De leer van Jezus

De belangrijkste bronnen voor Jezus' leer zijn zijn toespraken tijdens de Bergrede en het Laatste Avondmaal.

Wijs mij de weg
van het leven
[ontwikkeling],
om heel mijn vreugde
te vinden bij U [hereniging].
Psalmen 16:11
Een psalm van David
Inhoud
1. De godsdienstleraar Jezus
2. Geestelijke ontwikkeling
3. De ontwikkeling van geestelijke eigenschappen
4. De ontwikkeling voert naar het doel: het koninkrijk Gods
5. Jezus' leerlingen schreven samenvattingen van zijn leer

1. De godsdienstleraar Jezus
Zijn leerlingen noemden Jezus een 'rabbi', een godsdienstleraar en ook Paulus spreekt over een 'meester', een leraar. De eerste die Jezus een rabbi noemt, is Nathanael: “Ik (Jezus) had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.” Nathanael: “Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israel!” (Joh. 48-49).
Jezus beaamde dat hij een rabbi werd genoemd:
"U noemt Mij Leraar en Here, en u zegt het terecht, want Ik ben het ook” (Joh. 13:13)
"Ik moet het goede nieuws over het koninkrijk van God brengen, want dáárvoor ben Ik gezonden" (Lukas 4:43).

Andere teksten over Jezus' leraarschap
Zijn eerste leerlingen "Zij zeiden tegen Hem: Rabbi, waar verblijft U?” (Joh. 1:38).
Nicodemus, die 's nachts naar Jezus toe komt: "Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar…" (Joh. 3:2).
De rijke jonge man: "Goede Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te hebben?” (Matth. 19:16)
"Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus…" (Matth.23:8).
Tijdens de storm op het meer: "Meester, is het U niet van belang dat wij vergaan?” (Mark. 4:38).
"Meester, we weten dat wat u zegt en leert, juist is en dat u spreekt zonder aanzien des persoons, en dat u in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God" (Lukas 20:21).
"Ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken" [...] (Lukas 21:15-19).
Petrus tijdens de verheerlijking op de berg: "Rabbi, het is goed dat wij hier zijn” (Mark. 9:5).
Een schriftgeleerde na een gesprek: "Juist, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat God één is…" (Mark. 12:32).
De farizeeën die Hem proberen te vangen met een vraag: "Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid onderwijst…" (Matth. 22:16).
Maria Magdalena: "Zij keerde zich om en zei tegen Hem: Rabbouni!” (Joh. 20:16).
"Wees heilig, want Ik ben heilig" (Lev. 19:2, 20:26, 1 Petrus 1:15-16).
"Jullie zijn navolgers van de goddelijke Meester geworden" (Paulus 1 Tess. 1:6).

Jezus: "Door volharding zullen jullie je leven verkrijgen" (Lukas 21:15-19).

Jezus' navolgers krijgen de aansporing te volharden in zijn leer om te trachten zich te vervolmaken, heilig te worden, en daardoor maken de leerlingen van meester Jezus een geestelijke ontwikkeling door. Die ontwikkeling wordt in de geschriften 'metanoia' genoemd, van Grieks 'meta': anders en 'noos': denken: anders denken, dus een 'omvorming', een ontwikkeling van hun levensbeschouwing.

De betekenis van de naam 'Jezus' wijst volgens een geleerde Joodse rabbi ook op zijn leraarschap. 'Jezus' is de verlatijnste vorm van het Griekse 'Iesous' en dat is weer afkomstig van het Hebreeuwse 'Jehova shua', 'Jehoshua' of 'Jeshua', wat 'God helpt' betekent, naar het Hebreeuwse 'jesjà': hulp (bron: prof. dr. Friedrich Weinreb, 'Het leven van Jezus. Een joodse visie op het Nieuwe Testament' (1997), p. 137).

