidde. In de boeken Exodus en Numeri wordt zij meermalen zo beschreven.
Toen Salomo de tempel had gebouwd en de ark met de tien geboden in de heilige ruimte had geplaatst, werd die door Gods wolk gevuld. Nadat Jezus op de Karmel de gedaanteverandering onderging, werd de berg door een wolk overschaduwd, waaruit de aanwezigen Gods stem hoorden.

Mijn persoonlijke ervaringen met deze wolk:
- Op mijn werk heerst door een oorzaak van buiten een ruzieachtige sfeer. Ik voel me ook thuis gespannen en kan niet tot rust komen. Op een ochtend besef ik op de rand van overspanning te zijn. Ik loop de keuken in en zie in de tuin een wolkje met in het midden daarvan een licht, waarmee ik geestelijk word verbonden. Ik zie het slechts één ogenblik, maar het heeft tot gevolg dat er een diepe rust over me komt en ik een zucht van verlichting slaak. Ik kom weer tot mezelf en voel me de rest van de dag vredig, veilig en ontspannen.

- Ik zit in de voorkamer en bereid me voor op een gespreksgroep. In de linkerbovenhoek verschijnt een wolkje, waarin langzaam een vrouwengezicht verschijnt. Zij kijkt mij glimlachend en bemoedigend aan, waarna het verschijnsel oplost. Een helderziende vertelt mij die avond dat zij in een vorig leven een familielid was en nu in de geestelijke wereld bij mij is om mij te begeleiden.

Overeenkomend met de chakra's (zie 22) werken ook deze wolken als een sluis tussen de geestelijke en stoffelijke wereld; daar doorheen is Jezus in zijn geestgedaante (zie 113 e.v.) naar zijn eigen wereld teruggekeerd.

In het huidige tijdperk is de menselijke geest het diepst in de stoffelijke wereld afgedaald en daardoor onbewust van zijn eigen, geestelijke werkelijkheid, getuige de eenzijdige opvatting van hersenfysiologen: "Ik ben mijn brein." Kwantumfysici echter zijn door hun onderzoek juist tot het inzicht gekomen, dat zij zich op het grensgebied tussen geest en stof bevinden, maar wat nauwelijks bekendheid heeft gekregen (113 e.v.), o.a.:
- Max Planck: "De geest is de bron van de materie, niet deze zichtbare, maar vergankelijke materie is het echte, het ware. Werkelijk (...), want zonder de geest zou deze materie helemaal niet bestaan, maar de onzichtbare, onsterfelijke geest is de ware ..."
- Bernardo Kastrup: Wij zijn afgescheiden 'alter ego's' van het kosmische bewustzijn en omgeven door zijn gedachten: de levenloze wereld die wij om ons heen zien, is de uiterlijke verschijningsvorm ervan.

Mijn ervaringen met de geestgedaante zijn, dat die het voertuig voor de geest in de geestelijke wereld is en dat het lichaam hier op aarde er de stoffelijke uitdrukking van is. Alle mogelijkheden van dat lichaam heeft de menselijke geest, door zijn geestgedaante heen - en voor zover het in dit tijdperk mogelijk is - leren beheersen.
In de mens Jezus echter is Gods heilige geest bij ons op aarde geweest en heeft in één bestaan samengebald de diepste en hoogste ervaringen van een mens meegemaakt; daardoor heeft die geest volledig macht over het stoffelijke lichaam gekregen, die immers een uiterlijke verschijningsvorm is van zichzelf als heilige geest. Wat Jezus in de veertig dagen na zijn opstanding liet zien, was zijn volledige beheersing over zijn lichaam: de willekeurige vergeestelijking en verstoffelijking ervan. Tot hij op de berg zijn lichaam tenslotte vergeestelijke, om zo - na zijn taak op aarde te hebben volbracht - naar zijn eigen wereld terug te keren.

← terug naar Hoofdonderwerp 23

126. Het tweekamermodel
Jezus' hemelvaart was een éénmalige gebeurtenis, waarvan de mens in het tijdperk waar de mensheid nu doorheen gaat, zich geen voorstelling meer kan maken door de volledige overdracht van aandacht en toewijding op de stof (zie 25a). Toch maakt iedere mens zo'n hemelvaart, zij het onbewust, dagelijks mee. Ik beschrijf mijn eigen ervaring hiermee, maar waarschijnlijk ervaart ieder dit op een persoonlijke wijze.

Bij het inslapen zag ik dat de menselijke geest in zijn geestgedaante uit het slapende lichaam omhoogkomt 1 en ruggelings naar een soort 'ruimte' gaat 2 waar de doorgang naar de geestelijke wereld is. Soms zag ik die als een soort deur (sluis), maar wordt tijdens de bijna-doodervaring ook als een tunnel ervaren. Doordat je daar ruggelings doorheen gaat, ben je je daar niet van bewust.

Daarna heb ik bezoeken meegemaakt aan verschillende gebieden, die ik als mijn éigen wereld ervoer omdat ik mij er volkomen thuis voelde; het waren b.v. parklandschappen, waarvan één met een soort Griekse tempel (zie 74). Ook ontmoette ik daar mijn vrienden en vriendinnen, die mij vanuit de geestelijke wereld begeleiden op mijn pad over de aarde, zoals dat met iedereen het geval is die zich met vertrouwen in gebed tot hen richt.
Vóór het ontwaken zweefde ik naar de aarde, blijkbaar op weg naar mijn lichaam, want even later werd ik daarin wakker. Doordat je de 'deur' dan weer achter je laat, ben je je er niet meer van bewust.

Vanuit de geest vloeien daarna aandacht en toewijding door de ziel heen uit in deze stoffelijke wereld, waardoor de geest schijnbaar als leeg, als 'dood', achterblijft (zie 124) en al het geestelijke vergeet. Door zelfbezinning en gebed kun je je aandacht en toewijding weer tot jezelf terugbrengen en je weer bewust worden van jezelf.

Er is niet alleen een wisselwerking tussen de geestelijke en stoffelijke wereld door die 'deur' heen, maar ook tussen geest en hersenen door de ziel heen (zie 6, 7). De ziel is dan het overdrachtsmiddel (de sluis) tussen geest en lichaam, zoals die deur dat is voor het verblijf in de stoffelijke en geestelijke wereld.
Dezelfde wisselwerkingen volvoerde de heilige geest in de mens Jezus bij zijn opstanding en hemelvaart, en bij het Pinkstergebeuren.

← terug naar Hoofdonderwerp 23

127. Het feest van de hereniging 1
Tien dagen na Jezus' hemelvaart "... brak het Pinksterfeest aan en waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde.
Er verschenen aan hen een soort vlammen, ... die zich op ieder van hen neerzetten en allen werden vervuld van de heilige Geest, en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven." Hand. 2:1-4

In dat huis vond een goddelijke tegemoetkoming plaats naar hen, die al zover waren gevorderd dat zij ontvankelijk waren geworden voor de inwerking van de heilige geest, die altijd de laatste stap zet. Door de inwerking op hun kruinchakra's werd hun geestestoestand omgevormd in overeenstemming met die van de heilige geest zelf, waardoor zij net als die ook met de goddelijke algeest waren verbonden; alle geesten zijn een verdichting daaruit en allen zijn op een ontwikkelingsweg naar hereniging daarmee; de eenwording die Jezus bedoelde bij het laatste avondmaal, vond hier plaats. Joh. 17:20

Door de verbinding met de algeest gingen zij vlammen, dat is: licht en warmte uitstralen vanuit hun hoofd, waar de menselijke geest zich bevindt, maar nu aangesloten op de bron van dat licht en die warmte: de algeest. Daarin bevindt zich het algeheugen (akasha-kroniek) dat ook alle talen bevat, waardoor zij iedere taal konden spreken waarvoor er toehoorders aanwezig waren.

Een stralend gelaat als bij hen trad ook op bij de eerste en grootste profeet, Mozes: "Als Mozes met Jahweh had gesproken, glansde zijn gezicht zo sterkt, dat de anderen niet naar hem konden kijken." Ex. 34:29-35
Bij de zegening van het volk zei hij: "Moge God u zegenen en u beschermen, moge God het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn…" Num. 6:24-26

Het sankrietwoord voor 'god' is 'div': stralen; het Latijnse 'deus' komt van 'diaus': stralen.

Ook Jezus' gezicht straalde als de zon toen hij op de berg Tabor voor de ogen van drie van zijn leerlingen zijn gedaante veranderde en zij zijn stralende geestgedaante zagen. Matth. 17:2

Stefanus was de eerste christelijke martelaar. Zijn gezicht straalde als dat van een engel toen hij door de joodse Hoge Raad werd ondervraagd. Hand. 6:15

← terug naar Hoofdonderwerp 23

128. Het feest van de hereniging 2
Na het uitgieten van de heilige geest op de aanwezigen nam Petrus het woord en haalde een tekst van de profeet Joël 3:1-5 aan: "Aan het einde der tijden, zegt God, zal ik over alle mensen mijn geest uitgieten. Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien, ouderen droomgezichten. Ja, over al mijn dienaren en dienaressen zal ik in die tijd mijn geest 1 uitgieten 3, zodat ze zullen profeteren 2."

1. Gods geest. De eerste christenen leefden nog in de wereld van de Tenach, waarvan Jezus zei dat niet één letter ervan verloren zou gaan. In dat boek komt het begrip 'heilige geest' niet voor; wel Góds geest als de hándelende, van God zelf uitgaande geestkracht.
In de laatste helft van de 1e eeuw begon door keuzes uit tientallen geschriften uit het hele keizerrijk te groeien wat nu het Nieuwe Testament is, maar waarin 'Gods geest' een op zichzelf staande, 'heilige geest' wordt genoemd. Na eeuwen van kerkvergaderingen vormde de Westerse kerk het leerstuk 'Drieëenheid': God zou uit drie personen bestaan die toch een eenheid vormen; waarmee men aan God een eigenschap toedichtte die nu een meervoudige persoonlijkheidsstoornis wordt genoemd.
Oosterse kerken wezen dit af en hielden vast aan o.a. Kol. 2:9-10 en Joh. 1:18: het van God uitgaande woord (logos), dus Gods geest zélf, is in Jezus mens geworden.

2. Profeteren. Dat is ook de opvatting van eigentijdse profeten op wie Joël wees: Lorber en Swedenborg; de laatste schrijft in zijn 'Hemelse Verborgenheden' (50) over het uitgieten:
3. "De mens is zich volledig ónbewust van het feit dat de Heer hem leidt door middel van engelen en geesten, en dat er tenminste twee engelen en twee geesten bij ieder aanwezig zijn. Zonder deze verbinding met de geestenwereld door middel van geesten en met de hemel door middel van engelen, en zo door middel van de hemel met de Heer, kan een mens niet bestaan. Zijn leven hangt af van deze verbinding en als geesten en engelen zich terug zouden trekken, zou hij vergaan."
Wie zich vol vertrouwen en volhardend in gebed tot God richt, zal door het uitgieten de hereniging met hen als een druk op de kruinchakra ervaren.

← terug naar Hoofdonderwerp 23

129. De rangorde der engelen 1
Pseudo-Dionysios de Areopagiet schreef in de 5e eeuw een overzicht van de engelenliteratuur vlgs de Tenach, het Nwe Testament en filosoof/mysticus Proklos; zijn drietallige rangorde is door latere mystici bevestigd.
De persoonlijke beschermengel en de drietalligheid is ook mijn ervaring. Hoe is dat laatste te rijmen met het viervoud van de cherubijnen bij Ezechiël?

De algeest als bewuste levenskracht doet zich aan het geestesoog voor als een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee in volgorde dat bewustzijn en die kracht samenhangen. Dat licht en die warmte kunnen zich bovendien in twee toestanden bevinden: vormbaar en zelfvormend; daarmee hangen de vier vermogens binnen iedere geest samen:
- waarnemen is vormbaar licht,
- denken is zelfvormend licht,
- voelen is vormbare warmte,
- willen is zelfvormende warmte (zie nr. 1-5).
Ook Gods engelen hebben deze vier vermogens en in iedere engel heeft er één de nadruk.

De wérkzaamheid van de algeest doet zich voor als deze viervoudigheid van vermogens; maar toch verschijnt de algeest in de gevórmde toestand, als de engelen, als een dríevoudige gestalte. Deze drie-eenheid verscheen als drie gelijke geestgedaanten voor mijn geestesoog.
Zij ontstaan doordat de algeest zoals gezegd de 'bewuste kracht' is. Met die kracht hangt niet alleen het willen samen, maar die heeft door het waarnemen ook de eigenschap zich bewust te zijn: de kracht als warmte straalt binnen zichzelf het licht uit, waardoor binnen die kracht het zich bewust zijn mogelijk is.

Doordat álles zich bínnen de goddelijke algeest afspeelt, gebeurt alles al binnen die bewuste kracht; daardoor hoeft het waarnemen geen afzonderlijk vermogen te zijn. In de algeest blijft het 'zich bewust kunnen zijn', het waarnemen, in de oorspronkelijke oertoestand van eenheid met de geestkracht, het willen.
Als de algeest echter werkzaam wil worden, dan is daar wel het denken bij nodig als beeldvormende werkzaamheid en het voelen om het denkbeeld tot leven te brengen. M.a.w., binnen de éénheid van de algeest als bewuste kracht, wordt gedacht en gevoeld: de oorzaak van de dríevoudige geestgedaanten bij Gods engelen.

Deze drievoudigheid is er ook de oorzaak van dat er van God uit drie stappen van verdichting zijn die voeren tot de menselijke geest, die als Gods algeestvonk op aarde is. Ieder van de drie stappen bestaat uit drie engelengroepen, -koren of -reien, waardoor er negen engelenkoren zijn; en de mensheid is de tiende, die met deze hemelse hiërarchie in verbinding staat door de persoonlijke beschermengel. Die heeft zijn aanwezigheid twee keer duidelijk aan mij laten merken, maar is gewoonlijk onmerkbaar bij ieder van ons aanwezig, om ons te begeleiden op ons moeizame pad over de aarde.

← terug naar Hoofdonderwerp 24

130. De engelen en hun rangorde 2
Het Griekse 'aggeloi' (engelen) betekent: boodschappers; zij zijn Gods geesten die zijn kennis, gedachten, gevoelens en besluiten naar de mens overbrengen en door zich zo voor zijn groei in te zetten, ook zichzelf ontwikkelen.
Zij geven boodschappen aan elkaar door langs drie trappen van verdichting.

1. De eerste trap zijn de Serafim, Cherubim en Ofanim.
- Serafim komt van Hebreeuws 'seraf': branden (van liefde); zij brengen gevoelens over.
- Cherubim komt van Hebreeuws 'cherub': grijpen of begrijpen; zij brengen gedachten over.
- Ofanim komt van Hebreeuws 'ofan': handelen; zij brengen kennis en besluiten over. In het visioen van Ezechiël (zie nr. 120) worden zij beschreven als 'wielen' (kracht, bewegen, handelen of: willen) die 'ogen' bezitten (waarnemingsvermogen). Zij zijn de geest als bewuste levenskracht.

2. De tweede trap zijn de Krachten, Heerschappijen en Machten.
- Krachten heten in het Grieks Dynamis, van 'dunameis': macht, kracht. Zij helpen bij de strijd om inzicht (kennis, waarnemen) en het overwinnen (willen) van moeilijkheden. Zij zijn (in overeenstemming met de Ofanim) een uitdrukking van het waarnemen en willen.
- Heerschappijen heten in het Grieks Kyriotetes, van 'kurioo': besluiten, beheersen. Zij helpen bij het vormen van een oordeel en het nemen van besluiten, en brengen gedachten over.
- Machten heten in het Grieks Exousiai, van 'ousia': huisgezin en 'ous': gehoor. Zij helpen bij het verzoenen van tegenstellingen en het bereiken van overeenstemming en vrede binnen groepen, en brengen gevoelens over.

