het gelijkheidsvooroordeel


Veel filosofen hebben het verschijnsel dat nu het 'gelijkheidsvooroordeel' wordt genoemd, opgemerkt en beschreven. Het gaat om het feit dat sommige mensen, zonder een uitgebreide kennis over een bepaald onderwerp te bezitten, toch een buitengewoon vertrouwen hebben in de juistheid van hun oordeel hierover; terwijl anderen, die over veel kennis over datzelfde onderwerp beschikken, daardoor juist kunnen gaan twijfelen aan hun eigen oordeel op dat gebied. Mensen met weinig kennis of kundigheid kunnen door zelfoverschatting worden gekenmerkt, terwijl zij die kennis en kundigheid bezitten zichzelf kunnen onderschatten.

Als deze soorten mensen elkaar ontmoeten en met elkaar in gesprek raken - bijvoorbeeld tijdens een vergadering - dan denkt de ene soort zonder reden dat ze het beter weten, terwijl de andere soort evenmin zonder reden aan zichzelf twijfelt. Doordat zij de wederzijdse houdingen van overschatting en onderschatting van elkaar vaag opmerken, ontstaat de toestand dat beide soorten er onbewust en zonder reden van uitgaan, dat zij aan elkaar gelijkwaardig zijn: het wederzijdse 'gelijkheidsvooroordeel'.
Dit vooroordeel houdt in dat zowel de onkundigen als de kundigen er onbewust van uitgaan, dat allen even kundig zijn; daarbij lijden de onkundigen aan zelfoverschatting, terwijl de kundigen zichzelf onderschatten. De eerste groep ontmoet geen weerstand en voelt daardoor de eigen zelfverzekerdheid bevestigd, de andere is stomverbaasd over die ten toon gespreide zelfverzekerdheid en laat zich overheersen.


Mensen zonder kennis van zaken hebben de neiging zichzelf te overschatten en luidkeels hun mening te verkondigen, terwijl mensen met kennis van zaken juist beseffen hoeveel ze nog niet weten, waardoor zij voorzichtig worden in hun oordeel en zich door hun twijfel bescheiden op de achtergrond houden. Dat versterkt de mening van de overmoedigen dat zij het juist zien, waardoor zij een zelfverzekerdheid ten toon spreiden die de anderen niet hebben, waardoor die er maar van uitgaan dat de zelfverzekerden het wel bij het rechte eind zullen hebben. Ondanks hun overwicht aan kennis, durven zij niet tegen de anderen in te gaan; de zelfverzekerdheid van de anderen verlamt hen. Intellectuelen worden daardoor vaak door zelftwijfel geremd en laten het gebeuren dat er beslissingen worden genomen die beter hadden gekund. Zij durven hun stem niet meer te laten horen.
De onwetenden beseffen niet wat zij allemaal nog niet weten en worden daardoor niet door hun gebrek aan kennis gehinderd; de wetenden beseffen al wel wat zij nog niet weten en zijn daardoor voorzichtig geworden in hun uitspraken.
De onwetenden en onkundigen kunnen door hun eigen toestand geen inzicht in de kennis en kundigheid van anderen hebben, maar willen wel zichzelf laten gelden, wat leidt tot hun zelfoverschatting. Zij hebben zelf geen besef van wat er met hen gebeurt en laten zich ongeremd gaan in hun poging zichzelf staande te houden en zich de meerdere te voelen tegenover de anderen.

Het gelijkheidsvooroordeel komt tot uiting in de oude volkswijsheid: "Holle vaten klinken het hardst" en "De beste stuurlui staan aan wal".
Het verschijnsel treedt ook op bij natuurwetenschappers, die, niet gehinderd door enige kennis omtrent geestelijke onderwerpen, toch menen er hun oordeel over te kunnen uitspreken - bijvoorbeeld over bijna-doodervaringen, de werking van de hersenen of de eonentheorie. Door hun kennis op natuurwetenschappelijk gebied overschatten zij zichzelf en menen dat zij met gezag uitspraken kunnen doen over zaken, waar zij weinig tot niets van af weten.

Klik hier voor een artikel over dit onderwerp: het Dunning-Krugereffect.


terug naar de vragenlijst

terug naar de woordenlijst

terug naar het weblog







^