Zohar - Het heilige boek van de Kabbalah

Teksten uit de Zohar gekozen door Ernst Müller
Vertaling uit het Duits door drs. G.J. van Lamoen
Uitgeverij Ankh-Hermes bv, 1984, Deventer
ISBN 9020247417

Voorwoord
De levensbeschouwing die 'Kabbalah' ('overlevering') wordt genoemd, is gegrondvest op de zinnebeeldige verklaring door rabbijnen van de teksten die zijn verzameld in de Tenach (de Wet (Thorah), de Profeten en de Geschriften), het boek dat in het christendom het Oude Testament wordt genoemd. De Kabbalah is een esotherische richting in het jodendom, in tegenstelling tot de exoterische, die zich meer bezighoudt met een verstandelijke, wettische benadering van deze teksten, wat in de Talmoed is vastgelegd.
In de Kabbalah wordt er uitgegaan van een oergeest die oneindig en eeuwig is, 'En sof' genaamd ('zonder einde': eeuwige oneindigheid), gekenmerkt door licht en donkerte. Hieruit komt God (JHWH, Elohim) voort als de schepper van de schepping. Die schepping wordt gekenmerkt door meerdere werelden, waarvan alleen de aarde een stoffelijke wereld is, terwijl de andere geestelijke werelden zijn. Vanuit de geestelijke wereld houdt God zich met de mensheid in de stoffelijke wereld bezig door middel van Gods engelen, die een weergave zijn van Gods gedachten, gevoelens en wilsbesluiten in een zelfstandige, menselijke lichtvorm.
De wijze waarop God inwerkt op de mensheid in de stoffelijke schepping, wordt weergegeven door de Boom van de tien Sefiroth ('cijfers').

De mannelijke en vrouwelijke tweeheid
Volgens de Kabbalah wordt alles in Gods schepping gekenmerkt door 'tweeheid' in de vorm van tegendelen. Zo heeft ook God zelf een mannelijke en een vrouwelijke zijde, die samen een volstrekte, geestelijke eenheid kunnen vormen, maar die ook zelfstandig kunnen optreden als Jahweh en Sjechinah ('Zij die bij ons woont'). Ook de mens 'ha-Adam' is aanvankelijk een mannelijk-vrouwelijke eenheid, die pas later wordt gescheiden als God de vrouwelijke zijde van ha-Adam zelfstandig maakt.
Sjechinah is in het bijzonder aanwezig bij hen, die streven naar een geestelijke ontwikkeling, die hen volgens de Kabbalah terug zal voeren naar hereniging met God.
Door het voorbeeld van God zelf heeft het huwelijk ook voor de mens een zeer verheven aanzien. Het mannelijke en het vrouwelijke worden ieder pas zinvol door hun vereniging in het huwelijk.
De drieëenheid van de Kabbalah heeft daarmee overeenkomend de vorm van het gezin: Vader, Moeder en Zoon. Daar volgens de Kabbalah alles door tegendelen wordt gekenmerkt, moet dit goddelijke kind dat 'zoon' wordt genoemd, een tweelinggeest zijn in de vorm van een Dochter-Zoon. Het verschijnsel van het samengaan van de tweelinggeest, waarbij de mannelijke en vrouwelijke zijde in liefde volkomen in elkaar zijn opgegaan tot een eenheid, wordt in de Kabbalah beschreven. [Freek]

Inhoud

1. Kabbalah en Zohar
Inleiding
Oorsprong en einddoel van de mens
Zohar, het Boek van de glans
De samenstelling van het boek
De kabbalistische leer
De invloed van de geestelijke wereld op de mensheid
De oude drieëenheid: Vader, Moeder en Zoon
De boom van de tien sefiroth
Het symbool der geslachten
Sjechinah

2. De leer van de schepping
Licht komt uit het donker
De tweeheid
Het goddelijke oog
Het beeld van de noot: pit en schaal
De afgezanten van
de hemel
Zon en maan

3. Het mensenrijk
Over de eerste mens
De driedeling van de ziel
De ziel tijdens de slaap; drie niveaus van de ziel
Dromen
De vorming van de menselijke geest
De wijding van het huwelijk
De engel van JHWH
De drie werelden van God en de mens
In het uur van de dood
Het loslaten van de blik tijdens het sterven
Drie zielelichamen na de dood


Kabbalah en Zohar

Inleiding op de 'Sefer ha-Zohar', het 'Boek van de glans'
In de vele levens- en geesteshoudingen die met de naam van het jodendom verbonden zijn, betekent het woord 'kabbalah' [klemtoon op -ah] een in de eerste plaats esoterisch en moeilijk te bevatten element. Het wordt gewoonlijk zowel door zijn 'geheime karakter' als door zijn wereldvreemdheid als niet geheel gelijkwaardig bijgebied beschouwd, van wat men onder het jodendom verstaat. En toch draagt het in woord en leer, en met betrekking tot de achterliggende betekenis van beide de diepste elementen van het joodse wezen in zich.

Waardering of geringschatting hangen hierbij vaak af van de houding die men inneemt ten opzichte van wat men als occultisme zou kunnen aanduiden, hetgeen betekent dat men wetenschap of religie niet als eenzijdig ziet, maar beide als in zekere zin de ontstaansgrond van de geest omvattend.
Onvermijdelijk was het in de ontwikkeling van de Kabbalah, die met het einde van de Oudhebreeuwse cultuur haar eerste vormen als geheime leer mocht ontvangen, dat zij ook veel van de verschillende stromingen van het syncretische tijdperk van vroegere eeuwen in zich op zou nemen. Toch verandert dit niets aan het in de diepere grond toch originele wezen van de Kabbalah, dat nog meer voor haar eigen als voor haar joodse karakter beslissend is.

Het bestaan van een joodse geheime leer gaat zeker verder terug dan de niet al te veel omvattende of toch voor het grootste gedeelte nog in handschriften verborgen kabbalistische literatuur. Want deze vertoont zich als neerslag van een oudere, mondelinge leer, waarvan het karakter als het ware door de oude literatuurresten heen schijnt. Zo is ook de hier en daar vertegenwoordigde opvatting niet van de hand te wijzen, dat wij in de vroege kabbalistische overblijfselen gedeeltelijk nog herinneringen aan een nog oudere, misschien ongeschreven, maar één geheel vormende geheime leer voor ons hebben.
Hiermee verband houdend kan ook de nog niet opgehelderde oorspronkelijke verhouding van de Kabbalah tot de (11) Tenach (de Wet (Thorah), de Profeten en de Geschriften) worden beschouwd. Men kan misschien, als men tracht het te begrijpen, enerzijds naar Philo verwijzen, voor wie de bijbelse overlevering niets anders dan een grote allegorie is, anderzijds kan men ook wijzen op de vroege agadische exegesen, waarin de inhoud van de Tenach in een breed gebied van gedeeltelijk mythologische, gedeeltelijk legendarische, gedeeltelijk mystieke beschouwingen opgenomen schijnt te zijn.
Omdat deze laatste zeker gedeeltelijk minstens zo oud zijn als de canonisatie van de Tenach en omdat verschillende hiervan duistere plekken in de bijbelteksten werkelijk verhelderen, sluiten ze goed bij oorspronkelijke opvattingen en daardoor ook bij de zin van de Tenach zelf aan. In het bijzonder de scheppingsleer en de theofanie van de profeet Ezechiël worden tot onderwerp van een heel vroege, in de Talmoed vaak genoemde geheime leer.

Volgens Oskar Goldberg gaat het hier om magische schikkingen in grootse stijl die het noodlot van hele volken bepaalden. Men moet hier eigenlijk het begrip magie met het begrip heiligheid aanvullen om de invloedrijke macht van het mozaïsche religieuze systeem in de tijd van de Oude Tempel op zijn juiste waarde te schatten. De vroegste vastlegging van deze geheime leren echter, volgens de vermeldingen in de Talmoed beschermd door strenge verboden, moet wel, wanneer wij de nauwe betrekkingen tussen Philo, Apocalyps, Gnosis en Agada in aanmerking nemen, in die vroeg-Alexandrijnse tijd te plaatsen, die voor de ondergang van de ganse antieke cultuur een nieuwe tijd inleidt: als tot leer geworden gedenkteken van de oertijd en als blijvende waarschuwing van een eeuwige verbondenheid met de geest.
Langzaamaan, maar vaak bont gekleurd en van een bijzonder karakter verschijnen de half-midrasjische, halfkabbalistische geschriften van de vroege middeleeuwen: hymnen, engelaanbiddingen, letterverklaringen, profetieën naast een didactische inhoud, die meestal de vorm van de bijbelexegese heeft.

Een uitzondering is het korte en krachtige esoterische 'Boek der vorming' (Sefer Jezira). Dit kleine geschrift, dat al snel tot ver buiten de tot de kabbalistische traditie behorende kringen als diepe wijsheidsopenbaring beschouwd werd en ontelbare malen becommentarieerd is, verwijst ons, zowel qua inhoud als methode, naar de twee hoofdgedachten van de Kabbalah. (12) Bij deze beschouwingen worden ook belangrijke dingen uit de inhoud van de Zohar betrokken: de scheppende macht der oerklanken en de oriëntatie van de ganse kosmos op de mens. De oeroude leer, die ook als Indische, Oudgriekse, Alexandrijnse en christelijke leer van het wereldscheppende 'woord' optrad, voor alles fundament van het bijbelse scheppingsverhaal, wordt hier als een systeem ontvouwd, dat de zin van de godsnaam, de door de sterren bepaalde organisatie van de wereld, de natuurelementen en de microkosmische geheimen van het menselijke organisme omvat.
Zulk een wereldbeeld, dat het huidige bewustzijn vreemd is geworden en alleen nog in serieuze occulte richtingen weer wordt begrepen, kan de moderne mens nadergebracht worden, enerzijds door bezinning op datgene wat Wilhelm von Humboldt de 'innerlijke taal' heeft genoemd, een geheime harmonie van klank en betekenis; anderzijds uit het feit van de algemene en individuele ontwikkeling van de menselijke geest, dat de gedachte pas uit de schoot der taal wordt geboren, en dat de geest van die gedachte, weliswaar voor de enkeling onbewust, maar daardoor nog sterker een objectieve realiteit in zich draagt.