3. De laatste trap zijn de Engelenvorsten, Aartsengelen en Beschermengelen.
- Engelenvorsten heten in het Grieks Archai: oerkrachten. Zij hebben werkdrang en ondernemingslust. Zij begeleiden het bestaan van volken en zijn een uitdrukking van het goddelijke willen.
- Aartsengelen heten in het Grieks Archangeloi. Zij begeleiden het aardse bestaan van steden en groepen.
- Beschermengelen heten in het Grieks Angeloi: boodschappers. Zij begeleiden en ondersteunen het bestaan van de mens als persoon, gedreven door liefde en mededogen. Zij zijn een uitdrukking van het goddelijke voelen.
Zij mogen ongemerkt de mens door ingeving beïnvloeden, maar die behoudt zijn vrije keuze; en ook het karma blijft onverlet.

← terug naar Hoofdonderwerp 24

131. De rangorde der engelen 3
Om Gods godenkinderen, de mensheid, te kunnen begeleiden op hun ontwikkelingsweg naar geestelijke volwassenheid door zelf hun vermogens tot ontwikkeling te brengen, drukt God kennis en besluiten, gedachten en gevoelens uit in Gods engelen, die een weergave zijn van de eigenschappen van Gods geestelijke vermogens. Voor het geestesoog zijn zij zichtbaar als geestgedaantes, als een menselijke gestalte.

Langs drie trappen van verdichting, drie werelden van verminderde geestelijke trillingssnelheid, kunnen zij tot de wereld van de menselijke geestesgesteldheid afdalen en zich met diens geestelijke ontwikkeling bezighouden. Door met gedachten en gevoelens door de chakra's heen op de menselijke geest in te werken, wekken zij langzaam maar zeker, door de werkzaamheid van hun eigen vermogens op de mens over te brengen, het overeenkomstige ook in de mens tot leven. Daarbij blijft de keuzevrijheid van de mens gewaarborgd, waarmee die uit zichzelf in deze wereld helaas meestal wanorde schept.
Engelen zorgen er echter voor dat de omstandigheden op aarde toch zo verlopen, dat zich in de tijd als stroom van gebeurtenissen ook léérzame voorvallen aan de mens voordoen.

Door middel van de engelen als Gods eigen krachten houdt God zich al denkend en voelend met de loop van de schepping bezig. In het Grieks worden zij daarom 'angelos' genoemd, wat boodschapper betekent, terwijl in het Hebreeuws van 'malak Jahweh' wordt gesproken, wat 'kracht Gods' betekent; samengevoegd is er sprake van een 'bewuste kracht' die van God naar de mens toe uitgaat. In India noemt men hen 'dhjany chohans': geesten die de schepping overdenken. Het zijn dus krachten die Gods plan met de schepping vertegenwoordigen om, naast de vrije keuze van de mens, toch aan dat plan met de mensheid uitvoering geven.

Door middel van Gods engelen is God vanuit zichzelf als de algeest overal in de eeuwige oneindigheid uit zichzelf werkzaam aanwezig, maar toch onmerkbaar om de mens de gelegenheid te geven op eigen kracht zijn eigen zelfstandigheid te verwerkelijken. Want alleen het werk dat je zélf hebt verricht, versterkt je vermogens en dát betekent geestelijke groei.

← terug naar Hoofdonderwerp 24

132. De geestelijke geschiedenis van de mensheid 1
De menselijke geest is door verdichting uit en in de goddelijke algeest ontstaan als bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee de vier geestelijke vermogens en de beide instellingen samenhangen (zie 32, 33). Binnen de geest zijn zij werkzaam als een kringloop: je neemt iets waar, je overdenkt en doorvoelt het en wilt er wat mee doen, waarna je het gevolg van je uitspraak of handeling weer wilt waarnemen en beoordelen. Daardoor heeft ook de ontwikkeling die met de vermogens samenhangt de vorm van een kringloop.

Volgens de esoterische leer (theosofie, antroposofie, Rozekruis, Swedenborg, Lorber, Rulof, e.a.) begon die ontwikkeling miljarden jaren geleden bij 0→ (afb.) en heeft die de vorm van 7 tijdperken met daarin 7 tijdvakken en 7 beschavingen, die elkaar als kringlopen opvolgen; ertussen zijn rusttijden om de opgedane ervaringen te verwerken en daardoor geestelijk te groeien (zie nr. 22 voor het zevental). In iedere kringloop staat een van de vermogens of instellingen in het middelpunt, maar de andere worden tegelijkertijd mee ontwikkeld.
De tijdperken hebben de namen Saturnus-, Zon-, Maan-, Aarde-, Jupiter-, Venus- en Vulcanus-toestand, voor verklaring zie op de website in het Menu. De eerste en laatse drie zijn etherische toestanden; alleen de middelste, de huidige aarde-toestand, is stoffelijk, vast.

Saturnus. Een nog donkere, etherische 'warmte'-toestand, zowel voor de Aarde zelf (die nog binnen de zon was) alsook voor de aanleg van het lichaam: een warmtebol bínnen de aarde (dit is de 'minerale' ontwikkelingstoestand), waaraan voor de ontwikkeling ervan door engelen werd gewerkt.
De menselijke geest was nog álbewust, nog niet zelfbewust.

Zon. Een al oplichtende, etherische 'lucht'-toestand, zowel voor de Aarde als het lichaam, dat vastzat óp het oppervlak van de etherische aarde (de plantaardige ontwikkelingstoestand); engelen werkten eraan.
De bewustzijnstoestand was een droomloze slaap.

Maan. Een etherische, 'water'-achtige toestand; het water-achtige lichaam zweefde bóven het oppervlak (de dierlijke ontwikkelingstoestand); engelen werkten aan de ziel.
De bewustzijnstoestand was een innerlijke droomwereld; als zodanig werd de omgeving innerlijk gezien. De mensheid leefde toen op de 'Maan'.

Aarde. Door verdergaande verdichting ontstond de vaste aarde-toestand, 4,5 miljard jaar geleden: het Precambrium. De geest straalt nu zelf de ziel uit, is wakker geworden en zich bewust van de buitenwereld, en beweegt zijn - in de eerste tijd nog steeds etherische - lichaam zelf over het oppervlak; maar de stoffelijke evolutie begint. De mensheid bevindt zich eerst in bepaalde streken, maar gaat zich later over de aarde verspreiden.

← terug naar Hoofdonderwerp 25

133. De geestelijke geschiedenis van de mensheid 2, de tijdvakken
In het Aardetijdperk is de verdichting van de door God geschapen etherische licht- en warmte-wereld zo groot geworden, dat onze zintuigen die nu als een stevige, 'vaste stof' ervaren; maar in de eerste drie tijdvakken waren onze stoffelijke levensvormen nog zo broos, dat er nu niets van terug is te vinden.

Het eerste, Polaire tijdvak kwam wat kenmerken betreft overeen met de minerale toestand van het 'Saturnus'-tijdperk. De mensheid was nog onbewust en bevond zich op de Noordpool; de omwentelingssnelheid van de aarde is daar het kleinst, waardoor daar de aardkorst het eerst stevig werd.
Het lichaam had een bolvorm en bovenop stak er een voelspriet uit met een zintuig voor warmte en koude, nodig i.v.m. de vele vulkanen in die tijd; het is nu ontaard en verkalkt tot de pijnappelklier (epifyse; die is niet hetzelfde als het derde oog, want dat is het geestesoog). De geest zweefde nog boven zijn levensvorm en bewoog die voort door die te laten springen. De voortplanting geschiedde door celdeling. De engelen werkten aan de ontwikkeling van de hersenen, i.h.b. aan de frontale lobben in het voorhoofd, om het indalen van de geest mogelijk te maken.

Hyperboreas was voor de mens de plantaardige toestand met een slaapbewustzijn, overeenkomend met de toestand van het 'Zon'-tijdperk. De mensheid woonde op Groenland en in Siberië. De levensvorm was nog steeds bolvormig, maar de voortplanting geschiedde nu door knopvorming. De geest kon nader komen tot het lichaam, want in dit tijdvak werd door de engelen aan de ontwikkeling van de geestgedaante gewerkt: en dat is de schakel die nodig is om de geest met het lichaam te verbinden (zie nr. 21).

Lemurië was voor de mens de dierlijke toestand met een droomslaap, overeenkomend met het 'Maan'-tijdperk. De mens zag de omgeving als een innerlijk droombeeld. Het woongebied was een eilandenrijk in de Indische Oceaan (Carboon, Jura en Krijt, 150-65 miljoen jaar geleden). De mens was nog onwetend en doordat de geest het lichaam nog niet belastte met aandoeningen, kon het eeuwenoud worden.
In de tweede helft van Lemurië ging de dierlijke levensvorm geleidelijk over in de menselijke. Tot dan toe vormden de mannelijke en vrouwelijke geest een eenheid als verenigde tweelinggeest, nu werden zij losgemaakt uit hun eenheid om alleen verder te kunnen gaan, nodig voor hun persoonlijke groei naar geestelijke zelfstandigheid.
Ten slotte ging het eilandenrijk ten onder, behalve Australië, Nieuw Guinea en Madagaskar, nog steeds met een geheel eigen bevolking, flora en fauna uit die tijd.

← terug naar Hoofdonderwerp 25

134. Geestelijke geschiedenis van de mensheid 3a: Atlantis 1-3
In het Atlantische tijdvak bewoonde de hoofdgroep van de mensheid weer een eilandenrijk, nu in de Atlantische Oceaan; in het begin was het daar mistig (het Germaanse 'nevelheim'). In de eerste helft was de mens nog enigzins helderziend, maar langzamerhand nam het waakbewustzijn toe.
Tijdens deze beschavingen lieten de engelen de menselijke geest in het lichaam indalen, dat daartoe geschikt was geworden door verwerking van de ervaringen, die in Lemurië waren opgedaan. Op Atlantis was de mens groter dan nu, het voorhoofd helde nog naar achteren.

Rmoahals. Tijdens de eerste beschaving begon de ontwikkeling van het geheugen en dat maakte het mogelijk de mens de eerste, eenlettergrepige taal aan te leren; een nieuwe verworvenheid waar die met eerbied mee omging.

Tlavatlis. Sommige mensen begonnen zich van zichzelf als persoon bewust te worden en engelen en begeleiders stelden hen als koning aan. Dit koningschap werd nog gekenmerkt door dienstbaarheid en zo kreeg de mensheid ook begeleiders bij zich op aarde. Hun zelfbewustzijn versterkte hun uitstraling, vooral rond het hoofd (corona, door de kruinchakra) die helderziende werd waargenomen; vandaar dat zij als hoofddeksel een kroon (van 'corona') kregen.
Door de nog bestaande helderziendheid strekte het geheugen zich tot een aantal voorouders uit, waarmee de voorouderverering samenhing. De opvoeding was streng, gekenmerkt door het inprenten van plichten en gehoorzaamheid aan de ouderen. Bij Aziatische volkeren bestaan deze familieverhouding en opvoedingswijze (Confucius) nog steeds.

Tolteken. Doordat groepen mensen met dezelfde gebruiken en gewoonten zich verenigden en afscheidden, ontstonden nu meerdere volkeren, ieder met hun eigen koning. Door de voorouderverering werd in het koningsschap ook de erfopvolging ingevoerd.
Doordat de geest steeds meer in het lichaam indaalde en engelen en geestelijke begeleiders daardoor steeds minder leiding konden geven, ontaardde echter het koningschap. Bij de koningen begon persoonsverheerlijking, heb- en heerszucht op te komen en daardoor werd het nog van hen afhankelijke volk door koningen en edelen onderdrukt.
In deze beschaving had de mens nog een droombewustzijn, maar dat al openstond voor indrukken van buitenaf. De opvoeding geschiedde nog steeds doordat ouders hun eigen eigenschappen en denkbeelden, plichten en gewoonten aan hun kinderen oplegden.
Het geheugen was krachtig, alles werd onthouden. Oudere mensen met veel levenservaring stonden daardoor in hoog aanzien.
Later verhuisden zij naar Midden-Amerika.

← terug naar Hoofdonderwerp 25

135. De geestelijke geschiedenis van de mensheid 3b: Atlantis 4-7
Turaniërs. Zij vormden 2 miljoen jaar geleden het dieptepunt van de ontwikkeling in de geschiedenis van de mensheid, door de nu voor het eerst optredende onbewuste vereenzelviging met de wereld, doordat de geest geheel in het lichaam kon neerdalen. Daardoor moesten de engelen de mens op aarde aan zichzelf overlaten en zelf zijn weg laten vinden door te leren van eigen fouten.
De koningen bouwden tempels om zélf als goden te worden aanbeden; zij richtten zich op uiterlijk vertoon, onderdrukten het volk en zogen het uit. Afgescheiden van de geestelijke wereld ontstond er een strijd van allen tegen allen door de nog onvolmaakte ontwikkelingstoestand waarin de persoonlijkheid verkeerde; misdaad heerste alom op aarde. Aan de 'paradijs'-toestand, de 'gouden eeuw' van 'de koningen uit de voortijd' (I Tjing), was een einde gekomen.
Waar de zelfzuchtigen zich na het overlijden in de geestelijke wereld verzamelden, vormden zich duistere gebieden. Van daaruit beïnvloedden zij de mensen op aarde, met bezetenheid en bandeloosheid als gevolg. Zíj dreigden verloren te gaan en Jezus moest hén later door zijn zelfoffer uit hun zelfgevormde gevangenis verlossen (1 Petrus 3:19). Veel opgebouwd karma uit die tijd wordt nu afgelost (bv. tijdens de wereldoorlogen).

Semieten. Het lukte de engelen het denkvermogen te ontwikkelen. Eerst gebruikte de mens dat op zelfzuchtige wijze, gekenmerkt door sluwheid en bedrog; maar ook kreeg de mens door het ruwe gedrag van anderen begrip voor de noodzaak van wetten en straffen, waardoor de orde kon worden hersteld. Het toenemende gebruik van het denken verminderde echter de helderziendheid, waardoor de mens ook steeds meer op zijn eigen denkvermogen was aangewezen en dat zelfstandig leerde gebruiken; maar ook door de engelen meer aan zichzelf moest worden overgelaten.
De mens moest leren juist te denken, door zelf de gevolgen van eigen daden te ondergaan. Zijn handelen werd nu getoetst aan wetten, hij werd nu a.h.w. door het wetboek geleid; maar had toch wel de vrije keuze om daar al dan niet aan te gehoorzamen.
Tegen het einde van Atlantis trokken de Semieten naar de Gobiwoestijn en later naar de Indusvallei (Harappa, Mohenjo Daro), om van daaruit de aanzet te geven voor nieuwe beschavingen.

Akadiërs en Mongolen. Deze beschavingen vormden een samenvatting van Atlantis. Uit de Mongolen kwam het Chinese en Japanse volk voort, die eeuwenlang aan de Atlantische staatsvorm, cultuur en opvoedingswijze hebben vastgehouden.

De meeste eilanden gingen door natuurrampen geleidelijk ten onder. Volkeren van de eerste beschavingen trokken naar Amerika (Maya, Inca), van de laatste naar Italië (Etrusken), Spanje (Basken), Egypte en Azië.

← terug naar Hoofdonderwerp 25

136. De geestelijke geschiedenis van de mensheid 4a, de eerste beschavingen
Het huidige, vijfde tijdvak wordt het Arische genoemd en behoort tot de beschreven geschiedenis, de historie. De Semieten uit Atlantis waren eerst door Europa naar de Gobiwoestijn getrokken, waar resten van bewoning zijn gevonden en trokken later door naar de Indusvalei en Perzië.
Zij kregen de naam Arya's: de edelen, de zuiveren.

In India vestigden zij de Veda-beschaving (Sanskr. 'vid': weten, in de zin van gnosis). Sommigen kregen van hun begeleiders een geestelijke opleiding en werden wijzen, geestelijke leiders, die op aarde de plaats van de engelen innamen. Zij trokken zich terug in wouden, waar leerlingen hun leringen in 'woudboeken': oepanishads ('bij de meester zitten') opschreven. Zij lieten de mens vrij om al dan niet te komen en werden 'goe roe' genoemd: 'verdrijver van duisternis'. Zij voerden het begrip 'karma' in, letterlijk: 'handeling', gezien als nawerking van gedrag uit vorige levens.

Steeds worden in iedere kringloop, ook in beschavingen, de zeven treden herhaald, waardoor deze beschaving met de oude, helderziende waarneming begon. Daardoor waren zij op de gééstelijke wereld gericht en niet op de aarde, die voor hen 'maya': begoocheling was. Zij trachtten middels meditatie de kringloop der wedergeboorten (samsara) te doorbreken, om zich weer met de geestelijke wereld te kunnen herenigen (Sanskr. 'yoga' is Lat. 'iungo': verenigen).

