Antonie Grossheim - De zeven woorden van Jezus Christus aan het kruis

als het innerlijke woord ontvangen door Antonie Grossheim in het Oostenrijkse Graz in 1863
Uitgeverij De Ster, van wijlen Willem Franken
Oorspronkelijke titel: Anthonie Grossheim - Die sieben Worte Christi am Kreuz
N.B. De tussen haakjes geplaatste tekst bestaat uit aanvullingen van de uitgever.
[Tussen haken [] staan toevoegingen van mij, Freek]

Inhoud

Ten geleide
[Voorwoord]
1. Inleiding
2. Mededeling van de Heer aan Zijn kinderen
3. De zeven woorden van Jezus aan het kruis
4. Sterven en kruisafneming
5. Graflegging en opstanding
6. Uitleg van de woorden aan het kruis
7. Nawoord
Verwijzingen

Ten geleide door de uitgever bij de uitgave van het boekje van Antonie Grossheim
Het boekje 'De zeven woorden van Jezus Christus aan het kruis' werd in 1863 door de innerlijke stem van de geest ontvangen en neergeschreven door Antonie Grossheim in Graz, een vrouw die tot de vriendenkring behoorde van de grote mysticus en schrijfknecht van God, Jakob Lorber. Over Antonie Grossheim staan nadere bijzonderheden in de korte, interessante biografie van Jakob Lorber, die de schrijver uit Stiermarken en secretaris in staatsdienst Karl Gottfried Ritter von Leitner over zijn tijdgenoot en hoogvereerde vriend, de grote Ziener, heeft geschreven. (Een vertaling van dit boekje is onder de titel 'Jakob Lorber schrijfknecht van God' verschenen bij uitgeverij De Ster in Tilburg; het merendeel van de boeken van Jakob Lorber is inmiddels in het Nederlands vertaald en bij dezelfde uitgever verschenen.)
Volgens deze mededelingen bezat Antonie Grossheim een huis in Graz en gebruikte zij haar aardse bezit graag om goede daden te verrichten. Hoewel zij beslist geen lichtgelovige vrouw was en zich hield aan de aansporing van Paulus: 'Beproef de geesten', was zij een overtuigde aanhangster van de diepzinnige geschriften van Jakob Lorber, die een goddelijk licht werpen op vragen over God, de schepping en het leven. Zij heeft de in aardse armoede levende 'schrijfknecht van God' menigmaal liefdevol ondersteund. Omdat de Heer in het Evangelie van Johannes (hoofdstuk 14:21) diegenen die Zijn geboden van de liefde 'hebben en onderhouden' belooft, dat Hij bij hen zal wonen en Zich aan hen zal openbaren, mogen wij ook geloven dat Hij het is die Zich in het nu volgende geschrift aan de oprechte, ingoede volgelinge van Hem heeft geopenbaard. De inhoud ervan verwijst immers alleen naar Hem, de Vader in Jezus, en naar de weg van het geloof, dat door de liefde in daden wordt omgezet.
De uitgever

  terug naar de Inhoud

[Voorwoord
Enkele Oud Testamentisch aandoende uitspraken die in het stuk van Antonie Grossheim voorkomen, kunnen worden verduidelijkt aan de hand van de betekenis van Logion 70 uit het Evangelie van Thomas, waar door Jezus op de eigen verantwoordelijkheid van de mens wordt gewezen: "Als u diegene in u voortbrengt, die u bezit, zal hij u redden. Als u die niet in u voortbrengt, zal hij, die u niet in u voortbrengt, u doden."

Overwegingen bij dit woord van Jezus uit het Thomasevangelie
'Diegene, die u bezit' is de menselijke geest. Als je die in jezelf 'voortbrengt': als je de geestelijke aanleg, die in jezelf aanwezig is, tot ontwikkeling brengt, handel je in overeenstemming met de goddelijke oorsprong van jezelf als zijnde die menselijke geest; alleen dan zal die oorsprong jou kunnen leiden en beschermen op de ontwikkelingsweg, die leidt naar het doel ervan: de hereniging met God als volwassen geest. Maar als je jezelf als menselijke geest niet tot ontwikkeling brengt en je alleen maar - door je zintuigen heen - eenzijdig op deze stoffelijke en daardoor levenloze wereld richt, en je ermee vereenzelvigt, dan is de menselijke geest vanuit de geest gezien net zo levenloos, net zo dood en onbewust van zichzelf als de levenloze stof van deze wereld… en is die geest daardoor niet ontvankelijk voor Gods begeleiding.

De geestelijke ontwikkeling
De menselijke geest is door verdichting voortgekomen uit de goddelijke algeest. Om de weg terug naar zijn geestelijke oorsprong te vinden, is de menselijke geest op een ontwikkelingsweg geplaatst, waarop die door zelfverwerkelijking - werken aan zichzelf, maar onder stille begeleiding - kan toegroeien naar het doel: de bewuste hereniging als volgroeide geest met de goddelijke algeest.
Bij de geboorte op aarde verbindt de menselijke geest zich hier met het stoffelijke lichaam. Daarbij verbindt de geest als het levende zich met de stof, het niet levende, het dode; daardoor kan de geest hier zichzelf niet zijn en wordt onbewust van het bestaan van zichzelf; de geest lijkt hier slechts iets denkbeeldigs te zijn.
Door genoemde stofgebondenheid kan de geest in een toestand van zelfbeperking terechtkomen, een zelfbegrenzing tot eigen schade, waardoor de geestelijke ontwikkeling wordt geremd en stilvalt, wordt gedood, als de mens niet - door schade en schande gedwongen - tot zichzelf komt.

De problemen die door deze vereenzelvigde geestestoestand ontstaan, moeten worden opgelost. Daarvoor moet de menselijke geest zijn geestelijke vermogens gebruiken, waardoor die hoe dan ook tot ontwikkeling worden gebracht en waardoor de geest - ook de ongelovige - toegroeit naar innerlijke zelfstandigheid. Door de innerlijke werkzaamheid van de geestelijke vermogens: het waarnemen van de dingen, het verwerken ervan door die dingen te overdenken en te doorvoelen, en dan te besluiten er iets mee te willen doen, groeit een toestand van zelfbesef, komt zelfbewustzijn tot ontwikkeling en 'komt de geest tot zichzelf, komt tot leven'. Maar als de geest er niet toe komt zich door ontwikkeling bewust te worden van zichzelf, blijft die een onbekende voor zichzelf en 'is als dood'. Daardoor mist de geest zichzelf en mist het uiteindelijke doel van het bestaan op aarde: zelfbewustwording en hereniging met de bron van zichzelf: de goddelijke algeest; en 'het doel missen' is de oude betekenis van het woord 'zonde'.

Het is ook door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens dat er om de geest heen een lichtruimte wordt uitgestraald in de vorm van een lichtglans: de 'aura' (Latijn: glans) of ziel (Gotisch: zaal, woonruimte), waarin de geest 'woont' en die de geest benut als het geestelijke deel van het geheugen. De ziel is daardoor een eigenschap van de geest.
Het woord 'ziel' wordt echter ook gebruikt om de geestestoestand aan te duiden, waarin de menselijke geest, door de vereenzelviging met de stof, nog onbewust is van zichzelf en de mens alleen een 'ziel' lijkt te zijn. Het woord 'ziel' wordt daardoor verwarrend genoeg ook gebruikt om er een 'persoon' mee aan te duiden.

