Unieke woorden
Woorden die uniek zijn voor het Nederlands
In de woordenschat van iedere taal komen wel woorden voor, die niet of nauwelijks in een andere taal zijn te vertalen. Het Duits kent bijvoorbeeld ‘überhaupt’, het Nederlands de woorden ‘apartheid’ (werd wereldwijd gebruikt) en ‘eigenwaarde’ in kwantumfysica. Daarnaast zijn er een vijftal woorden die, voorzover ik weet (ik heb het onderzocht met Google Translate), alleen in het Nederlands voorkomen (één ook in onze Duitse zustertaal).
1. Gedaante (geestgedaante)
Het woord gedaante (gestalte, verschijning, etherisch ‘lichaam’) is een zelfstandig naamwoord, dat is gevormd uit het verleden deelwoord ‘gedaan’ van het werkwoord ‘doen’. Het zelfstandig naamwoord wordt gevormd door het achtervoegsel ‘te’ toe te voegen, op dezelfde wijze zoals dat ook bv. bij gedacht en gedachte plaatsvindt.
Een gedaante wordt gevormd door iets te hebben ‘gedaan’. Dat ‘doen’ betreft de menselijke geest, die, door iets te doen door zijn geestelijke vermogens te gebruiken, een geestelijke uitstraling om zich heen veroorzaakt, die vervolgens door de éigenschappen van die vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen, wordt gevormd in overeenstemming met die eigenschappen. Zo verschijnt de menselijke gestalte, daar het waarnemen het hoofd met alle zintuigen vormt, het denken de ontledende en samenstellende organen in de buikholte (maag, darmen), het voelen de celvoedende organen (hart en longen) in de borstkas en het willen de bewegingen van de ledematen, handen en voeten.
De geestgedaante is een lichtgestalte, het voertuig voor de geest in de geestelijke wereld. Voor de aarde is het de mal, waardoor het stoffelijke lichaam zijn vorm krijgt. Het Germaanse woord 'stof' komt van 'stoppen' in de betekenis van ‘volstoppen’, ‘opvullen’. De geestgedaante van de menselijke geest is in de aardse wereld 'opgevuld' met verdicht, geestelijk licht: hier 'stof' genoemd.
2. Gezin
Het woord 'gezin' is afgeleid van het Middelnederlandse woord 'ghesinde'. Dat had als betekenis 'reisgezelschap, gevolg’, namelijk een aantal mensen, bedienden, soldaten, die edellieden bij zich hadden als zij op reis gingen.
Het woord ‘ghesinde’ is afgeleid van ‘zenden’ en van de ‘gezondenen’, zij, die gezamenlijk op weg zijn gezonden, zij, die gezamenlijk met een reisdoel onderweg zijn. Later ging dit begrip over op het ‘gezin’ als vader, moeder, zoon en dochter: zij, die gezamenlijk onderweg zijn.
Over God als vader en moeder, die samen het eerste gezin vormen, wordt gesproken in Genesis 1:26-27
'En de Èlohîm zeiden: "Laten wij mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis... " En de Èlohîm schiepen de mens naar hun beeld; naar hun beeld schiepen zij hem; man en vrouw schiepen zij hen.
Iedere mens is in dit goddelijke gezin begonnen aan zijn of haar levensweg - ook over de aarde - en is op weg om, na een volwassen geest te zijn geworden, zich weer bewust met dit goddelijke gezin te herenigen.
3. Geest - de etymologie van het woord 'geest'
De etymologische beschrijving van de betekenis van het woord ‘geest' in verhouding tot de ziel, komt volkomen overeen met wat met het geopende geestesoog daarover in de geestelijke wereld kan worden waargenomen.
Het Oudnederfrankisch vormt samen met Oudsaksisch en Oudfries de drie bronnen van de Nederlandse taal. Het Oudnederfrankische 'geist' betekent niet alleen 'geest', maar ook 'opgewonden zijn'; de woordstam 'ghei-' betekent: ‘aandrijven', ‘bewegen’, en ‘heisteren' betekent: 'drukte maken'. In het Middelnederlands hangen de woorden 'geeste', ‘geste’, ‘gist’ en 'yeeste' met elkaar samen. Het Engelse woord 'yeast' betekent niet alleen het 'wezenlijke', maar ook 'gist'.
Het beeld van de werkzame geest hangt samen met de betekenis van 'gist'. Een gistende deegmassa zet uit, zwelt op en schuimt, en dat is een beeld van wat er met de geest gebeurt, als die door werkzaam te worden zijn innerlijke voortbrengselen in zichzelf vormt en om zich heen uitstraalt. 'Gist' betekent 'schuim' en het werkwoord 'gisten': 'schuimen', 'bruisen' en 'zieden', maar ook 'hartstocht', 'oproer', wat overeenkomt met de betekenis van 'geist'.
Het woord 'gist' hangt ook samen met het Oudindische 'yasyati': 'hij wordt warm', 'hij kookt', 'hij is woedend'. Voor het geestesoog wordt een woedende persoon inderdaad gekenmerkt door een heftige, onbeheerste bewogenheid van zichzelf als geest en van de uitstraling daarvan: de geest in die toestand 'bruist van leven', wat ook een betekenis is van 'gist'.