Perzië. Een groep Ariërs was ook in Perzië terechtgekomen en tijdens hun, Perzische beschaving was de mensheid al beter in staat met het aardse bestaan om te gaan. Hun geestelijke leider was Zarathustra (Grieks: Zoroaster). Hij had zich door geestelijke oefeningen met de engelen verbonden. Aan hem verscheen Gods heilige geest als het Grote Licht, Ahura Mazdoa, dat eens - als koning der Joden - naar de aarde zou komen. Door hem waren de latere 'Wijzen uit het Oosten' ervan op de hoogte waar en waneer die koning zou worden geboren.
De kern van zijn leer (later opgegaan in Mazdaznan) was kort samengevat: juist denken, juist doen.

Egypte. De Egyptenaren waren nog meer op de aarde gericht, maar hadden wel een duidelijk beeld van de geestelijke helft van de schepping. Zij begonnen o.l.v. engelen de natuurwetenschappen te ontwikkelen door ervaring op te doen met het balsemen van het lichaam. Uit die kennis ontwikkelde zich eerst de 'alchemie', van het Arabische 'al Chimeia': het zwarte land langs de Nijl: Egypte. Zij trachtten het lichaam door operaties te genezen.

Zij richtten o.l.v. engelen bouwwerken op, Sfinxen en piramides, als afspiegeling van de kosmos, die door hun inscripties een leidraad waren voor geestelijk inzicht in de orde van de schepping. De piramides ('pyra mi dai': geef mij vuur, inzicht) waren inwijdingsscholen voor het leven in de geestelijke wereld, zo ook hun Egyptische dodenboek, dat een handleiding was voor de tocht naar het hiernamaals.
De sfinx was ook in Babylonië bekend en bestaat uit vier delen: een mensenhoofd, stierenlichaam, leeuwenklauwen en adelaarsvleugels. Het zijn wezens die overeenkomen met de cherubim uit het visioen van Ezechiël (zie nr. 120(2), 121(2), beide herzien).
Het dagelijkse bestaan in Egypte was van angst vervuld, doordat na het overlijden het hart zou worden gewogen en door de krokodilgod Ammut verslonden, indien het te licht was bevonden door zedelijke misdragingen, die tijdens het leven waren begaan.

← terug naar Hoofdonderwerp 25

137. Geestelijke geschiedenis van de mensheid 4b, de huidige tijd
Grieken en Romeinen hadden hun aandacht en toewijding geheel op deze wereld gericht. De Grieken hadden de herinneringen aan de geestelijke wereld in mythen vastgelegd en die wereld was voor hen een godenrijk (Olympus) en schimmenrijk (Hades) geworden. Zij waren wereldveroveraars en richtten door beeldhouwwerken en wedstrijden hun aandacht geheel op het menselijke lichaam.
Alleen in mysteriescholen (Apollo, Dionysios) werden in het geheim nog belangstellenden ingewijd, die inzicht kregen in zichzelf en de geestelijke wereld en hoe de verbinding daarmee kon worden hersteld.
Griekse filosofen zoals Pythagoras, Sokrates, Plato en Plotinos, richtten de aandacht nog wel op het geestelijke.
De Romeinen waren volkomen aards geworden. Het was een volk van boeren en soldaten, van wereldveroveraars; zij leefden in een harde maatschappij. De Romeinse wijsheid kwam uit het dagelijkse leven in de vorm van korte gezegden. Hun filosofen: Seneca, Tacitus, Marcus Aurelius, hingen in feite het hellenisme aan, dat in de Oudheid leidend was. Romeinen keken op tegen de Griekse cultuur.

De vroege Middeleeuwen was een overgangstijd naar wat de huidige, Westerse beschaving wordt genoemd. Die wordt gekenmerkt door de uitgekeerde instelling, die eenzijdig naar buiten is gericht en de innerlijke wereld veronachtzaamt - dat zijn immers maar gedachten. In de godsdienst ligt de nadruk op de exoterie: de eredienst, de uitleg van de leer (theologie) en van het Boek; persoonlijke godsdienstigheid en mystieke ervaringen worden met argwaan bekeken door de geestelijke dorheid, waar deze tijd door wordt gekenmerkt. Toch was deze wereldse gerichtheid nodig om Jezus' leer over de aarde te verspreiden. De maatschappelijke werkzaamheden zijn er eenzijdig op gericht het zich in dit bestaan zoveel mogelijk naar de zin te maken en zich van alle gemakken te voorzien. Toen Germaanse volkeren de verzwakte, Romeinse beschaving omverliepen, riepen zij in Rome om brood en spelen... en die roep weerklinkt nog steeds.
Bij veel natuurwetenschappers is de leidende geestesgesteldheid het materialisme en ook in de maatschappij is er een vergaande vereenzelviging met de stof, gezien de algemeen aanvaarde opvatting: "Wij zijn onze hersenen" en het geestelijke te zien als een bijverschijnsel van 'neuronale activiteit'.

In de Slavische beschaving (slava: vereren) zal het evenwicht worden hersteld door de blik ook naar binnen te keren door de ingekeerde instelling. Oosterse kerken zijn altijd meer op de innerlijke, persoonlijke beleving van het geloof gericht geweest: de esoterie. Dat zal een tegenwicht gaan vormen voor de huidige, eenzijdige verwereldlijking. Een hulpmiddel zal muzikale beleving en godsdienstige kunstvormen zijn.
Dan zal Jezus' leer en geestelijke ontwikkeling in het middelpunt komen te staan en ontstaat er een theocratische, kosmisch ingestelde regeringsvorm.

In de zevende beschaving zal worden gestreefd naar eenheid in de mensheid. Er zal worden gewerkt aan het opheffen van de verschillen tussen rassen en godsdiensten, veroorzaakt door de afgescheidenheid in de mensheid, ontstaan in het midden van Atlantis.

← terug naar Hoofdonderwerp 25

138. Genesis 1:1-16, het eerste scheppingsverhaal, deel 1
De 7 dagen van Genesis hangen met de beschreven kringlopen van de geschiedenis der mensheid samen; zie de website in het Menu voor een uitgebreide beschrijving.
Samenvatting Genesis
1:1 In het begin schiep God hemel en aarde.
- Dit komt overeen met de schepping van de eerst etherische wereld ('hemel'), die pas later wordt verdicht tot de stoffelijke wereld ('aarde').

1:2 De (eerst nog etherische) aarde was woest en leeg (onbewoond), en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest (in de vorm van de engelen) zweefde over het water (het Hebr. woord betekent ook: diepte).
- Dit is het Saturnustijdperk: de 'minerale' toestand van de mens. De aarde is dan nog een etherische 'warmte'bol met in de diepte van de bol de mensengeesten. Van buitenaf werken engelen aan de ontwikkeling van het lichaam.

1:3-5 God zei: Er moet licht komen en er was licht. God zag dat het licht goed was en scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde hij dag, de duisternis nacht. De eerste dag.
- Dit is het Zontijdperk: de 'plantaardige' toestand. Door de etherische verdichting gaat de Zon licht geven. De aarde is een 'lucht'bol, de mensengeesten zijn nu op het oppervlak, zoals planten.

1:6-8 God zei: Er moet middenin de watermassa's een gewelf komen, dat beide scheidt. God maakte het gewelf en scheidde het water eronder van dat erboven en noemde het gewelf hemel. De tweede dag.
- Dit is het Maantijdperk: de 'dierlijke' toestand. De aarde is een etherische 'water'bol. De mensengeesten 'zweven' in de 'waterige' atmosfeer: het 'uitspansel'.

1:9 God zei: Het water moet naar één plaats stromen, zo komt er droog land.
- Dit is het Aardetijdperk. De eerst etherische toestand wordt verdicht en wordt nu stoffelijk. Aan de polen wordt de nog vloeibare aardbol het eerst vast.

1:10 Het droge noemde hij aarde, het water zee.
4.1 Het Polaire tijdvak is een herhaling van de 'minerale'-toestand (van 'Saturnus'). De menselijke geest wordt nu met het aardse verbonden.

1:11-13 God zei: Overal op aarde moet groen ontkiemen: planten en bomen. De aarde bracht jong groen voort: zaadvormende planten en bomen die vruchten droegen met zaad erin. De derde dag.
- Dit is het Hyperborese tijdvak. De menselijke geest is in een 'plantaardige' toestand, met planten op het aardoppervlak geestelijk verbonden (het Carboon).

1:14-16 God maakte de twee grote lichten om dag en nacht te scheiden, het grootste voor overdag, het kleinere voor de nacht en ook de sterren.
- De vorming van de Aarde en de planeten uit de Zon, de vorming van de Maan uit de Aarde (uit de Stille Oceaan). Dit laatste, de uitworptheorie, wordt door een aantal geologen gesteld, zie op de website bij het 'antropisch principe'.

← terug naar Hoofdonderwerp 26

139. Genesis 1:17 - 2:4, het eerste scheppingsverhaal, deel 2
Samenvatting Genesis
1:17-19 (vervolg) God plaatste ze aan het hemel om licht te geven op de aarde, om het licht te scheiden van de duisternis. De vierde dag.
- De vorming van de Maan uit de Stille Zuidzee vindt plaats tijdens Lemurië (4.3).

1:20-23 God zei: In het water moeten vissen zwemmen, langs de hemel vogels vliegen. God schiep zeemonsters en waterdieren, en alles wat vliegt. God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar en vul de zeeën. Ook de vogels moeten talrijk worden. [...] De vijfde dag.

1:24-25 God zei: De aarde moet levende wezens voortbrengen: vee, kruipende en wilde dieren. - Dit is de eerste helft van het Lemurische tijdvak (4.3). De nog dierlijke geestestoestand; de geest is verbonden met dierlijke levensvormen. Tijdens het Perm, Jura en Krijt komen er op aarde grote dieren voor.

1:26-31 God zei: Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn; zij moeten heerschappij voeren over […] alles wat op de aarde rondkruipt.

God schiep de mens als zijn evenbeeld,
als evenbeeld van God schiep hij hem,
mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen;

God zegende hen en zei: Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen. [...] God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. [...] De zesde dag.
- Dit is de tweede helft van het Lemurische tijdvak (4.3). De geestestoestand is nu menselijk geworden en de menselijke geest wordt verbonden met de eerste menselijke, stoffelijke levensvormen op aarde. Dit is tot nu toe het eerste, stóffelijke scheppingsverhaal in Genesis; het tweede scheppingsverhaal betreft het gééstelijke in de mens.

2:1-4 Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij had gedaan. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.
- Het Atlantische tijdvak (4.4) (de menselijke toestand). Na het midden van dat tijdvak 'rust' God, d.w.z. Gods engelen laten de mens nu steeds meer schijnbaar aan zichzelf over. Zij begeleiden de mens wel, maar ongemerkt door ingevingen en voorgevoelens, en door de mens naar leerzame gebeurtenissen te leiden. De mens wordt nu zijn eigen leermeester door te leren van de gevolgen van eigen beslissingen en zich daardoor te ontwikkelen naar geestelijke zelfstandigheid.

← terug naar Hoofdonderwerp 26

140. Genesis 2:6-14, het tweede scheppingsverhaal, deel 1
Dit beschrijft de geestelijke schepping van 'ha Adam': de mens.
Samenvatting Genesis
2:6 In de tijd dat God aarde en hemel schiep, groeiden er op de aarde nog geen planten, want God had het nog niet laten regenen en er waren geen mensen om het land te bewerken; er welde wel water uit de aarde op die de bodem bevloeide.
- Dit vers is een korte herhaling van voorafgaande tijdperken. De menselijke geest had zich nog niet met de aarde verbonden, want Gods engelen hadden hun werk nog niet voltooid.

7 Toen schiep God de mens. Hij vormde hem uit stof en blies levensadem in zijn neus. Zo werd de mens een levend wezen.
- De menselijke geest werd tijdens de tweede helft van Lemurië verbonden met zijn levensvorm, die Gods engelen in vorige tijdperken hadden opgebouwd. Op Atlantis daalde de geest verder in zijn stoffelijke vorm in. Vanuit beide hoofdgebieden verspreidde de mens zich over de aarde.
Volgens de Joodse kalender verscheen ± 4000 v.Chr. 'ha Adam': de mens die geheel is ingedaald, maar toch nog helderziende met Gods engelen is verbonden.

8-9 God legde in het Oosten, in Eden, een tuin aan voor de mens, met bomen die heerlijke vruchten droegen. In het midden stonden de levensboom en de boom van kennis van goed en kwaad.
10-14 In Eden ontsprong een rivier die de tuin bevloeide. Zij vertakte zich in vier stromen: Pison, Gichon, Tigris en Eufraat.

- Volgens Ezechiël 16:11-19 heeft het tweede scheppingsverhaal een gééstelijke betekenis.
'In het Oosten' betekent: in de geest. 'Eden' is de 'berg van God', de tempelberg die je 'in jezelf moet bestijgen', dat is: jezelf geestelijk ontwikkelen; zoals Mozes de berg Horeb besteeg en met Jahweh sprak (Denk aan Psalmen 78:54, Hij bracht zijn volk naar zijn heilig domein, naar de berg, met eigen hand verworven. In het Tibetaanse Dodenboek wordt in dit verband de vierzijdige berg Meru besproken).

Wie mag de berg van God bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats? [de hereniging]
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
en altijd de waarheid spreekt. [de zelfverwerkelijking] Psalmen 24:3-4

Eden verbeeldt de door indaling ontstane innerlijke wereld in de mens, met de geest in het midden: daar welt de levensbron op met vier voedende stromen, die kracht geven aan de vier geestelijke vermogens.
Met die vermogens kunnen keuzes worden gemaakt: daarop wijst de boom van goed en kwaad, en de vrije keuze daartussen. Door het gebruik van de vermogens worden het geweten en de deugden ontwikkeld, waardoor de mens gééstelijk naar de lévensboom in het midden, toegroeit. Maar voor die geestelijke groei moet de mens voor keuzes worden gesteld en moet daarom het vredige paradijs úit en de moeizame, aardse leerschool in!

← terug naar Hoofdonderwerp 26

141. Genesis 2:15-25, het tweede scheppingsverhaal, deel 2
Samenvatting Genesis
2:15 God bracht de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken.
- God laat de mens zich bewust worden van zijn eigen binnenwereld om daar aan zichzelf te werken en zich tot ontwikkeling te brengen.

16-18 God zei: Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; als je daarvan eet, zul je zeker sterven.
- Door iets te verbieden, wordt de aandacht er juist op gevestigd; zo stelt God de mens in de gelegenheid uit vrije keuze ongehoorzaam te zijn en door dit besluit nu op éigen kracht aan zijn zelfstandigheid te gaan werken.

19-20 God dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken. Toen vormde hij uit aarde alle dieren en vogels, en bracht die bij de mens om ze een naam te geven. De mens gaf namen aan al het vee, de vogels en wilde dieren, maar vond geen helper die bij hem paste.

21 Toen liet God de mens in slaap vallen en terwijl hij sliep, nam hij een van zijn 'ribben' weg en vulde die plaats met vlees.
- Het Hebr. woord voor 'rib' betekent ook 'zijde'. Tot dan toe was de geest steeds werkzaam als de verenigde, mannelijke en vrouwelijke tweelinggeest, maar nu werden beide zijden van elkaar gescheiden.

22-23 Uit de rib (zijde) die hij van de mens had weggenomen, bouwde God een vrouw en hij bracht haar bij de mens. Toen riep de mens uit: Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.
- De vrouwelijke geest vormde liefdevol het hart in de tweelinggeest, maar wordt daarvan gescheiden met het doel ieder van hen zelfstandig te laten worden.

24 Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één lichaam wordt.
- De nu gescheiden tweelinggeesten verlangen ernaar de oorspronkelijke eenheid te herstellen, zij trachten elkaar te vinden om weer een paar te vormen: de aandrang om een levenspartner te zoeken.

25 Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.
- Meteen na de scheiding waren beide tweelinggeesten nog bij elkaar en voelden zij zich nog een gelukkig paar.