Bij sommige uitspraken in het stuk van Antonie Grossheim: De zeven woorden van Jezus Christus aan het kruis, zou de hedendaagse, niet meer zo gelovige mens vraagtekens kunnen zetten. Vergeleken met het overige werk van Jakob Lorber, wordt dat mede veroorzaakt doordat het eigen spraakgebruik van het medium Grossheim invloed heeft op de vorm van de doorgegeven boodschap - zoals dat bij alle doorgegeven teksten het geval is; de toon is daardoor anders dan bij Jakob Lorber en doet meer Oud Testamentisch aan.
Onderaan het stuk van Grossheim worden bedoelde uitspraken besproken in het licht van bovenstaande overwegingen.]

  terug naar de Inhoud


1. Inleiding
[1] Mijn kind, luister! Jij zult een boek schrijven, ten teken dat het Mij om het even is welk werktuig Ik kies of wie Ik uitzoek als drager van Mijn woord. Want niet de groten en geleerden zullen ondervinden wat het betekent 'een werktuig van de Heer' te zijn. Ook zeg Ik je dat je nog heel wat zult hebben te lijden en te verdragen. Maar wees niet bezorgd, Ik zal je terzijde staan.
[2] (Als reactie op gedachten van twijfel van de schrijfster omtrent de vraag, of het gehoorde waarlijk van de Heer afkomstig is en niet misschien onbewust uit de eigen ziel komt): Ik wil jou, ongelovige ziel, bewijzen dat Ik het ben, de Heer van hemel en aarde, die door jouw aardse hand schrijft. Ja, Ik schrijf Zelf! En Ik wil dat je uit jezelf de liefde en het vertrouwen zult hebben. En geloof derhalve nu en heb vertrouwen.
[3] Ik, jouw God en Vader van eeuwigheid, gebied je het volgende: je moet van nu af aan elke dag 's avonds een uur aan Mij wijden, waarin Ik jou door middel van jouw pen zal dicteren, wat Ik de wereld wil verkondigen. Vrees niet, Ikzelf ben immers bij je!

  terug naar de Inhoud

2. Mededeling van de Heer aan Zijn kinderen (11 oktober 1863)
[1] Jullie, Mijn kinderen, die door de oude zonde gebonden zijn en in de slaap van jullie wereldse zintuigen voortdromen, verneem Mijn woorden die Ik als de enige Heer van de oneindigheid door de mond van een door Mij uitgekozen maagd aan jullie bekend maak.
[2] De tijd van de voorspellingen van de profeten van het Oude Verbond, evenals alles wat de zieners over Mij voorspeld hebben, is met Mijn toenmalige komst op jullie aarde vervuld. En nu is andermaal de tijd aangebroken die ik tijdens mijn aardse leven voorspeld heb, toen Ik sprak: "Er zal een tijd op aarde komen, waarin zelfs Mijn uitverkorenen Mij afvallig zouden worden, als het door Mij werd toegelaten." Maar daarvoor (dat dit uiterste Mijn kinderen niet overkomt) wordt door Mij zorg gedragen.
[3] Alle anderen echter, die alles nader aan het hart ligt dan te vorsen naar jullie eeuwige bestemming en zich de middelen tot het bereiken daarvan eigen te maken, jullie bind Ik als jullie Vader en toekomstige Rechter op het hart: laat af van de wereld en haar vergankelijke genoegens, en keer je tot Mij in woord en daad, zolang er nog tijd is! Want het duurt niet lang meer totdat Mijn geduld is uitgeput en jullie het gericht van Mijn toorn ondergaan. Jullie weten immers uit de Schrift dat het verschrikkelijk is om in de handen van de levende God te vallen. 1)
Ook zeg Ik jullie: "Voorwaar, voorwaar, hemel en aarde zullen vergaan, maar Mijn woorden zullen niet vergaan!"

[4] Toen Ik in Mijn aardse lichaam onder jullie mensenkinderen op aarde leefde, heb Ik zondaars en tollenaars, die destijds als het meest verachtelijke volk werden beschouwd, om Mij heen verzameld. Ik werd daarom door de groten en voornamen veracht en gehaat, zodat Ik overal de naam had een sluwe volksbedrieger en zelfs een heimelijke zondaar te zijn. Maar Ik kwam niet vanwege de rechtvaardigen naar de aarde, maar voor hen wier geest ziek is en voor de zondaars, voor wie Ik Mijn leven en bloed offerde.
[5] Ten tijde van Mijn kruisiging stonden de vrienden van Mij die Mij trouw gebleven waren om Mij heen, evenals een grote menigte volk die vervuld was van leedvermaak en onder hoongelach riep: "Vroeger heeft hij anderen geholpen, nu kan hij zichzelf niet helpen!" Dit sterkte de vijanden in hun geloof dat Ik niet God zou zijn, maar eerder een door God verlaten grote misdadiger.
[6] Ik sprak echter 'in de bangheid van Mijn aardse vlees' vanaf het kruis tot de omstanders zeven woorden in de Oudhebreeuwse taal, waarvan tot op de huidige dag nog geen juiste uitleg bestaat. Daarom heeft Mijn genade Mij ertoe bewogen om deze nogmaals, en wel met de juiste uitleg van hun betekenis, voor de toekomstige (d.w.z. de tegenwoordige) tijden te herhalen en zodoende de ware zin ervan aan de mensen die van goede wil zijn, te openbaren.
[7] Toen Ik na een langdurig lijden en veel pijn, die Ik door de nietsontziende beulsknechten moest verdragen, zo ver gekomen was dat de hogepriesters zagen dat Ik zou kunnen sterven vóórdat zij hun wraak en boosheid op Mij gekoeld hadden, probeerden deze zo snel mogelijk van het hoogste Romeinse gerechtshof het doodvonnis te verkrijgen, om toch het genoegen te smaken Mij zo pijnlijk mogelijk te zien sterven. Toen vervolgens het bericht van Mijn doodvonnis, dat inhield dat Ik gekruisigd moest worden, binnenkwam, juichten Mijn vijanden met luide stem en zij probeerden hun werk onmiddellijk ten uitvoer te brengen.
[8] Toen dan eindelijk Mijn terechtstelling plaatsvond, kwamen Mijn vrienden, die zich heimelijk onder het volk verborgen hadden gehouden, naar het kruis om Mij te troosten en te sterken. De boze menigte wilde hen echter wegjagen en slechts door bemiddeling van Pilatus was het voor Mijn moeder evenals voor Johannes, Mijn lievelingsleerling en voor nog enkele vrouwen mogelijk om tot aan de voet van het kruis te komen en zo bij mijn lichamelijke dood aanwezig te zijn.