De kabbalist echter, zoekt het geheim van de woorden: vanaf die levensdiepten die zich nog niet in het woord, maar in het woordelement, de klank en indirect in het zichtbare teken hiervan, de letters, uitdrukken, tot aan een bijbelexegese, die eveneens het woord op zich als heilig beschouwt, doordat zij het als kern van veelvoudige betekenissen ziet en doordat zij houdt van de methode om voor de conformiteit van verschillende plaatsen in de Tenach ook betrekkingen tussen de inhouden te ontdekken.
Aanvullend bij zulk een 'betekenis der klanken' komt dan nog een betekenis der 'getallen', waarin zich openbaringsvormen van de hogere regionen van het bestaan tot in de elementen van de natuur uitspreken en die beantwoorden aan een nog als vanzelfsprekend ervaren 'betekenis' van de getallen - en dit sluit ook weer aan bij het alfabet.

  terug naar de Inhoud

Oorsprong en einddoel van de mens
In het centrum van de wereldse bedrijvigheid staat de mens als concentratiepunt van de werkende krachten der schapping, als een wezen dat tussen 'hogere' en 'lagere' werelden staand, op zijn eigen weg naar de verlossing ook een opdracht tot verlossing van de wereld te vervullen heeft. De machten der natuur en van de geest ontmoeten elkaar in hem. Met zijn lichaam behoort hij tot het eerste, met zijn geest tot het laatste en de ziel heeft haar eigen betekenis. (13)

Maar op mysterieuze wijze schijnt de ganse mensheid aan een gemeenschappelijke oorsprong en aan een gemeenschappelijk doel gebonden. De oorsprong van de mens is tegelijkertijd een goddelijk te noemen voorbeeld: de oermens, wiens aardse beeld in de gestalte van de voor de zondeval nog zuivere Adam is overgeleverd (Adam Kadmon; vert.). Zijn doel is de volmaakte mens, de tsaddik ('deugdzame'), die op zijn beurt in de Messias zijn bovenmenselijke voorbeeld heeft. En tussen de vereniging van de eerste mens en de oermens enerzijds, en van de 'lagere' en 'hogere' tsaddik anderzijds, ligt het mysterie van de menswording, dat de inhoud van de geschiedenis vormt.
De invididuele mens staat volledig binnen dit ganse 'worden'. De hoogte van zijn bestemming doet zijn wezen, dat onverstoorbaar in herhaalde levensvormen door aardse en hemelse rijken trekt, als belangrijk voor het ganse wereldproces zijn. En wederom bepaalt de juiste openbaring van zijn aardse levensvorm als beeld van hogere werelden zijn moraliteit, die weliswaar hier, in tegenstelling tot het christendom, sterk gebonden aan de 'wet' blijkt, die echter haar zin niet bewijst aan de uiterlijke wetsvervulling, maar in de reële verhouding van de mens tot de goede en boze machten, een strijd waar hij middenin is geplaatst.
'Vrijheid' en 'genade', deze vaak tot dilemma verwrongen polariteit, wordt in de diepte tot eenheid. Zoals enerzijds iedere menselijke daad, ja de wet zelf in het diepste van zijn wezen vrijheid betekent, zo is anderzijds iedere wezensvervulling van de mens niet alleen zijn eigen werk... hij wordt pas tot 'bron' wanneer hij eerst als 'vergaarbak', van boven af de bevruchtende geesteskracht ontvangen heeft.
Zulke leren zorgen in wezen voor de continuïteit van de band tussen de gehele oudere Kabbalah en de Zohar, waar ze gedeeltelijk op steunen, maar die ze ook verder ontwikkelt.

  terug naar de Inhoud

Zohar, het Boek van de glans (schittering)
Wat nu dit 'Boek van de glans' (Sefer ha-Zohar) betreft, zo is dit met betrekking tot de buitenwereld even problematisch als de Kabbalah zelf. Het boek duikt op in Spanje tegen het einde van die merkwaardige dertiende eeuw, die ook in de christelijk-Europese cultuur zeer sterke mystieke impulsen kent. De kabbalist Mozes ben Sjemtov de Leon (1250-1305) verspreidt het als een werk van de legendarische talmoedist Simon bar Jochai, tijdgenoot van rabbi Akiba (†︎ 136 n. Chr.), die volgens het werk zelf het middelpunt van een mystieke kring vormt en zelfs als de eigenlijke drager van deze uitgesproken leer optreedt. (14) Met het oog op de reeds uit de tekstinhoud blijkende onmogelijkheid, dat Simon bar Jochai zelf het boek heeft geschreven en op grond van een wat dubieus overgeleverde mededeling van de weduwe van Mozes de Leon, volgens welke deze het boek zelf zou hebben geschreven, werd Mozes de Leon vaak in één adem als bedrieger en als schrijver van het grootste kabbalistische werk aangeduid.
Laat men de aanname van het auteurschap van Simon bar Jochai in haar simplistische verklaring buiten beschouwing, dan kan gezien de aangeduide overeenkomsten met een talmoedische of nog oudere geheime leer de opvatting niet zo absurd schijnen, dat de geschiedkundige betrekking van de tekstweergave met deze talmoedische persoonlijkheden, zelfs al is zij opgesierd en uitgebreid, toch niet bedacht kan zijn. De Palestijns-realistische kleurschakering van de verhalende beschrijvingen wijst overigens ook in deze richting.

In historisch opzicht is, naast de problematiek van het ontstaan, de grote verscheidenheid in waardering van het werk binnen en ook buiten het jodendom merkwaardig. Bij de kabbalisten in zekere mate naast Tenach en Talmoed als het derde grote religieuze werk van het jodendom geldend, waarbij dan de grote mystieke bewegingen van de Lurianische Kabbalah en van het chassidisme aansluiten, werd het namelijk - door de verstarring van het orthodoxe en de rationalisatie van het verlichte jodendom - steeds meer verwaarloosd, vergeten, zelden nog begrepen en steeds vaker in diskrediet gebracht.
In andere talen werd het tot heden meestal maar zeer fragmentarisch uit het Aramees vertaald, al hebben christelijke theologen of missionarissen vaak naar zijn Messiaanse of aan de drieëenheid verwante leerstellingen verwezen en voornamelijk door het humanisme en de rozenkruisers is het met filosofische en occulte richtingen van de tegenwoordige tijd verbonden.
Merkwaardigerwijze werden juist de vaagste hoofdstukken uit het 'Idrot' in de zeventiende eeuw door Knorr von Rosenroth in het Latijn vertaald. Pas op het eind van de negentiende eeuw komt er een volledige Franse vertaling van de eigenlijke Zohar door (de bekeerde) Jean de Pauly.

  terug naar de Inhoud

De samenstelling van het boek
Met de probleemrijke geschiedenis van het werk hangt ook zijn problematische vorm samen, daar het vaak van verschillende kanten samengeraapt lijkt (15) en ook in de huidige vorm - waarvan er overigens veel variaties bestaan - naast het hoofdgedeelte nog meerdere in stijl en inhoud gedeeltelijk afwijkende nevengeschriften bevat.
De belangrijkste stukken, die in alle uitgaven aan de tekst toegevoegd worden, zijn 'Sifra di Tsenioetah' ('Boek der verborgenheid'), 'Idra Rabba' (de 'grote' -) en 'Idra Zoetta' (de 'kleine Bijeenkomst'), archaïsch in stijl en symboliek, 'Raya Mehemna' ('de trouwe Herder'), 'Midrasj Ha-Nielam' ('de verborgen midrasj'), 'Sitre Thorah' ('mysteriën van de Thorah') naast nog kortere fragmenten (bijvoorbeeld 'Tossefta'). Als grotere zelfstandige werken komen erbij: 'Tikkoenim' of 'Tikkoene Zohar' ('aanvullingen'), 'Zohar Chadasj' ('de nieuwe Zohar') en 'Midrasj Ruth'.
Ten aanzien van de beschrijving van de leer schijnt ook het hoofdgedeelte zonder systeem geordend. Het oorspronkelijke principe van zijn ordening is dat van een 'Midrasj', dit is een doorlopend naar de weken gerangschikt Pentateuch-commentaar, dat de verschillende bijbelteksten onevenwichtig benadrukt. Zo heeft bijvoorbeeld de Zohar voor het Derde, Vierde en Vijfde Boek Mozes te zamen ongeveer de omvang van het Eerste of het Tweede Boek alleen. Verder worden er steeds weer, gedeeltelijk in de zin van de genoemde vergelijkingsmethode, plaatsen uit andere Boeken van de Tenach, waaronder ook bepaalde lievelingsplaatsen van de Kabbalah, geciteerd, voornamelijk uit de Psalmen en het Hooglied, maar ook uit Ezechiël, Job, Spreuken, enzovoort, terwijl er van het Boek Ruth een speciale Zohartekst bestaat.

Weliswaar gaat het in de Zohar niet in de eerste plaats om het juiste begrip van de bijbelse overlevering op zich, maar juist om de mystieke leer, die ofwel door de bijzondere verklaringsmethode uit de betekenis en de woorden van de tekst en nog meer uit de betekenisen door woord-relaties wordt afgeleid, ofwel er pas wordt ingelegd. Dit ordeningsprincipe wordt trouwens doorbroken door twee dingen: door de samenhang van de leer zelf en door de legende die de persoonlijkheid van Simon bar Jochai omgeeft. Want deze vormt - vergelijkbaar met de dialogen van Plato - de kunstige omlijsting van het geheel, die ook hier weer meer dan loutere omlijsting wil zijn, namelijk het verslag van de inwijdingslotgevallen van een mystieke kring; waarbij met inwijding ook weer niet in de eerste plaats de occulte, geestelijke ontwikkeling van het individu bedoeld is, maar een verdiept inzicht, dat vanaf de andere zijde openbaring in de tijd betekent. (16) En al dit weerspiegelt zich in de vorm van een eindeloze, op generlei wijze uiterlijk gerangschikte (behalve door de traditionele bijbelsegmenten) zwevende verhandeling.

Ofschoon met betrekking hiertoe de Talmoed ter vergelijking aangehaald zou kunnen worden, toch is het grondkarakter van de verhandeling hier totaal verschillend. Het gaat hier veel minder om scherpzinnige meningen die elkaar in tegenstellingen ontmoeten - dan om harmonische aanvullingen van gemeenschappelijke overleveringen, die in de eenheid van het geheim hun oorsprong hebben.
Zo is enerzijds vanuit de mystieke belichting, anderzijds uit de vaak uit halve aanduidingen bestaande vorm van de voorstelling en het gebrek aan ordening van het geheel, de kenmerkende structuur van het werk verklaarbaar, dat nog door inlassen, woordmisvormingen en grove kopieerfouten is ontsierd.
Het schijnt uiterlijk vormeloos en toch als uit één geest, door een sterk kunstzinnige gedrevenheid, ja nog meer: door een verborgen innerlijke ontroering gedragen, die steeds weer in een enorm enthousiasme uitmondt. Zulk een bijzonder gemengd karakter vindt men ook in de taal, die bijna droog, 'talmoedisch' in de exegese, toch reeds in de vorming van enkele stereotiepe zinnen een geheime ondertoon draagt, waarin de starheid van de woorden van de overlevering naar de uiterste beweeglijkheid van de geestelijke inhouden toe gerelativeerd wordt. Zo is ook het taalprobleem van de Zohar in verschillende richtingen genuanceerd.