Voor mijn geopende geestesoog verscheen de geest als een 'witte, bruisende bron'. De betekenis van het woord 'geest' hangt daardoor ook samen met het IJslandse werkwoord 'geysa': 'gutsen', 'regelmatig met kracht uitstromen' (letterverwisseling als 'geest' en 'guts' komt regelmatig voor bij woordafleidingen) en met het IJslandse 'geyser': een 'uit zichzelf werkzame springbron'. De geyser als stoffelijk verschijnsel op aarde is een treffend beeld van de zelfwerkzaamheid van de geest, als die zich met regelmatig afwisselend naar buiten toe bruisend uit en daarna weer in zichzelf terugzinkt tot rust komt.
Met de 'geest' als 'springbron' hangt ook de oorspronkelijke betekenis van het woord 'bron' samen (oude vorm: 'born'); het is afkomstig van het Gotische 'brunna', dat: 'opwellend water', 'bruisen', 'zieden' en 'branden' (vergelijk de 'branding' van golven op het strand) betekent. Het werkwoord 'branden' komt van het Gotische 'brannjan', dat 'opborrelen', 'zich heftig bewegen' betekent, wat de beweeglijke eigenschappen van de warmte en het licht binnen de zelfwerkzame geest nauwkeurig weergeeft; de geest kan 'branden van ijver'. Het woord 'bron' hangt samen met het Latijnse 'fons' waar het woord 'fontein' van is afgeleid. De fontein is evenals de geyser een uitgesproken zinnebeeld van de geest.
Het woord 'geest' houdt bovendien verband met het Gotische 'usgeisnan', 'uitgeesten', met de betekenis van: datgene, wat kan 'uittreden' en zich in een geestgedaante aan het geopende geestesoog zichtbaar kan maken en zo schrik veroorzaakt.
Hiervan uitgaande is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'geest':
1. het wezenlijke;
2. het uit zichzelf levende, werkzame; de van leven bruisende bron;
3. het brandende (het vuur);
4. datgene, wat (in onbeheerste toestand) kan woeden, hartstochtelijk kan zijn;
5. datgene, wat kan uittreden en daardoor blijk geeft een zelfstandige eenheid te zijn.
Het Duits is de zustertaal van het Nederlands en het woord Geist wordt daar op dezelfde wijze gebruikt. Het van oorsprong Germaanse Oudengels kende vroeger wel het woord ‘ghost’ met dezelfde betekenis (bv. the Holy Ghost), maar die betekenis is verworden tot ‘spook’. Het Engels moet zich nu behelpen met het Latijnse leenwoord ‘spirit’, dat echter van ‘spirare’: ademen is afgeleid, terwijl datgene in de mens, wat ademt, de geest is, die zo niet meer wordt genoemd, die geen eigen woord meer heeft; of het moet zich behelpen met ‘mind’, dat echter is afgeleid van het Gotische ‘munan’, menen of denken, maar dat slechts één van de vier vermogens van de geest is, niet de geest als zelfstandigheid zelf.
4. Overlijden
Tijdens het overlijden treedt de menselijke geest voorgoed uit het tijdelijke lichaam uit, doordat de etherische levensdraad tussen de geest en de hypothalamus in de hersenen, wordt verbroken; de geest gaat daarna weer naar huis, in de geestelijke wereld. Overlijden is een lijdende werkwoordsvorm van ‘overleiden’, dat volgens het Middelnederlandse Woordenboek: 'overgeleid worden’ betekent. De geest wordt door zijn geestelijke begeleiders over de grens tussen de stoffelijke en geestelijke wereld geleid.
Pas door het voorgoed uittreden van de geest gaat vervolgens de stoffelijke vorm, het lichaam, 'dood', het wordt levenloos, doordat de geest, het levende, het ademende, het heeft verlaten. Dat is hier te zien doordat het lichaam dan 'de laatste adem uitblaast’, waardoor de borstkas inzakt, en dan pas 'sterft', wat betekent: verstijft; het is het optreden van de lijkstijfheid na het overlijden.
5. Het ‘zich bewust zijn’
In het Nederlands (en in de Duitse zustertaal) bestaat de wederkerende, werkwoordelijke uitdrukking 'zich bewust zijn' (met de betekenis: 'wetend zijn', 'weet hebben van'), dat in de Nederlandse grammatica verplicht wederkerend is - het wederkerende voornaamwoord 'zich' hoort er onafscheidelijk bij, doordat 'zich' naar de handelende persoon verwijst bij werkwoorden, die die persoon in zichzelf voltrekt (zich herinneren, zich bedenken, zich verbazen, zich afvragen, enz.). Deze wederkerend werkwoordelijke uitdrukking 'zich bewust zijn' (wetend zijn) heeft daardoor als zelfstandig naamwoord: 'het zích bewust zijn' (het wetend zijn).
Met andere woorden: het wederkerende voornaamwoord 'zich' verwijst naar het subject: dat is de persoon, de menselijke geest, die door een voorwerp waar te nemen en zo een lichtbeeld ervan in zich op te nemen, 'weet heeft gekregen' van dat voorwerp, ‘zich ervan bewust is geworden', met 'het zich bewust zijn' als zelfstandig naamwoord.
In het Nederlands wordt door ‘zich’ onmiddelijke duidelijk dat ‘het zich bewust zijn’ een tóestand is, waarin de persoon, de geest, komt te verkeren door iets waar te nemen; het is daardoor een geestestoestand, die uitsluitend in de menselijke geest is te vinden, niet in de hersenen.
Het Engels moet zich behelpen met het Latijnse ‘consiousness’: medeweten, geweten, bewustzijn, en mist daardoor het wederkerende voornaamwoord ‘zich’, waardoor de geest, om wie het hier juist gaat, geheel uit het zicht is verdwenen. Datzelfde geldt voor ‘to be aware’.
terug naar de vragenlijst
terug naar het weblog
^