Jezus


De aankondiging van de komst van Jezus door de profeet Jesaja:
Daarom zal God zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel (God met ons) geven. (Jesaja 7:14)
En op hem zal de Geest van God rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en hoogachting voor God. (Jesaja 11:2)
Groot is zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen. Davids troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid.
Daarvoor zal hij zich beijveren, de God van de hemelse machten (de engelen). (Jesaja 9:6)


Christus Pantokrator (Albeheerser)
Duomo Cefalu, Sicilië
bron: vo-perikopen.blogspot.nl
'Iesous' is de Griekse naam die afkomstig is van de Hebreeuwse naam 'Jehova shua', 'Jehoshua' of 'Jeshua', wat 'God helpt' betekent. Deze naam werd in die tijd veel aan jongens gegeven, omdat de joden hoopten op de geboorte van iemand die hen zou helpen hen van de harde onderdrukking door het Romeinse bezettingsleger te bevrijden.
(Bron: rabbi Weinreb, Friedrich, (1997) 'Het leven van Jezus. Een joodse visie op het Nieuwe Testament', p. 137: "In het Hebreeuws heet Jezus Jəhosjoe'à, ‘God helpt’. Iedereen die in een situatie komt waar gewone antwoorden niet meer kunnen helpen, zoekt bewust of onbewust naar hulp, naar 'jesjà’ en daarom naar Jezus, Jehosjoe'à.")
Jezus is Gods heilige geest die één keer naar de aarde is gekomen om ons te helpen bij onze gang over 'de Weg', onze levensweg.

Uitgaande van de werken van Jakob Lorber en Emanuel Swedenborg kan worden aangenomen, dat de aankondiging van de geboorte van Jezus aan Maria heeft plaatsgevonden, zoals in het Evangelie van Mattheüs (1:18-25) is vermeld. Dat betekent dat Gods heilige geest - door de boodschappende engel heen - zelf tegen Maria heeft gezegd, 'Jezus' te willen worden genoemd; dit komt overeen met de bedoeling van de heilige geest de mensheid op aarde te komen helpen zich uit de geestelijke duisternis te bevrijden waarin een deel ervan verkeerde... en verkeert.
Gods heilige Geest wordt in het Grieks de 'parakleitos' genoemd: de helper, ondersteuner, trooster.

Dertig jaar lang tot aan zijn openbare optreden, werd door zijn naaste omgeving alleen de naam 'Jezus' gebruikt om het menszijn van Gods heilige geest in de stof van de aarde, aan te duiden. Pas nadat Jezus door zijn optreden en lering indruk op zijn omstanders had gemaakt, gingen zíj er langzamerhand toe over zijn naam ook de toevoeging 'de Christus' te geven.
Het Latijnse woord 'christus' komt van het Griekse 'christos' (χ ρ ι σ τ ο ς) dat 'gezalfde' betekent. Dit woord hangt nauw samen met 'chrestos' (χ ρ ε σ τ ο ς): de deugdzame, goede, zachte, milde, verdienstelijke, de goden gunstig. Alleen iemand die 'chrestos' was, kon 'christos' worden. In het Grieks had de naam een verheven betekenis!

Het woord 'messias' heeft dezelfde betekenis als 'christos'. Messias komt van het Hebreeuwse 'masjiach': gezalfde. De joden hadden namelijk de gewoonte een koning, een hogepriester en een profeet met heilige olie te zalven door dit tijdens een plechtigheid op hun voorhoofd (waarachter de geest zich bevindt) aan te brengen.
Eeuwenlang verwachtte het joodse volk een bijzondere messias, maar men wist niet of hij een staatkundige of een godsdienstige betekenis zou hebben. Door de eeuwen heen zijn er ook mensen geweest die stelden dat zíj de verwachte messias waren.
Aangezien koningen, hogepriesters en profeten een hoog aanzien (konden) hebben bij het volk, had de naamstoevoeging 'masjiach' ('christos') in de theocratische joodse maatschappij een hoge, staatkundige betekenis. Het is een toevoeging waartoe later Jezus' vólgelingen hebben besloten die ook aan Jezus te geven. Vandaar dat ook pas later werd gesproken van: "Jezus, die de Christus wordt genoemd".
Deze naamgeving werd echter deels ingegeven door de hoop van het Joodse volk op het verschijnen van een bevrijder. De naamstoevoeging 'christus' heeft een politieke, tíjdelijke betekenis en gaat voorbij aan de ware, kosmische reden van de komst van Gods heilige geest naar de aarde in de vorm van de mens met de naam Jezus: God helpt, die de toevoeging 'christus' eigenlijk niet nodig heeft.