Ontdaan van elke kunstzinnige bedoeling, gebruikt de voorstelling van het werktuig van de taal in de zin van een bepaalde geheime terminologie, die voor ons tegenwoordig nauwelijks nog toegankelijk is en waarvan de starheid weer door een occulte taal doorbroken wordt, om overeenkomende inhouden door veelvoudige beelden weer gelijk te maken aan de vele geestelijke achtergronden.
Uit het tijdsgewricht waarin de Zoharteksten werden opgesteld is het verbrokkelde taal-type te verklaren: een niet meer zuiver Aramees, vaak met Hebreeuwse woorden enerzijds en verminkte vreemde woorden anderzijds vermengd. Een leer die nog met de heilige kern van de gehele klank- en woordvorming verbonden is, deelt zelf in haar taal - naast het lot van de verbanning van het volk - de grote algemene verduistering van de vroegere geestesverbondenheid. (17)

  terug naar de Inhoud

De kabbalistische leer
Maar ook de 'inhoud' van de Zohar biedt noch een filosofisch systeem, noch een dichterlijk geheel, ook geen occulte aanwijzingen, en nog veel minder het vaak zo geliefde mystieke klatergoud. Maar het heeft met de echte filosofie en het serieuze occultisme de diepte en kracht gemeen, en men moet in zijn aparte sfeer in zekere mate kunnen ademen om boven kritiek en blinde verering uit het wezenlijke te kunnen bevatten. In het verloop van de gehele tekst komen de meest verscheidene elementen van de kabbalistische leer en hun bruikbaarheid voor het leven en voor het jodendom, tot uitdrukking.

  terug naar de Inhoud

De invloed van de geestelijke wereld op de mensheid
Naast de twee centrale richtlijnen die worden gebruikt, verdienen twee andere speciale aandacht: die van de macrokosmische ruimte [de geestelijke wereld] en die van de engte welke wordt bepaald door de geschiedenis van het volk [op de aarde]. Met een zelfs in de mystieke literatuur nauwelijks gehoorde stoutmoedigheid wordt hier over de hoogste sferen van geestelijke en goddelijke bestaanswijzen gesproken, zonder de laatste geheimen anders dan met eerbiedig zwijgen aan te duiden. Want tegenover deze sferen raakt niet alleen het inzicht een uiterlijke, maar het wezen van het inzicht zijn eigen, innerlijke grens.
Als lagere grensgebieden van het geestelijke bestaan verschijnen daarentegen - nog steeds boven de mensenwereld staande - die gebieden, welke alle krachten en stromingen van de hogere machten in zich verenigen, om ze naar beneden toe in het wezen van de mens vruchtbaar te maken.

  terug naar de Inhoud

De oude drieëenheid: Vader, Moeder en Zoon
En verder is er een centraal gebied voor de hemelse werelden zelf, dat ook aan het principe van de goddelijke 'Zoon', het 'kleingezicht' genoemd, wordt toegeschreven, zoals de oerscheppingsmachten, waarvan de innerlijke substantie wijsheid is, aan het 'Vader'-principe, het 'langgezicht' genoemd, worden toegeschreven. Ook verschijnt hier het oerwezenlijke onderscheid tussen de 'Vader' en de 'Moeder'; een oermannelijk geestelijk en een oervrouwelijk in de natuur gevestigd beginsel, hetgeen met de oudere drieëenheid: Vader, Moeder en Zoon samenhangt. De Kabbalah van de Zohar brengt het vrouwelijke element van God, de Sjechina, dit is de in de wereld 'inwonende' godheid, zeer sterk naar voren, de eenzijdigheid van het mannelijke element in het messianisme daardoor opheffend.

  terug naar de Inhoud

De boom van de tien sefiroth

Paulus Riccius - 'Portae Lucis' (1516)
de kabbalist Josef Gikatillas (13e eeuw)
de oudst bekende afbeelding van de
sefirothboom
De organische opbouw van de over de mensen heersende geesteswereld was reeds voor de tijd van de opschriftstelling van de Zohar opgesteld door middel van het schema (18) van de 'boom' van de tien sefiroth [cijfers of eigenschappen], die een meervoudige horizontale en verticale indeling aanwijst: enerzijds in een 'rechter', 'middelste' en 'linker zuil', anderzijds in een bovenste op de geest, een middelste op de ziel en een onderste op de natuur inwerkend drietal, waarbij nog als sefira het 'rijk' komt, dat de verbinding van de mens met de gehele geesteswereld bewerkstelligt.

De Zohar stelt deze sefirothleer in zekere zin voorop, om ze vervolgens met haar eigen geest te vervullen. Binnen haar kader geeft zij ook vorm aan de talmoedische gedachten van de polariteit van het 'gerecht' en van de 'barmhartigheid' in het bestuur van de wereld door God, als uitdrukking van de substantiële wereldmachten, wier juiste evenwicht zorgt voor de opbouw van al het bestaande.
In onnoembare hoogten gaat de bovenste van de sefiroth, de 'kroon' (Kether) rechtstreeks in het oneindige (En sof) over. Ze worden af en toe voor hetzelfde gehouden. De onderste wordt door het mensenrijk gevormd - het 'rijk' zonder meer (eigenlijk Malchoeth: koninkrijk), in verwante betekenis, zoals men ook dit woord in het christelijke 'Onze Vader' gebruikt, als geestelijk gebied, dat de mens rechtstreeks beweegt [door de engelen en de geleidegeest] en omgeeft.
De rangschikking van hoog tot laag sluit evenwel geen hogere of mindere waardering in, en zoals de 'kroon' in beginsel de ganse boom in zich draagt, zo schijnt weer de ganse boom in het 'rijk' samengevat. Zo worden de eerste en de tiende sefira graag direct verbonden, in de naam: 'Kether malchoet'. [want: 1+2+3+4+5+6+7+8+9+10=55, 5+5=10, 1+0=1]
- Het bovenste drietal bevat naast Kether nog Chochmah ('wijsheid') en Binah ('onderscheidend verstand');
- het middelste Chesed ('liefde') of Gedoelah ('grootsheid'), Din ('oordelende gerechtigheid') of Gevoerah ('macht') en Thifereth ('schoonheid', in werkelijkheid de overeenstemming van alles [kosmos]), ook Rachamim ('erbarmen') genoemd;
- het onderste Netsach ('vasthoudendheid'), Hod ('majesteit' of 'luister') en Jesod (' grondslag, fundament').
Het bovenste drietal betekent de wezenlijke vermogens van het inzicht [denken], die, in zichzelf verdiept, de hoogste trappen van het bestaan tot openbaring brengen (het rijk van het 'verstand'). De 'wijsheid' vormt eigenlijk als eerste het oerbeginsel van de dingen en wordt als zodanig reeds in het Boek der Spreuken afgeschilderd; in de Gnosis wordt ze met de 'logos' geïdentificeerd en soms als eerste schepping of als de schepper zelf beschouwd, waar het oerzijn nog achter kan worden vermoed. (19)

Pas Binah bevat naast de wijsheid ook de negatie en vandaar de onderscheiding en scheiding van het zinvolle en het zinloze, de begrenzing en vorming van het verstandige wezen zelf. Zoals ook in de platonische filosofie moet men bij deze naam niet aan abstracties denken, maar aan de werkelijkheid, waarvan de inhoud door wijsheid wordt gevormd.
Het middelste drietal betekent de oermachten van het zieleleven, waarbij de absoluut bevestigende liefde en de scheidende gerechtigheid verschijnen, beide eerst verbonden en verzoend door een harmoniserend oerelement, waarvan de naam 'barmhartigheid' niets van passiviteit in zich heeft, maar een sfeer betekent, waarin liefde kan werken, zonder in zichzelf te versmelten, gesterkt en gevormd door de 'gerechtigheid', waaraan al het bestaande is onderworpen.
Het onderste drietal bevat de oermachten van het vitale bestaan (ook wel het stoffelijke universum genoemd; vert.) van het 'natuurrijk': macht, schoonheid en als een vanuit lagere oergronden scheppende band het fysieke vermogen tot voortplanting, waarin macht en schoonheid op een wonderbare manier in de oorsprong versmolten schijnen en die vandaar als 'fundament' voor beide geldt, ja, ook voor de gehele boom, in zoverre zijn betekenis voor de manifestatie van de geest tot in de fysieke natuur ligt.
'Macht' en 'schoonheid' staan in een zekere polariteit tot elkaar, waarbij in het fysieke aspect het eerste het primaire, positieve is, terwijl de schoonheid reeds een zekere de tegenstelling 'macht' mede omvattende vormgeving betekent.

Deze indeling in drie drietallen, die in zekere mate ook nog naar boven en naar beneden in voortzettingen overgaan, laat ook reeds een andere indeling zien: in zuiver positieve vermogens (wijsheid, liefde en macht in het fysieke aspect) en in vermogens welke een tegenstelling insluiten en die daar ook oorspronkelijk het fundament voor zijn (verstand, gerechtigheid of gestrengheid, schoonheid).
Toch moet men niet aan negatieve principes denken, waartoe deze schematische opstelling makkelijk zou kunnen leiden. 'Verstand' kan duidelijk niet als tegengestelde van wijsheid, gerechtigheid niet als tegengestelde van liefde, of schoonheid als dat van macht gelden. Wel kan men denken aan een oorspronkelijke betrekking met het negatieve, welk laatste, ongeveer in de zin van Spinoza, (20) uiteindelijk niét is, en in de 'Boom des Levens' dus eigenlijk helemaal niet kan worden gevat. Of men denke aan een door verdichting van het eigen wezen van de desbetreffende oerkracht bewerkte uitsluiting van al datgene wat deze niet is.
Bisschoff bijvoorbeeld duidt het principe van de rechterzijde als dat van de expansie of van de extensiviteit [uitgekeerd], de linkerzijde als dat van de intensiviteit, waarin de concentratie op het eigen wezen en op de oerkracht in haar [ingekeerd], de macht van de scheiding en van de tegenstand voortbrengt. Zo zijn de raadselachtige namen 'Gedoelah' (grootte, grootsheid) voor de sefira van de liefde en 'Gevoerah' (macht) voor die van de juiste gestrengheid, te verklaren.