  terug naar de Inhoud

3. De zeven woorden van Jezus aan het kruis
[1] Toen de wrede beulen Mij van Mijn kleren hadden beroofd en Mij, aldus ontbloot, met handen en voeten aan het hout vastbonden en ze ten overvloede ook nog met stompe spijkers doorstaken, geschiedde het dat Ik in Mijn gemartelde lichaam een zucht slaakte en sprak:
"Heer, vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen!"
Dat was het eerste belangrijke woord, dat Ik met het oog op de toenmalige en de toekomstige mensheid en haar zonden in Mijn smart gesproken heb.
[2] Toen Ik vervolgens aan het kruis werd opgericht, zag Mijn lichaam, dat met bloed en stof was bedekt, er zo deerniswekkend uit, dat het zelfs het hart van de aanwezige vijanden raakte. Ik zag echter dat het slechts een voorbijgaande opwelling was en hun erbarmen niet Mij gold, maar alleen hun gevoel voor schoonheid. Daarom sprak Ik:
"Mij dorst!"
Maar de beulsknechten begrepen niet wat Ik met deze woorden bedoelde, namelijk dat Ik dorstte naar het heil van zovele zielen, die Ik in hun waan te gronde zag gaan. En zo gaven ze Mij, om Mij nog meer te kwellen, gal vermengd met azijn te drinken, wat Ik echter versmaadde.
[3] Meteen daarop begon de hele natuur te beven en de orde der elementen raakte verstoord. De zon, als het voorbeeld van het eeuwige licht, verloor haar glans, ten teken dat de mensen in hun geestelijke blindheid niet zagen, dat de Godheid Zich terugtrok uit het sterfelijke omhulsel van Mijn lichaam en het lichaam overgaf aan de stoffelijke dood. Daarom sprak Ik de woorden:
"Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"
[4] Het was niet een andere God buiten Mij, tot wie Ik riep, maar de Godheid in Mij, Gods Geest en Oerkracht in haar volle omvang. Alleen Mijn lichamelijke omhulsel was immers, net als bij de mensenkinderen, genomen uit het stof der aarde. En dat moest zich ook aan Mij (aan de pijn en de dood) onderwerpen. Daarom zocht 'de materie' in haar verlatenheid naar hulp 2) - om te laten zien dat iedere mens op aarde alleen bij God hulp moet zoeken.
[5] De tijd naderde dat Ik, toen Ik Mij steeds zwakker begon te voelen, Mijn ziel aan Mijn hemelse Vader toevertrouwde. Toen zag Ik Mijn moeder Maria, die zo lief en trouw voor Mij was, samen met Mijn leerling Johannes (die tevens in het geheim Mijn schrijver geweest was) ten dode bedroefd onder het kruis staan en Ik sprak tot hen beiden de betekenisvolle woorden:
"Maria, zie je zoon!" en tot Johannes: "Zie, je moeder!"
Met deze woorden gaf ik te kennen dat Ik in zekere zin Mijn geestelijke testament maakte en daarbij de kinderen van de wereld aan de Geest van God heb toevertrouwd en Maria heb aangesteld tot moeder van de zwakke en zieke zielen in het vlees.
[6] Toen het volgens de Joodse tijdrekening drie uur geworden was, was de tijd van Mijn lichamelijke dood nabij gekomen, en een huivering voor de dood doortrok Mijn gebeente. Op dat ogenblik zag Ik naast Mij de tegelijk met Mij aan het kruis vastgebonden misdadiger Dismas, die zijn ogen verlangend op Mij richtte, vol genade aan en Ik beloofde hem dat hij heden nog bij Mij in het paradijs zou zijn.
[7] Na Mijn hemelvaart heeft dit woord tot op de dag van vandaag aanleiding gegeven tot veel interpretaties. De enig juiste is echter dat elke mensenziel na haar lichamelijke dood naarmate haar volmaaktheid in een lagere of hogere graad van het licht terechtkomt en dat zelfs zielen die al aan deze zijde boete hebben gedaan voor al het aardse, aanvankelijk slechts het paradijs of de lagere graad van zaligheid kunnen bereiken. Want geen enkele ziel kan, voordat zij geheel en al gelouterd en gereinigd is, tot de hoogste zaligheid de liefdehemel binnengaan.
Zo had ook Dimas door de liefde en het vertrouwen op Mij de eerste graad bereikt en was het mogelijk hem het paradijs te beloven.
[8] Ik was reeds stevende, toen Ik de woorden sprak:
"Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!"
Dit is eveneens een moeilijk te begrijpen woord voor veel mensen. Want waarom zou Ik, God Zelf, Mijn Geest in de handen van een God buiten Mij bevelen? Dat zou immers betekenen dat er twee goden zijn! Dat is echter niet het geval en niemand moet zich op een dwaalspoor laten brengen door die uitspraak.
Laat iedereen het veeleer zo opvatten, dat alleen de buitenste omhulling (de ziel) van Mijzelf - de innerlijke, goddelijke Geest - deze woorden sprak en deze woorden in dezelfde zin moeten worden opgevat als toen Ik tijdens Mijn leven op aarde van Mijzelf zei: "Ik, de Mensenzoon, zeg jullie dit of dat." Op dezelfde wijze sprak aan het kruis de levenskracht van de ziel van Mijn aardse lichaam de woorden: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!" 3)
[9] Toen de ziel zich gedrongen voelde om het lichaam te verlaten, werd Ik steeds zwakker. En het volk dat om Mij heen stond, had leedvermaak en bespotte Mij. Maar Ik moest de beker tot op de bodem leegdrinken en voorzag ook, dat de tierende menigte onbewogen zou blijven onder Mijn pijn en doodsstrijd. En zo sprak Ik, toen het laatste ogenblik van Mijn aardse leven was aangebroken, Mijn laatste woord op aarde:
"Het is volbracht!"

[10] O mensen, als jullie toch eens in staat waren om alleen maar dit woord door en door te begrijpen! Als jullie ten volle zouden kunnen begrijpen wat het betekent, dat Gods Zoon het grote werk van de verlossing van de gehele mensheid volbracht, dan zou geen enkele ziel te gronde gaan. Maar de zonde is door Adam in de wereld gekomen en daarom zal, zolang een tot materie verdicht wezen de weg van het vlees door het aardse leven moet gaan, de zonde en de materiële dood aan de mensenkinderen ten deel val-
len. En de kracht van het kwaad en van de satan in de materie werd dan ook door Gods Zoon en diens Middelaarschap (niet volledig weggenomen, maar) slechts gebroken.
[11] Voor elke ziel komt het er nu dus op aan om door geloof en liefde de Middelaar in alle deemoed en in volle daadkracht na te volgen op de weg die is geopend. Zo zal het werk van de verlossing ook voor jou, mensenkind, worden volbracht!

