Wetenschap en spiritualiteit


Inhoud

1. De schepping in vier letters. Over het ingewikkelde huwelijk van religie en biowetenschappen.
2. Ervin Laszlo en Kinsley L. Dennis - De verbinding tussen wetenschap en spiritualiteit

1. De schepping in vier letters
Volgens religiewetenschapper Kocku von Stuckrad, hoogleraar religiewetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen, is het idee dat de grondbouwstenen van de natuur en de kosmos letters zijn "een van de oudste in de westerse cultuurgeschiedenis". Zo worden DNA-onderzoekers ontcijferaars.
Over het ingewikkelde huwelijk van religie en biowetenschappen.
Dagblad Trouw, 1 mei 2010

De verhouding tussen religie en natuurwetenschap is moeizaam, dat hebben we tijdens het afgelopen Darwinjaar wel gemerkt. Tussen geloof en harde wetenschap lijkt een harde, polemische scheidslijn te lopen. Maar wie kijkt vanuit de religiewetenschap leert dat de verhoudingen toch echt wat ingewikkeler liggen.
Neem de Nobelprijzen in 2009. Voor scheikunde ging die naar Ada Yonath, Thomas Steitz en Venkatraman Ramakrishnan voor hun werk aan het zogeheten ribosoom, de eiwitfa-briek van de cel. Dit feit is op zich nog niet zo interessant voor cultuurwetenschappelijk onderzoek, de verslaggeving over deze toekenning des te meer.
Zo schreef de International Herald Tribune over "drie wetenschappers die hebben aangetoond hoe de gecodeerde informatie op DNA-strengen door ribosomen wordt vertaald naar de duizenden eiwitten waaruit levend materiaal bestaat".
Scheikunde, en dan vooral DNA-onderzoek, heeft volgens deze gangbare interpretatie alles te maken met 'codering' en 'decodering', met 'vertaling' en met 'levend materiaal': allemaal metaforen waarvan de oorsprong buiten de moderne natuurwetenschap ligt.

Hetzelfde wordt duidelijk in het begrip life sciences - biowetenschappen..Dit is een nieuw verzamelbegrip voor wetenschappelijke disciplines die zich met levende organismen, hun organisatie en biologische context bezighouden, en met de onderliggende principes van het leven. Daar horen niet alleen scheikunde en geneeskunde bij, maar uiteraard ook biologie. De biowetenschappen werken al decennia aan een 'ontcijfering' van de code van het DNA. Maar hoezo beschrijf je het DNA als een 'code'? Dat dit niet vanzelfsprekend is, maakt het interessant om de genealogie van deze metafoor nader te bestuderen.

Een van de eerste wetenschappers, die het over 'code' had om de kleinste eenheden van het menselijke leven te beschrijven, was de beroemde mathematicus Erwin Schrödinger. In 1927 schreef hij: "Het zijn deze chromosomen die in een of andere codetaal het hele patroon van iemands toekomstige ontwikkeling bevatten. Elke complete chromosomenset bevat de volledige code."
Toen Marshall W. Nirenberg en Johann Heinrich Matthaei van de National Institutes of Health in Bethesda erin slaagden om de correlatie tussen de basen van het nucleïnezuur en de aminozuren in proteïnen te verklaren (het 'probleem van moleculaire codering') vond de verwoording van deze wetenschappelijke doorbraak gauw ook in de politiek weerklank. De toenmalige Amerikaanse president Bill Clinton zei bij de viering van de afsluiting van de eerste fase van het Human Genome Project in 2000 op een persconferentie: "We leren nu de taal waarin God leven heeft geschapen."
Francis S. Collins, medisch geneticus en voormalig leider van het Human Genome Project, gebruikte Clintons enthousiaste citaat als titel voor zijn boek 'The Language of God' (vertaald als 'De taal van God'). De ondertitel was: 'A Scientist Presents Evidence for Belief - een wetenschapper levert bewijs voor geloof.