Terwijl er nu in 'de linkerzijde' op zich reeds een zekere, de positiviteit en haar tegengestelde overbruggende, in ieder geval een door scheiding overbruggende functie schuilt, treedt er tussen de principes van rechts en links een zeker evenwicht op en meer nog, een zekere synthese. In hen verenigen zich in zekere mate de de beide polaire principes in een hogere toestand, die als vrucht en kiem tegelijk beide vernieuwd uit zich laat voortvloeien. Zo bouwt dan 'Kether' een rijk (koninkrijk; vert.) van het boven-verstandelijke, dat zich uit wijsheid en verstand verwekt en die steeds weer uit zich voort laat komen; en hetzelfde geldt voor erbarmen met betrekking tot liefde en gerechtigheid en voor 'fundament' met betrekking tot schoonheid en kracht.
Bovendien kan het hoogste verbindingsprincipe van iedere drieheid weer zuiver positief, dus telkens in het principe van de rechterzijde worden gezocht. Zo kunnen we nog een diepere interpretatie aan deze verbinding toevoegen. En dat ten slotte ook hier het middelste drietal belangrijk is voor het ganse wereldorganisme, komt daarin tot uitdrukking, dat de drie zuilen, die de verticale dimensies van de boom vormen, niet zomaar als rechter, middelste en linker zuil, maar juist als zuilen van de 'liefde', van de 'gerechtigheid' en van het 'erbarmen' benoemd worden. Verschillende namen en beelden trachten deze verhoudingen der geestelijke voorstelling te verduidelijken.
Bijvoorbeeld door de polariteit van de rechter- en linkerzijde aan te duiden met het beeld van een weegschaal, die door een in het midden werkende kracht in evenwicht wordt gehouden. De evenwichtstoestand is het teken van een wereld, die blijft bestaan, in tegenstelling tot andere, voorafgaande werelden of wereldmogelijkheden. (22)

De boom van de tien sefiroth is de uitdrukking van Gods werkzaamheid vanuit de geestelijke wereld naar de mens toe, waardoor God tot uiting komt als:

De godheid als het geheel:
1. Kether, de hoogste kroon van de godheid, waaruit zijn verborgenheid naar buiten treedt;

Gods denken:
2. Chochmah is de wijsheid in de betekenis van de oerschepping (de wil tot scheppen);
3. Binah is verstand en begrip;

Gods voelen:
4. Chesed is de goddelijke liefde of Gedoelah, de grootsheid;
5. Gevoerah of Din (Pachad) is de macht van God die zich voordoet als strenge rechtvaardigheid;

Gods waarnemen:
6. Thefireth is de schoonheid, heerlijkheid, het hart van de hemel; respectievelijk
Rachamim is de vereffenende barmhartigheid van God;

Gods willen:
7. Netsach is de vasthoudendheid van God;
8. Hod, is de majesteit en luister van God;
9. Jesod is de grondslag van alle werkzame en scheppende krachten van God;

De mensheid als Gods kinderen
10. Malchoeth is het rijk Gods als geestelijk mensenrijk.

  terug naar de Inhoud

Het symbool der geslachten
Een symbool dat door de gehele Zoharliteratuur heen in talrijke variaties is te vinden, is dat van de geslachten. Steeds geldt het positieve principe (dus ook dat van de liefde) als het mannelijke, het negatief gerichte (dus ook dat van de oordelende gerechtigheid) als het vrouwelijke. In deze symbolen ontmoeten de tegenstellingen van links en rechts, en die van boven en onder elkaar.

Maar zelfs zulke schijnbaar nietszeggende aanduidingen als de rechter- en linkerzijde moeten in de Kabbalah als meer dan louter namen worden beschouwd. Want ook de schijnbaar onverschillige tegenstellingen van de ruimte leiden, zoals het boek Jezira laat vermoeden en zoals uit de oude betekenis van God als 'plaats' (Makom) blijkt, hun laatste oorsprong af uit de scheppende polariteit van het geestelijke bestaan.
Hier doet zich nog een hoogst belangrijke, ja in de samenhang van de kabbalistische leer ronduit fundamentele aanknoping en onderscheiding voor. Wat wij namelijk als de eerste oorzaak van het kwade omschrijven, moet, zoals met betrekking tot de negatie over het algemeen reeds is aangeduid, oorspronkelijk reeds in het linker principe aanwezig zijn, doch ontstaat pas daardoor, dat dit uit zijn samenhang met het rechter, zich als het ware van zijn positieve zin, die in het rechter principe ligt, losrukt en zelfstandig wordt.
Hier hebben wij het universele kosmische beeld, dat bijvoorbeeld in het Christendom als 'de val der aartsengelen' wordt aangeduid. Pas door deze val komt uit 'de linkerzijde' de 'andere zijde' naar voren en daardoor wordt al het boze en bestaansvijandige gekend. Tegenover deze demonische krachten vervult de mens, die eens ook door hem van zijn lichtmacht beroofd werd, die wereldopdracht, die tegelijkertijd voor hem verlossing en groei betekent. Het bijbelse verhaal levert de Zohar hiervoor het enige grote voorbeeld uit de wereldgeschiedenis; tot in het kleinste detail een symbool, een gebeurtenis en tevens een hoger gebeuren. Zo zijn bijvoorbeeld de stamvaders tegelijkertijd wereldpotenties; Israel vormt de uitdrukking van de zich heiligende mensheid, als hoeder van de 'trouwe samenhang', die 'in het-verbond' gegrondvest, in de openbaring bevestigd en in het geheel van het godsdienstige leven overeind wordt gehouden.
Het oeroude hermetische principe, dat het onderste met het bovenste overeenkomt, wordt tot verklaringsgrond voor rituele wetten opgeheven en daarmee aan de zedenwetten, die hetzelfde grondprincipe hebben, gelijkgesteld.

  terug naar de Inhoud

Sjechinah
In het ganse kosmische beeld echter is de Sjechina als de ziel van Israël in een bijzondere samenhang met de geschiedenis van dit volk geplaatst, waarmee ze zelfs dan nog verbonden blijft, als in ballingschap de macht van het verbond verbroken is en het vaderlijke principe zich van het volk heeft afgewend. Deze samenhang wordt begrijpelijk wanneer Israël als vertegenwoordiger der volken wordt gezien. Al mag voor het huidige bewustzijn deze beperking van de blik op het eigen volk ergerlijk schijnen, zij komt voort uit het feit, dat juist Israël op bijzondere wijze de in de geschiedenis van de Tenach genoemde verbindingsdraden met de gehele oermensheid in zich bewaard heeft en het kan door middel van het 'verbond' de idee en werkelijkheid van een vernieuwd mensdom (en niet alleen jodendom) voorbereiden, welke dan door het christendom ook weer aan de mensheid als zodanig teruggegeven zouden worden.
Voor het toekomstaspect van de mensheid echter geldt hetzelfde principe als voor iedere mens, dat haar groei boven én onder bewerkstelligd moet worden, waardoor de vrije impulsen van de opwaarts strevende mensenwereld de werkende genadekrachten van boven af aantrekken.


Toch behoeven de bedoeling en de opzet van dit boek nog enige verhelderende opmerkingen. Er is tot heden nog geen volledige vertaling van de Zohar in het Duits (of het Nederlands) voorhanden; jammer genoeg was het ook de schrijver van dit boek niet vergund, een volledige vertaling te maken. Hij heeft zich ertoe beperkt, bij het lezen van het werk een groot aantal teksten te vertalen, waarbij ongewild een keuze uit de verschillende soorten thema's naar voren trad. Dit boek bevat teksten uit het hoofdstuk dat bij de vijf boeken van Mozes aansluit. Nu schijnt in elk geval reeds door het uitlichten van enkele plaatsen de niet gesystematiseerde tekst kunstmatig ontleed, maar toch kunnen de toegevoegde titels hun bijdrage leveren bij de oriëntatie tijdens het lezen. Weliswaar kunnen deze titels, die verwijzen naar het wezenlijke, door het vloeiende verloop van de verhandelingen geen aanspraak maken op een streng vastleggen van de inhoud; men kan, omdat de thema's op menigvuldige wijze in elkaar overgaan, niet met alles rekening houden, wat nog in hogere mate geldt voor de volgorde. (24)
Bij de aparte stukken zijn linksboven de plaatsen in de Pentateuch vermeld, waarop de tekst voortdurend steunt (behalve bij die gedeelten die toevallig geen Pentateuchplaats hebben), rechtsboven vindt men de originele plaats in de Zohar met de nummering van de Wilnaër uitgave (Sefer ha-Zohar, drie delen, 1882).
Bij de vertaling van de tenachteksten was het vaak nodig, deze naar de betekenis in de Zohar om te buigen. Gedeelten uit de tekst die voor de vertaling irrelevant zijn, zijn tussen ronde haken gezet, noodzakelijke aanvullingen zijn daarentegen tussen vierkante haken geplaatst. Weglatingen worden met puntjes aangeduid. De opmerkingen doelen meestal niet op de inhoudelijke tekstuitleg, behalve bij die plaatsen, waar de betekenis niet uit de tekst of uit de inleiding opgemaakt kan worden.
Er waren ook verschillende moeilijkheden bij de vertaling van een paar stereotiepe woorden en zinswendingen. De van oudsher overgeleverde aanduiding van het Goddelijke wezen: 'de Heilige, Hij zij geprezen' werd vanwege de stroefheid door het woord met de gelijkwaardige betekenis 'de Heilige' vervangen. Het tetragrammaton als zodanig werd door de vier medeklinkers in de vorm van 'JHWH' weergegeven, dat gewoonlijk als Adonai gelezen wordt. In plaats van de vaak terugkerende zin: 'Komt en ziet' is het eenvoudige 'ziet' of 'let wel' of °merk op' gebruikt.

Vele stereotiepe benamingen worden in verschillende samenhangen op verschillende wijzen weergegeven en voor sommige andere wordt hun oorspronkelijke vorm bewaard. Zo betekent bijvoorbeeld de 'tsaddik', vooral in het enkelvoud, in de Zohar niet hetzelfde als in het latere chassidisme of als in de volksmond; men moet hem ook niet eenvoudigweg de 'rechtvaardige' noemen. Men bedoelt er vaak rechtstreeks het goddelijk-menselijke messiaswezen mee, maar daarnaast ook wel de 'rechtvaardige' of 'gelouterde' mens. Andere symbolische uitdrukkingen betekenen soms het goddelijke wezen (het 'Lange gezicht', de 'Oude van dagen', de 'Heilige Oude'), en soms het voorkomen van dezelfde in de verschillende sefiroth-trappen. Mozes wordt de 'trouwe herder', en Simon bar Jochai het 'heilige licht' genoemd. De uitdrukking 'vrede' (sjalom) hangt in het Hebreeuws nauw samen met het begrip van de harmonische volmaaktheid. Ten slotte betekent de naam 'Tenach' niet alleen het hele boek, maar eigenlijk de leer, met inbegrip van de substantieel gevatte geestelijke wijsheid.

  terug naar de Inhoud

De leer van de schepping

Licht komt uit het donker
En het komende licht moet uit de donkerte komen, in wier omhulsel het gevat is - doordat dat oorspronkelijk teruggetrokken licht zich nestelde langs een verborgen pad in de 'lage donkerte', waarin het licht achterbleef. Deze 'lage donkerte' wordt 'nacht' (laila) genoemd, zoals er staat: 'en de donkerte noemde Hij nacht' (Genesis 1:5). (50)
Rabbi Jizchak sprak: "Nog lang woont het mannelijke in het licht, het vrouwelijke in het donker. Later zullen ze in één zijn verbonden. Waarom dan eerst het onderscheid tussen licht en donkerte?"
Rabbi Simon antwoordde: "Het is een niveauverschil en beide zijn in zoverre één dat er geen licht bestaat zonder de donkerte en geen donkerte zonder het licht; en hoewel ze verschillend van aard zijn, vormen ze toch op deze wijze een eenheid: 'de eerste dag'.

