Taal als verschijnsel bij de overgang van involutie naar evolutie


De plaats die taal inneemt in het verloop van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid

Het ontstaan van de mensheid
Bij hun voortkomst door verdichting uit de goddelijke algeest als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte - uit hetzelfde licht en dezelfde warmte als dat van de algeest - hadden de menselijke geesten de met dat licht en die warmte samenhangende geestelijke vermogens in aanleg meegekregen. De bedoeling van die aanleg was, de menselijke geest op zeker tijdstip de gelegenheid te geven, die vermogens zelf tot ontwikkeling te brengen en zo de groei van het godenkind naar volwassenheid zelf te kunnen bewerkstelligen - maar daarbij wel ongemerkt door ouders, broeders en zusters begeleid.
Zij waren het die door inwerking van buitenaf de innerlijke aandrang in het kind opwekten vanuit een aangename rust toch in beweging te komen en bij de daarop volgende werkzaamheden de geestelijke vermogens te gebruiken. Door die innerlijke, geestelijke werkzaamheid ontstond er om de - door de verdichting - bolvormige menselijke geest ook een bolvormige uitstraling, de ziel (etymologische de ‘zaal’ of ‘woning’ waarin de geest leeft), waarin de geest het hart is en waarin de voorbrengselen van de vermogens: kennis, gedachten, gevoelens en wilsbesluiten, in het geestelijke geheugen kunnen worden bewaard.

De menselijke gestalte
Hoe meer de vier geestelijke vermogens: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen van de betekenis ervan, en de wil er al dan niet iets mee te doen, bewust en beheerst werden gebruikt, hoe meer dat een geleidelijke omvorming van die uitstraling veroorzaakte in de richting van de menselijke gestalte. De bedoeling van de ontwikkeling van die menselijke vorm was, de geest later de gelegenheid te geven zo veel als mogelijk op eigen kracht, maar onder stille begeleiding van de ouders, broeders en zusters, zich zelfstandig tot ontwikkeling te brengen, passend bij de goddelijke afkomst.
Daartoe moest de menselijke geest in omstandigheden worden geplaatst, dat die - schijnbaar - in een toestand kwam te verkeren, geheel aan zichzelf overgelaten te zijn; en dan zelf zijn geestelijke vermogens moest leren gebruiken en staande te blijven in een belastende, beproevende stroom van gebeurtenissen en wederwaardigheden, die in de stroom van de tijd in dit bestaan op de mens toe kunnen komen.

De weerstand van de stoffelijke levensvorm
Om die beoogde, aanzichzelf overgelaten en belastende toestand mogelijk te maken, zou de menselijke geest geleidelijk aan moeten toegroeien naar het bezit van een stoffelijke, vaste levensvorm, het lichaam, dat door zijn vaste stoffelijkheid het tegendeel was van de vrijheid, die de geest buiten het lichaam heeft. De vorming van zijn lichaam vond plaats tijdens de ‘involutie’ (Latijn ‘involvere’: inrollen, inwikkeling), dat is het neerdalen van de geest in zijn door vaste stoffelijkheid beperkende levensvorm, het tegendeel van de vrijheid van de geest; waardoor die die, eenmaal in dat lichaam neergedaald, niet meer zichzelf kunnen zijn - maar wel in de gelegenheid komen op eigen kracht weer zichzelf te worden, het uiteindelijke doel van deze verstoffelijking.
Door het gebrekkige gebruik dat de geest in die beperkende toestand van zijn vermogens zou gaan maken, zouden er fouten worden gemaakt, waardoor er belastende toestanden zouden ontstaan, vraagstukken, moeilijkheden, die alleen door een bewust en beheerst gebruik te leren maken van de geestelijke vermogens, weer zouden kunnen worden opgelost. Dat zou uit zichzelf een eigen, geestelijke ontwikkeling op gang brengen, die de geest op eigen kracht naar volwassenheid zou leiden.

De involutie
In de eerste drie tijdperken en tijdvakken tijdens de involutie naar die stoffelijke toestand (zie het artikel ‘geschiedenis der mensheid’ in het Menu), waren het de broeders en zusters, de engelen - die zelf hun eigen doel konden bereiken door de mens liefdevol te begeleiden -, die ervoor zorgden dat de ontwikkeling van de menselijke geest eerst naar de involutie, de indaling in de stoffelijke wereld, leidde. Dat gebeurde aanvankelijk nog in de geestelijke wereld en betrof de etherische toestand van het voertuig voor de mens, de geestgedaante, de uitstraling, die door geleidelijke ontwikkeling - onder hun leiding - de vorm van de menselijke gestalte begon te krijgen.