In het Palestina van die tijd waren velen 'masjiach' ('christus'), want alle koningen, profeten en hogepriesters waren gezalfd. Jezus echter bestreed juist deze gezalfde priesters, hij veroordeelde en verwierp de wijze waarop priesters van die tijd de godsdienst van Abraham en Mozes vormgaven (hadden vervormd). De 'tempel' was een instituut geworden dat een eigen leven was gaan leiden.
Niet alleen wás hij niet daadwerkelijk gezalfd, maar hij wílde ook niet onder de 'gezalfden' worden gerekend, want hij verbood zijn leerlingen die titel te gebruiken: "Toen verbood Hij met nadruk zijn leerlingen aan iemand te zeggen: Hij is de Christus." (Mattheüs 16:20) Hij zei bovendien duidelijk dat zíjn koninkrijk níet van deze wereld was!
Het toekennen van deze titel door anderen, zonder dat Jezus daar zelf om gevraagd heeft, is een onnodige poging van hen Jezus een zekere status te geven - waarschijnlijk vooral van Paulus die het moest opnemen tegen afwijzende joden in de diaspora (zie de tabel hieronder). Paulus ging in tegen de behoudende apostelen; hij wilde de blijde boodschap onder de heidenen gaan verspreiden en zocht naar wegen om Jezus' aanzien te verhogen. Maar Jezus is Gods heilige geest, hij had het uiterlijke kenteken van een politieke status, de zalving, niet nodig.
Door als volgeling die uiterlijke, staatkundige titel 'christus' te gebruiken, ontstaat afstandelijkheid en al helemaal door het over 'de christus' te hebben; alleen door zijn ware, zélf gekozen naam 'Jezus' te gebruiken, kan een persoonlijke, innerlijke verstandhouding met Jezus ontstaan.

De naam 'Jezus' komt 693 keer voor in het Nieuwe Testament (54%), 'Jezus Christus' 144 keer (11%), 'Christus Jezus' 123 keer (10%) en 'Christus' 317 keer (25%). In het Markus Evangelie, waarschijnlijk het oudste waarin de tekst het minst is 'verfraaid', is de verhouding tussen 'Jezus' en 'Christus' 91% en 8%, maar in de Brief aan de Romeinen van Paulus is de verhouding 10% en 48%! M.a.w. de naamstoevoeging 'Christus' is pas later en vooral door toedoen van de zendingsbrieven van Paulus uitgebreid in zwang gekomen:
Handelingen 9:22 Saulus’ optreden werd echter steeds krachtiger en hij bracht de in Damascus wonende Joden in verwarring door aan te tonen dat Jezus de messias is.

Boeken waren in de Oudheid kwetsbaar en sleten snel door het gebruik; ze moesten daardoor regelmatig worden overgeschreven. Dat hield niet alleen het gevaar in dat er fouten werden gemaakt, maar ook gaf het de kopieïst de gelegenheid de tekst aan te passen aan eigen of in die tijd geldende, veranderde opvattingen. Ook in die tijd werd er al gezegd: "Dat is niet meer van deze tijd."(!)

Het voorkomen van de naam Jezus en toevoegingen in het N.T.
Jezus Jezus Christus Christus Jezus Christus tijd (n.Chr.)
Markus
Mattheüs
Lukas
Johannes
Handelingen

