Kernpunten van geestkunde

Deze reeks korte artikelen is geplaatst op de sociale media YouTube, Facebook, Instagram en LinkedIn (zie in het Menu onderaan).
- Klik hier voor een lijst met de gesproken tekst (podcasts) op YouTube
- en hieronder voor de geschreven tekst.

Inhoud

1. Geestkunde
2. Het waarnemen
3. Het denken
4. Het voelen
5. Het willen
6. Geest, ziel en lichaam
7. Geest en hersenen
8. De innerlijke stem
9. De innerlijke voorstelling
10a. Persoon en persoonlijkheid
10b. De persoonlijkheidskenmerken
11. Het ingekeerde willen
12. Het uitgekeerde voelen
13. Het uitgekeerde denken
14. Het ingekeerde waarnemen
15. Het uitgekeerde waarnemen
16. Het ingekeerde voelen
17. Het ingekeerde denken
18. Het uitgekeerde willen
19. Het innerlijke evenwicht
20a. Het geweten
20b. De deugden
21. Geestgedaante en lichaam
22. De chakra's
23. Het 'bewustzijn'
24. De onbewustheid
25a. De onbewuste vereenzelviging
25b. De onbewuste vereenzelviging
en de vermogens
26. De bewuste vereenzelviging
27. De eenzijdige vereenzelviging
28. Bewustwording en zelfverwerkelijking
29. De zelfbezonnen geestesgesteldheid
30. Zelfbezinning als geestelijke oefening
31. De inwerking en hereniging
32. Het ontstaan van de menselijke geest
33a. De algeest en de geestelijke vermogens 1
33b. De algeest en de geestelijke vermogens 2
34. Wat is wetenschap?
35. De eenheid van het al
36. De ongevormde en gevormde toestand van de algeest
37. Mannelijkheid en vrouwelijkheid in de algeest
38. De aarde als geestelijke leerschool
39a. Het aardse bestaan als toneelstuk 1
39b. Het aardse bestaan als toneelstuk 2
40. De gulden regel
41. De begeleiding op de weg
42. De vrije keuze ('vrije wil')
43. Het gaat om de liefde
44. Ingeving en voorgevoel
45. Vijf soorten dromen
46. De 'boom' als droombeeld
47. De Levensboom van de Kabbalah
48a. De kringloop van het leven 1
48b. De kringloop van het leven 2
49a. Woordbetekenis en woordklank 1
49b. Woordbetekenis en woordklank 2
49c. Woordbetekenis en woordklank 3
50a. Chakra's, vermogens, klanken en kleuren
50b. Gewaarwording en waarneming van kleuren
51a. De geest en zijn hersenen
51b. Plato's 'mensen in de grot'
52. Spanning, inspanning, ontspanning
53. Gezichtsuitdrukking en lichaamstaal
54. Links, rechts en het verenigende midden
55. 'Het ik' en 'het zelf' of "Ik ben het zélf"
56. Ik en 'mijn ego' (Latijn voor 'ik')
57. Ontwikkeling is omvorming van de geestesgesteldheid
58. Sint Joris en de draak
59. Verscheidenheid én eenheid van de mensheid
60. Ontwikkeling van mens en mensheid
61. Geestelijke ontwikkeling in het Hebreeuwse alfabet
62. De betekenis van de Hebreeuwse letter aleph
63a. De ontwikkeling in Pythagoras' getallenleer
63b. De zinnebeeldige betekenis van Pythagoras' getallenleer
63c. Jamblichus verbond de getallenleer met persoonlijkheidskenmerken
63d. De numerologiekubus en twee diagonaalvlakken daarin
63e. Pythagoras' tetraktys
64a. Hildegard van Bingen, mystica
64b. Hildegard en geestelijke ontwikkeling
64c. Hildegard en de overgang en thuiskomst
64d. Hildegard, vermogens en geestgedaante 1
64e. Hildegard, vermogens en geestgedaante 2
65a. Hildegard, verhoudingen binnen de godheid
65b. Hildegard en de levensweg van de mens
65c. Hildegard en de voorstelling van de Mater Sapientia
65d. Hildegard en Zarathoestra
65e. Hildegard en de beschermengel
66a. De gulden snede (proportio divina)
66b. Fibonacci-spiralen, ontstaanswijze
66c. Jakob Lorber en de gulden snede
66d. De proportio divina of goddelijke verhouding
67a. De Fibonacci-spiraal in de natuur
67b. Pythagoras' toonladder, de gulden snede en de chakra's
67c. Pythagoras' harmonie der sferen, het planetenstelsel en de gulden snede
68a. Plato's regelmatige veelvlakken en hun verband met de elementen, gulden snede en vermogens 1
68b. Plato's regelmatige veelvlakken 2
68c. Plato's wagenmenner, 1 de vermogens
68d. Plato's wagenmenner, 2 de ontwikkeling
68e. Plato - De geschiedenis van Er
69a. De vermogens: enkelvoudig en samengesteld
69b. De vermogens en geestelijke ontwikkeling: de zelfverwerkelijking
70. Zelfverwerkelijking en hereniging
71. Geestelijke begeleiding van de mens
72. Het zelfbeschikkingsrecht
73. Het antropisch principe
74. De wisselwerking tussen boven en beneden
75. De wisselwerking tussen geest en hersenen 1
76. De wisselwerking tussen geest en hersenen 2
77. De wisselwerking tussen geest en algeest 2

1. Geestkunde
Zo op het eeste gezicht lijkt geestkunde iets te zijn, wat niet van deze wereld is. Dus waarom zou je je er mee bezighouden? Toch is het onderscheid tussen geest, ziel en lichaam een onderwerp, waar filosofen en godsdiensten al eeuwen aandacht voor hebben. En ondanks het wetenschappelijke denken dat al sinds de Verlichting of Eeuw van de Rede in de 18e eeuw bestaat, is dit onderwerp niet uit ons gezichtsveld verdwenen. In tegendeel, ook nu nog wordt er over geschreven, ook door natuurwetenschappers zoals Kepler, Newton en Einstein, en in deze serie geestkunde.

Sinds het begin van het Verlichtingsdenken zijn wij veel te weten gekomen over het menselijke lichaam en de werking van organen, wat is samengevat in de biologie, de kennis van het leven. Maar we vergeten dat dat mogelijk is geweest doordat we gebruik hebben gemaakt van onze geestelijke vermogens, zoals het waarnemen, denken en willen. We zijn ons voortdurend bewust van de gedachten die we hebben gevormd over de werking van ons lichaam, maar... we zijn ons niet bewust van de werking van het denkvermogen, dat dit als enige mogelijk heeft gemaakt.

De hele dag door zijn we voortdurend bezig alles wat om ons heen gebeurt waar te nemen, zodat we ons er bewust van zijn. Alles wat we zo in ons opnemen, beoordelen we door die gebeurtenissen te overdenken en te doorvoelen. Zo vormen we gedachten en gevoelens over wat zij voor ons betekenen en nemen we besluiten als we er iets mee willen gaan doen. Dat uiten we door uitspraken te doen over die gebeurtenissen en in verband daarmee handelend op te treden.

De werkzaamheid van die geestelijke vermogens: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen ervan en er iets mee willen doen, verloopt onmerkbaar op de achtergrond in onszelf als geest, de vermogende levenskracht. De eigenschappen van de geest en de werkzaamheid van die vermogens, in onszelf als menselijke geest en in onze medemensen met wie wij dagelijks omgaan, zijn de onderwerpen van geestkunde.
Het doel ervan is ons bewust te worden van de bron van ons denken, voelen en handelen, en die zodanig te leren beheersen, dat wij in vrede met onze medemensen kunnen samenleven.

terug naar de Inhoud

De kringloop van het geestelijke leven van de mens (uit: Emanuel Swedenborg, Hemelse Verborgenheden 10057)
"Het is bekend dat de dingen die door de ogen worden gezien en door de oren worden gehoord, innerlijk door de mens worden waargenomen en als het ware door de ogen of de oren de wereld verlaten en in de gedachte overgaan [denken], en zo in het begrip, want gedachten zijn van het begrip; en als het dingen zijn die geliefd zijn [voelen], gaan ze vandaar over in de wil [willen] en van de wil, door een verstandelijke manier in de spraak van de mond en ook in de handeling van het lichaam.
Zo is de kringloop van dingen vanuit de wereld door de natuurlijke mens heen in zijn geestelijke mens; en van hieruit weer de wereld in."

2. Het waarnemen
De innerlijke werkzaamheid van de vermogens en de uitwerking ervan in uitspraken, handelingen en gedrag, is dat, waardoor de eigenschappen van de menselijke geest onmiddellijk ervaarbaar zijn. Met dat wat van de geest rechtstreeks ervaarbaar is, zal deze reeks artikelen worden begonnen.

Het waarnemen is het vermogen gebeurtenissen en kennis uit de buitenwereld in je op te nemen. Het is letterlijk 'waren in je opnemen'. Dat doe je door je zintuigen heen: door kijken, horen, ruiken, proeven en tasten.
Je ziet bijvoorbeeld een boom. Het beeld daarvan valt op het netvlies achter in je oog. Daar wordt de oogzenuw geprikkeld, die het beeld door de oogzenuw doorgeeft aan de hersenschors in het achterhoofd. Daar zenden de geprikkelde hersencellen een magnetisch veldje uit, dat in de ziel (wordt later behandeld) wordt omgezet in een zielebeeld: een geestelijke afdruk van de boom in je ziel. Jij als menselijke geest in het midden van je ziel stelt je open voor dat beeld en neemt het door waar te nemen in je op. Daardoor wordt het een beeld in jezelf en daardoor krijg je weet van die boom, zo wordt jij als geest je bewust van die boom. Door waar te nemen kom jij als geest in een toestand van bewustzijn. Je stelt je open voor inwerking van beelden uit de buitenwereld en daardoor krijg je weet van die wereld.

Meestal staan je zintuigen open voor inwerking uit de buitenwereld en onwillekeurig dringen gebeurtenissen daaruit bij je naar binnen. Maar je kunt je waarnemingsvermogen ook bewust op een bepaald onderwerp richten en dat heet: aandachtig zijn, ergens aandacht voor hebben, aandacht schenken.
Zo kun je je aandacht richten op wat een medemens je vertelt. Je laat dan bewust tot jezelf toe wat die persoon je wil vertellen en neemt dat in je innerlijk op, waardoor je je in die mens kunt verplaatsen en kunt gaan meeleven. Aandacht is daardoor het mooiste wat je je medemens kunt schenken.

Als je hebt geleerd je omgeving aandachtig waar te nemen, komt er een bijzondere eigenschap daarvan tot ontwikkeling: je schoonheidszin. Je gaat in je omgeving schoonheid ontdekken door het zien van overeenstemming in vormen, kleuren en klanken.

terug naar de Inhoud

3. Het denken
in het verloop van de geestelijke werkzaamheid volgt bij een denker op het waarnemen het denken. De menselijke geest kan alleen over een onderwerp nadenken als die zich daarvan bewust is geworden door waar te nemen. Zoals de geest door het waarnemen in zichzelf ervaringsbeelden vormt, zo door te denken gedachten als denkbeelden.

Door te denken vorm je een begripsmatig oordeel over een onderwerp, een vraagstuk. Dat doe je door het te ontleden, de hoofdzaak van bijzaken te scheiden en zo tot de kern door te dringen. Zo krijg je inzicht en begrijp je de zaak. Het begrijpen is de 'verstandelijke behandeling' ervan, waarbij je door een 'afstandelijke houding' het geheel kunt blijven overzien.
Als je op deze manier het vraagstuk hebt ontleed, kun je de dingen op een rijtje zetten, waardoor de samenhang tussen de onderdelen van een vraagstuk duidelijk wordt. Een vraagstuk kan bijvoorbeeld meerdere oorzaken hebben. Die zijn dan te duiden, wat de zaak verheldert en je de betekenis die het voor je heeft, kunt begrijpen.

Daarna kun je door te redeneren de verschillende aanzichten van een vraagstuk die je hebt onderkend, verbinden met gelijksoortige ervaringen die je al eerder met deze vraagstukken hebt meegemaakt. In tegenstelling tot de ontledende werkzaamheid van het verstand is redeneren een verbindende werkzaamheid. Door te redeneren kun je tot een samenvatting komen en tot een gevolgtrekking, een slotsom en daarmee tot een oplossing voor het vraagstuk. Daarna kun je ook doorredeneren en andere verbanden met vroegere ervaringen of kennis vinden, die eerst nog niet duidelijk waren.

Hoe meer je je op deze verstandelijke en redelijke wijze al denkend met je ervaringen en kennis bezighoudt, hoe meer samenhang je erin ontdekt waardoor je in kortere tijd tot wijzere besluiten kunt komen. Het tot ontwikkeling gekomen denken is de zin voor de waarheid en wordt door wijsheid gekenmerkt. Dat betekent het vinden van zinvolle oplossingen voor de vraagstukken, die zich in de loop van de tijd voortdurend aandienen. Daardoor zul je steeds zelfstandiger in het leven komen te staan en daardoor ook in staat zijn medemensen met wijze raad terzijde te staan.

terug naar de Inhoud

4. Het voelen
in het verloop van de geestelijke werkzaamheid volgt bij een gevoelsmens op het waarnemen het voelen. De menselijke geest kan alleen een gebeurtenis doorvoelen als die zich daarvan bewust is geworden door waar te nemen. Zoals de geest door waar te nemen ervaringsbeelden in zichzelf vormt, zo door te voelen een gemoedstoestand.

Zoals denken voor de geest het verbinden van twee zaken is, is voelen het verbinden van twee persónen met elkaar: de richting van het denken staat dwars op het voelen. Door te denken vormt de geest denkbeelden in zichzelf, maar door te voelen komt de geest zélf als geheel in een bepaalde gevoelstoestand. Door te voelen is de geest zelf in een toestand van blijdschap, dankbaarheid, liefde of somberheid, ontevredenheid, boosheid.
Het vermogen om de voelen betreft het menselijke wezen zelf, de geest als geheel en is daardoor wezenlijker dan het denken, maar even onmisbaar om een gelukkig mens te kunnen worden. Dus de mens heeft gedachten als een bezít, maar is zélf zijn of haar gemoedstoestand.

Het voelen is je open willen stellen voor de gemoedstoestand van een ander, waardoor je die a.h.w. zelf ervaart en je daardoor met de ander meeleeft. Daardoor voel je de aandrang je voor de ander in te zetten, alsof het jezelf betrof. Je zet je daardoor in voor de geest die het wézen is in die ander, waardoor het voelen het meest geestelijke vermogen is. Het is het vermogen waarmee de geest werkzaam is in de kern, in het hart en zich van daar uitstrekt naar het hart van de ander.
Het ontwikkelde voelen leidt daardoor tot gemeenschapsvorming. Een gemeenschap komt tot stand en blijft bestaan, zolang de leden ervan door hun gedrag wederkering een gevoel van vertrouwen in elkaar wekken.

Om lief te kunnen hebben zijn er twee nodig, die, door zich liefdevol tegenover elkaar te gedragen er evenwichtig toe bijdragen, dat de vertrouwensband blijft bestaan. Maar een gevoelstoestand kan ook in de menselijke geest zelf ontstaan door te genieten van de schoonheid van een landschap of muziekstuk. De schoonheidszin van het waarnemen wekt door de verbinding ermee een gevoel van liefde op, wat voor de geest een vreugdevolle ervaring is.

terug naar de Inhoud

5. Het willen
De menselijke geest is in wezen de vermogende, bewuste levenskracht in de mens. De geest is een kracht, die bewust kan zijn; die toestand van bewust te zijn hangt samen met het waarnemingsvermogen en de kracht met de wilskracht. Daarnaast beschikt de geest over twee oordelende vermogens: denken en voelen; daarmee kan de geest beoordelen welke waarde de waargenomen onderwerpen voor de menselijke geest, de persoon kunnen hebben.

De kracht geeft aan de geest het vermogen om werkzaam te zijn en de wijze waarop is het waarnemen, denken en voelen: de geest wil waarnemen, wil denken en wil voelen. Omgekeerd sturen de oordelende vermogens, denken en voelen, de richting waarin de geest de wilskracht beweegt (zoals een ruiter een goed getemd paard). Zonder deze sturing zou de levenskracht de geest meeslepen in een wilde en zinloze beweging (een op hol geslagen paard).
Een kracht bezit het vermogen om in beweging te komen en arbeid te verrichten, maar ook het vermogen weer tot rust te komen; een kracht kan in een toestand van inspanning en ontspanning verkeren; de geest is een zichzelf opwekkende levenskracht, maar ook een zichzelf tot rust brengende kracht. Beweging en rust zijn twee wezenlijke kenmerken van de menselijke geest, die met elkaar in evenwicht moeten zijn voor een goede geestelijke werkzaamheid.

Weliswaar is het verloop van de vermogens waarnemen, denken, voelen en willen, maar doordat de geest een bewuste levenskracht is, zijn ook het willen en waarnemen met elkaar verbonden, waardoor er een kringloop kan ontstaan. Als je iets hebt waargenomen en dat hebt overdacht en doorvoeld, en daarop een besluit hebt genomen dat je met je wilskracht hebt uitgevoerd, dan wil je waarnemen of je overdenking, doorvoeling en daarop volgende handeling, toepasselijk en zinvol zijn geweest. Zo ontstaat een voortdurende kringloop in de werkzaamheid van de vermogens... waardoor deze zichzelf tot ontwikkeling brengen.
Hierdoor ontstaat een geleidelijke krachtsontplooiing die van de menselijke geest een zelfstandig werkzame en zelfscheppende eenheid maakt met ondernemingszin, die leidt tot zelfwerkzaamheid en volharding in een zichzelf gesteld doel.

terug naar de Inhoud

6. Geest, ziel en lichaam
Zoals beschreven zijn de vermogens eigenschappen van de menselijke geest. Voor het geopende geestesoog ziet de geest er uit als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte kunnen zich in twee, tegenovergestelde toestanden bevinden: van buitenaf vormbaar en van binnenuit zelfvormend door een scheppende zelfwerkzaamheid van de geest.
Met die eigenschappen hangen de vermogens samen. Door waar te nemen stelt de geest het innerlijke licht vormbaar open, waardoor daarin ervaringsbeelden van buiten kunnen ontstaan en de geest weet krijgt van wat daar gebeurt; door te denken vormt de geest daarover in zichzelf denkbeelden, wat lichtbeelden zijn; door te voelen stelt de geest de warmte, de gemoedstoestand vormbaar open om zo met een ander mens mee te kunnen voelen; door te willen vormt de geest uit zichzelf warmte om tot wilskracht, waardoor de geest zich kan uitspreken en kan handelen.

Tijdens het verloop van die innerlijke werkzaamheid ontstaat een reeks van lichtbeelden en warmtetoestanden in de geest, die deze stroom met de wilskracht op bepaalde delen van de hersenschors afdrukt, zodat die naar buiten toe tot uiting komt als uitspraken, gemoedsuitingen en gedrag.
Daar die geestelijke werkzaamheid steeds doorgaat, zouden de voortbrengselen daarvan: de gevormde gedachten, gevoelens en wilsbesluiten, na die uitingen verloren gaan. Om dat te voorkomen, houdt de geest tegelijkertijd een afdruk van die voortbrengselen vast in de uitstraling (de aura) om zich heen: dat is de ziel (van salida: zaal). De werkzaamheid van de vermogens binnen de geest (van ghei: aandrijven) vormt die uitstraling. De gevormde gedachten, gevoelens en wilsbesluiten kunnen daar worden vastgehouden in het geestelijke deel van het geheugen: een ruimte in de ziel om de geest heen. Daarin bevinden zich gedachten als lichtbeelden en gevoelens als kleuren. Tegelijkertijd wordt er ook een afdruk gemaakt op hersenschorscellen in de vorm van netwerken: die vormen het stoffelijke deel van het geheugen.
De ziel als zijn uitstraling is een eigenschap van de werkzame geest, zoals de zon om zich heen licht en warmte uitstraalt.

terug naar de Inhoud

7. Geest en hersenen
De geest bestuurt het lichaam middels de hersenen, het hoofdorgaan. Om dat mogelijk te maken, zijn zij aangepast aan de eigenschappen van de geest, zoals een voertuig aan de bestuurder. Zij zijn verdeeld in een LINKer- en rechterhelft, en overdwars door een middengroef in een voorste en achterste helft.
De werkzaamheid van het waarnemen hangt samen met het achterste, die van het willen met het voorste deel. De LINKerhelft voor bevat (bij rechtshandigen) gebieden met cellen die gevoeliger zijn voor de denkwerkzaamheid (zoals woordbegrip, grammatica en geheugen), zodat de geest daarop gedachten kan afdrukken; de rechterhelft voor bevat gebieden gevoeliger voor het voelen (het aanvoelen van de gemoedstoestand in gezichtsuitdrukkingen, van de toon van de stem en van kunstvormen).
Hersencellen hebben zich zo ontwikkeld, dat door hun geestelijke prikkelbaarheid de verbinding tussen geest en stof mogelijk wordt (zie daarvoor geestkunde.net, wisselwerking geest hersenen), waarvoor de ziel, uitstraling van de geest, overdrachtsmiddel is. Alle gebeurtenissen in de hersenen zijn een weerspiegeling van geestelijke werkzaamheid in de stof; maar als de geest de hersenen niet gebruikt (slapen), sturen zij alleen de orgaanwerkzaamheid aan.

Als de geest zijn werkzaamheid op de cellen van de hersenschors overbrengt, worden de ermee verbonden zenuwen en spieren geprikkeld, waardoor de geest het lichaam in beweging kan brengen en zich ermee in de buitenwereld uitdrukt in de vorm van uitspraken en handelingen; door het achterste deel van de schors heen worden beelden van buiten in de ziel gevormd en daar door de geest waargenomen.
Voor het geestesoog zien de werkzame vermogens in de geest eruit als stromingen van verdunningen en verdichtingen van licht, waardoor lichtvormen ontstaan, samen met veranderingen in de warmtetoestand in de geest. Daardoor ontstaat een ruimtelijk, beweeglijk weefsel van licht- en warmtestromingen, die op de hersencellen en hun verbindingen worden afgedrukt, waardoor de hersenwerkzaamheid nauwkeurig de geestelijke werkzaamheid volgt. Zo verbindt de geest door middel van de hersenen de eigen werkzaamheid met het lichaam en kan die zich in de buitenwereld uitdrukken.

terug naar de Inhoud

8. De innerlijke stem
Filosofen en godsdiensten maken wel een onderscheid tussen lichaam, ziel en geest, maar hersenwetenschappers niet; zij trachten geestelijke eigenschappen alleen vanuit de werkzaamheid van de hersenen te verklaren. Zo zou ook de 'innerlijke stem' een werkzaamheid van een hersencentrum zijn met de naam Gebied van Wernicke. Dit ligt net boven het LINKer oor in de hersenschors en is het geheugengebied voor de betekenis van woorden. Daar zou de innerlijke stem moeten kLINKen.
Maar als je met gesloten ogen tot jezelf inkeert voor innerlijke overwegingen, doe je de onmiskenbare ervaring op dat je innerlijke stem zich in de ruimte van je voorhoofd bevindt, in het midden, net boven je ogen. Daar bevinden zich de hersenkwabben waar ook volgens die hersenwetenschappers wordt gedacht en besluiten worden genomen. iedere mens die tot zichzelf inkeert, ervaart op die plaats in de 'innerlijke ruimte' van het voorhoofd aanwezig te zijn, met zelfbesef, bewust van zichzelf als de persoon, de menselijke geest. In die 'ruimte' in het innerlijk van jezelf, hoor je je innerlijke stem met je geestesoor als een gevolg van je eigen werkzaamheid met je geestelijke vermogens, in jezelf als menselijke geest.

Je herinnert je bijvoorbeeld een bepaalde gebeurtenis (1) en door die waar te nemen, neem je die in je innerlijk op om die te beoordelen door die te overdenken en te doorvoelen (2). Die overwegingen zijn een innerlijk zelfgesprek, waarbij je in jezelf meerdere standpunten kunt innemen; daarbij vorm je er in jezelf gedachten en gevoelens over met de erbij behorende woorden. Die verwoordende werkzaamheid neem je in jezelf met je geestesoor waar en dat is de oorzaak van je innerlijke stem. Die gedachten en gevoelens bewaar je daarna in je geheugen (3).
Door bewust naar je eigen innerlijke stem te luisteren terwijl je een bepaald onderwerp overdenkt en doorvoelt, word je je onmiddellijk bewust van jezelf als werkzame geest en ben je rechtstreeks verbonden met de werkzaamheid van je geestelijke vermogens. Dit besef van je eigen geestelijke werkzaamheid leidt tot een onmiddellijke zelfbewustwording van jezelf als de vermogende geest.

terug naar de Inhoud

9. De innerlijke voorstelling
Veel mensen, 95% van de ondervraagden, zijn zich bewust van hun innerlijke stem. Daarvan ziet 35% ook innerlijke beelden. Zoals woorden worden gehoord met het geestesoor, een eigenschap van het waarnemingsvermogen, zo is dat ook het geval met het geestesoog voor beelden. in de binnenwereld die je als menselijke geest door uitstraling om je heen hebt gevormd, bevindt zich, verderop in die nog donkere ruimte, het geestelijke deel van je geheugen. Stoffelijke knooppunten die met de inhouden daarvan zijn verbonden, bevinden zich in de hersenschors. Als je je iets wilt 'herinneren', als je dat 'weer in je innerlijk' wilt brengen, dan richt je bewust je waarnemingsvermogen, dat is je aandacht, op dat onderwerp in je geheugen. Daardoor wordt dat belevendigd, waardoor het dichter bij jouzelf als geest komt te staan. Door je aandacht op een geheugeninhoud te richten, put je het uit je geheugen en 'haal je het voor de geest'. Je haalt het naar je toe en stelt het in je binnenwereld voor je, waardoor het een 'voorstelling' wordt.
Het onderwerp bevindt zich dan in je bewustzijnsruimte. Dat is het gebied in je ziel dicht om je heen, waarin zich de onderwerpen bevinden waarvan je je bewust bent. In die toestand ben je in staat die voorstelling, bijvoorbeeld een persoon, met je geestesoog waar te nemen. Je ziet daardoor in de ruimte voor je een min of meer vaag, doorschijnend beeld, dat je als de bedoelde persoon herkent. Je bent je als geest van dat beeld bewust, je hebt er weet van, doordat je door het waar te nemen een afdruk van dat beeld uit de binnenwereld van je ziel, in het innerlijk van jezelf als geest opneemt. Aan die afdruk zijn allerlei feiten verbonden, ervaringen met die persoon en kennis over zijn of haar achtergrond. Die afdruk kun je nu in jezelf beoordelen door die te overdenken en te doorvoelen. Daarna ben je in staat om de nieuw gevormde gedachten en gevoelsoordelen over die persoon weer in je geheugen vast te leggen, door ze uit jezelf weer naar je geheugen, in je eigen uitstraling, over te brengen. Hoe meer dat oordeel met een gevoel gepaard gaat, hoe beter je in staat bent het je later weer te herinneren.

terug naar de Inhoud

10a. Persoon en persoonlijkheid
Het woord 'persoon' komt van het Latijnse 'per-sonare': 'er doorheen kLINKen'. Het is de geest die door het lichaam heen gedachten, gevoelens en wilsbesluiten met woorden in de buitenwereld laat kLINKen: de geest 'kLINKt door de mond heen', m.a.w.: de geest is de persoon.
De persoon staat achter de persoonlijkheid en komt erin tot uitdrukking. De persoonlijkheid is het geheel van kenmerken van de persoon, de menselijke geest. Persoonlijkheid wordt ook wel 'karakter' genoemd, wat ook betekent: geheel van kenmerken; maar de persoonlijkheid is een bijzonder soort karakter, namelijk: dat van de persoon. Men kan bijv. wel spreken van het karakter van een landschap, maar niet van de persoonlijkheid ervan.

Door zijn geestelijke werkzaamheid is de geest de bron van gedachten, gevoelens en besluiten. Die zijn in de geest niet alleen lichtbeelden en warmtetoestanden, maar zij komen ook tot kLINKen als de innerlijke stem (zie 8). Als de geest een taal beheerst, vormen deze klanken herkenbare woorden. De geest is de bron van de woorden, die eerst in zichzelf tot kLINKen komen door zijn scheppende werkzaamheid. Daarna worden de gedachten en gevoelens door de ziel heen op de hersenschors afgedrukt, waarvandaan zij de stembanden en de tong in ermee overeenkomende beweging brengen. Zo worden zij door de mond heen ook tot kLINKen gebracht in de ruimte van de stoffelijke wereld.
De kenmerken van de persoonlijkheid, de 'trekken', worden bepaald door de ontwikkelingstoestand van de vermogens. Het enige wat de geest kan en waar die daardoor kan worden gekenmerkt, is door de vermogens. De persoonlijkheid wordt bepaald door de kenmerkende wijze waarop de geest ervaringen waarneemt, die in zichzelf door te denken en te voelen verwerkt en zich, als gevolg daarvan, op een bepaalde, kenmerkende en persoonlijke wijze, naar anderen toe wil gaan gedragen. In dat gedrag, in de persoonlijke manier van doen, komt de mate van zijn bewuste beheersing van de vermogens tot uitdrukking. Die bewuste beheersing van de vermogens is daardoor een maatstaf voor de beschrijving van de persoonlijkheid (zie de volgende serie persoonlijkheidstrekken).

terug naar de Inhoud

10b. De persoonlijkheidskenmerken
De geest is een bolvormige wolk van licht en warmte, waardoor er een binnenkant is: het innerlijk en een buitenkant: de buitenwereld. Daardoor kan de geest de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf richten, in het innerlijk en naar de buitenwereld; waardoor er twee instellingswijzen zijn: de in- en uitgekeerde instelling.
Bij de ingekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op zichzelf of op een groep waarmee een persoonlijke band bestaat; in die toestand geven persoonlijke doelen de doorslag bij besluiten. Bij de uitgekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op de gemeenschap: dan geven de doelen daarvan de doorslag.
De in- en uitgekeerde instelling vormen twee tegendelen, die elkaar aanvullen.

Ook denken en voelen zijn tegendelen. Door te denken houdt de geest de waargenomen dingen vast en haalt ze uit hun verband. Vervolgens wordt hun betekenis beoordeeld door vergelijking met kennis uit het geheugen. Dan wordt alles weer met elkaar verbonden, de nieuwe gegevens ingepast in bestaande kennis en worden nieuwe denkbeelden gevormd.
Door te voelen is de geest in staat zich in een ander mens in te leven door een gevoelsband te vormen, waardoor de ervaringen van de ander in zichzelf worden beleefd. Door zo een gevoel te laten vormen, de eigen gemoedstoestand, is voelen persoonlijk en verbindt het twee mensen met elkaar. Het denken verbindt feiten en voelen mensen.
Ook waarnemen en willen zijn tegendelen. Door waar te nemen staat de geest in verbinding met de wereld om zich heen, laat de dingen op zich inwerken door zich open te stellen en neemt zo indrukken in zich op. Door de wilskracht kan de geest zelf op de omgeving inwerken; als een besluit is gevormd, kan daarmee het besluit in een uitspraak of handeling worden omgezet om iets te ondernemen. De geest werkt op de omgeving in en daardoor zijn waarnemen en willen tegendelen.

in de innerlijke stem en in de persoonlijkheid zijn de vermogens herkenbaar. Daarin heeft meestal een van de vermogens en een van de instellingen de nadruk, waardoor er 8 persoonlijkheidskenmerken zijn en een 9e, als alle kenmerken in evenwicht zijn. Deze worden in de volgende serie beschreven. De volgorde komt overeen met de wiskundig onderbouwde getallenleer van Pythagoras (z.a.).

terug naar de Inhoud

11. Het ingekeerde willen (Pythagoras 1)
Het willen is de ondernemingszin, is daadkracht en volharding. De ingekeerd willende persoon wordt gekenmerkt door 'het willen van zichzelf'; deze persoon wil handelend optreden vanuit de eigen gedachten- en gevoelswereld om die te verwerkelijken door er anderen mee te begeleiden.
De ingekeerd willende persoon
- streeft er naar anderen iets te leren, te leiden en de weg te wijzen (leraar);
- zo iemand treedt op als voortrekker en baanbreker; heeft vernieuwende inzichten en durft daarmee voor de dag te komen, tegen de stroom in te gaan en anderen van de waarde ervan te overtuigen;
- brengt strijdvaardig misstanden aan het licht en wijst anderen op hun verantwoordelijkheid;
- is moedig, maar kan ook overmoedig zijn;
- kan niet rusten voor een werk waar men aan is begonnen, af is; maar kan daardoor ook zichzelf onder druk zetten, met een innerlijke gespannenheid als gevolg (perfectionist, idealist).
Door de ingekeerde instelling
- streeft zo iemand naar persoonlijke vrijheid om zelf een standpunt te kunnen bepalen en werkt daardoor het liefst als zelfstandige;
- deze persoon heeft een krachtig geloof in zichzelf en in de waarde van de eigen gedachten- en gevoelswereld, maar kan door de zelfgerichte instelling anderen van zich vervreemden en daardoor alleen komen te staan;
Het denken en voelen worden voor de doelen van het ingekeerde willen gebruikt:
- het denken wordt gebruikt om persoonlijke opvattingen te ontwikkelen en de juistheid ervan te bewijzen; heeft taalbeheersing;
- het voelen wordt gebruikt om bij anderen vertrouwen te wekken voor eigen inzichten.
Het waarnemen en de uitgekeerde instelling zijn het minst ontwikkeld,
- waardoor deze persoon een gebrekkige zin voor de werkelijkheid kan hebben doordat alleen de eigen denkbeelden worden gezien; daardoor wordt vaak niet gezien dat de inspanningen om anderen te leiden een averechts gevolg hebben, doordat men de persoon van de ander niet ziet staan;
- zo iemand kan worden teleurgesteld doordat mensen nu eenmaal niet zijn zoals hij of zij meent dat ze zouden moeten zijn, wat een prikkelbare houding tot gevolg heeft (het lot van de wereldverbeteraar),
- niet van het leven kan genieten.

terug naar de Inhoud

12. Het uitgekeerde voelen (Pythagoras 2)
Het voelen is de zin voor saamhorigheid en liefde: het is de liefdeszin; de uitgekeerd voelende persoon is gericht op het vormen van een gevoelsband met anderen.
De uitgekeerd voelende persoon
- heeft een ontwikkeld aanpassingsvermogen, waardoor de gemoedstoestand waarin anderen verkeren, wordt aangevoeld;
- voelt zo met anderen mee, dat die zich voor hen wil inzetten;
- kan eigen in- of ontstemming over een bepaald voorval niet voor zich houden, maar móet ze uitspreken: heeft 'het hart op de tong';
- gebeurtenissen móeten met iemand worden gedeeld;
- deze persoon is voor het éigen zelfgevoel afhankelijk van het kunnen zorgen voor ánderen;
- voelt zich daardoor zo verantwoordelijk voor de verstandhouding met anderen, dat de schuld eerst bij zichzelf wordt gezocht als daarin iets mis gaat.
Door de uitgekeerde instelling
- kan deze persoon niet leven zonder vriendschappen en streeft naar samenwerking;
- deze persoon houdt van gezelligheid en bouwt een grote kennissenkring op;
- voelt zich verantwoordelijk voor de gemoedstoestand van anderen en spant zich in om een goede sfeer te scheppen (de gastvrouw);
- voelt zich persoonlijk betrokken bij anderen en weet door dat te tonen het beste in de ander naar boven te halen (opvoeding, onderwijs, persoonlijke begeleiding),
- als er onenigheid ontstaat, ervaart zo iemand dat als onaangenaam en tracht door gesprekken en gevoelsmatig op iemand in te werken weer tot overeenstemming te komen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het uitgekeerde voelen:
- met het waarnemen wordt de gemoedstoestand van anderen gepeild,
- de wilskracht wordt gebruikt om met anderen mee te leven en zich voor hen in te spannen.
Het denken en de ingekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld,
- door het ontbreken van de vastheid van het denken is er een innerlijke onzekerheid en de behoefte aan herhaalde bevestiging van de goede verstandhouding;
- door het gebrekkige denken ontstaat onduidelijkheid bij het beschrijven van gedachten of gebeurtenissen; er wordt van uitgegaan dat de ander wel aanvoelt wat er wordt bedoeld, daardoor worden stappen in een redenering overgeslagen en springt men van de hak op de tak.

