bewustzijn

of juister: 'zich bewust zijn'; maar meestal is dit betekenisverminderend afgekort tot enkel 'bewustzijn'

Het woord 'bewust'
Het Nederlands beschikte al over het werkwoord 'weten' (Duits 'wissen') en daarvan afgeleid de werkwoordelijke uitdrukking 'het wetend zijn' of 'weet hebben van', als de bewustzijnstoestand, dat de 'wetende' persoon in de toestand verkeert 'iets te weten', 'wetend te zijn' of ergens 'weet van te hebben'.
Aan de Nederlandse woordenschat is in de 17e eeuw het woord 'bewust' toegevoegd, dat uit de Duitse zustertaal is geleend, waar het woord 'bewußt' (bewusst) bestaat; daar heeft het de betekenis 'bekend', 'weet hebben van', want het Duitse 'bewusst' is een verbuiging van het werkwoord 'wissen': weten. Naar aanleiding van dat leenwoord 'bewust' drie punten:

1. Het wederkerende voornaamwoord 'zich'
In het Nederlands is uit 'bewust' de wederkerende werkwoordelijke uitdrukking 'zich bewustzijn' ontstaan (met de betekenis: 'wetend zijn', 'weet hebben van'), dat in de Nederlandse grammatica verplicht wederkerend is - het wederkerende voornaamwoord 'zich' hoort er onafscheidelijk bij, doordat 'zich' naar een handelende persoon verwijst bij werkwoorden, die die persoon in zichzelf voltrekt (zich herinneren, zich bedenken, zich verbazen, zich afvragen, enz.). *) Deze wederkerend werkwoordelijke uitdrukking 'zich bewust zijn' (wetend zijn) heeft daardoor als zelfstandig naamwoord: 'het zích bewust zijn' (het wetend zijn).
Met andere woorden: het wederkerende voornaamwoord 'zich' verwijst naar het subject: de persoon die door een voorwerp waar te nemen 'weet heeft gekregen' van dat voorwerp, 'zich ervan bewust is geworden', met 'het zich bewust zijn' als zelfstandig naamwoord.

2. Een 'werkwoordelijke uitdrukking'
Aangezien bij 'zich bewust zijn' sprake is van een 'werkwoordelijke uitdrukking' betekent dat, dat er 'iets' of 'iemand' aanwezig moet zijn als de zelfstandigheid die wérkt, als de werker, die de werkzaamheid 'zich bewust worden' en 'zich bewust zijn' voltrekt - of aan zich laat voltrekken - en dan in die toestand van 'zich bewust zijn' volhardt.
Weliswaar zijn 'worden' en 'zijn' hulpwerkwoorden, maar er moet desondanks toch 'iets' of 'iemand' zijn die zichzelf in de zijnstoestand brengt 'zich van iets bewust te zijn' en die zijnstoestand ook in zichzelf te handhaven. Er moet ook een persoon zijn die dit 'zich van iets bewust te zijn' in zichzelf ervaart.
Maar zoals een zelfstandig naamwoord niet zonder een voorwerp of begrip kan, waar dat zelfstandig naamwoord naar verwijst, zo kan een werkwoord niet zonder een 'werker' die het werk of de handeling, dat door het werkwoord wordt aangeduid, uitvoert. Ook de werkwoordelijke uitdrukking 'zich bewust zijn' is een werkwoord - weliswaar is 'zijn' een hulpwerkwoord, maar toch duidt het aan dat de persoon die zich door waarneming van een onderwerp bewust is geworden, zich door een bepaalde werking in zichzelf in die toestand 'zich van iets bewust te zijn' brengt en handhaaft.

3. Het woord 'zich' verwijst naar de persoon
Het huidige wederkerende voornaamwoord 'zich' is etymologisch een verbuiging van het indogermaanse persoonlijke voornaamwoord 'se' en duidt daardoor een persoon aan. Het is de persóón die de werkzame zelfstandigheid is die zichzelf in de toestand brengt 'zich van iets bewust te zijn'... en die persoon is de menselijke geest.
De geest is namelijk de zelfstandigheid die over het waarnemingsvermogen beschikt en die door een bepaald onderwerp 'waar te nemen' een afbeelding van dat onderwerp als een lichtbeeld in zichzelf als geest opneemt en er zo weet van krijgt, zich er zo bewust van wordt.