  terug naar de Inhoud

4. Sterven en kruisafneming
[1] Na dit laatste woord van Mij stierf Ik of liever gezegd, Mijn ziel trad uit de materie en verenigde zich met Mijn Oergeest, die de eeuwige Geest van God is.
[2] En Ik daalde af naar de plaats waar de zielen van de aartsvaders wachtten op het uur van de verlossing. Want geen enkel schepsel kon de vrede van de hemel binnengaan, voordat de gerechtigheid Gods door het grote liefdewerk van de verlossing, was verzoend. Ik maakte dus de weg weer vrij, die oorspronkelijk aan alle wezens vrijelijk was gegeven, maar ooit, door de val van de engelen, was afgebroken.
[3] Adam had die weg weer moeten herstellen en de in verstarring geraakte materie, die al het geestelijke leven omhulde tot haar oorsprong terug moeten voeren, waartoe hem de vrije wil gegeven was. Maar hij verloor die vrijheid weer door de zonde van de ongehoorzaamheid tegenover God en verviel met alle nakomelingen steeds dieper in het gericht van de dood, waaruit voor eeuwig geen hoop meer bestond op verlossing. 4)
Om die reden trad de oneindige erbarming en liefde van de Oereeuwige als bemiddelaar op, als Mensenzoon in het stof der aarde gehuld, Zijn schepselen vrij te maken en hen terug te voeren naar hun eerste en eeuwige bestemming.
[4] Toen ik volgens de Joodse wet de voorgeschreven tijd aan het kruis had gehangen, was het uur aangebroken waarop de lichamen van de drie misdadigers, waartoe ook Ik werd gerekend, van het kruis genomen moesten worden. Want het was de tijd van de rustdagen, waarop niemand op de plaats van de terechtstelling mocht blijven. Toen kwamen Mijn vrienden, die voor het merendeel Romeinen en Grieken waren - ook enkele Joden bevonden zich als heimelijke aanhangers van Mijn leer onder hen - en zij wilden Mij de laatste liefdedienst op aarde bereiden.
[5] Ze hadden Mijn lichaam van de opperstadhouder gekocht om het in een graf te leggen. En zo werd Ik door de weinige vrienden die Mij nog trouw gebleven waren, onder spot en hoon van het Joodse volk, van het kruis afgenomen. En Mijn ten dode bedroefde moeder Maria viel voor Mij op de grond en nam, toen zij haar kind verminkt, bloedend en dood voor zich zag, Mijn hoofd op haar schoot onder intens weeklagen en ontelbare tranen.
[6] Je vraagt Mij hoe het was met de wond in Mijn zij, die Ik moet hebben vergeten omdat Ik daarvan geen melding heb gemaakt? Maak je daar maar geen zorgen over, want die verwonding is Mij pas toegebracht toen Ik Mijn aardse lichaam had verlaten en was slechts de willekeurige handeling van een barmhartige soldaat, die dacht dat Ik misschien alleen maar in dodelijke onmacht verkeerde. Hij wilde dat Ik daardoor eerder uit Mijn vreselijke lijden werd verlost. En aan hem viel daardoor ook de genade ten deel dat op hetzelfde ogenblik dat hij met zijn speer Mijn hart doorstak, zijn eigen hart een ongekende pijn onderging en hij begreep, wiens hart hij daar had doorstoken.

  terug naar de Inhoud

5. Graflegging en Opstanding
[1] Toen werd Ik, dat wil zeggen Mijn omhulsel, weggedragen naar het graf dat op een aanzienlijke afstand buiten Jeruzalem gelegen was en toebehoorde aan de hogepriester Nicodemus. Toen Mijn lichaam, dat volgens oosters gebruik rijkelijk voorzien was van specerijen en in witte linnen doeken was gehuld, in het graf werd gelegd, stonden Mijn vrienden wenend en klagend om Mij heen. Welke een smartelijk verdriet de trouwe zielen vervulde, toen ze in de veronderstelling verkeerden dat ze Mij voor de laatste keer op aarde zagen en ze zielsbedroefd afscheid van Mij namen, daarvan is in Mijn lijdensverhaal al melding gemaakt.
[2] Hier in dit geschrift zal alleen worden gesproken over Mijn dood en over de nu spoedig in vervulling gaande voorspellingen, die door de - voor de blinde volksmenigte onbegrijpelijke - zeven woorden zijn aangeduid. Want nu is de tijd aangebroken waarin Ik die woorden in daden zal omzetten!
[3] Nadat Ik bijna twee dagen lang in het graf had gelegen, was, om De Schrift te vervullen, de tijd van Mijn verheerlijking of opstanding gekomen. En toen de morgen van de derde dag was aangebroken, geschiedde het dat Ik, bevrijd van de banden van de dood en de ziel verenigend met het vergeestelijkte lichaam, Mij tot mijn hemelse Vader of Oergeest verhief en glorierijk als overwinnaar van de dood en de satan opstond.
[4] Het gebeurde in de eerste uren van de morgen dat Ik in de tuin verscheen aan Maria van Magdalon, die Mij diep bedroefd in het graf wilde bezoeken. Buiten zichzelf van vreugde viel zij, toen zij Mij in het oog kreeg, in een waas van liefdestranen aan Mijn voeten en kon nauwelijks tot rust worden gebracht. O, hoeveel zegen brengt een dergelijke liefde!
[5] Ik verscheen op deze dag ook nog aan enkele van Mijn leerlingen, evenals aan Mijn moeder Maria. Nu was eindelijk de tijd aangebroken dat Ik, na de vervulling van Mijn offerdood, die Mij door de hemelse Vader was opgelegd, nog tijd en gelegenheid had om met Mijn vrienden te spreken en hun de waarde en de betekenis van Mijn bittere lijden en dood te verklaren. Wat ik gedurende die tijd tot aan Mijn hemelvaart allemaal met Mijn leerlingen heb besproken, daarvan is tot nu toe nog nergens op de wereld een verslag gevonden, omdat alleen in de brieven van Paulus aan de Efeziërs iets voorkomt dat bijna dezelfde betekenis heeft als Mijn onderricht gedurende dit verblijf van Mij op aarde in het geestelijke lichaam.
[6] Toen Ik zag dat Mijn leerlingen Mij herkenden en Mij weer net als vroeger aanhingen, bracht Ik hen bijeen in een buiten de stad gelegen herberg en sprak met hen over Mijn dood en Mijn opstanding, alsook over Mijn spoedig daarop volgende hemelvaart naar de Vader. Mijn vrienden waren zeer bedroefd toen ze hoorden dat Ik hen voor altijd zou verlaten. Maar Ik troostte hen en beloofde een Trooster te zenden, die hen zou sterken en in alle waarheid zou leiden. Met deze troost stelden allen zich tenslotte tevreden.
[7] Daarop bracht Ik Mijn lieveling Johannes nog op de hoogte van alle gebeurtenissen die de volkeren in de lange loop der tijden nog zullen overkomen. Ook zei Ik hem om alles op schrift te stellen wat Ik hem met betrekking tot de toekomst bekend zou maken. Dat gebeurde dan ook. Maar door latere oorlogen en veroveringen van de volkeren gingen al deze geschriften verloren.
[8] Luister dus en schrijf nogmaals op wat Ik goed vind jou hierover bekend te maken.