terug naar de Inhoud

13. Het uitgekeerde denken (Pythagoras 3)
Het denkvermogen is de zin voor inzicht en waarheid: het is de waarheidszin. De uitgekeerd denkende persoon overdenkt daardoor wat de betekenis is van voorwerpen en gebeurtenissen in de buitenwereld. Door het uitgekeerd denken
- is deze persoon verstandig, zakelijk en heeft verbeeldingskracht;
- zo iemand kan helder en opbouwend denken, kan gedachten goed onder woorden brengen;
- deze persoon streeft naar wetenschap, maar meer door verbreding van kennis dan verdieping ervan;
- zo iemand is voortdurend bezig inzichten te ontwikkelen en is op zoek naar eigenschappen en wetmatigheden in de natuur (natuurwetenschapper).
Door de uitgekeerde instelling
- vertoeft zo iemand graag in gezelschappen en voert dan al vlug de boventoon, doordat deze persoon de neiging heeft voortdurend verstandelijke oordelen met overtuiging uit te spreken;
- zo iemand streeft ernaar de eigen opvattingen bij anderen ingang te doen vinden, maar heeft ook de behoefte anderen tot denken aan te zetten door krachttermen te gebruiken en prikkelende uitspraken te doen;
- door de uitgekeerde instelling wil deze persoon voor de ander denken, wil anderen leiden en besturen door regels en wetten voor hen op te stellen (de bestuurder, manager);
- zo iemand weet het altijd beter en wil ook graag het laatste woord hebben.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het uitgekeerde denken:
- het waarnemingsvermogen wordt gebruikt voor wat men, vanuit de eigen gedachtenwereld, wil waarnemen, wil weten, onderzoeken,
- het willen is gericht op onderzoek in het eigen vakgebied of op het regelen van bijeenkomsten.
Het voelen en de ingekeerde instelling verkeren min of meer in een onontwikkelde toestand,
- waardoor de uitgekeerd denkende persoon ook kan worden gekenmerkt door ongevoelige uitspraken en een persoonlijke vooringenomenheid;
- door het gebrek aan medegevoel kan zo iemand worden gekenmerkt door starre rechtlijnigheid, iemand die zonder mededogen zegt waar het op staat;
- door het gebrek aan medegevoel bestaat de behoefte zich met anderen te meten, wat tot uiting kan komen als minachting en wedijver (de eerzuchtige wetenschapper, de zelfverzekerde politicus).

terug naar de Inhoud

14. Het ingekeerde waarnemen (Pythagoras 4)
Het waarnemingsvermogen is de zin voor de werkelijkheid, voor echtheid en schoonheid, en als dat naar binnen is gekeerd, dan betekent dat,
- dat deze persoon de beelden in de eigen binnenwereld als een werkelijkheid ervaart;
- wat ook geldt voor de buitenzintuiglijke ervaringen, de ingevingen en voorgevoelens, die daarin doordringen.
Door de ingekeerde waarneming
- worden de aandacht en werkzaamheden beperkt tot een klein gebied, waardoor deze persoon aandacht heeft voor kleinigheden, daardoor aandachtig en nauwkeurig werkt (boekhouder, ambtenaar);
- plichtsgetrouw is en zorgvuldig aan de toebedeelde taak werkt;
- door de ingekeerde waarneming heeft zo iemand een goed verbeeldingsvermogen en vormt daardoor in de eigen binnenwereld beelden en klanken, die vervolgens in de buitenwereld als kunstuitingen worden weergegeven (de kunstenaar, componist).
Door de ingekeerde instelling
- streeft zo iemand ernaar de schoonheid in de naaste omgeving te bevorderen door daar eerst persoonlijke aandacht voor te hebben en die schoonheid vervolgens voor zichzelf te beleven en ervan te genieten;
- zo iemand voelt zich thuis in een kleine, overzichtelijke leefgemeenschap, waar een persoonlijke band met de leden bestaat en houdt zich het liefst bescheiden op de achtergrond (de huisvrouw, medewerker);
- door de ingekeerde aandacht worden ingevingen en voorgevoelens opgemerkt en wordt er ook wat mee gedaan (de intuïtie, paragnost).
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de ingekeerd waarnemende persoon:
- het denken wordt gericht op praktische zaken en op bijzonderheden, kleinigheden,
- het voelen is gericht op een kleine kring van mensen, waarmee een persoonlijke band bestaat.
Het willen en de uitgekeerde instelling verkeren in een min of meer onbeheerste toestand,
- waardoor zo iemand gebrek heeft aan ondernemingslust, en zich daardoor aan behoeften van anderen aanpast en zich daardoor laat leiden;
- zich tot eigen nadeel kan laten gebruiken;
- maar wordt het gedrag van anderen te overheersend, waar zo iemand zelf aanleiding toe geeft, dan kan dat onbeheerste willen ook de oorzaak zijn van lijdzaam verzet of onverwachte opstandigheid.

terug naar de Inhoud

15. Het uitgekeerde waarnemen (Pythagoras 5)
Het waarnemingsvermogen is de zin voor de werkelijkheid en schoonheid, de uitgekeerd waarnemende persoon heeft daardoor aandacht voor personen, voorwerpen en gebeurtenissen in de buitenwereld.
Door de uitgekeerde waarneming
- en de aandacht voor voorwerpen is deze persoon zakelijk en praktisch;
- zo iemand is leergierig en wil veel te weten komen, maar blijft door de uitgekeerde instelling aan de oppervlakte;
- streeft ernaar van het leven te genieten in allerlei vormen: van eenvoudig zintuiglijk genot als eten en drinken (de levensgenieter) tot hoogstaand kunstzinnig genot (de kunstenaar, kunstkenner);
- deze persoon streeft naar afwisseling in de omgeving om veel ervaringen op te doen;
- er moet in de omgeving iets te beleven zijn, anders is er niets aan.
Door de uitgekeerde instelling
- heeft zo iemand de behoefte ook bij anderen aandacht voor iets te wekken en streeft er daardoor naar anderen iets te laten zien of hen iets te leren (de leraar, reisleider, gids);
- door de uitgekeerde instelling heeft deze persoon behoefte aan gezelligheid en drukte om zich heen;
- zo iemand is een gezelschapsmens en is graag het middelpunt van het gezelschap; kan uitgebreid en op boeiende wijze over allerlei ervaringen vertellen (is op feestjes de gangmaker).
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de uitgekeerde waarneming:
- het denken blijft daardoor beperkt tot de ervaarbare werkelijkheid;
- het voelen komt tot uiting in een welgemeende belangstelling, die echter wel oppervlakkig blijft.
Het willen en de ingekeerde instelling verkeren in een min of meer onbeheerste toestand,
- waardoor zo iemand ook ongeduldig kan zijn, kan overdrijven of door een zekere heftigheid wordt gekenmerkt;
- streeft naar vrijheid van handelen om de eigen zin te kunnen doen;
- niet lang stil kan blijven zitten, zich vlug verveelt en zich dan overgeeft aan tijdverdrijf en vermaak;
- zintuiglijk verleidbaar is en bij zintuiglijk genot onmatig kan worden;
- door het ontbreken van de ingekeerde instelling heeft zo iemand geen zin zich ergens in te verdiepen en heeft daardoor een afkeer van levensbeschouwelijke onderwerpen.

terug naar de Inhoud

16. Het ingekeerde voelen (Pythagoras 6)
Het voelen is de zin voor saamhorigheid en liefde: het is de liefdeszin. De ingekeerd voelende persoon is gericht op gevoelens die leven in zichzelf en in een kleine groep personen, met wie een vertrouwensband bestaat.
De ingekeerd voelende persoon
is hartelijk, trouw en aanhankelijk; zo iemand wil tegen de partner op kunnen kijken en op hem of haar kunnen steunen om zich veilig te voelen; als de partner kan worden vertrouwd dan zet deze persoon zich volledig voor hem of haar in;
- bijzondere gebeurtenissen móeten met de partner of een goede bekende worden gedeeld;
- zo iemand beleeft de gevoelsband met de ander in de vorm van een persoonlijke gemoedstoestand in zichzelf en voelt daardoor een persoonlijke betrokkenheid naar ander toe, leeft met de ander mee en heeft de neiging alles wat er tussen beiden gebeurt, zich persoonlijk aan te trekken;
- raakt vertederd door alles wat klein en hulpbehoevend is en wil dan graag voor die ander zorgen;
- zo iemand treedt opvoedend op vanuit een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor hen, met wie men zich persoonlijk verbonden voelt.
Door de ingekeerde instelling
- worden gevoelens en gedachten alleen geuit binnen een vertrouwde, persoonlijke verstandhouding;
- zo iemand heeft als het ware een aangeboren geloof in het hogere en heeft een verborgen, maar diep gevoel voor persoonlijke, geestelijke onderwerpen,
- en staat ook open voor ingevingen en voor het aanvoelen van komende gebeurtenissen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van de ingekeerd voelende persoon:
- het waarnemen is gericht op de persoonlijke behoeften van zichzelf en anderen en
- de wilskracht wordt gebruikt om anderen te begeleiden en te verzorgen (huisvrouw, verpleegster).
Het denken en de uitgekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld en
- daardoor kan de ingekeerd voelende persoon wel goed meedenken met anderen, maar een afkeer voelen om zelf gedachten te vormen en die te verwoorden;
- bij zo iemand ontbreekt de zekerheid van het eigen denken en hij of zij lijdt daardoor aan onzekerheid, zelftwijfel en angst;
- is daardoor kwetsbaar en weet zich niet te verdedigen tegen persoonlijke aanvallen.

terug naar de Inhoud

17. Het ingekeerde denken (Pythagoras 7)
Het denkvermogen is de zin voor inzicht en waarheid: het is de waarheidszin. De ingekeerd denkende persoon overdenkt het wezenlijke van zichzelf en overdenkt de onderwerpen, gedachten en kennis die aanwezig zijn in de eigen binnenwereld.
De ingekeerd denkende persoon
- is een vrijdenker met persoonlijke inzichten;
- is scheppend denkend werkzaam, maar op een beperkt gebied en kan daardoor de aandacht langdurig bij één bepaald onderwerp vasthouden;
- zo iemand streeft naar geestelijk inzicht door zelfonderzoek,
- hij of zij zoekt naar de zin van het bestaan en ontwikkelt daardoor geesteswetenschappelijke inzichten;
- door het ingekeerde denken kan zo iemand verborgen verbanden ontdekken;
- daardoor ontstaat er orde en samenhang in de eigen gedachtenwereld en daardoor kan die worden uitgebouwd tot een wijsgerig denkstelsel (de wijsgeer, de geesteswetenschapper).
Door de ingekeerde instelling
- is zo iemand echter beter in luisteren en schrijven, dan in spreken,
- en vóór die iets over een onderwerp wil zeggen, moet er een diepgaande studie over worden gemaakt;
- door de ingekeerde instelling uit zo iemand, ondanks een innerlijke rijkdom aan kennis en inzichten, zelden ongevraagd zijn of haar mening over iets;
- deze persoon streeft naar verdieping van inzicht en het begrijpen van de grondslag der dingen, en heeft daardoor uit zichzelf een godsdienstige instelling;
- hij of zij heeft belangstelling voor mystiek en doet uit eigen beweging geestelijke oefeningen.
Het waarnemen en willen worden gebruikt voor de doelen van het ingekeerde denken:
- de aandacht wordt gericht op geestelijke onderwerpen en
- de wilskracht wordt gebruikt om zich langdurig met één onderwerp te kunnen bezighouden.
Het voelen en de uitgekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld en dat heeft tot gevolg dat zo iemand
- een verborgen gebrek aan zelfvertrouwen heeft en zich voortdurend onzeker voelt met betrekking tot het oordeel van anderen;
- door zijn of haar zwijgzaamheid niet goed wordt begrepen;
- gevoelens voor zichzelf houdt en daardoor onverschillig lijkt;
- een afkeer van persoonlijke betrokkenheid heeft en daardoor een onverstoorbare indruk maakt.

terug naar de Inhoud

18. Het uitgekeerde willen (Pythagoras 8)
Het willen is de ondernemingszin, de ondernemingslust, daadkracht en volharding. De uitgekeerd willende persoon wil handelend optreden en plannen uitvoeren in de buitenwereld. Het uitgekeerde willen is het willen voor en door de ander; de ander wordt bij de wilsbesluiten betrokken.
Door het uitgekeerde willen
- wil zo iemand een vrije ondernemer zijn die op eigen kracht een zaak opbouwt en die zelf leidt;
- weet zo iemand snel wat in een bepaalde toestand te doen, neemt onvervaard een besluit en voert dat uit;
- heeft deze persoon duidelijke doelen en gaat daar ook recht op af,
- is moedig en durft door te zetten als anderen zich terugtrekken,
- maar kan ook overmoedig zijn, aan zelfoverschatting lijden en meerdere malen zakelijk mislukken;
- deze persoon streeft naar de top om persoonlijke vrijheid te hebben en onbelemmerd te kunnen handelen (zakenman/vrouw, politicus),
- meent dat het pas goed is als de zaak in beweging blijft, waardoor er voortdurend wat wordt veranderd en medewerkers overbelast raken;
- streeft men als sportman/vrouw naar de top: alleen de eerste plaats is goed, de tweede een mislukking.
Door de uitgekeerde instelling
- heeft deze persoon leiderseigenschappen en streeft daardoor naar de macht om anderen in beweging te kunnen brengen en leiding te geven;
- straalt zo iemand een natuurlijk gezag en zelfvertrouwen uit of weet die indruk te wekken.
Het denken en voelen worden gebruikt voor de doelen van de uitgekeerd willende persoon:
- het denken wordt gebruikt om plannen te maken, uitdagingen te zien en mogelijkheden te ontdekken om iets te ondernemen;
- het voelen wordt gebruikt om bij anderen vertrouwen te wekken voor die onderneming en hen aan te sporen daaraan mee te werken.
Het waarnemen en de ingekeerde instelling zijn min of meer onontwikkeld, wat tot gevolg heeft dat deze persoon
- nauwelijks een familieleven heeft: de zaak gaat voor;
- geen belangstelling heeft voor diepzinnige onderwerpen;
- wel de grote lijn ziet, maar geen oog heeft voor bijzonderheden en persoonlijke zaken,
- en op dat persoonlijke gebied onjuiste besluiten kan nemen en mislukken,
- zich kan overgeven aan zintuiglijk genot.

terug naar de Inhoud

19. Het innerlijke evenwicht (Pythagoras 9)
De acht persoonlijkheidskenmerken kunnen ook op evenwichtige wijze in de persoonlijkheid aanwezig zijn (de rode bol). Daarbij is er in grote lijnen verschil tussen een onontwikkelde, een min of meer en een geheel ontwikkelde toestand.
1. In de onontwikkelde toestand kan deze persoon door de veelzijdigheid
- met iedereen meedenken en meevoelen, daardoor moeilijk een eigen standpunt bepalen en lang twijfelen om een besluit te nemen;
- zich in álle anderen verplaatsen, waardoor weliswaar met niemand ruzie wordt gemaakt, maar ook niet de waarheid wordt gezegd,
- weliswaar door innerlijke rust worden gekenmerkt, maar door de onontwikkelde toestand toch nietszeggend zijn;
- door de vele mogelijkheden kan er geen keuze worden gemaakt, waardoor het voorkomt dat niet een ervan wordt benut.

2. In een meer ontwikkelde toestand heeft deze persoon een kleurrijke persoonlijkheid,
- is een duizendpoot die alles aanpakt en afmaakt,
- heeft een brede belangstelling en ontwikkelt zich veelzijdig;
- is een goede bemiddelaar en onderhandelaar, doordat hij of zij zich in beide partijen kan verplaatsen en zo voor beide aanvaardbaar is;
- toch kan het voorkomen dat door de veelheid van mogelijkheden het moeilijk is een keuze te maken en het lang duurt, voordat een besluit wordt genomen en uitgevoerd (de laatbloeier).

3. De geheel tot ontwikkeling gekomen persoonlijkheid wordt gekenmerkt door het evenwichtige gebruik dat de persoon van de vier vermogens en beide instellingswijzen heeft leren maken. Het uit die geestelijke werkzaamheid voortkomende gedrag wordt gekenmerkt door:
- de zin voor schoonheid en echtheid van het waarnemen;
- het streven naar waarheid en inzicht van het denken;
- de liefde, goedheid en saamhorigheid van het voelen;
- de daadkracht en volharding van het willen;
- de gemeenschapszin van de uitgekeerde en de zelfbezonnenheid van de ingekeerde instelling.
Deze bewust en beheerst gebruikte, ontwikkelde vermogens
- komen ingekeerd tot uitdrukking in het geweten: in zelfbeschouwing, redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zo nodig zelfbeheersing;
- en uitgekeerd in de deugden: in aandacht, begrip, liefde en geduld;
een door medemenselijkheid gekenmerkt gedrag.

terug naar de Inhoud

20a. Het geweten
iedere mens heeft een unieke persoonlijkheid, doordat je zoals beschreven één van je vermogens en instellingen goed beheerst. Daarnaast beheers je ook twee vermogens min of meer, terwijl het tegendeel van het hoofdvermogen je zwakke zijde is.
Toch maak je in het dagelijkse leven allerlei gebeurtenissen mee, die je aanzetten al je vermogens te gebruiken, ook dat van je zwakke zijde. Daardoor leer je ze steeds meer bewust en beheerst te gebruiken, waardoor ze geleidelijk tot ontwikkeling komen en je gebeurtenissen beter kunt verwerken. Zo is het dagelijkse bestaan een leerschool voor de ontwikkeling van je vermogens, waardoor je langzaam naar het doel: het innerlijke evenwicht, toegroeit.

Daarnaast komt er geleidelijk ook een bijzondere eigenschap van je vermogens tot ontwikkeling: de mogelijkheid je aandacht en de werkzaamheid van je vermogens niet alleen op een bepaald onderwerp te richten, maar door inkeer in jezelf ook op de waarde van die innerlijke werkzaamheid.
Naast de werkzaamheid met een gebeurtenis als doel, is er een tweede, die de eerste als doel heeft. Er is een weten (het eerste) en een 'medeweten' (het tweede gebeuren), een waarnemen en 'medewaarnemen', een denken en 'mededenken', een voelen en 'medevoelen'. Het geweten is a.h.w. een 'medebewustzijn': een toestand waarbij je ook bewust bent van je eigen werkzaamheid en die beoordeelt.
Door je geweten wil je niet alleen rekening houden met jezelf, maar ook met anderen doordat je in staat bent je vermogens zo te leiden dat je bij voorbaat ook overweegt, wat het gevolg van je gedrag voor je medemens zal zijn.

Je zwakke zijde is echter oorzaak van kwetsend gedrag. Als je geweten dan gaat spreken: - krijg je door zelfbeschouwing (waarnemen) besef van kwetsend gedrag,
- dan volgt zelfbeoordeling: gedroeg ik mij goed of slecht, en zelfstrijd: je redeneert het voorval weg of je laat zelfbeschuldiging toe (denken, voelen),
- door zelfverwijt volgt schuldbesef: gevoelens van spijt, schaamte, berouw en daardoor wil je je gedrag herstellen, boeten, de verstandhouding weer goed maken (willen). Je bekent aan de ander schuld en vraagt om verontschuldiging: ik voel me schuldig, wil je mij verontschuldigen?

Door het geweten als redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en zelfbeheersing heeft het tweede gebeuren een bijsturende werking op het eerste in de vorm van een cybernetische stuurkring.
Die bijsturing is de mogelijkheid de vermogens op jezelf terug te koppelen:
- de zelfbeoordeling waar je geweten mee begint, is de terugkoppeling: je wilt de aard van je eigen werkzaamheid onder ogen zien en beoordelen;
- de afkeuring van je eerste overwegingen is de tegenkoppeling: dan beheers je jezelf;
- de goedkeuring ervan is de meekoppeling: dan zet je je geesteswerkzaamheid door.

terug naar de Inhoud

20b. De deugden
Het enige wat je als menselijke geest kunt, is gebruik maken van je vermogens: je kunt de gebeurtenissen om je heen waarnemen, ze in jezelf verwerken door ze te overdenken en te doorvoelen, en dan besluiten er iets mee te willen doen; daarbij kun je je werkzaamheid terug naar de buitenwereld richten, maar je ook bezinnen op jezelf.
Door het verwerken van alles wat door tijd als stroom van gebeurtenissen op je af komt, leer je je vermogens steeds meer bewust en beheerst te gebruiken, en dat is wat geestelijke groei, persoonlijkheidsvorming wordt genoemd. Door de voortdurende wisseling van levenservaringen groeien je vermogens langzaam toe naar hun ontwikkelde toestand: het waarnemen wordt dan gekenmerkt door de zin voor schoonheid, denken door wijsheid, voelen door liefde en willen door vastberadenheid. De ingekeerde instelling komt tot uiting in zelfbezonnenheid en het daarmee samenhangende geweten, de uitgekeerde uit zich dan in je gedrag als de gemeenschapszin.

in die gemeenschapzin komen je vermogens tot uiting in de vorm van de deugden. Een deugd is één van de tot ontwikkeling gekomen vermogens als eigenschap van je persoonlijkheid. De deugdelijke toestand is een ontwikkelingstoestand, waarin dat vermogen wordt gekenmerkt door: kracht, bruikbaarheid en doelmatigheid. Het woord 'deugd' betekent 'goed zijn', 'het doel treffen', 'krachtig zijn', 'passend zijn'.
Deugdelijkheid is degelijkheid, vastheid en betrouwbaarheid. Door deugdzaamheid wordt je gedrag - en daarmee je persoonlijkheid - uit liefde (voelen) gekenmerkt door aandacht (waarnemen), begrip (denken) en geduld (wilskracht).
Door geestelijke ontwikkeling is er in jouzelf een evenwichtige samenwerking tussen al je vermogens ontstaan, waardoor zij met elkaar samenhangen en die innerlijke samenhang breidt zich door je gedrag heen naar buiten toe uit, waardoor er ook een samenhang met de mensen om je heen kan ontstaan.
Het beste wat je daarom voor je medemensen kunt doen, is streven naar die gewetensvolle toestand en die deugdzaamheid. Daarvoor is zelfinzicht en inzicht in je medemensen, onder andere in de vorm van geestkunde, onontbeerlijk, want je kunt alleen leren liefhebben, wat je kent.

terug naar de Inhoud

21. Geestgedaante en lichaam
De geestelijke vermogens zijn niet alleen herkenbaar in de innerlijke stem, de hersenen en de persoonlijkheidskenmerken, maar ook in de vorm van het lichaam.
Door de werkzame vermogens straalt de geest een vormbare krachtruimte uit: de ziel. ieder vermogen heeft een eigen uitstraling, waarin het zijn voortbrengselen bewaart: kennis in die van het waarnemen, gedachten in die van het denken, kleuren in die van het voelen, wilsbesluiten in die van het willen.
in de loop van onafzienbare tijden heeft de menselijke geest aan zijn ontwikkeling gewerkt, heeft steeds meer een bewust en beheerst gebruik leren maken van zijn vermogens, waardoor óók de eigenschappen daarvan hebben ingewerkt op die uitstraling en daaraan een vorm hebben gegeven: de geestgedaante.
De geestgedaante houdt in deze stoffelijke wereld de stof vast, die als voedsel door de mond naar binnen wordt gebracht, waardoor de geestgedaante in deze wereld als het lichaam verschijnt.

De eigenschappen van het waarnemen - het opnemen van indrukken - hebben vorm gegeven aan het hoofd met zijn opnemende zintuigen: gezicht, gehoor, reuk, smaak, tast;
- die van het denken - ontleden en samenvoegen - hebben vorm gegeven aan de organen van de buik: ontledende darmen en samenvoegende lever, de ontledende en samenvoegende nier;
- die van het voelen - liefhebben en verzorgen - hebben vorm gegeven aan hart en bloedsomloop: zij verzorgen alle cellen met voedingsstoffen en verwijderen afvalstoffen;
- die van het willen - ondernemen en handelen - hebben vorm gegeven aan skeletspieren en ledematen;
- die van de in- en uitgekeerde instelling hebben vorm gegeven aan de in- en uitademende longen;
- die van de geest als geheel hebben vorm gegeven aan het skelet, de hersenen en het zenuw- en hormoonstelsel, waardoor het lichaam als een eenheid werkt.

Voor de geest is dit lichaam het tijdelijke voertuig, waarmee die zich in de stoffelijke wereld kan bewegen, leerzame ervaringen kan opdoen en zich ontwikkelt door die met de vermogens te verwerken.
Vanuit de eigenschappen van de geestelijke vermogens zijn alle eigenschappen van de mens: geest, ziel, geestgedaante en lichaam, en zijn geestelijke ontwikkeling, als een samenhangend geheel te beschrijven.

terug naar de Inhoud

22. De chakra's
Tot nu toe heb ik de vermogens besproken in een omgeving, waar hun werking voor iedereen ervaarbaar is: als de innerlijke stem, als eigenschappen van de persoonlijkheid en in de vorm van de hersenen en van het lichaam.
in de omgang met je medemensen in het dagelijkse bestaan kun je trachten je gewetensvol en deugdzaam te gedragen, en daardoor leer je je vermogens steeds meer bewust en beheerst te gebruiken en groeien zij toe naar het ontwikkelde, innerlijke evenwicht. Daardoor worden zij op den duur ook ervaarbaar op een etherische wijze als de z.g.n. chakra's: wielen of padma's: lotusbloemen.
Zoals beschreven heeft ieder vermogen vanuit de geest een eigen uitstraling in de ziel, waarin de voortbrengselen ervan worden bewaard; maar zij hebben vanuit de geest ook een etherisch kanaal dat door de ziel heen uitmondt in een trechtervorm, waarbinnen hun geestkracht als een draaikolk beweegt. In de zelfbezonnen geestestoestand kun je die draaiingen waarnemen als een 'druk' op de chakra's, waardoor je door de chakra's het bestaan van je geestgedaante rechtstreeks ervaart (afbeelding).
in de mannelijke geest is het verloop van de vermogens waarnemen, dénken, voelen en willen, en in de vrouwelijke geest waarnemen, vóelen, denken en willen. Dit wezenlijke onderscheid komt ook in de chakra's tot uiting, doordat bij de mannelijke geest de chakra's in de uitstralende toestand naar rechts draaien en in de opnemende naar LINKs, terwijl het bij de vrouwelijke geest andersom is. Als twee geliefden bij elkaar zijn, draaien hun chakra's daardoor in overeenstemming met elkaar en vormen een etherische band, wat als een groot geluk wordt ervaren.
iemand met een ontwikkelde persoonlijkheid wekt door zijn chakra's heen een krachtige uitstraling op, wat door anderen wordt opgemerkt en ook zo wordt benoemd.
De geest straalt door zijn chakra's heen geestkracht naar buiten of ontvangt die van anderen; chakra's zijn knooppunten, sluizen. Als een leraar zijn leerlingen iets wil leren, dan helpt het als er eerst een vertrouwensband wordt gevormd, waardoor de leerlingen hun chakra's openen en niet alleen de woorden horen, maar door te luisteren ook in zich opnemen.
Een goede dirigent die voor zijn of haar orkest staat, is niet alleen door gebaren, maar ook door de chakra's heen op etherische wijze met de muziekanten verbonden, waardoor het orkest als een éénheid speelt. Die persoonlijke band met de orkestleden is dan zo sterk, dat de dirigent zijn persoonlijke stempel op de uitvoering drukt. Daardoor kunnen muziekkenners later aan een uitvoering herkennen, welke dirigent voor het orkest heeft gestaan.
Een goede ruiter op zijn of haar paard is door de chakra's heen met het rijdier verbonden, waardoor het zich gewillig door de ruiter laat leiden.

terug naar de Inhoud

23. Het 'bewustzijn'
iedere mens verkeert - de een meer, de ander minder - in een toestand van bewustzijn van zichzelf als een zelfstandig wezen; iedere mens leeft min of meer met het besef 'er te zijn' en er weet van te hebben een persoon te zijn, die zich onderscheidt van andere om zich heen. Wetenschappers noemen dit zelfbesef 'het bewustzijn' en zijn naarstig op zoek te vinden wat het is en waar het zetelt. Ook het wonderlijke verschijnsel dat het bewustzijn er overdag wel is, maar 's nachts, in diepe slaap, niet, is een aansporing tot wetenschappelijk onderzoek. Waar al wel overeenstemming over is bereikt, is de opvatting, dat het iets met de hersenen te maken moet hebben, maar verder kan nog niemand dit zo wezenlijke verschijnsel - waar toch ook hun eigen werkzaamheid van afhankelijk is - afdoende verklaren.
Het woord 'bewustzijn' is een zelfstandig naamwoord, dat afkomstig is van het werkwoord 'zich bewust zijn'. Daarin is 'zich' een betrekkelijk voornaamwoord, dat verwijst naar een zekere zelfstandigheid, terwijl 'zijn' een werkwoord is; dat houdt in dat het werkwoord 'zich bewust zijn' betekent, dat er een werkzame zelfstandigheid moet zijn die zichzelf in een zijnstoestand kan brengen, waarin die 'bewust' is. M.a.w. 'zich' wijst op een zelfstandigheid, 'zijn' wijst op een bepaalde toestand van die zelfstandigheid en die toestand wordt 'bewustzijn' genoemd.
Nu is het woord 'bewust' in het verleden aan het Duits ontleend en in die taal hangt het samen met 'wissen': weten. De toestand van 'bewustzijn' is m.a.w. een toestand van 'wetend zijn'. Etymologisch hangt het Germaanse 'weten' samen met het Latijnse 'videre', dat 'zien' betekent; een begrijpelijke samenhang, want de mens komt iets 'te weten' door het 'te zien', met andere woorden: door het waar te nemen.
in het voorafgaande heb ik duidelijk gemaakt dat het de menselijke geest is die werkzaam is met zijn vier geestelijke vermogens - een werkzaamheid die met het waarnemen begint. Het is de menselijke geest die door waar te nemen in een tóestand komt te verkeren, zich van iets bewust te zijn... waardoor 'het bewustzijn' een gééstestoestand is, die alleen in het innerlijk van de geest is te vinden.

Door waar te nemen komt de menselijke geest in de geestestoestand die 'bewustzijn' wordt genoemd, doordat de geest dan weet heeft van de dingen. De geest is dan 'het bewuste' als datgene, wat 'bewust is'. De geest is het enige, dat in de toestand kan verkeren 'het bewuste' te zijn. Maar daardoor is de geest ook het enige, dat in een toestand kan verkeren 'het onbewuste', het niet wetende te zijn, als bepaalde dingen voor de geest niet zijn waar te nemen. Die dingen zijn voor de geest het 'onbekende'.
in het verleden is de vergissing gemaakt dat 'onbekende' met het 'onbewuste' te verwisselen. Het 'onbekende' is dat wat de geest niet kent en het is de geest die daardoor 'het onbewuste' is.
Het Nederlandse werkwoord luidt: 'zich bewustzijn' en is verplicht wederkerend, het betrekkelijke voornaamwoord 'zich' kan niet worden weggelaten, het verwijst naar de persoon die zich van iets bewust is. Het daarvan afgeleide zelfstandige naamwoord moet zijn: 'het zich bewustzijn'; door onjuist 'zich' weg te laten, verdwijnt de persoon uit het zicht en wordt 'het bewustzijn' een raadsel.

terug naar de Inhoud

24. De geestestoestand van onbewustheid van zichzelf
"De geest weet zelf niet wat de geest is." Cicero, Rom. filosoof

Wat is de oorzaak van deze uitspraak? Neem voor het antwoord voorlopig het volgende van mij aan - later zal ik dit nader verklaren.
Er is een algeest die bestaat uit geestelijk licht en geestelijke warmte, die in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: bewéging en rúst. In rust zijn dat licht en die warmte beweegbaar en vormbaar; in beweging zelfbewegend en zelfvormend werkzaam. Met die eigenschappen hangen zoals beschreven de vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken zelfvormend licht, voelen vormbare warmte, willen zelfvormende warmte. In de geesten van alle levende wezens zijn dat licht en die warmte in een toestand van éénheid zoals in de algeest en daardoor leven zij.
Niet alleen de menselijke geest is door verdichting uit de algeest voortgekomen, maar óók de stof. Die bestaat volgens natuurkundigen uit deeltjes (bouwstenen) en krachten, die hen in het atoom bij elkaar houden. Daardoor vormen deeltjes en krachten weliswaar ook een eenheid, maar licht en warmte blijven daarin verdeeld: een twéé-eenheid.
De bouwstenen worden fermionen genoemd, hun verbindende krachten bosonen. De eerste zijn o.a. elektronen en kwarks, die als drietal protonen of neutronen vormen; de tweede zijn o.a. de fotonen (licht) en de gluonen. De gluonen houden drie kwarks bij elkaar tot pro- en neutronen, die de atoomkern vormen, de fotonen houden de elektronen vast rondom hun kern. De kern trilt, maar blijft op in rúst zijn plaats; de elektronen zijn voortdurend in bewéging rond hun kern.

Zowel geest als stof zijn door verdichting uit het licht en de warmte van de algeest voortgekomen, maar in de geest vormen zij een eenheid en in de stof zijn zij verdeeld. Stof is daardoor ongeestelijk, niet-levend, terwijl de geest de levenskracht is. Daardoor kan de geest als die zich in deze wereld met het tegendeel van zichzelf - de stof - verbindt, hier niet zichzelf zijn en wordt onbewust van het eigen bestaan. Het enige wat overblijft, is de innerlijke stem; dááraan kan de geest het eigen bestaan rechtstreeks herkennen.
Daarnaast is het de geest als levenskracht die de levenloze stof, het lichaam, in beweging brengt.

terug naar de Inhoud

25a. De aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging
Als de menselijke geest zich met de stoffelijke wereld verbindt door geboorte of er 's morgens wakker te worden, dan verliest de geest het zelfbewustzijn. Dit wordt, zoals ik heb beschreven, veroorzaakt doordat de geest als het levende zich hier met het niet-levende, de stof, verbindt.
in het begín van het aardse bestaan gaan de opvoeders van het kind liefdevol op de pas in het lichaam geboren geest inwerken, om deze te wekken uit die toestand van onbewustheid, waardoor de geest in het kind hier 'wakker wordt'.
Nu is een 'werkelijkheid': 'datgene, wat werkt'. De pasgeboren geest wordt door de inwerking uit de omgéving al wel wakker, maar het is eerst alleen die omgéving die ínwerkt en daardoor het wakker worden veroorzaakt. Daardoor begint de geest dit bestaan met de ervaring en bewustwording, dat de omgéving als 'dat wat werkt' de wérkelijkheid is; want hij of zij is zich nog niet bewust van de eigen innerlijke werkelijkheid, die met de werking van eigen vermogens samenhangt.

Vervolgens draagt de geest dat eigen, nog zwakke besef 'er te zijn', het vage besef van eigen werkelijkheid dat alleen met 'wakker zijn' samenhangt, over op de omgeving. Aandacht en toewijding vloeien uit de geest weg en worden geheel gericht op de krachtig aandacht trekkende opvoeders in de buitenwereld.
Deze overdracht heeft de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan tot gevolg. Hierdoor is alleen de stoffelijke wereld werkelijk en blijft de geest voor zichzelf eerder een ónwerkelijkheid. Door de overdracht van aandacht en toewijding op de omgeving, voelt de geest zich één met dit bestaan en geraakt in de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging. Daardoor wordt alleen de stoffelijke helft van de schepping gezien en gedacht, dat 'dit alles is wat er is'.
Doordat de geest hier zichzelf niet is, wat zich uit in het gedrag, kunnen er moeilijkheden ontstaan die moeten worden opgelost. Daardoor wordt de geest ertoe aangezet de eigen vermogens te gebruiken, waardoor zij geleidelijk aan tot ontwikkeling komen; zo kan de geest tot zichzelf komen en uiteindelijk naar een geestelijk zelfbewustzijn toegroeien.
Deze geestelijke ontwikkeling is de diepe zin van deze beproevende aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan.

terug naar de Inhoud

25b. De onbewuste vereenzelviging en de vermogens
Door de beschreven overdracht wordt alleen de stoffelijke helft van de werkelijkheid gezien, waardoor waarden worden omgekeerd en het stoffelijke boven het geestelijke wordt verheven. De zin van het bestaan komt te liggen in het verwerven van aanzien en bezit, i.p.v. in geestelijke ontwikkeling.
Hoe zien de vermogens in deze toestand eruit?
in de aanvangstoestand is de geest nog onbewust van zichzelf en beheerst de vermogens daardoor nog niet. Zij kunnen onbeheerst en wanordelijk werkzaam zijn, beïnvloed door gebeurtenissen. Zij gaan a.h.w. ongeheerst hun eigen gang; de persoon is aan hun werking overgeleverd en gedraagt zich min of meer onaangepast: het kinderlijke gedrag.