De geestelijke vermogens
In de geestelijke wereld is zichtbaar dat de menselijke geest een bólvorm heeft en zo over een innerlijke ruimte beschikt: het 'innerlijk'; voor het geopende geestesoog doet de geest zich namelijk voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte kunnen in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: een doordringbare, vormbare en een zelfvormende, doordringende toestand.

 doordringbaar
vormbaar
zelfvormend
doordringend
lichtwaarnemendenken
warmtevoelenwillen
Met die vormbare en zelfvormende eigenschappen van dat licht en die warmte hangen de vier geestelijke vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken zelfvormend licht, voelen vormbare warmte en willen zelfvormende warmte. Voortdurend is de menselijke geest binnen zichzelf als die bolvormige wolk met die vermogens werkzaam, door
- de dingen om zich heen waar te nemen, waardoor de geest zich er bewust van wordt,
- dan de betekenis ervan te beoordelen door ze te overdenken en te doorvoelen,
- en vervolgens te besluiten er al dan niet iets mee te willen doen.

Het waarnemingsvermogen
Door waar te nemen, neemt de geest, de werkzame persoon, het waargenomen beeld als een afbeelding ervan in zich op, doordat het uiterlijke beeld binnen de geest een innerlijk lichtbeeld wordt, een waarnemingsbeeld (hoe dit gebeuren door de ogen en de hersenen heen verloopt, is te lezen in Godsaanwijzingen: 'De wisselwerking tussen de geest en zijn hersenen'. Door het beeld 'in zich op te nemen' komt de geest in de tóestand, waarin 'de geest zich bewust wordt' van het waargenomene. M.a.w. het 'zich van iets bewust zijn' is een tóestand van 'wetend zijn', waarin de géést komt te verkeren als die zijn waarnemingsvermogen gebruikt en zo een bepaald onderwerp 'verinnerlijkt'.
Met andere woorden: het 'zich bewust zijn' of 'wetend zijn' is een geestestóestand. Het is níet een aanwijsbare zelfstandigheid, niet een wezen; want het 'wezen' als 'dat, wat ís', dat wezen is alleen de werkzame, want waarnemende géést.

De geest als die bolvormige wolk van licht en warmte bevindt zich overdag in de geestelijke wereld op de plaats, waar in de stóffelijke wereld het voorhoofd met de hersenen zich bevindt.
Als de menselijke geest zich - vanuit zichzelf als die bol - wil uitspreken, dan drukt die de in zichzelf gevormde gedachten als lichtbeelden op de hersenschors af; door de hersenen, de zenuwbanen, de stembanden en de mond heen, komen deze gedachten dan naar buiten toe als woorden tot uitdrukking in de ruimte van deze stoffelijke wereld: zij 'klinken doorheen' de mond (zie in Godsaanwijzingen: 'De wisselwerking tussen de geest en zijn hersenen'). De bron van wat er zo door de mond heen tot klinken komt, is de menselijke geest en die is daarmee ook datgene, wat 'de persoon' wordt genoemd, van Latijn 'per-sonare', er doorheen klinken.

Het zich bewustzijn is een geestestoestand
Het 'zich bewust zijn' is een toestand van de persoon en die persoon is zoals gezegd de menselijke geest; het is daardoor een geestestoestand. Het is een geestestoestand van wetend zijn, van weet hebben van, van kennen; en de geest kan in die wetende toestand komen te verkeren door gebruik te maken van het vermogen 'waar te nemen': 'een waar in zich op te nemen'.
De toestand 'het zich bewust zijn' is daardoor uitsluitend binnen de menselijke geest te vinden. Niet in de hersenen.

Het werkwoord 'weten' hangt etymologisch samen met het Latijnse 'videre', dat 'zien' betekent en met andere woorden met: waarnemen. De geest komt in de geestestoestand van 'zich bewust zijn' te verkeren, door bewust gewild - op willekeurige wijze - een onderwerp waar te nemen door zich er 'aandachtig voor open te stellen'.
De geest kan ook op een onwillekeurige wijze in die toestand komen te verkeren, namelijk door lijdzaam bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen te ondergaan, bijvoorbeeld pijn of harde geluiden.

In de Angel-Saksische literatuur gebruikt men echter het - uit het Latijn geleende - woord 'consciousness', van 'conscientia' met de betekenis: 'medeweten', 'geweten' en 'bewustzijn'. Door de invloed daarvan is in het Nederlands het wederkerende voornaamwoord 'zich' in onbruik geraakt, maar daarmee ook de verwijzing naar het ónderwerp van dat werkwoord, namelijk: 'de persóón, die zich bewust is'... de menselijke geest!
Beide begrippen: 'bewustzijn' en 'consciousness', zijn daardoor ongeschikt om de toestand van 'zich bewust zijn' te onderzoeken en te begrijpen.
Door immers het wederkerende voornaamwoord 'zich' weg te laten uit 'het zich bewust zijn' verdwijnt ook de geest zelf, de persoon uit het zicht - terwijl 'het zich bewust zijn' alleen een éigenschap van de geest kan zijn. Alleen de géést kan 'zich van iets bewust zijn' door het geestelijke vermogen 'waarnemen' te gebruiken.