Deze voorbeelden - er zijn er legio - maken duidelijk dat een simpele redenering, die religie als tegengesteld aan natuurwetenschap beschouwd, niet volstaat. Het huwelijk tussen beiden mag dan moeilijk verlopen, een echtscheiding heeft na de zogenoemde wetenschappelijke revolutie en de Verlichting zeker niet plaatsgevonden. De vraag is eerder hoe wij de relatie tussen religie en natuurwetenschap op genuanceerder wijze kunnen interpreteren. Zo'n analyse kan ons misschien iets vertellen over de rol van religie in de moderne wereld.
Als wij de culturele ontwikkeling van de afgelopen driehonderd jaar de revue laten passeren, zien we twee tegenstrijdige tendensen: polemische scheiding én onderhuidse continuïteit.
De moderne vakken die sinds de 19de eeuw op de universiteiten worden uitgeoefend en onderwezen, zijn door een proces van afscheiding en differentiatie tot stand gekomen. De 'wetenschappen' omvatten in de eeuwen tussen 1300 en 1700 disciplines als filosofie, metafysica, theologie, maar ook astrologie of alchemie. Deze disciplinaire eenheid werd pas verbroken door de opkomst van de empirische methode bij de bestudering van de natuur en met de filosofische kritiek op religieuze veronderstellingen tijdens de Verlichting. Toen pas werd astrologie van astronomie gescheiden, alchemie van chemie, en werd de natuurwetenschap als geheel afgezet tegen natuurfilosofie en magie.
Het resultaat noem ik een polemische disjunctie. De vakken sluiten elkaar uit - je doet óf astronomie óf astrologie, óf scheikunde óf alchemie; je bent óf met natuurwetenschap bezig, óf met wijsbegeerte en theologie. Het is een polemiek omdat het 'Andere' als belangrijk element dient voor het definiëren van het 'Eigene'.

Cruciaal voor de westerse identiteit is juist dat wat de moderniteit naar eigen zeggen is voorbijgestreefd, namelijk bijgeloof, magiegeloof, astrologiegeloof, natuurfilosofische speculaties en wat al niet meer. Volgens deze polemiek heeft de rede - en daarmee samenhangend de democratie en de vrijheid van de mens - gezegevierd over de middeleeuwse heerschappij van religie, irrationaliteit en intolerantie. In een proces van radicalisering werd de moderne westerse identiteit gevormd door schrikbeelden die met man en macht op afstand moesten worden gehouden.
Alleen zo valt te verklaren waarom het in de westerse samenleving zo gemakkelijk - en nog steeds zo in trek - is om religieuze, metafysische, astrologische, homeopathische of andere als volslagen irrationeel gebrandmerkte benaderingen belachelijk te maken. Het verklaart trouwens ook waarom wetenschappers en politici verrast waren toen aan het eind van de 20ste eeuw religie als bepalende factor in de moderne samenleving haar rentree maakte.

Maar hoe zit het dan met de onderhuidse continuïteit? Om dit uit te leggen, ga ik terug naar de codes van de kleinste bouwstenen van het leven. Die konden ontcijferd worden, maar ook veranderd om op die manier zelf leven te scheppen.
Vanuit een cultuurwetenschappelijk perspectief zijn de biowetenschappen een leeswetenschap en tegelijkertijd een schrijfwetenschap. Door het herschikken van de bouwstenen van het leven - de vier letters A, C, G, T, (van Adenine, Cytosine, Guanine en Thymine) die in schier eindeloze afwisseling het DNA vormen - treedt de mens zelf als schepper op.
Dat de grondbouwstenen van de natuur en de kosmos eigenlijk letters zijn, en dat het 'Boek van de Natuur' gedecodeerd en gelezen kan worden, is een van de oudste ideeën in de westerse cultuurgeschiedenis. Voor het eerst in de Oudheid vormgegeven door het Pythagoreïsme, werd deze idee in de Middeleeuwen en de vroegmoderne periode gedetailleerd uitgewerkt. Een hoogtepunt van de hierbij horende speculaties stelt de joodse mystiek of kabbala voor, die de hele Bijbel - Thora - als permutatie (wiskundige combina- ties) van de letters van de naam van God beschouwt.