Rabbi Simon sprak: Op het 'verbond' berust de schepping en het voortbestaan van de wereld, zoals er staat: "Indien Mijn verbond niet is van dag en nacht; indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet heb gesteld" (Jeremia 33:25). Wie is het verbond? "De rechtvaardige (de tsaddik), is een eeuwige grondvest" (Spreuken 10:1-25) - hij kenmerkt ook het geheim van de 'eenheid' en zo kan dan in de wereld het verbond van dag en nacht als één bestaan. En 'de ordeningen des hemels', die namelijk afdalen uit het hoge 'paradijs'. (51)

  terug naar de Inhoud

De tweeheid
En verder is de 'Oude' ook in de tweeheid gevat. De wet van de 'Oude' staat in de tweeheid. Een bovenste kroon als hoofd der hoofden en de nooit gekende, die daar boven staat. Zo staan alle overige lichten in het geheim van de tweeheid. (Dit betekent, dat alle dingen het teken van de tegendelen in zich dragen. En ook de eerste geopenbaarde en de eeuwige ongeopenbaarde zijn tegendelen van elkaar.
En verder is de 'Heilige Oude' gevat en verborgen in de eenheid. Hij is één en alles is één. Zo heiligen, verbinden en keren alle overige lichten terug in de eenheid en zijn zelf één.
Bij het beeld van de 'Heilige Oude' hoort al het goede der dingen. Hij wordt 'de ster van het heelal' genoemd. Van Hem komt al het kostbare goed, naar Hem richten alle sterren, de hoge en de lage, hun blik. Bij deze ster hoort het leven van alle dingen, de voeding van alle dingen. Bij Hem horen hemel en aarde, elke belichaming van de wil. In deze ster ligt de voorzienigheid van alles. Bij Hem horen alle heerscharen, de hoge en de lage. En dertien stromen gaan van Hem uit in het heelal en stromen naar de 'kortgezichten'.

  terug naar de Inhoud

Het goddelijke oog
De ogen van het ‘witte hoofd’ zijn verschillend van andere ogen. Ze hebben geen oogleden en geen wimpers. Want er staat: "Ziet, de bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen" (Psalm 121:4). En verder: "Want uw ogen zijn open ..." (Jeremia 32:19). Ook hebben wij geleerd: alles wat in het teken van de liefde komt, heeft geen leden en geen wimpers aan de ogen - dus zeker het ‘witte hoofd’.
Rabbi Simon sprak tot rabbi Abba: "Waar staat hiervoor een aanduiding?" Rabbi Abba zei: "Bij de vissen in de zee, die hebben leden noch wimpers. Ze slapen niet en hun ogen hebben geen bescherming nodig. Des te meer geldt dit voor de Heilige, die over alles overzicht heeft, en alles ontvangt door Hem voeding." Zo wordt er over Hem gezegd: "Ziet, de bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen, de bewaarder van het hoge Israël." Ook is er geschreven: "Ziet, het oog van JHWH is over hen, die Hem vrezen" (Psalm 33:18). En verder: "Dat zijn de ogen van JHWH, die het ganse land doortrekken" (Zacharia 4:10). De leer bestaat, dat dit oog verborgen is. Twee ogen zijn hier weer tot één geworden. Want het is geheel van de rechterzijde en er is niets van de linkerzijde in. Het sluimert en slaapt niet en heeft geen bescherming nodig. Er is niemand die dit oog beschermt, dat zelf alles beschermt en bewaakt. (75) Met zijn wisselende blik voedt alles zich.
Zo bestaat de leer: Als dit oog zich een ogenblik zou sluiten, zou er niets meer kunnen bestaan. Daarom wordt het geopende oog genoemd, het hoge oog, het heilige oog, het schouwende oog, een oog dat niet slaapt of sluimert, een oog dat waakt over alle dingen en dat het bestaan van alles is. Hierover is geschreven: "Die goed van oog is, die zal gezegend worden" (Spreuken 22:9).
Lees niet: ‘het wordt gezegend’, maar ‘het zegent’. Want dit is genoemd ‘het goede van het oog’, waarmee het alles zegent. Ook hebben wij geleerd: het lage oog heeft geen licht, waardoor het zich van de [vertroebeling van het] rode en zwarte kan reinigen, zoals het door dat witte licht van het hoge oog gereinigd wordt, dat het ‘goede oog’ genoemd is. Niemand buiten Hem weet, wanneer het hoge oog, het heilige, naar beneden schijnt en het lage oog reinigt. In de toekomst zullen de rechtvaardigen, die het hoge waardig zijn, in de geest van de wijsheid dit schouwen - Waarover geschreven is: "Want zij zullen oog aan oog zien" (Jesaja 52 : 8). Wanneer? Wanneer JHWH naar Sion terugkeert.
Ook is er geschreven: "Dat Gij, JHWH!, oog aan oog gezien wordt" (Numeri 14:14). En ware er niet het goede, hoge oog, dat het lage oog bewaakt en reinigt, dan kon de wereld geen ogenblik bestaan. We hebben in het ‘Boek der verborgenheid’ geleerd over het waken van het hoge oog over het lage, hoe het licht van het hoge in het lage binnentreedt, waardoor alles wordt verlicht. Zo staat er geschreven: "Dat Gij, JHWH!, oog aan oog gezien wordt" (Numeri 14:14). En verder: "Ziet, het oog van JHWH is over hen die Hem hoogachten" (Psalm 33:18). En verder: "Dat zijn de ogen van JHWH die het ganse land doortrekken’ (Zacharia 4:10).
Voor hen die het waardig zijn, geldt de zin: "Ziet, het oog van J HWH is over hen die Hem hoogachten." Het is het hoge oog. Voor hen die het niet waardig zijn geldt de zin: "Dat zijn de ogen van JHWH, die het ganse land doortrekken." Dat is het lage oog. Want wij hebben geleerd: Waarom werd Jozef waardig geacht dat het ‘boze oog’ geen heerschappij over hem had. Omdat hij het wakende schouwen van het goede, hoge oog waardig was. Zoals er staat: "Jozef is een vruchtbare tak, een zoon van de vruchtbare met het hogere oog" (Genesis 49:22). Wat betekenen de woorden: "Met het hogere oog"? Er wordt hier verwezen naar het oog dat over hem waakt. En: "Die goed van oog is, die zal gezegend worden." (76) Waarom? "Want hij heeft van zijn brood aan de armen gegeven" (Spreuken 22:9).

Merk ook op: Bij de lage ogen is er een rechter- en een linkeroog, die beide verschillend zijn. Hier is er echter geen linkeroog, maar beide ogen verbinden zich tot één en alles is rechts. Om deze reden wordt over één oog gesproken en niet over twee.
Wij hebben geleerd, dat dit oog een wakend oog is, een voortdurend geopend, steeds lachend, steeds vrolijk oog.
Dit geldt echter niet voor de lage ogen. Die zijn uit rood, zwart en wit gevormd, dus uit drie kleuren, zij zijn niet steeds geopend en hebben bedekkende leden. Daarom staat er: "Waak op, waarom zoudt gij slapen, JHWH?" (Psalm 44:24). "Doe JHWH! Uw ogen open" (2 Koningen 19:16). Wanneer het oog zich echter opent, dan is het velen tot heil, en velen niet tot heil. Wee diegene wiens oog, als het zich opent, zich met het rode vermengt; het rode wordt zichtbaar voor hem en vertroebelt zijn blik! Wie wordt daarvan gered?
De ‘Oude van Dagen’ is daarentegen ‘het goede oog’. Het heeft wit in het witte en één witheid, die al het witte omvat. Gelukkig is hij, over wie een van deze 'witten' waakt. Dan geldt voor hem het woord: "Die goed van oog is, die zal gezegend worden" (Spreuken 22:9). Ook staat er geschreven: "Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht van JHWH" (Jesaja 2:5). (77)

  terug naar de Inhoud

Het beeld van de noot: pit en schaal
Maar de Heilige moet evenwel alles in de wereld scheppen en daardoor de wereld tot volmaaktheid brengen. En alles heeft inwendig een kern, door talrijke schalen bedekt. Zo verhoudt zich de ganse wereld boven en onder, van het begin, het geheim van het hoogste punt, tot aan de onderste treden; zij zijn allen het omhulsel van de volgende, de ene kern in de andere, de ene schaal om de andere. Het oerpunt van het innerlijke licht - er bestaat geen maat om zijn zuiverheid, fijnheid en reinheid, te kennen - tot een uitbreiding volgt, daaruit vormt zich een paleis waarmee dat punt zich omhult, van onmetelijk, niet te vatten lichtend geweld.
Maar ook al is dit licht grenzeloos, het is niet meer zo fijn en rein als dat van dat ene verborgen punt. Dit paleis is een gewaad van dat innerlijke paleis. En verder vervolgt de ene ontplooiing in de andere, de ene omhulling in de andere, zodat steeds weer het ene kern is en het andere schaal; ieder omhulsel is zelf weer kern in de volgende trap. Op deze wijze werkt alles zich naar beneden uit. Tot in dit beeld de mens in deze wereld staat, bestaand uit kern en schaal, uit geest en lichaam, en dit alles tot heil van de wereld.
Zo is de maan eenmaal met de zon verbonden en staat dan in het volle licht; wordt zij echter van de zon gescheiden, voor haar eigen wezens bestemd, dan verkleint zij zich, vermindert zij haar licht en de schalen breken voor de verborgenheid van de kern, en zo wordt alles tot heil van de kern.
Zo staat er: "En er zij verduistering" en alles toch tot heil van de wereld, waarop de woorden volgen: "Om licht te kunnen geven op aarde." (78)

  terug naar de Inhoud

Zon en maan
Zie het volgende: De maan geeft alleen dan licht, als zij naar de zon kijkt. In deze zin is deze 'bron van de levende schouwende' op te vatten. Zij straalt slechts door die levende wateren, om vol te worden van dit 'levende water' en er door te stralen. (78) Zie ook de zin uit de Schrift: 'En Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een levende man' (2 Samuel 23:20); hiermee wordt de tsaddik [de deugdzame] bedoeld, die aan het geslacht der mensen licht geeft. Zoals hij in hogere sferen leeft, geeft hij de wereld licht. En altijd kijkt deze bron hem aan, om zijn licht te ontvangen.

  terug naar de Inhoud

De afgezanten van de hemel
Genesis. "En het gevogelte vliege boven de aarde." Dat zijn de hemelse boodschappers, die aan de mensen in mensengestalte verschijnen. Want er bestaan anderen die alleen in de geest kunnen verschijnen, al naar gelang het bevattingsvermogen van de mens. (

  terug naar de Inhoud

Het mensenrijk

Over de eerste mens
En rabbi Chija zei: Wat deed de Heilige? Hij gaf gestalte aan het vrouwelijke, maakte haar zeer mooi en bracht haar bij de mens. Zoals er geschreven staat: 'En JHWH Elohim bouwde de zijde, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw' (Genesis 2:22). En als er eerder staat: 'En Hij nam één van zijn ribben', dan is dit in dezelfde zin bedoeld als in de woorden: 'Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige van haar moeder' (Hooglied 6:9). En 'rib' betekent eenvoudig 'zijde', zoals in de woorden: 'aan de zijde van het tabernakel' (Exodus 26:20). (119)