Zó komt de betekenis van de naam 'Jezus' ook overeen met de betekenis van het Griekse 'parakletos' (de heilige geest): helper, ondersteuner, trooster... 'hij, die naast je staat', op de weg van de geestelijke ontwikkeling, die de mens op eigen kracht moet leren begaan (maar daarbij in stilte door Gods heilige geest begeleid).
De heilige geest trad in de Joodse Tenach al meermalen op als de van de goddelijke algeest, Jahweh, uitgaande 'geestelijke werkzaamheid in persoonlijke vorm', gericht op het voorthelpen van de mens, immers... Gods godenkind.
Johannes noemt in het begin van zijn Evangelie die 'geestelijke werkzaamheid' de 'logos' (Grieks 'logos': denken, gedachte, woord, spreken, dus: geestelijke werkzaamheid) en schrijft dat die logos als geest in de mens Jezus bij de mensen op aarde is geweest om die tegemoet te komen... en dat die dat niet hebben begrepen.

terug naar de Inhoud

2. Geestelijke ontwikkeling
De hemel wordt gegeven aan hen
die de weg tot de hemel weten
en die weg bewandelen.
Emanuel Swedenborg
Goddelijke Voorzienigheid 60
Jezus zei: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij" (Johannes 14:6). Het 'gaan over een weg om bij een doel te komen' is het beeld van een geestelijke ontwikkeling. Dáárvoor is Jezus als leraar naar de aarde gekomen en hij stelt zichzelf als leraar ook als voorbeeld op om naar toe te werken.
Hij vertelt dan het verhaal over de weg die de 'verloren zoon' (beter: 'uit zichzelf terugkerende zoon') is gegaan (Lukas 15:11). De betekenis van Jezus' vergelijking van de Verloren Zoon, is hét schoolvoorbeeld voor de menselijke, geestelijke ontwikkeling in de aardse leerschool: de zoon besluit zélf met zijn erfdeel het ouderlijke huis te verlaten om de wereld in te gaan en de vader - hoewel zijn zoon kennende - maakt daar geen bezwaar tegen (!); de zoon doet daarna zelfveroorzaakte, leerzame ervaringen op in de wereld, maar hij komt door zelfveroorzaakte tegenslagen ook tot bezinning en neemt daardoor zélf het besluit naar huis terug te keren (het woord 'religio' betekent: hérverbinding), waar zijn vader hem van verre herkent (hij stond al op de uitkijk) en verheugd tegemoet komt.
De verloren zoon heeft dus zélf een ontwikkeling doorgemaakt en daar heerst vreugde over. De zoon die altijd gehoorzaam was als zijn vader hem iets opdroeg, valt deze vreugde niet ten deel(!)

Jezus' Verloren Zoon (en dat zijn wij allen) beschikt blijkbaar over een vrije keuze en moet door ondervinding met de gevolgen van zijn eigen keuzes en daden, tot zichzelf komen, zichzelf leren kennen en zelfstandig besluiten leren nemen; en zijn vader maakt dat voor hem mogelijk door hem een kapitaal te schenken. Vervolgens moet hij zich van zijn toestand bewust worden en uit zichzélf besluiten naar huis terug te keren; daarvoor moet hij zijn geestelijke vermogens zelfstándig gebruiken en dáárdoor groeit hij geestelijk!
Jezus houdt ons dus voor:
- de mens wordt op aarde schijnbaar aan zichzelf overgelaten
- om te leren op eigen kracht zijn geestelijke vermogens te gebruiken
- en zo naar geestelijke zelfstandigheid te groeien.

terug naar de Inhoud

3. De ontwikkeling van geestelijke eigenschappen
Om welke menselijke eigenschappen gaat het bij die geestelijke ontwikkeling? Die eigenschappen komen in het gedrag tot uiting en gedrag komt voort uit de persoonlijke wijze waarop de menselijke geest zijn geestelijke vermogens heeft leren gebruiken: het vermogen de dingen waar te nemen, ze in zichzelf te beoordelen door ze te overdenken en te doorvoelen, en dan te besluiten er iets mee te willen doen.
Wat in de mens is op te voeden zijn die geestelijke vermogens, doordat voor het verwerken van levenservaring die vermogens moeten worden gebruikt, waardoor ze geleidelijk aan worden omgevormd van een jeugdige begintoestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een ontwikkelde toestand van bewustzijn en beheersing.

