Eucharistie en transsubstantiatie


Het woord 'eucharistie' komt van het Griekse 'eu': goed, deugdelijk en 'charis': geschenk - het is een dankzegging voor een goed geschenk. In de kerk is het i.h.b. de dankzegging voor het lichaam van Jezus, dat hij heeft geofferd om hen die zondigden te vergeven en weer met God te verbinden.
Tijdens de eucharistie wordt het laatste avondmaal van Jezus en zijn leerlingen herdacht en i.h.b. het feit dat Jezus zijn - op die maaltijd volgende - zelfoffer vergelijkt met het offeren van het paaslam; deze vergelijking kon hij maken omdat dat laatste avondmaal samenviel met de maaltijd die tijdens de joodse Pesach-viering wordt gehouden: daarbij wordt het geofferde en geslachte paaslam genuttigd.
Na zijn opstanding herdachten zijn volgelingen dat laatste avondmaal - omdat Jezus hen dat had aangeraden - en wel steeds op zondagochtend. In de loop van de eeuwen echter verbleekte de herinnering aan deze bijzondere gebeurtenis en om die te hernieuwen, kreeg men de behoefte aan iets tastbaars om de herinnering levend te houden en de handeling een waardevolle inhoud te geven. In de kerk ontwikkelde men daarom de opvatting dat de woorden van Jezus geen zinnebeeldige vergelijking waren, maar letterlijk waren bedoeld.

In de Oudheid gebruikten de alchemisten een term, de 'transsubstantiatie' (omvorming) waarmee zij bedoelden, dat de kenmerken van een substantie in een andere konden worden omgezet. Bij hen ging het daarbij i.h.b. om de omzetting van lood in goud. In de alchemie waren er twee stromingen, waarbij de ene ervan uitging dat dit letterlijk moest worden opgevat, terwijl de andere een mystieke inslag had en deze omvorming zag als een geestelijk gebeuren, waarbij de persoon zich omvormde van een onontwikkelde, zelfzuchtige naar een ontwikkelde, liefdevolle geestestoestand.
Deze alchemistische transsubstantiatie werd door de kerkleiders aangegrepen om het brood en de wijn meer aanzien te geven zodat de gelovige er ontzag voor zou kunnen gaan koesteren. Tijdens de vierde kerkvergadering van Lateranen in 1215 werd het woord 'transsubstantiatie' voor het eerst gebruikt. Er werd o.a. besloten dat er meer aandacht moest komen voor priesterlijke taken en de priester moest meer gezag krijgen en met zijn rug naar de gelovigen gaan staan tijdens de mis(!).

Tijdens het concilie van Trente (1545-1563) werd het volgende gesteld: "Omdat onze verlosser Christus gezegd heeft dat hetgeen Hij onder de gedaante van brood opdroeg werkelijk zijn lichaam was, is dit ook altijd de overtuiging geweest van de kerk van God en daarom verklaart dit heilig concilie het ook nu weer: door de consecratie van brood en wijn komt de verandering tot stand van de gehele substantie van het brood in de substantie van het lichaam van Christus onze Heer, en van de gehele substantie van de wijn in de substantie van zijn bloed. Deze verandering nu is door de katholieke kerk gepast en treffend wezensverandering (transsubstantiatie) genoemd."

Jezus zelf is hier echter heel duidelijk over:
Jezus zei: "U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft." (Joh. 6:27)
Jezus zei: "Ik ben het brood dat leven geeft, wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben." (Joh. 6:35)
Jezus zei: "Ik ben het levende brood dat uit de hemel(!) is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet, zal hij eeuwig leven." (Joh. 6:51)
"Het is de Geest die levend maakt, het vlees helpt niets. De woorden die Ik tot jullie gesproken heb, zijn geest en zijn leven." (Joh. 6:63)
Deze uitspraken zijn afdoende; Jezus' woorden tijdens het laatste avondmaal hebben een geestelijke, zinnebeeldige betekenis.
Kerkelijke gezagsdragers gingen toentertijd recht tegen de leer van Jezus in.

Zoals het vaak met de besluiten van gezagsdragers gaat die hun macht willen vergroten, hebben hun besluiten een averechtse uitwerking. De woorden die de priester aan het altaar moest uitspreken om de transsubstantiatie te bewerken: 'Hoc est corpus' ('Hier is het lichaam'), werden verbasterd tot: 'Hocus pocus'.

De priester-sjamaan
Dit besluit van de toenmalige kerkleiders heeft van de priester in feite een animistische sjamaan (druïde) gemaakt. Deze werkt o.a. ook met toverspreuken (mantra's) en met fetisjen: met geestkracht (vitaliteit) geladen voorwerpen, afbeeldingen van de godheid. De door mensen bedachte toverspreuk 'Hoc est corpus' maakt volgens een menselijk besluit van een rond stukje brood 'het lichaam van Christus'... een goddelijke fetisj, die de gelovige voor zijn eigen heil moet opeten.
De oude sjamanen gingen op dezelfde manier te werk. Zij gebruikten bijvoorbeeld ook rinkelende belletjes tijdens hun handelingen, die zij in hun gewaden gestoken uitvoerden op een gewijde plaats tussen de gemeenschap en de omringende natuur. In feite voerde de kerk een oud, heidens gebruik weer in om de priester meer aanzien te geven.
Het woord 'fetisj' is een verbastering van het Latijnse 'facticius': nagemaakt, kunstmatig. In oude tijden werd er vanuit gegaan, dat de fetisj een stoffelijke weergave op aarde was van de godheid, die in de geestelijke wereld verbleef. De fetisj diende als een bemiddeling tussen de godheid en de mens.

Hieronder het volledige tekstdeel uit het Evangelie van Johannes 6:41-63:
De Joden begonnen te protesteren omdat hij zei dat hij het brood was dat uit de hemel was neergedaald.
"Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?"
Jezus zei: "Ik hoor u bezwaren maken. Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken.
Het staat geschreven in de Profeten: 'Zij zullen allemaal door God onderricht worden.' Iedereen die naar de Vader luistert en van hem leert komt bij mij. Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft - alleen hij die van God komt, heeft hem gezien. Waarachtig, ik verzeker u: wie gelooft, heeft eeuwig leven.
Ik ben het brood dat leven geeft. Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam."

Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: "Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!" Daarop zei Jezus: "Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem.
De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij.
Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven."
Dit alles zei hij in de synagoge van Kafarnaüm toen hij daar onderricht gaf.

Veel leerlingen die het gehoord hadden zeiden: "Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?" Jezus wist wel dat zijn leerlingen protesteerden en zei tegen hen: "Ergeren jullie je hieraan? Maar als jullie nu de Mensenzoon zouden zien opstijgen naar waar hij eerst was? De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb, is geest en leven."

Bron: De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.

Het moge duidelijk zijn dat Jezus' woorden wat het 'vlees' betreft, figuurlijk zijn bedoeld, overeenkomend met het bloemrijke taalgebruik uit oosterse landen. Als hij het letterlijk had bedoeld, zou zijn 'vlees' slechts één keer voor een kleine groep - die zijn woorden letterlijk hadden opgevat en zich daarna als kannibalen hadden gedragen - nuttig zijn geweest. Maar in de omgang met schriftgeleerden en Farizeeën gebruikte Jezus regelmatig prikkelende en verwarring stichtende uitspraken om tegen hen in te gaan, wat niemand toentertijd dorst te doen.


Klik hier voor een verhandeling over het laatste avondmaal

terug naar de vragenlijst







^