- Het waarnemingsvermogen gaat op in gewaarwordingen, die door de zintuigen bij de geest binnenkomen, waardoor die aan hen gebonden raakt en door zintuiglijkheid en verleidbaarheid wordt gekenmerkt.
- Door vereenzelviging met gewaarwordingen kan het denken door de voorstellingen die erdoor ontstaan, worden beheerst en door hen worden aangezet tot een onbeheerste gedachtenstroom.
- Door gebrek aan zelfbeheersing kan het voelen voorkomen in de vorm van onbeheerste gemoedstoestanden: gemoedsaandoeningen. Als de geest door onbeheerstheid in een lijdzame toestand terechtkomt in plaats van een zelfwerkzame houding aan te nemen, kunnen ervaringen het gemoed gaan overweldigen, wat gaan aandoen. De geest is dan zelf de eigen gemoedstoestand niet meer meester, maar laat zich beheersen door uiterlijke gebeurtenissen of door de voorstellingen van het onbeheerste denken in de ziel. De geest kan daardoor de speelbal worden van daarmee samenhangende aandoeningen; zij kunnen de geest verontrusten en voortdrijven.
- Bij de onbeheerste werkzaamheid is er ook een oordeelsvorming, maar daarbij zijn de maatstaven aandoeningen zoals lust of onlust, zin of tegenzin, welgevoelen of pijn. Daaruit komen aandriften als begeerte of afkeer voort. De aandrift is de wilskracht in een nog onbeheerste, ongeremde toestand, niet geleid door redelijke of zedelijke overwegingen, maar door wat er toevallig in de omgeving gebeurt; het gedrag wordt daardoor onberekenbaar, de oorzaak van moeilijkheden.
Als met andere woorden de vermogens niet worden beheerst, dan verkeert de geest in een toestand dat die kan worden geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen, en kan worden gedreven door aandoeningen en aandriften.

terug naar de Inhoud

26. De geestestoestand van bewuste vereenzelviging
De onbewuste vereenzelviging is een algemene, van tevoren bestaande geestestoestand, waarmee iedereen aan dit bestaan begint. Op sommige gebieden kan die uitgroeien tot een bewüste vereenzelviging, de toestand waarin de geest zich bewust is geworden van vereenzelviging met een persoon, beroep, voorwerp, levensomstandigheid of genotverschaffende stof.
Deze bewuste vereenzelviging is de gehechtheid; daarin is de geest tot het beséf gekomen zich één te voelen met iets anders buiten zich. Door de overdracht van aandacht en toewijding op een persoon of voorwerp in de buitenwereld, is a.h.w. ook het zelfgevoel erop overgegaan, waardoor de persoon zich er één mee voelt en er min of meer door bezeten kan zijn. Het lijkt alsof het onderwerp van de gehechtheid de baas is geworden over het gedrag. Maar de oorzaak van deze toestand is het gebrek aan zelfbewustzijn en zelfbeheersing. Waardoor de geest naar de bevrediging van bepaalde verlangens móet streven.

De persoon heeft al wel wéét gekregen (waarnemen) van de toestand van afhankelijkheid door gehechtheid, maar beheerst die toestand nog niet (willen). De wilskracht wordt nog niet bewust beheerst, waardoor de persoon met kracht streeft naar bevrediging van het verlangen.

Hoe zien de vermogens in deze gehechte geestestoestand eruit, waarin de geest in zichzelf is opgegaan en de werkzaamheid van de vermogens zelfzuchtig op zichzelf heeft gericht:
- door de zelfzucht wordt het waarnemen gekenmerkt door hebzucht: alles wat de persoon ziet, wil die hebben;
- het denken wordt gekenmerkt door regelzucht: de geest wil alles regelen naar eigen inzichten, ook voor anderen;
- het voelen wordt gekenmerkt door eerzucht: de geest is zo met zichzelf ingenomen, dat met alles wat die doet, eer moet worden verworven;
- het willen wordt gekenmerkt door heerszucht: de geest stelt zichzelf in het middelpunt en alles wat gebeurt, moet naar zijn of haar zin gaan.

Het woord 'zucht' betekent: ziekte. Door zelfzucht is de geestestoestand ziek door zelfgerichtheid. Het is het oerkwaad; al het verdriet en kwaad, dat mensen elkaar en zichzelf aandoen, komt uit deze zelfgerichte geestestoestand voort.

terug naar de Inhoud

27. De geestestoestand van eenzijdige vereenzelviging
De eenzijdige vereenzelviging is de geestestoestand waarin de geest zich in zichzelf heeft vereenzelvigd met één van de eigen vermogens. Die bestaan, zoals beschreven (10b), uit paren van tegendelen. De vereenzelviging kan b.v. met het denken zijn als het de tegendelen denken en voelen betreft, of met het willen bij het waarnemen en willen.
Denken en voelen zijn tegendelen, doordat door te denken op afstandelijke wijze twee záken met elkaar worden verbonden en door te voelen een band tussen twee persónen wordt gevormd. Waarnemen en willen zijn tegendelen, doordat de geest door het waarnemen de buitenwereld op zich laat inwerken en door te willen vanuit zichzelf daarop inwerkt.

Vanuit de persoonlijkheidsaanleg en omdat een mens maar één ding tegelijk goed kan doen, kan de voorkeur bewust naar één van de vermogens uitgaan; dat groeit dan eenzijdig uit en het gedrag wordt vooral door eigenschappen van dat vermogen bepaald. Het tegendeel ervan komt dan onvoldoende tot ontwikkeling en wordt de zwakke zijde van de persoonlijkheid. Dat betekent dat de eigenschappen van dat vermogen, die voor een evenwichtige persoonlijkheid onontbeerlijk zijn, vaak op een storende wijze in het gedrag ontbreken of zich onbeheerst uiten. Ook het ontbreken of de onbeheerstheid van die eigenschappen bepalen mede de persoonlijkheid.
Als de eenzijdige voorkeur b.v. het denken is, dan kan de geest zich wel goed en langdurig in de denkende toestand brengen, maar niet of moeilijk in de tegenovergestelde, voelende toestand. Dit heeft een afstandelijke, zakelijke houding tot gevolg, die ongevoelig kan zijn (zie voor de negen persoonlijkheidskenmerken nr. 11-19). Een denker kan ook minachting hebben voor het voelen dat in gevoelsmensen wordt ervaren; maar die afkeer betreft óók een onvervreemdbare eigenschap van zichzélf, wat leidt tot een onevenwichtigheid in de persoonlijkheid en daardoor in het gedrag. Een eerste stap in de ontwikkeling naar innerlijk evenwicht is de erkenning van eigen zwakheden en het streven zich daar steeds bewust van te zijn, en in gevoelsmatige omstandigheden zich te beheersen om kwetsend gedrag te vermijden en medeleven te tonen.

in de Westerse maatschappij bestaat de neiging het denken te bevorderen en te waarderen (wetenschap, handel en techniek) en op het voelen te bezuinigen (onderwijs, zorg en kunst).

terug naar de Inhoud

28. Bewustwording en zelfverwerkelijking
Door de beschreven onvolmaaktheden en eenzijdigheden kunnen moeilijkheden ontstaan als de mens zich staande moet houden in de tijd als stroom van beproevende gebeurtenissen. Daardoor wordt de mens op zichzelf teruggeworpen, kan zo zichzelf leren kennen en tot bezinning komen. De vraag: Wie ben ik en wat is de zin van dit bestaan? kan zich opdringen en er kan voor worden gekozen dit bestaan te zien als leerschool voor geestelijke ontwikkeling.

Zelfopvoeding én opvoeding is het meest zinvolle 'werk', want heeft niets dan menselijkheid tot gevolg. Als het werk aan het wezenlijke, dat de menselijke geest zelf is, betekent zelfopvoeding het omvormen van de eigen geesteshouding, door de ontwikkeling van de vermogens; terwijl opvoeding het voorleven is van het bewuste en beheerste gebruik, dat de opvoeder van de eigen vermogens maakt.

De vermogens en daarmee de persoonlijkheid komen tot ontwikkeling door de omgang met medemensen in het alledaagse bestaan. De mens wordt mens door omgang met de medemens en de ervaringen daarmee opgedaan op zichzelf toe te passen:
het waarnemen wordt ontwikkeld door bewust voor ervaringen open te staan en met aandacht naar anderen te luisteren;
het denken door te trachten de betekenis van die ervaringen te begrijpen, door ze verstandelijk te ontleden en door de rede te verbinden met overige ervaringen, waardoor je toeneemt in begrip;
het voelen door bewust een open gevoelshouding tegenover ervaringen aan te nemen, waardoor ze je persoonlijk kunnen raken en je met medemensen gaat meeleven;
de ontwikkeling van het willen is een oefening in zelfbeheersing en geduld, waardoor je meester wordt over jezelf als bewust vermogende geestkracht en redelijke en zedelijke besluiten vastberaden uitvoert.

Worden de vermogens ontwikkeld door ze zo veel als mogelijk is bewust en beheerst te gebruiken, dan wordt het waarnemen tot schoonheidszin, het denken tot wijsheid, het voelen wordt liefde en de wil krachtig. In de uitgekeerde instelling komen de vermogens tot uiting als gemeenschapszin en de deugden, in de ingekeerde toestand als zelfbezonnenheid en het geweten: kenmerken van een volwassen geestesgesteldheid.

terug naar de Inhoud

29. De zelfbezonnen geestesgesteldheid
Door jezelf als werk ter hand te nemen, kun je uiteindelijk jezelf worden. Als steeds duidelijker voor je wordt dat je de werkzame geest bent, ga je verlangen naar je oorsprong. De innerlijke weg daar naartoe is de zelfbezinning: de inkeer van de geestelijke vermogens in hun eigen bron, de geest, waardoor een toestand van zelfbewustzijn groeit.
Voor zelfbezinning moet je alle onderwerpen buiten je bewustzijnsruimte houden. Dan moet je aandacht en toewijding verinnerlijken door naar de plaats te gaan, waar je in jezelf de woorden spreekt en beseffen:
ik ben niet dit lichaam,
noch de inhouden van mijn ziel;
maar ik ben de menselijke geest,
de bewuste, vermogende levenskracht,
die nu deze woorden in zichzelf spreekt
en die in zichzelf de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt, en er dan iets mee wil doen.

Door je zo op het wezenlijke van jezelf te bezinnen, maak je je aandacht en toewijding eerst los van hun verbondenheid met de buitenwereld, daarna van de inhouden van je ziel en ten slotte trekt je ze samen op jezelf als het innerlijke middelpunt. Door die teruggaande beweging van je vermogens ga je van beleving van de wereld en van inhouden van je ziel, naar zelfbeleving.
Zo kom je als geest op den duur bewust en bezonnen te leven in het hart: de geest zelf als middelpunt, het innerlijke rustpunt - en in dat midden moet je zijn! Alleen in jezelf kun je als menselijke geest jezelf worden en zijn.

Door de bezinning op jezelf als geest heb je bewustzijn en kracht, aandacht en toewijding in jezelf verenigd, waardoor je nu jezelf zuiver waarneemt. Het willen waarnemen van jezelf als de bewuste, vermogende, werkzame levenskracht is het kernpunt. Het is: zelf-besef, zelf-ervaring, zelf-bewustwording.

Niets meer of minder dan dit, bewuste kracht, de uiterste eenvoud, 'wil de geest núzijn'. In het eenzame midden van de eigen ziel, vindt zo de zoeker het gezochte... de zoeker zelf. Door zelfbezinning wordt de aandacht, die door de wilskracht naar het hart is gevloeid, tot een zuiver, stil besef van eigen zelfstandigheid en werkzaamheid, en tot een eenheidsbeleving van innerlijke schoonheid, waarheid, vreugde en kracht.

terug naar de Inhoud

30. Zelfbezinning als geestelijke oefening
De zelfbezonnen geestestoestand is heel vluchtig en aandacht en toewijding vloeien makkelijk weg uit hun samengetrokken toestand in het hart. Kies om die toestand te oefenen een rustig tijdstip.
Moeilijker is het je binnenwereld stil te houden. Aandacht is: willen waarnemen, maar als het onderwerp nog niet duidelijk is, ga je makkelijk weer over naar mijmeren. Om die geestestoestand vast te houden, is een hulpmiddel nuttig: de beoefening van 'stille herhaling'. Dit houdt in dat je een woord, zin of korte tekst stil voor jezelf herhaalt; zo oefen je jezelf als: 'zichzelf verwoordende vormkracht', de wezenlijkste en meest met je eigen aard overeenkomende, geestelijke oefening:
- laat het herhalingswoord iets persoonlijks zijn, het staat dan het dichtst bij je eigen belevingswereld, zodat je de diepere betekenis begrijpt en het je óók gevoelsmatig aanspreekt;
- breng je lichaam in een makkelijke, rechtop zittende houding;
- in het begin kun je als hulpmiddel voor de stille herhaling je ademhaling gebruiken.

Richt je aandacht geheel op het bezinningswoord, in de geestelijke ruimte van je voorhoofd en herhaal het stil voor jezelf, waardoor de wanorde in je innerlijk ordelijk wordt door je eigen, bewuste wilskracht.
Blijf met je denken bij de diepere betékenis ervan en richt je innig op de gevoelswaarde, die het woord voor je heeft, zodat je het woord ook doorvóelt. Tracht zo 'een en al jezelf' te zijn: een waarnemende, denkende, voelende en willende, bewuste levenskracht, m.b.v. de stille herhaling als geestelijke oefening.
in die zelfbezonnen toestand spreek je het woord in je innerlijk, waardoor je de zelfgeschapen, innerlijke klank in jezelf hoort.
Besef vervolgens in de 'stilte tussen de woorden' dat je je er voortdurend van bewust bent er in de rust van die stilte nog steeds te zijn als diegene, die zich herinnert het woord in zichzelf te hebben gesproken en ook de uit zichzelf scheppende bron is, die dat woord vanuit die stilte weer wil gaan spreken.
Hierdoor verplaats je, tijdens de voorwoordelijke stilte, aandacht en toewijding van woordklank en betékenis naar de woordbrón: jij zélf als woordscheppende geest. Dát is zelfbezinning.

terug naar de Inhoud

31. Inwerking en hereniging
Door de zelfbezinning heb je bereikt, dat je tijdens de voorwoordelijke stilte tot een innig zelfbesef bent gekomen. Het is een toestand van diepe rust en stilte, doordat je je vermogens tot rust hebt gebracht; zodat je alleen de rustende, bewuste levenskracht bent. Deze innerlijke stilte is een toestand van leegte en ontvankelijkheid, want je merkt dat een andere geestkracht zich nu met jou kan verbinden. Je merkt dat die andere kracht door je chakra's heen op jou gaat inwerken, vooral op je kruin en voorhoofd, wat je als het instromen van kleuren ervaart en je in een verheven geestestoestand brengt.
Door overeenstemming met de geestestoestand van die andere kracht kan er een vereniging tot stand komen, waardoor je op je chakra's een druk ervaart en zij in beweging komen; waarna ook je lichaam meebeweegt, alsof je liefdevol wordt gewiegd.

Ook kun je ervaren hoe je door die kracht in vervoering wordt gebracht, uittreedt en wordt verbonden met een geest, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid, een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte: de alomtegenwoordige algeest. Vanuit de zelfbezonnen toestand kun je als een vonk, een bewuste, lichtende warmte, worden opgenomen in een jou geheel omstralende gloed, een doordringende, lichtende warmte; terwijl je als menselijke persoon toch volkomen jezelf blijft. Opgenomen in dat alomvattende licht, word je van binnenuit doorstroomd door een innige warmte, een verwarmende liefde, wat een met niets te vergelijken oerervaring is. Het is de beleving van het een-zijn met je grondslag, de algeest, bron van jezelf als menselijke geest.

Door deze hereniging zijn beide lichtende warmtes volkomen in elkaar opgegaan: de geest is, wat de algeest is en de algeest is, wat de geest is, de toestand van volmaakte hereniging. Je leeft in de algeest en de algeest leeft in jou; je ervaart jezelf als een vonkje uit en in de algeest.
Er is slechts één verschil gebleven: jij bent de menselijke geest, de kleine geest en je ervaart jezelf als deel van de grote geest. Je bent als menselijke geest een vónk en wordt door de alomvattende gloed met innige, warme liefde omgeven en doordrongen: de ervaring van de geestelijke hereniging.

terug naar de Inhoud

32. Het ontstaan van de menselijke geest
Door uittreding opgenomen in de algeest, werd aan mij het ontstaan van de menselijke geest uit de algeest getoond.
Eerst bevond ik mij in een geestestoestand van donkere koelte, gekenmerkt door een diepe rust, die zich aan mij voordeed als een 'aanwezigheid'; die verbond zich liefdevol met mij en liet mij delen in de vreugde van haar rust.
Daarna ontstond er in die rust een beweging, die aan mij verscheen als een lichtende warmte, die zich ook liefdevol met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van zijn beweging.
De beweging en zijn lichtende warmte was als zelfstandigheid uit de rust en haar donkere koelte voortgekomen, en verbond zich er daarna weer mee, waarbij de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte doordrong en die liet zich, samenwerkend, doordringen.
Daarbij vond een ompoling plaats, doordat de rust nu geheel in de beweging opging en de beweging en zijn lichtende warmte nu a.h.w. de 'buitenkant' vormde. ik als de toeschouwende geest ervoer hun nieuwe eenheid als een verkoelende warmte! Tegelijkertijd verscheen nu weer de zee van licht en warmte om mij heen, die ik al vaker had meegemaakt: de algeest.

Tijdens de vereniging van de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte, ontstond er a.h.w. tussen hen in eerst een bolvormige wolk van geestelijk licht, waarna er vanuit de algeest warmte naar toestroomde die het licht doordrong zoals in de algeest. Beide begonnen binnen die wolk zachtjes te wervelen, waardoor die bolvormige wolk tot leven kwam. De liefdevolle warmte had de lichtende gedachte die de algeest als een wolk in zichzelf had gevormd, tot leven gebracht.
Op dat ogenblik werd mij ingegeven: je hebt gezien hoe jij als menselijke geest ooit door verdichting van licht en warmte uit de algeest bent voortgekomen en een innige vreugde golfde door mij heen.

Daarna trad ik weer in mijn lichaam in en was vol van de ervaring die ik had mogen meemaken. Deze ervaring heeft mij daarna nooit meer losgelaten, en is altijd meer of minder nadrukkelijk op de achtergrond in mijn binnenwereld aanwezig. Het is de stuwende kracht achter de ontwikkeling van geestkunde.

Dezelfde geest herken ik in alle levende wezens; en zoals al die geesten door verdichting uit de eeuwige oneindigheid van de algeest zijn voortgekomen, zo zijn ook al hun levensvormen waarin zij op de aarde zijn door verdichting uit sterrenstof voortgekomen, dat in het hele heelal in sterren is gevormd.

terug naar de Inhoud

33a De algeest en de geestelijke vermogens 1
Zoals beschreven mocht ik ervaren dat de geest geheel bestaat uit tegendelen, die alle gelijkwaardig zijn. De oertegendelen worden gevormd door de oereigenschappen: rust en beweging, die zich in volgorde uiten als donker en koelte, licht en warmte.
De rust uit zich in de algeest als de geestestoestand van donkere koelte, die doordringbaar is, waardoor de geest in die toestand beweegbaar en vormbaar is;
en de beweging uit zich als lichtende warmte, waardoor de geest doordringend werkzaam kan zijn en door die werkzaamheid zelfbewegend en zelfvormend is;
al deze eigenschappen vormen in de nieuwe eenheidstoestand een eenheid doordat de rust en haar donkere koelte in de beweging en zijn lichtende warmte is opgegaan; daardoor kunnen het licht en die warmte in de nieuwe eenheidstoestand zowel vormbaar als zelfvormend zijn.

Een vorm kan door een vormende kracht alleen in zichzelf worden gevormd als iets anders vormbaar is; alleen door de vormbaarheid van het vormbare, kan een vormkracht in zichzelf vormen scheppen, zoals de geest. De eerst geschapen vorm, de bolvormige wolk, kon door de vormscheppende beweging in de algeest worden gevormd, doordat de beweging en zijn lichtende warmte door de vereniging ook de eigenschappen van de rust en haar doordringbare, vormbare donkere koelte in zich op had opgenomen.
Daarna werd deze geschapen lichtvorm liefdevol tot leven gebracht door ook de warmte eenzelfde vorm te geven en met het licht in de wolk te verenigen.

Door de verdichting zijn al deze eigenschappen ook in jezelf als menselijke geest aanwezig. Met de vormbare en zelfvormende eigenschappen van het licht en de warmte hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen, denken, voelen en willen.
Als je waarneemt breng je jezelf als geest in een toestand dat je licht van buiten af doordringbaar en vormbaar is; als je denkt breng je jezelf in een toestand dat je je licht van binnenuit zelf vorm geeft tot lichtbeelden; als je voelt, dan stel je je warmte vormbaar open voor inwerking uit de buitenwereld en als je wilt, dan vorm je je geestelijke warmte zelf om tot wilskracht.

Lao tse - Tao teh tsjing 26. Rust is de meester van beweging.

Isja oepanisjad 5. Het Ene is bewegende en onbeweeglijk (beweging en rust).

Aristoteles' Onbewogen Beweger: overal is beweging, waarvoor een oorzaak moet zijn, want iets kan niet uit niets voortkomen; die oorzaak heeft de eerste aanzet tot de beweging gegeven en moet daarom zelf zonder beweging zijn: onbewogen, in rust.

Thomasevangelie 50. Als de mensen vragen: Waar komt gij vandaan? zeg dan: Wij zijn uit het licht gekomen, daar, waar het licht uit zichzelf is ontstaan.
Als de mensen vragen: Wat is het teken van uw Vader in u? zeg dan: Het is beweging en rust.

Duits spreekwoord: "In der Ruhe liegt die Kraft."

terug naar de Inhoud

33b De algeest en de geestelijke vermogens 2
De algeest deed zich aan mij voor als een scheppende kracht, die wéét had van mij en zich bewúst met mij verbond. Een kracht is het vermogen arbeid te verrichten, werkzaam te zijn en zich ook weer tot rust te brengen, zich in te spannen en ook te ontspannen.
in de geest beschikt deze kracht over bewustzijn en is zo een 'bewuste kracht'. Want met het geestelijke licht hangt het vermogen samen zich van iets 'bewust te zijn' door het waar te nemen en met de warmte het vermogen krachtig te zijn door iets te willen, waardoor het wezen van de geest is dat die de bewuste levenskracht is, die kan waarnemen, denken, voelen en willen.

Door latere ervaringen met de algeest (wordt nog behandeld) werd mij duidelijk, dat de rust en haar donkere koelte de vrouwelijke, ontvankelijke zijde van de algeest is en de beweging en zijn lichtende warmte de mannelijke, indringende zijde. Het verloop van de vermogens begint met de ontvankelijkheid van het waarnemen, waardoor er gegevens de geest kunnen binnenkomen en de geest werkzaam kan worden met de overige vermogens. Zonder die vrouwelijke ontvankelijkheid, zoals het kijken en luisteren, gebeurt er in de geest niets.

Als je waarneemt, breng je jezelf in een toestand dat je licht (in jezelf als de bolvormige wolk) van buitenaf vórmbaar is tot een innerlijk ervaringsbeeld; je laat toe dat de buitenwereld in je doordringt en zich als een lichtbeeld in je afdrukt, waardoor je je van je omgeving bewust wordt, waardoor je er weet van krijgt;
als je denkt, ben je in een toestand dat je je licht van binnenuit zélf vormt tot een lichtbeeld, wat een denkbeeld is, een gedachte, waarmee je tot je toehoorders doordringt;
als je voelt, ben je in een toestand dat je warmte van buitenaf vórmbaar is tot een gevoel, dat is je gemoedstoestand, die je door je omgeving kunt laten vormen doordat je toelaat dat die in je doordringt; daardoor kun je met je medemensen meevoelen, meeleven;
en als je wilt, dan ben je in een toestand dat je je warmte van binnenuit zélf vormt tot wilskracht en zo handelend op kunt treden in de buitenwereld.

Zoals de afbeelding laat zien, kan de algeest door je vermogens heenstralen, als je ze gewetensvol en deugdzaam gebruikt.

terug naar de Inhoud

34. Wat is wetenschap?
Een wetenschappelijke houding tegenover álle verschijnselen en gebeurtenissen die je kunt ervaren - óók de geestelijke - houdt in:
- dat je die zonder vooroordeel of vooringenomenheid waarneemt en als gegeven aanvaardt;
- dat je vervolgens overdenkt welke betekenis dat verschijnsel of die gebeurtenis voor je kan hebben en beproeft of zij een volgende keer tot eenzelfde gevolgtrekking leiden;
- daarna is het noodzakelijk je tot anderen te wenden om te weten hoe zij de betekenis van dergelijke verschijnselen en ervaringen opvatten, om zo je eigen gedachten te toetsen;
- dan is het tenslotte mogelijk een voorlopige veronderstelling of opvatting te vormen over de betekenis van je ervaringen.

Zo ben ik ook met mijn eigen ervaringen omgegaan, maar moest mij daarvoor tot mystici in het verleden wenden (zie het Literatuuroverzicht op de website Geestkunde). Want de mensheid bevindt zich nu op het dieptepunt van vereenzelviging met de dode stof en de geest in de mens is daardoor een onbekende geworden voor zichzelf. Een aanwijzing hiervoor is de uitspraak: "Wij zijn onze hersenen." De onbewustheid van zichzelf als geest kan niet dieper zijn. Toch was het noodzakelijk dat deze uitspraak werd gedaan. De mensheid moet eerst door het diepste dal heen om de hoogten te kunnen bereiken, die in de verte al door de zon worden verlicht.

Door de onbewuste vereenzelviging zien ook de knapste wetenschappers alleen de stoffelijke helft van de schepping, waardoor hun houding nog eenzijdig is. Ook Einstein - die ik als wetenschapper zeer hoog heb - deed vanuit deze houding zijn uitspraak. Zijn eigen geestelijke vermogens, door de verdichting rechtstreeks uit de algeest in de menselijke geest als erváárbare eigenschappen aanwezig, geven de mens de mogelijkheid de schepping te begrijpen. Die schepping is een gedachtenwereld in de algeest en wordt liefdevol in stand gehouden als leerschool, om de mens hier de gelegenheid te geven op eigen kracht zichzelf te verwerkelijken: door zijn geesteshouding om te vormen van onbewustheid naar zelfbewustzijn, van driftmatigheid naar geestdrift en van zelfzucht naar liefde, om zo aan zijn oorsprong gelijkvomig te worden.

terug naar de Inhoud

35. De eenheid van het al
Zoals beschreven werd mij getoond dat door de vereniging van de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte, a.h.w. tussen hen een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte werd gevormd, waarin ik mijzelf herkende. Ik mocht zo gezegd de geboorte van mijzelf als menselijke geest door verdichting uit de algeest zien. Doordat die verdichting geleidelijk plaatsvond, ontstond er een vloeiende, naadloze overgang tussen mijzelf en de algeest.

Om de betekenis van deze ervaringen beter te kunnen beoordelen, ondernam ik zoals gezegd een religieus-wijsgerige studie. Daarbij kwam ik één schrijver tegen die een soortgelijke ervaring meemaakte, Jozef Rulof. In zijn boek 'Het ontstaan van het heelal' (Literatuuroverzicht) beschrijft hij dat er in de aanvang van de schepping een diepe, stille duisternis heerste, vol met leven. Daaruit kwam een licht naar voren, dat verflauwde en lichter weer terugkwam, door de duisternis heenbrak en de duisternis in zich oploste. Het heelal werd daardoor een gouden uitstraling waar allerlei kleuren in voorkwamen.
Het heelal verdichtte zich langzaam verder tot een onbeschrijflijke, gouden massa, waarin leven kwam. Er ontstond een spanning, waardoor in de massa ontelbare lichtbollen ontstonden, kleine en grote, die in het heelal zweefden en zich verder verdichtten, ieder met een eigen uitstraling. Zo ontstonden zonnen met planeten en menselijke geesten, die op de planeten woonden en zich ontwikkelden, op weg naar vervolmaking.

Wat ik voor mijzelf als persoon heb mogen zien, zag Jozef voor de mensheid en het heelal. Het al is uit één bron voortgekomen. Ik zag dat dat gebeurde door geleidelijke verdichting van licht en warmte, waardoor er niet een duidelijke grens is aan te wijzen tussen de menselijke geest en de algeest. De menselijke geest is daardoor 'uit en in de algeest' in een toestand van 'eenheid in verscheidenheid': er is een tweeheid, maar tegelijkertijd ook een eenheid.
Hoewel zelfstandige geesten, zijn alle menselijke geesten in wezen door de algeest met elkaar verbonden tot een mogelijke eenheid, waarnaar de mensheid door geestelijke ontwikkeling op weg is.

Doordat de stof een uitdrukking is van de geest, heeft de kwantumfysica de kwantumveldentheorie ontwikkeld, die zegt dat ieder deeltje een verdichting is van een 'aangeslagen' veld. Het deeltje blijft een eenheid vormen met het stralingsveld waaruit het is voortgekomen, wat de 'golf-deeltjedualiteit' wordt genoemd.

Volgens de jezuïet Teilhard de Chardin, priester/paleontoloog, dient de aarde als een leerschool voor de mensheid die zich ontwikkelt naar een punt van vereniging, door hem het punt Omega genoemd.

Jezus spreekt hierover in het Johannesevangelie:
10:29-30 Mijn Vader [...] is groter dan allen; [...]. Ik en de Vader, Wij zijn één.'
16:32 [...] En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
17:21 [...] Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
17:22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn.
De Vader is de algeest en in Jezus woont de heilige geest, door verdichting uit de algeest afkomstig, zoals ook de menselijke geest, die nog op weg is naar die staat van heiligheid.

terug naar de Inhoud

36. De ongevormde en gevormde toestand van de algeest
Eerst was mij een aantal malen getoond dat de algeest een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte is, waarin ik als geestvonk aanwezig was. Daarna dat het licht en de warmte uit hun bron, de donkere koelte waren voortgekomen en dat zij die vervolgens in zich hadden opgenomen tot een nieuwe eenheid. In deze toestand waren er geen vormen in het licht en de warmte te onderscheiden: het is de ongevormde oertoestand.
Tijdens een latere uittreding werd ik daar weer mee verbonden, maar nu in een vaag omgrensde ruimte, terwijl ik in het midden stond. Nu was de lichtende warmte in de helft van de ruimte voor mij en de donkere koelte achter mij. Rechts schuin voor mij verscheen een mannelijke gestalte die zich met mij verbond en mij liet weten mijn geestelijke vader te zijn. Daarop vroeg ik waar mijn moeder was, waarop mij werd ingegeven mij om te draaien waarop ik, links schuin achter mij mijn geestelijke moeder zag in de donkere koelte. De rust en haar donkere koelte bleek de vrouwelijke zijde van de algeest te zijn, de beweging en zijn lichtende warmte de mannelijke, maar nu in de gevormde toestand als menselijke gestalte; afbeelding van de geestelijke vermogens.
Bij een andere gelegenheid kwamen zij in diezelfde ruimte van links, schuin boven mij naar mij toe en stelden zich voor mij op, zo dat mijn moeder links en vader rechts stond. Wij keken naar beneden en ik zag dat wij op de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek stonden om onze gelijkwaardigheid te tonen.
Later kwamen zij op gelijke wijze naar mij toe, maar nu kwam mijn vader voor mij staan, op armlengte afstand naar mij toegewend voor bewegingsruimte en mijn moeder dicht achter mij, beschermend over mij heen gebogen, de armen om mij heen.
Weer later waren zij al in dezelfde ruimte toen ik er kwam, maar nu waren zij in liefde in elkaar opgegaan en vormde een éénheid, de moeder in het hart, in de mannelijke gestalte opgegaan, maar door de buitenkant heenstralend: de gedeelde toestand van de tweelinggeest was zo een verenigde toestand overgegaan, zoals eerder in de ongevormde toestand in de algeest ook was gebeurd.

De éne bron waaruit de gehele mensheid en alle levensgeesten zijn voortgekomen, bleek de geestelijke vader en moeder te zijn van de mensheid als geestelijk gezin. Het gezin op aarde is van dat geestelijke gezin een afspiegeling.

terug naar de Inhoud

37. Mannelijkheid en vrouwelijkheid in de algeest
Zoals beschreven werd mij getoond dat de algeest in de ongevormde oertoestand: de beweging met zijn lichtende warmte en de rust met haar donkere koelte, een mannelijk/vrouwelijke tweelinggeest is. Daar de eigenschappen van een bron zich meedelen aan wat eruit voortkomt, kwam uit die óngevormde oertoestand, door verdichting in de gevórmde toestand, ook zo'n tweelinggeest voort, nu in een mannelijke en vrouwelijke geestgedaante. Zij lieten mij zien dat ook in deze toestand er een verenigde en gedeelde toestand mogelijk is van man en vrouw, én dat beiden gelijkwaardig zijn.

Doordat de vrouwelijke gestalte kleiner is, kwam de vrouwelijke geestgedaante weliswaar uit de mannelijke voort bij de overgang naar de gedeelde toestand, maar ook in de verenigde toestand daarvoor waren zij gelijkwaardig: zij handelden als een eenheid en zij straalde evenwichtig door hem heen. Zo toonden zij mij ook de vrouwelijkheid van de ingekeerde instelling en de mannelijkheid van de uitgekeerde.

Ook werd mij de vrouwelijkheid van het voelen getoond door de persoonlijke verbondenheid met mij en de mannelijkheid van het afstandelijke denken. Daardoor heeft in het verloop van de vermogens in de vrouwelijke geest het voelen de nadruk door de volgorde voelen denken, in de mannelijke geest het denken door de volgorde denken voelen.

Zo vullen man en vrouw elkaar aan, wat ook in de oorspronkelijke betekenis van het woord 'huwelijk' is te vinden. Het woord 'huwen' betekent: de beide echtgenoten, het woord 'laika' spel. Het huwelijk is het heilige samenspel tussen man en vrouw, dat, pas aan het einde van hun geestelijke ontwikkeling, een weergave zal zijn van hun oorsprong, de algeest; maar wat hier in de stof al tot uitdrukking komt als hun vermogen door verwekking en geboorte hun eenheid in hun kindje uit te drukken.

Daardoor vormen zij samen hun 'gezin', een woord waarvan de betekenis samenhangt met 'zenden': zij zijn de 'gezondenen' die samen op weg zijn om, door persoonlijke omgang met elkaar, hun vermogens te ontwikkelen en zo geestelijk te groeien naar volwassenheid.
Niet alleen de geestelijke vermogens, maar ook huwelijk en gezin geven eigenschappen van de algeest weer, geheel in overeenstemming met de oude wijsheid 'Zo boven, zo beneden'.

terug naar de Inhoud

38. De aarde als geestelijke leerschool
De verhouding van de menselijke geest tot de algeest in de gevormde toestand, blijkt die van ouders en kind te zijn. Daar een kind een groei doormaakt naar volwassenheid, is ontwikkeling een wezenlijk kenmerk van het menszijn en voor die geestelijke groei is de aarde een leerschool.
Het woord 'school' komt van het Griekse 'skola' en dat van het Oud Egyptische: 'she oel a': de eenzame mens zoekt inzicht. Want de algeest is immers alomtegenwoordig en daardoor alleen, en om volwassen te worden zoals de ouders, moet ook de mens in die toestand kunnen verkeren en door in te dalen in het beperkende, aardse lichaam komt de mens in de toestand te leven aan zichzelf overgelaten te zijn.

Door die toestand beschikt de mens hier over de vrije keuze: zelf te kiezen wat te besluiten en hoe te handelen. Om zichzelf staande te houden in de tijd als stroom van veranderende gebeurtenissen, moet de mens zelf keuzes maken en wordt zo aangezet de vermogens te gebruiken. Daardoor groeien zij naar de volwassen, bewust beheerste toestand, in overeenstemming met die van de ouders: het doel van deze geestelijke ontwikkeling.

Door de aan zichzelf overgelaten toestand is de leraar van deze school onzichtbaar. De mens moet hier zijn eigen leermeester zijn door ondervinding op te doen met de gevolgen van eigen besluiten; daardoor leert de mens door zélf ervaringen op te doen en die te verwerken. De geest leert hier al doende. Doordat herhaling de leermeester van de student is, komen in het dagelijkse leven regelmatig leerzame gebeurtenissen van dezelfde soort op de geest toe, totdat die voldoende is geoefend in het omgaan met dat soort gebeurtenissen.