Die eigenschappen worden door Jezus o.a. genoemd in een tekstgedeelte uit Mattheüs, dat de De Bergrede is gaan heten (Mattheüs 5-7, Lukas 6). Daarin zijn een aantal kernpunten te onderscheiden.
De Bergrede begint met de Gelukkigprijzingen (Mattheüs 5:3-12), waarin Jezus hén gelukkig noemt, wie geestelijk nederig zijn, die treuren, zachtmoedig zijn of streven naar gerechtigheid. Het is bij het eerste onderwerp al duidelijk wat het doel is van deze gelukkigprijzingen:
- "Gelukkig wie nederig van hart zijn ('arm van geest'), want voor hen is het koninkrijk van de hemel."
Gelukkig ben je als je tot zelfkennis bent gekomen, als je inziet hoe arm je geestelijk nog bent en beseft, dat je aan je geestelijke ontwikkeling moet gaan werken om het doel, eerst het godsrijk in jezelf en daarna in de gemeenschap, te bereiken.
- "Gelukkig zijn zij die treuren, want zij zullen worden getroost."
Gelukkig ben je als je tot het treurig stemmende besef bent gekomen, dat het met deze wereld nog niet is geworden, wat het ooit zou kunnen zijn en je voor verbetering gaat inzetten.
- "Gelukkig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten."
Gelukkig ben je als je bent gaan inzien, hoe moeilijk het is om jezelf als werk ter hand te nemen en dat dat ook geldt voor je medemensen, die net als jij nog onderweg zijn; en als je daarin toch volhardt, dan ontwikkel je geduld met je medemensen en zul je het doel bereiken.
- "Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen worden verzadigd."
Gelukkig ben je als je bent gaan spreken met God voortdurend in gedachten en als je handelt in overeenstemming met Gods bedoelingen met je medemensen en de wereld, en streeft naar rechtvaardigheid.
- "Gelukkig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden."
Gelukkig ben je als je je medemensen niet veroordeelt, maar meelevend bent en streeft naar medegevoel en vergevingsgezindheid.
- "Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien."
Gelukkig ben je als je jezelf en je strevingen gewetensvol onderzoekt en eerst redelijk en zedelijk beoordeelt, vóór je wat zegt of doet. Door gewetensvol en deugdzaam gedrag komt je geestesgesteldheid steeds meer in overeenstemming met die van God, de algeest.
- "Gelukkig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen van God worden genoemd."
Gelukkig ben je als je je mensen met elkaar verbindt door naar overeenstemming te zoeken, want dan komt niet alleen je band met je medemensen goed, maar daarna ook je band met God en zal het Koninkrijk Gods je deel zijn. Hoe zou je je met God kunnen verbinden, als je je niet eerst met je medemensen hebt kunnen verbinden?

Eigenschappen als nederigheid, zelfkennis, zachtmoedigheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid, medeleven en vergevingsgezindheid, gewetensvolle zelfbeoordeling en vredelievendheid, zijn eigenschappen van de geestelijke vermogens, die samenhangen met het geestelijke licht en de geestelijke warmte binnen de menselijke geest: het waarnemen, denken, voelen en willen; maar in het bijzonder zijn het hier gevoelsmatige eigenschappen waar Jezus op wijst. Zarathustra had al de nadruk op het denken gelegd - juist denken, juist spreken en juist handelen. Jezus legt vervolgens de nadruk op het voelen, de liefde. Denken en voelen moeten samen tot ontwikkeling worden gebracht, om eerst de band met je medemensen en dan de band met God vanuit jou als mens te kunnen herstellen. Want die persoonlijke band is een gevoelsband.