  terug naar de Inhoud

6. Uitleg van de woorden aan het kruis
[1] Door God is weliswaar aan iedere mens de vrije wil gegeven om het goede of het kwade te doen en zich de zaligheid of daarentegen de verdoemenis te verwerven. 5)
Maar God is alwetend en overziet het tijdsverloop van aeonen van jaren alsof het om één seconde ging. Daardoor zag de Godheid al in het begin, bij de val van het eerste mensenpaar, welk onheil de zonde tot gevolg zou hebben en wat voor oorlogen, ziekten en ontelbaar veel andere vormen van kwaad daaruit in de loop der tijden voor de verre nakomelingen zouden ontstaan.
[2] Om de mensenkinderen toch in elk geval van de eeuwige dood te verlossen, bleef er voor de erbarmende liefde van de Godheid niets anders over dan de banden van de eeuwige dood te verbreken door de menswording van het eeuwige Woord en de dood van de Mensgewordene (Jezus). De tijdelijke vormen van kwaad zijn daardoor echter niet opgeheven. Want de zonde heeft onvermijdelijk straf tot gevolg. En, in wat voor een zee van zonden en ondeugden zijn de mensen intussen verzonken!
[3] Toen Ik, de Verlosser, bloedend en stervend voor het mensengeslacht aan het kruis hing, sprak Ik, omdat ik de volle omvang van hun schuld en de gevolgen daarvan voorzag, die betekenisvolle zeven woorden, die Ik nu nogmaals tot heil van de mensen zal uitleggen.
[4] Het eerste woord, dat Ik toen gesproken heb:
"Heer, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen,"
had niet zozeer betrekking op de blinde Joden, maar veel meer op die nakomelingen, die na het aannemen van Mijn leer Mijn naam dragen en in latere tijden tempels voor Mij zouden bouwen. Deze mensen hebben zich, ondanks dat Ik heb onderwezen dat Mijn rijk niet van deze wereld is, zo sterk aan de aardse materie gehecht, dat Mijn uitspraak die ik ooit deed tegenover de rijke zoon van de farizeeër: "Waarlijk, Ik zeg je, een kameel gaat eerder door het oog van een naald dan een dergelijke rijke naar het hemelrijk!" volledig op hen van toepassing is.
[5] Mijn leer spreekt over deemoed, zachtmoedigheid en verdraagzaamheid tegenover de zwakheden van de naaste. Maar o wee, hoe weinig wordt deze leer nageleefd! Juist degenen die Mijn leerlingen zouden moeten zijn en Mijn naam dragen, zijn tegenwoordig vol haat tegenover hun aan menselijke zwakheden ten prooi gevallen broeders.
[6] Ik bad toch dat alle mensen elkaar als goede broeders en zusters zouden helpen, maar hoe weinig wordt daaraan gehoor gegeven! Moord, roof, twist en doodslag, doordat Mijn hemelse leer niet wordt nageleefd, zijn maar al te duidelijk zichtbaar en voeren zelfs de betere mensen in eigenzinnige en heerszuchtige ongehoorzaamheid al meer of minder ten verderve.
[7] Het tweede woord luidde:
"Mij dorst!"
O, zeker dorstte Ik daar en dorst Ik nog steeds naar zovele zielen die in hun waan te gronde gaan en die hun heil slechts zoeken in hun wereldse genoegens en zich noch om God noch om een eeuwigheid bekommeren.
[8] Maar wee, wee zulke wereldse mensen! Er zal een vreselijk gericht over hen uitbreken, omdat de maat van hun zonden meer dan vol is en hun nog slechts een korte tijd is vergund. En wanneer ook deze vruchteloos verstrijkt, worden zij verwijderd uit het boek der levenden. 6)
[9] Je vraagt Mij in gedachten hoe het toch komt dat Ik telkens dreig en toch geen tijdstip vaststel voor Mijn tuchtiging? Daarop zeg ik jou en allen die oren hebben om te horen: dat is nu juist omdat Ik als jullie Vader en eeuwige Rechter elke ziel voldoende tijd en gelegenheid wil bieden om zich het eeuwige heil te verwerven en opdat geen enkele ziel zich op de dag van het gericht zal kunnen verontschuldigen, en als uitvlucht zou kunnen gebruiken, dat haar leven zou zijn verkort.
[10] Mijn derde woord was:
"Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"
Die uitroep hebben zelfs Mijn vrienden als menselijke zwakheid opgevat. En zelfs zij vroegen zich daarbij af hoe het toch kwam dat Ik Mij vroeger voor God had uitgegeven en nu in Mijn doodsangsten tot God riep in de waan dat Hij Mij zou hebben verlaten.
[11] O, jullie kortzichtige stervelingen! Beseffen jullie dan niet dat alleen de Geest in Mij God was, maar het omhulsel of het vlees uit zwakke materie bestond en evenals jullie lichamen onderworpen moest zijn aan pijn en leed? Want wat voor verdienste zou het zijn geweest, als ik niet in dit (menselijk, zwak en onvolkomen) omhulsel de grote schuld van de mensen had weggenomen doordat de materie in Mij gehoorzaam moest zijn tot aan de dood aan het kruis toe?
[12] Net als Ikzelf in Mijn derde woord zullen ooit op de grote Dag des Oordeels al diegenen roepen die zich tijdens het leven nooit of heel weinig om Mij en Mijn woord hebben bekommerd. Maar als de tijd van de genade voorbij is, dan kan geen enkele uitroep om genade en barmhartigheid, hoe luid ook, meer helpen.
[13] Want kijk om je heen en je zult zien, hoe de wereld vorderingen maakt op het gebied van de wereldse wetenschappen, kunsten en nieuwe ontdekkingen; de mensen onderzoeken de meest geheime krachten van de natuur en Ik laat het toe dat al Mijn werken aan hen onderworpen zijn, omdat Ik immers alles prachtig en tot nut van Mijn kinderen heb geschapen. Maar voor welk doel worden al hun wetenschappen gebruikt? Toch enkel om zich te verrijken met wereldse schatten of om hun hoogmoed en hun overmoed te vergroten. Daarbij vergeten de welgestelden helemaal hun arme medebroeders die steeds dieper afglijden in allerlei nood en ellende, en in hun geweeklaag om hulp en erbarming tot Mij roepen.
[14] Hoe zou Ik Mij dan niet ontfermen over Mijn arme kinderen en hen niet redden uit hun zware juk van geestelijke en lichamelijke slavernij? En hoe zou Ik dan genade en barmhartigheid kunnen doen wedervaren aan hen, die zelf geen genade en barmhartigheid kennen?
[15] Het vierde woord:
"Maria, zie je zoon! En jij zoon, zie je moeder!"
sprak Ik niet zozeer met het oog op Mijn moeder, omdat Ik immers wist dat Mijn leerlingen Mijn lichamelijke moeder niet zouden verlaten. Veeleer wilde Ik daardoor in zeker zin te kennen geven, wat voor een liefde Ik in Mijn hart droeg voor Mijn kinderen. Ik wilde hun allen aanraden om zich toe te vertrouwen aan de erbarmende liefde van God, die symbolisch door de moederliefde wordt aangeduid. En met de 'zoon' werden dan ook eveneens alle mensenkinderen bedoeld, die zich deze liefde waardig kunnen maken door de strikte naleving van Mijn leer.
[16] Echter, waar treft men tegenwoordig onder de mensen die strikte naleving van Mijn zo eenvoudige en voor het heil van de ziel zo nuttige leer? Slechts weinigen van Mijn kinderen volgen nog maar voor de helft Mijn wil op. De overigen zijn ofwel te zeer verstrikt geraakt in eigenwaan, of ze worden door te veel wereldse zorgen omgeven om zich veel om Mijn woord te bekommeren. Daarom heeft Mijn goddelijke leer zich ontwikkeld tot bijna alleen nog maar een schijnleer of een traditioneel gebruik en heeft de zonde de overhand over de mensheid gekregen.
[17] Het is daarom de hoogste tijd om Mijn kinderen weer in alle ernst op de juiste weg terug te brengen. Maar dat gaat helaas niet meer met zachtaardige middelen, maar slechts met alle gestrengheid van het gericht. Want ook het spreekwoord zegt: 'Wie niet horen wil, moet voelen!' En daarom moet Ik, om de volkeren niet helemaal in hun mateloze verblinding te laten verzinken in de eeuwige dood, een flinke tuchtiging over hen laten uitbreken.
[18] Ik waarschuwde en waarschuw altijd iedere mens afzonderlijk en hele volkeren in het algemeen door ziekten, het mislukken van hun wereldse speculaties, door oorlogen, inflaties en wat dies meer zij. Ik liet en laat toe dat mensen door hun eigenzinnigheid zichzelf vaak wederzijds de grootst mogelijke schade toebrengen. En toch is dat allemaal vaak tevergeefs! De mensen zoeken de oorzaken van al die misstanden steeds ergens anders dan bij zichzelf en geven in hun zondige staat Mij, hun zachtmoedige en lankmoedige God, daarvan de schuld.
[19] O, verblind mensengeslacht! Hoe lang moet Ik jouw dwaze doen en laten nog aanzien? Denk je soms in je ijdele waan, dat je Mij, jouw Heer en God, kunt trotseren? Wee jou, in tijden van nood zul je je handen tevergeefs tot Mij opheffen om hulp. Als de tijd van de genade voorbij is, dan zal ik Mijn oren sluiten voor jouw geroep en doof zijn voor jouw smeekbeden. 7)
Want jullie weten dat het niet voldoende is om "Heer, Heer!" te roepen, maar dat het erop aankomt om altijd rechtvaardig Mijn wegen te bewandelen die Ik jullie heb gewezen, als jullie Mijn genade deelachtig willen worden.
[20] Nu komen wij tot de uitleg van het vijfde woord dat Ik aan het kruis heb gesproken. Deze troostwoorden:
"Heden nog zul je bij Mij in het paradijs zijn,"
sprak Ik tot Dismas, die ter rechterzijde van Mij aan het kruis hing. Deze woorden golden echter niet alleen hem, maar alle mensen die Mijn leer aannemen en ernaar leven. Waarom ik Dismas echter alleen het paradijs en niet de hemel heb beloofd, heb Ik al aan het begin van dit boekje duidelijk gemaakt. Spoedig zal de tijd aanbreken waarin weinigen nog slechts het paradijs zullen verwerven, omdat het door Mij wordt toegelaten, dat de mensen alles wat in hun vrije wil besloten ligt, kunnen doen; en zelfs aan boze geesten wordt, voordat de grote tijd van Mijn gericht aanbreekt, de vrijheid gegeven zich voor hun ommekeer en terugkeer tot het Oerlicht te wenden, waarbij natuurlijk ook aan Mijn goede engelen de opdracht wordt gegeven om Mijn kinderen te beschermen en hen voor de valstrikken van de satan te bewaren. Dan zal het woord in vervulling gaan: "Er zal een tijd komen waarin, als het zou zijn toegelaten, zelfs de godvruchtigen afvallig zouden worden."
[21] "Wat voor een tijd zal dat dan zijn, zullen jullie vragen?" En Ik zeg jullie: dat is een tijd van hoogmoed, arrogantie, gierigheid, ontucht en hoererij in allerlei vormen, die alle volkeren in zijn greep krijgt en hen steeds dieper doet wegzinken in hun poel van zonden, waaruit zonder Mijn hulp in eeuwigheid geen terugkeer te verwachten valt.
[22] Met Mijn aan het kruis uitgesproken zesde woord:
"Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!"
wilde Ik in zekere zin alle mensenkinderen het mooie voorbeeld geven, dat de ziel tot haar Oerbron terug moet keren en de mens zijn leven en handelen zo moet inrichten, dat hij aan het eind van zijn aardse levensloop zijn ziel met vreugde en onder lofprijzingen aan zijn hemelse Vader kan toevertrouwen.
[23] Dan sprak Ik Mijn laatste woord:
"Het is volbracht!"
Ja, het was volbracht, het grote werk van de verlossing! Maar wat baatte het ettelijke duizenden en nog eens duizenden zielen, die weliswaar ook door Mijn dood en Mijn Middelaarschap van de erfzonde werden verlost, maar Mij in de geest en in hun daden niet navolgden? De hemel was voor hen geopend, maar door hun zondigheid, liefdeloosheid en hun onboetvaardige levenswandel, trokken zij weer opnieuw de eeuwige verdoemenis naar zich toe!
[24] Mensenkinderen, in Mijn eerste en laatste woord zeg Ik jullie nog eens in de volle ernst van Mijn liefde:
[25] Doe boete. Keer in woord en daad tot jullie Heer en God terug. 8) Houd op met jullie woeker en gedenk jullie arme broeders, die jullie tevergeefs om barmhartigheid smeken. Gedenk de weduwen en wezen! En spreek recht tegenover hen die onmondig zijn!
[26] Want er staat geschreven: 'Met de maat waarmee jullie meten, zullen ook jullie gemeten worden!' Laat het lot van vorige geslachten U een waarschuwing voor jullie zijn. Zolang zij God trouw bleven, waren zij groot en gelukkig; toen zij echter alleen op zichzelf begonnen te bouwen, liet God de volkeren vallen en hele rijken werden van de aardbodem weggevaagd!