← terug naar Hoofdonderwerp 26

142. Genesis 3:1-16, het tweede scheppingsverhaal , deel 3
Samenvatting uit Genesis
3:1-3 Van de dieren die Gód had geschapen(!), was de slang het sluwst. Die vroeg aan de vrouw: Is het waar dat God gezegd heeft, dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten? We mogen de vruchten van alle bomen eten, zei de vrouw, behalve van de boom in het midden; anders zullen we sterven.
- Gods bedoeling is dat wordt voorkomen dat de mens de toestand van zelfbewustzijn, die beide bomen vertegenwoordigen, zo maar krijgt; want zijn vergoddelijking moet de mens zich door éigen inspanningen, in de leerschool van de aarde, zelf eigen maken.
Want alleen wat de mens uit zichzelf heeft gedaan, voegt waarde toe aan zijn persoonlijke bestaan; wat een mens krijgt, is het werk van een ánder.

4-5 Jullie zullen niet sterven, zei de slang. Integendeel, God weet dat jullie ogen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zijn door kennis te hebben van goed en kwaad.
- De vraag kan worden gesteld, wat nou juist die door Gód geschapen slúwe slang net bij díe boom in Gods éigen tuin doet; en hoe wéét die slang van Gods verbod en waarom doet God later ook wat de sláng zegt… en laat hij hen niet sterven?!
- Het antwoord is dat de slang een doorslaggevende rol speelt in de noodzaak, dat de mens uit eigen, vrije keuze aan zijn geestelijke ontwikkeling in de aardse leerschool begint. Iedere dwang van buiten remt de groei naar innerlijke zelfstandigheid. Alleen een in vrijheid genomen besluit kan uiteindelijk leiden tot zijn geestelijke groei en vergoddelijking.

6-8 De vróuw keek naar de boom, want 'zijn vruchten zagen er heerlijk uit' en 'ze verlangde naar hun wijsheid'. Ze plukte en at, en gaf ze ook aan haar man, die ook at. Toen gingen hun de ogen open en ze beseften hun naaktheid. Daarom namen ze vijgenbladeren en maakten schorten. Toen ze God in de avond door de tuin hoorden wandelen, verborgen ze zich.
- Eva zette de eerste stap vanuit haar verlangen naar wijsheid.
- Zij gingen ook de noodzaak voelen kleding te maken, wat de eerste aanzet is tot culturele ontwikkeling.
- De (grote) vijgenbladeren kwamen ook van een boom: de Ficus religiosa.
- De bewustwording van zichzelf leidt, als dat door ongehoorzaamheid buiten God om gebeurt, eerst tot zelfgerichtheid, waardoor de mens zijn onschuld verliest. Door zelfzuchtig handelen kan de mens verkeerde keuzes maken, onjuist handelen en zich daarna schuldig voelen: de eerste vrucht van hun kennis van goed en kwaad.

9-16 Maar God riep de mens en die zei: Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben. Wie vertelde je dat je naakt bent, heb je van de verboden boom gegeten? De mens antwoordde: De vrouw die u hebt gemaakt om mij terzijde te staan, heeft mij de vruchten gegeven en ik heb gegeten.
Waarom deed je dat? vroeg God en zij antwoordde: De slang heeft me misleid en ik heb gegeten.

- De mens werd middels de slang door God bewust uitgedaagd en kreeg zo de gelegenheid zélf een besluit te nemen en ongehoorzaam te zijn, een daad van zelfstandigheid! Een zelfde strekking heeft de beproeving van Job door Satanaël, die met Gods instemming handelde en de toegelaten verkwisting van de erfenis van zijn vader door de Verloren Zoon (volgt).

← terug naar Hoofdonderwerp 26

143. Genesis 3:17-24, het tweede scheppingsverhaal, deel 4
Samenvatting Genesis
3:14-19 God zei tegen de slang: Vervloekt ben je om wat je hebt gedaan. Tegen de vrouw zei hij: Je zwangerschap maak ik tot een last. Je zult je man begeren en hij zal over je heersen.
En tegen de mens: 'Je hebt naar je vrouw geluisterd en van de boom gegeten. Zwoegen zul je op je akker. Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde: stof ben je, tot stof keer je terug.
- Dit beschrijft de toestand die is ontstaan door de zelfgerichtheid van de mens, veroorzaakt door de verwijdering van God en de gehechtheid aan de aarde; maar die is de gezamenlijke oorsprong van de mensheid en zonder die komt er onvrede en strijd in de wereld.
Daardoor wordt de wereld een moeizame leerschool, waar de mens zijn eigen leermeester moet zijn; hij is dat door zelf de wederwaardigheden te verwerken, die door het zelfgerichte gedrag van zichzelf of van medemensen zijn veroorzaakt. Maar dat heeft ook tot gevolg dat de mens zijn geestelijke vermogens zelf tot ontwikkeling brengt en ontwikkelt tot het geweten en de deugden, de engelachtige toestand.

3:20-21 De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden.
God maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.
- Zorgzaam(!) maakte God hen gereed de aardse leerschool in te gaan.

3:22 Toen dacht God: De mens is aan ons gelijk geworden nu hij kennis heeft van goed en kwaad. Ik wil voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven hebben.
- De mens moet leren kiezen tussen goed en kwaad, en door zijn vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken goddelijk worden; niet door zonder zelf moeite te hoeven doen tot het besef te komen, wie de mens als godenkind is, als het 'eeuwig levende': wat de vrucht van de levensboom meteen zou geven.

3:23-24 Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin en plaatste ten oosten van de tuin van Eden de cherubs met hun vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.
- Door zijn zelfgerichtheid ontstaat de van God afgescheiden toestand. De mens wordt onbewust van zichzelf als geest en vervolgens ontstaat de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan. De strijd die het kost om daaruit terug te keren, heeft de zelfverwerkelijking en daardoor de hereniging tot gevolg. Maar de engelen laten de mens pas weer toe, als die als één van hen is geworden.

Het later opgestelde leerstukken van de 'zondeval' en de 'erfzonde', waardoor iedere mens bij voorbaat een zondaar zou zijn en waarvan de schuld bij Eva, de vrouw werd gelegd, heeft het mensbeeld ernstig aangetast, veel gewetensnood veroorzaakt en de geestelijke ontwikkeling van velen nodeloos geremd.

← terug naar Hoofdonderwerp 26

144. Job, de onschuldig lijdende mens
Job is het verhaal van de mens, die wel gelovig is en aanneemt door God te worden geleid, maar zich van Gods achtergronden en bedoelingen niet bewust is (Iob, van Hebr. 'hiob': de (op zijn schreden) terugkerende).
In het begin van het verhaal spreekt God met Satana-ël, één van de Zonen van God (Hebr. 'satana': tegenstander, 'el': god, dus 'tegenstander-god').
God wijst Satanaël op Jobs vroomheid en daardoor uitgedaagd, zegt hij dat Job alleen maar zo vroom is, doordat hij door God wordt beschermd, waardoor het hem goed gaat en Job vroom blijft. Dan weet hij God over te halen(!) hem Job in handen te geven, om de echtheid van zijn geloof te beproeven en of dat ook standhoudt bij tegenslag.

Iedere mens - zoals ook Job - heeft van huis uit een opdracht meegenomen naar dit tijdelijke bestaan en Satanaël is de engel die de mens - ten gunste van zijn ontwikkeling - daaraan houdt en zo de aarde voor de mens tot een leerschool maakt.
Dat is ook de strekking van het paradijsverhaal: de verhouding daar tussen God, de beproevende slang en de beproefde mens is dezelfde als die tussen God, de beproevende Satanaël en de beproefde Job.
Denk ook aan Paulus, Romeinen 11:22 We zien hoe God werkt, hij is goed en streng tegelijk.

Job is een rijke man die veel aanzien geniet, maar toch diep gelovig is; dit in tegenstelling tot zijn kinderen, die feesten en zich als rijkeluiskinderen gedragen. Job bidt dagelijks tot God voor hun heil.
Door Satanaëls toedoen verliest Job echter zijn kinderen en bezit, en wordt zelf ziek. Door het lijden dat hem nu overvalt, komt hij echter niet in opstand, hij blijft eerst vroom zoals hij altijd was; maar na gesprekken met zijn drie vrienden - een diepgravende uitwijding over gedachten en gevoelens die leven in de lijdende mens - zegt Job, dat hij de oorzaak van zijn lijden niet begrijpt.

Zijn vrienden houden hem vanuit hun oude geloof voor dat hij moet hebben gezondigd, dat hij God nu om vergeving moet vragen en zijn leven moet beteren. Daardoor begint Job zich te verdedigen en houdt vol onschuldig te zijn. Hij wil een rechtsgeding voeren tegen God vanwege een onverdiende straf, die hem zomaar overkomt. God moet hem duidelijk maken wat zijn fout was.
Zijn vrienden blijven bij hun oude, harde geloof: hij heeft gezondigd en moet boeten; maar Job houdt zijn onschuld vol. Hij wordt daardoor op zichzelf teruggeworpen en begint te beseffen dat degene, die hij aanklaagt, in feite zijn enige ontlastende getuige is. Want zijn omgeving blijft maar zeggen dat hij iets verkeerds moet hebben gedaan, hij veinsde alleen maar goedheid!
Job komt alleen te staan, maar wordt daardoor steeds weerbaarder. Zo raakt hij los van zijn oude denkwereld en komt innerlijk dichter en persoonlijker bij God.

Dan verschijnt de jonge wijze Elihoe, die een vernieuwing van godsdienstige inzichten vertegenwoordigt. God onderhoudt wel degelijk een persoonlijke band met de mens, zegt hij; het leed brengt uiteindelijk de ontmoeting met God teweeg, want leed brengt de mens tot bezinning, waardoor die zich gaat ontwikkelen.
Job ontmoet God uiteindelijk in een storm, die hem duidelijk maakt dat hij onbewust en onwetendheid was: het grootste kwaad voor de mens en oorzaak van stilstand en leed.

Op het eind komt Job door ervaring tot inzicht (Iob 42:1-6):
Wie is het toch die zich voor God afsluit zonder het te weten?
Daardoor verkondigde ik woorden zonder die te begrijpen,

alleen met het horen van een oor had ik van God gehoord...
maar nu heeft mijn oog God aanschouwd.

← terug naar Hoofdonderwerp 27

145. Jezus' gelijkenis van de Verloren Zoon 2
Lukas vermeldt een leerzame gelijkenis die Jezus aan zijn leerlingen vertelde.
Jezus zei: Iemand had twee zonen. De jongste zei tegen zijn vader: "Geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb." De vader verdeelde zijn vermogen en de zoon maakte zijn deel te gelde. Hij reisde naar een ver land, waar hij door een losbandig leven zijn bezit verkwistte.
Toen hij alles kwijt was, kwam er hongersnood en leed hij gebrek. Hij vroeg om werk en men liet hem de varkens hoeden. Graag had hij van de peulen voor de varkens gegeten, maar niemand gaf ze hem.

Hij kwam tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten genoeg en ik kom hier van honger om. Ik zal naar mijn vader teruggaan en zeggen: "Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en u, ik ben het niet meer waard uw zoon te heten; behandel mij als een van uw dagloners."
Hij stond op om naar zijn vader terug te keren.

Die zag zijn zoon aankomen, kreeg medelijden en rende op hem af, viel hem om de hals en kuste hem. De zoon zei: "Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en u, ik ben het niet meer waard uw zoon te worden genoemd." Maar de vader zei tegen zijn knechten: "Haal kleren en trek hem die aan, geef hem een ring en sandalen. Slacht een kalf en laten we eten en feestvieren, want mijn zoon was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggekeerd."

Jezus beschrijft hier het aardse bestaan als een leerschool, waar de mens zijn eigen leermeester moet zijn; de mens moet er leren door de gevolgen van eigen besluiten zelf te ervaren, te verwerken en tot bezinning te komen. Daardoor wordt een geestelijke ontwikkeling in gang gezet, die leidt tot zelfverwerkelijking en uiteindelijk tot de hereniging met God, de geestelijke oorsprong van de mens.
Aangezien de gevolgen van fouten de meeste indruk op een mens maken, leert Jezus hier dat zondigen een van de wegen is om tot inzicht te komen. Lees hiervoor ook de geschiedenis van koning Hiskia en zijn zoon Manasse in 2 Kronieken 33, die Jezus zeker zal hebben gekend.

Zoals Job is ook de Verloren Zoon tot bezinning gekomen en beiden zijn daardoor 'op hun schreden teruggekeerd': de zoon naar zijn vader en Job naar God (de betekenis van de naam Hiob is: de terugkerende). Job heeft door een ervaring God ontmoet en zijn geloof met inzicht verrijkt; de Zoon heeft het besluit genomen de weg terug naar zijn vader in te slaan en is liefdevol door hem verwelkomd.

Ook de strekking van het paradijsverhaal komt overeen met die van Job en de Verloren Zoon.
De verhouding tussen
- God, de vruchten aan de boom in het paradijs, de beproevende slang en de beproefde mens komt overeen met die tussen
- God, Jobs geloof en zijn bezit, de beproevende Satanaël en de beproefde Job, en die tussen
- de vader van de Verloren Zoon, de erfenis die ook de beproeving is en de zoon, die wordt beproefd en er beter mee moet leren omgaan.

Dit zijn drie oeroude kernverhalen uit de Bijbel, die een levensbeschouwing weergeven: het hierboven genoemde aardse bestaan als geestelijke leerschool.
Worden deze verhalen achter elkaar gelezen, dan wordt zichtbaar dat de verhouding tussen God en mens steeds liefdevoller wordt. De oorzaak hiervan is een wisselwerking tussen beiden: de menselijke geest is immers een verdichting uit en in de goddelijke algeest.
De geestelijke ontwikkeling van de menselijke geest, door de vermogens om te vormen tot het geweten en de deugden, betekent een verrijking ook van de algeest door het oorzakelijke verband.
Denk ook aan de woorden van Paulus, Romeinen (8:19) Want met reikhalzend verlangen wacht heel de schepping (alles in de algeest) op het verschijnen van Gods kinderen (de ontwikkelde menselijke geesten).

← terug naar Hoofdonderwerp 27

146. De cocon en de vlinder
of 'Het gebed dat werd verhoord.'

Hieronder een gedicht van de Chileense dichter Roberto Vidal, dat aansluit op voorgaande overwegingen: door onwetendheid maken we fouten die we moeten herstellen; de gevolgen van onze fouten vormen de weerstanden, die we moeten overwinnen om te groeien.

Een man vond een cocon (pop) en nam die mee naar huis om te zien hoe de vlinder eruit zou komen. Op een dag ontstond er een opening en hij zag hoe de vlinder urenlang zijn lijfje er doorheen wurmde. Na enige tijd leek er niets meer te gebeuren. De vlinder scheen al zijn krachten om zich te bevrijden, te hebben gebruikt en was uitgeput.

Om de vlinder te helpen, knipte de man de cocon voorzichtig open, zodat de vlinder makkelijker naar buiten kon. Inderdaad gebeurde dat, maar nu bleek dat het lijfje opgezwollen bleef en zijn vleugels slap. Hij bleef toekijken in de hoop dat de vleugels zich zouden ontvouwen, maar dat gebeurde niet. De vlinder moest blijven rondkruipen met een gezwollen lijfje en kon niet vliegen.

De man had weliswaar goede bedoelingen bij zijn drang om te helpen, maar was onwetend van de noodzaak dat de vlinder moeite moest doen om zich door het gaatje te werken. God had ervoor gezorgd dat zo vocht uit het lijfje naar de vleugels werd gedreven, zodat die dooor zich te strekken klaar zouden zijn om ermee te vliegen.
Het vermogen naar de vrijheid te vliegen, kon alleen door eigen inspanning worden verkregen. De man had de vlinder die moeite willen besparen, maar hem daardoor onbedoeld van dat vermogen beroofd.

In ons leven hebben we bij tijden strijd nodig. Als God ons door het leven liet gaan zonder weerstanden om te overwinnen, zouden we verslappen en niet zo krachtig worden als mogelijk is.

