Mater Sapientia of de moederlijke, goddelijke Wijsheid


Inhoud
Twee scheppingsverhalen in Genesis
1. Spreuken van Salomo
2. Wijsheid van Jezus ben Sirach

Twee scheppingsverhalen in Genesis
In het eerste Bijbelboek Genesis staan twee scheppingsverhalen van de mens vermeld: twee wijzen hoe God vanuit zichzelf de mens schept als man en vrouw:

a. Genesis 1:26-27. God [de Elohim] zei: “Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, […]” God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God [de Elohim] schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.

b. Genesis 2:7, 18, 21-23. Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. […]
God, de Heer, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.
Toen liet God, de Heer, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de Heer, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. Toen riep de mens uit: “Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.”

Zoals bij punt 1 op de vorige pagina is vermeld, betekent de zin uit het eerste verhaal: "Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis ... ", dat God de mens schiep naar Gods zelfbeeld. Gods zelfbeeld blijkt een beeld te zijn van een mannelijk/vrouwelijke tweelinggeest; die kwam in de stoffelijke schepping tot uitdrukking als man en vrouw. In het tweede verhaal schept God 'ha Adam', de mens als een eenheid; en pas later worden zij van elkaar gescheiden als 'Adam' en 'Eva', man en vrouw.

Het Hebreeuwse werkwoord ‘bara’ betekent niet ‘scheppen’, maar ‘scheiden’ en de Hebreeuwse woordstam die in de tekst wordt gebruikt, kan als ‘tsad’ inderdaad ‘rib’ betekenen, maar als ‘tsela’ ‘zijde’ betekenen (zie de vorige pagina). Daardoor sluit het tweede verhaal op zinvolle wijze aan op het eerste verhaal, waar immers man en vrouw als twee gelijkwaardige wezens uit God als hun vader en moeder worden voortgebracht.

Daarna komt het beeld van God als vader en moeder van de mens niet meer in de Tenach voor; door het tekstonderzoek en door archeologische opgravingen van onderzoekers, genoemd onder punt 3 op de vorige pagina, is duidelijk geworden dat in een deel van de Tenach de naam van Jahweh’s paargenoot, Asjerah uit de tekst is verwijderd. Alleen haar aanwezigheid als Sjechinah - zij die bij ons woont - is behouden gebleven.

Maar verderop in de Tenach is er opnieuw sprake van de vrouwelijke zijde van God en wel in de Spreuken van Salomo (1) en in de Wijsheid van Jezus ben Sirach (2) (ook Ecclesiasticus) in de vorm van de Wijsheid, die zich naast God als Jahweh bevindt en zichzelf als een zelfstandig, vrouwelijk persoon beschrijft of op andere plaatsen als zodanig wordt beschreven.

Op dezelfde wijze als in het tweede scheppingsverhaal de vrouw door God vanuit de man wordt afgescheiden, is dat ook het geval met de Wijsheid (Spreuken, 8:22). Dit komt overeen met het in de geestelijke wereld ervaarbare verschijnsel, dat een tweelinggeest in liefde in een toestand kan verkeren, dat zij volkomen in elkaar zijn opgegaan, doordat beiden lichtwezens zijn - waarbij de mannelijke geest de buitenkant vormt en de vrouwelijke geest de binnenkant, het hart (een verenigde tweelinggeest); en dat beiden zich van elkaar los kunnen maken, waarbij de vrouwelijke geest uit de mannelijke voortkomt en beiden zelfstandig hun weg kunnen gaan (een gedeelde tweelinggeest als man en vrouw)... en later weer liefdevol in elkaar op kunnen gaan.

terug naar de Inhoud

1. Spreuken van Salomo

Wijsheid spreekt 8:1-21
Roept Wijsheid niet, laat Inzicht haar stem niet horen?
Wijsheid heeft zich opgesteld op een heuvel langs de weg, bij het kruispunt van de wegen.
Bij de poorten van de stad, bij de ingang, bij de toegangswegen klinkt haar stem:
“Mensen, tot jullie roep ik, ik richt mij tot iedereen.
Onnozele mensen, word toch eens verstandig, dwazen, denk eens na!
Luister, ik vertel je waardevolle dingen, mijn woorden zijn oprecht.
Mijn mond verkondigt slechts de waarheid, mijn lippen haten onbetrouwbaarheid.
Op mijn uitspraken kun je vertrouwen, niets is vals en krom.
Wie inzicht heeft, vindt ze duidelijk, ze zijn eenvoudig voor wie kennis heeft verworven.
Stel mijn lessen boven zilver, mijn kennis boven zuiver goud.
Wijsheid is kostbaarder dan edelstenen, alles wat je ooit zou kunnen wensen, valt bij wijsheid in het niet.
Ik, Wijsheid, ik woon bij Beraad, door overpeinzing vind ik kennis.
Wie ontzag heeft voor de Heer, haat het kwaad. Ik verafschuw trots en hoogmoed, leugens en het kwaad.
Bij mij vind je beraad en overleg, ik heb inzicht, ik heb kracht.
Door mij regeren koningen, bepalen heersers wat rechtvaardig is.
Vorsten heersen dankzij mij, ik laat leiders rechtvaardig regeren.
Wie mij liefheeft, heb ik ook lief, wie mij zoekt, zal mij vinden.
Rijkdom en eer zijn mijn bezit, duurzame weelde en gerechtigheid.
Wat ik je geef is kostbaarder dan het zuiverste goud, ik bied iets dat meer is dan het fijnste zilver.
Ik ga de weg van de rechtvaardigheid, ik volg de paden van het recht
om rijk te maken wie mij liefheeft, om zijn schatkamers te vullen.