  terug naar de Inhoud

7. Nawoord
[1] Nu zijn de zeven woorden opnieuw gesproken en ook hun betekenis is jullie bekendgemaakt, opdat de mensen die ze horen zich daarnaar kunnen richten.
[2] Maar je vraagt Mij nu in je hart: "Heer, hoevelen zullen niets van deze woorden vernemen. Moeten zij zonder enige waarschuwing en kennis van Uw woorden te gronde gaan?"
[3] Luister dan, wat Ik je hierop ten antwoord geef: Geen mens, van welk geloof hij ook mag zijn, kan zeggen dat hij nooit een vermaning heeft gekregen, hetzij in woorden, door een leer of door verschillende beproevingen in zijn leven. Iedere mens persoonlijk wordt er door Mij op gewezen, dat hij niet alleen voor deze wereld is geschapen, maar dat er een ander, eeuwig leven op dit korte aardse leven volgt en alleen een zalige eeuwigheid de ziel tot werkelijk voordeel kan strekken.
[4] Luister daarom tot slot naar de laatste vermaning die Ik jullie hier bekend maak en neem haar ter harte:
[5] Waak en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen, want jullie kennen noch de dag, noch het uur waarop de Heer komt. En wee jullie als Hij jullie onvoorbereid aantreft!
[6] De dag duurt niet lang meer! Het wordt avond en de tijd van het gericht staat voor de deur. Wie zich nog tijdig met berouw, liefde en deemoed tot Mij wendt, die zal Ik ontzien en verwijderen uit het aantal van hen, die voor Mijn aangezicht worden verworpen. Het staat dus iedereen vrij zich tot Mij te wenden of zich blindelings in het eeuwige verderf te storten. 9)
[7] Haast je daarom! De tijd vliegt voorbij. De vijgenboom begint al uit te botten ten teken dat de winter (of de tijd van de geestelijke slaap) voorbij is en het voorjaar (of de tijd van het ontwaken uit zonde en zinnenvervoering) is aangebroken en de mensen en volkeren voor het gericht worden geroepen om rekenschap af te leggen over hun handel en wandel.
[8] lk, de Heer, de Eeuwige en Oneindige, laat jullie mensenkinderen weten dat Ik in Mijn eeuwige raadsbesluit besloten heb om de wereld, d.w.z. de slechte, Mij afvallig en ontrouw geworden mensenkinderen, te bezoeken met allerlei plagen, opdat ze wakker worden geschud uit hun zondige slaap.
[9] Willen ze op hun schreden terugkeren, dan is dat heel goed. Als ze echter in de slechtheid en verstoktheid van hun hart tegenover Mij volharden, dan zal Ik niet langer wachten en hen als verdord stro in de ijver van Mijn gerechtigheid verbranden. 10)
[10] Want de kinderen van Mijn liefde roepen tot Mij in hun nood luidkeels om hulp en erbarming. En Ik, als een eeuwig trouwe Vader van al diegenen, die hun vertrouwen en hoop op Mij vestigen, kan en wil hen niet langer meer laten smachten onder het kwaad van de vijanden van het licht en van de eeuwige waarheid uit de hemelen.
[11] Hoewel de tekenen van Mijn wederkomst op aarde toenemen 11) , is het eindpunt echter toch nog niet bereikt. En zolang de aarde niet gereinigd is van al het slechte onkruid, zal Ik niet verschijnen.
[12] Maar word daarom niet moedeloos, Mijn kinderen, en word niet bang. Ook al hebben jullie Mij nog niet persoonlijk zichtbaar bij jullie, dan zeg Ik jullie toch: "Waarlijk, Ik ben geestelijk altijd bij jullie en sterk en troost jullie in de geest!."
[13] Wacht daarom rustig in vol vertrouwen de tijd af totdat het volle licht zich uit het duister van de nacht zich zal hebben ontwikkeld en jullie zullen de zon van Mijn heerlijkheid zien opgaan, die alle harten voor eeuwig zal verlichten en verwarmen!
[14] Moge deze mededeling van je Heer en Vader Jezus voor jullie een aansporing zijn om trouw vol te houden in jullie werk! Amen.