Ik vroeg om kracht en God gaf mij
moeilijkheden om me sterk te maken.
Ik vroeg om wijsheid en God gaf mij
vraagstukken om op te lossen.
Ik vroeg om voorspoed en God gaf mij
verstand en spieren om te kunnen werken.
Ik vroeg om moed en God gaf mij
gevaren om te overwinnen.
Ik vroeg om liefde en God gaf mij
mensen met moeilijkheden om te helpen.
Ik vroeg om gunsten en God gaf mij kansen.
Ik kreeg niets van wat ik vroeg...
maar ontving alles wat ik nodig had!
Treed hindernissen onbevreesd tegemoet
en laat zien dat je ze kunt overwinnen.

← terug naar Hoofdonderwerp 27

147. De sage van Herakles (Latijn Hercules),
van het Griekse 'hera-kles': door Hera groot; zijn levensbestemming zou door Hera worden bepaald. Zij bezorgde hem veel moeilijkheden, die hij alle overwon en hem daardoor krachtig maakte. Denk aan Job en het gedicht Vidal.

Griekse mythen en sagen moeten worden gelezen met hun dieptepsychologische betekenis in gedachte, die betrekking heeft op de ontwikkeling van de mens; zo ook de sage van Herakles, die één van de vele Griekse cultuurbrengers was.

De vertelling begint met de oppergod Zeus en zijn vrouw Hera, die op de berg Olympos woonden: de hemel. Zeus was haar soms ontrouw en verwekte ook bij aardse vrouwen kinderen, zoals bij Alkmene. Zeus liet weten dat op de dag van zijn geboorte, het kind koning zou worden van Mykenai; waarop Hera, jaloers geworden, de geboorte van Herakles tegenhield en die van zijn neef Eurystheus bevorderde. Zo werd die eerder geboren en daardoor koning i.p.v. Herakles. Door zijn vroeggeboorte was zijn neef echter zwak, terwijl Herakles als godenzoon meteen zeer krachtig was en in zijn wiegje al twee slangen doodde, die Hera op hem af had gestuurd.

Herakles trouwde en zij kregen kinderen; maar door toedoen van Hera werd hij op een dag waanzinnig en doodde zijn gezin. Hij reisde naar Delphoi om het orakel om raad te vragen, hoe hij zijn vreselijke daad kon boeten. Hij kreeg te horen dat hij zijn neef Eurystheus moest gaan dienen en de opdrachten moest vervullen, die hij hem zou geven, zonder daarvoor raad of beloning te krijgen. Dat werden de twaalf werken van Herakles, die hij alle volvoerde.

Eén ervan was zijn strijd tegen de reus Antaios (Grieks: tegenstander). Hij was een zoon van de aardgodin Gaia (voorstellende de zintuiglijke gebondenheid van de mens aan de aarde) en de zeegod Poseidon. Met iedereen die langs zijn hol kwam, worstelde hij en doodde hij. Maar Herakles die bij hem langs kwam, daagde hém uit. Tijdens de strijd merkte hij, dat Antaios' krachten steeds werden hernieuwd, als hij met de aarde in aanraking kwam. Dus hief hij de reus zo lang omhoog tot die verzwakt was, waarop Herakles hem doodde; hij had in zichzelf de verleiding om zich over te geven aan zintuiglijke genietingen, overwonnen: het was zijn zelfverwerkelijking.

Na ten slotte ook nog een zelfoffer te hebben gebracht en stierf, werd hij op de Olympos verwelkomd; daar erkende ook Hera het welslagen van al zijn opdrachten, waarna hij als godmens in de godenkring werd opgenomen.

← terug naar Hoofdonderwerp 27

148. De Bijbel en geestelijke ontwikkeling
De laatste vijf stukjes beschrijven gebeurtenissen, die in grote lijnen overeenkomen met de geestelijke ontwikkeling van de mens, gezien in het licht van geestkunde:

1 De aanvangstoestand van de geestelijke ontwikkeling is de onbewustheid van zichzelf als menselijke geest en daardoor vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan. Zo wordt de mens hier schijnbaar aan zichzelf overgelaten, nodig om te leren zelfstandig te besluiten en te handelen.

2 Door tegenslagen op zichzelf teruggeworpen, kan de mens toegroeien naar bewustwording van die afhankelijke toestand en trachten zichzelf daaruit te bevrijden.

3 Het verwerken van gebeurtenissen die door de tijd op de mens af komen, kan alleen door de vier geestelijke vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken; daardoor verwerkelijkt de mens zichzelf en maakt zichzelf tot de levenskracht, die uit zichzelf werkzaam is d.m.v. de vermogens.

4 Door gewetensvol en deugdzaam handelen komt de geestesgesteldheid van de menselijke geest ten slotte in overeenstemming met die van de geestelijke oorsprong, de algeest, waar de mens ooit van uit is gegaan en ook weer naar terug zal keren, waardoor de hereniging ermee plaatsvindt.

Dit komt overeen met Boeddha's vier edele Waarheden.
1 Het bestaan is lijden, veroorzaakt door gehechtheid aan het vergankelijke, waardoor teleurstelling volgt.
2 De oorzaak van het lijden is de zelfzuchtige begeerte, ontstaan uit onwetendheid en gehechtheid.
3 De oorzaak wordt opgeheven als de mens streeft naar bewustwording en bevrijding.
4 De weg naar bevrijding is het edele, achtvoudige pad: 1 juiste waakzaamheid, het richten van de aandacht (waarnemen); 2 juist verstaan, het juiste inzicht is nodig (denken); 3 juist besluiten (denken en voelen) en 4 juist spreken (denken en voelen); 5 juist doen, het zedelijke gedrag tegenover mens en dier (voelen en willen); 6 juist leven (eerbaar beroep, willen); 7 juist streven, het beheersen van de wilskracht (willen) en 8 juist mediteren. Dat voert naar samadhi, de ervaring van het Nirvana (de hereniging).

Het komt ook overeen met de eigenschappen van de edele uit de I Tjing. Het eerste hexagram uit dat boek, Tjièn, beschrijft de diepste inzichten van de Chinese wijsbegeerte. Op verborgen wijze worden in de I Tjing de geestelijke vermogens beschreven als de vier deugden, de vier wezenlijke eigenschappen van Het Scheppende. Bijvoorbeeld als volgt:

Doordat de edele de liefde (voelen) belichaamt, is hij in staat de mensen te leiden (willen);
Doordat hij het schone (waarnemen) bewerkstelligt, is hij instaat hen goede zeden (voelen) te leren;
De edele is in staat alle wezens door gerechtigheid (denken) in overeenstemming te brengen (voelen);
Doordat de edele standvastig is, is hij in staat alle handelingen uit te voeren (willen).
De edele verzamelt materiaal (waarnemen), schift het (denken), waardoor hij ruim wordt in zijn wezen en liefdevol (voelen) in zijn handelen (willen).
Ziet (waarnemen) de edele iets goeds (denken en voelen), dan doet hij het na (willen); ziet hij gebreken, dan legt hij ze af.

Het begrip ontwikkeling is een kernbegrip van de I Tjing; die woorden betekenen immers: boek der veranderingen.

Door het inzicht in de vier vermogens, wordt de diepere eenheid van alle godsdiensten ervaarbaar.

← terug naar Hoofdonderwerp 27

149. Geestelijke ontwikkeling als fractaal
Het Latijnse woord 'fractalus' betekent: 'gebroken' en daarvan is de wiskundige term 'fractaal' afgeleid. Fractalen worden gekenmerkt door een meetkundige figuur, die zichzelf in het klein (of in het groot) herhaalt. Zij komen tot uiting in afbeeldingen, voorwerpen of gebeurtenissen waarin een breuk optreedt, die zich voortdurend herhaalt; daarbij worden de delen van de breuk (meestal) steeds kleiner.
Het is met andere woorden een zich steeds herhalende vorm van kleiner wordende afmetingen, waarbij de kenmerken van het voorafgaande grotere deel tot uitdrukking komen in het volgende, kleinere deel. Fractalen worden gevormd m.b.v. een eenvoudige wiskundige formule; in de vorm van een kringloop wordt steeds de laatste uitkomst daarvan opnieuw ingevoerd in de formule, waardoor een voortgaand patroon ontstaat. Doordat fractalen zich eindeloos herhalen op een steeds kleinere schaal, worden zij door oneindigheid gekenmerkt.
Zij vertonen drie eigenschappen:
- de gebroken vorm: iedere vorm vertoont een breuk;
- herhaling van de vorm op een kleinere schaal;
- de zelfgelijkvormigheid: iedere herhaling heeft dezelfde vorm.

De menselijke geest is in de algeest een verdichting tot een algeestvonk: een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte; de algeest is weliswaar de eeuwige oneindigheid, maar vanuit een puntvormige verdichting gezien, maakt die toch de indruk bolvormig te zijn.
- Daardoor heeft ook de geest de vorm van een bol en - 'geschapen naar het beeld en gelijkenis van God' - is die aan de algeest gelijkvormig in het klein en daardoor een fractaal.
- De menselijke geest is een zelfbeeld dat de algeest in zichzelf heeft gevormd; maar ook de menselijke geest kan in zichzelf weer een zelfbeeld vormen, als een fractale herhaling van zichzelf.
- Door de geestelijke vermogens en de vrije keuze heeft de menselijke geest de gelegenheid gekregen zich tot zelfstandigheid te ontwikkelen; de werkzaamheid met de vier vermogens en twee instellingswijzen binnen de geest, die de zevende is als eenheid, vertoont een kringloop (zie 1 en 5).
- De ontwikkelingsweg als leergang die de geest met zijn vermogens begaat, moet aan de leerling zijn aangepast, waardoor die leergang de kenmerken vertoont van kringlopen in de vorm van fractalen, die zevenvoudig zijn.

De wijze waarop God schept, heeft fractale kenmerken, waardoor dat als verschijnsel overal in Gods schepping herkenbaar is. In het kleine is het bijvoorbeeld de vertakking van de boomstam, die in de takken en de wortels wordt herhaald; in het groot wordt die verhouding weergegeven door de zon met zijn planeten en de planeten met hun manen, maar ook door de Hermetische spreuk: 'Zo boven, zo beneden.'

← terug naar Hoofdonderwerp 28

150. De gulden snede als algoritme, meetkundige vorm en fractaal
Volgens Plato hangt het ervaren van schoonheid samen met het opmerken van een bepaalde verhouding - van een overeenstemming van vormen, klanken en kleuren. Een overeenstemming die er zéker is, als die verhouding tussen twee vormen naar hun gezamenlijke éénheid verwijst.
Dat laatste geldt alleen voor de gulden snede; die verdeelt bijv. een lijnstuk zodanig in twee delen, dat het kleine deel zich verhoudt tot het grote als het grote deel tot hun beider geheel.

De gulden snede is ook de enige breuk, waarbij de uitkomst gelijk is aan de noemer van de breuk: 0,382.. : 0,618.. = 0,618.. (het getal φ phi), terwijl omgekeerd 0,618.. : 0,382.. = 1,618.. (het getal Φ Phi).
Een ander uitzonderlijk kenmerk is dat een algoritme, dat is een rekenkundige bewerking, hier in de vorm van de repeterende breuk (dus een fractaal) met het getal 1, als uitkomst breuken geeft met daarin getallen uit de rij van Fibonacci (rood) en deling daarvan ten slotte de gulden snede als uitkomst heeft (afb.); terwijl volgens de getallenleer van Pythagoras de 1 het getal is dat God weergeeft.

Jacob Lorber; De Huishouding van God, 3; de juiste ordening van de levenskracht (samenvatting) Als de levenskracht zich in het midden van een lichaam zou bevinden, dan is die weliswaar evenwichtig met dat lichaam verbonden, maar de massa zou van alle kanten op de levenskracht drukken en die zo belemmeren in zijn beweeglijkheid. Om die te behouden en toch met het gehele lichaam verbonden te zijn, moet de levenskracht zich bevinden op de 3/5de plaats in het lichaam; daardoor is er aan één kant minder massa en blijft er beweeglijkheid mogelijk.
Zoals het in Lorbers boek is beschreven, is dat de plaats van de gulden snede; zo bevindt het hart in de menselijke romp als gemiddelde van man en vrouw, zich op die plaats.

Volgens Pythagoras berust alles in Gods schepping op getallen en verhoudingen van getallen: formules. In die opvatting wordt hij gesteund door veel wetenschappers, zoals de Amerikaanse natuurkundigen
Leonard Susskind: "Het is niet alleen makkelijker om het universum met wiskunde te beschrijven, als je dieper en dieper de werkelijkheid in gaat, is wiskunde de enige manier om die werkelijkheid te beschrijven."
En Richard Feynman: "Schoonheid en eenvoud lijken op het gevoel dat je bij religie hebt, waarin een god alles bestuurt in het hele universum; er is een algemeen aspect dat je aanvoelt, als je nadenkt over het feit dat dingen, die zo verschillend zijn en zich zo verschillend gedragen, achter de schermen allemaal worden geleid door dezelfde natuurkundige wetten" (Physics Today, feb. 1989, 86).

← terug naar Hoofdonderwerp 28

151. De fractale vorm van de engelenreien
Fractalen geven een reeks van vormen weer die gelijkvormig zijn, maar steeds in een bepaalde verhouding kleiner worden. Deze eigenschappen zijn ook in de drie reien of rangordes van Gods engelen herkenbaar. Hun rangorde wordt o.a. door de mystici Hildegard van Bingen, Jakob Lorber, Emanuel Swedenborg, Rudolf Steiner en Max Heindel beschreven, de laatste in zijn boek 'Leer der Rozekruisers'.
Zie voor een overzicht van engelenliteratuur het literatuuroverzicht in het Menu van de website.

De engelen zijn geesten die - zoals de menselijke geest - door verdichting uit de éne geest van God zijn voortgekomen. God als de éne algeest is niet alleen hun oorsprong, maar omvat ook allen. Zo omvatten de engelen van de eerste rangorde ieder een groep engelen uit de tweede rangorde; de engelen van de tweede rangorde omvatten op hun beurt ieder een groep engelen uit de derde rangorde; en de engelen van de derde rangorde omvatten ten slotte ieder een groep van menselijke geesten die zij begeleiden, terwijl de beschermengelen uit die groep ieder één mens persoonlijk begeleiden. Met de 'afstand' tot God, neemt ook hun grootte af.
Hildegard krijgt te horen dat de mensheid de tiende rei van geesten uit God is.

Als God de stam voorstelt, dan stellen de ordes van engelen de steeds verdergaande vertakking daarvan voor in de vorm van een boomkruin: een fractale vorm. De mensheid is de tiende rei, waarvoor de beschermengelen zich inzetten, daarbij begeleid door de engelen daarboven en uiteindelijk door God.

Wat de mens als persoon betreft, betekent dat:
- God, Gods engelen en de menselijke geesten vormen samen een fractale reeks.
- Het grootste komt tot uiting in het kleinste; het kleinste weerspiegelt het grootste.
- Ook hier geldt de spreuk: 'Zo boven, zo beneden' (zie voor dit onderwerp het Menu van de website).

De fractale eigenschap van déze hemelse rangorde komt vervolgens ook in Gods schepping tot uitdrukking in de vorm van fractalen in het planten- en dierenrijk; maar ook de geestelijke ontwikkeling die de mensheid in Gods schepping kan meemaken als de beschreven zevenvoudige kringlopen in kringlopen, heeft een fractale vorm.

← terug naar Hoofdonderwerp 28

152. Geestelijke groei door wisselwerking met een meer ontwikkelde geest
Dat er een geestelijke ontwikkeling bestaat, is te zien als je terugkijkt op de afgelegde weg; je ziet dan hoe je in je jeugd door je gedrag moeilijkheden kon veroorzaken en hoe je nu, na geestelijke groei, wijzer bent geworden en het vermogen ze te vermijden of op te lossen, is toegenomen. Het verstand komt met de jaren is het spreekwoord.
In de schepping is zo'n ontwikkeling te zien door de wisselwerking tussen de meer ontwikkelde, menselijke geest en de minder ontwikkelde, dierlijke geest in honden, door het verschijnsel dat
- de hond de betekenis van menselijke gebaren heeft leren begrijpen
- en in de hond zich de z.g.n. 'puppy-ogen' hebben ontwikkeld.