8:22-36
De Heer heeft mij vóór al het andere verworven, toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij.
Ik ben in het begin gemaakt, nog vóór alles er was, nog vóór de aarde vorm kreeg.
Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht, nog vóór de bronnen met hun waterstromen.
Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht, nog vóór er heuvels waren.
De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen, geen korrel zand was nog gemaakt.
Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok,
de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen,
toen hij aan de zeeën grenzen stelde, het water met zijn woord zijn plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde.
Ik was zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid,
vond vreugde in zijn hele aarde en was blij met alle mensen.
Nu dan, zonen, luister naar mij, gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft.
Luister naar wat ik je leer en word wijs, negeer mijn lessen niet.
Gelukkig is elk mens die naar mij luistert, dag in dag uit bij mijn woning staat, de wacht houdt bij mijn deur.
Want wie mij vindt, vindt het leven en ontvangt de gunst van de HEER.
Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad, wie mij haat, bemint de dood.”

Wijsheid en Dwaasheid 9:1-6
Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zeven zuilen heeft ze uitgekapt.
Ze heeft haar vee geslacht, haar wijn gemengd, haar tafel heeft ze gedekt.
Haar dienaressen heeft zij de stad in gestuurd, zelf roept zij vanaf de hoogste plaats:
“Onnozele mensen, kom toch deze kant op.” Wie geen verstand heeft, roept ze toe:
“Kom, eet het brood dat ik je geef, drink de wijn die ik heb gemengd.
Wees niet langer zo onnozel, leef en betreed de weg van het inzicht.”

Bron: Nieuwe Bijbelvertaling © NBG

terug naar de Inhoud

2. Wijsheid van Jezus ben Sirach

Wijsheid komt van de Heer
1:1-19 Alle wijsheid komt van de Heer en is bij hem tot in eeuwigheid.
De zandkorrels aan de zee, de druppels van de regen en de dagen van de eeuwigheid, wie kan ze tellen?
De hoogte van de hemel, de breedte van de aarde, de oervloed en de wijsheid, wie kan ze meten?
De wijsheid is vóór alles geschapen, inzicht en begrip bestonden al voor de tijd begon.
De bron van de wijsheid is het woord van God in de hoogste hemel, haar wegen zijn de eeuwige geboden.
De wortel van de wijsheid, voor wie werd hij blootgelegd, haar diep doordachte daden, wie kent ze?
De kennis van de wijsheid, aan wie werd ze geopenbaard, de rijke ervaring die ze biedt, wie heeft die verworven?
Slechts één is wijs en ontzagwekkend: hij die zit op zijn troon.
De Heer zelf heeft de wijsheid geschapen, hij heeft haar gezien en uitgemeten, haar over heel zijn schepping uitgestort.
Al wat leeft heeft hij in haar laten delen, en hij schenkt haar aan wie hem liefheeft.
De liefde voor God is eerbiedwaardige wijsheid voor hen aan wie hij zich kenbaar maakt; hij geeft wijsheid aan wie ontzag voor hem heeft.

Wijsheid is ontzag voor de Heer
Ontzag voor de Heer brengt eer en roem, vreugde en een feestelijke krans.
Ontzag voor de Heer verkwikt het hart, geeft vreugde, blijdschap en een lang leven.
Ontzag voor de Heer is een gave van de Heer, het baant de weg naar de liefde.
Wie ontzag heeft voor de Heer eindigt goed, op de dag van zijn dood wordt hij gezegend.
Het begin van de wijsheid is ontzag voor de Heer, wie op hem vertrouwt, kreeg haar ingeschapen in de moederschoot.
Ze heeft bij de mensen een eeuwig fundament gelegd, ze wordt ook hun nageslacht toevertrouwd.
De voltooiing van de wijsheid is ontzag voor de Heer, ze verzadigt de mensen met haar vruchten.
Heel hun huis vult zij met haar kostbaarheden, hun schuren met hetgeen zij voortbrengt.
De krans van de wijsheid is ontzag voor de Heer, vrede en gezondheid bloeien door haar op.
Ontzag voor de Heer en wijsheid zijn beide een geschenk van God dat vrede brengt.
Wie hem liefheeft ziet zijn roem vermeerderen; hij heeft haar gezien en uitgemeten.
Kennis en inzicht laat ze neerdalen als regen, van wie haar bezitten verhoogt ze de eer.

Bron: Nieuwe Bijbelvertaling © NBG


terug naar God als man en vrouw

terug naar het weblog







^