Telepathie
In die begintoestand was de menselijke geestesgesteldheid echter nog niet persoonlijk en zelfstandig, maar meer gemeenschappelijk en had die de eigenschappen van een groepsgeest. Daardoor bestond er geestelijk nog een nauwe band met de anderen en was het mogelijk, dat gedachten en gevoelens naar de ander werden overgebracht door telepathie, gedachten- en gevoelsoverdracht. Daartoe dacht de een aan de ander, wat voldoende was om een persoonlijke, geestelijke band tot stand te brengen, waarna het denkbeeld of het gevoel, dat de een in zichzelf vormde, gelijktijdig ook in de ander werd gevormd; het was een toestand van persoonlijke verstrengeling. De overdracht die daardoor mogelijk werd, was woordloos, het denkbeeld of gevoel zelf was voldoende voor de bewustwording van de gedachte en het gevoel in de ander; ook kennis en wilsbesluiten bereikten de ander zo.

Lemurië
Op een zeker tijdstip was de mensheidsontwikkeling gevorderd tot het vierde tijdvak (het middelste van de zeven tijdvakken), dat de Aarde wordt genoemd (naar de huidige aardetoestand) en in dat tijdvak tot in het derde tijdperk (van de zeven) dat Lemurië wordt genoemd (naar een esoterisch verondersteld eilandenrijk dat in de Indische Oceaan heeft bestaan). Bij de overgang van de eerste naar de tweede helft van dat derde tijdperk was de involutie van de menselijke geest zover voortgeschreden, dat de aanleg van het stoffelijke lichaam steeds vastere vormen begon aan te nemen. Door de eveneens voortschrijdende verzelfstandiging van de menselijke geest, was die nu in staat zijn - mede door de begeleiders gevormde - stoffelijke voertuig voor een bestaan op aarde, te naderen en zich ermee te verbinden.
Doordat de vaste stof het tegendeel is van zichzelf als onstoffelijke geest, kon de menselijke geest, nu in het lichaam verblijvend, steeds minder zichzelf zijn, waardoor de vroeger bestaande helderziendheid en helderhorendheid - samenhangend met een bestaan binnen de groepsgeest - afnam. In plaats van de bestaande thelepathie, de gedachten- en gevoelsoverdracht, moest er nu een andere, stóffelijke wijze komen om gedachten, gevoelens, kennis en wilsbesluiten aan de ander duidelijk te maken, want tegelijkertijd waren ook de anderen steeds minder in staat gedachten en gevoelens te ontvangen.

Het verschijnsel taal
Voor die vroeger bestaande telepathie, kwam nu de ontwikkeling van het verschijnasel taal in de plaats, wat gedurende de tweede helft van het Lemurische tijdvak en het begin van het vierde, Atlantische tijdvak (de naam van een esoterisch verondersteld eilandenrijk in de Atlantische Oceaan), gebeurde. In plaats van door met gedachtenoverdracht de geestelijke uitstraling van de ander met een denkbeeld of gevoel te beroeren, moest nu van een ander medium gebruik worden gemaakt, om de ander te bereiken: de lucht.
Dat gebeurde door de aanleg van een orgaan in de luchtpijp, dat de lucht op een beheerste wijze in een bepaalde trilling kon brengen, het strottehoofd, met daarin de beide stembanden. Door hen min of meer in een gespannen toestand te houden, brengen zij de uitgeademde lucht in een bepaalde trilling en door vervolgens de mond en de tong op een bepaalde manier te bewegen, kunnen verschillende klanken worden voortgebracht, klinkers en medeklinkers; daarmee konden klanken worden gevormd die ‘woorden’ worden genoemd: klanken met een zekere betekenis.
Zoals in het artikel ‘geschiedenis der mensheid’ beschreven, werden door begeleiders eerst natuurgeluiden gebruikt die moesten worden nagedaan, waardoor de mens leerde het eigen spraakorgaan te gebruiken. Bekend is geworden dat de reuzenhagedissen uit die tijd kakelende geluiden moeten hebben gemaakt, zoals de rechtstreeks van hen afstammende kippen nu doen door ‘tok tok’ te roepen; door een klinker tussen twee medeklinkers te voegen, leerde de mens woorden te vormen. Nog steeds moet iedere taal worden geleerd doordat de ouders woordjes uitspreken, die het kind dan na moet zeggen (terwijl tegelijkertijd het betreffende voorwerp wordt aangewezen).

Het leren van een taal
Een taal werd toentertijd tot ontwikkeling gebracht, doordat aan voorwerpen in de buitenwereld een naam werd gegeven, door dat voorwerp aan te wijzen en dan verschillende klinkers en medeklinkers samen te voegen en uit te spreken. Volgens Genesis 2:20 gebeurde dat onder begeleiding op een bepaald tijdstip en volgens de esoterische literatuur was dat aan het begin van het vierde tijdvak, met de naam Atlantis.
Door deze oefeningen om te leren spreken, ontstonden er in de linker hersenschors twee nieuwe gebieden: het motorische gebied van Broca voor de vórming van woorden en het sensorische gebied van Wernicke, voor de betékenis van het gebruikte woord.