De vergankelijkheid en daardoor veranderlijkheid van stoffelijke vormen en omstandigheden, levert de oefenstof voor geestelijke groei. Daarin zijn in grote lijnen drie stappen te onderscheiden: (1) de onbeheerste begintoestand waarin de mens nog is onderworpen aan gebeurtenissen, (2) de toestand dat de mens greep begint te krijgen op de omgeving en (3) die waarin de menselijke geest toegroeit naar het uiteindelijke doel: zelfverwerkelijking en hereniging van allen met de geestelijke ouders.

terug naar de Inhoud

39a. Het aardse bestaan als toneelstuk 1
Onzichtbaar voor de mens op aarde doordringt de geestelijke wereld de stoffelijke. De overgang van de geest van de eerste naar de tweede wordt hier weliswaar ontwaken genoemd, maar tegelijk slaap je geestelijk gedeeltelijk in en word je onbewust van het bestaan van jezelf als geest. Als je door lichamelijke vermoeidheid weer teruggaat, heet dat inslapen, maar dat betreft alléén het lichaam ('slapen' komt van: slap worden), de geest blijft wakker en gaat naar huis om de ervaringen te verwerken, opgedaan in het toneelstuk van het dagelijkse leven, waarin ieder zijn eigen rol speelt.

Bij geboorte en overlijden gebeurt hetzelfde. Vóór de geboorte verbind je je met het lichaam bestemd voor het komende bestaan, bij het 'overlijden' (betekent 'overgeleid worden') verlaat je het weer. Bij de geboorte moet de geest, die thuis volwassen is, zich geestelijk aan de toestand van het kindje aanpassen, moet zich inhouden en klein maken om zich met het lichaampje te verbinden; daardoor is de geest dan wel de levengevende kracht, maar verder onmachtig en begint hier als hulpbehoevende.
De bedoeling daarvan is, dat de ouders de gelegenheid krijgen samen liefdevol voor een ander, hun kindje, te zorgen. Dat brengt in beiden het voelen als geestelijk vermogen tot ontwikkeling, wat een rijkdom voor de eeuwigheid betekent. Aan het einde van de weg gebeurt het omgekeerde en kan het kind zich liefdevol voor de dan hulpbehoevende ouders inzetten, met hetzelfde gevolg.
Door huwelijk en gezin, afbeelding in de stof van het huwelijk in de algeest, krijgen menselijke geesten, door geboorte en door de innige omgang met elkaar, steeds weer de gelegenheid een volgende stap te zetten op hun pad van geestelijke groei. Huwelijk en gezin geven gelegenheid voor geestelijke ontwikkeling in de leerschool die de aarde is; zij spelen een belangrijke rol in de geestelijke groei van mens en mensheid.

Pas als de levengevende geest ten slotte het lichaam verlaat, gaat alleen het lichaam dood en sterft het ('sterven' is: stijf worden); de geest als het eeuwig levende gaat dan naar huis terug, maar kan bij het verscheiden van hier alleen meenemen, wat die in zichzélf heeft ontwikkeld.

terug naar de Inhoud

39b. Het aardse bestaan als toneelstuk 2
De verhouding tussen de geestelijke en stoffelijke wereld is als twee kamers met een deur ertussen. Bij het ontwaken ga je door de deur van de eerste naar deze wereld, die met kracht door je zintuigen naar binnen stroomt. Daardoor eist die al je aandacht op en brengt je in de toestand van onbewuste vereenzelviging ermee. Door je lichaam te gebruiken, wordt het moe en moet je het met rust laten door in te slapen. Daarbij ga je ruggelings terug naar de eerste kamer, waardoor je het inslapen niet merkt. Overdag komt door de tijd een stroom gebeurtenissen op je af die je met je vermogens moet verwerken om daarin staande te blijven. Daarvoor moet je je geestelijke vermogens gebruiken, waardoor je ze steeds beter en bewuster leert beheersen in de vorm van geweten en deugden, wat geestelijke ontwikkeling betekent. Je vermogens hangen samen met geestelijk licht en geestelijke warmte, waardoor je die steeds meer gaat uitstralen.

Doordat je hier schijnbaar aan jezelf wordt overgelaten en daardoor over een vrije keuze beschikt, moet je aan het begin al over een zeker zelfgevoel beschikken om zelf te kunnen kiezen en zo aan je ontwikkeling te beginnen. Door diezelfde vrije keuze echter kan de menselijke geest uit twee wegen kiezen: de ene leidt naar ontwikkeling van de vermogens om daarmee het zelfgevoel te versterken, wat leidt tot zelfgerichtheid; de andere verloopt in gemeenschap met anderen, wat leidt tot het geweten en de deugden, tot liefde en tot: heb je naaste lief alsof het jezelf betrof, door het besef dat allen uit dezelfde bron zijn voortgekomen.

Daar je gehele geestelijke ontwikkeling niet in één leven kan worden volbracht, zijn er wedergeboortes nodig in meerdere levens, wat al gedurende onheuglijke tijden plaatsvindt. Door de genoemde vrije keuze zijn daarbij in grote lijnen drie groepen gevormd: de zelfgerichten, die daardoor geen licht en warmte uitstralen, de gewetensvollen die licht en warmte uitstralen en zij daar tussenin. Op aarde leven zij door elkaar heen, in de geestelijke wereld in donkere, in schemerige en in lichte gebieden. Door uittreding is het bestaan van deze werelden aan mij getoond.

terug naar de Inhoud

40. De gulden regel
De kerngedachte van genoemd toneelstuk is de overwinning van de aanvankelijke zelfgerichtheid en zich te leren gedragen naar de 'gulden regel', de hoofdwet voor zedelijk gedrag:
'Behandel je medemensen, zoals je het zelf zou wensen.'

Om je zo vanuit je hart tegenover je medemensen te kunnen gedragen, is, al lijkt het tegenstrijdig, zelfkennis noodzakelijk, want voor wat je níet kent, kun je geen liefde voelen! Geestelijke zelfkennis is een onvermijdelijk vereiste om je naaste wézenlijk te kunnen kennen en liefhebben; alleen door zelfkennis kun je tot het besef komen, in iedere mens een wezen als jezelf te ontmoeten ... en daarna uiteindelijk ook een wezen als de algeest, de éne bron van állen. Geestelijke zelfkennis is daardoor de zekerste weg die leidt tot het in vrijheid uit jezelf toepassen van de gulden regel.

De gulden regel is in alle culturen verwoord:
Zarathoestra: Alleen die mens heeft een goed karakter, die anderen niet aandoet wat niet goed is voor hemzelf.
Amerikaanse indianen: Grote Geest, geef dat ik mijn buurman niet beoordeel voor ik een mijl in zijn mocassins heb gelopen.
De joodse leer: U moet uw broeder niet haten in uw hart; ... maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Boeddhisme: Op vijf manieren zou iemand zijn vrienden en bekenden van dienst moeten zijn - met edelmoedigheid, hoffelijkheid, welwillendheid, door hen te behandelen zoals hij zichzelf behandelt en door zijn woord gestand te doen.
Confucius: Doe niet aan anderen, wat u voor uzelf niet wenst.
Griekse filosofie: Doe niet aan anderen, wat uzelf niet wenst te ondergaan (Isokrates).
Behandel uw vrienden, zoals u door hen behandeld wilt worden (Aristoteles).
Hindoeïsme: Men moet zich tegenover anderen niet gedragen op een manier die ons zelf onaangenaam zou zijn. Dit is het wezen van de wet (dharma). Al het overige komt voort uit zelfzucht.
Christendom: Alles nu wat u wilt dat u de mensen doen, doet u hen ook zo, want dit is de wet en de profeten.
Islam: Niemand van u is een gelovige voordat hij zijn broeder toewenst, wat hij voor zichzelf wenst.

Deze regel leidt tot liefdevolle wederkerigheid, voorwaarde voor een persoonlijke band met de ander.

De betekenis van de gulden regel komt ook tot uiting in het gezegde: 'Vrijheid van handelen eindigt daar, waar de vrijheid van een ander begint.' Door zelfgericht, overheersend gedrag overschrijd je die grens. Je verstoort het hoogste goed van een mens, zijn persoonlijke vrijheid van handelen. Alleen door wederzijds die grens te eerbiedigen door zelfbeheersing, ontstaat onderlinge vrede.

terug naar de Inhoud

41. Begeleiding op de weg
Zoals bij de gulden regel is te lezen, zei Jezus dat de gehele joodse leer daarin is vervat. Niet alleen van het jodendom, maar van alle grote godsdiensten is het de kern van de leer. Deze geestelijke kennis is door de eeuwen heen door wijzen bij ieder volk achtergelaten met als doel, de mensheid voort te helpen op de weg die naar vervolmaking leidt. Daarvoor kwamen zij vanuit hun wereld naar deze toe, uit een wereldomvattende, nooit rustende werkgroep, die door de algeest wordt geleid.

In de mensheid leven alle algeestvonken, die door verdichting uit de algeest zijn voortgekomen. Zij zijn hier schijnbaar aan zichzelf overgelaten om over de vrije keuze te kunnen beschikken, om zelf te kunnen besluiten op weg te gaan en zichzelf te verwerkelijken, en zo het doel van de schepping te vervullen. Maar door die aan zichzelf overgelaten toestand en door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, hebben zij begeleiding nodig om zich al dan niet op die geestelijke weg te begeven.

Die begeleiders zijn broeders en zusters die het pad al hebben afgelegd en zich willen inzetten om hen, die nog onderweg zijn, te begeleiden. Maar ook zij worden daarbij begeleid, door anderen en uiteindelijk door onze liefdevolle ouders, onze geestelijke vader en moeder, de gevormde toestand van de algeest. Het beeld van de moeder, die zich liefdevol over de wieg van haar kindje buigt, is het beeld hoe ook onze geestelijke vader en moeder zich voor hun kinderen, de mensheid, willen inzetten... als die zich uit vrije keuze en vol vertrouwen tot hen wenden. Om deze keuze voor die geestelijke weg, de levensweg, mogelijk te maken, hebben wijzen hun kennis naar de aarde gebracht. Een aanwijzing voor het bestaan van deze begeleiding is het feit, dat bij ieder volk op aarde deze geestelijke wijsheid aanwezig is.
Daardoor is het slechts schijnbaar zo, dat wij hier aan onszelf worden overgelaten en de schepper van het al onzichtbaar is; maar het is aan de mens zich vol vertrouwen tot zijn begeleiders te wenden, want zonder diens vraag om hulp kunnen zij niets doen, daar de vrije keuze moet worden geëerbiedigd. Ook de levensbestemming waarmee de mens naar de aarde is gekomen, het karma, is een beperking van hun mogelijkheid de mens te begeleiden.
Door uittreding is het mij vergund geweest mijn begeleiders te mogen ontmoeten.

terug naar de Inhoud

42. De vrije keuze ('vrije wil')
Een keuze is een oordeel dat je vormt, door de mogelijkheden van handelen te overdenken en doorvoelen, en de gevolgen ervan te overzien; een keuze maak je na redelijke en zedelijke afwegingen van voor- en nadelen, en dan te besluiten hoe te handelen: het wilsbesluit. In de leerschool die het tijdelijke bestaan voor je is, komen door de tijd als stroom van gebeurtenissen ervaringen op je af, die je steeds voor keuzes plaatsen en je aanzetten je vermogens te gebruiken om in die stroom staande te blijven. Zo leer je al doende je vermogens bewust en beheerst te gebruiken: dat betekent geestelijke ontwikkeling, het doel van dit bestaan.

In deze vrije school is eigen ondervinding de leermeester, waarvoor je hier schijnbaar aan jezelf wordt overgelaten en zonder zichtbare leraar; daardoor hangt de richting van je ontwikkeling af van jouw eigen keuze. Die persoonlijke zelfstandigheid is een onvermijdelijk vereiste, want alleen wat je op eigen kracht hebt gedaan, brengt je vermogens tot ontwikkeling en worden zij jouw éigendom: dat, wat jouw onvervreemdbare eigenschap is, een aanleg, die door eigen inspanning tot ontwikkeling is gebracht door die bewust en beheerst te leren gebruiken.
Wat je hebt verkregen met de hulp van anderen, of door dwang of plicht, is geen eigendom, maar bezit, wat los van je staat, zoals een stoel die je 'bezit'. Maar wat los is, kun je verliezen en zal bij overlijden zeker verloren gaan. Alleen wat jouw eigendom is geworden, is een rijkdom voor de eeuwigheid.

De wilskracht is de levenskracht die het mogelijk maakt je vermogens te gebruiken als innerlijke wilshandeling: je wilt waarnemen, denken en voelen, en vervolgens de zo gevormde gedachten en gevoelens uiten in uitspraken en gedrag als een uiterlijke wilshandeling; daardoor is de wil onwrikbaar ingebed in een hechte samenhang met de overige vermogens. De wil kan daardoor niet 'vrij' zijn, niet los staan van de vermogens, want zou zonder de sturing van de overige vermogens een volkomen ordeloos werkende kracht worden. Dat alleen de wilsuiting wordt gezien en benoemd, als de 'vrije wil', is een gevolg van de onbewuste vereenzelviging met het uiterlijke, waardoor de innerlijke bron niet wordt gezien.

Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met het tijdelijke bestaan is de geest onbewust van zichzelf als de werkzame zelfstandigheid en kan daardoor over de vermogens spreken alsof zij zelfstandigheden zouden zijn, die los van elkaar werkzaam zijn. In die toestand wordt gezegd: 'de wil doet dit of dat' in plaats van te zeggen dat het de géést is die het wil doen.
Door onbewustheid van zichzelf en van de eigen werkzaamheid draagt de geest alle aandacht en toewijding over op de vóórtbrengselen van die werkzaamheid: bij het willen op de wilsbesluiten en -handelingen. Daardoor wordt de aan het wilsbesluit voorafgaande werkzaamheid van de vermogens, de brón van keuze, besluit en handeling, niet gezien.
Daardoor wordt er niet van vrije keuze, maar van 'vrije wil' gesproken.

terug naar de Inhoud

43. Het gaat om de liefde
Voelen is het vermogen het lichtbeeld van een waargenomen gebeurtenis of gesprek, door een open gevoelshouding ook toe te laten tot je geestelijke warmte, je gemoedstoestand, die daardoor in overeenstemming komt met de gevoelsmatige betekenis van je waarneming. Door te voelen laat je bewust toe, dat je in eenzelfde gemoedstoestand komt als de ander die je spreekt. Daardoor ga je met hem of haar meevoelen, meeleven en ontstaat door deelneming met de ervaringen van de ander de aandrang die persoon bij te willen staan. Afhankelijk van je ontwikkelingstoestand ontstaat door medeleven de aandrang je onbaatzuchtig in te willen zetten voor het geluk van de ander. De grootste vreugde voor het gevoel is de ander gelukkig te zien.

Zoals gezegd doet de geest zich aan het geestesoog voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte: de bewuste levenskracht. Zoals een verhit voorwerp eerst warm wordt en dan licht gaat uitstralen, is het ook met de geest. De warmte als kracht is het leven zelf en het licht als bewustzijn is het gevolg van de levendigheid ervan.
De levenskracht, als warmte ervaarbaar, is de meest wezenlijke eigenschap van de geest en daarmee het voelen en willen als vermogens. De vier vermogens zijn gelijkwaardig en alle voor het innerlijke evenwicht onmisbaar, maar voelen en willen liggen dichter bij de kern dan denken en waarnemen. Een gemoedstoestand als vreugde, dat bén je, kennis of een gedachte, lichtbeelden, héb je.

Voelen is zich vormbaar openstellen voor een ánder, waardoor een gevoelsband ontstaat tussen twee géésten. Door te voelen komt de menselijke geest in een toestand, die met de algeest voortdurend bestaat. Door de verdichting zijn alle geesten onwrikbaar met de algeest door liefde verbonden - ook al wordt dit door de onbewuste vereenzelviging niet beseft.
Het voelen is het vermogen zich met het wezen van de ander te verbinden en is daardoor het meest 'wezenlijke' vermogen. Liefde is de gemoedstoestand die bij deze werkzaamheid van het voelen, het streven naar verbondenheid met een ander, hoort. De liefde is daardoor de meest verheven gemoedstoestand, het is het leven zelf van de mens.

terug naar de Inhoud

44. Ingeving en voorgevoel
Ooit vormde de algeest in zichzelf een lichtende gedachte van zichzelf, een zelfbeeld, dat met verwarmende liefde tot leven werd gebracht. Aan dat zelfbeeld gaf de algeest een aanleg mee om zichzelf tot zelfstandig levend wezen te ontwikkelen, zoals de scheppende bron, de algeest zelf.
Die algeestvonk, de menselijke geest, wordt daarbij door de algeest, in de verdichte toestand, begeleid. Déze algeestvonk komt rechtstreeks uit de algeest voort en is daardoor de reeds volmaakte algeestvonk. In de gevormde toestand doet die zich voor als vader en moeder van de mensheid, in menselijke gestalten. Samen vormen zij een volmaakte tweelinggeest, die hun kinderen ondersteunen en begeleiden op hun pad.

Zij die de weg al hebben afgelegd en besloten om de zich nog ontwikkelende mens te helpen, werden daarbij ook door de volmaakte tweelinggeest begeleid. Naar de ontwikkelingstoestand van de leden van dit geestelijke gezelschap, is er een rangorde ontstaan, tussen de volmaakte algeestvonk en iedere menselijke geest in. Iedere mens heeft zo een persoonlijke begeleider.

Zij spreken elkaar door ingeving en gebed. Een ingeving is een bewustwording die ontstaat, doordat een gedachte of gevoel van een begeleider vanuit de geestelijke wereld op buitenzintuiglijke wijze in de ziel van de mens op aarde wordt ingegeven, doordat die met zijn uitstraling de ziel van de mens doordringt. Vervolgens maakt die ingeving een indruk op de geest van de aardse mens als die daarvoor ontvankelijk is, waardoor de ingeving wordt waargenomen; maar de mens heeft de vrije keuze er al dan niet naar te luisteren.
Er bestaat een (telepathische) wisselwerking tussen de menselijke geest en zijn ziel enerzijds en de geest van de geestelijke begeleider, in de geestelijke wereld, met zijn of haar uitstraling anderzijds. Door deze wisselwerking ontstaat vanuit de geestelijke wereld de ingeving van gedachten en voorgevoelens overdag, en van betekenisvolle dromen 's nachts. Omgekeerd gebeurt hetzelfde als de mens op aarde zich tot zijn of haar geestelijke begeleider richt, bijvoorbeeld door een vraag om hulp of een gebed. Dit is mijn persoonlijke ervaring hiermee.

Als de geestelijke begeleider de mens op aarde iets wil meedelen, gebeurt het volgende. De begeleider breidt zijn of haar uitstraling uit naar de ziel van de mens op aarde door zich op hem of haar af te stemmen en doordringt de ziel, zodat beiden zich in elkaars sfeer bevinden. Vervolgens denkt de begeleidende geest (1) een denkbeeld en drukt dat af in zijn ziel (2). Daar beide zielen met elkaar zijn verstrengeld, wordt dat denkbeeld tegelijkertijd ook in de ziel van de aardse mens (2) gevormd. De geest van deze mens neemt dit beeld (al dan niet duidelijk bewust van dit gebeuren) in zijn ziel waar, waardoor de gedachte ook in de geest van de aardse mens (3) wordt gevormd; die ervaart dit gebeuren als een ingeving, een inval of een voorgevoel, of als het ontvangen van een betekenisvolle droom.

terug naar de Inhoud

45. Vijf soorten dromen
Als je lichaam moe wordt, moet je het met rust laten door uit te treden. Dáárdoor wordt het 'slap' en rust door 'slapen' uit. Bij het inslapen kom je eerst in je binnenwereld, je ziel, waar je helderziende bent; dromen is: buitenzintuiglijk, helderziend waarnemen. Eerst zie je de inhouden van je bewustzijnsruimte, dan geheugeninhouden, daarna kun je vanuit jezelf de geestelijke wereld waarnemen en ten slotte uittreden en die ervaren. Door de levensdraad blijf je met je hersenen verbonden, waardoor ervaringen op de hersenschors kunnen worden afgedrukt en de hersenen tijdens dromen werkzaam zijn: wat de 'droom-' of 'paradoxale slaap' (met rapid eye movements), wordt genoemd.

Het woord 'droom' betekent oorspronkelijk 'vreugde', door de verbinding met je begeleiders. Naar de mate van uittreding zijn in grote lijnen vijf soorten dromen te onderscheiden.
1. Tijdens dagdromen zie je in je ziel beelden van je eigen verbeelding, doordat je je denken onbeheerst laat werken.
2. Neem je 's náchts de inhouden van je binnenwereld waar, dan zijn de daar optredende droombeelden 'dagresten', ervaringen van overdag die je verwerkt door herbeleving.
3. Het ontoegankelijke geheugen heeft als inhoud vergeten, verdrongen, of onverwerkte ervaringen uit vorige levens. Deze dromen kunnen verward zijn door beelden die onaangename gemoedstoestanden weergeven.

4. Ben je met de geestelijke wereld verbonden, dan kunnen geestelijke begeleiders je betekenisvolle droombeelden ingeven, die een boodschap bevatten voor je verblijf in de stoffelijke wereld. Deze dromen vormen een samenhangend verhaal en maken een zodanige indruk, dat je de volgende dag de aandrang voelt de droom aan anderen te vertellen. Deze dromen vragen om een uitleg en dat is ook de bedoeling, want al zoekend naar de betekenis ervan kun je je van bepaalde zaken die je geestelijke ontwikkeling betreffen, bewust worden.

5. Ten slotte een groep van dromen die door uittreding ervaringen in de geestelijke wereld zijn. Zij hebben een grote werkelijkheidsbeleving door de zekerheid iets te hebben meegemaakt of anderen daadwerkelijk te hebben ontmoet.
Vóór het inslapen begint je helderziendheid die vlak na het ontwaken eindigt; ook dan kunnen begeleiders boodschappen doorgegeven, die je dan bewust als ingeving ontvangt.

terug naar de Inhoud

46. De 'boom' als droombeeld
De boom is niet alleen een levend wezen, maar als droombeeld ook de weergave van een kósmisch wezen, voor de dromer een bemoedigende verwijzing naar het allerhoogste.

De boom verenigt in zich de vier elementen: het vuur van de zon met zijn licht voor de bladeren, dat de boom doet groeien en leven; de dampkring met de lucht waarin de boom met zijn bladeren ademt; de aarde waarin hij wortelt en houvast heeft, en het water dat hem voedt.

De boom toont met zijn bladeren de vier jaargetijden, de levenstijdperken van al wat leeft: in de lente geboorte en jeugd; in de zomer de volwassenheid; in de herfst ouderdom en afvallen; in de winter het onzichtbaar zijn door verblijf in de geestelijke wereld, om daarna te worden herboren.
Door jaar in jaar uit bladeren te krijgen en weer te laten vallen, toont de boom de kringloop van het leven die door de tijdelijke en eeuwige wereld draait.

Een boom met zijn stam en kruin is een toonbeeld van de éne stam met zijn verdeelde kruin, waarvan de vele vertakkingen in het klein toch gelijkvormig zijn aan de stam met hoofdtakken; zo vormen zij een eenheid in verscheidenheid: een beeld van de wijze waarop de éne algeest zich uitdrukt in de oneindige verscheidenheid van geschapen geesten, die alle de eigenschappen van de algeest in aanleg in zich hebben.

De wortels die in de aarde dringen om naar voedsel te zoeken, verbeelden het lichaam; de kruin die zich naar het licht van de zon richt, is de geest en de stam waarin het sap uit de wortels opstijgt en uit de bladeren neerdaalt, en zo kruin en wortels met elkaar verbindt, verbeeldt de ziel als verbinding tussen beide.

De boom die uit een zaadje opgroeit tot kiemplantje en daarna tot een volwassen reuzenplant, is een toonbeeld van de ontwikkeling, die ieder levend wezen meemaakt. Door zijn groei vanuit de donkere aarde naar het licht van de zon, verzinnebeeldt de boom de ontwikkeling van de menselijke geest en de hereniging met de algeest.

De boom als levensboom komt daardoor in alle godsdiensten op aarde voor, want wat de boom van zichzelf laat zien, is een zinnebeeld van het eeuwige leven... als droombeeld een bemoediging voor de dromer.

terug naar de Inhoud

47. Voorbeeld: de Levensboom van de Kabbalah
Kabbalah is joodse mystiek.
Het En Sof, 1 Kether: de kroon, is de eeuwige oneindigheid, overeenkomend met de algeest; met daarin het 'oerpunt' of 'verborgen zaad', dat kan ontkiemen en zich ontwikkelen.
Kether is de verborgenheid van de godheid, de algeest, de Wortel, die door werkzaam te worden ervaarbaar naar buiten treedt in zijn schepping.

De oerpunten vormen de mensheid, 10 Malchoeth, het koninkrijk, de Kruin, waarvan de ontwikkeling wordt aangezet door Jahweh: ik ben, ik was en zal zijn, ook: ik doe zijn, de mannelijke zijde van de algeest; en wordt geleid door Sjechinah: zij die bij ons woont, de vrouwelijke zijde.

Kether en Malchoeth zijn verbonden door de eigenschappen van de algeest tussen hen in, die in de vorm van een boom zijn voorgesteld. De stam is de middelste verbinding met 6 Thefireth: schoonheid, het waarnemen en 9 Jesod: scheppingskracht als de grondslag, het willen: samen de geest als bewuste kracht. Thefireth is ook de Rachamim: de barmhartigheid en is als schoonheid de eenheid van alles ('kosmos': schoonheid, orde, eenheid).

Uit hen steken drie takken uit die twee groepen vormen. De groep van Jahweh is de mannelijke, uitgekeerde zijde, de groep van Sjechinah de vrouwelijke, ingekeerde.
De algeest als de bewuste kracht denkt en voelt. Het denken is 2 Chochmah: de wijsheid, de scheppingsgedachte en 3 Binah: het verstandelijke, ontledende denken en begrip.
Het voelen is 4 Chesed: de liefde van de algeest, ook Gedoelah: grootmoedigheid en 5 Gevoerah: is de rechtvaardige strengheid.
Het willen is 7 Netsach: bestendigheid en vastberadenheid, en 8 Hod is: de macht en luister van de algeest, de albeheerser.

Als Jahweh werkt de algeest naar beneden naar de mensheid toe, waarbij de eigenschappen als zelfstandigheden werkzaam zijn, als 'malak Jahweh', krachten en boodschappers van de algeest. Zij bevorderen de ontwikkeling van de oerzaden, de mensheid in de schepping, die daarvoor de school is. Bij de mensheid is de vrouwelijke zijde van de algeest, Sjechinah, die de mens langs de kringloop van de vrouwelijke, ingekeerde zijde weer omhoog leidt, terug naar de algeest voor hereniging.

terug naar de Inhoud

48a. De kringloop van het leven 1
Zonder eigen ervaringen is het niet mogelijk zekerheid te krijgen over het bestaan van een geestelijke wereld. Niet alleen hebben begeleiders mij meermalen laten uittreden, maar ook werd mij de kringloop van het leven door de stoffelijke en geestelijke wereld getoond.
Ik zag een trap die uit de geestelijke wereld naar de stoffelijke leidde, waarover geesten naar beneden kwamen. Onderaan was een baarmoeder met de opening naar boven, waardoor zij naar binnen gingen. Daarna kantelde die, waarna zij in lichamen op aarde werden geboren.
Zij maakten hun gang over de aarde om levenservaringen op te doen, nodig om volgende stappen te zetten op hun levensweg, het pad van geestelijke groei. Door de onbewuste vereenzelviging met dit bestaan, noodzakelijk voor de vrije keuze, wordt hier niet de geestelijke waarde gezien, die iedere gebeurtenis heeft, maar dat wordt duidelijk als na thuiskomst de opgedane ervaringen worden verwerkt, samen met de begeleiders.

Na hun weg over de aarde zag ik hoe mensen moeizaam een trap opgingen. Boven aangekomen was er een opening tussen de trap en de andere wereld. Begeleiders hielpen hen de overstap te maken, waardoor zij behouden in hun eigen wereld aankwamen. Daar gingen zij op weg om de gebeurtenissen van het afgelopen bestaan te verwerken. Mij werd getoond dat de mens thuis zelf moet ervaren, wat anderen op aarde is aangedaan. Op aarde kunnen zaken worden verdrongen, in de geestelijke wereld niet. Daar gaat het geweten spreken, wat door wroeging en schaamte een voortdurende pijn betekent, waardoor het vaste besluit wordt genomen in een volgend bestaan het aan de ander weer goed te maken. Zo komen ook daar het geweten en de deugden tot ontwikkeling.
Door de verwerking wordt duidelijk of er volgende stappen nodig zijn op de geestelijke ontwikkelingsweg. De aarde is daarvoor zeer leerzaam, daar men thuis altijd bij gelijkgezinden is, maar op aarde heel verschillende mensen ontmoet, wat leerzamer is dan het verblijf in het eigen gezelschap. Het meest wordt geleerd van het oplossen van moeilijkheden ontstaan door zelfgericht gedrag van zichzelf en anderen, met blijvend geluk als gevolg.

terug naar de Inhoud

48b. De kringloop van het leven 2
In de kringloop van het leven die mij werd getoond, zag ik twee zich herhalende overgangen: wedergeboorte en overgeleid worden (overlijden). De gang over de aarde wordt door voortdurend veranderende gebeurtenissen en omstandigheden gekenmerkt, en ook het lichaam hoort daartoe. Afhankelijk van de noodzakelijke ervaringen, vinden wedergeboortes plaats bij verschillende volkeren op aarde. Als je nu minachting voelt voor een bepaald volk (discriminatie), zou dat kunnen betekenen dat je dat voelt voor een gemeenschap, waar je in een eerder bestaan deel van hebt uitgemaakt.

Ook het geslacht van het lichaam waarin je wordt wedergeboren, kan verschillend zijn; je kunt als mannelijke geest besluiten een leven mee te maken in een vrouwelijk lichaam en omgekeerd; dit om het andere geslacht, dat ook dat van je tweelinggeest is, je wederhelft, goed te leren kennen.
- Aanvaard je hier aangekomen het andere geslacht van je lichaam, dan kun je een leven meemaken als mannelijke vrouw of vrouwelijke man, in overeenstemming met de mogelijkheden en beperkingen van dat geslacht.
- Heb je er echter moeite mee, dan heeft je eigen geslacht een sterke invloed op je persoonlijkheid en ontstaat de mannelijke en vrouwelijke homofilie (hetzelfde liefhebben): de vrouwelijke geest in het mannenlichaam zoekt een man, maar dat verlangen wordt alleen beantwoord door eenzelfde vrouwelijke geest in ook een mannenlichaam, en omgekeerd voor de mannelijke geest. Iedere mens heeft dit meerdere keren meegemaakt en minachting voelen voor deze mensen betekent minachting voor wat je zelf ooit was. Homofilie zal er altijd zijn, komt ook in het dierenrijk voor en is een belangrijk leermiddel voor je geestelijke ontwikkeling.
- Kun je het andere geslacht van je lichaam niet (meer) aanvaarden, dan ontstaat de geslachtsonvrede (gender dysforie). Het gevoel in het verkeerde lichaam te zitten, kan zo sterk worden, dat je besluit het volgens je eigen geslacht te kleden (travestie) of het door hormonen en operaties aan te passen.
Dit alles laat zien dat de geest zelfstandig in het lichaam woont en een eigen geslacht heeft, dat anders kan zijn dan het lichaam van de wedergeboorte.

Ik gebruik homofilie omdat dit verschijnsel met de geest heeft te maken. Als het om twee personen van hezelfde geslacht gaat, kan er namelijk van sexualiteit als geslachtsverkeer onmogelijk sprake zijn.
Het woord lesbisch gebruik ik niet omdat dit een overblijfsel is uit het Victoriaanse tijdperk, toen de vrouwlijke homofilie niet mocht worden benoemd (ook toen kwam deze vorm van zelfbedrog al voor). Op het eiland Lesbos woonde in de Oudheid de dichteres Sappho, waarvan men meende dat zij over vrouwelijke homofilie dichtte.

terug naar de Inhoud

49a. Woordbetekenis en woordklank
Zoals beschreven is de menselijke geest een bolvormige krachtruimte, die in zichzelf met zijn vermogens werkzaam kan zijn; daarbij straalt de kracht als geestelijke warmte niet alleen geestelijk licht uit, maar vormt door een zekere spanning in zichzelf ook een toon, een klank. In het licht kunnen door waarneming en denken lichtbeelden worden gevormd, die middels die geestelijke klankvorming met woorden worden verbonden als de mens een taal heeft geleerd; zo niet, dan klinken er alleen betekenisloze geluiden.

Door een taal te leren, wat in de baarmoeder begint, krijgt ieder ervarings- en denkbeeld ook een daarmee verbonden klank van een woord uit de woordenschat van die taal. Daardoor kan het aanvankelijke beelddenken in de geest van het kind, overgaan in een woorddenken. Dit woorddenken wordt door het geestesoor in het innerlijk gehoord als een 'geluidloze' geestelijke stem, die het hele leven lang zuiver klinkt en een rechtstreekse aanwijzing is voor het bestaan van zichzelf als menselijke geest.
De gemoedstoestand geeft aan die stem een gevoelsklank die in stembuigingen en de toon van de stem hoorbaar wordt als gedachten en gevoelens middels de stembanden en mond worden uitgesproken in de ruimte van deze wereld. In de woordkeus komt de betekenis van gedachten en gevoelens tot uiting.
Door te denken vormt de geest in zichzelf een samenhangende reeks van lichtbeelden, die door omvorming uit elkaar voortkomen en die samen een zin vormen, als de geest die beelden in zichzelf verwoordt.

Het denken en voelen is in zichzelf ervaarbaar als een innerlijk tweegesprek dat de geest als het ware met zichzelf voert door zich eerst in de denkende, dan in de voelende toestand te brengen of door zich begripsmatig eerst in het ene, vervolgens in het andere standpunt te verplaatsen.
Door het uitspreken van gedachten en gevoelens, wordt in de toehoorder door de woordbetekenis onmiddellijk dezelfde gedachte en hetzelfde gevoel gevormd, als die aandachtig naar de ander luistert.

Doordat de menselijke geest de vermogens door verdichting uit de algeest heeft ontvangen, heeft het verschijnsel taal een verheven, geestelijke betekenis.

In verband hiermee heeft het Griekse woord 'logos' belangrijke betekenissen, o.a.: 1. denken, rede, verstand, overwegen, berekenen, menen, oordelen; 2. gedachte, inzicht, woord; 3. besluiten, uiting, spreken, gesprek. Samengevat betekent 'logos': denken, gedachte, besluit, woord, gesprek. Daarmee geeft het begrip 'logos' de menselijke, geestelijke werkzaamheid van het denken en willen, en van de in- en uitgekeerde instelling weer.
Naast de menselijke heeft het woord 'logos' ook altijd een kosmische betekenis gehad. Het was en is een kernbegrip in het wijsgerig-godsdienstige denken om er de algeest mee aan te duiden; het toekennen van alleen de betekenis 'woord' aan 'logos' is een betekenisontkrachtende vereenvoudiging.

terug naar de Inhoud

49b. Woordbetekenis en woordklank
Door de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan (zie 25ab) zijn aandacht en toewijding uit de geest op de wereld overgedragen. Daardoor heeft die hier geen besef van het eigen bestaan en is het innerlijk schijnbaar een leegte. Daardoor is het begrip, de betekenis waar het woord naar verwijst, vaag; het woord dat gewoontegetrouw wordt gebruikt, is bekend, maar de woordbetékenis onduidelijk.

Zo wordt bijv. gemeend: 'alles is energie!'; geen woord wordt zo vaak gebruikt, maar als wordt gevraagd wat het is, blijkt dat de betekenis ervan onbekend is. Het is een Grieks woord: 'en-ergeia' en betekent: 'in werking'; maar dat wijst op een zelfstándigheid, die in een tóestand van werkzaamheid verkeert en dat kan alleen als die over het vermógen beschikt 'in werking te zijn': en ergeia.
Dat vermogen is een 'kracht', want kracht is het vermogen arbeid te verrichten, 'in werking te zetten'. Een krachtige persoon beschikt over het vermogen te arbeiden, zichzelf in werking te zetten. Die persoonlijke kracht berust bij de geest, want de stam van het woord 'geest' is 'ghei-', dat 'aanzetten tot werkzaamheid' betekent. De gééstkracht is de levenskracht, die de mens tot leven brengt: in werking zet.
Een kracht kan echter niet alleen tot arbeid aanzetten, maar ook tot rust brengen, door naar de rustende begintoestand terug te keren! Daardoor ontstaat er het noodzakelijke evenwicht tussen beweging en rust.