Bij het eerste gaat het om de cognitieve vermogens (van Latijn co-gnoscere: leren kennen): het vermogen de dingen waar te nemen, ze te overdenken en te doorvoelen, ze zich later te herinneren en ervan te leren (het gaat om de geestelijke vermogens, maar door het leenwoord 'cognitief' kunnen wetenschappers het gebruik van 'geest' vermijden).
Die vermogens zijn door domesticatie (van Latijn 'domesticus': tot het huis behorend) in de loop van duizenden jaren gedeeltelijk ook in de hond tot ontwikkeling gekomen, want de hond begrijpt, wat de mens met gebaren bedoelt en ook jónge honden begrijpen dat al. Dat is zeldzaam in het dierenrijk; de naaste verwant van de mens, de chimpansee, kan dat niet en de naaste verwant van de hond, de wolf, ook niet, blijkt uit onderzoek.
Door de wisselwerking tussen de begeleidende menselijke geest en de hondengeest, wordt de aanleg van de geestelijke vermogens in de hondengeest geleidelijk tot ontwikkeling gebracht. Datzelfde treedt op bij de wisselwerking tussen leraar en leerling, en evenzo tussen de engelengeest en de menselijke geest. Door ongemerkte ingevingen en door voorgevoelens wekt de invloed van Gods engel de geestelijke vermogens van de mens tot leven, hoe meer de mens vertrouwen heeft in diens aanwezigheid.

Door nauw met hem samen te leven is de hond de mens gaan begrijpen en aanvoelen, en heeft zich een beeld gevormd, hoe de mens naar de hond toe gunstig te stemmen. De hond heeft leren aanvoelen met welke lichaamstaal de mens is te vertederen en hoe zorgzaamheid is op te wekken door de ogen te vergroten.
Door het verschijnsel neuronale plasticiteit heeft dat beeld in de hondengeest op de hersenschors ingewerkt, daar het betreffende motorische gebiedje ontwikkeld en van daaruit zo ingewerkt op de zenuwvoorziening van de aangezichtsspier boven het oog, dat die tot ontwikkeling is gekomen; de hond kan nu de wenkbrauw optrekken, zodat het oog groter lijkt: de vertederende puppy-ogen. Dit is uniek in de dierenwereld.

Zonder dat de hond zich daarvan bewust was, heeft in de loop der eeuwen de menselijke geest op de hondengeest ingewerkt en deze lichamelijke ontwikkeling in gang gezet. Op dezelfde wijze kan de engelengeest ongemerkt op de menselijke geest inwerken, zeker als die zich tot God wendt door vertrouwen te hebben in de diepzinnige woorden van de vele geestelijke leraren, die hun wijze leringen op aarde hebben achtergelaten.
Zoals de mens zorgzaam wordt door de blik van de hond, zonder dat die zich hiervan duidelijk bewust is, zo worden op dezelfde wijze engelen zorgzaam zonder dat de mens dit merkt, als de mens zich in gebed tot God richt. Bij geboden hulp moeten zij echter wel met het karma en de vrije keuze rekening houden.

← terug naar Hoofdonderwerp 28

153. Het bestaan van de vrije keuze, noodzakelijk voor geestelijke ontwikkeling
Alleen door het bestaan van een vrije keuze, door zelfstandig gebruik van de vermogens, heeft de mens de gelegenheid toe te nemen in het bewuste en beheerste gebruik daarvan en zo geestelijk te groeien. Het bestaan van de daarvoor nodige vrijheidsgraad in de schepping wordt door kwantumfysica bevestigd.

Door haar werd ontdekt dat de allerkleinste deeltjes bijzondere, volgens Einstein 'spookachtige' eigenschappen bezitten, wat aanleiding was voor de vraag of toeval een op zichzelf bestaand verschijnsel is. De twee grote natuurkundigen Niels Bohr en Albert Einstein waren het hierover oneens; Bohr meende van wel, maar Einstein bestreed dit, deed de uitspraak dat God niet dobbelt en hield vast aan het determinisme: alles ligt vast in formules, ook menselijk gedrag. Door het werk van John Bell bleek echter dat toeval bestaat, maar op kleine schaal!
Door kwantumfysica wordt een zekere onbepaaldheid in de natuurkunde ingevoerd; maar daardoor is er in de schepping een zekere vrijheidsgraad, die noodzakelijk is om het bestaan van een vrije keuze mogelijk te maken. Daardoor is kwantumfysica non-deterministisch, i.t.t. de klassieke natuurkunde, die stelt dat alles door oorzaak en gevolg van tevoren vastligt; zoiets als 'vrije keuze' zou daardoor onmogelijk zijn.

Max Planck ontdekte dat straling gekwantiseerd is in de vorm van 'golfpakketjes': een golf bestaat uit 'hoeveelheidjes', kwanta genaamd; zij doen zich als deeltjes voor, maar zijn in feite 'golf/deeltjes.' Dit bleek ook uit de twee-spletenproef (nr. 113), het begin van kwantumfysica. Als fotonen (licht) of elektronen door één smalle spleet worden gestuurd, ontstaat op een plaat erachter één lichtstreep: zij gedragen zich dan als dééltjes. Als er twéé spleten open staan, ontstaat er een 'interferentiepatroon' doordat zij zich dan als gólven gedragen; dat gebeurt ook als slechts één foton of elektron wordt gebruikt! Het golf/deeltje 'moet kiezen' en wordt bij twee spleten blijkbaar een golf; maar als bij één van de spleten wordt geméten of het dáár soms doorheen gaat, gaat het zich weer als deeltje gedragen!

Het lijkt alsof het de wáárnemer is die door een waarneming te doen een keuze maakt en zo beïnvloedt of het golf/deeltje zich als deeltje of als golf gedraagt!
Tot het moment dat een gebeurtenis in de kwantumwereld wordt waargenomen, zoals een golf/deeltje, gedraagt dat zich volgens de kwantumwetten. Maar zodra die gebeurtenis door een meting te doen door de mens wordt waargenomen, volgt het golf/deeltje de wetten van de materiële wereld van de mens en wordt een 'deeltje'... dat echter alleen wiskundig kan worden beschreven (nr. 113). Het menselijke bewustzijn lijkt rechtstreeks verbonden te zijn met kwantumfysische verschijnselen! De kwantumfysica blijkt zich te bewegen op het grensgebied tussen de geestelijke en stoffelijke wereld. Niet weinig kwantumfysici begaven zich op het spirituele pad (zie de website bij Godsdienst en wetenschap in het Menu).
De toestand waarin het 'golf/deeltje' onderweg naar de spleet verkeert, blijft onzeker, totdat al of niet een meting wordt verricht. Van tevoren kan niet worden vastgesteld, in welke toestand het 'golf/deeltje' zich bevindt. Er blijkt een káns te zijn dat het golf/deeltje zich als golf (bij de dubbele spleet), dan wel als deeltje (bij één spleet of bij een meting) gedraagt; daarnaast is de plaats waar een golf/deeltje op de plaat erachter komt, onvoorspelbaar. Golf/deeltjes (kwanta) gedragen zich volgens de kánsberekening en dat betekent een zekere onbepaaldheid en daardoor vrijheidsgraad in de grondslag van de schepping!

Ook bleek het niet mogelijk te bepalen waar een elektron zich bevindt rond de atoomkern. Heisenberg stelde de onbepaaldheidsrelatie op, de onzekerheid om plaats en beweging van deeltjes samen te bepalen. Schrödinger stelde een formule op waarmee de káns kan worden berekend, het elektron in een bepaalde wolkvormige ruimte (orbit) rond de kern aan te treffen (afb.) Het bleek dat één elektron zich zelfs in twee orbits tegelijk kan bevinden.
Deze deeltjes (de kwanta) vormen de grondslag van de schepping en die blijkt voor een deel niet deterministisch te zijn, maar een onzekerheid te bevatten, een zekere willekeur en een bepaalde vrijheidsgraad die een zekere mate van toeval mogelijk maakt... en daarmee de speelruimte geeft voor de vrije keuze van de menselijke geest(!), maar waardoor gebeurtenissen ook verkeerd kunnen aflopen.

← terug naar Hoofdonderwerp 28

154. De betekenis van het veranderlijke klimaat en weer voor geestelijke groei
'Klimaat' is de gemiddelde weerstoestand gedurende 30 jaar, terwijl 'het weer' betrekking heeft op temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk, windrichting en -kracht, bewolking en neerslag op een bepaald tijdstip van dag en nacht.

Klimaat en weer worden beide vooral bepaald door de zon. Zonnestraling warmt het aardoppervlak op, dat door terugkaatsing de lucht opwarmt. Door het verschil in hoogte van de zon t.o.v. de horizon door de kromming van de aarde, wordt een hoeveelheid zonnestraling rond de polen over een groot gebied uitgespreid en is de hoeveelheid verwarmende straling die op eenzelfde stuk land bij de evenaar valt, veel groter.
Door die zonnewarmte ontstaat door uitzetting van lucht een krachtige, opstijgende luchtstroom. Die is de oorzaak van drie wereldwijde, grote kringlopen van winden, die als een band door de gehele omtrek van de dampkring lopen; op ieder halfrond hebben zij drie klimaatgordels tot gevolg: de tropen, de gematigde gebieden en de polen.
De beweeglijkheid van die winden en de vele, hierboven genoemde, veranderlijke weerskenmerken, zijn er de oorzaak van dat klimaat en weer onvoorspelbare, 'dynamische systemen' zijn; daardoor bevindt zich daarin een vrijheidsgraad, die vergelijkbaar is met die van de kwantumfysica.

Klimaatomstandigheden hebben de opkomst en neergang van beschavingen op aarde beïnvloed en door de dagelijks wisselende weersgesteldheid ook de ontwikkeling van de mens. Zeker in de gematigde klimaatgebieden moet de mens immers voortdurend rekening houden met de toestand van het weer, vanwege de grote verscheidenheid van vaak onvoorspelbare weersomstandigheden.

Deze hebben ook een geestelijke betekenis, want ook zij veroorzaken een stroom van gebeurtenissen, die door de tijd heen op de mens toekomt. Die moet, letterlijk en figuurlijk, steeds 'door weer en wind' en wordt daardoor gedwongen zich voortdurend aan te passen aan die veranderende omstandigheden. Die aanpassing vereist het maken van keuzes, waarvoor het bewuste en beheerste gebruik van de geestelijke vermogens nodig is, waardoor zij ook hierdoor langzaam maar zeker tot ontwikkeling komen.

← terug naar Hoofdonderwerp 29

155. Fractale kringlopen in de zon en op de aarde
De zon is een gasbol, die voor een groot deel uit waterstof bestaat. In de kern zijn hitte en druk zo groot, dat daar kernfusie optreedt en helium wordt gevormd.

Onder het oppervlak is een convectiezone: stromend plasma dat krachtige magneetvelden opwekt. De krachtlijnen daarvan vormen een kringloop, die een torusvorm heeft (kromme, platte ring), die zich als een koepel in de gehele bovenste en onderste helft van de zon uitstrekt (1).
Door het onderzoek van de wis- en natuurkundige Valentina Zharkova, haar werkgroep e.a. is gebleken, dat zich onder de eerste, buitenste kringloop, een golfdynamo genoemd, een tweede bevindt met dezelfde vorm, maar kleiner: een fractale gelijkvormigheid. De wisselwerking tussen deze kringlopen van magneetvelden is de oorzaak van lusvormige uitstulpingen aan het oppervlak, die op aarde als zonnevlekken zijn te zien.

In het inwendige van de zon wordt licht- en warmtestraling gevormd, dat door het oppervlak naar buiten breekt en als zodanig het oppervlak van de aarde bereikt. Dat wordt verlicht en verwarmd, en kaatst de warmtestraling terug, waardoor de atmosfeer wordt verwarmd.
Aan de evenaar valt een zekere hoeveelheid straling recht op een bepaald gebied; door de kromming van de aarde wordt eenzelfde hoeveelheid aan de polen over een veel groter gebied verspreid. Daardoor worden de polen nauwelijks opgewarmd, maar de evenaar krachtig; daar zet de lucht uit, wordt verdund en daardoor lichter dan in zijdelingse gebieden, waardoor er op de evenaar een krachtig opstijgende luchtstroom ontstaat en de lucht uit zijdelingse gebieden naar de evenaar toestroomt: het ontstaan van wind.
Op grote hoogte koelt de lucht af en zakt naar beneden, maar wordt door de opstijgende lucht zijdelings weggestuwd. Onderweg gaat de afkoeling door, waardoor de lucht op een bepaalde plaats naar beneden zakt en op aarde de eerder naar de evenaar gestroomde lucht aanvult.
Zo ontstaan in de atmosfeer zes kringlopen; zij hebben op aarde de klimaatgordels tot gevolg: tropen, gematigde gebieden en polen, en worden naar de polen toe kleiner, waardoor zij door fractale gelijkvormigheid worden gekenmerkt.

← terug naar Hoofdonderwerp 29

156. De invloed van zon en klimaat op beschavingen
Door het werk van prof. Valentina Zharkova is duidelijk geworden, dat de wisselwerking tussen de grote en kleine magnetische golfdynamo's in de convectiezone van de zon (zie 155), de oorzaak is van zowel kleine, 10-12-jarige cycli van zonnevlekken, als een grote cyclus van 350-400 jaar.
De golven van beide golfdynamo's hebben niet dezelfde frekwentie, waardoor ze niet in fase lopen. Als hun golven elkaar versterken, is er een verhoogde zonne-activiteit en volgt een periode dat het aantal zonnevlekken maximaal is, verzwakken zij elkaar dan volgt een minimum. Dat verloop op de zon bleek overeen te komen met het voorkomen van warme en koude tijden op aarde (zie grafiek 1, vertaald).

Tijdens een maximum zendt de zon niet alleen meer zonnestraling, maar ook een krachtig magnetisch veld uit, dat de aarde beschermt tegen kosmische straling. Anderen veronderstellen dat daardoor in de dampkring minder condensatiekernen voor wolken worden gevormd, waardoor meer en krachtiger zonnestraling de aarde bereikt en een warme periode het gevolg is. Tijdens een minimum is de zonnestraling en ook de bescherming door het magneetveld verminderd, waardoor de bewolking toeneemt en minder zonnestraling de aarde bereikt, en het koud wordt.

Zharkova en haar werkgroep hebben formules ontwikkeld, waarmee deze zonnemaxima en -minima op wiskundige wijze nauwkeurig zijn te berekenen. Hun uitkomsten stemmen overeen met andere wetenschappelijke gegevens die op aarde uit het verleden zijn verzameld (zoals de biomassa), waardoor zij ook hier de reeks maxima en minima als warme en koude tijden, kon voortzetten naar de toekomst. Haar berekeningen komen uit op een komende, koude periode (grafiek 1 en 2).

Het toepassen van haar formules laat niet alleen een regelmatige golfbeweging op de zon zien, maar ook een overeenkomst met warme en koude tijden op de aarde, en met de besproken kringloop van beschavingen tijdens warme periodes (zie nrs. 132-137). Die bevorderen plantengroei en verlengen de zomer, waardoor meer gewassen kunnen worden verbouwd en de voedingstoestand van de bevolking verbetert, en mensen meer tijd krijgen zich met andere onderwerpen bezig te houden, zoals cultuur en wetenschap.
De in nr. 136 genoemde Indiase en Perzische beschavingen vallen samen met de in grafiek 2 (vertaald) genoemde Oud-Egyptische beschaving; verder zijn in de grafiek de Grieks/Romeinse en Westerse beschaving terug te vinden.

Deze stoffelijke, veranderlijke wereld is een tijdelijke proeftuin voor het eeuwige leven in de geestelijke wereld, die zolang blijft bestaan, totdat alle leerlingen deze school met goed gevolg hebben doorlopen!

← terug naar Hoofdonderwerp 29

157. Iedere regelmaat kent ook onregelmatigheden
Voor de mens zijn veranderingen in het klimaat een nuttig kenmerk, omdat zij zoals eerder beschreven, de mens - vooral in deze tijden - dwingen, zijn gedachten goed onder woorden te brengen, wat het gebruik van de geestelijke vermogens bevordert.
In de volgende punten worden klimaatbepalende regelmatigheden besproken, waarin echter ook altijd kleine afwijkingen zijn te bespeuren.