De omweg door lucht en oor
Neergedaald in de stoffelijke wereld, kon de menselijke geest nu de ander alleen nog langs een omweg bereiken. Een in de geest gevormd lichtbeeld in de vorm van een bepaalde gedachte met een daarbij behorend woord, moest nu met de wilskracht op de hersenschors, op het gebied van Broca, worden afgedrukt. Daardoor werden de zenuwen naar het strottenhoofd en de mond-keelholte werkzaam, waardoor de lucht zodanig in trilling werd gebracht, dat de juiste, met de gedachte of het gevoel overeenkomende klank werd gevormd.
De klank bereikte nu de ander door de lucht heen, de luchttrillingen deden diens trommelvlies trillen, waardoor ook het vocht in het slakkehuis in de juiste trilling raakte en ermee overeenkomende zenuwprikkels naar het gebied van Wernicke werden gestuurd. Daar werden die hersencellen werkzaam, die samen in de uitstraling van de geest, de ziel, het met die klank, met dat woord samenhangende zielebeeld van het begrip vormde, wat vervolgens weer door de geest in zijn eigen binnenwereld, de ziel, werd waargenomen.

Alle stof is oefenstof voor de geest
De stoffelijke wereld bemoeilijkt het de menselijke geest werkzaam te zijn doordat hier een weerstand moet worden overwonnen door spieren werkzaam te laten zijn. Door de moeite die de geest daarvoor moet doen, wordt die zich vaag bewust van zijn eigen werkzaamheid en daardoor van zijn eigen aanwezigheid. Voor de inspanningen die daarvoor moeten worden geleverd, moeten de geestelijke vermogens bewust en beheerst worden gebruikt, waardoor zij geleidelijk aan tot ontwikkeling komen. Dat betekent geestelijke ontwikkeling. Alle stof is daardoor oefenstof, oefenstof voor de geest.

De evolutie en de toekomst
Door bestaan na bestaan de geestelijke leerschool van de aarde te doorlopen, worden de geestelijke vermogens tot ontwikkeling gebracht, waardoor zij vergeestelijken. Het waarnemingsvermogens zal zich daardoor zodanig ontwikkelen, dat de oude helderziendheid weer wordt hersteld, maar nu op een bewust beheerste wijze. Dat was al het geval met voorlopers zoals o.a. Hildegard van Bingen, Jakob Boehme, Emanuel Swedenborg, Rudolf Steiner, Jacob Lorber, Jozef Rulof en Edgar Cayce. Zij zagen ook de gebeurtenissen die in het artikel ‘geschiedenis der mensheid’ in het Menu zijn samengevat.
De geestelijke ontwikkeling van de mensheid schrijdt ongemerkt voort en eens zal de tijd komen dat de laatste mensen hun gang door deze leerschool maken, waarna iedereen zal zijn verzameld in een volgroeide, hemelse staat van zijn.


terug naar de geschiedenis der mensheid

—————————————

De etymologie van het woord ‘taal’
Het woord taal stamt middels het Middelnederlandse ‘tale’ (gesprek, verhaal) en het Oudnederlandse ‘tala’ af van de Germaanse wortel ‘talō’. Het is nauw verwant aan woorden die 'tellen' of ‘vertellen’, ’verhalen' betekenen, zoals het Duitse Zahl. De oorspronkelijke betekenis hangt samen met het ordenen of samenvoegen van woorden. 
De herkomst ligt in het Germaanse ‘talō’, dat waarschijnlijk teruggaat op een nog oudere Indo-Europese wortel, vaak geassocieerd met dʰol-.
Het woord betekende oorspronkelijk 'gesprek', 'verhaal' of 'telsom'. Het begrip verschoof van ‘iets vertellen’ naar ‘de taal als systeem’.
Het woord is verwant aan het Engelse tale (verhaal) en het Duitse Zahl (getal).
In het Nederlands werd tale in de betekenis van 'gesproken of geschreven woorden' al rond 1220-1240 aangetroffen. 
De etymologie van taal is verbonden met het idee van 'orde' of 'tellen' (vertellen/verhalen), vergelijkbaar met hoe verhalen vertellen (verhalen) of een optelsom maken (tellen) verband houden met taalgebruik. (Bron: Gemini AI)


Toch is er een wezenlijk verschil tussen het vermogen om te ‘tellen’ of iets te kunnen ‘vertellen. Uit onderzoek bij jonge kinderen die nog geen taal hadden geleerd, bleek dat zij toch al konden tellen, of in ieder geval er blijk van gaven een begrip te hebben van ‘aantal’. Het vermogen te tellen blijkt te zijn aangeboren, terwijl iedere taal, het gebruiken van woorden, moet worden aangeleerd.

Bron:
1 "Toddlers know counting rules at 18 months" - newscientist.com
Virginia Slaughter, University of Queensland
2 Brian Butterworth: Aboriginal Kids Can Count Without Numbers. Proceedings of the National Academy of Science, online, 18 augustus, 2008
3 Rita Kohnstamm in Kleine ontwikkelingspsychologie
Kleine ontwikkelingspsychologie, 15-09-2008


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^