Rabbi Abba zei: De eerste mens bestond uit het mannelijke en het vrouwelijke, zoals er staat: "En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis." Hierna werden dus het mannelijke en het vrouwelijke in één geschapen en ze scheidden zich pas later. (120)

  terug naar de Inhoud

De driedeling van de ziel
En de ziel is samengevat in drie niveaus, waardoor zij ook drie namen heeft, naar gelang van het hoge geheim: Nefesj, Roeach, Nesjamah. Nefesj is het onderste niveau. Roeach, de bestendigheid, die over de ziel heerst en die in alles bestaat op de juiste wijze. Nesjamah, de hogere bestendigheid, heersend over alles - heilige, hoogste niveau. Deze drie niveaus zijn in de mens samengevat, bij deze, die in dienst van hun Heer waardig geacht zijn.
- Want in het begin is in hen Nefesj, dat is de heilige richting (het belangrijkste kabbalistische begrip, waarmee al het verbeteren, veredelen of verhogen van de ziel of de wereld, wordt aangegeven), opdat de mens door haar de juiste weg gaat.
- Als de mens op dit niveau tot loutering komt, kan hij opklimmend zich met de Roeach veredelen, want dit is het heilige niveau, die op de Nefesj rust, opdat de waardige mens zich veredelt.
- Is hij echter opgeklommen tot Nefesj en Roeach, en heeft hij zich waardig gemaakt in de dienst van de Heer, dan heerst over hem Nesjamah, het hoge, heilige, boven alles staande niveau.
Als hij zich met dit hoge, heilige niveau siert, wordt hij volmaakt naar alle kanten, waardig voor de komende wereld, als geliefde van God. Daarover staat er: "Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven wat bestendig is" (Spreuken 8:21). Wie zijn 'Mijn liefliebbers'? Dat zijn diegenen waarin de heilige zieleadem (Nesjamah) woont. (121)

['nefesh' zou kunnen overeenkomen met wat het 'etherische lichaam' wordt genoemd of de 'gewaarwordingsziel'; roeach met het 'astrale lichaam' of de 'verstandsziel'; 'nesjamah' met het 'mentale lichaam' of de 'bewustzijnsziel'.]

  terug naar de Inhoud

De ziel tijdens de slaap; de drie niveaus van de ziel
Rabbi Simon was aan het wandelen, begeleid door rabbi Eleazer, zijn zoon, door rabbi Abba en rabbi Jehuda. Onder het wandelen sprak rabbi Simon: "Ik ben verwonderd, hoe de mensenkinderen geen aandacht geven aan de kennis van de leer en dat waardoor ze zelf bestaan." En hij haalde de zin uit de Schrift aan: "Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken" (Jesaja 26:9).
Deze zin werd reeds verklaard en ook ik heb hem verklaard. Let echter ook op het volgende: De ziel van de mens verlaat hem, wanneer hij zijn rustplaats (bed) betrekt, en stijgt naar omhoog. Je kunt zeggen dat alle zielen wel opstijgen, maar niet allemaal zien ze het aangezicht des konings. Het is veeleer zo: De laagste ziel (Nefesj) stijgt op en van haar blijft in het lichaam alleen dat kleine spoor om het hart levend te houden; de ziel daarentegen dwaalt rond en streeft naar het hoge. Zij doortrekt talloze niveaus (geestelijke werelden) en zij ontmoet ook de buitenste sferen van het onreine. Is de ziel zuiver omdat zij zich bij dag niet bezoedeld heeft, dan kan zij opwaarts stijgen; wanneer dit niet zo is, wordt zij in deze sferen onrein en kan zij, omdat zij hierin blijft hangen, niet verder stijgen en dan verkondigt men haar dingen uit de naaste toekomst, (124) die haar niet verder laten opstijgen, vaak ook drijven zij de spot met haar en brengen zij haar in verwarring. Zo dwaalt deze ziel de ganse nacht, tot de mens ontwakend op zijn rustplaats (bed) terugkeert.

  terug naar de Inhoud

Dromen
Heil de rechtvaardigen, aan wie de Heilige in dromen geheimen onthuld heeft, opdat zij zich hoeden voor de macht van de oordelende gestrengheid! Wee de zondaren, die hun lichaam en ziel bezoedelen! De reinen gaan echter door al deze niveaus (werelden) heen zonder eraan te blijven hangen en dan stijgen zij en zweven op die weg. En de ziel die het opstijgen waardig was, kan voor het aangezicht van de Oude van Dagen verschijnen en naar gelang haar verlangens vermag zij het in hemelse blijdschap de hulde des konings te aanschouwen en zijn tent te betreden. Zo gaat het met een mens die aan de toekomstige wereld aandeel heeft: Zijn ziel, die in heimwee naar de Heilige opstijgt, blijft niet in de regionen van die andere wezens hangen, maar zij stijgt op naar de Heilige werkelijkheid, naar die plaats vanwaar zij eens gekomen is.
En daarom staat er: "Met mijn ziel (Nefesj) heb ik U begeerd, U na te volgen en niet te vervallen in de vervoering van vreemde wezens." Merk op, dat met het woord 'Nefesj' de soort ziel bedoeld is die 's nachts heerst; Roeach (geestesziel) daarentegen heerst overdag. Zo staat er dan: "Met mijn ziel (Nefesj) heb ik U 's nachts begeerd, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken" - dat is die soort ziel die overdag heerst.
Als u echter denkt, dat dit twee gescheiden niveaus zijn, zo is dit toch niet zo, zij vormen één niveau en zijn met elkaar verbonden. Daarbij komt een hoger soort ziel, die over beide heerst en die hen omvat. Zij wordt 'Nesjamah' (zieleadem) genoemd. Alle niveaus stijgen op in het geheim van de wijsheid en wanneer de mens ze beschouwt, beschouwt hij hemelse wijsheid. Deze zieleadem dringt in hem binnen en de andere verenigen zich ermee. En wanneer hij heerst, wordt de mens een volmaakte Heilige genoemd; drager van de verenigde wilskracht.
'Nefesj' - dat is de lage opwekking - steunt op het lichaam, dat zij voedt, dat zich aan haar vastklemt en waarmee zij zich tot éénheid verbindt. Dan veredelt zij zich echter en wordt tot voetstuk voor de geestesziel: 'Roeach', die over haar komt en de met het lichaam verbonden ziel opwekt. Zo staat er: 'Totdat over ons uitgegoten wordt de geest uit de hoogte' (Jesaja 32:15). (125) Pas dan, wanneer beide de juiste ontwikkeling hebben, worden zij bereid, 'Nesjamah' op te nemen: daar wordt Roeach tot haar voetstuk, zodat zij boven hem komt.
'Nesjamah' is echter de hoogste van allemaal en de allerverborgenste. Want het ene is steeds een voetstuk voor het andere, het hogere. En wanneer U deze niveaus beschouwt, vindt U daarin het geheim van de hoge wijsheid - want daaraan zijn verborgen dingen verbonden. (126)
(Over de drie niveaus van de ziel, zie De Zohar en haar leer, pag. 33-34. Op soortgelijke wijze spreekt Rudolf Steiner in het boek Theosofie over drie onderdelen van de ziel: ervarings-, verstands- of gemoeds-, en bewustzijnsziel. Deze indeling komt dicht bij die van de Zohar.)

  terug naar de Inhoud

De vorming van de menselijke geest (Genesis 45:27)
Rabbi Chija begon met de zin uit de Schrift: "De last van het woord van JHWH over Israël. JHWH spreekt, Die de hemel uitbreidt en de aarde grondvest, en de geest des mensen in zijn binnenste formeert" (Zacharia 12:1). Waarom is aan de woorden: "Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest" toegevoegd: "en de geest des mensen in zijn binnenste formeert?" Weten wij dan niet zonder meer, dat hij ook de vormer van de geest van de mens is? Maar dit wordt uitdrukkelijk gezegd, om naar een zeker hoog niveau te verwijzen, waarin alle geesten en zielen van de wereld hun oorsprong hebben.
Rabbi Simon zei echter: "De zin wijst op nog een moeilijkheid. Zou er namelijk alleen staan: 'En de geest van de mensen formeert', dan was dit reeds duidelijk. Waarom echter: 'in zijn binnenste'? Voor dit woord zijn er twee geheime verklaringen. Uit de stroom namelijk die van die plaats uitgaat, ontspringen en bloeien alle zielen en verzamelen zich op een plaats, en dit niveau is het, dat de geest van de mensen in zijn binnenste vormt. Zoals een zwangere vrouw pijnen voelt, tot het nieuwe wezen tot volledige gestalte in haar binnenste rijpt, zo was het ook met de vorming van de geest van de mens, die zich in zijn binnenste voltrok, tot de mens in de wereld geplaatst werd. (126) Naar de andere verklaring echter is het binnenste van de mens zelf bedoeld. Want zoals de mens geschapen werd en de Heilige hem de ziel inblaast en zij tot leven komt, zo vindt de geestesadem (Roeach) in hem nog geen overeenkomstige lichamelijkheid, om zich daarin uit te werken. Pas wanneer de lichamelijkheid tot ontplooiing komt, kan ook de geestesadem in haar zich ontplooien en haar dan die kracht inblazen, waardoor de gehele mens versterkt. Zo vormt hij de geest van de mens werkelijk 'in zijn binnenste'. Hier kunt u tegenin brengen dat deze formatie van de menselijke geest toch eigenlijk nog niet plaatsvindt in het binnenste van de mens, omdat zij de hulp van de geestelijke wezens van boven nodig heeft - daarom is hieraan toegevoegd: in zijn binnenste, want de Heilige vormt de menselijke geest werkelijk uit het binnenste van de mens en verleent hem hulp door de menselijke natuur zelf. Merk dus op: Wanneer die geestesadem steun nodig heeft, juist beantwoordend aan deze natuur van de mens en diens lichamelijkheid, dan ervaart deze geest ook hoge hulp en wordt hem een andere geest tot heil toegevoegd, en deze is het dan, die de geest van de mens in zijn binnenste vormt." (127)