Dit werd na de Renaissance door christelijke denkers enthousiast opgepikt. Filosofen en humanisten als Reuchlin, Leibniz of Van Helmont pasten kabbalistisch gedachtengoed op wetenschappelijke en natuur-filosofische vraagstellingen toe. En in de invloedrijkste publicatie binnen de christelijke kabbala, de door Christian Knorr von Rosenroth geredigeerde 'Kabbalah Denudata' ('De Ontsluierde Kabbalah', 1677) zegt de auteur dat "de schepping van de wereld geschiedde door herschikkingen en draaiingen van de letters".
Het is de vereniging van taalwetenschap en natuurwetenschap, van religieuze hermeneutiek en de weten- schappelijke bestudering van de natuur, die deze vroegmoderne wetenschap kenmerkte. Die eenheid is in de moderne tijd verbroken, maar in de biowetenschappen lijkt ze op een miraculeuze manier hersteld. De decodering en herschikking van de bouwstenen van het DNA staan in de traditie van de vroegmoderne natuurfilosofie en kabbala.
Religie en wetenschap waren dus twee even belangrijke aspecten van de bestudering van de natuur. Dit geldt ook voor een tweede onderhuidse continuïteit. Sinds Aristoteles wordt in de filosofie een onder- scheid gemaakt tussen de geschapen natuur enerzijds en de scheppende kracht van de natuur anderzijds.
Dit onderscheid wordt aangeduid met de Latijnse begrippen natura naturata ('genatuurde natuur') en natura naturans ('naturende natuur'). Een boom kan als simpel product van de natuur worden bestudeerd, maar er kan ook worden bestudeerd wat de inherente scheppingskracht is die de boom laat groeien en leven. Het laatste, de natura naturans, was door de eeuwen heen een buitengewoon populair onderzoeksdoel voor natuurwetenschappers.

Deze combinatie van natuurwetenschappelijke vraagstellingen enerzijds en de bestudering en verering van de drijvende scheppingskracht binnen de natuurprocessen anderzijds is precies wat wij bij Charles Darwin en andere biologen uit de 19de eeuw terugvinden.
Ook de biowetenschappen van de 21ste eeuw tonen alle kenmerken van de vroegmoderne natuurwetenschap op zoek naar de onderliggende principes van het leven. Alleen, de biowetenschappers zijn hun filosofisch vocabulaire de afgelopen eeuwen kwijtgeraakt en daarom realiseren zij zich niet dat zij binnen een natuurfilosofisch referentiekader opereren. De continuïteit is dus een onderhuidse.

Kortom: Religie is niet terug van weggeweest. Religie was nooit weg. Religie speelt in de genealogie van de westerse moderniteit een bepalende rol, al dan niet in de vorm van geïnstitutionaliseerde gemeenschappen. Parallel met de vorming van een seculiere maatschappij vanaf de 17de eeuw is er ook sprake van een diepgaand veranderingsproces van religie. De formatie van het seculiere is onlosmakelijk gekoppeld aan de formatie van het religieuze in de moderniteit.
Dat maakt het huwelijk tussen religie en natuurwetenschap zo complex.

terug naar de Inhoud

2. Ervin Laszlo en Kinsley L. Dennis - De verbinding tussen wetenschap en spiritualiteit
Ankh Hermes 2012

Het volgende stuk is een aanhaling uit Hoofdstuk 9: Wetenschap en spiritualiteit - Ontdekkingen van het moderne bewustzijnsonderzoek door Stanislas Grof (psychiater)
Een recensie van dit boek is verschenen in Gamma, jrg. 20, maart 2013,
tijdschrift van Stichting Teilhard de Chardin

Monistisch materialisme was tot nu toe de toonaangevende filosofie van de westerse wetenschappen. Diverse disciplines hebben de geschiedenis van het universum beschreven als een zuiver stoffelijke ontwikkeling, waarbij alleen wat gewogen en gemeten kon worden als reëel werd geaccepteerd. Het leven, bewustzijn en intelligentie worden gezien als min of meer toevallige 'neven-producten' van stoffelijke processen. Fysici, biologen en chemici erkennen wel het bestaan van niet voor onze fysieke zintuigen toegankelijke dimensies. Toch worden alleen dimensies van stoffelijke aard verkend met behulp van allerlei middelen die onze fysieke zintuigen moeten versterken, zoals microscopen, radiotelescopen, MRI-scanners enzovoort. Laboratoriumexperimenten spelen hierbij een grote rol.