Door het grammaticaal onjuiste woordgebruik lijkt het alsof 'het bewustzijn' op zich een zelfstandigheid zou zijn, die ook zelf iets zou kunnen doen; want door gemakshalve 'zich' weg te laten, dat terugverwijst naar het onderwerp in de vorm van de handelende persoon, wordt deze verhouding niet meer gezien. Die handelende persoon is altijd de geest zélf. Het is daardoor alleen de géést die in zichzelf een wilshandeling kan uitvoeren met een van zijn vermogens.
De geest 'kan zich iets herinneren', maar is niet zelf 'de herinnering' of de geest 'kan iets bedenken', maar is niet zelf 'de gedachte'; en daarmee overeenkomend: de geest 'kan zich van iets bewust zijn', maar is niet alleen 'het bewustzijn', want de geest is veelomvattender, is meervoudig werkzaam en 'zich bewust zijn' is een van de tóestanden waarin de geest zichzelf kan brengen, door zijn waarnemingsvermogen te gebruiken.
Het 'zich bewust zijn' is als geestestoestand een gevolg van het waarnemen, zoals een gedachte een gevolg is van het denken doordat de geest zich in een denkende toestand brengt. Door waar te nemen vormt de geest ín zich een toestand van 'zich van iets bewust zijn' als gevolg van het waarnemen, zoals de geest door te denken in zich een gedachte vormt als gevolg van het denken. Dezelfde redenering geldt voor het voelen en willen.
De werkzame geest die het waarnemingsvermogen gebruikt om zich van iets bewust te worden, om van iets weet te krijgen, kennis te nemen, is de oorzaak van de daarop volgende geestestoestand van 'zich van iets bewust te zijn', van iets weet te hebben gekregen. Die geestestoestand - die dus ook wel tot 'bewustzijn' wordt afgekort - is het gevolg van de voorafgaande geestelijke werkzaamheid, het waarnemen.
Maar door onwetendheid van die werkzaamheid wordt de oorzaak niet gezien, alleen het gevolg. Op het gevolg wordt nu alle aandacht gericht... maar als men de oorzaak niet kent, wordt het gevolg - het 'bewustzijn' - iets onbegrijpelijks.

Als de menselijke geest werkzaam wordt door de vermogens te gebruiken, dan brengt de geest door waar te nemen zichzelf in een waarnemende toestand, waardoor de geest een 'waarneming' doet en zo 'zich van iets bewust wordt'. Als de geest gaat denken dan brengt de geest zichzelf in een denkende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'denking' verricht en zo een 'gedachte' vormt. Als de geest gaat voelen dan brengt de geest zichzelf in een voelende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'voeling' tot stand brengt en zo in zichzelf een 'gevoel' laat vormen. Als de geest gaat willen dan brengt de geest zichzelf in een willende toestand, waardoor de geest een 'willing' (wilshandeling) tot stand brengt en zo een 'wilsbesluit' gaat uitvoeren, in een handeling omzet.
Met andere woorden: het 'zich bewust zijn' is in wezen een geestestoestand van 'waarnemend zijn'; het is een toestand waarin de geest komt te verkeren door te 'willen waarnemen'.

Het woord 'bewustzijn' als een zelfstandigheid
In sommige levensbeschouwingen wordt 'het bewustzijn' als een zelfstandigheid gezien en wordt wel gesteld dat 'het bewustzijn voelt' of dat 'het bewustzijn wil'. Als wordt gezegd dat 'het bewustzijn voelt' en de toestand van 'bewustzijn' een gevolg is van het vermogen waar te nemen, dan moet het daarmee overeenkomend ook mogelijk zijn om te zeggen dat 'de gedachte voelt'. Dit is echter een ongerijmdheid. Alleen de géést is in de binnenwereld de werkzame zelfstandigheid die iets kan doen met behulp van de geestelijke vermogens, onder andere 'zich van iets bewust worden' door iets waar te nemen en gedachten te vormen door te denken.

De geestestoestand van onbewuste vereenzelviging
Het verschijnsel dat over 'het bewustzijn' als een werkzame zelfstandigheid wordt gesproken, ontstaat door de toestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar). Daardoor vereenzelvigt de werkzame geest zich met de vóórtbrengselen van de eigen vermogens. Aandacht en toewijding gaan dan door overdracht over in de toestand 'zich van iets bewust te zijn'. Door de onbewuste overdracht wordt dát nu als de werkzame eenheid ervaren, terwijl de geest zelf verborgen blijft achter de ervaringen of de kennis, waarvan op dat ogenblik de geest wel 'zich bewust is'. Die bewústzijnstoestand wordt daardoor als de werkelijkheid ervaren en als een zelfstandigheid benoemd, alsof het de geest zelf zou zijn.
Er wordt dan gezegd, dat iedereen toch het besef heeft er te zijn, dat zelfbesef toch een algemeen voorkomend verschijnsel is.