1 De omloop van de aarde om de zon wordt door andere planeten (vooral Jupiter en Saturnus) beïnvloed; daardoor verandert geleidelijk zijn ellipsvorm en wordt dan meer, dan weer minder ellipsvormig (exentriciteit). Daarbij draait de aarde niet alleen om zijn as, maar die maakt ook langzaam tollende bewegingen, waardoor de hellingshoek t.o.v. de zon in de loop van de tijd steeds verandert.
Volgens de wiskundige Milanković hebben deze planetaire omstandigheden invloed op de wijze waarop zonlicht op de aarde valt en daarmee op het klimaat. Deze omstandigheden bepalen het voorkomen van de langdurige, grote ijstijden en de kortere, warmere periodes daartussen (de interglacialen); daarin stijgt de temperatuur eerst snel, om daarna langzaam weer te dalen. Dit is een verschijnsel dat al 400.000 jaar met regelmaat verloopt.

2 De wiskundige Zharkova vond dat in de zon twee magnetische golfdynamo's werkzaam zijn en dat hun wisselwerking de oorzaak is van zonnevlekken; die zijn een maat voor de zonne-activiteit. Naast een 11-jarige zonnevlekkencyclus vond zij een tweede van 350-400 jaar.
Zij stelde daarover een formule op, waarmee de maxima en minima van de genoemde wisselwerking zijn te berekenen; zij bleken samen te vallen met het vaste voorkomen op aarde van 'kleine ijstijden' en de warme periodes daartussen. Dat is opgetreden gedurende het huidige interglaciaal en zal zich volgens haar formule in de toekomst voortzetten.

3 De schuine stand van de aardas t.o.v. de zon heeft alleen voor de gematigde gebieden een vaste afwisseling van vier jaargetijden tot gevolg, doordat de zon zich (schijnbaar) in de ene helft van het jaar in de richting van het zenith beweegt en in de andere helft naar de evenaar.
De dag- en nachtevening zijn de rustpunten in deze heen- en weergaande beweging van de zon, tijdens welke de zon schijnbaar een paar dagen stilstaat. Onze verre voorouders vertrouwden volkomen op de vaste regelmaat van dit natuurverschijnsel en richtten er grote bouwwerken voor op.

4 Het 'antropisch principe' is een denkbeeld over de betekenis van de schepping voor de mens; een opvatting die is voortgekomen uit bevindingen van drie Amerikaanse natuurwetenschappers omtrent de z.g.n. 'natuurconstanten' (zie de website in het Menu).
Het is gebleken dat de waarden daarvan zo met elkaar samenhangen, dat de omstandigheden in het heelal en op aarde geschikt zijn voor het ontstaan en voortbestaan van levensvormen. Zou ook maar één van deze constanten veranderen, dan heeft dat invloed op alle andere, waardoor de omstandigheden in het heelal en op aarde minder tot ongeschikt zouden zijn voor het bestaan van levensvormen. Ook de eigenschappen van het klimaat hangen hiermee samen.
Volgens de kansberekening is het uitgesloten dat deze samenhang in de schepping, de 'fijnafstemming' genoemd, door toeval zou zijn ontstaan. Nee, "God laat het werk van zijn handen niet los." (Psalmen 138:8)

← terug naar Hoofdonderwerp 29

158. De oerfractaal
Zoals beschreven is een fractaal een wiskundige figuur, die zichzelf vermenigvuldigt tot een 'fractale zelfgelijkvormigheid'. In de zichtbare wereld komen zij tot uiting in voorwerpen of afbeeldingen, waarin een breuk optreedt, die zich voortdurend herhaalt en waarbij de uitkomst van de breuk steeds kleiner of groter wordt; terwijl de kenmerken van het voorafgaande deel tot uitdrukking komen in het volgende, grotere of kleinere deel (zoals bij een vertakking).

De oorzaak van het bestaan van fractalen in de schepping is de wijze, waarop de goddelijke algeest in zichzelf scheppend werkzaam is. De oerfractaal en ook de eenvoudigste is de menselijke geest, die door verdichting van geestelijk licht en geestelijke warmte op bolvormige wijze uit en in de algeest is voortgekomen.
Hoewel de algeest de eeuwige oneindigheid is en daardoor onbegrensd, is toch in één punt daarvan de algeest alzijdig om dat punt heen aanwezig en wekt zo de indruk bolvormig te zijn (of in het platte vlak een cirkel). Daardoor ontstaat door verdichting van dat licht en die warmte de menselijke geest als een bolvormige wolk: een fractaal (het rode cirkeltje in de cirkel).

In overeenstemming daarmee is ons sterrenstelsel, de Melkweg een groep bolvormige hemellichamen, door verdichting uit en in het heelal ontstaan. Die groep bevindt zich in de Lokale Groep, een 'cluster' van miljarden sterrenstelsels. Die bevindt zich weer in een 'supercluster' van miljarden sterrenstelselgroepen, die de naam 'Laniakea' heeft gekregen; niet alleen is dat een fractale reeks, maar ook heeft Laniakea zelf een vertakte, fractale vorm.
Onze Lokale Groep bevindt zich op de plaats van de rode stip, in een uithoek van ons deel van het heelal.

Om de kern van een sterrenstelsel draaien vele zonnestelsels; daarin draaien om de ene zon de planeten en om de planeten draaien ten slotte hun manen. In het heelal zijn deze fractaalvormige structuren overvloedig aanwezig, zoals ons spiraalvormige sterrenstelsel, waarvan er miljarden bestaan.
Lang voor de wetenschap dit ontdekte, werden in de boeken van de mystici Emanuel Swedenborg en Jakob Lorber, het Grote Johohannes Evangelie deel 2 en 6, deze fractale verhoudingen al uitgebreid beschreven.

← terug naar Hoofdonderwerp 30

159. De ongevormde oertoestand van de algeest en de daaruit gevormde menselijke geest. 1
Het was mij vergund in de geestelijke wereld te zien, dat de ongevormde oertoestand van de algeest een geestestoestand is van diepe rust, die zich uit als een verheven toestand van geestelijk donker en geestelijke koelte; later kwam daar een beweging uit voort die zich voordeed als een geestelijk licht en geestelijke warmte.

Nadat zij beiden tot zelfstandigheid waren gekomen en mij hadden laten delen in de vreugde van hun rust en beweging, verenigden zij zich weer met elkaar; daarbij doordrong de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte en die liet zich, in liefdevolle samenwerking, doordringen.

Daardoor keerde de oertoestand van donkere koelte zich om en werd nu een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid: de goddelijke algeest; daarin was de rust en haar donkere koelte nu liefdevol opgegaan tot een nieuwe eenheidstoestand.
Als toeschouwer ervoer ik daardoor een 'verwarmende koelte'!

Tijdens hun vereniging zag ik als het ware in hun midden door verdichting van het licht en de warmte - met daarin opgegaan de donkere koelte - een bolvormige wolk ontstaan, als beeld vergelijkbaar met het langzame doorbreken van de zon op een mistige dag.
Als toeschouwer mocht ik getuige zijn van het voortkomen van mijzelf als menselijke geest uit en in de goddelijke algeest.

Als geestelijke eigenschappen had ik leren kennen het door de beweging doordringende licht en warmte, en het door de rust doordringbare donker en koelte, en het opgaan in elkaar tot een eenheid. Die was daardoor zowel zelfvormend en tegelijkertijd vormbaar, wat ik zag door het vormen van de bolvormige wolk midden in hun eenheidstoestand.

Met die eigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen: binnen de geest is waarnemen een toestand van vormbaar licht, denken van zelfvormend licht, voelen van vormbare warmte en willen van zelfvormende warmte.
Als je iets waarneemt, laat je je licht in jezelf vormen tot verdichte lichtbeelden, waarnemingsbeelden, waardoor je je bewust wordt van het waargenomene; als je denkt vorm je zelf je licht tot denkbeelden, als je voelt laat je je warmte vormen tot medegevoel en als je wilt vorm je door verdichting zelf je warmte tot wilskracht.

In de loop van je eeuwenoude ontwikkeling hebben je vermogens ook vorm gegeven aan de uitstraling van jezelf als geest: je aura of ziel. Zij hebben die tot de geestgedaante gevormd: de eigenschappen van het waarnemen hebben vorm gegeven aan het hoofd met al zijn zintuigen, het denken aan de organen in de buik, die ontleden en samenvoegen zoals het denken, het voelen aan de organen in de borst die alle lichaamscellen liefdevol verzorgen en het willen aan de ledematen waarmee je je beweegt.
Het is deze geestgedaante die vorm geeft aan het lichaam dat op aarde voor je wordt geboren (naar 2).

← terug naar Hoofdonderwerp 30

160. De ongevormde oertoestand en de daaruit gevormde toestand als paar en als gezin. 2
Later was het mij vergund in de geestelijke wereld het volgende te zien. Ik bevond me in het midden van een ruimte, waarvan de wanden onduidelijk waren. Nu bevond de oertoestand van de lichtende warmte zich vóór mij en die van de donkere koelte achter mij, door een onzichtbare grens van elkaar gescheiden.
Rechts schuin vóór mij verscheen in de lichtende warmte een geestgedaante en mij werd duidelijk gemaakt dat het God was als mijn vader. Ik vroeg naar God als mijn moeder, waarop ik mij moest omdraaien; zij stond schuin links áchter mij in de donkere koelte.
De lichtende warmte en de donkere koelte houden elkaar in evenwicht en temperen elkaar, en voorkomen, dat de een een helle hitte en de ander een duistere kilte wordt.

Daarna was ik er getuige van, dat de geestgedaante van God als mijn vader die van God als mijn moeder liefdevol in zich op had genomen tot een verenigde tweelinggeest. Haar vrouwelijke geest straalde door zijn mannelijke geestgedaante heen en zij deden zich voor als één wezen.

Later kwamen zij in een lichte ruimte naar mij toe vanaf de plaats, waar de zon om tien uur aan de hemel staat. Zij lieten elkaar los en kwamen zó bij mij staan, dat ieder van ons op de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek stond. Wij keken naar beneden, zodat ik mij bewust werd van onze gelijkwaardigheid. Daarna hieven wij ons hoofd langzaam op en keken elkaar een ogenblik aan.

Weer later kwamen zij vanaf dezelfde plaats weer naar mij toe, lieten elkaar los en nu kwam God als mijn vader recht vóór mij staan en liet daarbij tussen ons een bewegingsruimte open. God als mijn moeder kwam dicht áchter mij staan, boog zich over mij heen en hield haar armen beschermend naast mij.

Duidelijk werd aan mij getoond dat de verhouding tussen God en de mens die is van de liefdevolle band, die beide ouders hebben met hun kind. Op aarde zijn de helften van de erfmassa's van de vader en de moeder in hun kind weer een eenheid geworden, zodat hun kind de uitdrukking is van hun huwelijk. Dit is de stoffelijke weergave op aarde van een geestelijke band in de geestelijke wereld, die geldt voor iedere mens.
Ook laat dit de waarde zien van de hermetische spreuk "Zo boven, zo beneden", terwijl Emanuel Swedenborg schreef: "De gehele natuur is een toneelstuk, dat een uitbeelding is van het godsrijk," in zijn boek Hemelse Verborgenheden 4318

← terug naar Hoofdonderwerp 30

161. De beide geslachten 1
In nr. 160 besprak ik hoe God als onze vader en moeder in de ongevormde oertoestand zich eerst aan mij voordeed als een geestestoestand van rust, zich uitend in een donkere koelte en daarna in een toestand van beweging, die zich uitte in een lichtende warmte.
Die rust en beweging komen in de kenmerken van de geslachtshormonen tot uitdrukking: het werkzame gedeelte van oestradiol is een benzeenring, die in rust is, doordat de elektronen erin evenwichtig zijn verdeeld; de OH-groep heeft namelijk geen elektronenzuigende werking, wat wel het geval is met de O=groep, waardoor zij zich daar ophopen. Daardoor ontstaat er in die benzeenring een inwendige spanning, waardoor die beweeglijk is en van vorm kan veranderen: de boot- en stoelvorm.
In overeenstemming daarmee is de vrouwelijke eicel in rust, blijft die binnen het lichaam en laat die zich bewegen door de slijmstroom binnen de organen; terwijl de mannelijke zaadcellen zichzelf bewegen en uit het lichaam naar buiten treden om door de slijmstroom heen de eicel op te zoeken en die te doordringen. Zo komen de goddelijke eigenschappen van het geslachtsverschil door de schepping uit God in lichamelijke eigenschappen tot uitdrukking; en daardoor is het geslachtsverschil een wezenlijk kenmerk van de mens.

Begeleiders hebben mij laten zien dat de geestelijke wereld het tehuis is van mannelijke en vrouwelijke geesten, in wie de volgorde van de werkzaamheid van de vermogens in de mannelijke geest het waarnemen, dénken, voelen en willen is, in de vrouwelijke geest het waarnemen, vóelen, denken en willen. Beide geslachten beschikken over dezelfde vermogens, alleen de volgorde is anders. In de stoffelijke wereld wonen mensen met een mannelijk of vrouwelijk lichaam, doordat één van de geslachtshormonen - samenhangend met het x- en y-gen - de overhand heeft.
Tussen beide werelden is steeds een druk verkeer van afdalende geesten die in een stoffelijke levensvorm op aarde worden geboren en opstijgende geesten die na hun levensweg over de aarde te zijn gegaan, door begeleiders 'worden overgeleid' (is 'overlijden') terug naar huis.

Vóór de geboorte wordt de geest naar geschikte ouders geleid
en heeft die een tijdelijke leerpersoonlijkheid
aangepast aan de lessen die hier moeten worden meegemaakt
en het karma dat in dit bestaan moet worden opgelost.
(vervolg 162)

← terug naar Hoofdonderwerp 30

162. De beide geslachten 2
Iedere mens op aarde begaat hier zijn of haar ontwikkelingsweg en ook mannelijke en vrouwelijke kenmerken bevinden zich daardoor op een glijdende schaal van ontwikkeling. In het aardse bestaan kan daardoor verwarring over het geslachtelijke onderscheid bestaan en die kan ook in het eigen geslachtsbesef ('gender' genoemd) aanwezig zijn.
Dat heeft een aantal oorzaken:

- Vanaf de tijden van Adam en Eva zijn beide tweelinggeesten van elkaar gescheiden. Om zich weer te kunnen herenigen met zijn of haar andere helft, is het noodzakelijk het andere geslacht goed te leren kennen; daarvoor wordt zo nodig een mannelijke geest in een vrouwenlichaam geboren en omgekeerd. Als gevolg daarvan kunnen geslachtskenmerken wisselen tussen uitersten als mannelijke man en vrouwelijke man, en mannelijke vrouw en vrouwelijke vrouw, met alle mogelijkheden daartussen.

- Wordt hier aangekomen het andersgeslachtelijke lichaam aanvaard, dan verschijnt een mannelijke vrouw of een vrouwelijke man, die een huwelijk kan sluiten met iemand van het andere geslacht die bij die persoonlijkheid past.
Heeft de geest echter moeite met het andersgeslachtelijke lichaam, dan ontstaat de mannelijke en vrouwelijke homofilie. De vróuwelijke geest in een mannenlichaam gaat dan op zoek naar een mán, maar die wens wordt alleen beantwoord door een zelfde vrouwelijke geest in een mannenlichaam, die ook een man zoekt; en omgekeerd voor de mannelijke geest in een vrouwenlichaam.
Wordt het andersgeslachtelijke lichaam hier toch niet aanvaard, dan ontstaat genderdysforie: het niet te onderdrukken gevoel in het verkeerde lichaam te zitten. Hoe benard die toestand ook is, op zich is het een aanwijzing voor de zelfstandigheid van de menselijke geest die in het lichaam woont en die voor zichzelf heeft gekozen, en zich daardoor niet meer thuis voelt in het lichaam door het andere geslacht ervan.

- De kenmerken van de tijdelijke leerpersoonlijkheid hier op aarde kunnen een mannelijke of vrouwelijke nadruk hebben. Het waarnemen en voelen zijn de ontvankelijke, vrouwelijke vermogens, het denken en willen de zelfvormende, mannelijke vermogens. In de persoonlijkheid heeft meestal één van de vermogens een zekere nadruk, waardoor het kan voorkomen dat in een vrouwelijke geest toch het denken de nadruk heeft en in een mannelijke geest het voelen.