Dat in de huidige tijd het woord kracht is verlaten en er alleen over 'energie': in beweging wordt gesproken, is kenmerkend voor de rusteloosheid, de bewegingswoede en het lawaai van deze tijd. Datgene, wat energie in evenwicht zou moeten houden, het Griekse 'en-eirene': in rust, in vrede, is onbekend.
Het heeft betekenis dat van dit woord een vrouwennaam is afgeleid: Irene. De gehaastheid en onrust ontstaan door de uitgekeerde instelling, door zich alleen naar de verbrokkelde buitenwereld te keren; de rust komt door de ingekeerde instelling, waardoor men de rustende bron van het leven vindt: zichzelf als de eeuwige geest.

Dat ook het woord 'kracht' al wordt vervangen door 'energie' is te lezen op Wikipedia, waar de zin is te vinden: energie is het vermogen te arbeiden, i.p.v. kracht is het vermogen te arbeiden. Ook daar wordt op eenzijdige wijze de nadruk gelegd op het in beweging zijn en is de eigenschap 'rust' die bij 'kracht' hoort, verdwenen.
De Chinese wijsgeer Lao tse schreef in zijn boek Tao teh tsjing: "Rust is de meester van beweging" en in het Duits bestaat een spreekwoord: "In der Ruhe liegt die Kraft": in de rust ligt de kracht.

terug naar de Inhoud

49c Een oorzaak van taalverandering
Zoals beschreven, vindt er door onbewuste vereenzelviging een overdracht plaats van aandacht en toewijding op de omgeving, van eigenschappen van jezelf, van de werkzaamheid van je vermogens. Aangezien 'werkelijk is, wat werkt', zijn je geestelijke vermogens door hun werkzaamheid in feite dé innerlijke 'werkelijkheid', maar door de vereenzelviging met de buitenwereld bevindt je werkelijkheidzin zich niet meer in jezelf, maar in de buitenwereld en is dát voor jou de werkelijkheid.
Daardoor is de woordbetekenis, het begrip waar een woord naar verwijst, een vage gedachte en is de woordklánk pas werkelijkheid. De klank van het woord wordt daardoor belangrijker gevonden dan de betekenis, waardoor leenwoorden uit een andere taal en wetenschappelijk aandoende woorden, meer indruk maken dan de alledaags klinkende woorden uit je eigen taal.

Zo is het woord aandacht een wezenlijke eigenschap van het waarnemen; daarmee richt jij je op belangwekkende zaken in de buitenwereld. Dat woord is vervangen door het Latijnse 'focus', met de betekenis 'stookplaats, open haard'. Een open haard is een voorwerp dat weliswaar de aandacht trekt, maar zo wordt het woord dat op een gééstelijke werkzaamheid slaat, vervangen door een woord dat het vóórwerp aanduidt waar jij je aandacht op richt. Dit is een schoolvoorbeeld van overdracht: wat in de géést gebeurt, wordt vervangen door een vóórwerp in de búitenwereld.
Gevoelens als gemoedstoestanden geven eigenschappen van het voelen weer, waarmee je je openstelt voor je medemens. Die woorden zijn vervangen door het Latijnse emotio, emotie, van het werkwoord e-movere: eruit bewegen. Daardoor worden woorden die gemoedstoestanden aanduiden, niet meer gebruikt en vervangen door één woord dat aangeeft, dat iets naar buiten wordt geuit; maar dat gebeurt met alles wat je uitdrukt. Ook het denkvermogen in de vorm van het verstand en de rede, is vervangen door 'intelligentie', van Latijn inter-ligere: ertussen lezen; waardoor er nu tientallen omschrijvingen van dit leenwoord zijn.

Latijnse woorden klinken wetenschappelijk en maken indruk op het gehoor, maar men spreekt wartaal zonder het te beseffen.

Het nuttige woord 'goed' is vervangen door OK, wat een afkorting is voor Oud Kinderhoek, een plaatsje boven New York, waar Nederlanders in het verleden heerlijke appels kweekten, die werden verhandeld in kistjes met de afkorting OK. Nu wordt, door napraten van computerprogramma's, op werkelijk iedere mededeling met OK geantwoord, ook wanneer het om een overlijden gaat, maar dan met een meewarig "OKeeeee, OKeeeee," i.p.v. dat een gevóel onder woorden wordt gebracht: "Mijn medeleven met het overlijden van je vader!"
Zo betekenen leenwoorden niet alleen een verarming van de taal, maar ook van de menselijke omgang.
Andere oorzaken van taalverandering zijn onverschilligheid van de gebruikers en van het onderwijs, terwijl taal een van de wezenlijkste uitingen is van geestelijke werkzaamheid.

terug naar de Inhoud

50a. Chakra's, vermogens, klanken en kleuren
Zoals beschreven is de geest de levenskracht. Het woord kracht hangt samen met kramp, samentrekken. Onderdeel van die kracht is de vormbare warmte en als de geest die samentrekt, ontstaat in de geest een klank, een toon, een woord dat samenhangt met tonus: spanning. Als de geest als kracht de vormbare warmte samentrekt: de spanning verhoogt, dan ontstaat die toon.

Als de mens een taal heeft geleerd, dan wordt door de geest een reeks tonen van klinkers en medeklinkers gevormd, waardoor een woord uit die taal wordt gevormd: de innerlijke stem. Het woord als warmtetrilling wordt met geestkracht door de ziel heen op het woordvormgebied (Broca) in de hersenschors afgedrukt; daardoor komen zenuwen, longen, stembanden en de mond in werking om door de mond heen het woord ook in de ruimte van de buitenwereld te laten klinken. De klank van dat woord is een rechtstreekse weergave van wat een ogenblik daarvóór in de geest heeft 'geklonken'. Door de spanning van de warmte steeds te veranderen, worden de gevormde woorden van een zin op een andere toonhoogte gevormd, waardoor de zin wordt gezongen.
Woordvorming en het zingen ervan is een wezenlijk vermogen van de menselijke geest.

Het voortgebrachte gezang is in de ruimte van deze wereld niets dan een luchttrilling, die zelf geluidloos is. Die luchttrilling wordt pas weer geluid, als die eerst door een luisterend oor is opgenomen. Het trommelvlies raakt in trilling, wat door botjes naar het slakkehuis wordt overgebracht. De gang daarvan, gevuld met vocht en veel haartjes, vernauwt zich. Op de plaats in de gang die met een toonhoogte overeenkomt, gaan de haartjes meetrillen.
De bewegingen van de haartjes vormen zenuwprikkels, die door de gehoorszenuw naar het gehoorsgebied in de hersenschors worden gebracht. Daar vormen de schorscellen een magneetveld, dat zich ook in de ziel uitstrekt. De ziel als uitstraling van de geest gaat meetrillen, wat de aandacht van de geest trekt. Die stelt zich door waar te nemen open en laat de eigen warmte meetrillen, waardoor de geest de trilling met het geestesoor als een klank hoort. Pas ín de geest komt het gezang weer tot klinken.

Dat het toch lijkt alsof de klanken, van bijvoorbeeld een orkest, zich in de ruimte van de concertzaal bevinden, is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewust vereenzelvigde toestand. Daardoor wordt datgene, wat er in de geest gebeurt, op de buitenwereld overgedragen.

terug naar de Inhoud

50b. Gewaarwording en waarneming van kleuren
Niet alleen klanken, ook kleuren bestaan alleen binnen de geest. Zoals de tonen van het zingen, hangen ook kleuren met de vermogens samen (50a); zoals spanningsverhoging in de vormbare warmte klanken vormt, veroorzaakt dat in vormbaar licht het bestaan van kleuren. Het verschil is dat de geest in zichzelf een klank kan vormen en ook úiten, doordat klank als warmtevorm een kracht is; die kan schorscellen in werking zetten waardoor de klank als woord kan worden geuit.
Deze mogelijkheid om te spreken met klanken is er voor kleuren niet, doordat zij lichtvormen zijn. De geest kan zich van kleuren in zichzelf wel bewust zijn, maar heeft een klánk nodig om een kleur te benóemen; wel kan vanuit de innerlijke voorstelling van kleuren voor een bepaalde kleur worden gekozen.

Bij het 'waarnemen van kleuren', ontstaan die in feite pas binnen de geest. Stel je ziet een boom. Zonlicht als elektromagnetische straling valt op de bladeren, die het rode deel van de straling opnemen en het groene deel weerkaatsen. Dat valt als louter lichtstraling op het netvlies van je oog. In de kleurgevoelige cellen daarvan wordt dit omgezet in niets dan zenuwprikkels, die door de oogzenuwen naar de achterkant van de hersenschors reizen, waar zij de schorscellen in werking zetten. Die stralen een magneetveld uit, waar je ziel, jouw eigen uitstraling mee gaat meetrillen. Dat trekt jouw aandacht, waardoor je je waarnemend voor die trilling openstelt en die in je opneemt. In jou komt het trillingsgetal overeen met dat van het voelen (hartchakra) en dán word jij je bewust van de kleur groen. Kleur bestaat net als klank alleen binnen de menselijke geest. Als de kleurgevoelige netvliescellen bij kleurenblindheid niet werken, wordt alles in grijstinten gezien.

Door de onbewust vereenzelvigde geestestoestand waarmee iedereen dit bestaan begint, worden eigenschappen van jezelf op de buitenwereld overgedragen, waardoor het lijkt alsof de krúin groen is. In werkelijkheid is de kleur niet dáár, maar alleen in het beeld in jouzelf. Dat deze verwisseling bestaat, is een aanwijzing voor het bestaan van de toestand van onbewuste vereenzelviging.

Het gehoor als zintuig beschikt over het onderscheidingsvermogen de instrumenten van een spelend orkest apart te herkennen; als daarentegen een aantal kleuren worden gemengd, kan het gezicht als zintuig de samenstellende kleuren niet meer onderscheiden, maar ziet slechts één, nieuwe kleur.
Schilderkunst is een andere kunstvorm dan muziek. Een schilderij kan door één schilder maar één keer worden gemaakt en kan vergaan; een muziekwerk kan ontelbare keren door vele muzikanten opnieuw worden uitgevoerd en blijft daardoor bestaan.

terug naar de Inhoud

51a. De geest en zijn hersenen
Zoals beschreven bestuurt de geest het lichaam middels de hersenen. Die zijn met het lichaam verbonden door de zintuigzenuwen, die van het lichaam naar de hersenen gaan en de bewegingszenuwen, die daar vandaan naar de spieren gaan. In de hersenen kruisen de zenuwen van de rechter- en linkerkant van het lichaam elkaar, waardoor de réchterkant met de línker hersenhelft is verbonden en omgekeerd.
Datzelfde gebeurt met de oogzenuwen, waarbij de zenuwen van de réchter netvlieshelften van beide ogen kruisen met die van de linker; zij komen bij de cellen van de línker achterste hersenschors aan en omgekeerd. De hersenen zetten daarbij het door de ooglens omgekeerde beeld weer recht.
Bij het gehoor bestaat ook zo'n kruising en verdeling, maar daar gaat ongeveer de helft van de gehoorszenuwen naar de andere kant en omgekeerd bij het andere oor. Geluid is gelijkmatiger over de ruimte verdeeld en kent niet een linker- en rechterkant zoals beelden.

Deze linksrechtskruisingen zijn nodig om de geest zich goed te kunnen laten bewegen in deze wereld. De geest bevindt zich - in het midden van zijn eigen uitstraling, de ziel - op die plaats in de geestelijke wereld, waar in de stoffelijke wereld het voorhoofd is. Van daar kijkt de geest met het geestesoog naar achteren, waardoor, dankzij de kruisingen, rechts en links van de geest met die van het lichaam overeenkomen en dat geldt ook voor de beelden van het gezicht.

De zintuiglijke gewaarwording van de wereld is zó werkelijkheidsgetrouw, ook ruimtelijk, dat de geest niet beseft naar de zintuiglijke voorstelling van de wereld in de eigen binnenwereld van zijn ziel te kijken. De schorsgebieden van gezicht en gehoor vormen in de ziel a.h.w. het toneel, waar de geest de toeschouwer van is. Die heeft de schorsgebieden van het denken, voelen en willen dicht bij de hand om daarmee zijn besluiten te kunnen uitvoeren door de hersenen te bewerken, om zich te uiten en met het lichaam in de wereld te bewegen.
Door de overdracht van de onbewust vereenzelvigde toestand denk je door je ogen naar buiten te kijken; maar in werkelijkheid laat je de wereld door je ogen naar binnen komen en in je eigen binnenwereld zie je de buitenwereld.

Tijdens de evolutie hebben de frontale lobben in het voorhoofd van de mens zich doorontwikkeld, waardoor die nu geschikt zijn voor de geest om zich volledig met de hersenen te verbinden. Bij dieren bestaat genoemde kruising ook, maar zij missen de menselijke frontale lobben, waardoor de dierengeest nog niet is ingedaald en zich nog boven de hersenen bevindt.

terug naar de Inhoud

51b. Plato's 'mensen in de grot'
De Griekse wijsgeer Plato (428-347 v.Chr.) beschrijft in zijn boek 'Politeia' (de Staat) de toestand van de mens op aarde in de beeldspraak 'mensen in de grot'. De mens is van jongs af aan opgesloten in een grot en zo geboeid, dat die alleen de achterwand van de grot kan zien. Een eindje bij de ingang van de grot vandaan brandt een vuur. Vlak vóór de ingang staat een muur als grens tussen de binnen- en buitenwereld en daarvoor ligt een weg, waarover mensen lopen die voorwerpen op hun hoofd dragen: de 'ideeën' (Grieks 'eidolon': 'beeld', 'begrip', 'vorm') als de denkbeelden van God, waarmee die de stoffelijke wereld vormgeeft en die zich nu als voorwerpen in de buitenwereld buiten de grot bevinden.

Het vuur werpt een schaduw van een 'idee' of 'vorm' (bv. 'appel') als een afbeelding ervan op de achterwand van de binnenwereld, het enige wat voor de gebonden mens zichtbaar is. Deze schaduw, de áfbeelding van de stoffelijke vorm van het idee van buiten, is het enige wat de mens op aarde van Gods denkbeelden ziet; daardoor houdt de mens in de gebonden toestand die schaduw voor de werkelijkheid.
Als de mens zou worden bevrijd en zich zou omdraaien, zouden zijn ogen het licht niet kunnen verdragen en zou hij de 'ideeën' niet kunnen zien. Hij zou daardoor ook niet willen geloven dat de oorzakelijke werkelijkheid zich daarbúiten bevindt. Dat inzicht kan alleen groeien als de mens zich uit de gebonden toestand bevrijdt en zich geestelijk ontwikkelt, waardoor hij in het licht van de geestelijke waarheid leert zien.

Ook de filosoof Schopenhauer beschrijft in 'De wereld als wil en voorstelling' deze toestand: "De wereld is mijn voorstelling - dit is een waarheid die voor elk levend en kennend wezen geldt, ofschoon alleen de mens haar in het reflexieve, abstracte bewustzijn kan brengen; doet hij dit dan is bij hem het stadium van de filosofische bezinning ingetreden. Dan wordt het hem duidelijk en staat het voor hem vast, dat hij geen zon kent en geen aarde, maar altijd alleen maar een oog dat een zon ziet, een hand die een aarde voelt; dat de wereld om hem heen er alleen is als voorstelling, dat wil zeggen uitsluitend en alleen in relatie tot iets anders, namelijk een íets dat voorstelt - en dat is hij zélf.

terug naar de Inhoud

52. Spanning, inspanning, ontspanning
De tijd als stroom van voortdurend wisselende gebeurtenissen is de oorzaak dat de menselijke geest ertoe wordt aangezet zijn vermogens bewust en beheerst te gebruiken om in die stroom staande te blijven. Afhankelijk van de ernst ervan betekent een gebeurtenis een belasting, waardoor de aanvankelijke rust van het innerlijke evenwicht wordt verstoord en de geest in een gespannen toestand geraakt.
Die innerlijke spanning is noodzakelijk om de geest ertoe aan te zetten zich in te spannen en de vermogens te gebruiken om de gebeurtenis te verwerken. Als dat lukt dan treedt ontspanning op en wordt het innerlijke evenwicht hersteld.
Lukt het niet dan blijft de belastende toestand bestaan, waardoor de spanning niet in een handeling kan wegvloeien, maar zich ophoopt tot het de geest teveel wordt en die in een overspannen toestand komt.

De evenwichtige afwisseling tussen rust en spanning is de natuurlijke toestand die met de eigenschappen van de geest als levenskracht overeenkomt: een kracht kan aanzetten tot beweging en weer tot rust komen. De stroom van gebeurtenissenis is er om de geest wérkzaam te laten zijn, noodzakelijk voor de geestelijke groei. Om die reden is onderspanning even onwenselijk als overspanning, daar het leidt tot onwerkzaamheid, ongunstig voor groei. Zowel over- als onderspanning verstoren het innerlijke evenwicht in de geest, wat door de ziel heen een verstorende invloed op de hersenwerkzaamheid heeft en daardoor op de gezondheidstoestand van het lichaam.

Deze eenvoudige beschrijving van uiterlijke en innerlijke gebeurtenissen heeft men vervangen door een wetenschappelijk aandoend begrip: stress, afkomstig van Latijn 'stringere': spannen(!). Daarbij heeft men verzuimd het werk van Selye te lezen, die dit invoerde, maar duidelijk de volgorde beschreef (afbeelding): strain leidt tot stress, wat noodzaakt tot coping en wat leidt tot eustress; lukt dat niet dan ontstaat disstress. Onkundig van zijn werk heeft men alles samengevoegd tot 'stress', waardoor niemand het meer begreep en er nu tientallen omschrijvingen zijn van stress. Het gebruik van leenwoorden is niet altijd een verrijking van de taal.

terug naar de Inhoud

53. Gezichtsuitdrukking en lichaamstaal
Zoals uiteengezet in nummer 32 doet de menselijke geest zich aan het geopende geestesoog voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. In de zelfvormende toestand is de geest in staat door de kracht van de warmte in zichzelf betekenisvolle lichtbeelden te vormen: denkbeelden; zij worden door verdunning en verdichting van licht gevormd.
Een reeks van deze beelden vormt een gedachtengang, waarin de beelden door omvorming uit elkaar voortkomen. Ieder van die te onderscheiden beelden heeft een betekenis, die door een woord wordt weergegeven. De geest drukt door de ziel heen deze beeldenstroom op het spraakgebied in de hersenschors af, waardoor de betekenis van de gedachtengang in een zin in de buitenwereld wordt verwoord.

De geestelijke warmtetoestand geeft ook de gemoedstoestand weer. Hoe meer die meewerkt bij de verwoording van de gedachtengang, hoe levendiger die wordt en hoe meer de ernaast liggende bewegingsgebieden van gezicht en handen gaan meedoen, doordat alle hersenonderdelen met elkaar zijn verbonden. Daardoor wordt het spreken begeleid door gezichtsuitdrukkingen en gebaren. In de vrouwelijke geest gaat het voelen vooraf aan het denken, waardoor de gezichtsuitdrukkingen zeer levendig zijn.
De gemoedstoestand komt ook tot uitdrukking in betekenisvolle vormen van de gebaren die tijdens het spreken worden gemaakt. Ook zij zijn een rechtstreekse weergave van innerlijke beweeglijkheid van het gemoed.

De schorsgebieden zijn ook verbonden met de tussenhersenen, waarin alle aan- en afvoerende zenuwen samenkomen. Daarin liggen de bewegingskernen striatum en pallidum, waarin alle onwillekeurig verlopende en aangeleerde gewoontehandelingen zijn vastgelegd, zoals: lopen, eten en schrijven, maar ook alle gezichtsuitdrukkingen, houdingen en gedragingen, die uitdrukking geven aan de lichaamstaal. Dat is de taal waarmee onbewust door de lichaamshouding aan de ander de eigen gemoedsgesteldheid wordt getoond. Deze lichaamstaal is een algemene, aangeboren houdingstaal; de betekenis ervan wordt door alle menselijke geesten onmiddellijk begrepen. Ook bij hogere diersoorten komt dit voor.

terug naar de Inhoud

54. Links, rechts en het verenigende midden
De geest is zoals gezegd een bolvormige wolk van licht en warmte, en heeft daardoor een binnen- en buitenkant: het innerlijk en de buitenwereld. Daardoor kan de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf worden gericht, op de persoon én op de gemeenschap van personen, en zijn er twee instellingswijzen: de in- en uitgekeerde instelling.
Bij de ingekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op zichzelf of op een groep waarmee een persoonlijke band bestaat; die instelling gaat de diepte in en kan door diepzinnigheid of teruggetrokkenheid worden gekenmerkt, en in die toestand geven persoonlijke doelen de doorslag bij het vormen van besluiten.
Bij de uitgekeerde instelling richt de geest de werkzaamheid op de gemeenschap; zij blijft aan de buitenkant en kan door vriendelijkheid of oppervlakkigheid worden gekenmerkt en bij de besluitvorming geven de doelen van de gemeenschap de doorslag.
Beide instellingswijzen horen echter onwrikbaar bij iedere menselijke geest, zij vormen twee tegendelen, die elkaar aanvullen; maar in de persoonlijkheid voor dít bestaan, kan de nadruk óf op één van de twee liggen wat tot eenzijdigheid leidt óf er kan een evenwicht zijn.

Het landsbestuur bestaat uit een regering en een volksvertegenwoordiging middels politieke partijen, die door het volk worden gekozen. Die keuze geschiedt vanuit ieders persoonlijkheid, waarvan genoemde eenzijdigheid een kenmerk kan zijn. Daardoor is de verdeling van partijen een weergave van het gemiddelde van de eenzijdigheden die in een volk leven: rechtse partijen vertegenwoordigen de op de persoon gerichte instelling, linkse partijen de gemeenschap en de middenpartijen het evenwicht daartussen.
Om een zinvol bestuur mogelijk te maken door weloverwogen besluiten te nemen, is een evenwichtige samenwerking tussen links en rechts noodzakelijk. Een leidraad daarvoor is de uitspraak van de Franse filosoof Jean Claude de Saint-Martin: vrijheid (rechts), gelijkheid (links) en broederschap (het politieke midden).
Doordat de gemeenschap er een van persónen is, kan het peil ervan alleen worden verhoogd als die persónen dat zélf doen: het beste wat een mens daarom voor zijn medemensen kan doen, is zichzelf ontwikkelen door zelfverwerkelijking: dát leidt tot het noodzakelijke innerlijke evenwicht... zowel in de mens als in de maatschappij.

"Gebeden kunnen de wereld niet veranderen, maar gebeden veranderen de mensen en dát verandert de wereld."
Albert Einstein, Duitse natuurkundige

Pogingen de maatschappij van bovenaf te veranderen vanuit één van de genoemde eenzijdigheden (fascisme-rechts, communisme-links), zijn altijd uitgelopen op een pijnlijke mislukking voor iedereen. Vanuit de geest gezien is het evenwicht van het midden - het broeder-zusterschap - het enig juiste uitgangspunt, dat leidt tot de gulden middenweg van de Griekse wijsgeer Aristoteles.

terug naar de Inhoud

55. 'Het ik' en 'het zelf' of "Ik ben het zélf"
Over de aanname van een gespleten zelfbeeld, wat leidt tot een mensbeeld met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

"De geest weet zelf niet, wat de geest is." Cicero

Of: het oog dat kijkt, ziet alles, maar niet zichzelf; dat is het beeld van de geest, die nog onbewust is van zichzelf en daardoor níet zichzelf, maar alléén deze stoffelijke wereld ziet (zie 25). In die toestand is de waarnemende geest met al zijn aandacht bij de omgéving, maar niet bij zichzelf als wáárnemer ervan, of is met al zijn aandacht bij de gevormde gedáchten in de ziel: zoals de gedachte 'het ik' of 'het zelf', maar niet bij 'zichzelf' als de bedénker ervan: 'ikzélf'.

Deze toestand van onwetendheid omtrent zichzelf als menselijke geest wordt veroorzaakt, doordat de geest als het enig levende, bij het intreden in het lichaam vanuit de geestelijke wereld, zich met zijn tegendeel, het niet-levende, de stof, verbindt (24). Daardoor kan de geest hier zichzelf niet zijn en wordt onbewust van het bestaan van zichzelf als zelfstandige eenheid: de vermogende, want waarnemende en denkende geest. Hoewel onbewust van het bestaan van zichzelf, heeft de menselijke geest hier wel een taal geleerd en daardoor geleerd zichzelf met het persoonlijke voornaamwoord 'ik' aan te duiden, maar weet niet wie die 'persoon' is en moet zich daardoor toch de vraag stellen: "Wie ben ik?"

Deze toestand van onwetendheid omtrent zichzelf heeft als doel de geest hier in de gelegenheid te stellen zich naar vrije keuze en op eigen kracht bewust te worden van het wezen van zichzelf: de vermogende, in zichzelf werkzame geest. De mens wordt hier zichzelf als raadsel gesteld om hem de gelegenheid te geven dat raadsel op te lossen en zo zich bewust te worden van zichzelf, zich te leren beheersen en zijn geestelijke aanleg te ontwikkelen.
Maar het tegendeel gebeurt als deze onbewustheid wordt bestendigd door op een afstándelijke wijze over zichzélf te gaan spreken als: 'hét ik' en 'hét zelf', enz., alsof dat zelfstandigheden zouden zijn, die 'ik' zou bezitten als 'mijn ik', 'mijn zelf', 'mijn ego', enz., en zo aan zichzelf voorbij te gaan!

Doordat dit slechts denkbeelden zijn en oorzaak van een kunstmatige spreekwijze, komt men er niet verder mee dan als een gespreksonderwerp; door de kunstmatigheid ervan kan men er eindeloos over door blijven filosoferen.
In plaats van zich naar binnen te keren en zichzelf de juiste vraag te stellen: "Wie ben ík eigenlijk?" vragen sommigen zich af: "Wat is dat eigenlijk, 'het zelf'". Waardoor men zich met zijn vraag niet naar binnen keert, waar de oplossing wacht: de menselijke, werkzame geest, maar juist naar buiten, naar een afstandelijke gedachte in de vorm van 'het zelf', waardoor men zich blijvend van zichzelf vervreemdt.

Het feit dat de mens ertoe overgaat op deze gekunstelde wijze over het wezenlijke van zichzelf te spreken, is een aanwijzing voor het bestaan van de toestand van onbewustheid van zichzelf als menselijke geest; die ontstaat door de verbinding met het tegendeel van zichzelf, de stof (24); én het is een aanwijzing voor het bestaan van de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof (25), als de menselijke geest zich daarmee verbindt door in het stoffelijke lichaam in te treden tijdens het ontwaken in deze wereld.

Doordat zoals gezegd de menselijke geest als het levende zich hier moet verbinden met het tegendeel van zichzelf, de stof, het niet-levende, kent de geest in dit tijdelijke bestaan zichzelf niet meer. Nog wel is een vaag zelfgevoel en zelfbesef gebleven, een besef dat er toch wel zoiets moet bestaan als een 'bewustzijn', waarmee het woord 'ik' is verbonden.
Door de vaagheid daarvan, wordt er echter niet gekozen voor een duidelijk zelfstandig naamwoord om de bron van dat zelfbesef te benoemen (zoals 'mens' of beter: 'persoon' en nog beter: 'geest') maar er wordt gekozen voor een woordsoort, die alleen maar naar een zelfstandigheid verwíjst: een persoonlijk voornaamwoord, zoals 'ik' of een aanwijzend voornaamwoord, zoals 'zelf', maar dan in de vorm van 'het ik' en 'het zelf', alsof dat zelfstandigheden zouden zijn.

In een poging er op kunstmatige wijze iets zelfstandigs van te maken, om het iets zelfstandigs te laten lijken wordt er vóór die woordsoorten een lidwoord gezet... alsof het dan wel zelfstandige naamwoorden zouden zijn. M.a.w.: onbewust wordt de denkfout gemaakt van een persoonlijk en van een aanwijzend voornaamwoord een zelfstandig naamwoord te maken, door er eenvoudig een lidwoord voor te zetten en dan te menen, dat men door deze taalkundige kunstgreep iets heeft verklaard; het is echter onbewuste zelfmisleiding, die je ontwikkeling belemmert.
Iedere schrijver over dit onderwerp geeft vervolgens allerlei toevoegingen aan 'het ik' zoals 'het hogere ik' en 'het lagere ik', 'het ware ik' en het 'valse ik' enz. enz. waardoor de mens wordt beschreven als een patiënt met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

terug naar de Inhoud

56. Ik en 'mijn ego' (Latijn voor 'ik')
Bij sommige levensbeschouwingen kan men de uitspraak tegenkomen: "Het door jezelf opgebouwde ego." In die zin staat één werkzame eenheid, die werkt en met het aanwijzende voornaamwoord 'jezelf' wordt aangeduid en één onderwerp waaraan wórdt gewerkt: het lijdende voorwerp dat 'het ego' wordt genoemd.
Die werkzame zelfstandigheid is de persoon: jijzelf als menselijke geest, die voor die opbouw zijn vermogens gebruikt. Het enige, wat je als die persoon daarmee kunt opbouwen, bedenken, is een dénkbeeld en als dat zichzelf als onderwerp heeft - wat in die zin wordt gesteld - dan betreft dat het vormen van je zelfbeeld.

Het is echter een natuurlijke gang van zaken dat de menselijke geest, afgaande op ervaringen die in de omgang met anderen worden opgedaan, in zichzelf een beeld van zichzelf vormt. Dit is het gezonde verloop van iedere persoonlijkheidsontwikkeling en het leidt tot moeilijkheden als een mens níet een goed zelfbeeld heeft ontwikkeld. Als je door geboorte dit bestaan moet meemaken, kún je hier niet anders dan een bepaald beeld van jezelf krijgen doordat je medemensen jouw uitspraken en gedragingen op een bepaalde wijze beantwoorden.

De menselijke geest gebruikt het woord 'ik' om er zichzélf mee aan te duiden. Door de 'het ik-zeggers' wordt het zelfbeeld weliswaar 'het ego' of 'mijn ego' genoemd, maar dat is Latijn voor 'ik'; en door het lidwoord krijgt dat een zelfstandigheid, het wordt verpersoonlijkt.
Vervolgens worden onaangename eigenschappen daarop overgedragen. Men zegt dan niet meer: "Ik ben zelfzuchtig, eer- of hebzuchtig." Deze trekken worden niet meer benóemd, maar op het schijnwetenschappelijke 'ego' overgedragen, waardoor op een afstándelijke, berustende wijze kan worden verzucht: "Mijn grote ego!"

Zoals in de Oudheid persoonlijkheidseigenschappen op goden in de hemel werden overdragen, doen de 'het ik-zeggers' dat nu op een dénkbeeld in de binnenwereld van zichzelf: dat ondeugdelijke 'ego', waarop ze hun onvolmaaktheden overdragen en zo de pijnlijke bewustwording van de ware toestand van zichzelf als de verantwoordelijke persoon, met zijn nog onvolmaakte persoonlijkheidseigenschappen, belemmeren.

terug naar de Inhoud

57. Ontwikkeling is omvorming van de geestesgesteldheid
Zoals beschreven is de menselijke geest door verdichting als een bolvormige wolk van geestelijk licht en warmte uit de algeest voortgekomen. Doordat die verdichting in één punt begon, is de menselijke geest een éénheid, en zijn de eigenschappen van de algeest in aanleg daarin aanwezig. Daardoor is de geest in de gelegenheid zich in de leerschool van de aarde op eigen kracht tot ontwikkeling te brengen en toe te groeien naar eenzelfde zelfstandigheid als de algeest zelf. Die ontwikkeling behelst een steeds bewuster en beheerster gebruik leren maken van de vermogens van die éne geest, tot die de vorm van het geweten en de deugden hebben gekregen.

De geestelijke ontwikkeling kenmerkt zich door omvorming; de geest neemt toe in het vermogen zich bewust en beheerst, liefdevol en begripvol te gedragen. Daarbij verandert langzaam de geestesgesteldheid: de houding die tegenover anderen wordt aangenomen en die weergeeft hoe het is gesteld met de wijze hoe de geest zijn vermogens gebruikt.
Dat gebeurt ook bij het verwerken van gebeurtenissen, vaak onveranderbare feiten, die je alleen kunt verwerken door je eigen houding er tegenover te veranderen, je aan te passen en te leren je lot te aanvaarden. Gebeurtenissen die je naar eigen vrije keuze zelf kunt aanpassen, zijn er minder. Dan is iets verwerken iets omvormen van een onnutte begin- naar een nuttige eindtoestand, zoals de bakker wat meel, samen met andere bestanddelen, omvormt tot een eetbaar brood. Al doende leert hij steeds betere en ook andere broden te bakken en dat is het gevolg van de geleidelijke verbetering van de wijze waarop hij zijn vermogens gebruikt en zo een kundige bakker wordt.

Omvormingen, metamorfoses komen in de natuur veel voor. Een vlinder legt een eitje op een blad. Daaruit komt het volgende jaar een rupsje, dat veel eet en een snelle groei doormaakt. De volgroeide rups vormt een cocon (pop), waarbinnen het lichaam van de rups verandert in dat van een vlinder (gedaanteverwisseling). Uit de pop kruipt een vlinder die zich door paring en eitjesleggen voortplant.
Die vlinder behoudt het geheugen van de rups, het blijft hetzelfde wezen.

terug naar de Inhoud

58. Sint Joris en de draak
Het beeld van Sint Joris op zijn paard in gevecht met de draak stelt een psychodrama voor: de mens die worstelt met eigen onvolmaaktheden. Het is een oerbeeld in de zin van Jung, van de innerlijke tweestrijd in de menselijke geest zelf.
De vermogens zijn geestelijke krachten, die tezamen worden voorgesteld door beide dieren. Het deel van de vermogens dat al door de geest wordt beheerst, verkeert in de toestand van een hogere diersoort: het paard dat bewustzijn heeft en persoonlijkheid toont, dat is getemd en kan worden gemend; terwijl de nog onbeheerste vermogens in de toestand verkeren van een lagere diersoort: de ongetemde draak, een monster dat zich in onbeheerste toestand tégen de mens keert.

Het beeld schetst de omvorming van driftkracht naar geestdrift, van onbewustheid naar zelfbewustzijn.
Met de linkerhand houdt Joris de teugels vast waarmee hij zijn paard leidt, met de rechter de lans, waarmee hij de bek van zijn eigen draak bedwingt; ook zet hij zijn voet erop. Hij is geen drakendoder, maar bedwinger, de draak is deel van hemzelf.
Zijn paard is wit (al bewust) en heeft een 'meer verheven toestand' bereikt boven de aarde; schimmels komen niet veel voor, het steigert en staat daardoor 'als een mens' op twee benen. Zijn draak bevindt zich nog 'laag bij de grond', is meestal zwart (nog onbewust), omklemt de achterpoot van het paard en belemmert zo de voortgang van de geestelijke ontwikkeling, de zelfverwerkelijking.

St Joris is het archetype van de cultuurheld: in de Griekse sagen Herakles (Hercules), Jason, Odyseus en Perseus, Baldr bij de Germanen. In de Perzische Mithrasgodsdienst overwint Mithras een stier die uit een grot (onderwereld) komt. Uit het bloed van de stier dat in de aarde zinkt, komt de nieuwe mensheid voort: oerbeeld van 'sterf en wordt geboren' en in die zin kan ook het overwinnen van de draak worden gezien als het verdwijnen van het oude, nog dierlijke, dat wordt omgevormd in het nieuwe, menselijke.
Dit komt ook overeen met de Midden-Amerikaanse godheid Quetzalcoatl, die zich van een aardse slang omvormt tot een hemelse vogel en eveneens met de Chinese wijsgeer Lao tse, die op zijn os rijdt.

"Zichzelf te overwinnen is de beste
en grootste van alle overwinningen."
Plato, Griekse filosoof (427-347 v.Chr.)

terug naar de Inhoud

59. Verscheidenheid én eenheid van de mensheid
In wezen is de mensheid een eenheid, want zoals gezegd, is iedere menselijke geest door verdichting uit de algeest voortgekomen. Doordat die zich in de oneindigheid uitstrekt, kan niemand er buiten zijn, allen zijn erin. Door die verdichting is de overgang naar de algeest naadloos, waardoor iedere menselijke geest één én ál is: door de verdichting een éénheid als zelfstandige persoon, maar daardoor ook in een eeuwige gemeenschap met de éne algeest en elkaar.