Over het oervrouwelijke en over de oersamenhang der geslachten; over de sefirothboom
Het vrouwelijke is niet te scheiden van het gebied van het mannelijke, daarom wordt het genoemd: "Mijn duive, Mijn volmaakte" (Hooglied 5:2). Lees niet: "Mijn volmaakte", maar "Mijn tweeling"(!). Haar haar is veelkleurig, daarom staat er: "Het haar op uw hoofd (is) als purper" (Hooglied 7:5). Haar kracht is echter met vijf sterken verbonden.
Het vrouwelijke bevindt zich in een eigen gebied, voordat het zich met het gebied van het mannelijke verbindt. Nadat het zich van haar eigen gebied gescheiden heeft, komt het van aangezicht tot aangezicht met hem. Als zij zich dan verbinden, verschijnen zij als één lichaam [een tweelinggeest].
Hieruit volgt dat het mannelijke slechts als een half lichaam verschijnt ... en zo ook het vrouwelijke. Pas als zij zich verbinden, worden ze één eenheid. En als ze zich tot eenheid verbinden, verheugen alle werelden zich, omdat alles zegen ontvangt van een volmaakt lichaam. Dit geheim ligt vervat in: "Daarom zegende JHWH de sabbatdag, en heiligde die" (Ex. 20:11) (133) en heiligde die’ (Exodus 20:11) - omdat hij namelijk door een volmaakt lichaam bestaat: de Vrouwe had zich met de Koning verbonden, daardoor ontstond één lichaam en daardoor doorstroomden zegeningen deze dag.
Wat dus niet het mannelijke en het vrouwelijke bevat, wordt een half lichaam genoemd. En er kan geen zegen voortkomen uit iets gebrekkigs, iets halfs; want halve dingen kunnen in de eeuwigheid niet bestaan en in eeuwigheid geen zegen opnemen.
De schoonheid van het vrouwelijke stamt geheel van de schoonheid van het mannelijke. Zo werd het onder de gezellen geleerd en bekend. Vanuit dat vrouwelijke echter wordt al het lage gevoed. Van het vrouwelijke zuigen zij voeding en daarin zegenen zij zich, het wordt 'moeder van alle dingen' genoemd. Zoals elk lichaam een moeder heeft, dat haar voedt, zo is dit de moeder van alle lage wezens.
Zo staat er: "Zeg tot de Wijsheid: Gij zijt mijn zuster" (Spreuken 7:4). Er bestaan twee soorten wijsheid en de ene wordt in tegenstelling tot de andere de 'kleine wijsheid' genoemd. Van haar is gezegd: "Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft" (Hooglied 8:8). Omdat zij zich in de verbanning begeven heeft. 'Een kleine zuster' - klein schijnt ze, maar toch is ze groot en machtig, omdat ze de vervolmaking is, die de koning draagt. Zoals er staat: "Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens" (Hooglied 8:10) - want haar borsten zijn vol om iedereen voeding te geven.
Maar machtigere stromen gaan uit van de hoge moeder. Dan verbreidt zich het mannelijke van rechts naar links, zijn erfgoed in bezit nemend. Waar dan alle kleuren tot verbinding komen [dit gebied] wordt 'heerlijkheid' genoemd. Hier komt het hele lichaam tot heil en een boom ontstaat, groot en machtig, indrukwekkend en mooi. "Onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alles werd daarvan gevoed" (Daniël 4:12). Hij heeft een rechter- en een linkerarm. In de rechter is leven en liefde, in de linker dood en kracht. Zijn innerlijk ordent zich in kennis. Zij vult alle binnenkamers en hallen - zoals er staat: "En door kennis worden de binnenkamers vervuld" (Spreuken 24:4). (134)

  terug naar de Inhoud

De wijding van het huwelijk (Genesis 13:2)
Rabbi Simon ging eens naar Tiberias en met hem waren rabbi Josse, rabbi Jehuda en rabbi Chija. Toen zagen zij rabbi Pinchas, die hen naderde. Zo gauw zij zich dan verenigd hadden, zetten zij zich onder één van de bomen op de berg neder om uit te rusten. En rabbi Pinchas sprak: "Zoals wij hier nu zitten, zouden wij graag horen over die hoge dingen waarvan gij alle dagen spreekt." Toen begon rabbi Simon met de zin uit de Schrift: "En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-El en tussen Ai' (Genesis 13:3). Waarom staat er: 'Volgens zijn reizen' en niet 'volgens zijn reis'? Omdat het er twee zijn, die van Abraham en die van de Sjechina.
Iedere mens moet namelijk daarnaar streven, dat het vrouwelijke en het mannelijke steeds elkaar vinden, opdat de verbinding van de trouw zich versterkt en de Sjechina zich voor eeuwig niet verwijdert. En wanneer gij zegt: Wie een weg gaat waar het mannelijke en het vrouwelijke elkaar niet vinden, van diegene zondert zich de Sjechina af - daarom moet juist hij, die zich op een weg begeeft, een gebed aan de Heilige richten opdat de Sjechina zelf hem vergezelt. Heeft hij echter zijn gebed op de juiste wijze gebeden, dan kan hij op weg gaan, want de Sjechina is met hem, opdat mannelijk en vrouwelijk verbonden zijn in het huis als op de velden.
Daarvan zegt men: "De gerechtigheid zal voor zijn aangezicht heengaan en hij zal ze zetten op de weg van zijn voetstappen" (Psalm 85:14). En op reis moet de mens op zijn daden letten, opdat de hoge verbinding zich niet van hem scheidt en hij onvolmaakt blijft in een toestand, waar mannelijk en vrouwelijk niet verbonden zijn.
Des te meer thuis, waar zijn vrouw bij hem is. Onderweg is het de hoge verbinding die hem beschermt en hem niet verlaat, tot hij naar huis terugkeert. Dan echter moet hij zich over zijn echtgenote verheugen, omdat zij het is, die voor hem ook die hoge verbinding mogelijk gemaakt heeft. Zo moet hij zich dan om twee redenen over haar verheugen: ten eerste, omdat de vreugde van de huwelijksverbinding een vreugde der plicht is en daardoor een vreugde van de Sjechina…; (135) en ook nog, omdat hij daardoor naar de lage regionen toe de vrede vermeerdert. Daarom staat er geschreven: "En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en gij zult niet zondigen" (Job 5 : 24). Want wanneer hij niet aan zijn vrouw denkt, zondigt hij, omdat hij hierdoor aan de eer van de hoge verbinding afbreuk doet, die zijn vrouw voor hem mogelijk heeft gemaakt.
Is zijn vrouw echter zwanger geworden, dan wordt hierdoor uit de hoge verbinding een heilige ziel hierheen gezonden. En zo wordt dan dit verbond ‘verbond van de Heilige’ genoemd. Daarom moet men er vrome aandacht aan schenken in het liefdesgeluk, net zoals in het geluk van de sabbath, die de hu- welijksverbinding van de wijzen is. Zo staat er dan: "En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is" - dat de Sjechina namelijk tot u komt en in uw huis woonplaats neemt. "En gij zult uw woning verzorgen, en gij zult niet zondigen." Namelijk de vreugde van de plicht genieten in de aanblik van de Sjechina.
Dus wanneer de jonge geleerden zich gedurende de week van hun echtgenoten scheiden om zich in de thora te verdiepen, dan vergezelt die hoge verbinding hen en verlaat hen niet, opdat voortdurend het mannelijke en vrouwelijke elkaar blijven vinden. Wanneer dan echter de sabbath komt, dan zullen zij zich over hun echtgenoten verheugen, om der wille van de heerlijkheid van hemelse verbindingen en de wil van de Heer het hart te wijden ...
Wanneer gij echter denkt dat het voor de mens waardevoller ware, wanneer hij op reis gaat, dan wanneer hij thuis blijft, omdat hem daarbij een hoge verbinding vergezelt, let dan daarentegen op het volgende: In de tijd wanneer de man thuis verblijft, is de wortel van zijn huis zijn echtgenote, want om der wille van de echtgenote wijkt de Sjechina niet van zijn huis. Zoals wij geleerd hebben: "En Izaak bracht haar in de tent van zijn moeder Sarah" (Genesis 24:67). Toen ontbrandde vanzelf een licht. De Sjechina was namelijk in het huis gekomen. En de geheime betekenis ligt in het volgende: Net zoals de hoge moeder het niet met haar echtgenoot kan vinden tot het huis in orde is gebracht, dat mannelijk en vrouwelijk zich kunnen verbinden en de hoge moeder de deelgenoten kan zegenen; zo ook kan de lage moeder zich niet met haar echtgenoot vinden, tot het huis in orde gebracht is, dat mannelijk en vrouwelijk zich kunnen verbinden en de lage moeder de deelgenoten kan zegenen. En zo verheerlijkt zich dan het mannelijke in het huis door twee soorten vrouwelijkheid, naar het voorbeeld van het hoge. (137)

  terug naar de Inhoud

De engel van JHWH
"Want Hij zal zijn engelen aangaande u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen" (Psalm 91:11). Deze zin werd door de gezellen verklaard. In dat uur namelijk, dat de mens de wereld binnentreedt, staat voor hem ook de kwade neiging klaar, de voortdurende aanklager van de mensen. Waarvan er ook staat: "De zonde ligt aan de deur" (Genesis 4:7). Wat betekent het woord 'zonde'? De kwade neiging. In deze betekenis gebruikt David ook dit woord, zoals er staat: "En mijn zonde is steeds voor mij" (Psalm 5:15). Want deze neiging is het, die de mens dagelijks tot zonde tegen zijn Heer aanzet. En deze neiging wijkt sinds de dag waarop de mens geboren werd, nooit meer van hem.
De goede neiging daarentegen verblijft bij de mens van die dag af, dat hij tot loutering van zichzelf komt. En wanneer is dit? Wanneer hij dertien jaar oud wordt. Dan verbindt de mens zich met beide, de ene aan de rechter-, de andere aan de linkerzijde, de goede neiging aan de rechter-, de kwade aan de linkerzijde. Deze zijn beide echte engelen die zich voortdurend bij de mens bevinden.
Bereikt de mens de zelfloutering, dan onderwerpt de kwade neiging zich aan hem en de rechter krijgt heerschappij over de linkerzijde. En zo paren beide zich, om de mens te beschermen op al zijn wegen, waarop dan deze woorden betrekking hebben: "Want Hij zal zijn engelen aangaande u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen" (Psalm 91:11). Rabbi Eleazer gebruikte deze zin bij Jakob, aan wie de Heilige dienende engelenscharen ter beschikking stelde, opdat hij heel en op de juiste wijze door de twaalf hemelse stammen komt. En zo staat er: "Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem" (Genesis 32:l).
Toen hij van Laban bevrijd werd en zich van hem afzonderde, toen verenigde de Sjechina zich met hem en kwamen er heilige dienstengelen, om hem voortdurend te omringen. Van hen zegt men: "En Jakob zeide, met dat hij hen zag: dit is een heerleger Gods!" (Genesis 32:2). En van deze engelen stuurde hij er naar Ezau, zoals er staat: "En Jakob zond boden uit" (Genesis 32:3). Het waren echte engelen. (154)