- Dan spelen nog een rol de aard van de jeugdomstandigheden in het gezin: de ontwikkeling van een meisje tussen alleen jongens - en omgekeerd - zal daar een zekere invloed van kunnen ondervinden;
- of de ervaringen als man of vrouw uit het vorige bestaan, die in dit bestaan door kunnen werken;

- of de geest van de tijd, die in het huidige tijdsbestek overwegend mannelijk is.

← terug naar Hoofdonderwerp 30

163. Het oerbegin als de eenheid in de verscheidenheid
De goddelijke algeest deed zich eerst aan mij voor als de eeuwige oneindigheid, die daardoor niet anders dan de Ene kan zijn. Later liet de algeest mij zien in twee toestanden te bestaan: in de eerst getoonde ongevormde oertoestand én in een gevormde toestand.

- In de ongevormde oertoestand toonde de algeest mij twee eigenschappen: eerst was er een geestestoestand van diepe rust, die zich voordeed als een donkere koelte en later kwam daaruit een beweging voort, die zich uitte als een lichtende warmte.
Daarna verenigden zij zich weer, waarbij de lichtende warmte de donkere koelte doordrong en die zich liet doordringen. Nu had de lichtende warmte de donkere koelte in zich opgenomen en daardoor keerde hun verhouding zich om. Doordat de rust nu a.h.w. 'binnen' was en de beweging 'buiten', kwam er opnieuw een beweging; daardoor vormden zij door verdichting in zichzelf een algeestvonk: ik als de menselijke geest. Door die verdichting uit en in de algeest zijn de eigenschappen van de algeest in de algeestvonk, de menselijke geest, in aanleg aanwezig.

Met de indringende, lichtende warmte met daarin opgenomen de doordringbare, donkere koelte, hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen is doordringbaar en vormbaar licht, denken is zelfvormend en doordringend licht, voelen is doordringbare, vormbare warmte, willen is zelfvormende, doordringende warmte.

- In de gevormde toestand, die uit de oertoestand voortkwam, deden de lichtende warmte en de donkere koelte zich ook voor als geestgedaantes, als vader-moedergod. Zij vermenigvuldigden zich en vormden zichzelf tot hun godenkind, waarin ik, als hun eerder verdichte geest, mij bevond.
Door de verdichting had hun zoon alle geestelijke eigenschappen in zich, in de vorm van de geestelijke vermogens, maar die moest ik, om aan de zelfstandigheid, aan het eerder genoemde Een-zijn van de ouders gelijkwaardig te worden, schijnbaar op eigen kracht ontwikkelen tot geestelijke zelfstandigheid, maar daarbij in stilte door mijn ouders begeleid.

De mysticus Jozef Rulof zag bovenstaande verdichting voor álle levensvormen in de schepping. In de verdichting in zichzelf tot die vele algeestvonken was de ene algeest zelf rechtstreeks aanwezig en daardoor: de eenheid in die onvoorstelbare verscheidenheid.

Jezus zegt in het Johannes-evangelie over deze eenheid tegen zijn leerlingen:
"De vader [de algeest] is in mij en ik ben in de vader." (14:10-11)
"Laat hen [de leerlingen] één zijn zoals wij." (17:21)

En Paulus schrijft in zijn brief aan de Kolossenzen (2:9-10): "Want in hem is de goddelijke volheid [de algeest] lichamelijk [als verdichting] aanwezig en omdat u één bent met hem [...], bent ook u van die volheid vervuld."

De eenheid van de mensheid is alleen door inkeer in het innerlijk, in zichzelf als de menselijke geest te vinden. De geest is daar de bron van het waarnemen van de dingen, van het overdenken en doorvoelen ervan en van de woorden en de besluiten, die de menselijke geest door te willen in zichzelf vormt.

← terug naar Hoofdonderwerp 31

164. Het ontbrekende middelpunt
In de geestelijke wereld heeft iedere mens een kosmische persoonlijkheid, gevormd door levenservaringen die in vorige levens zijn opgedaan. Voor een nieuwe stap op de levensweg wordt, in overleg met begeleiders, gekozen voor een geschikte levensbestemming en een daarbij behorende, tijdelijke leerpersoonlijkheid. Daarin heeft één van de geestelijke vermogens een zekere nadruk, oorzaak van een bepaalde eenzijdigheid in ieders persoonlijkheid (zie de nrs. 10-20).

Thuis zijn er gebieden voor gelijkgestemden die zich daar hebben verenigd, terwijl op de aarde mensen uit al die gebieden door elkaar heen leven; maar ook hier geldt het gezegde 'soort zoekt soort', waardoor er op allerlei maatschappelijke gebieden verenigingen van gelijkgezinden ontstaan.

In die gezelschappen kunnen groepsgeesten tot ontwikkeling komen. Zolang die niet te eenzijdig worden, blijft er een wisselwerking met andere groepen binnen de maatschappij mogelijk en blijft de maatschappij een samenhangend geheel. De betekenis van het woord 'maat' is: vriend en zolang mensen zich vriendschappelijk blijven gedragen en vertrouwen hebben in elkaar, zal ook de maatschappij een kring van vrienden zijn.
Dat geldt zeker zolang er een gemeenschappelijk middelpunt is, waar omheen die kring zich vormt. Ondanks de verschillen die er tussen verenigingen kunnen bestaan, zal men de vrijheid van meningsuiting van anderen en de vrijheid zijn eigen leven vorm te mogen geven, eerbiedigen; waardoor een toestand van evenwicht en daardoor van eenheid in verscheidenheid, mogelijk blijft.

Dat verandert als de waarde van het verenigende middelpunt vervaagt. De samenhang van de maatschappij dreigt dan verloren te gaan en om zich veilig te voelen, klampt men zich vast aan de groep waartoe men behoort. Daarin kan dan een eenzijdige ontwikkeling ontstaan en een zich afzetten tegen anderen, waardoor de standpunten verharden en tegenstellingen worden verscherpt. Om hun voortbestaan te waarborgen kan de groepsgeest de overhand krijgen; mensen kunnen in de maatschappij dan niet meer verdraagzaam met andersdenkenden omgaan en groepen kunnen elkaar gaan bestrijden.

Het evenwicht in de maatschappelijke verscheidenheid kan alleen behouden blijven door een tegenwicht: het besef van elkaars gemeenschappelijke óórsprong, de algeest; daardoor kan men elkaar blijven zien in het betrekkelijk makende licht van de eeuwigheid. Die gezamenlijke bron is meteen ook het enige punt, waaromheen de mensheid ooit weer een eenheid zou kunnen worden, want in de geest zijn alle mensen broeders en zusters van elkaar, maar, we zijn allemaal nog onderweg, dus vergeef en vergeet.

"Eenheid zonder verscheidenheid is verstikkend,
maar verscheidenheid zonder eenheid is los zand."
Koning Willem-Alexander, uit zijn kersttoespraak van 2014

Kanttekening
Een 'balans' is een weegwerktuig; het woord is afkomstig van het Latijn 'bi-lanx': twee schalen.
Dat woord zegt niets over de toestand van die schalen, zoals de Nederlandse woorden 'evenwicht' en 'onevenwichtigheid'. Toch zijn deze betekenisvolle woorden vervangen door het betekenisloze 'balans'; terwijl voor 'evenwicht' in het Engels het Latijnse 'equilibrium' wordt gebruikt.

← terug naar Hoofdonderwerp 31

165. Sectevorming
Als een aantal mensen, gedreven door een bepaald doel, elkaar ontmoet, kan zich een groep vormen, omdat men beseft dan sterker te staan om dat doel te bereiken. Door de groepsgeest verloopt die vorming volgens bepaalde wetmatigheden, waarvan de leden zich meestal niet bewust zijn.
Een aantal kenmerken van sectes zijn:
1. Er zijn beweegredenen voor groepsvorming, die kunnen liggen op het gebied van levens- of wereldbeschouwing, godsdienst of politiek.
2. Groepen ontstaan rond een leider die de doelstelling op meeslepende wijze weet te verwoorden en de weg wijst om het doel te bereiken. Diens uitstraling wekt het vertrouwen en de inzet van de anderen.
3. Er is een bepaalde leer, een boek of levenswijze waar de leden waarde aan hechten. De leer wordt vaak herhaald, waardoor die vertrouwd klinkt en zo een zekere vanzelfsprekendheid krijgt, waar men niet meer over na hoeft te denken. Door die leer wordt de beweging gezien als enige mogelijkheid de wereld te verbeteren.
4. Het leerstuk wordt als een onbetwijfelbare waarheid gezien; maar als een denkbeeld niet meer open staat voor begripsmatige beoordeling, verstart het en wordt tot een geloof, tot iets, waar een gevoel van vertrouwen aan moet worden gehecht. Kritische beoordelingen door anderen wekt ergernis op en kan men dan alleen gevoelsmatig als ketterij afwijzen en bestrijden.
5. Er vormt zich een bepaald woordgebruik of groepstaal, die alleen door de leden wordt begrepen.
6. Er bestaan rituele handelingen zoals toelatingstesten of een inwijding, en rituelen die de stap naar een hogere rangorde begeleiden.
7. Gezamenlijke bezigheden, regelmatige vergaderingen en bepaalde kleding en kentekens versterken de saamhorigheid.
8. Men heeft een bepaalde toekomstverwachting: een maatschappelijke omwenteling, een dreiging die uitgaat van andere groepen of het einde van de wereld.
9. Hoe eenzijdiger de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de leider is (bijv. van het denken), hoe meer het onontwikkelde deel (het voelen) op onaangename wijze in het gedrag tot uiting komt, soms tegenstrijdig aan de doelstellingen; sommigen hebben daar bedenkingen over, maar gedogen het, bang voor uitzetting.
10. Sectes hebben namelijk een gesloten karakter. Als daardoor de banden met familie en vrienden zijn doorgesneden, kunnen leden in vrees leven voor verstoting uit de groep met eenzaamheid als gevolg.
11. Als de leider wegvalt, staat een nieuwe op of valt de groep uit elkaar.

Als in een maatschappij de sectevorming te krachtig wordt doordat een verenigend middelpunt ontbreekt, dan worden de tegenstellingen benadrukt, de groepen verwijderen zich van elkaar en de eenheid in de verscheidenheid gaat verloren.
Meer: Michael Rogge - Geestelijke bewegingen

← terug naar Hoofdonderwerp 31

166. De evenwichtige, harmonische trilling uit de mechanica
Deze trilling is zichtbaar in de beweging van een slinger of van een hangende trekveer, waaraan een gewicht is bevestigd. De rust van het ophangpunt maakt de harmonische beweging van het gewicht mogelijk. Als dat in beweging wordt gebracht, zal het op en neer blijven gaan door de zwaartekracht, die het naar beneden trekt, daar door de kracht van de veer tot rust komen en weer naar boven bewegen. Zo ontstaat een langzame, op en neergaande trilling (1), die een steeds herhaalde omkering van de bewegingsrichting van het gewicht is, als een regelmatige afwisseling van beweging (in het midden) en rust (aan de eindpunten). Zonder wrijving is er een evenwichtige, afwisselende rust en beweging, die eeuwig doorgaat.
Zie voor de diepzinnige betekenis van ‘beweging’ en ‘rust’ de nummers 32 en 33ab.

Deze beweging heeft twee kenmerken die tegelijkertijd optreden: de snelheid v (velocitas) en de verandering daarvan: de snelheidsverandering a (acceleratio):
- de snelheid v is maximaal in het midden van de beweging (punt m) en minimaal (nul) in beide eindpunten: rust;
- de snelheidsverándering a kent afwisselend vertraging, rust en dan weer versnelling: zij is juist maximaal bij de eindpunten van de beweging (want tot rust komen en omkering) en minimaal in het midden (m, een eenparige, gelijkblijvende beweging);
- de snelheid en de snelheidsverandering zijn daardoor met elkaar in ‘tegenfase’, d.w.z. het maximum van de snelheid valt in punt m samen met het minimum van de snelheidsverandering.

Bij de evenwichtige trilling is er een gelijkmatig verlopende verhouding tussen snelheid (v op de hor. x-as) en snelheidsverandering (a op de vert. y-as), weergegeven door de driehoek a, v, r. Tijdens de trilling beschrijft het toppunt daarvan een (denkbeeldige) cirkel als kringloop (2). Wordt deze kringloop uitgezet op de tijdas, dan verschijnt (schematisch) een voortgaande golfbeweging (3’), die wiskundig door de sinusgolf wordt weergegeven (3).
Zo blijkt dat een lineaire trilling naast een cirkelvormige kringloop, in de tijd ook een golfbeweging of straling in zich houdt.

Niet alleen in de natuurkunde, maar ook in de natuur, in het klimaat en de maatschappij zijn deze (langzaam) trillende golfbewegingen te herkennen. Ook sectes en gelijksoortige bewegingen zijn eraan onderworpen en vertonen een opkomst, hoogtepunt en neergang. Alleen de levensvatbare bewegingen onder hen kunnen dan weer nieuw leven worden ingeblazen, waardoor ook wereldgodsdiensten tijden kennen van verdorring en wederopstanding.
De geestelijke ontwikkeling die de mensheid doorloopt, kent golfbewegingen, die door zich in elkaar herhalende kringlopen worden gekenmerkt (zie de nrs. 132-137).

← terug naar Hoofdonderwerp 32

167. Golfbewegingen in het christendom
Het christendom begon met de joodse rabbi Jezus, die door zijn uitspraken en handelingen in drie jaar tijd zo’n overweldigende indruk op zijn leerlingen maakte, dat zij ondanks levensgevaar en zonder geweld te gebruiken zijn leer in de landen van de toenmalige wereld hebben verspreid.
Zij en hun volgelingen ondervonden eerst wrede weerstand van gevestigde bestuurders, maar hun standvastigheid en doodsverachting maakten op tijdgenoten juist veel indruk, wat de verspreiding van Jezus’ leer bevorderde.

De eerste zendingsgolf heeft zich later wel in drie stromingen verdeeld: de westerse, oosters-orthodoxe en oriëntaals-orthodoxe kerken, maar tot op de huidige dag bestaan die nog steeds; ook geloven zij alle in een aantal kernpunten:
- er is één God die wereld en mensheid heeft geschapen,
- die als de leraar Jezus bij de mensen op aarde is geweest en
- er is een boek, de Bijbel, waaraan door de eeuwen heen door tientallen schrijvers is gewerkt en desondanks op de meeste punten samenhang vertoont, een oeroud boek met richtlijnen voor medemenselijk gedrag. In de tijd in feite ontstaan naast de Veda’s en de I Tjing, en met dezelfde strekking: een eenheid in verscheidenheid.

Toen Jezus zijn leerlingen uitkoos, bleek de groep een afspiegeling te zijn van alle lagen van het joodse volk, en sommigen werden dan ook met een bijnaam aangeduid. De jungiaanse arts Burgers heeft de door Leonardo da Vinci weergegeven lichaamstaal van de leerlingen herkend als de sterrebeelden, zie mijn website. Dit is een voorafbeelding van wat er later zou gebeuren: het ontstaan van meerdere stromingen naast de hoofdstroom, doordat de Bijbel ook bleek aan te zetten tot zelfstandig denken: de zin van de geestelijke leerschool die de aarde voor de mens is.
Binnen de genoemde stromingen zijn veel kleinere golven ontstaan; sommige kenden een opkomst, bloeitijd en neergang, terwijl andere tot nu toe standhielden, een aantal met sektekenmerken. Die golfbewegingen zijn een teken van leven... zoals in nr. 166 beschreven, zijn zij te herleiden tot kringlopen en trillingen, en dat, wat trilt, beweegt, leeft en kan ook de omgeving in beweging zetten; en kan zo ook de menselijke geest tot zelfstandige werkzaamheid aanzetten: het geestelijke doel van dit aardse bestaan.

Zo was er in de eerste eeuwen de gnostiek, die streefde naar een persoonlijke godsdienstigheid door de zoektocht naar zelfkennis en godservaring. In de late middeleeuwen was er een ingrijpende hervorming, die de aandacht geheel op de Bijbel richtte en de gelovige als leerling in het middelpunt plaatste.


← terug naar de Inhoud

terug naar het weblog







^