Door de verdichting zijn alle algeesteigenschappen in aanleg in íedere menselijke geest aanwezig; ook een zeker zélfgevoel doordat de algeest, als de énige, altijd op zichzelf is. Dat zelfgevoel is ook nodig om de geest de mogelijkheid te geven naar eigen vrije keuze van zijn vermogens gebruik te maken, om ze daardoor steeds zelfstandiger te leren gebruiken en zo geestelijk te groeien.

Door dat zélfgevoel en die persóónlijke ontwikkeling is de mensheid nu uitgegroeid tot een toestand waarin de mens het verst van zijn oorsprong, de algeest is verwijderd én waarin er een uiterste verwijdering is ontstaan van elkaar door de grootste verscheidenheid, die tussen personen mogelijk is... een toestand van verwijdering van de oorsprong en van elkaar, noodzakelijk om de zelfstándigheid te verwerven, die met die van de algeest overeenkomt.

Deze verdeeldheid is versterkt door de indaling in het lichaam, waardoor de mens geheel op zichzelf kwam te staan. Door verbinding met het tegendeel van zichzelf, de stof, trad de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan in, waardoor ook de geest zelf uit zicht raakte en de mens middels de natuurwetenschappen in de stóf is gaan zoeken naar de betekenis van deze toestand; wat de verwijdering van geest en algeest heeft voltooid: het punt dat de mensheid nu heeft bereikt. Daardoor zijn we niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen vreemden geworden, zeker als we niet tot dezelfde groep behoren.

Wie naar buiten kijkt, ziet verscheidenheid; naar binnen: éénheid. Er is er slechts één die de mensheid kan verenigen: de gezamenlijke oorsprong van allen, want dáár zijn alle mensen in wezen broeders en zusters van elkaar.


"Als de vooruitgang werkelijk niets dan een mythe is, als wij ons bij al onze inspanning moeten afvragen: Wat heeft het voor zin, waarvoor? Dan verlammen al onze pogingen. Dat zou het punt zijn, waarop de evolutie tot stilstand kwam, want wij zelf zijn die evolutie."
Pierre Teilhard de Chardin, Franse jezuiet en paleontoloog

"Alleen de liefde is in staat om levende wezens te verenigen op zo'n manier dat ze elkaar aanvullen en elkaar voltooien, want alleen liefde brengt hen bij elkaar door het diepste in henzelf."
Pierre Teilhard de Chardin

terug naar de Inhoud

60. Ontwikkeling van mens en mensheid
In de vorige stukjes is over de ontwikkeling gesproken van mens en mensheid. De mensheid is het geheel van mensen, die er de bouwstenen van zijn. Wat er in hén persoonlijk gebeurt, zet zich voort in de gemeenschap. Jezelf verwerkelijken is daarom het beste wat je voor je medemens kunt doen, want de ontwikkeling die in de persoon zelf plaatsvindt, is niet een op zichzelf staand gebeuren, maar heeft ook invloed op de omgeving door de wisselwerking tussen mensen onderling; en tussen die twee moet een evenwicht zijn.

De ontwikkeling in jezelf hangt samen met de toename in het bewuste en beheerste gebruik dat je van je vermogens leert maken: dat is datgene, wat in de mens kan worden opgevoed. Als je ieder werk dat je aanpakt, met de inzet van al je vermogens doet, voegt ieder werk, al is het nog zo weinig, toe aan je geestelijke groei. Daardoor wordt ieder werk, ook het meest eenvoudige, een mogelijkheid geestelijke rijkdom te verwerven, die blijft tot in de eeuwigheid. Vanuit de geest gezien, doet het er niet toe, wát voor werk je doet, maar hóe je het doet.

Het is te vergelijken met het leren bespelen van een muziekinstrument. In het begin gaat dat nog moeizaam en is de muziek nog niet foutloos. Door veel te oefenen, neemt je vermogen het instrument te bespelen toe en klinkt de muziek mooier, tot je uiteindelijk de moeilijkste stukken op indrukwekkende en meeslepende wijze ten gehore kunt brengen.

Muziek kun je voor jezélf maken, waarin je genoegen kunt vinden, maar je kunt het ook sámen met anderen doen en ook vóór anderen, wat eveneens voldoening geeft. Dat geldt ook voor geestelijke ontwikkeling. Je wordt mens door je medemens. Je menselijkheid neemt toe als je, in de ontmoeting met je medemens, in je spreken en handelen je vermogens zo inzet, dat het gesprek een vruchtbare uitwisseling wordt van gedachten en gevoelens. Daardoor neemt de ontwikkelingsgraad van beider geestesgesteldheid toe.

Dé heilige gebeurtenis vindt plaats als je door zelfbezinning tot inzicht komt in jezelf als mens én vindt plaats in de begripvolle en liefdevolle ontmoeting met je medemens. Dat laat niet na zich voort te zetten in de omgeving, waardoor de ontwikkelingstoestand van de mensheid weer een beetje is toegenomen.

"Het echte leven is ontmoeting."
Martin Buber, godsdienstfilosoof

terug naar de Inhoud

61. Geestelijke ontwikkeling in het Hebreeuwse alfabet
De letters van het Hebreeuwse alfabet vormen een beeldentaal en om die te kunnen begrijpen, is het nodig analogisch (overeenstemmend) te denken.
Het is daardoor een bijzonder alfabet, want
- het bestaat niet alleen uit 22 schrijfletters,
- maar dat zijn ook cijfers, waarmee wordt geteld;
- en het zijn tekens met een zinnebeeldige betekenis;
- zij vormen een beeldentaal met een diepere zin, waar ook hun namen naar verwijzen (zie het Menu);
- de betekenissen van de eerste tien letters hangen met elkaar samen en vormen een beschrijving van tien stappen op de levensweg, de geestelijke ontwikkelingsweg van de mens in dit bestaan.

De mens vertrekt uit zijn oorsprong, aleph en treedt bij bêth het stoffelijke bestaan binnen om bij gimel een leerzame tocht door dit bestaan te maken, waardoor die bij daleth op zichzelf terug wordt geworpen en bij hee leert dit bestaan te zien vanuit de kern van zichzelf; daardoor komt bij waw het verlangen op naar de bron terug te keren en wordt bij zajin daarvoor een levensbeschouwing gevormd; die leidt ertoe dat bij chêth een ommekeer plaatsvindt die bij têth leidt tot de voltooiing door het evenwicht tussen denken (zajin) en voelen (waw), waardoor bij jôd de laatste stap naar de hereniging met aleph kan worden gezet. De betekenis van deze letters is een zinnebeeldige weergave van dit bestaan als geestelijke leerschool.

De strekking van deze levensweg komt overeen met Jezus' vergelijking van de Verloren Zoon (Lukas 15:11-32): 1) de zoon besluit zélf het ouderlijke huis te verlaten; 2) hij doet eigen, leerzame ervaringen op in de wereld; 3) hij komt door tegenslagen tot bezinning en 4) neemt zélf het besluit naar huis terug te keren (het woord 'religio' betekent: hérverbinding).
Jezus' Verloren Zoon (dat zijn wij allen) beschikt over een vrije keuze en moet door eigen ondervinding met de gevolgen van die keuzes, leren, daardoor groeien en ten slotte besluiten terug te keren!

Zoals gezegd geven de Hebreeuwse lettertekens ook de cijfers weer; kenners van het Hebreeuws zien daardoor niet alleen een woord, maar evengoed een getal! Dit samenvallen van letters en cijfers heet 'gematria' (getallenleer).

terug naar de Inhoud

62. De betekenis van de Hebreeuwse letter aleph
Hebreeuwse woorden bestaan uit medeklinkers, waaraan klinkers kunnen worden toegevoegd; daardoor zijn er stamwoorden waarmee een woordenfamilie kan worden gevormd.

a Zo betekent aleph 'stierenkop' terwijl 'alloeph' 'vorst' betekent (stier en vorst lopen vooraan) en 'alaph': 'leren', m.a.w.: geestelijke ontwikkeling.
Aleph is als de 'Volkomen Ene' Gods eenheidstoestand. Het is een samengestelde letter: de schuine waw (6) is de lopende, zich ontwikkelende mens, en jôd (10) betekent hand; die rechtsboven is de mannelijke, leidende hand, die linksbeneden de vrouwelijke, zorgzaam geopende hand; zij leiden en steunen de zich ontwikkelende mens op de levensweg: de betekenis van de op aleph volgende negen letters van het alfabet. Aleph verbeeldt het gezin, waarin het kind door de ouders wordt opgevoed.

b De jôd is de oervorm van alle letters, die hangen aan de schrijflijn bóven de letters: de grens tussen hemel en aarde. Daar steekt de jôd met een punt doorheen: de verbondenheid van alle letters met de geestelijke wereld, want alle letters worden gevormd door aan jôd tekens vast te maken die naar beneden hangen.

c In het begin is alles in God nog een eenheid (1). Dan begint er een ontwikkeling naar volwassenheid, de bewustwording van geestelijke zelfstandigheid. Bewustwording ontstaat door onderscheid te maken tussen tegendelen: de mens wordt zich bewust van warmte door het ervaren van koude, enz. Om die bewustwording mogelijk te maken, vormt God een scheiding tussen de geestelijke wereld, de wereld van de eenheid en de stoffelijke wereld, die van de tweeheid (2); daar wordt alles door het bestaan van tegendelen gekenmerkt: links en rechts, voor en achter, boven en onder, waardoor er onzekerheid in de wereld is gekomen, maar ook een keuzemogelijkheid.

De afstand tussen tegendelen kan groter worden, waardoor zij uitgroeien tot tegenstellingen of tot tegenstrijdigheden. Daardoor ontmoet de mens moeilijkheden op zijn pad, die moeten worden opgelost. Daarvoor moet men keuzes maken door de geestelijke vermogens te gebruiken, die daardoor tot ontwikkeling komen; wat de mens ooit terugleidt op de weg naar God (1).


Gematria
Voluit geschreven bestaat het stamwoord van 'aleph' uit de letters aleph-lamed-pee. De getalswaarde van die letters is 1-30-80, wat opgeteld 111 is: de eerste van de eenheden, de eerste van de tientallen en van de honderdtallen; daar komt de eerste van de duizendtallen nog bij, want het woord 'eleph' met dezelfde letters, maar andere klinkers, betekent duizend.
Het woord 'aleph' wordt zo getalsmatig gekenmerkt door: 1111. Er zijn 4 enen en het getal 4 heeft volgens de gereduceerde cijfersom de betekenis: 1+2+3+4=10 en 1+0=1. Het getal 4 wijst zelf ook weer terug naar de 1.

Als de letter aleph vóór een stamwoord is geplaatst, dan heeft die aleph de betekenis 'ik'. De aleph als de klinker 'a' wordt het diepst in de keel gevormd en is zo de meest innerlijke, geestelijke klinker. Die klinker 'a' kan dus ook de betekenis van het woordje 'ik' hebben; dat is een heel bijzonder woord, want daarmee duidt de sprekende menselijke geest zichzélf aan; het woord 'ik' verwijst naar de levende kern van de mens. In het Oudindisch is 'acham' - ook met een 'a' - het woord voor 'ik'.

De aleph is een stille 'keelklank', de onhoorbare, scheppende ademstoot die de aanzet is van alle andere letters. De aleph duidt niet alleen de 'a' aan, maar ook de andere klinkers: i, e, o, u. Achter elkaar uitgesproken, klinken die als 'i-e-o-u-a': dat is de naam Jehova. Jehova is de Ene, de Eerste, God. Ook is de 'i' de klinker die vóór in de mond wordt gevormd en de 'a' het diepst in de keel; alle andere liggen daartussen en zo is het woord 'jehova' ook een klanksymbool van totaliteit (overeenkomend met het Indiase 'aum' of 'om').
De aleph is 'de eenheid in de verscheidenheid', zij staat voor 'de eenheid van het al' en in het bijzonder voor de eenheid in en met God.

terug naar de Inhoud

63a. De ontwikkeling in Pythagoras' getallenleer
Pythagoras was de eerste filosoof met een volledige wereldbeschouwing. Hij leerde dat God de kosmische geest is: de algeest; de menselijke geest is Gods werkstuk en een deel van het goddelijke wezen.
De wereld is een toneelspel en filosofen zijn de toeschouwers. Het leven is eeuwig, bij de dood gaat de geest terug naar zijn wereld.
De persoonlijkheid ontwikkelt zich door meerdere wedergeboortes en het doel is hereniging met het goddelijke.
Hij leerde dat getallen zinnebeelden zijn van geestelijke eigenschappen. Alles in de schepping, ook die eigenschappen en de door hem ontdekte toonladder in de muziek, berust op getalsverhoudingen. Getallen zijn levende krachten, werkzaam in de kosmos.

De vormen van de eerste tien getallen komen ordelijk uit elkaar voort en hebben de eenvoudigste meetkundige vorm.
1. De één is het beginpunt, oorsprong van de getallen en hun vormen, door vermenigvuldiging van zichzelf gevormd. De één is de zelfstandige aanzet tot scheppen en leiding geven.
2. Als dat punt uit rust in beweging komt, vormt het een lijn als een rij punten, een verzameling tussen begin- en eindpunt.
3. Dan vormt het punt het eenvoudigste vlak, de gelijkzijdige driehoek, door recht tegenover de lijn te gaan staan.
4. Daarna gaat het de ruimte in, recht boven de driehoek, waardoor het viervlak ontstaat met vier hoekpunten: de binnenwereld.
5. Vervolgens gaat het die ruimte in en door naar de andere kant, in de richting van de buitenwereld en vormt zo de vijfhoek.
6. Daaruit terugkerend in zichzelf verwijdt het punt zijn binnenwereld door de driehoek tot vierkant te vormen; oorzaak van de oktaëder met zes hoekpunten.
7. Daarin zoekt het punt naar de kern om zichzelf te hervinden.
8. Van hieruit wil het optreden in de wereld en zet zich daartoe bolvormig uit, waardoor eerst de zes tetraëdervlakken in hun midden worden geraakt en de kubus ontstaat.
9. Nu zijn alle vormen voltooid en met elkaar in evenwicht. Het punt hervindt in het middelpunt zijn oorsprong en zo is de kringloop rond.
10. Van daaruit vormt het een evenwichtige band met anderen in de omgeving, weergegeven door de bol door de hoekpunten van de kubus.

terug naar de Inhoud

63b. De zinnebeeldige betekenis van Pythagoras' getallenleer
De meetkundige vorm van de eerste tien getallen beeldt hun geestelijke betekenis uit.

1. De één als eerste is de zelfstandige aanzet tot schepping van de getallen waarop de kosmos berust; als ondeelbaar punt is het de eenvoudigste vorm, maar bevat in aanleg alle eigenschappen, daar het alle vormen vermag te scheppen.
2. De beweging vanuit het rustpunt vormt een rechte lijn, die het beginpunt met het nieuwe, als tweede gevormde eindpunt, verbindt, langs de eenvoudigste, rechte weg. De lijn verenigt de een met de ander, de tweede.
3. De volgende beweging vormt de gelijkzijdige driehoek, het eenvoudigste vlak, doordat het punt recht tegenover de lijn komt te staan en die zo afstandelijk kan beschouwen en beoordelen.
4. Dan verlaat het punt het platte vlak en gaat de ruimte in waardoor het recht boven de driehoek komt te staan. Zo ontstaat de tetraëder, het eenvoudigste veelvlak: de binnenwereld in de mens en het eerste lichaam in de buitenwereld.
5. De volgende beweging van het punt gaat naar de overeenkomende plaats in de ruimte er tegenover: zo ontstaat de vijfhoek, door de evenwichtige beweging van 'boven' naar 'beneden' of van binnen naar buiten, waardoor het punt nu in de buitenwereld is.

6. Om het evenwicht te bewaren gaat het punt naar binnen en vormt daarbij een nieuwe ribbe, waardoor het vlak van de driehoek de volgende eenvoudigste vorm, het vierkant wordt en de oktaëder ontstaat met een ruimere, innerlijke wereld.
7. Door de naar binnen gerichte beweging komt het punt vervolgens terecht in het middelpunt van de oktaëder, in zichzelf als de kern.
8. Vanuit die kern zich naar buiten richtend, ontstaat door de alzijdige beweging zoals bij de één, vanuit dat punt een bol, die eerst de acht zijden van de oktaëder in hun midden raakt; die punten zijn ook de acht hoekpunten van de kubus.
9. Na zo alle vormen te hebben voltooid, gaat het punt weer naar binnen en zoekt de kern van de kubus voor het innerlijke evenwicht.
10. De eindvorm is de bol als een middelpunt dat alzijdig is uitgezet. Hij omvat alle vormen door hun raakpunten met het oppervlak en hun samenvallen met het middelpunt, de één als de oorsprong.

terug naar de Inhoud

63c. Jamblichus, neoplatonist, verbond de getallenleer met persoonlijkheidskenmerken (de numerologie)
Deze persoonlijkheidskenmerken komen overeen met de vier geestelijke vermogens en de in- en uitgekeerde instelling. Zie de stukjes 10-19, waarvan hieronder een korte samenvatting.

1. De zelfstandige aanzet tot werkzaamheid en leiding geven is een eigenschap van het ingekeerde willen, het willen van zichzelf, het verwerkelijken van eigen gedachten en gevoelens in de maatschappij door ermee naar buiten te treden.
2. Gemeenschapsvorming door naar een gevoelsband met de ander te streven, is een eigenschap van het uitgekeerde voelen, het voelen voor de ander. Relatie betekent: heen en weer gaan, en als dat aandacht en toewijding betreft, kweekt dat saamhorigheid.
3. Het vormen van een verstandelijk oordeel is een eigenschap van het uitgekeerde denken, het denken voor de ander, dat ernaar streeft de stelling (het eerste punt) en de tegenstelling (het tweede punt) door samenstelling te verbinden.
4. Vier is de binnenwereld, het gebied van het ingekeerde waarnemen, het waarnemen van de inhouden ervan: kennis, gedachten en gevoelens, en het door arbeid vormgeven ervan in de buitenwerteld.
5. Vijf is de buitenwereld, het gebied van het uitgekeerde waarnemen middels de vijf zintuigen, de mogelijkheid zich ermee te verbinden en die dan in zich op te nemen, in zichzelf te ervaren en ervan te genieten.

6. Door de overvloed aan ervaringen in de buitenwereld trekt de mens zich in zichzelf terug en groeit het zelfgevoel, het ingekeerde voelen, het innerlijk doorvoelen en persóónlijk beleven van die wereld.
7. Ervaringen wekken levensvragen, waardoor het ingekeerde denken, het overdenken van het wezen van zichzelf, wordt aangezet te zoeken naar de begripsmatige betekenis van de ervaringen die vragen hebben opgeworpen, waardoor een levensbeschouwing wordt gevormd.
8. Het handelend op willen treden in de buitenwereld om daar iets te ondernemen vanuit een gedachte of gevoel, is een eigenschap van het uitgekeerde willen.
9. Als alle acht persoonlijkheidskenmerken tot ontwikkeling zijn gekomen, vormen zij in de kern een evenwichtig samenhangende eenheid en is de persoonlijkheid innerlijk in evenwicht gekomen.
10. Als deze voltooide persoon naar buiten treedt, ontstaat ten slotte de éénheid van de persoon met alle anderen. Deze eenheid brengt de mens terug tot de oorspronkelijke, geestelijke toestand, waarin die zoals iedereen als vonk uit en in de algeest is gevormd door liefdevolle verdichting ervan.

terug naar de Inhoud

63d. De numerologiekubus en twee diagonaalvlakken daarin
Pythagoras ontwikkelde een getallenleer en verbond elk getal met een meetkundige vorm, die de zinnebeeldige voorstelling ervan is; Jamblichus voegde er later persoonlijkheidskenmerken aan toe. De getallen kunnen zoals getoond over de kubus (a) worden verdeeld volgens de gematria of gereduceerde cijfersom, door Pythagoras ingevoerd: de cijfers van een getal worden zolang opgeteld tot een cijfer tussen 1 en 9 is bereikt, wat de geestelijke waarde van dat getal weergeeft; en de 9 betekent voltooiing.

1. Als eerst in de kubus de vermogens op zich worden beschouwd,
- is de volgorde in het onderste vlak: waarnemen 4, dénken 3, voelen 2 en willen 1: de mannelijke volgorde van geestelijke werkzaamheid;
- en het bovenste vlak: waarnemen 5, vóelen 6, denken 7 en willen 8: de vrouwelijke volgorde;
- ook is er evenwicht tussen beneden en boven, tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid, die volgens Pythagoras' gelijkwaardig zijn en elkaar aanvullen en voltooien. Dat blijkt uit het feit dat de som van de getallen van de hoekpunten van de staande ribben alle 9 zijn: 1+8=9, 2+7=9, 3+6=9, 4+5=9;
- ook de cijfers van álle hoekpunten van de kubus opgeteld: 1+2+3+4+5+6+7+8 geeft 36 en 3+6 is 9, de voltooiing in het middelpunt.

2. Vervolgens kunnen in de kubus de diagonale vlakken met hoekpunten: 4,6,7,1 en 5,3,2,8 worden getekend, uitgesneden en een kwart slag naar voren gekanteld. Door de verdeling van de persoonlijkheidskenmerken over de hoekpunten van kubus én diagonaalvlakken, wordt de volgende samenhang zichtbaar:
- het staande vlak bevat alle íngekeerde persoonlijkheidskenmerken en de vróuwelijke volgorde van de vermogens;
- het liggende vlak alle úitgekeerde kenmerken en de mánnelijke volgorde;
- worden de vier cijfers van zowel het ingekeerde als het uitgekeerde diagonaalvlak bij elkaar opgeteld, dan geeft dat bij beide 18 (4+6+7+1=18 en ook 5+3+2+8=18) en 1+8 opgeteld is 9.

Hieruit volgt: de numerologiekubus en de diagonaalvlakken
- bevestigen de waarde van Pythagoras' getallenleer
- en de samenhang van getallen met persoonlijkheidskenmerken;
- geven de mannelijke en vrouwelijke tweevoudigheid in de menselijke geest weer
- en de numerologiekubus is met zijn omgeschreven bol een toonbeeld van geestelijke heelheid.

terug naar de Inhoud

63e. Pythagoras' tetraktys (vierheid)
Pythagoras voerde de rekenkundige bewerking 'samenstelling van getallen' of 'gereduceerde cijfersom' in, waarmee de zinnebeeldige waarde van elk getal met een cijfer tussen 1 t/m 9 wordt uitgedrukt. Door die bewerking wordt bijv. de 10 een 1 door de som 1+0=1; zo is de 10 als nieuwe 1 het beginpunt van de volgende reeks getallen, nadat de aanleg van de eerste 1, door de gang door de cijfers 1 t/m 9, geheel tot ontwikkeling is gekomen.

Het beginpunt (1) heeft zich alzijdig uitgewerkt tot de bol (10): volgens Plato de volmaakte meetkundige vorm, want het eerste punt heeft zich ontwikkeld tot alle punten van het boloppervlak, die alle gelijkwaardig zijn, waardoor er geen begin- of eindpunt is: zinnebeeld van de eeuwige oneindigheid... wat ook in de mens is te vinden: de menselijke geest is een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte.

De 10 wordt gevormd door de som 1+2+3+4+5+6+7+8+9+10=55, 5+5=10 en 1+0=1. 10 wijst zo terug naar de 1 en daardoor naar het begin van een nieuwe kringloop, wat uitloopt op een eeuwige kringloop; wat ook geldt voor de som 1+2+3+4+5+6+7=28, 2+8=10 en 1+0=1 en voor 1+2+3+4=10 en 1+0=1.
Daar 1, 2, 3 en 4 de getallen zijn met de eenvoudigste meetkundige vormen (punt, lijn, driehoek en viervlak), waaruit alle andere voortkomen, noemde Pythagoras deze vierheid: tetraktys, de grondslag van de kosmos.

De tetraktys werd getekend als een gelijkzijdige driehoek, de volmaakte vorm in het platte vlak, met punt 1 als binnenkant in het midden en 9 punten als buitenkant eromheen in de vorm van de rijen punten 1, 2, 3 en 4, de tetraktys: 1 plus 9 vormt 10 en vervolgens weer 1; het verbeeldt de eenheid (1) in verscheidenheid (9) en een eeuwig voortdurende kringloop.
Punt 1 is zo ook het middelpunt van 2 cirkels, waarvan het oppervlak gelijk is aan πr&2sup;. Een kwadraat is een vierkant, dat de vierheid ook weergeeft, maar in een andere vorm, zoals in de schepping de vier jaargetijden: lente, zomer, herfst, winter; de vier dagdelen: ochtend, namiddag, avond, nacht; de vier schijngestalten van de maan; en het gezin: als er een man (1) en een vrouw (2) zijn, is het natuurlijke beloop dat er een gezin wordt gevormd met zonen (3) en dochters (4); ook zij vormen weer gezinnnen, oorzaak van een kringloop van geslachten: de mensheid in de kosmos.

Uit de Gulden Verzen van Pythagoras:
"Zegen ons, heilig getal, gij die de goden en mensen voortbrengt. O heilige tetraktys, gij die de wortel en de bron bent van de eeuwig voortvloeiende schepping. Want het heilige getal begint met de diepe zuivere eenheid, tot het komt bij de heilige vier; dan baart het de moeder van het al, de alomvattende, de alles begrenzende, de eerstgeborene, de nimmer dwalende, de nooit vermoeide heilige tien."

terug naar de Inhoud

64a. Hildegard van Bingen, mystica
Zij werd in 1098 geboren in een adelijke familie te Bernersheim, Rijnland. Ze was van jongs af aan helderziende. Toen ze 8 jaar was werd ze naar de vrouwenafdeling van het benedictijner klooster op de Disibodenberg gebracht en kreeg de naam Hildegardis. Zij werd abdis toen ze 38 was.
Op 43-jarige leeftijd kwamen de 45 unieke visioenen in drie groepen ('visioen' van Latijn visio, gezicht, gezien door te schouwen). Ze kreeg de opdracht die op schrift te stellen en te verspreiden.
Hildegard heeft veel gestudeerd en geschreven, zoals muziek, liederen en een toneelstuk: Ordo virtutum, de ontwikkeling van de deugden. Naast het boek Liber scivias schreef ze Liber Vitae Meritorum, Liber Divinorum Operum, over de natuur (Physica) en geneeskunde (Causae et Curae).

Ze was in haar tijd alom bekend en maakte reizen in de omgeving om op uitnodiging van abten te komen preken. De vrouwenafdeling groeide en ze besloot een eigen klooster te stichten op de Rupertsberg bij Bingen. Ze kwam eigenlijk als een Joodse profetes in een tijd dat het Christendom op zijn hoogtepunt was en de tekenen van verval zichtbaar werden. Ze wees mensen erop een deugdzaam leven te leiden en keurde jodenvervolging en kruistochten af. Ze schreef honderden brieven en wees koningen en bischoppen op hun plichten, waardoor ze naast medewerking ook tegenwerking ondervond. Ze werd 81 jaar.

Op de afbeelding spelen om haar hoofd vijf rode vlammen, één reikt tot op haar borst. Het is de schittering van het hemelse vuur dat volgens haar plotseling vanuit de geopende hemel neerdaalt om hoofd en hart te doordringen. De achtergrond waartegen Hildegard afsteekt, is van bladgoud. De gouden kleur heeft op haar afbeeldingen de zinnebeeldige betekenis van het bovennatuurlijke leven, uitgestraald door Gods geest, die zich rechtstreeks met haar verbindt.
Deze afbeelding, ontstaan onder toezicht van de heilige zelf, is een duidelijke aanwijzing van de persoonlijke overtuiging van deze nederige vrouw, dat zij een geroepene was en dat zij als profetes moest optreden. Volmar was haar toegewijde secretaris; hij zat in een klein bijgebouwtje en tekende op wat Hildegard zag en zei.

terug naar de Inhoud

64b. Hildegard en geestelijke ontwikkeling
Hildegards vierde visioen heeft drie afbeeldingen, waarvan het eerste (4a) uit twee helften bestaat. Het blauwe vlak bij 1 toont de geestelijke wereld met zijn bewoners, wat wordt weergegeven door sterren. Het vierkante gouden vlak bij 2 toont de oneindigheid en alwetendheid, door de vele ogen, van de goddelijke algeest (het vierkant heeft de kenmerken van Pythagoras' tetraktys). In het midden daarvan bevindt zich een oranje baan of weg en op die weg zijn vurige bollen zichtbaar, die door Hildegard als menselijke geesten worden beschreven, zoals dat ook in geestkunde het geval is.
De kleur van die weg is oranje, de kleur van de 'zonsopgang', m.a.w. geestelijke groei; de betekenis van die weg is daardoor: geestelijke ontwikkeling', die ook in de geestelijke wereld plaatsvindt.

Eén van de bollen zoekt zijn weg naar een zwangere vrouw op de aarde bij 4; in haar buik wacht een nieuw lichaampje op de uit de geestelijke wereld neerdalende menselijke geest. Bij 3 heeft die mens begeleiders om zich heen, die zullen helpen met zijn of haar geestelijke groei. Die groei wordt verzinnebeeld door kannen met melk: dat is vloeibaar voedsel voor de zuigeling, wat moet worden omgezet in bolvormige kazen: niet alleen is dat vast voedsel voor de volwassen geworden menselijke geest, maar als bol is het ook de voltooide vorm. (Vergelijk ook de tekst in Job 10:10 "Als melk hebt gij mij uitgestort, als kaas hebt gij mij doen stollen.")
Bij de vorming van de kazen wordt vermeld dat er slappe, gemiddelde en stevige kazen worden gevormd, afhankelijk van de vorderingen van de mens op de levensweg.
De aarde heeft een groene kleur, wat bij Hildegard groeikracht betekent, en een eivorm, wat een zinnebeeld is van de groei van een kiem tot een levensvorm.

Bij 5 worden de beproevingen op die levensweg getoond: de mens raakt met kettingen geboeid door aardse beslommeringen, hij komt als in een wijnpers onder druk te staan en wordt door lelijke monsters, zintuiglijke aanvechtingen belaagd. Ook krijgt hij te maken met bruine figuurtjes: tegenstrevende, verstorende krachten.
Daardoor wordt de mens op zichzelf teruggeworpen, komt bij 6 door bezinning tot zichzelf en begint in zichzelf een blauwe, geestelijke berg te bestijgen: toonbeeld van de innerlijke strijd om zelfverwerkelijking door zichzelf als werk ter hand te nemen.

Door die strijd is de menselijke geest krachtig geworden en heeft bij 7 zijn geestelijke vermogens tot ontwikkeling gebracht, wat wordt weergegeven door de beide vleugels en het zweven. De binnenwereld van de mens is een geestelijk tehuis geworden, een hemelse woning, waar de tegenstrevende krachten geen toegang meer hebben.

terug naar de Inhoud

64c. Hildegard en de overgang en thuiskomst
De laatste afbeelding van haar vierde visioen toont bij 1 het einde van de levensweg, als de lessen voor dit bestaan zijn geleerd. Dan komt het ogenblik dat de menselijke geest het lichaam, het voertuig voor het verblijf op aarde, verlaat, overgaat naar de geestelijke wereld en terugkeert naar zijn eigen thuis.
Zoals te zien is, heeft, als gevolg van zijn groei, de uitstraling van de geest zich als zijn geestgedaante gevormd.

De geestelijke begeleiders helpen bij 2 bij het 'overlijden', een werkwoord dat de lijdende vorm is van leiden, met de betekenis: 'overgeleid worden'. Afhankelijk van hoe de mens zich tijdens zijn bestaan op aarde heeft gedragen, heeft hij daarmee overeenkomende begeleiders. Zijn dat lichtende geesten, die ook zichzelf verder hebben ontwikkeld door hun onbaatzuchtige inzet voor de mens op aarde, dan staan zij klaar om de uittredende geest bij het overgaan te steunen en liefdevol op te vangen. Zij leiden hem of haar bij 3 door geestelijke werelden heen naar die wereld, waarvan het geestelijke licht overeenkomt met het licht dat de mens in zichzelf, door zijn wijze van gedrag, tot ontwikkeling heeft gebracht.

Bij 4 is het hoogste gebied, met aan de linkerkant het paradijs, van 'para-disum': de bewerkte grond rondom het huis: de tuin, in tegenstelling tot de onbewerkte natuur. Het gebouw rechts is het hemelse Jeruzalem, een geestelijke stad als woonplaats voor de liefdevollen. De stad heeft enorme afmetingen en de vorm van een kubus, die bij Pythagoras de voltooide meetkundige figuur is.

Tussen tuin en stad is bij 5 Gods hand te zien, die uit een hemelse wolk tevoorschijn komt. De houding van de hand, met wijs- en middelvinger omhoog, geeft aan dat het om een lerende hand gaat, om de verkondiging van een leer. Deze hand is door een pad of weg, door de geestelijke werelden heen met de aarde verbonden als aanduiding, dat de stoffelijke wereld als leerschool uiteindelijk door God wordt geleid. Maar Hildegard wijst meermalen op de vrijheid van de mens voor het goede of het kwade te kiezen, wat door iedereen moet worden geëerbiedigd. Alleen met zachte hand mag de mens op het rechte pad worden gebracht.

terug naar de Inhoud

64d. Hildegard, vermogens en geestgedaante 1
In boek I ging het om dagelijkse gebeurtenissen in Gods schepping, in boek II om eigenschappen van de Schepper zelf. In het 2e visioen daarvan zegt de stem van het levende Licht:
"Dit is de diepe zin van het grote goddelijke geheim dat helder door je werd aanschouwd, dat je zou inzien, hoe groot die volheid wel is, welke geen oorsprong kent en nooit vermindert en aan wier kracht alle 'levensstromen' [menselijke geesten] ontspringen. In het volmaakte werk [de mens] herkent men het diepste wezen van de Maker zelf."

Wat zich in het eerste visioen van boek II naar buiten openbaarde door schepping en verlossing, door de goddelijke liefde voor de mens, vinden we in het tweede als het innerlijke leven van God zelf. Hildegard: "Vervolgens zag ik een zuiver licht en in dat licht een mensenbeeld in de kleur van saffier. En deze mensengestalte was omgeven door een zacht trillend vuur. Het zuivere licht doorstroomt het trillende vuur en dit doorstroomt op zijn beurt het zuivere licht. Maar dit zuivere licht en dat trillende vuur verenigen zich, om zich samen uit te storten over het mensenbeeld. Aldus vormen vuur, licht en mensenbeeld slechts één licht en als het ware één volheid van macht ... deze volheid kent geen oorsprong en vermindert nooit."
De volheid is niet alleen eeuwig, maar overschrijdt ook de rand wat op onbegrensdheid wijst en is daardoor de eeuwige oneindigheid van de algeest.

Volgens de stem zijn licht en vuur (warmte), en de kleuren rood en blauw wel te onderscheiden, maar vormen één eenheid van tegendelen. Rood is een doordringende kleur en blauw terugwijkend. Over de blauwe figuur hoort zij de stem zeggen: "Uit de levensbron kwam de moederlijke liefde van Gods omhelzing tot ons." Blauw kan daardoor met vrouwelijkheid en ontvankelijkheid worden verbonden, rood met mannelijkheid en doordringing.

De strekking van wat aan Hildegard is getoond, komt daardoor overeen met wat men mij heeft laten zien. Er was ook licht en warmte, maar i.p.v. rood en blauw waren er de doordringende eigenschappen van licht en warmte, en doordringbare van donker en koelte, waarmee de vermogens samenhangen; zie het volgende stukje.

terug naar de Inhoud

64e. Hildegard, vermogens en geestgedaante 2
In haar tijd was het leerstuk van de drieëenheid gemeengoed, maar nu wordt aan haar de betekenis ervan uitgelegd... die blijkt de vier geestelijke vermogens te zijn en ook oorzaak van de menselijke gestalte. De stem zegt:

"Het allerhelderste licht ... is 'zonder smet van bedrog' [dat is: waarheid] ... en duidt de Vader aan [dus: de Vader is waarheid en dat is: denken].
Het allerzoetste rode vuur ... is 'zonder smet van sterfelijkheid' [dat is: levenskracht] en 'zonder smet van duisternis' [dat is: bewustzijn] ... en duidt de Heilige Geest aan [dus: de Heilige Geest is de bewuste kracht en dat is het waarnemen en willen].
De mensengestalte ... is 'zonder smet van verharding' [dat is: zachtmoedigheid] ... en duidt de Zoon aan, uit de Vader geboren [dus: de Zoon is zachtmoedigheid: het voelen]."
De eigenschappen van "De Vader en de Heilige Geest worden kenbaar gemaakt door de Zoon." Of de gestalte geeft de vermogens weer.