In Mattheüs 5:13 spreekt Jezus over de betekenis van het 'zout' en in 5:14-16 over het 'licht'.
Zout was in de Oudheid een middel om het 'bederf van voedsel' tegen te gaan; maar 'voedsel' had in het bloemrijke taalgebruik van toen ook de betekenis van 'leer'. Zijn volgelingen werden aangeraden hun geestelijke werkzaamheid te gebruiken om het bederf van de leer tegen te gaan, zoals dat in de Tempel zichtbaar was geworden. In tegenstelling tot de door regelgeving en leerstellingen gedode godsdienstigheid van de Tempel, moesten de volgelingen hun eigen geestelijke werkzaamheid aanwenden om de onbedorven leer van Jezus in het licht te blijven stellen, de door de Tempel opgetreden duisternis te verdrijven en de mensen de juiste weg te wijzen.

In Matheüs 5:17-48 legt Jezus uit dat het in het gedrag tegenover medemensen niet alleen gaat om de uiterlijke handeling, maar om dat wat er in de innerlijke mens, de geest, aan die handeling voorafgaat: innerlijke overwegingen, strevingen en bedoelingen. Dat alles vindt plaats binnen de menselijke geest, daar moet de verandering plaatsvinden, want dat is de oorzaak van menselijk gedrag. Wat nodig is, is een innerlijke omvorming, een geestelijke ontwikkeling, die leidt tot wat terecht de Gouden Regel wordt genoemd:
"Behandel je medemensen,
zoals je het zelf zou wensen."
Betrek bij je overwegingen en besluiten ook altijd de ander en beoordeel van tevoren de gevolgen die jouw uitspraken en gedrag voor de ander zullen hebben, door je eerst in de ander in te leven, zelfs als het een van je vijanden betreft.
Zoals Jezus in Johannes 14-17 tijdens het Laatste Avondmaal uiteenzet, komt al het leven uit God voort en is de geest in de ander eenzelfde vonk, eenzelfde verdichting als de geest die je zelf bent (Joh. 17:11-22). Jezus bidt daar God de Vader om eenheid onder zijn volgelingen. Hij spreekt de wens uit dat zijn volgelingen net zo verbonden en eensgezind met elkaar en met God zullen zijn, als hijzelf met God verbonden is.

Na een beschuldiging door Joodse leiders haalt Jezus uit de Tenach Psalm 82:6 aan: 'Ooit heb ik gezegd: "Jullie zijn goden, kinderen van de Allerhoogste, allemaal."' Een tekst die verwijst naar Genesis 1:26-27, waar God besluit om - naar zijn beeld en gelijkenis - met Adam en Eva de mensheid te scheppen.
Bedenk bij iedereen die je ontmoet, dat die mens een geest uit God is als jijzelf. Wat je die mens aandoet, doe je in feite langs een omweg door God heen, uiteindelijk ook jezelf aan. Wij vormen immers in wezen nu al een mensengemeenschap van godenkinderen.
Maar het is nog niet geworden, wat het zou kunnen zijn - wij zijn allen nog onderweg. Dat besef zou je vergevingsgezind kunnen maken.

Om die eenheid te bereiken is het nodig de blik zowel op onze gezamenlijke, éénmakende oorsprong te richten alsook naar ieder van je medemensen, door te voldoen aan de raad die Jezus ons geeft door zijn samenvatting van heel de Tenach: "Heb God lief boven al en je medemens alsof het jezelf betrof" (Mattheüs 22:37-39, Lukas 10:27).

In de Bergrede richt Jezus zich tot de mens in het alledaagse leven en hoe die met medemensen om zou moeten gaan. In de toespraak tot de leerlingen tijdens het Laatste Avondmaal richt Jezus zich persoonlijk tot zijn leerlingen over hun verhouding met hemzelf en God.