  terug naar de Inhoud


Verwijzingen
1) […] "Ik bind jullie op het hart: laat af van de wereld en haar vergankelijke genoegens, en keer je tot mij in woord en daad, zolang er nog tijd is! Want het duurt niet lang meer totdat Mijn geduld is uitgeput en jullie het gericht van Mijn toorn ondergaan. Jullie weten immers uit de Schrift dat het verschrikkelijk is om in de handen van de levende God te vallen."

Overweging: Met de Oud Testamentische 'toorn van God', die wordt opgewekt als 'Gods geduld is uitgeput', is bedoeld de toestand van verstoring van de goddelijke orde door de mens, die zich door overdracht hecht aan deze wereld en zich vervolgens onbeheerst aan zintuiglijk genot overgeeft. Daardoor wordt het bestaan in de stoffelijke wereld niet meer gezien als een oefening in geestelijke ontwikkeling en zelfstandigheid, waarvoor die wel is bedoeld. Doordat zo niet meer aan het doel ervan wordt beantwoord, wordt de goddelijke orde zowel in de mens zelf als in de wereld verstoord en 'zal hij, die u niet in u voortbrengt, u doden'.
terug naar 1)

2) "Het was niet een andere God buiten Mij, tot wie Ik riep, maar de Godheid in Mij, Gods Geest en Oerkracht in haar volle omvang. Alleen Mijn lichamelijke omhulsel was immers, net als bij de mensenkinderen, genomen uit het stof der aarde. En dat moest zich ook aan Mij (aan de pijn en de dood) onderwerpen. Daarom zocht 'de materie' in haar verlatenheid naar hulp […]"

Overweging: 'de Godheid in Mij, Gods Geest en Oerkracht in haar volle omvang' is een aanduiding voor de oertoestand van de godheid: de algeest; deze algeest strekt zich in de eeuwige oneindigheid uit. Die godheid wilde als mens naar de aarde komen en verdichtte daartoe in zich een algeestvonk, zoals ook de menselijke geest er een is. Maar in deze bijzondere algeestvonk was de godheid niet in aanleg aanwezig - zoals in de menselijke geest - maar in heel zijn ontwikkelde volheid: Gods heilige geest… die in Jezus bij ons is geweest.
Gods heilige geest moest zich aan het kruis bewust losmaken van het lichaam, van 'de materie'. Door de gebondenheid aan het lichaam, aan de 'materie', voelde de heilige geest een zekerte verlatenheid. Om die innerlijke strijd te kunnen voeren, richtte de godheid in de toestand van de heilige geest zich daarom tot zichzelf in de oertoestand van de algeest en vroeg om kracht, nodig om bij deze bovenmenselijke strijd geheel zichzelf te kunnen blijven, zo staande te blijven en zo het lichaam, de stoffelijke toestand, te overwinnen.
Ook in de menselijke geest kan zich een tweestrijd afspelen als die voor een moeilijke keuze staat, waarbij afwisselend het ene en het andere standpunt op de voorgrond staat. In Jezus ging het om de toestand van de heilige geest als een zelfstandige verdichting (de Zoon) uit de goddelijke algeest (de Vader).
terug naar 2)

3) […] "tijdens Mijn leven op aarde zei Ik van Mijzelf: "Ik, de Mensenzoon, zeg jullie dit of dat." Op precies dezelfde wijze sprak aan het kruis de levenskracht van de ziel van Mijn aardse lichaam de woorden: 'Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!'
Toen [de levenskracht van] de ziel zich gedrongen voelde om het lichaam te verlaten,"

Overweging: Gods heilige geest is - als verdichting uit de goddelijke algeest - als het ware een uitstraling van de algeest en wordt hier met het verschijnsel 'ziel' als uitstraling van de geest vergeleken. Deze ziel doorstraalt ook het stoffelijke lichaam. De uitdrukking 'de levenskracht van de ziel van Mijn aardse lichaam' slaat terug op Gods heilige geest. In de uitdrukking 'de levenskracht van de ziel van Mijn aardse lichaam' wordt met 'de levenskracht' de geest aangeduid, die in de ziel en in het lichaam woont.
Met 'de Vader' wordt de goddelijke algeest bedoeld en de uitspraak van de heilige geest: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!" betekent, dat de heilige geest terugkeerde naar de verenigde toestand met de goddelijke algeest.
Als de heilige geest in de mens Jezus zich tot de mensen om hem heen richtte, noemde hij zichzelf de 'Mensenzoon', als hij zich tot zichzelf in de toestand van de algeest richtte, de Vader, noemde hij zichzelf 'Gods Zoon'.
terug naar 3)

4) "Maar hij verloor die vrijheid weer door de zonde van de ongehoorzaamheid tegenover God en verviel met alle nakomelingen steeds dieper in het gericht van de dood, waaruit voor eeuwig geen hoop meer bestond op verlossing."

Overweging: 'Ha Adam' is: de mens, is Adam en Eva samen als geestelijke eenheid, vóórdat Eva als de éne 'zijde' (het Hebreeuwse woord 'tsela': zijde werd bij de vertaling verwisseld met 'tsad': rib) van Adam werd gescheiden. Ha Adam was in zijn/haar geestelijke ontwikkeling als eerste mens op aarde zover gevorderd, dat Gods heilige geest zich met hem/haar kon verbinden en zich op aarde aan ha Adam kon tonen, en zich tot ha Adam kon richten.