Zo was het de Heilige zelf die de aanklager opwekte, toen Hij sprak: "Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job?" (156)

  terug naar de Inhoud

De drie werelden van God en de mens
Zo bestaan er ook voor de mens drie werelden. De eerste die genoemd wordt de wereld der scheiding. (Tussen dood en leven, tussen geest en materie, of tussen goed en kwaad.) De mens bevindt zich hier en niet hier, want als men hem gewaar wil worden, verheft hij zich, en wordt hij niet gezien. De tweede wereld is met de hoogste verbonden; het is de hof van Eden, verbonden met een andere, hoge wereld, die door haar wordt gekend. De derde is de hoogste wereld, verborgen, bewaard en gesloten, die niemand kennen kan. Zoals er staat: "Geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal hem, die op Hem wacht" (Jesaja 64:4). En alles naar het voorbeeld van het hoge, zoals er staat: "God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt" (Genesis 9:6) en daarom ook: "Gij zijt kinderen van JHWH, uw God" (Deuteronomium 14:1).
Zoals geleerd werd: Die staan [nog] in het beeld Gods en zij erven een hoog erfdeel. Daarom volgt ook in de thora het verbod: "Gij zult uzelf niet tatoeéren, noch kaalheid maken" (Deuteronomium 14:1), want wie zoiets doet, kan, als hij uit deze wereld opstijgt, niet de hoge, heerlijke wereld bereiken. En zie: Als de mens niet gezondigd had, zou hij niet de smaak van de dood in deze wereld geproefd hebben. Alleen omdat hij gezondigd heeft, moet hij de smaak van de dood proeven, voordat hij in die wereld geraken kan.
De geest scheidt zich van zijn lichaam en laat het in deze wereld achter. (In de slaap bevindt zich slechts het lichaam, en niet de ziel en de geest in deze wereld.) En de geest zweeft nu in een vuurstroom, om zijn straf te ontvangen, daarna treedt hij in "de hof van Eden van de aarde". Daar ontvangt hij een ander lichtend gewaad in het evenbeeld van het lichaam, dat hij in deze wereld droeg. Met dit wordt hij gekleed en gelouterd en daar is dan zijn nieuwe verblijfplaats. Maar op nieuwe manen en op sabbathdagen verbindt hij zich met de ziele-adem en kan hij opstijgen en zich boven verheerlijken, zoals er staat: "En het zal geschieden dat van de ene nieuwe maan tot de andere" (Jesaja 66:23). (161)
Waarom dit? Omdat het de nieuwe manen zijn waaraan de maan zich verheerlijkt, omdat zij van de zon een nieuw licht ontvangt. En ook zo van sabbath tot sabbath, want het is de zon die hier vandaan haar licht ontvangt. Zo komt alles tot eenheid. Slechts voor de zondaars geldt dit niet, omdat voor hen de dood in alle werelden blijft bestaan. Zij zijn van alle werelden afgezonderd als zij zich niet omkeren (bekeren; het Hebreeuwse 'thesjoevah' betekent zowel bekeren als omkeren én antwoorden. (Vert.)).' Rabbi Jehuda sprak: "Geprezen zij de Barmhartige, dat ik vragen kon en uitleg ontving."

  terug naar de Inhoud

In het uur van de dood
Op een keer sprak rabbi Eleazer: "Heil de rechtvaardigen, die de paden van de Heilige leren herkennen, om ze te bewandelen en de dag des oordeels te vrezen, omdat de mens rekenschap moet afleggen aan de Heilige!" En hij voegde hieraan de zin uit de Schrift toe: "Dan verzegelt Hij de hand van iedere mens, opdat Hij kent al de lieden van Zijn werk" (Job 37:7). Deze zin werd reeds verklaard. Maar zie: 'Op die dag, dat het lichaam afgelegd wordt en de ziel het wil verlaten, is het de mens toegestaan te schouwen, wat hij niet eerder schouwen mocht, zolang zijn lichamelijkheid machtig was en daar komt hij tot inzicht.
Drie boden staan voor hem, rekenen af met zijn dagen en zijn zonden en met alles wat hij in deze wereld gedaan heeft. En de mens legt openlijk over alles getuigenis af en dan "verzegelt Hij de hand van ieder mens". Hierop hebben de woorden betrekking: 'Dan verzegelt Hij de hand van ieder mens'. Met Zijn hand wordt alles bezegeld voor het oordeel in die wereld, die het vroegere en het latere omvat, het nieuwe en het oude, waar niéts wordt vergeten. Zoals er staat: "Opdat Hij kent al de lieden van Zijn werk." Van alle werken: zowel van het lichaam als van de geest. Zo sterk is echter de zonde der hardnekkigheid, dat zelfs op het uur der beslissing de mens in haar blijft volharden. En daarom, heil de mens die nog in deze wereld de paden van de Heilige leert kennen! (162)

  terug naar de Inhoud

Het loslaten van de blik tijdens het sterven; lage en hoge lichaamsgewaden; over de bouw van het menselijke lichaam
De meester van de hemelse leerschool (Vanaf III. fol. l66b beschrijft de zohar leringen van rabbi Simon bar Jochai die hij in de hemelse woonplaats ontvangt. Daarom staat hij vanaf nu niet meer op de voorgrond, maar: 'de meester van de hemelse leerschool') begon met de tekst: "En Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen" (Genesis 46:14). Waarom worden van de stervende de ogen gesloten? Omdat in de ogen de kleuren van deze wereld zijn, de verschijning en het beeld van deze wereld. Zo wordt, als de ogen worden gesloten, de hele verschijning van deze wereld verduisterd. Vanaf dit ogenblik ziet de stervende niets meer in deze wereld.
Rabbi Simon sprak: "De regeling van de ouden is voortreffelijk en hun wijsheid groter dan die van de heilige engelen ..." Men vroeg rabbi Simon: "Is dit de stervende ten voordeel? Men kan ook de mening toegedaan zijn dat hij de ogen moet openhouden, zodat hij nog deze wereld (De rechtvaardige mag de relatie tot de aardse wereld, die hij verlaten heefl, in grote mate behouden.) kan aanschouwen."
Hij antwoordde: "Dit is waar, als het een rechtvaardige betreft. Van deze worden de ogen niet gesloten, zodat zijn aandeel in deze wereld niet geheel verdwijnt.
Deze wereld is tegengesteld aan die waarin we ons bevinden na de dood. Geen haar blijft over van de dingen van deze wereld, alles gaat onder in een dauw, die alle vuil wegveegt. En er blijft slechts een soort krachtspoor (letterlijk: zuurdesem) (163) over, waarop een nieuw lichaam gevormd wordt. Rabbi Simon sprak: "Ik weet dat jullie daar bekleed zijn met een rein en heilig lichaam."
Is het echter mogelijk dat een mens ook zo een lichaam verkrijgt in déze wereld? Het antwoord: "Dezelfde vraag stelden twee jongelingen die het nieuwe gewaad hadden ontvangen, nadat ze door schuld, die niet nader genoemd moet worden, pijn hadden geleden. Hun antwoordde de meester van de hemelse leerschool, dat het werkelijk in deze wereld geschiedt, want er staat: "Het geschiedde nu, op de derde dag, dat Esther zich bekleedde met 'Malchoeth'" (Esther 5:1). Dat betekent in het beeld van die wereld.
Malchoeth, dat is de ademtocht der heiligheid; daarmee wordt het 'hemelrijk' bedoeld. Er waait een ademtocht uit die wereld - waarmee Esther zich bekleedt. Toen ze nu voor koning Ahasveros trad, en hij dit kleed van licht zag, leek zij voor hem een engel van God, en zijn ziel verliet hem. En zo ook Mordechai: "En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in het gewaad van Malchoeth" (Esther 8:15). Dat is wederom het beeld van die andere wereld. En daarom staat er: "Want de hoogachting van Mordechai was op hen gevallen" (Esther 9:3) - niet de vrees van Ahasveros.

Rabbi Simon sprak: "Hoe verkwikkend zijn deze woorden! Ik weet dat de rechtvaardigen in die wereld zich bekleden met het gewaad, dat het gewaad van 'Malchoeth' wordt genoemd. En hij sprak verder: "De lucht in de hof van Eden is een ademtocht van de heilige Geest. Met hem bekleden de rechtvaardigen zich, overeenkomstig hun doen en laten in deze wereld. En de heilige Geest zweeft boven hun hoofd en vormt een kroon. Zo staat er ook bij Mordechai: 'in het gewaad van Malchoeth', dat het beeld van die wereld is. En verder: 'Met een grote gouden kroon' (Esther 8:15) dit is de kroon die op de hoofden van de rechtvaardigen in die wereld rust. Zo geschiedde het ook met de kinderen van Israël toen ze de Thora ontvingen. Toen ze zich echter schuldig maakten, staat er: 'De kinderen Israëls dan beroofden zichzelf van hun versierselen, ver van de berg Horeb' (Exodus 33:6). Dit betekent: Ze beroofden zichzelf van dit gewaad. Zo ook wordt er van de hogepriester Jozua gezegd: 'Doet deze vuile klederen van hem weg' (Zacharia 3:4-5) en dan: 'En zij trokken hem klederen aan' - dit is het gewaad van die wereld. Hieruit komt ook naar voren, dat zolang het lichaam van deze wereld nog in het (164) graf bestaat, de geest nog niet met het gewaad van die andere wereld wordt bekleed."
"Wat uit de geest stamt is van blijvende aard, terwijl datgene, wat uit de ziel komt, weer opstijgt. En vanuit de heilige geest stammen de beenderen. Het belangrijkste van het lichaam zijn dus de beenderen - daarom staat er: 'En uw beenderen zal hij vaardig maken.'" (Jes. 58:11) (166)

  terug naar de Inhoud

Drie zielelichamen na de dood
Op sabbath, nieuwe maan en feestdagen stijgt zij hoger, verheugt zich in het hoge geluk en keert daarna naa rhaar plaats terug. Hierover wordt gezegd: "En de geest (roeach) keert weer tot God, Die hem gegeven heeft" (Prediker 12:7) - en net zo gaat het op die feestdagen. Nesjamah daarentegen stijgt meteen op naar die plaats waar zij vandaan is gekomen en voor haar wordt het licht aangestoken, om naar boven te schijnen. Zij daalt nooit meer naar beneden. In haar vervolmaakt zich, wat zich van alle zijden, van boven en beneden vervolmaakt. Want zolang zij niet opgestegen is, om zich met de troon te verbinden, kan roeach ook niet in de tuin der aarde treden en kan nefesj op haar plaats geen rust vinden; pas wanneer zij opstijgt, komt alles tot rust.
En wanneer de mensen in smart naar de begraafplaats komen, dan ontwaakt nefesj, en roeach wekt de vaderen en wekt nesjamah, dan erbarmt de Heilige zich over de wereld. Ook wanneer dus het opstijgen van nesjamah zich op een andere manier voltrekt, dan stijgen ze toch alle in evenwicht op. Zo gauw nesjamah echter een hindernis ondervindt, om naar haar plaats op te stijgen, dan blijft ook roeach voor de ingang van de hof van Eden staan, want men doet niet voor haar open. Zij stijgt en dwaalt rond en niemand kijkt naar haar om. Nefesj echter zweeft in de wereld, kijkt naar het lichaam en het oordeel van het graf, waar de wormen aan hem knagen en treurt over hem. Zoals geschreven staat: "Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart, en zijn ziel, in hem zijnde heeft rouw" (Job 14:22). Alles staat in het teken van de straf. Pas wanneer nesjamah zich met haar hoge regionen verbindt, verbinden al haar regionen zich, omdat zij alle drie toch één geheel vormen, naar het voorbeeld van het hoge. Nefesj heeft geen licht van zichzelf, maar deelnemend aan het geheim van het lichaam, is zij het die hem met alles wat nodig is verkwikt en voedt - waarvan wordt gezegd: "En zij ... geeft haar huis spijs en haar dienstmaagden het hun bescheiden deel" (Spreuken 31:15).
'Het huis', dat is 'het lichaam', dat zij voedt; 'haar dienstmaagden', dat zijn de organen van haar lichaam ... Roeach is op nefesj gezet (in het Aramees letterlijk: rijdt op nefesj), heerst over haar en verlicht haar met alles wat nodig is, en nefesj is zijn voetstuk. Nesjamah daarentegen laat (168) ruach ontstaan, heerst over haar en verlicht haar met het licht des levens.
Ruach is afhankelijk van Nesjamah en wordt door haar verlicht, nefesj daarentegen is afhankelijk van ruach en wordt door haar verlicht en gevoed, alles in één geheel.


terug naar het literatuuroverzicht






^