De kern van Jezus' toespraak tijdens het Laatste Avondmaal
"Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij. Geloof me: ik ben in de Vader en de Vader is in mij" (Joh. 14:10-11).
[Gods heilige geest, die in Jezus bij ons is geweest, is eenzelfde verdichting uit en in de goddelijke algeest, de Vader, als de menselijke geesten ook zijn.]
Jezus zei: "Nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, maar jullie zullen Mij wel zien, want Ik leef en ook jullie zullen leven" (Joh. 14:19).
[...] "Dan zul je begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben" (Joh. 14:20).
[Ook de menselijke geest is zo'n zelfde verdichting uit en in de goddelijke algeest: een algeest-geest.]
Jezus antwoordde: "Wanneer iemand mij liefheeft, dan zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen" (Joh. 14:23).
Jezus bad: "Vader, Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die U Mij hebt gegeven, omdat zij van U zijn - alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij - en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar is geworden" (Joh. 17:9-10).
"Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, […] Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden, en dat u hen liefhad zoals u mij liefhad" (Joh. 17:21-22).

In Logion 70 uit het Thomas Evangelie is over die geestelijke ontwikkeling het volgende te vinden: "Als je datgene in jezelf voortbrengt, wat in aanleg in je aanwezig is, dan zal dat je redden; als je dat niet in jezelf voortbrengt, zal het ontbreken ervan, je 'doden'."

Een overweging bij dit woord van Jezus.
De menselijke geest is door verdichting voortgekomen uit de goddelijke algeest. Om de weg terug naar zijn geestelijke oorsprong te vinden, is de menselijke geest op een ontwikkelingsweg geplaatst, waarop die door zelfverwerkelijking kan toegroeien naar het doel: de bewuste hereniging met de goddelijke algeest.
Bij de geboorte op aarde verbindt de menselijke geest zich met het stoffelijke lichaam. Daarbij verbindt de geest, het levende zich met de stof, het niet levende, dode, waardoor de geest hier zichzelf niet kan zijn en onbewust wordt van het bestaan van zichzelf, als 'dood'.
Alleen bij sommigen blijft er een vaag vermoeden bestaan dat er zoiets moet zijn als een zelfstandige geest, innerlijk herkenbaar aan de werkzaamheid van de geest met zijn geestelijke vermogens: het waarnemen van de dingen, het verwerken ervan door die te overdenken en te doorvoelen, en dan besluiten er iets mee te willen doen.
Als de menselijke geest zich op die eigen werkzaamheid richt - daarbij aangemoedigd door geestelijke begeleiders - ontwikkelt zich een toestand van zelfbesef, van zelfbewustzijn en zelfwerkzaamheid, en 'komt de geest tot zichzelf, tot leven'. Als de geest er niet toe komt zich door ontwikkeling bewust te worden van zichzelf en zijn vermogens te beheersen, 'blijft de geest als dood': de geestestoestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan. Als die blijft bestaan, als die niet wordt overwonnen, mist de geest het uiteindelijke doel van het bestaan op aarde: zelfbewustwording en hereniging met de bron van zichzelf: de goddelijke algeest.

terug naar de Inhoud

4. De ontwikkeling voert naar het doel: het koninkrijk Gods
Dat koninkrijk begint als een persoonlijke, innerlijke gezindheid.
Een samenvatting van een aantal bijbelteksten over het onderwerp 'Koninkrijk Gods':
a. "God roept je om zijn Koninkrijk binnen te gaan" (1Tes. 2:12), "maar alleen wie de wil van God doet, zal dat hemelse Rijk binnen kunnen gaan" (Mat. 7:21), "want het bestaat uit rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de heilige geest" (Hand. 4:7), "het bestaat niet uit woorden, maar in [geest]kracht" (1Kor 4:20).
b. "Het komt niet op waarneembare wijze en je kunt niet zeggen: zie, hier is het of daar, want het Koninkrijk van God is binnenin je" (Luk. 17:20-21) en alleen "als je bent (weder)geboren uit water én geest, zul je daar naar binnen kunnen gaan" (Joh 3:5).
Met andere woorden, als je een doelgerichte, geestelijke ontwikkeling hebt doorgemaakt.
c. De schriftgeleerde sprak: "De Heer alleen is God en er is geen andere god dan Hij, en Hem liefhebben met heel ons hart [voelen] en met heel ons verstand [denken] en met heel onze kracht [willen], en onze naaste liefhebben als onszelf, betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers."
Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: "U bent niet ver van het koninkrijk van God" (Marcus 12:32-34).
Het bovenstaande toepassen leidt tot een geestelijke ontwikkeling die voert naar hereniging.
En Thomas, Logion 3: "Het Rijk is het binnenste van jullie [...] Wanneer jullie jezélf zullen kennen, dan zullen jullie worden gekend [...]" [door God].