In een op deze manier begrepen universum is er geen ruimte voor spiritualiteit, in welke vorm ook. Het bestaan van God, de idee dat er onzichtbare dimensies van de werkelijkheid zouden zijn, die bevolkt worden door onstoffelijke wezens, de mogelijkheid dat bewustzijn na de dood van het fysieke lichaam voortleeft en concepten als reïncarnatie en karma - dit alles wordt afgedaan als sprookjes of als wanen die in het handboek van de psychiatrie thuishoren. Wie als psychiater zulke dingen serieus neemt, wordt als achterlijk beschouwd - onbekend met de ontdekkingen van de wetenschap - of als bijgelovig, of als iemand die zich bezondigt aan primitief magisch denken. Als een intelligent iemand in God (of Godin) gelooft, wordt dat aangemerkt als een bewijs dat betrokkene nooit in het reine is gekomen met het infantiele beeld van de ouders als almachtige wezens, dat hij/zij zich in de vroegste kinderjaren van hen heeft gevormd. Rechtstreekse spirituele ervaringen worden dan zelfs beschouwd als symptomen van een ernstige geestesziekte (psychose).

Het onderzoek van holotrope bewustzijnstoestanden heeft echter nieuw licht geworpen op het vermeende probleem 'spiritualiteit en wetenschap'. De sleutel tot dit nieuwe inzicht is de bevinding dat het in deze bewustzijnstoestanden mogelijk is veel verschillende ervaringen op te doen die veel overeenkomst bezitten met die welke de inspiratiebron voor de godsdiensten van de wereld waren. Ik doel op visioenen van God en allerlei goddelijke en/of demonische wezens, ontmoetingen met onstoffelijke entiteiten, episoden met psycho-spirituele dood en wedergeboorte, bezoeken aan hemel of hel, ervaringen uit vroegere levens en nog vele andere. Het hedendaagse onderzoek heeft boven iedere twijfel verheven aangetoond dat ervaringen als deze niet het resultaat zijn van pathologische processen in de hersenen, maar manifestaties zijn van archetypisch materiaal uit het collectief onbewuste. Daarom behoren ze tot de normale of zelfs essentiële componenten van de menselijke psyche. Hoewel deze mystieke elementen intrapsychisch toegankelijk zijn in een proces van experimentele zelfverkenning en introspectie, zijn ze ontologisch reëel. Kortom, ze bestaan objectief.

Gelet op deze constateringen lijkt de felle strijd tussen religie en wetenschap van de afgelopen eeuwen bespottelijk en totaal overbodig. Waarachtige wetenschap en authentieke spiritualiteit strijden niet om een en hetzelfde territorium. Ze vertegenwoordigen twee benaderingen van het zijn die elkaar aanvullen en zeker geen tegenstellingen van elkaar zijn. De wetenschap onderzoekt de verschijnselen in de manifeste wereld, het stoffelijke domein van al wat meet- en weegbaar is; spiritualiteit en ware religie ontlenen hun inspiratie aan rechtstreeks verkregen ervaringskennis van een aspect van de wereld dat de volgelingen van Jung 'actieve verbeelding' noemen, om deze ervaringen te onderscheiden van verbeeldingsproducten van de individuele fantasie of van psychopathologie.
Dit actieve verbeeldingsdomein is manifest in wat ik 'holotrope bewustzijnstoestanden' noem: veranderde bewustzijnstoestanden waarin deze religie-inspirerende ervaringen zich vaak aandienen. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft bewezen dat deze ervaringen geen producten van pathologische processen in de hersenen zijn. Ze zijn, zoals ik al opmerkte, manifestaties van archetypisch materiaal uit het collectief onbewuste en daarom normale en zelfs essentiële componenten van de menselijke psyche. De matrices ervoor zijn in de diepste krochten van de onbewuste psyche van ieder mens voorhanden.