1 Korinthiërs
Galaten
2 Korinthiërs
Efeziërs
Filippenzen
Kolossensen
Romeinen

Hebreeën
Openbaringen
Nieuwe Testament
91 %
89 %
88 %
93 %
70 %

10 %
3 %
18 %
4 %
8 %
7 %
10 %

45 %
69 %
54 %
1 %
2 %
-
1 %
15 %

16 %
20 %
9 %
15 %
15 %
4 %
22 %

-
19 %
11 %
-
-
-
-
-

10 %
23 %
5 %
23 %
35 %
15 %
20 %

-
-
10 %
8 %
9 %
12 %
6 %
15 %

63 %
54 %
68 %
58 %
43 %
74 %
48 %

55 %
12 %
25 %
50-70
50-80
50-90
60-100
90

54
54
55

55
55
58




Thomas Evangelie
Evang. der Waarheid
100 %
60 %
-
10 %
-
-
-
30 %
 

In de Evangeliën wordt gemiddeld genomen in 90% van de gevallen de naam 'Jezus' gebruikt, in de Brieven van Paulus maar in 9% en de naam 'Christus' in 60%.
Door toedoen van Paulus is de toevoeging 'Christus' zelfs een eigen leven gaan leiden, zónder 'Jezus', de naam die Gods heilige geest zélf aan zichzelf gaf! Het uitsluitende gebruik van de titel 'christus' zonder de eigennaam 'Jezus' ervoor is een ontwijding van de betekenis van de persoon Jezus, in wie Gods heilige geest bij de mensheid op aarde is geweest, en niet een profeet of koning!
Het is kenmerkend voor de geestesgesteldheid van hen die vervolgens het optreden van Jezus en zijn leer in de vorm van het 'Christendom' hebben gegoten en daarbij voor de naamgeving van die godsdienst hebben gekozen voor een uiterlijke, politieke titel, de 'christus' en niet voor de persoon zelf: Jezus. Trouwens, de eerste navolgers van Jezus noemden zich niet 'Christenen' maar: 'de mensen van de weg', de weg die Jezus hen gewezen had (of ook wel 'de Nazoreeërs).
Deze weg is een innerlijke ontwikkelingsweg die leidt tot omvorming van de persoonlijkheid in de richting van het geweten en de deugden. Het is de weg van de esoterie, de gnostiek, de weg die Jezus onderwees (zie Jakob Lorber)... maar die in de eerste eeuwen door de exoterie, door hen die zich 'Christenen' gingen noemen, op hardhandige wijze het zwijgen is opgelegd!

Maar hoewel Paulus naast de naam 'Jezus' de nadruk legde op de naam 'Christus', had Paulus wel een duidelijk beeld van wie Jezus in feite was, getuige een opmerking van hem in zijn brief aan de Kolossenzen 1:15-20,

Broeders en zusters,
Christus is beeld van God, de onzichtbare [algeest]; [Christus is de] eerstgeborene van heel de schepping: in Hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, 'vorsten en heersers, machten en krachten' [dit zijn de namen van vier engelenordes], alles is door Hem en voor Hem geschapen.
Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.
Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk [van Grieks 'kyriakos': 'van de heer', godshuis; maar in het godshuis verzamelt zich de lévende gemeenschap van gelovigen, dus 'kerk is geloofsgemeenschap', want alleen díe is 'van de Heer'!].
Oorsprong is Hij, eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn: in Hem heeft heel de volheid [de algeest] willen wonen en door Hem en voor Hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn 'bloed' [zijn zelfoffer] aan het kruis.

Bij de evangelist Lukas kunnen we het volgende lezen in de verzen 4:14-22
Het optreden van Jezus in Nazaret
Jezus keerde, gesterkt door de Geest, terug naar Galilea. Het nieuws over hem verspreidde zich in de hele streek. Hij gaf onderricht in de synagogen en werd door allen geprezen. Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd en hij rolde hem af tot de plaats waar geschreven staat:
"De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen."
Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging weer zitten; de ogen van alle aanwezigen in de synagoge waren op hem gericht. Hij zei tegen hen: "Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan." Allen betuigden hem hun bijval en verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden en ze zeiden: "Dat is toch de zoon van Jozef?"

Bij die gebeurtenis zegt Gods heilige geest door de mens Jezus heen wat hij ooit door de mond van de profeet Jesaja heeft gesproken, namelijk dat hij nu in de mens Jezus op aarde is en dat de geest, die door de mond van Jezus heen spreekt, de heilige geest is die door God is gezalfd.
Jezus noemt zichzelf daar de 'masjiach', de gezalfde of in het Grieks Christos. Hij is niet door mensen gezalfd met olie, zoals te doen gebruikelijk bij koningen, hogepriesters en profeten, maar door God zelf. Jezus zet zichzelf daardoor apart van de anderen als een uitzonderlijke, op geestelijke wijze gezalfde.
Deze naam 'Christus' verwijst naar een goddelijk wezen, Gods heilige geest, terwijl de inwoning van die heilige geest in de mens op aarde de naam 'Jezus' (God helpt) heeft gekregen. Het zijn twee aanduidingen, twee namen voor één en dezelfde geest.


terug naar Jezus, 10. De kern van Jezus' leer

terug naar Jezus, 11. Jezus' leer is de leer van een joodse rabbi

terug naar de woordenlijst J







^