Met andere woorden, de voorwaarden om het Godsrijk binnen te kunnen gaan is:
a. een deugdzaam leven leiden in de buitenwereld, in overeenstemming met Gods richtlijnen (zoals: heb God lief boven al en je naaste alsof het jezelf betrof).
Het volgen van Gods richtlijnen, Jezus' leer, leidt tot een geestelijke groei. In Joh. 17:9-10 zegt Jezus: "Vader, Ik bid voor hen [de leerlingen] omdat in hen mijn grootheid zichtbaar is geworden." [Er heeft een groei, een ontwikkeling plaats gevonden.]
b. een geestelijke oefening in de vorm van zelfbezinning en gebed in je eigen binnenwereld.

Jezus zegt dat het Godsrijk in je binnenste is, wat de betekenis van het Griekse 'entos' is: binnenin of binnen een bepaalde ruimte. Als het om een persoon gaat, is 'entos' het innerlijk van de mens, maar als het meerdere mensen omvat, ontstaat er een bepaalde, geestelijke ruimte waarin zij zich bevinden, en waarin het Godsrijk ook 'onder ons' is of 'bij je' is. Het Godsrijk in de mens wordt door een bepaalde geestesgesteldheid gekenmerkt, 'in je', maar er is ook een gemeenschap van mensen met die geestesgesteldheid mogelijk, waardoor het Godsrijk een uitgebreide omvang krijgt en zo ook 'bij je' is.

Wat hier wordt beschreven is de goddelijke algeest, waarbinnen God in zichzelf de geestelijke verdichtingen liet ontstaan die de menselijke geesten in de mensheid zijn geworden, die vanuit een aanleg op weg zijn naar vervolmaking; zij die de volmaakte geestestoestand hebben bereikt, vormen binnen de mensheid een verzameling, waarvan de leden door de innerlijke gezindheid van het Godsrijk worden gekenmerkt, waardoor die verzameling zélf het Godsrijk is.
Die gemeenschap van gelijkgezinden is Jezus' doel, wat wordt bereikt door een persóónlijke, geestelijke ontwikkeling volgens de leer van Jezus, door een gewetensvol en deugdzaam gedrag.

terug naar de Inhoud

5. Jezus' leerlingen Petrus en Jakobus schreven een samenvatting van zijn leer

Petrus was één van Jezus' twaalf naaste leerlingen, die drie jaar lang Jezus persoonlijk hebben aanhoord en meegemaakt. In zijn 2e Brief (1:3-11) vat hij Jezus' leer kort en bondig samen. Hij beschrijft daar Jezus' leer als een geestelijke ontwikkelingsweg door het overwinnen van zelfgerichtheid en het ontwikkelen van de geestelijke vermogens, wat leidt tot Gods Koninkrijk in de geestelijke wereld (na de hereniging met God):