Bij een visioen uit Liber Divinorum Operum I,1:
"Ik ben de rationalitas (dat is: 'berekenen', denken), die de wind van het klinkende woord bevat, ... de woorden van de redelijkheid ... waardoor elk schepsel is gemaakt.
Ik ben ook officialis (dat is: 'dienstvaardigheid', voelen). Want de levende dingen branden dankzij mij. Ik ben dienaar en toeverlaat.
En ik ben het equalis leven ('equalis' is a. 'van het paard', dus: kracht, willen; en b. 'van de ruiter': die waarneemt en besluit) in eeuwigheid, dat niet is ontstaan en niet zal eindigen. En datzelfde leven is de zich bewegende en werkende God, en toch is dit leven één in deze drie krachten [en dat zijn de vier vermogens]."

De menselijke geest is in de algeest een verdichting van licht en warmte. Met dat licht en die warmte hangen de geestelijke vermogens samen: waarnemen, denken, voelen en willen. Als de bolvormige geest in zichzelf met deze vermogens werkzaam is, vormen zij een uitstraling (dat is de aura of de ziel), waarin de eigenschapppen van de vermogens vorm geven aan de geestgedaante, die op aarde in het menselijke lichaam tot uitdrukking komt.
Deze uitleg over de drieëenheid komt overeen met die van mystici zoals Emanuel Swedenborg, Jakob Lorber en Murdo MacDonald-Bayne. Door geestkunde is te zien, hoe duidelijk de overeenkomst is tussen die mystici, die uitgebreid verslag hebben gedaan van hun mystieke ervaringen in de geestelijke wereld.

terug naar de Inhoud

65a. Hildegard, verhoudingen binnen de godheid
De visioenen van Hildegard zijn uniek in de wereldgeschiedenis, te vergelijken met de werken van Bach, de schilderijen van Rembrandt en de Divina Commedia van Dante.

Haar derde boek behandelt het geheim van de godheid. De jongere, vrouwelijke gestalte is Gods liefde en een wonder van schoonheid. Op haar hoofd is een gouden ring met daarboven een ouder, mannelijk gezicht. Zij vormen een onbeschrijflijke eenheid, uitgebeeld door de ring [ik mocht hen zien als een verenigde tweelinggeest, in liefde in elkaar opgegaan].

De hemelse stem zegt: "Ik ben de hoogste, scheppende kracht, uit mij komt elk levensvonkje voort, ik beslis over alles, door Mij komt alles tot leven. Ik ben zonder begin en zonder einde, Ik ben het leven dat op dezelfde wijze eeuwig voortbestaat. Dat leven is God. Het is voortdurend in beweging, voortdurend werkzaam en zijn eenheid blijkt uit een drievoudige kracht."
Zoals eerder beschreven is dat rationalitas (denken), officialis (voelen) en het equalis leven (willen, waarnemen).
De stem: "In de mens verwezenlijkt Hij de volle bloei van al Zijn werken. Want Hij heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen." Daarop verschijnt in de buik van de goddelijke liefde hun beider kind, de mens. Deze mens is geslachtloos: een mannelijke en vrouwelijke tweelinggeest, zoals de beide goddelijke ouders.
De mens wordt in de schepping op de aarde geplaatst voor zijn groei naar volwassenheid. De schepping met een blauwe kleur, hier het denken, is door God als vader (Jahweh) gedacht; God als moeder, de rode gestalte, hier het voelen, omarmt liefdevol de mensheid op aarde (Sjechinah). De gedachtenwereld van de vader wordt door haar liefdevol met rode stralen doordrongen.

Vergelijk hiermee de schepping van de mens in Genesis: "In het begin schiep God de hemel en de aarde." In de Hebreeuwse tekst staat: "Uit het eeuwig bestaande wezen der ruimte vormde de tweevoudige kracht hemel en aarde." Deze tweevoudige kracht wordt verder 'de elohim' genoemd, een samenstelling van de Hebreeuwse woorden:
'el': god;
'eloh': godin (het vrouwelijke enkelvoud van 'el')
'elim': goden (het mannelijke meervoud van 'el').
Het woord 'elohim' heeft daardoor de betekenis: de godin en de god, m.a.w. 'God als tweevoudige kracht, als vrouw en man'. Zij zeggen: "Laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijkenis... en zij schiepen de mens als man en vrouw."

Bron uitleg Genesis: Max Heindel - Leer der Rozekruisers

terug naar de Inhoud

65b. Hildegard en de levensweg van de mens
Vanuit de hemel wordt aan Hildegard getoond dat de mens, weliswaar een godenkind, toch een kind is, dat een groei naar volwassenheid moet meemaken.

Haar derde visioen laat zien, dat er vier x drie winden [krachten] zijn uit evenzoveel dierenkoppen, die de schepping in stand houden. Deze winden komen overeen met vier krachten in de mens.
De toestand waarin de mens op aarde verkeert, is, dat die schijnbaar aan zichzelf is overgelaten - want God zelf is in zijn schepping onzichtbaar - waardoor de mens in vrijheid zelfstandig keuzes kan en moet maken.
Om te kiezen moet de mens zijn vermogens gebruiken, waardoor zij tot ontwikkeling komen.

De stem van het levende Licht zegt: "Als de krachten [het willen] van de mens alle worden beheerst, als de gedachten [denken] van de mens noch te heftig, noch te slap zijn, dan wordt hij vredig [voelen] in zijn hart en licht in zijn rede [denken]. Dan wordt de geest de dochter van de Eerste [God].
Wat jou betreft, mens, die dit schouwspel ziet [waarnemen], begrijp dat deze verschijnselen ook het binnenste van de geest betreffen!"
In deze alinea worden de zelfverwerkelijking en de hereniging beschreven.

Dan "De vier voornaamste winden komen overeen met de vier krachten in de mens:
- het denkvermogen [denken]
- het woord [hoorbare gedachte: waarnemen]
- de wil [willen]
- en het gevoelsleven [voelen].
Zoals elke wind naar links of rechts kan blazen, zo kan de geest, geholpen door deze vier krachten, door zijn natuurlijke kennis het doel van zijn keuze bereiken door nu eens het goede, dan weer het kwade te kiezen."
De mens heeft dus een vrije keuze en heeft die nodig om zich te kunnen ontwikkelen.

Het vierde visioen toont de levensweg van de mens, die wordt vergeleken met de gang door de vier jaargetijden.

De stem zegt: "De aarde stelt de mens voor. De mens wordt, door de vijf zinnen die hem in staat stellen in zijn behoeften te voorzien, tot zijn zieleheil geleid."
De werkzaamheid van de geest lijkt op een boom die vruchten geeft.
"De geest heeft vier vleugels [geestelijke vermogens]: de zintuigen [voelen], de kennis [waarnemen], de wil [willen] en het verstand [denken]."

De stem vervolgt: "De geest, zolang hij in het lichaam woont, voelt Gods aanwezigheid, omdat hij uit God is voortgekomen, maar zolang hij zijn taak onder de mensen vervult, ziet hij God niet.
Als de geest de werkplaats die het lichaam voor hem is heeft verlaten en oog in oog met God komt te staan, dan zal hij zijn ware toestand leren kennen en zijn vroegere afhankelijkheid van het lichaam." [De geestestoestand van onbewuste vereenzelviging.]

"God heeft in de gedaante van de mens zijn hele werk vastgelegd."

De overeenkomst van dit alles met geestkunde is duidelijk.

terug naar de Inhoud

65c. Hildegard en de voorstelling van de Mater Sapientia
In het Oude Testament leeft de vrouwelijke paargenoot van Jahweh nog voort als Sjechinah: zij, die bij ons woont. In de Spreuken van Salomo treedt zij zelfstandig op als Sophia, de Wijsheid, als eerste uit de godheid afgescheiden naast Jahweh. De eerste christenen waren hiermee vertrouwd en in de Oosters Orthodoxe Kerken is dit beeld van God als moeder behouden gebleven, getuige de ikonen van de Mater Sapientia of Sophia. Hiervan is er een te vinden in de Sophia-kathedraal van de Russische stad Nizjni Novgorod.

De wijze waarop de Mater Sapientia, God als moeder, daar is afgebeeld, duidt erop dat zij gelijkwaardig is aan God als vader. Beiden hebben een stralenkrans of aureool rondom het hoofd. God als vader heeft daarin een kruis, God als moeder draagt een kroon op haar hoofd. Beiden bevinden zij zich in een stralenkrans rond het lichaam: een mandorla. Bij beiden is dat de weergave van de drie hemelen (donkerblauw, blauw en lichtblauw), die zij alle drie bewonen.
God als vader heeft een zetel in de hemelen, omringd door drie paar engelen; God als moeder heeft er een die ook op de aarde rust en met zeven staven, getal van de wijsheid, daarmee is verbonden.
Sophia bevindt zich tussen hun godenkinderen (immers volgens Genesis 1:26 "Zij schiepen de mens naar hun beeld als man en vrouw.") De wijze waarop zij zich tussen hen bevindt, wijst op de betekenis van haar naam: 'zij, die bij ons woont'.
Zij zit op een rond, rood kussen (rond is de hemel) en haar voeten rusten op een rond voetenkussen; maar haar zetel is vierkant: de aarde, zoals ook de zetel van God als vader vierkant is; ook hij is immers verbonden met de eeuwige oneindigheid en daardoor ook met de aarde.
Links naast haar staat Maria, zwanger van Jezus en rechts staat Johannes de Doper, die een boodschap in zijn handen heeft: hun godenkinderen. Zij staan op een vierkant, zinnebeeld van de aarde.
Sophia heeft in haar hand een herdersstaf, die de hemel met de aarde verbindt en waarmee zij de mensheid leidt.

Ruim een millennium later krijgt Hildegard een overeenkomstig beeld te zien, alleen omarmt God als moeder in Hildegards visioen haar kinderen, op het ikoon staat zij tussen hen in.

terug naar de Inhoud

65d. Hildegard en Zarathoestra
De oudste van de godsdienststichters in het Midden-Oosten is de profeet Zarathoestra (14e-12e eeuw v.Chr., Perzië) of met zijn Griekse naam Zoroaster; zijn vrouw was Arduizur.
De hoogste godheid in zijn leer is Zurvan Akarana (letterlijk: Eindeloze Tijdsruimte, m.a.w. eeuwige oneindigheid: de algeest), die zowel mannelijk als vrouwelijk is: op de afbeelding een gedeelde tweelinggeest. Uit hun scheppende werkzaamheid kwamen goden en godinnen voort, en de engelen (amahraspands).
Onder de goden bevond zich ook de tweeling Ahura Mazda (het grote licht, goddelijke wijsheid) of Ormoezd, het goede en Ahriman (Angra Mainya: slechte geest), het kwade.

Op de zilverplaat uit Luristan staat Zurvan Akarana in het midden. Zoals bij Hildegards visioen is de mannelijke helft (met baard) boven, de vrouwelijke beneden (met een wijd uitwaaierend kleed) en ook op een bijzondere manier met elkaar verbonden. Naar rechts bovenaan worden mannelijke goden (met baard) geschapen, naar links vrouwelijke. Zij bezitten een vleugel op een staf. De vleugel, waarmee de vogel kan vliegen, betekent: geestelijk vermogen. De staf verbindt boven met beneden, hemel en aarde. De herdersstaf wordt gebruikt om schapen te weiden of om leerlingen geestelijk te leiden.
Het ronde hoofddeksel is een weergave van hun geestelijke uitstraling.
Aan de linker kant beneden bevinden zich ook de engelen op de voorgrond, wel al met een vleugel, maar nog niet op een staf.

De leer van Zarathustra is samengevat in het heilige boek van het zoroastrisme (tegenwoordig in de vorm van Mazdaznan), de Avesta. Zijn leer behelst een deugdzaam leven, waarbij het gaat om het kiezen van goede gedachten, goede woorden en goede daden; dat leidt tot het geweten, de strijd tussen goed en kwaad in de mens. Volgens zijn leer gaat het leven door na de dood van het lichaam; in ieder bestaan moet de mens zichzelf verbeteren, om zich uiteindelijk met Ahura Mazda te kunnen verbinden.
In de eeuwen na Zarathoestra ontstond het zurvanisme, waar men zowel Ahura Mazda als Ahriman beschouwde als nakomelingen van Zurvan Akarana. Aan het einde der tijden zou Ahura Mazda overwinnen en gaan regeren.

terug naar de Inhoud

65e. Hildegard en de beschermengel
Door een lezing, verzorgd door broeder Henri Boelaars OSB over Hildegard van Bingen, maakte ik kennis met haar visioenen, die mij onmiddellijk aanspraken.
Nadat wij het boek De Levensweg hadden uitgegeven, ontstonden er gespreksgroepen en één van de deelneemsters was spiritueel schilderes Tiny Grünewald. Zij nodigde ons uit en bij die gelegenheid overhandigde zij mij het schilderij, rechts op de afbeelding. Zij had het ooit gemaakt en had nu de ingeving gekregen, dat het voor mij bestemd was.

Ik zag meteen de overeenkomst met Hildegards eerste visioen uit haar boek LDO, links. Uit de engelenliteratuur (zie de website) was mij bekend, dat engelen tweelinggeesten zijn en Gods boodschappers, waarbij één van hen, hier de mannelijke geest, het bovenste gezicht, naar boven kijkt en de vrouwelijke geest naar de mens beneden, die zij begeleiden. Die mens ligt als een klein kindje in haar armen, terwijl de mannelijke geest zijn armen om beiden heen slaat.
Om hen heen is in het geel een slang zichtbaar, zinnebeeld van geestkracht en wedergeboorte, doordat de slang ieder jaar uit zijn oude huid kruipt en een nieuwe krijgt, dus: zelfvernieuwing, zelfverwerkelijking. Het geel doordringt het hele schilderij, zoals bij Hildegard het rood van God als moeder de hele schepping en de mens doordringt.

Op beide afbeeldingen staan zij beiden op één paar voeten, hebben hun lichamen een gezamenlijke bolvorm en is het mannelijke hoofd boven het vrouwelijke, wat aangeeft dat het om tweelinggeesten gaat. Zij zijn in liefde geheel in elkaar opgegaan, waarbij de mannelijke vorm de buitenzijde is en de kleinere, vrouwelijke vorm de kern, het hart. Dit komt weer overeen met Zurvan Akarana en Sophia, zie de vorige artikeltjes.
Later werd ik tijdens zelfbezinning in vervoering gebracht en bevond mijzelf op overeenkomende wijze in de armen van mijn beschermengel, waarbij zij liefdevol naar mij keek en ik zag, dat hij naar boven keek. Ik mocht een bevestiging meemaken van de betekenis van beelden, van Hildegard, Sophia en Zurvan Akarana, uit een ver verleden, maar blijkbaar met een eeuwige waarde, beelden die zeggen: het gezin is de grondslag van schepping en mensheid.

terug naar de Inhoud

66a. De gulden snede (proportio divina)
Een snede is in de wiskunde een punt, waar een lijnstuk in twee delen wordt doorgesneden, verdeeld (zie de tekening: s). De gulden snede is een unieke verdeling, waarbij de beide delen een hechte, samenhangende verhouding hebben, want niet alleen met elkaar, maar ook met het gehele lijnstuk.
Bij de gulden snede is namelijk de verhouding van het kleine deel (b) tot het grote (a) gelijk aan de verhouding van het grote deel tot de hele lijn (de som van beide): b : a = a : (a+b).
De drie delen vertonen daardoor een grote mate van overeenstemming; en overeenstemming van vormen, kleuren en klanken is de omschrijving van schoonheid.

Deze verhouding werd waarschijnlijk ontdekt door Theano, Pythagoras' vrouw; zij was arts en leerlinge van zijn school, de pythagoreeërs. Plato bouwde later voort op zijn leer en beschreef die in zijn boek Timaios, waarin ook de gulden snede wordt vermeld.
De gulden snede wordt ook beschreven door de Griekse wiskundige Euklides in zijn boek de Elementen.

De gulden snede heeft een groot aantal kenmerken, waaronder een verhouding, getal en rij:
a. Een lijn wordt bij s in tweeën gedeeld, zo, dat deel b zich verhoudt tot deel a als a zich verhoudt tot het geheel: b : a = a : (a+b).
b. Door wiskundige constructie blijkt punt s te zijn: 0,618... Als de lijn (a+b) 1 m is, dan is a 0,618 en b 0,382 m. Dit in de formule invullen, dan: 0,382 : 0,618 = 0,618 : 1. Delen door 1 kan vervallen, dus 0,382 : 0,618 = 0,618 (!) Van deze breuk is de uitkomst gelijk aan de noemer; dit is alleen het geval bij de gulden snede.
c. De Fibonacci-rij ontstaat door steeds de laatste getallen van de rij op te tellen. Worden die laatste twee getallen gedeeld, dan nadert de breuk het getal phi (φ) is 0,618 van de gulden snede.
Als bij 1 wordt begonnen, is de rij van Fibonacci: 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55 ...
Bijvoorbeeld bij: 34 : 55 = 0,618.

Schoonheid is een overeenstemming in de verhoudingen tussen vormen, kleuren en klanken, die een aangename indruk maakt op de menselijke geest, doordat die daarin iets wezenlijks van zichzelf herkent, n.l. zijn scheppende werkzaamheid en zich daarin verheugt. Dit is de persoonlijke, subjectieve schoonheidsbeleving.
Volgens de Griekse filosofen was het heelal een 'kosmos', een schoonheid: de welgeordende indeling en eenheid van de schepping en daarmee een objectieve schoonheid.

"Het goede is van nature altijd schoon en
aan schoonheid ontbreekt nooit een verhouding."
Plato, Griekse filosoof (427-347 v.Chr.)

"Schoonheid is enkel het geestelijke,
waarvan men zich gevoelsmatig bewust wordt."
Hegel, Duitse filosoof (1770-1831)

terug naar de Inhoud

66b. Fibonacci-spiralen, ontstaanswijze
Samengesteldbloemigen zoals margriet en zonnebloem, hebben lintbloemen aan de rand en buisbloemen op het bloembed in het hart. De laatste worden afgezet vanuit een stamcel (1) in het midden, het meristeem genoemd (de verdeler). Dit vormt de cellen voor de buisbloemen en later de zaden.

Deze cellen (primordia) worden in een schijnbaar draaiende beweging om het meristeem afgezet, de volgende cel steeds een hoek van 137,5° verder. Als de kleine binnenhoek 137,5° is, dan is de grote buitenhoek:
360° - 137,5° = 222,5°; als dit getal wordt gedeeld door 360°, is de uitkomst 0,618, het getal phi van de gulden snede. Deze hoek wordt daarom de gulden hoek genoemd.

Het aantal jonge cellen rond het meristeem wordt bepaald door hun eigen groeisnelheid en is altijd een Fibonacci-getal. Als het een eerste ring van (hier) 13 cellen (F-getal) heeft afgezet (2), komt er een tweede ring, maar ondertussen zijn de eerst afgezette cellen ook gaan groeien. Tegelijk worden deze door de volgende ring naar buiten geduwd (3).
Het meristeem zet voortdurend nieuwe ringen af (4), wat hier schematisch is getekend. In werkelijkheid ontstaat er rondom deze cel een schijnbare chaos van nieuwe en al groeiende cellen die elkaar verdringen, maar uiteindelijk komt hier toch een duidelijk zichtbare orde uit voort. De buisbloemen staan op het bloembed namelijk in een patroon waarin zij tot twee groepen spiralen behoren. Daarvan waaiert de ene groep naar rechts (5) uit, de andere naar links (6). Deze Fibonacci-spiralen komen vrijwel met logarithmische spiralen overeen. De aantallen spiralen verhouden zich als F-getallen, bij de margriet 21 naar links en 34 naar rechts.
Deze verdeling over het bloembed zorgt voor het nuttigste gebruik van de ruimte; berekeningen met andere hoeken laten chaos en open plekken zien.

Door de spiralen lijkt het hart van de samengesteldbloemigen op een draaikolk. De mystica Hadewich beschreef als haar godservaring: "God is een grondeloze 'wieling' (draaikolk), die alles bevat." Op het bloembed van b.v. margriet en zonnebloem is Gods scheppingskracht daardoor openlijk zichtbaar werkzaam.

In het bloembed van deze bloemen, maar ook in een korenaar wordt Gods scheppingskracht zichtbaar, doordat het meristeem, dat aanvankelijk uit één zaadje omhoog is gegroeid, zich hier aangekomen veelvoudig begint te vermenigvuldigen; dit is de vermeerdering van zaden die in de hele natuur voor voortplanting en leven zorgt.

terug naar de Inhoud

66c. Jakob Lorber en de gulden snede
De Oostenrijkse mysticus Jakob Lorber schreef 32 boeken, samen meer dan 10.000 blz. De tekst is samenhangend en één en dezelfde persoon heeft Lorber hierin begeleid. Zij werden hem door Jezus 'in de geest' gedicteerd; hij hoorde en zag wat Jezus hem vertelde.
In het Grote Johannes Evangelie, elf boeken, worden de drie jaren van Jezus' openbare leven van dag tot dag beschreven en wordt verslag gedaan van gesprekken die Jezus met leerlingen en omstanders voerde. Zij bevestigen de Bijbel.

In 'De Huishouding van God' deel 3 wordt de grondslag van de verhouding van de mens met God en de schepping behandeld in een gesprek tussen de Heer, Henoch en twee personen met de naam Lamech. Henoch is de zoon van Kaïn, vader van Methusalem, voorvader van Noach. Hij leefde in de tijd dat het geestesoog van de mens nog door begeleiders was te openen en de mens rechtstreeks door God kon worden benaderd, zoals o.a. voor de aartsvaders en profeten is beschreven.

Bij genoemd gesprek blijkt dat de verhouding van de anderen tot de Heer niet zodanig is, dat die in hun midden staat. In tegendeel, de Heer plaatst twee van hen aan zijn rechter en een aan zijn linker zijde (zie afbeelding). De Heer komt op de derde plaats in de rij te staan; deze plaats temidden van zijn schepselen komt (vrijwel) overeen met de verhouding van de gulden snede.

Samenvatting van een deel van dit filosofische gesprek over de verhouding in de schepping: daar is met iedere stoffelijke vorm een geest verbonden, die er de levenskracht van is. Deze geest moet niet samenvallen met het stoffelijke 'zwaartepunt' van die levensvorm, want dat remt zijn levendigheid. De geest moet vrij kunnen waarnemen en het waargenomene verwerken met de vermogens, waardoor de geest tot leven komt. Maar de geest moet daarvoor over levensruimte beschikken en enige afstand tot dat 'zwaartepunt' bewaren om van daaruit de levensvorm in beweging te kunnen brengen. De verhouding tussen de lichte geest en de zware levensvorm komt met de gulden snede overeen. Zij is de grondslag van Gods schepping en komt daar tot uiting, waar schoonheid is ontstaan.
Wordt vervolgd over de verhouding met de mens.

terug naar de Inhoud

66d. De proportio divina of goddelijke verhouding
Met een lijnstuk kan de verhouding van de gulden snede eenvoudig worden weergegeven, maar dat kan ook met de gulden rechthoek: daar is het de verhouding van de hoogte a en de breedte c.
In de boeken van Jakob Lorber is te lezen dat deze meetkundige verhouding een weergave is van een persoonlijke verhouding (zie de figuren in de afbeelding) want zoals daar is te lezen, heeft alles in de stoffelijke wereld een geestelijke oorsprong en daardoor ook meetkundige vormen, zoals de gulden rechthoek.

In zijn Grote Johannes Evangelie, 3 blz. 365 staat: "... rechtvaardige en vrome mensen, die in een zekere geestesvervoering zijn gebracht, waarin zij de geest van God zagen als een licht, dat alle ruimten der oneindigheid vervulde en zagen, dat zij zelf een deel van dat licht waren."
Hier wordt de ongevormde oertoestand van de goddelijke algeest beschreven, waaruit door bolvormige verdichting de menselijke geesten als geestelijk licht en geestelijke warmte zijn voortgekomen. Daarmee hangen de geestelijke vermogens samen, zoals in de eerste stukjes is beschreven. Door die vermogens te gebruiken, krijgt de geest een uitstraling, de ziel, die op den duur als menselijke gestalte wordt gevormd: de geestgedaante.
Voor zijn ontwikkeling moet de geest die vermogens bewust en beheerst leren gebruiken, waardoor zij worden tot het geweten en de deugden; daarvoor begaat de mens een ontwikkelingsweg, waarop die door de algeest wordt begeleid, maar wel in de zichtbare vorm als de heilige geest. Overal in zichzelf waar dat nodig is, kan de algeest zich tot die heilige geest verdichten en één keer is die in de mens Jezus bij de mensheid op aarde geweest.

Deze verhouding tussen de mens, de heilige geest en de algeest wordt door Jezus uitgesproken in Johannes 14:6 "... de mens komt alleen door Mij tot de Vader." M.a.w.: de mens (het kleine deel, b) komt alleen door Jezus (of de heilige geest, het grote deel, a) tot de Vader (de algeest, het geheel, c).

Alleen door de band met Jezus ontstaat het nagestreefde geheel: Joh. 17:21 "Opdat zij allen één zijn, gelijk U in Mij en Ik in U, dat ook zij in ons zijn ..."
Joh. 17:22 En de heerlijkheid, die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, zoals wij één zijn. Ik in hen en U in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, ...
14:20 Op die dag zult u weten, dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u.
14:28 ...want de Vader is meer dan Ik.
15:9 Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad...

terug naar de Inhoud

67a. De Fibonacci-spiraal in de natuur
Er zijn meerdere soorten spiralen, waaronder de logarithmische; een kenmerk ervan is de hoek van de raaklijn met de kromme spiraallijn. Blijft die overal op de kromme lijn gelijk en is die 81° groot, dan valt deze logarithmische spiraal vrijwel samen met die van Fibonacci.
Die spiraal wordt met de getallen van de Fibonacci-rij als volgt gevormd: begin met één vierkant met zijde 1 en één vierkant ernaast, hierboven komt een vierkant met zijde 2, rechts ervan een met zijde 3, daaronder met zijde 5, links ervan met zijde 8, erboven met zijde 13, rechts ervan met zijde 21, eronder met zijde 34, links ervan met zijde 55 enz. (zie de tekening). Trek vanuit een der hoeken van een vierkant de kwartcirkel zoals getekend en verbind deze met elkaar tot de (rode) Fibonacci-spiraal.

In de natuur komen benaderingen hiervan veel voor, hieronder enkele voorbeelden.
Zoals uiteengezet in stukje 66b, is die spiraal de groeicurve van pas gevormde en groeiende cellen op het bloembed van de zonnebloem, van de familie der samengesteldbloemigen en van andere families; maar die is ook de groeicurve van de inktvis en zijn schelp die tegelijkertijd wordt gevormd, alsook bij andere dieren zoals slakken.
De vorm van de draaikolk (vortex) beantwoordt eraan, alsook die van depressies. In het heelal vertonen veel sterrenstelsels deze spiraal en ook de schijf rond zwarte gaten, waarlangs zij materie aantrekken.

Volgens Pythagoras berust alles in de schepping op verhouding van getallen, wat de formules voor de logarithmische spiraal en de Fibonacci-rij bevestigen. Daarnaast wordt de Fibonacci-spiraal gevormd m.b.v. vierkanten, wat met Pythagoras' tetraktys samenhangt én volgens zijn getallenleer betekent de 9 voltooiing, en de hoek van genoemde logarithmische spiraal is 81° groot, dat is 9x9!

Zoals in stukje 63c beschreven verbond de neoplatonist Jamblichus in de numerologie zijn getallenleer met de 9 persoonlijkheidskenmerken, die met de vier geestelijke vermogens en beide instellingswijzen samenhangen. Die vermogens komen vanuit de geest door de ziel heen tot uitdrukking in de 7 chakra's die de vorm van de vortex hebben, de ruimtelijke logarithmische spiraal.
Eigenschappen van de geest komen zo tot uitdrukking in die van de stof, zoals de draaikolk.

Zoals gezegd berust volgens Pythagoras (6e eeuw v.Chr.) het heelal op getalsmatige verhoudingen. De hedendaagse Amerikaanse natuurkundige Leonard Susskind valt hem bij en zegt: "Het is niet alleen makkelijker om het universum met wiskunde te beschrijven, maar als je dieper in de materie duikt, wordt wiskunde de enige manier om de werkelijkheid te beschrijven."

terug naar de Inhoud

67b. Pythagoras' toonladder, de gulden snede en de chakra's
Pythagoras was niet alleen een veelzijdige filosoof en wiskundige, maar ook een begenadigde lierspeler. Hij deed mystieke ervaringen op door het toepassen van de z.g.n. tempelslaap; bij zijn bezoeken aan de geestelijke wereld leerde hij de 'harmonie der sferen' kennen, reden waarom hij bij zonsopgang met zijn leerlingen de zon met lierspel begroette.

Hij hechtte grote waarde aan muziek en bouwde een monochord, een klankkast met één snaar met een verplaatsbare kam, om klanken te bestuderen. Hij luisterde naar de klanken links en rechts van de kam en koos de plaatsen waar de verhouding welluidend was. Zo ontdekte hij de zeven tonen van de diatonische toonladder. Hij deelde die in uitgaande van de prime en het octaaf, én van de vijfde toon, de kwint, die hij naast de genoemde een belangrijke toon vond. Deze toonladder is eeuwenlang in gebruik geweest, maar moest later worden aangepast om meerstemmige muziek en het gebruik van toetsinstrumenten met meerdere accoorden, mogelijk te maken; o.a. Galilei stelde een geschikte toonladder vast. In de negentiende eeuw werd verder de gelijkzwevende stemming ingevoerd.

Pythagoras' toonladder was wiskundig opgebouwd en had 7 hele noten, b.v. de toonladder van C: C, D, E, F, G, A, B, (C'). Voor meerstemmige muziek moest later een toonladder met 12 halve noten worden ingevoerd; die van C werd: C cis D dis E F fis G gis A ais B (C') met 12 halve toonsafstanden.
De prime (C, do) was de grondtoon, de kwint (G, so) de dominant, de C' het octaaf; dat was ook de 1e boventoon en de 2e boventoon de 2e kwint G'.
De kwint (G) is de 8e halve toon in de rij van 12. De wiskundige verhouding van de trillingsgetallen tussen de prime (C) en de kwint (G) is gelijk aan 12√28 is 1,6180 ... het getal Φ (Phi) van de gulden snede (1:1,618=0,618).

Het enige wat Pythagoras tot zijn beschikking had, was zijn monochord en eigen gehoor. Daarmee vond hij niet alleen de toonladder, maar ontdekte ook het belang van de kwint. In het slakkehuis in het gehoor van de mens is bij de trilhaartjes dus een verhouding te vinden, die met de gulden snede overeenkomt!

Door de oosterse kennis van de chakra's en de invloed van klankschalen die daarop uitgaat, werd de samenhang tussen de toonladder van Pythagoras en de chakra's gevonden. De keelchakra komt met de kwint overeen en daardoor met de gulden snede.

Door zijn uittredingen tijdens de tempelslaap ervoer Pythagoras de harmonie der sferen en de tonen van de planeten. De grootste componist aller tijden, Johan Sebastiaan Bach zei bij zijn overgang naar het hiernamaals: "Nu ga ik naar de plaats waar mijn muziek vandaan komt!"

terug naar de Inhoud

67c. Pythagoras' harmonie der sferen, het planetenstelsel en de gulden snede
Het zonnestelsel is ontstaan door bolvormige verdichting van waterstofgas en sterrenstof tot de jonge zon, met daaromheen een schijf met dezelfde stoffen, waarin zich door eenzelfde bolvormige verdichting planeten vormden. In het begin draaiden die op wanordelijke wijze om de zon en kwamen er botsingen voor; maar vooral buurplaneten hadden door hun zwaartekracht invloed op elkaars omloopbanen, waardoor die in overeenstemming kwamen: 'resoneerden' met 'baanresonantie' als gevolg.

Geleidelijk ontstond er zo een wisselwerking tussen de planeten, waardoor het zonnestelsel zich ontwikkelde tot een organisch wezen, een organisme zoals het menselijke lichaam. Alle hemellichamen van het zonnestelsel, zowel de zon als de planeten en hun manen, zijn door zwaartekrachten met elkaar verbonden en vormen een hemels uurwerk, waarin ze ritmisch en harmonisch bewegen.

Het blijkt dat er een stabiele toestand intreedt als door baanresonantie de verhouding van de omlooptijden van buurplaneten of -manen gelijk is aan of een benadering is van de gulden snede, in de vorm van Fibonacci-getallen.
Bijvoorbeeld: de omlooptijd van Venus is 224 dagen, die van buurplaneet aarde 365 en de verhouding van hun omlooptijden 8:13 (Fibonacci-getallen) of 0,615 (vrijwel phi). Wordt er een denkbeeldige lijn getrokken tussen de aarde en Venus, dan beweegt door hun omlopen het middelpunt ervan zo, dat een bloemvormig patroon ontstaat, zie de afbeelding. Daar hun omloopbanen bijna rond en concentrisch zijn, is het gevormde patroon een vrijwel regelmatig pentagram, waarin alle lijnstukken zich als de gulden snede verhouden.
Voor Jupiter en Saturnus is de verhouding 2:5, voor Neptunus en Pluto 2:3 en ook voor hun manen gelden Fibonacci-verhoudingen. Door de zoektocht naar exoplaneten is dit verschijnsel in het hele heelal aangetroffen.

Pythagoras ontdekte door de harmonie der sferen dat alles op verhouding van getallen berust, wat niet alleen voor de tonen van de toonladder geldt, maar ook voor bewegingen van hemellichamen in het heelal. Dit is bevestigd door sterrenkundig onderzoek, waarvoor o.a. Kepler de aanzet gaf.

Johannes Kepler (1571-1630), Duitse astronoom, astroloog, wis- en natuurkundige zei:
"De geometrische wet die zich in het planetenstelsel openbaart, is de enige en eeuwige weerspiegeling van de geest van God. Het feit dat de mens in deze geometrie kan delen, is voor mij een aanwijzing dat de mens een beeld is van God."

En Isaac Newton (1643-1727), Engelse natuurwetenschapper en natuurfilosoof:
"Twijfel niet aan de Schepper, want het is ondenkbaar dat toeval alleen de sturing van dit universum kan zijn."

terug naar de Inhoud

68a. Plato's regelmatige veelvlakken en hun verband met de elementen, gulden snede en vermogens 1
Plato bouwde voort op het gedachtengoed van Pythagoras, dat hij in zijn boek Timaios behandelde. Daarin stelde hij dat de vijf elementen met de vijf regelmatige veelvlakken samenhangen (zie afbeelding). Pythagoras kende er drie: kubus, tetra- en oktaëder; later werd de ikosaëder ontdekt en Aristoteles vond als laatste de dodekaëder.
Ieder regelmatig veelvlak wordt gekenmerkt door gelijke vlakken, ribben en hoeken, en een omgeschreven en ingeschreven bol. Ook hangen zij alle met de gulden snede samen, doordat drie in elkaar geschoven gulden rechthoeken (zie de kubus) op enigerlei wijze in alle vormen passen (zie de website).
Door deze eigenschappen zijn zij een schoolvoorbeeld van eenheid in verscheidenheid.

De elementen hangen ook met de geestelijke vermogens samen, wat als volgt kan worden beredeneerd:
met aarde kunnen vormen worden gemaakt, die je kunt waarnemen;
lucht kan in trilling worden gebracht, waardoor je gedachten kunt verwoorden;
het water voegt zich naar het voorwerp, dat het liefdevol in zich opneemt;
het vuur beweegt geheel uit zichzelf zoals de wilskracht;
het woord 'ether' komt van het Griekse 'aither': hemelstreek, de geestelijke wereld.

En ten slotte is er verband tussen veelvlakken en vermogens:
kubussen kunnen worden gestapeld tot vormen, die zijn waar te nemen;
de zes hoekpunten van de oktaëder raken aan de zes middelpunten van de kubuszijden en is de eerste inwendige vorm: het beeldende denken;
het dichtst bij de kern, het hart, bevindt zich de ikosaëder, het voelen;
de tetraëder wordt door de zes diagonalen van de kubuszijden gevormd en heeft scherpe hoeken, die steken zoals vuur, het willen;
de kern wordt door de meest ronde, de dodekaëder, de geest gevormd.
Zie het volgende stukje voor de hiermee samenhangende volgorde van de regelmatige veelvlakken.