Door de onbewuste vereenzelviging vindt er ook een vereenzelviging met het lichaam en de hersenen plaats. Men gaat daardoor van de gedachte uit, dat de 'toestand van bewustzijn' een eigenschap van de hersenen is en ook dat er in dat orgaan een plaats moet zijn, waar de toestand van bewustzijn aan en uit kan worden gezet. Deze plaats is gevonden en het blijkt het 'claustrum' te zijn (naast de formatio reticularis in de hersenstam en de hypothalamus in de tussenhersenen).
Vreemd genoeg blijken de hersenen zelf nog wel werkzaam te blijven als het claustrum met behulp van stroom op kunstmatige wijze wordt uitgezet! Men beseft niet dat er door deze kunstmatige ingreep slechts een gedeeltelijke uittreding van de geest wordt opgewekt, waarbij de geest nog wel gedeeltelijk met de hersenen verbonden blijft, wat de oorzaak is van de overgebleven werkzaamheid in de hersenschors, zoals dat bijvoorbeeld bij de droomtoestand en bij anaesthesie ook het geval is.
Klik hier voor een artikel over dit onderzoek.

Ook wordt in de literatuur wel gesproken over: 'een inhoud van het bewustzijn'. Het 'zich van iets bewust zijn' is echter een geestestoestand en een 'toestand' kan niet iets bevatten. Wat gebeurt is, dat de geest door waar te nemen het eigen geestelijke licht openstelt en daardoor het waargenomen onderwerp 'in zich opneemt', 'verinnerlijkt'. Doordat het onderwerp zich op etherische wijze in de geest heeft kunnen afdrukken en het zo een inhoud van de geest is geworden, is de géést zich er bewust van geworden, heeft de geest er weet van gekregen.
Er kan wel afgekort over 'het bewustzijn' worden gesproken als maar steeds wordt beseft, dat het een geestestoestand is, waarin de géést door waar te nemen weet van iets heeft gekregen.

Het Nederlands kent wel het zelfstandig naamwoord 'bewustzijn', zonder zich, maar dat heeft de betekenis 'bij kennis zijn', beseffen; men kan 'het bewustzijn verliezen', 'bewusteloos raken' of weer 'bij bewustzijn komen'.
Voor zover mij bekend bezitten alleen Nederlands en Duits het wederkerende voornaamwoord 'zich' of 'sich' en de verbuigingen daarvan. Ook het Achterhoeks gebruikt het.

De flogistontheorie
De huidige discussie over 'het bewustzijn' is vergelijkbaar met de discussie over de 'flogistontheorie' die in de Middeleeuwen werd gevoerd.
De middeleeuwse mens begreep het verschijnsel 'vuur' nog niet. In een poging dit verschijnsel toch te verklaren, ontwikkelde men de flogistontheorie, letterlijk de ontstekingstheorie. Er moest een brandveroorzakende stof aanwezig zijn in brandbare materialen, een stof die men 'flogiston' noemde. Ook daar zijn vele boeken door veel geleerden over volgeschreven.
Totdat Lavoisier vond dat de vuurverschijnselen werden veroorzaakt door zuurstof uit de lucht. Hij vond dat iedere brand werd gedoofd door het brandende voorwerp van de lucht af te sluiten met een glazen stolp. Hij bewees daarna dat het zuurstof uit de lucht moest zijn, dat bij voldoende hitte een chemische reactie veroorzaakte met de brandbare stof en dat dat de oorzaak was van de vuurverschijnselen. De vlammen die daarbij worden gezien, zijn in feite hete gassen, die daardoor licht uitstralen.
Maar voordat men dit wist, richtte men alle aandacht op de brandbare stof zelf, terwijl men de oorzaak, de zuurstof in de lucht, niet zag. Zo zien heden ten dage de bewustzijnonderzoekers niet de waarnemende geest, die van de geestestoestand 'zich van iets bewust zijn' de grondslag is.
Duidelijk zal zijn geworden, dat zij 'het (zich) bewustzijn' niet in de hersenen zullen vinden; wat zij buiten zich zoeken, is alleen door inkeer en zelfbezinning in henzelf te vinden.

Volgens Google Translate gebruikt van alle Europese talen slechts een kleine taalgroep, namelijk alleen het Nederlands, Duits, Fries, Limburgs en Luxemburgs het wederkerende voornaamwoord 'zich' of een verbuiging daarvan (mij, mir) in een zin als 'ik ben mij ervan bewust', 'Ich bin mir dessen bewusst'.

Dit stuk is een antwoord op het artikel Het bewustzijn als illusie uit de serie 'De Volmaakte Mens'.

*) Bron: Taaladviesdienst, onderdeel van het Genootschap Onze Taal


terug naar de woordenlijst B

terug naar het Menu






^