"Zijn (Jezus') goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is...
1. voor een godsdienstig leven, door de kennis van hem die ons geroepen heeft door zijn grootsheid en wonderbaarlijke kracht. Hiermee zijn ons kostbare, rijke beloften gedaan,
- opdat u zou ontkomen aan het verderf dat de wereld beheerst als gevolg van ónze zelfzucht (ontkomen door de begeleide zelfverwerkelijking en zelfoverwinning)
- en opdat u deel zou krijgen aan de goddelijke natuur (de hereniging!).
2. Span daarom al uw krachten [willen] in om uw geloof [denken en voelen] te verrijken met deugdzaamheid [denken en voelen], uw deugdzaamheid met kennis [waarnemen en denken], uw kennis met zelfbeheersing [willen], uw zelfbeheersing met volharding [willen], uw volharding met godsdienstigheid, uw godsdienstigheid met liefde [voelen] voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor broeders en zusters met liefde voor allen [gemeenschapszin].
3. Als u deze eigenschappen in overvloed bezit [heeft ontwikkeld], is uw kennis van onze Heer Jezus Christus niet nutteloos, maar vruchtbaar. Wie ze niet bezit, is kortzichtig, [...]. Span u daarom des te meer in om uw roeping en uitverkiezing [voor het volgen van Jezus] waar te maken, broeders en zusters. Als u dit alles dóet, komt u nooit ten val en zal u onbelemmerd toegang worden verleend [hereniging] tot het eeuwige koninkrijk van onze Heer en redder *) Jezus Christus."
*) Zie de opmerking in onderwerp 1 bij de betekenis van de naam 'Jezus'.

Petrus noemt hier alle geestelijke vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen, en hij zegt dat je deze eigenschappen in overvloed moet bezitten door je ermee te verrijken.

Jakobus, Jezus' broeder en ook zijn leerling, valt Petrus hierin bij en zet de nog onvolmaakte geestestoestand af tegen die, waar het naar toe moet, de vervolmaking door de geestelijke vermogens te leren beheersen (Jakobus 3:13-18, 4:1-3):
"Wie van u kan wijs en verstandig [denken] worden genoemd? Laat hij het daadwerkelijk bewijzen [willen] door een onberispelijk leven en door wijze zachtmoedigheid [voelen].
Maar als u zich laat beheersen door bittere afgunst of zelfzucht, kunt u beter niet zo hoog van de toren blazen; u zou de waarheid geweld aandoen. Dat soort wijsheid komt niet van boven; ze is aards, ongeestelijk, kwaadaardig. Waar jaloezie en egoïsme heersen, vieren wanorde en allerlei kwaad hoogtij.
De wijsheid [denken] van boven daarentegen is vóór alles zuiver en vredelievend, mild en meegaand [voelen]; ze is vol ontferming en brengt niets dan goede vruchten voort, ze is onpartijdig en oprecht [voelen]. Waar in vrede wordt gezaaid, brengt gerechtigheid haar vruchten voort voor hen, die vrede stichten.
Waar komt al die strijd, waar komen al die ruzies bij u toch uit voort? Is het niet uit de hartstochten die strijd leveren bij al uw doen en laten? U verlangt naar iets, maar krijgt het niet. U bent jaloers en moordlustig, maar bereikt uw doel niet. U bekvecht en twist met elkaar. U krijgt niets omdat u niet bidt. En als u bidt ontvangt u niets, omdat u verkeerd bidt: u wilt alleen uw eigen hartstochten bevredigen."

Het gaat in Jezus' leer daarentegen om opvoeding, zelfopvoeding, om geestelijke ontwikkeling, wat al in Deuteronomium, in de Tenach, waar Jezus steeds naar verwijst, is te lezen:
"Laat ieder van u beseffen dat God u opvoedt, zoals een vader zijn kind opvoedt."
"Leef daarom zijn geboden na door de weg te volgen die hij u wijst [een goede raad: dus vrije keuze] en door hoogachting (voelen) voor hem te tonen" (Deuteronomium 8:5-6).

Zoals Bach in zijn Cantates het leven van Jezus bezingt en Rembrandt het tekent en schildert, zo beschrijft Jakob Lorber in zijn Grote Johannes Evangelie zijn leven aan de hand van de diepzinnige gesprekken, die Jezus met zijn leerlingen en omstanders voerde.


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^