De gevolgtrekking is:
het element aarde hangt samen met waarnemen en dat met de kubus;
lucht hangt samen met denken en dat met de oktaëder;
water hangt samen met voelen en dat met de ikosaëder;
vuur hangt samen met willen en dat met de tetraëder;
en de geest die van dit alles de kern is, hangt samen met de dodekaëder.

terug naar de Inhoud

68b. Plato's regelmatige veelvlakken en hun verband met de elementen, gulden snede en vermogens 2
De vijf veelvlakken passen op één manier alle in elkaar, waarbij de volgende redenering mogelijk is.

- Met aardse stoffen kan men voorwerpen vormen die de aandacht trekken, waardoor de geest ze in de buitenwereld waarneemt; daardoor is de kubus de buitenzijde van het geheel van veelvlakken.

- Vuur kan zich met die voorwerpen verbinden, wat verbranding veroorzaakt als een heftige beweging (is de betekenis van 'branden'); daardoor komt het vuur overeen met de wilskracht, waarmee de geest werkzaam kan worden.

De geest is in wezen bewuste levenskracht; waarnemen is het vermogen zich van iets bewust te worden en willen het vermogen een kracht uit te oefenen. Daardoor horen aarde en vuur als kubus en tetraëder bij elkaar als bewuste levenskracht. De zes ribben van de tetraëder liggen als de diagonalen in de kubuszijden; daardoor vormen zij een aparte eenheid en aan de buitenkant.

- Na het waarnemen van een voorwerp moet de betekenis worden beoordeeld, waarvoor het denken volgt als de oktaëder, gevormd vanuit de zes middelpunten van de kubuszijden. De gevormde gedachten worden met woorden uitgesproken: bewegingen van de lucht in de buitenwereld, waarin zij tot klinken komen.

- Het waargenomen voorwerp kan de geest ook ontroeren, innerlijk in beweging brengen, wat als een gemoedsbeweging, een gevoel wordt ervaren; daardoor is het volgende veelvlak de ikosaëder, het water, dat zich gedienstig opent voor en liefdevol aanpast aan het voorwerp dat in haar wordt gebracht en zo in beweging brengt. De ikosaëder ligt rondom het middelpunt van de kubus, de kern.

Het waarnemen en willen zijn de vermogens waarmee de geest zich eerst voor de omgeving openstelt en er na beoordeling op inwerkt; het denken en voelen zijn de beoordelende vermogens, werkzaam in het innerlijk van de geest.

- Het middelpunt van de kubus wordt gevormd door de dodekaëder, als vijfvlak de meest bolvormige, als vijfde de 'kwintessens' (quinta essentia: het vijfde wezen), het punt waar alles om draait. Door zijn vijf-talligheid maakt hij de vier-plus-één veelvlakken tot een éénheid, wat de menselijke geest als vijfde doet met de vier vermogens waarmee die werkzaam is.

terug naar de Inhoud

68c. Plato's wagenmenner, 1 de vermogens
Samenvatting uit Phaidros (Phaedrus) 1
De geest beweegt uit zichzelf en werkt naar binnen en naar buiten; wat uit zichzelf beweegt, is onsterfelijk en de bron van beweging voor alle andere dingen. De geest is het begin van alles en is zelf ongeschapen, want wat eeuwig beweegt, houdt daar nooit mee op en kan daardoor zelf niet worden voortgebracht.

Plato noemt de geest de stuurman van de ziel; de geest verheugt zich (voelen) bij het zien van de geestelijke werkelijkheid (waarnemen), van rechtvaardigheid (voelen) en zelfbeheersing (willen); de geest voedt zich met kennis en begrip van het wezenlijke (denken), aanschouwt de eeuwig bestaande dingen met bewondering (voelen) en neemt die in zich op (waarnemen).

De geest is te vergelijken met een wagenmenner met twee paarden. Het rechter paard is goed gebouwd, heft het hoofd naar de hemel en is licht van kleur, het heeft de waarheid lief en laat zich leiden door gezond verstand (denken), is eerbiedig en ingetogen (voelen), en matig (wilskracht).
Het linker paard is slecht gebouwd, kijkt naar de aarde, is donker van kleur, overmoedig, losbandig en gehoorzaamt de menner nauwelijks. Het begeert zintuiglijk genot, het laat zich moeilijk door de anderen tegenhouden en kan hen juist meeslepen.
De menner zoekt schoonheid (waarnemen), neigt naar matigheid (willen), gebruikt de zweep met de linker hand en trekt met de rechter hand de teugels van het linker paard aan als dit zintuiglijk wordt; daardoor wordt het echter driftig, maakt de anderen verwijten, waarvoor het rechter paard zich schaamt; maar door deze innerlijke tweestrijd kan het toch zover komen dat het linker paard zich mokkend aanpast.

De wagenmenner is de redelijkheid (denken), die de driftmatigheid van het linker paard moet omvormen tot de geestdrift van het rechter. Als de geestelijke eigenschappen, die tot een ordelijk leven (willen) en liefde (voelen) tot de waarheid (denken) en de deugden leiden, worden ontwikkeld, leeft het drietal gelukkig en in overeenstemming met de wetten van het heelal. Zij hebben de oorzaak van leed: hebzucht en heerszucht, overwonnen.
Krijgt het linker paard echter de overhand, dan wordt het innerlijke leven van de geest verstoord en stort die uit de hemel op aarde, waar die herhaalde malen door geboorte in een lichaam de gelegenheid krijgt, driftmatigheid te overwinnen en om te zetten in geestdrift.

Zoals gezegd noemt Plato de geest de stuurman van de ziel, wat betekent dat de geest de leidende eenheid is. Die heb ik daarom in deze en de volgende samenvatting als de met de geestelijke vermogens werkzame zelfstandheid, als geest i.p.v. ziel benoemd. Waar kenmerken van de vermogens ter sprake komen, heb ik die er tussen haakjes achter gezet.
In de 1e samenvatting gaat het vooral om de vermelding door Plato van de geestelijke vermogens, in de volgende om de geestelijke ontwikkeling die daarmee kan worden volbracht.

terug naar de Inhoud

68d. Plato's wagenmenner, 2 de ontwikkeling
Samenvatting uit Phaidros (Phaedrus) 2
Plato noemt de geest de stuurman van de ziel, wat betekent dat de geest de leidende eenheid is. Die heb ik daarom in de vorige en deze samenvatting als de met geestelijke vermogens werkzame zelfstandigheid, de geest benoemd.
In de ontwikkelde toestand heeft de geest veel met het goddelijke gemeen. Het goddelijke is schoon (waarnemen), wijs (denken) en goed (voelen), en alles wat daarmee samenhangt, zoals: kennis, gedachten en gevoelens.
In die ontwikkelde toestand beschikt de geest over 'vleugels': dat zijn twee uitstralingen uit de ziel, die zijn ontstaan door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens. De betekenis van die vleugels is dat die bewuste en beheerste werkzaamheid met de vermogens, de geest omhoog voert naar de woonplaats van de goden.
Als de geest over die vleugels beschikt, kan hij de geestelijke werelden bezoeken, maar als de vermogens nog niet worden beheerst, is de aarde zijn woonplaats en moet hij in een stoffelijk lichaam wonen. Door de kracht van de geest lijkt het, alsof dat uit zichzelf beweegt.

Er zijn in grote lijnen drie soorten ontwikkelingstoestanden.
- Sommigen streven naar geestelijke ontwikkeling (filosofen) en beginnen op het goddelijke te lijken, waardoor zij de vleugels verkrijgen.
- Anderen trachten zich steeds weer op te richten, maar vallen nog terug.
- En er zijn er die nog niet in staat zijn zich op te richten. Zij blijven in de lagere werelden, waar zij elkaar verdringen en trachten door wedijver en zwoegen elkaar voorbij te streven en te vertrappen. Zij zien de werkelijkheid niet en vormen zich valse voorstellingen.
Na het overlijden gaan allen naar een plaats in de geestelijke wereld die in overeenstemming is met het leven dat zij op aarde hebben geleid.

Iedere geest die op aarde een menselijke vorm heeft, zag in de geestelijke wereld ooit de geestelijke dingen, maar door de aanraking met de stof zijn zij die hier vergeten. Sommigen hebben nog een vage herinnering eraan en telkens wanneer zij iets zien of horen dat enige gelijkenis heeft met die werkelijke, geestelijke wereld, worden zij diep ontroerd en raken buiten zichzelf, doordat zij geestelijk worden geraakt.

terug naar de Inhoud

68e. Plato - De geschiedenis van Er in Politeia
De soldaat Er was gesneuveld en werd voor zijn begrafenis naar huis gebracht; maar hij was schijndood, kwam op tijd weer tot leven en vertelde wat hij in de geestelijke wereld had meegemaak.
Hij was met andere overledenen op een weide gekomen waar werd beoordeeld, wie naar rechts naar de hemel of links naar de onderwereld zou gaan. Een van de beoordelaars echter zei hem dat hij goed moest rondkijken, omdat hij naar de aarde terug zou gaan om over zijn ervaringen te vertellen.

Er sprak met mensen die uit de hemel of de onderwereld op de weide kwamen. De eersten vertelden hem van hun geluk, de laatsten van de moeilijkheden die zij hadden doorstaan, omdat zij moesten boeten voor het leed dat zij anderen hadden aangedaan.

Er stonden ook mensen die aan een nieuwe kringloop in een bestaan op aarde zouden beginnen. Zij kozen zelf het lot dat zij zouden ondergaan. De verantwoordelijkheid ervoor ligt bij de keuze die de mens zelf maakt. Ook de eigenschappen van de persoonlijkheid kwamen met dat lot overeen.
Er zag hoe iedere mens zijn eigen leven kiest, waarbij een mannelijke geest ook het bestaan als vrouw kan kiezen en omgekeerd.
Ieder kreeg een begeleider mee voor het leven dat hij had gekozen; maar na weer op aarde te zijn geboren, ging de herinnering aan de geestelijke wereld geheel verloren.

De mens moet leren in het leven het juiste midden te kiezen en de uitersten naar beide zijden te vermijden. Alleen zo bereikt die het hoogste geluk! Alleen maar deugdzaam te zijn uit opgelegde plichten, i.p.v. uit zichzelf wijs en liefdevol te handelen, heeft voor de ontwikkeling weinig nut.
Als een mens, wanneer hij naar het leven op aarde terugkeert, altijd oprecht naar wijsheid en goedheid zou streven, dan is hij niet alleen op aarde gelukkig, maar gaat ook zijn tocht van hier naar de andere wereld en weer terug, niet over een ruw pad onder de aarde, maar over een effen pad door de hemel.

Dit is het allereerste verslag van een bijna-doodervaring en met de esoterie overeenkomend. Het is in feite een ik-blijf-levenervaring, de ervaring een zelfstandige geest te zijn, wat ook mijn persoonlijke ervaring is.

terug naar de Inhoud

69a. De vermogens: enkelvoudig en samengesteld
Binnen de menselijke geest als wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, zijn de vermogens, in de ontwikkelde toestand, werkzaam als een evenwichtig met elkaar samenhangende eenheid. Zij vormen een eenheid in verscheidenheid, want de werkzaamheid van de een is toch te onderscheiden van die van de ander, zoals het denken en voelen. Dit is hun enkelvoudige toestand (a).

In het gedrag naar de ander toe is dat niet het geval, want de ander ervaart de werkzaamheid van b.v. het denken, altijd als het uitgekeerde of ingekeerde denken. In de ingekeerde toestand is er in stilte sprake van innerlijke overwegingen, in de uitgekeerde toestand worden die naar buiten verwoord. Het denken en de instellingswijzen verkeren dan in de samengestelde toestand (b).

In de enkelvoudige en samengestelde toestand zijn de vermogens en de instellingswijzen door een groot aantal wetenschappers, schrijvers en wijsgeren herkend en beschreven.
Klik hier voor het PDF met het overzicht.

Door de eeuwen heen is er onderscheid gemaakt tussen denkers en doeners, tussen mensen die op de voorgrond traden om leiding te geven en zij die zich tevreden stelden met medewerker te zijn, tussen hen die de wereld bereisden om die te ontdekken en zij die de inhouden van hun eigen binnenwereld verkenden. Toch zijn al deze verschillen terug te voeren tot de werkzaamheid van dezelfde vier vermogens en beide instellingen. Zij werden door vele onderzoekers herkend, maar met verschillende woorden beschreven, afhankelijk van de eigenschappen van hún persoonlijkheid.

Toch is er één algemene grondslag voor de werkzaamheid van de menselijke geest, want allen zijn door verdichting in en uit één en dezelfde bron, de algeest, tot een zelfstandig bestaan gekomen. Een bron geeft zijn eigenschappen mee aan alles wat uit haar is voortgekomen, waardoor in de geestelijke kern iedere mens aan de ander niet gelijk is door persoonlijke groei, maar wel gelijkwaardig.
Door in zichzelf terug te keren tot die kern en in zichzelf de werkzaamheid van de vermogens te ervaren, wordt eenieder zich bewust van die wezenlijke overeenkomst, wat een natuurlijke grondslag is voor een blijvende, onderlinge vrede.

terug naar de Inhoud

69b. De vermogens en geestelijke ontwikkeling: de zelfverwerkelijking
De geestelijke vermogens zijn de menselijke geest in aanleg meegegeven, zodat hij ze zélf tot ontwikkeling kan brengen; alleen daardoor worden zij geheel zijn eigendom. De mogelijkheid daartoe wordt de mens geboden door hem op aarde schijnbaar aan zichzelf over te laten, zodat hij zelfstandig beslissingen kan nemen bij het oplossen van vraagstukken, die hij op zijn levensweg ontmoet. Daarvoor moet de mens zijn vermogens bewust en beheerst gebruiken, waardoor die tot ontwikkeling worden gebracht en ten slotte uitgroeien tot het geweten en de deugden: de zelfverwerkelijkte toestand.

Door de aanleg verkeren de vermogens aanvankelijk in een onbewuste en onbeheerste toestand; door ze bewust en beheerst te leren gebruiken, worden ze omgevormd en wel van een driftmatige begintoestand tot een geestdriftige eindtoestand. In één leven is die groei alleen te zien door terug te kijken naar de jeugdige begintoestand en de afgelegde weg; in het licht van de eeuwigheid kun je het je bewust worden als begeleiders je door ingeving laten merken, hoe gebeurtenissen in het heden door karma met je verre verleden samenhangen.

Zinnebeeldig werd deze omvorming weergegeven door de mens zijn nog onbeheerste, dierlijke zijde door strijd te laten overwinnen. In het verleden is deze innerlijke strijd op vele wijzen uitgebeeld, onder meer als:
1 Herakles en de Nemeïsche leeuw: zijn naam betekent 'door Hera groot', want hij ontwikkelde zich door het oplossen van twaalf moeilijkheden, die Hera, de vrouw van Zeus, op zijn pad bracht.
2 De vogel Fenix: door zichzelf te offeren in het vuur van zijn brandende nest, waardoor vaste stof werd omgevormd tot naar de hemel opstijgende verbrandingsgassen, een vergeestelijking waardoor hij als geestelijke vogel werd herboren.
3 Mitras en de stier: hij streed met een wilde stier die uit een grot op hem afkwam; uit het daarbij vloeiende bloed ontstond een nieuwe mensheid.
4 Shiva nataraja: dit verbeeldt Shiva als kosmische danser die de schepping door voortdurende omvorming voortstuwt en daarbij met de rechter voet de dwerg der onwetendheid in bedwang houdt.
5 Plato's wagenmenner: die beteugelt zijn nog wilde paard en brengt zo evenwicht in het span van zijn eigen, innerlijke krachten.
6 Sint Joris en de draak, die het nog onbeheerste deel van zichzelf, de draak bedwingt en in geestkracht, het paard omvormt.

"Zichzelf te overwinnen is de beste en grootste van alle overwinningen."
Plato, Griekse filosoof

"Eigen ervaring is de beste leermeester."
Cicero, Romeinse filosoof

"Door tegenspoed maak je kennis met jezelf."
Albert Einstein, Duitse natuurkundige

"De mens is op aarde gekomen met één groot, allesoverheersend doel: zelfverwerkelijking."
C.G. Jung, Zwitserse psychiater

terug naar de Inhoud

70. Zelfverwerkelijking en hereniging
Het bewuste en beheerste gebruik dat je van je vermogens hebt leren maken door de omgang met je medemensen in het alledaagse bestaan, heeft ze, zoals gezegd, omgevormd tot het geweten en de deugden. Door het geweten ga je, vóór je gaat handelen, eerst over tot zelfbeschouwing (waarnemen), tot een redelijke en zedelijke zelfbeoordeling (denken en voelen) en zo nodig tot zelfbeheersing (willen). Het daarmee samenhangende gedrag wordt erdoor gekenmerkt dat je uit liefde (voelen) aandacht (waarnemen), begrip (denken) en geduld (willen) hebt met je medemensen, de kenmerken van de deugden.

Dát is wat met geestelijke ontwikkeling of zelfverwerkelijking wordt bedoeld. Dat heeft niet alleen een gunstige invloed op je persoonlijkheid, maar ook op je uitstraling (de aura of ziel) en op je chakra’s. Daar je chakra’s van binnen uit, uit jouzelf als geest door je ziel heen naar buiten uitstralen, is dit de enige veilige weg om die tot ontwikkeling te brengen en zo de knooppunten worden voor een etherische band met medemensen, zowel hier als met begeleiders thuis, in de geestelijke wereld. Zelfverwerkelijking heeft ook een gunstige invloed op je uitstraling, je geestelijke licht en warmte. Daardoor komen hun eigenschappen steeds meer overeen met die van je begeleiders, waardoor die zich steeds beter met jou kunnen verbinden om je te begeleiden op je pad over de levensweg.

Uiteindelijk komt je licht en warmte zo ook weer in overeenstemming met het licht en de warmte van de algeest, de bron waar je door liefdevolle verdichting ooit uit bent voortgekomen; van daaruit ben je aan een ontwikkelingstocht begonnen, met als doel je er ooit weer mee te herenigen, maar dan als geheel ontwikkelde, menselijke geest.
Na op die weg voldoende gevorderd te zijn, kun je door zelfbezinning en gebed ervaren in vervoering te worden gebracht en met je bron te worden herenigd, waarbij licht en warmte van beiden elkaar liefdevol doordringen en een eenheid vormen; maar toch blijf je tegelijkertijd ervaren dat jij de kleine geest bent, de algeestvónk en dat je wordt opgenomen in de goddelijke algeest, die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid.

terug naar de Inhoud

71. Geestelijke begeleiding van de mens
Zoals gezegd strekt de algeest zich uit in de eeuwige oneindigheid, waardoor er geen plaats is voor een tweede: de algeest kan niet anders dan de Ene zijn. Daardoor is die bij het nemen van besluiten op zichzelf aangewezen, is geheel aan zichzelf overgelaten. De menselijke geest is door verdichting als algeestvonk eruit voortgekomen en moet, om door ontwikkeling zich te kunnen verwerkelijken en zich weer te herenigen, in dezelfde omstandigheid verkeren als de algeest.
Dat bereikt de algeest door in zichzelf de stoffelijke wereld te denken, opgebouwd uit levenloze stof (zie daarvoor 24), waardoor de menselijke geest, daar in een lichaam afgedaald, schijnbaar van de algeest is afgesloten. Doordat de stof, het levenloze het tegendeel is van de geest als het eeuwige leven, kan die hier zichzelf niet zijn en wordt onbewust van zichzelf als geest. Daardoor laat de geest aandacht en toewijding naar buiten wegtrekken, waardoor die zich onbewust met het lichaam en deze wereld vereenzelvigt.

Toch streeft de algeest liefdevol naar herverbinding met alle algeestvonken, maar daarvoor moeten zij volwassen worden. Om die ontwikkeling in gang te kunnen zetten,
- is aan de mens niet alleen de vermogens in aanleg meegegeven,
- maar ook al een zeker zelfgevoel, waardoor die, door zijn vermogens te gebruiken, gebeurtenissen kan verwerken en ervaringen opdoen, zo aan zijn ontwikkeling kan werken en zich van zichzelf bewust worden,
- en daarbij wordt de mens in stilte begeleid.

Want daar de algeest (behoudens zijn eigen wetten) vrij is om te kiezen en de menselijke geest op weg is die toestand te bereiken en daarvoor zijn vrije keuze heeft als oefening, loopt die hier gevaar alleen voor alle vormen van genot te kiezen en zo tot stilstand te komen;
- en daarom zijn er begeleiders, die onmerkbaar gedachten en voorgevoelens ingeven als de mens er voor open staat en zo zacht erop aansturen de mens keuzes te laten maken die naar het doel leiden;
- daarbij moet toch de vrije keuze van de mens worden geëerbiedigd en die bedoelde weg hoeft niet de makkelijkste te zijn;
- en ook aan het karma voor dat leven kan niet worden getornd.

Zelf heb ik mijn begeleider bij mij zien staan zoals op de afbeelding is uitgebeeld; maar vaak doen zij hun werk zonder dat de mens het merkt, want eigen ondervinding is de beste leermeester, opdat de mens leert zelfstandig te zijn.

terug naar de Inhoud

72. Het zelfbeschikkingsrecht
Zoals reeds gezegd, is de algeest de eeuwige oneindigheid, waardoor die geest de Ene is. Daardoor kan die bij niemand te rade gaan, noch is er een ander die de algeest kan beletten iets te doen (alleen eigen wetten); de algeest is daardoor geheel vrij keuzes te maken en zelf over de vorm van de denkwereld in zichzelf te beschikken.

Het woord 'schikken' betekent: op doelbewuste wijze iets regelen of ordenen, en zelfbeschikking: naar eigen gedachten en gevoel zijn bestaan inrichten (willen). Het zelfbeschikkingsrecht is vervolgens het recht van iedereen zelf vorm en zin aan het eigen leven te geven, zolang dat het zelfbeschikkingsrecht van anderen niet aantast. De vrijheid van spreken en handelen eindigt daar, waar de vrijheid van de ander begint (zo niet, dan heerst er bandeloosheid).

Die beperking houdt het gebruiken van het geweten en toepassen van de deugden in (zie 20a en b). Geweten en deugden zijn de einddoelen van geestelijke ontwikkeling: de groei van het bewuste en beheerste gebruik van de geestelijke vermogens en instellingswijzen. Die ontwikkeling vindt voortgang door het omgaan met medemensen in het alledaagse bestaan: de mens wordt mens door de ontmoeting met de medemens.

Tijdens die groei neemt het bewuste en beheerste gebruik van de vermogens toe, waardoor ze worden omgevormd van een driftmatige begin- naar een geestdriftige eindtoestand. Dat is wat wordt uitgebeeld door Leonardo’s Vitruviusman: die in het vierkant is de aardse, nog zelfgerichte mens, dezelfde in de cirkel de geheel ontwikkelde, met de algeest overeenkomende mens.

De weg naar dat doel, de levensweg, is een leerschool die stoelt op eigen ondervinding, die de beste leermeester is; maar daarvoor moet de mens wel in de vrije toestand zoals de algeest verkeren en geheel vrij zijn zelf zijn eigen vermogens te gebruiken en besluiten te nemen omtrent de richting, die de mens over de levensweg zal gaan; en te leren van de gevolgen van eigen keuzes.
De vrije keuze en het zelfbeschikkingsrecht zijn in de leerschool, waar de leerling zijn eigen leermeester moet zijn om zichzelf meester te worden, onvermijdelijke vereisten. Alleen de mens die binnen de genoemde beperkingen over persoonlijke vrijheid beschikt, kan het geestelijke doel van deze aardse leerschool verwerkelijken.

"We worden gelijkenissen van God en worden met Hem verbonden,
wanneer we goede en ware dingen zaken van ons leven maken
door ze ons bewust voor te nemen en te doen."
Emanuel Swedenborg, Hemel en Hel 16
(goede-voelen; ware-denken; bewust-waarnemen; doen-willen)

terug naar de Inhoud

73. Het antropisch principe
Een aantal keren raakte ik in mijn jeugd in vervoering en kwam als vonkje geest thuis in de eeuwige oneindigheid van de algeest. De laatste keer zag ik hoe er a.h.w. daarbinnen een nieuwe wereld of sfeer werd gevormd, waarin ik als menselijke geest werd verdicht; daardoor kreeg ik in aanleg de geestelijke vermogens van de algeest mee, om die in mijzelf tot ontwikkeling te brengen, in de wereld van de mens. De menselijke geest was er vóór de schepping, die later in die nieuwe sfeer werd verdicht, maar waarbij geestelijk licht en warmte niet een eenheid vormden zoals in de menselijke geest, waardoor de stof levenloos is (zie 24).

Toch komen de menselijke geest en de stoffelijke schepping uit één en dezelfde bron voort! Het is daardoor dat de mens, na het bereiken van een bepaalde graad van ontwikkeling, in zekere zin in de schepping ook zichzelf onderzoekt en daardoor kan begrijpen, hoe de stof is gevormd uit fermionen (verdicht licht) en bosonen (verdichte warmte). Vanuit geestkundig gezichtspunt is het begrijpelijk, dat de mens het heelal kan begrijpen! Stof komt met de geest overeen, maar in een andere vorm; het is een eenheid in verscheidenheid.

Dat mens en heelal nauw samenhangen, wordt door natuurwetenschappelijke bevindingen ondersteund, die samen het ‘antropisch principe’ worden genoemd; dat houdt het volgende in.
- Er is een nauw verband tussen de aanwezigheid van de mens in het heelal en de natuurkundige eigenschappen ervan. Een kernpunt daarbij is de 'fijnafstemming van de 38 natuurconstanten'; dat zijn getallen waarvan de waarde niet verandert en die onderdelen zijn van natuurkundige formules, waamee b.v. temperatuur, druk en elektrische spanning kunnen worden berekend. Zou er ook maar iets in hun huidige verhouding anders zijn, dan zouden of het heelal of het leven daarin er niet zijn.
- Er zijn veel natuurkundige omstandigheden in het heelal, in het zonnestelsel en op aarde (met zijn uitzonderlijke maan), waarvan het bestaan van levensvormen op aarde geheel afhankelijk is (zie voor meer de website).
Natuurkundige inzichten wijzen erop, dat het heelal er is voor de mens, met zijn ontwikkeling als doel.

"The temptatien to believe that the Universe is the product of some sort of design, a manifestation of subtle aestetic and mathematical judgement, is overwhelming. The belief that there is something behind it all, is one that I personaly share with a majority of scientists." Albert Einstein, Duitse natuurkundige

terug naar de Inhoud

74. De wisselwerking tussen boven en beneden
Zoals gezegd wijzen natuurkundige inzichten erop, dat het heelal er is voor de mens en zijn ontwikkeling. De natuurlijke ontwikkeling is o.a. door Darwin in zijn evolutietheorie beschreven, maar de drijvende kracht erachter is de geestelijke ontwikkeling die alle geesten meemaken, ook die van planten en dieren. Een ontwikkeling die voortgang vindt door de noodzaak zich met zijn levensvorm voortdurend aan veranderende omstandigheden en gebeurtenissen op aarde aan te passen; daarvoor moeten de geestelijke vermogens worden gebruikt waardoor zij tot ontwikkeling komen. De ervaringen die zo worden opgedaan, moeten worden verwerkt door er een zinvolle houding tegenover aan te nemen; dat gebeurt niet alleen overdag door overleg met medemensen, maar ook 's nachts tijdens gesprekken met begeleiders in de geestelijke wereld.

Doordat zij de vrije keuze moeten eerbiedigen, kan begeleiding alleen in stilte plaatsvinden door ingevingen; maar nadat de geest 's avonds het lichaam heeft verlaten (dat daardoor in slaap valt) gaat die naar zijn eigen gebied in de geestelijke wereld terug en ontmoet zijn begeleiders op een wijds grasveld, in de literatuur ‘de weide’ genoemd.
De groene weide die aan mij werd getoond, zag eruit zoals op de tekening. Zij was door hoge bomen omzoomd en door de bosrand heen stak een Griekse tempel met een plat dak naar voren. Er heerste daar een diepe rust.
Bij een andere gelegenheid was ik bij een overgegane vriend die op zinnebeeldige wijze de onaangename ervaringen, die hij op aarde anderen had aangedaan, zelf moest ondergaan; maar het gebeurde in een sfeer van liefde en begrip.

Alle ervaringen die je op aarde hebt opgedaan, neem je in je geestelijke geheugen met je mee, wat zich thuis voor je ogen ontrolt. Waar je de gulden regel (zie 40) veronachtzaamde, gaat je geweten spreken en maak je mee wat je anderen aandeed. Daardoor wil je beslist teruggaan om het weer goed te maken; wat zolang doorgaat, tot je geheel uit jezelf gewetensvol handelt.
Alle gebeurtenissen op aarde, hoe ingrijpend ook, hebben betekenis voor onze geestelijke groei, wat ons echter pas duidelijk wordt als we weer thuis zijn.

terug naar de Inhoud

75. De wisselwerking tussen geest en hersenen 1
Hoe werkt de zenuwcel?
De zenuwcel of neuron is de bouwsteen van het zenuwstelsel, dat uit 85-miljard neuronen bestaat met ieder ±1000 verbindingen. Het neuron heeft een cellichaam dat zenuwprikkels verwerkt en twee uitlopers: korte dendrieten die prikkels opnemen en één lange uitloper (axon) dat een gevormde prikkel naar de volgende cel stuurt.

Het neuron werkt als volgt: het heeft een celwand (membraan) waarin zich kanaaltjes bevinden voor natrium- en kalium-ionen; de rand van het Na-kanaal is gevoelig voor dichtheidsverandering van Na. In de rusttoestand is Na buiten en K binnen de cel. Bij een prikkel openen de ionkanaaltjes zich: Na stroomt naar binnen, K naar buiten. De dichtheidsverandering van Na beïnvloedt het volgende kanaaltje, dat zich ook opent. Zo plant de prikkel (actiepotentiaal) zich over de celwand voort. Het cellichaam telt prikkels op of trekt ze af; als een bepaalde drempelwaarde is bereikt bij het axon, stuurt de cel daarover een nieuwe prikkel weg (1).

Als de prikkel over het axon bij de eindknop aankomt (2), springt die van een Na/K-kanaal over naar een Ca/Mg-kanaal; die bevinden zich in het membraan rond de eindknop (3). Calcium (Ca) stroomt de cel in en magnesium (Mg) eruit. Hoe meer prikkels er aankomen, hoe meer kanalen zich openen.
De verbinding met de volgende cel verloopt biochemisch door neurotransmitters (er zijn 100 soorten). Zij zitten in blaasjes in de eindknop, vóór het raakpunt (de synaptische spleet) met de volgende cel. Ca zet in de eindknop een enzym in werking dat de blaasjes naar die spleet stuurt en hun celwand en de wand van het neuron gereed maakt zich te openen, om de transmitters in de spleet uit te storten (4).

In de celwand van het volgende neuron bevinden zich weer Na/K-kanalen, verbonden met een receptor (r) bij 5. De transmitter bindt zich daaraan en dan opent het kanaal zich (6), waardoor Na naar binnen en K naar buiten stroomt (7). De dichtheidsverandering van het Na beïnvloedt het volgende kanaal en als een bepaalde drempelwaarde is overschreden door de soort en hoeveelheid transmitter in de synaptische spleet, zet de prikkel zich hier weer voort (zie verder 76).

De zenuwcel werkt als een optellende en aftrekkende rekenmachine, en daar het de bouwsteen van het gehele zenuwstelsel is met inbegrip van de hersenen, is ook dat alleen een rekenmachine. Maar doordat de hersenen geheel gevormd zijn in overeenstemming met de vermogens van de geest, kan die de hersenen gebruiken als een orgaan (‘werktuig’) om zich door het lichaam heen in het aardse bestaan uit te drukken. De neuronale activiteit die daar door hersenonderzoek wordt bespeurd, wordt daar door inwerking van de menselijke geest opgewekt.

terug naar de Inhoud

76. De wisselwerking tussen geest en hersenen 2
1. Zoals gezegd is de rand van de Na-kanaaltjes in de celwand van de zenuwcel gevoelig voor verstoring van de dichtheid van Na-ionen in de vloeistof buiten de cel, wat ook het geval is bij de Ca-kanaaltjes. De verstoring van de dichtheid van Na door het binnenstromen in de cel, verstoort ook de Ca-dichtheid, met binnenstromen van Ca als gevolg. Dat regelt de hoeveelheid transmitter die in de spleet vrijkomt en dat op zijn beurt weer de werkzaamheid van het volgende neuron; als dat bij meerdere zenuwcellen tegelijk gebeurt, beïnvloedt dat uiteindelijk de werking van een orgaan of b.v. de spieren die de vingers laten bewegen.

2. Door hersenonderzoek is ontdekt dat een bewegend magneetveld in de vloeistof met Ca-ionen buiten de cel een stroompje opwekt (TMS door inductie: zwerfstromen van Foucauld). Het min of meer puntvormige magneetveld wordt opgewekt met twee ronde spoelen. Dat verstoort plaatselijk de dichtheid van Ca, waarop het kanaaltje zich opent en Ca de cel ingaat. Dat heeft het uitstorten van transmitters in de spleet tot gevolg, waarna onwillekeurig(!) de vingers worden bewogen, als dat op de juiste plaats in de hersenschors gebeurt: het bewegingsveld van de hand.

3. Daar gebeurt op kunstmatige en gebrekkige wijze, wat op natuurlijke wijze in het bewegingsveld van de hand gebeurt door inwerking van de menselijke geest. Als de geest besluit met de hand een bepaalde beweging uit te voeren, dan drukt die met zijn geesteshand door de ziel heen een denkbeeld (lichtbeeld) van die handeling af op het bewegingsveld van de hand in de schors. De geestkracht waarmee het denkbeeld is geladen, beïnvloedt nauwkeurig de Ca-dichtheid ter plaatse op een zodanige wijze, dat de handbeweging volkomen beheerst wordt uitgevoerd.
Op deze wijze is de geest in staat b.v. het vioolconcert van Beethoven te spelen en niet alleen technisch, maar ook met gevoel!

Geloven dat het alleen de hersenen zijn die dit muziekstuk ten gehore brengen, komt overeen met geloven dat de viool uit zichzelf dit stuk speelt en de violiste haar viool alleen maar vasthoudt. Deze mening komt voort uit de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan (zie 25ab), waardoor alleen deze, stoffelijke helft van de schepping, wordt gezien.

terug naar de Inhoud

77. De wisselwerking tussen geest en algeest 1
Zoals beschreven in de nummers 31 en 32 werd aan mij getoond hoe de menselijke geest door verdichting van geestelijk licht en geestelijke warmte uit en in de algeest voortkwam als een zelfstandige, bolvormige wolk van datzelfde licht en diezelfde warmte.
De algeest wordt erdoor gekenmerkt dat die zich onbegrensd in de eeuwige oneindigheid uitstrekt, terwijl de menselijke geest door de verdichting een zekere begrenzing heeft, hoewel de overgang naar de algeest geleidelijk is.
De meest wezenlijke beschrijving van de menselijke geest is daardoor: algeestvonk, een vonkje licht en warmte uit en in de oneindige algeest, te vergelijken met een ster aan de hemel.

Ooit heeft de algeest in zichzelf algeestvonken verdicht… en een ervan ben jij, de bewuste levenskracht die dit nu leest.

Echter, in die kleine algeestvonk konden niet de vermogens aanwezig zijn, zoals ze in volwassen toestand eigenschappen van de algeest zijn. Ook zij moesten worden ingeperkt tot een aangepaste toestand en werden daardoor als aanleg aan de menselijke geest meegegeven. Een aanleg die door de mens zelf tot ontwikkeling kan worden gebracht om zo aan de algeest gelijkwaardig te worden en zich in volwassen toestand daar weer mee te herenigen.

Daarvoor moest de mens in omstandigheden worden geplaatst om net als de algeest, de Ene ook aan zichzelf overgelaten te zijn, om te leren zelfstandig besluiten te nemen door de geestelijke vermogens te gebruiken, waardoor de aanleg tot ontwikkeling komt.
- Daarvoor daalde de menselijke geest op aarde af in een stoffelijke levensvorm, het lichaam, de oorzaak van afzondering en van onwetend zijn van zijn grondslag; de hereniging daarmee is het heil dat op je wacht, maar waar je nog onbewust van bent, terwijl je al wel bezig bent jezelf te verwerkelijken om naar die hereniging met de algeest toe te groeien.
- Omdat de algeest zelf daar bewust naar streeft, word je door die geest liefdevol op je ontwikkelingsweg begeleid. Overal waar dat nodig is en waar om hulp wordt gevraagd, verdicht de algeest zich tot een volmaakte algeestvonk, om iedere mens die daarvoor kiest, te begeleiden op de weg naar huis.


terug naar het Menu

terug naar het weblog







^