Spiritualiteit is een bijzonder belangrijk en natuurlijk aspect van de menselijke psyche. De spirituele zoektocht is dan ook een volstrekt legitieme en gerechtvaardigde menselijke activiteit. Het is echter noodzakelijk te onderstrepen dat dit alleen van toepassing is op authentieke spiritualiteit, gebaseerd op directe persoonlijke ervaring. Dit levert geen enkele steun aan dogma's of ideologieën van georganiseerde religies. Het is van cruciaal belang duidelijk onderscheid te maken tussen spiritualiteit en religie, om de misverstanden en verwarring die in het verleden zoveel soortgelijke discussies hebben vertroebeld, uit te sluiten.

Spiritualiteit steunt op rechtstreekse ervaringen van normaal onzichtbare, numineuze domeinen van de totale werkelijkheid, die gedurende holotrope bewustzijnstoestanden toegankelijk worden. Om in verbinding te treden met het goddelijke hoeven we niet naar een specifiek gebouw of een officieel daartoe benoemde persoon. Mystici hebben geen kerk of tempel nodig. De context waarin zij de heilige domeinen van de werkelijkheid ervaren, de eigen goddelijkheid inbegrepen, bestaat uit het eigen lichaam en de rest van de natuur. In plaats van bedienende priesters hebben zij eerder behoefte aan een steungroep van medezoekers, of de leiding vaп een leraar die verder gevorderd is op zijn/haar innerlijke reis dan zijzelf.

Geïnstitutionaliseerde religies zijn geneigd gezagshiërarchieën te vormen die uit zijn op macht, overheersing, politieke invloed, geld, bezit en andere wereldse zaken. Als gevolg hiervan hebben religieuze hiërarchieën in de regel een afkeer van directe spirituele ervaringen van hun volgelingen. Zij ontmoedigen deze en bevorderen in plaats daarvan afhankelijkheid omdat hun lidmaten zich anders niet goed laten sturen.
In die gevallen kan geestelijk leven alleen floreren in mystieke kloosters, ordes of extatische sekten die nog wel van de desbetreffende religie deel uitmaken. Tijdens de diepe mystieke ervaring vallen de grenzen tussen religies weg en worden de diepere grondslagen zichtbaar die ze met elkaar gemeen hebben. De dogma's van georganiseerde religies benadrukken daarentegen de verschillen tussen het ene geloof en het andere, wat tot antagonisme en vijandigheid leidt.

Het lijdt geen twijfel dat de dogma's van georganiseerde religies over het algemeen lijnrecht tegenover die van de wetenschap staan, ongeacht of een discipline berust op het mechanistisch-materialistische model of op het zich thans aftekenende nieuwe paradigma. Met authentieke mystiek op basis van spirituele ervaringen ligt dat echter anders. De grote mystieke tradities hebben immens veel kennis over het menselijke bewustzijn en de spirituele domeinen vergaard. Dat is gebeurd op een manier die overeenkomt met de methode die wetenschapsbeoefenaren toepassen voor het induceren van transpersoonlijke ervaringen, het systematisch verzamelen van data en het intersubjectief verifiëren van resultaten. Net als elk ander aspect van de werkelijkheid kunnen spirituele ervaringen door middel van wetenschappelijk onderzoek worden onderzocht, vanuit een open geesteshouding.

Het wetenschappelijk uitgevoerd bewustzijnsonderzoek heeft overtuigende bewijzen opgeleverd van het objectieve bestaan van het actieve verbeeldingsdomein. Zo werden de voornaamste metafysische veronderstellingen uit het mystieke wereldbeeld, de oosterse spirituele wijsheidsstromingen en zelfs overtuigingen uit sommige inheemse culturen bevestigd.

Het conflict tussen religie en wetenschap is een afspiegeling van een wederzijds misverstand. Zoals Ken Wilber 1) uiteen heeft gezet, kan er geen conflict tussen wetenschap en religie zijn wanneer beide gebieden naar behoren worden verstaan en gepraktiseerd. Als er toch een conflict lijkt te zijn, hebben we vermoedelijk te maken met pseudowetenschap en pseudoreligie. De schijnbare onverenigbaarheid komt voort uit het feit dat beide kampen de standpunten van het andere kamp schromelijk misverstaan en naar alle waarschijnlijkheid ook een onjuiste versie van hun eigen discipline presenteren.

1) Zie hiervoor Ken Wilber, De integratie van wetenschap en religie, Servire, Utrecht


terug naar de Doelstelling






^