Ha Adam was geestelijk volledig ingedaald in zijn stoffelijke levensvorm, het lichaam en moest als voortrekker voor de mensheid in dat lichaam de eerste zelfstandige stappen zetten op de aarde… en moest daarbij toch zichzelf blijven als menselijke geest. Maar ha Adam hechtte zich aan de stof (at van de vrucht van de boom) en verloor zo zijn geestelijke zelfstandigheid. Adam mislukte in zijn/haar voortrekkersrol, het voorbeeld, waardoor de hele mensheid na hem in die toestand van onbewuste vereenzelviging met de aarde verviel: de zogenaamde 'val van Adam' is de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof.
Zonder 'hulp van boven' kan de zo in de aarde verstrikt geraakte mens zich niet meer zelfstandig daaruit verlossen. Daarvoor was er een 'verlosser' nodig: Gods heilige geest die in de mens Jezus als de Verlosser bij ons is geweest. Gods heilige geest was de 'parakleitos': de ondersteuner, die de gevallen ha Adam weer zou oprichten. Waar Adam faalde werd Jezus nu het voorbeeld voor de mensheid!
terug naar 4)

5) "Door God is weliswaar aan iedere mens de vrije wil gegeven om het goede of het kwade te doen en zich de zaligheid of daarentegen de verdoemenis te verwerven."

Overweging: De z.g.n. 'vrije wil' is in feite een vrije keuze, want de wilskracht wordt gestuurd door een wilsbesluit, dat door het overdenken en doorvoelen van een vraagstuk is gevormd. Een letterlijk 'vrije wil', dus zonder dat sturende denken en voelen, zou een ordeloos, zinloos gedrag tot gevolg hebben. Door die vrije keuze kan de menselijke geest twee dingen doen: een goed gedrag vormen dat in overeenstemming is met de bedoeling van dit stoffelijke bestaan, de hereniging met de schepper ervan; of hij kan op zichzelf gerichte, zelfzuchtige beweegredenen hebben, waardoor de mens zich los maakt van Gods schepping en die zelfzuchtig voor eigenzinnige doeleinden gaat misbruiken, waardoor het kwade wordt gedaan.
Daarnaast betekent het woord 'verdoemenis': verloren gaan, te gronde gaan; en verdoemen hangt etymologisch samen met veroordelen, een bepaald gedrag afwijzen. Dat - het doel van Gods schepping in aanmerking genomen - het zelfgerichte gedrag moet worden veroordeeld en afgewezen, is duidelijk, want daardoor gaat er een mens verloren voor het bereiken van het wezenlijke doel. Maar dat die menselijke geest 'te gronde' zou gaan, is onmogelijk, aangezien alle menselijke geesten uit liefde door de goddelijke algeest in zichzelf zijn verdicht. Zij zijn een verdichting uit en in de algeest en door die verdichting blijft de menselijke geest onwrikbaar met de algeest verbonden; de algeest kan onmogelijk een deel van zichzelf te gronde laten gaan. Wel kan het gevaar bestaan dat de menselijke geest zich door zelfgerichtheid inkapselt en zich daardoor voor de algeest afsluit, waardoor deze geest voor het doel, hereniging met God, verloren zou gaan.
Doordat hun door God zelf een vrije keuze is gegeven, kunnen zij er wel toe overgaan zich zelfzuchtig in te kapselen, maar het is onredelijk hen dat kwalijk te nemen, om reden van die gegeven vrije keuze. Het besluit van de algeest zelf kon dit tot gevolg hebben, wat zeker te voorzien moet zijn geweest. Het is daarom ook Gods heilige geest zelf die moest besluiten deze scheefgroei in de schepping weer recht te trekken, door in een bestaan als mens de zonden van de zelfzuchtigen op zich te nemen.
Doordat dit alles zich binnen de goddelijke algeest afspeelde, werd de zonde van de zelfzuchtigen binnen de algeest vereffend, doordat Gods heilige geest zelf het uiterste tegendeel deed door zich als de mens Jezus ónzelfzuchtig op te offeren en zo binnen de algeest het evenwicht weer te herstellen. Daardoor werd ook voor de zelfzuchtigen de weg vrijgemaakt om zich, maar nog steeds uit eigen vrije keuze, toch uit hun door zelfzucht verstarde geestestoestand te kunnen bevrijden.
terug naar 5)

6) "Maar wee, wee zulke wereldse mensen! Er zal een vreselijk gericht over hen uitbreken, omdat de maat van hun zonden meer dan vol is en hun nog slechts een korte tijd is vergund. En wanneer ook deze vruchteloos verstrijkt, worden zij verwijderd uit het boek der levenden."

Overweging: Het 'gericht' is de door zelfzucht verstoorde wereld waarin deze geesten door hun eigen gedrag komen te leven. Zij moeten de gevolgen van hun eigen zelfzuchtige gedrag zelf ervaren om tot inkeer te komen. Zo niet, dan blijven zij 'geestelijk als dood': de verwijdering uit het boek der levenden.
Maar Gods heilige geest is als de mens Jezus juist voor hen naar de aarde gekomen, want "alleen zij die ziek zijn, hebben een geneesheer nodig" (Matth. 9:12). Weliswaar zijn zij 'uit het boek der levenden verwijderd', maar ook voor hen is er een verlossing, want "een goede herder laat niet één van zijn schapen verloren gaan" (Lukas 15:1-7, 15:11-32. Zoals bijvoorbeeld Lukas 15:32 Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden!).
terug naar 6)

7) "O, verblind mensengeslacht! Hoe lang moet Ik jouw dwaze doen en laten nog aanzien? Denk je soms in je ijdele waan, dat je Mij, jouw Heer en God, kunt trotseren? Wee jou, in tijden van nood zul je je handen tevergeefs tot Mij opheffen om hulp. Als de tijd van de genade voorbij is, dan zal ik Mijn oren sluiten voor jouw geroep en doof zijn voor jouw smeekbeden."
Zie hierboven o.a. Matth. 9:12 en Lukas 15:1-7, 15:11-32, De verloren zoon.
terug naar 7)

8) "Doe boete. Keer in woord en daad tot jullie Heer en God terug."
De oude betekenis van het woord 'boeten' is: weer goed maken (van: 'beschadigde netten boeten', netten herstellen). Dat weer goed maken is: dit aardse bestaan weer zien in het licht van de eeuwigheid en op weg gaan om in woord en daad tot God 'terug te keren' (de betekenis van 'religio', van 'religare': her-verbinden).
terug naar 8)

9) "De dag duurt niet lang meer! Het wordt avond en de tijd van het gericht staat voor de deur. Wie zich nog tijdig met berouw, liefde en deemoed tot Mij wendt, die zal Ik ontzien en verwijderen uit het aantal van hen, die voor Mijn aangezicht worden verworpen. Het staat dus iedereen vrij zich tot Mij te wenden of zich blindelings in het eeuwige verderf te storten."
Zie hierboven o.a. Matth. 9:12 en Lukas 15:1-7, 15:11-32
terug naar 9)

10) "Willen ze op hun schreden terugkeren, dan is dat heel goed. Als ze echter in de slechtheid en verstoktheid van hun hart tegenover Mij volharden, dan zal Ik niet langer wachten en hen als verdord stro in de ijver van Mijn gerechtigheid verbranden."
Zie hierboven o.a. Matth. 9:12 en Lukas 15:1-7, 15:11-32
terug naar 10)

11) Het optreden van Boehme, Swedenborg, Lorber, Steiner, Teilhard de Chardin.
terug naar 11)


terug naar het literatuuroverzicht






^