Wat is de juiste betekenis van het woord ‘monogenes’?
Bron: GoogleAII. Het Oud-Griekse woord monogenēs (μονογενής) betekent letterlijk ‘enig in zijn soort’ of ‘uniek’.
Het is een samenstelling van twee Griekse woorden:
Monos (μόνος): alleen, enkel of enig.
Genos (γένος): soort, klasse, geslacht of nageslacht.
Belangrijke betekenisnuances:
- ‘Uniek’ tegenover ‘eniggeboren’: hoewel het vaak is vertaald als ‘eniggeboren’ (vooral in bijbelvertalingen zoals Johannes 3:16), wijzen hedendaagse taalkundigen erop dat de stam ‘genos’ verwijst naar de aard of soort van iets en niet direct naar het biologische proces van verwekken (gennaō).
- Contextueel gebruik: in familiale context betekent het meestal een enig kind. Een bekend voorbeeld is Isaäk, die in de Bijbel monogenēs wordt genoemd, ook al had Abraham nog een zoon (Ismael). Hier betekent het dat Isaäk de unieke zoon van de belofte was.
- Filosofie en theologie: buiten de Bijbel werd het woord ook gebruikt door filosofen als Plato om aan te duiden, dat iets (zoals het universum) het enige exemplaar in zijn categorie is.
In christelijke teksten benadrukt de term dat Jezus van ‘dezelfde goddelijke soort’ is als de Vader.
2. In de Griekse filosofie heeft monogenēs een fascinerende rol. Waar we het woord nu vaak associëren met personen, gebruikten de oude Griekse denkers het vooral om de kosmologie (de leer van het heelal) te beschrijven. Hieronder staan de belangrijkste manieren waarop het woord werd gebruikt:
2.1 Plato en de uniciteit van de wereld
De belangrijkste bron voor dit woord in de filosofie is Plato, specifiek in zijn werk Timaios (Timaeus). Hierin beschrijft hij het ontstaan van het universum.
- Het concept: Plato stelt dat de ‘demiurg’ (de goddelijke ambachtsman) de wereld heeft geschapen naar een perfect model. Omdat dat model uniek is, moet de fysieke kopie (onze wereld) dat ook zijn.
- De conclusie: hij noemt de kosmos daarom ‘monogenēs’. Hier betekent het niet dat de wereld ‘geboren’ is uit een vader, maar dat het een uniek exemplaar is. Er is maar één universum; er zijn geen parallelle werelden of andere kosmoi.
2.2 Parmenides en het 'zijn'
Vóór Plato gebruikte de filosoof Parmenides het woord (of varianten daarvan) om de aard van de werkelijkheid te beschrijven.
- Hij stelde dat het ‘zijn’ (dat wat echt bestaat) onveranderlijk, ondeelbaar en enig in zijn soort is.
- In deze context benadrukt monogenēs de ondeelbaarheid en uniciteit van de waarheid tegenover de veelheid van de zintuiglijke wereld.
2.3 De Orfische Mysteriën en Hesiodus
In de meer mythologische filosofie (zoals bij de Orfici of in de Theogonie van Hesiodus) werd het woord soms gebruikt als eretitel voor godheden.
- Hekate wordt bijvoorbeeld monogenēs genoemd.
- Hier heeft het een dubbele lading: het verwijst naar haar status als enig kind (geen broers of zussen), maar vooral naar haar soevereine, onafhankelijke macht. Ze is een categorie op zich.
Samenvatting van de filosofische betekenis
In de filosofie ligt de nadruk op kwaliteit en categorie: er is er maar één van (uniek).
11. Interessant feit: Toen vroege christelijke theologen (zoals de schrijvers van het Credo van Nicaea) het woord monogenēs gebruikten, leunden zij sterk op deze Griekse filosofische traditie om uit te leggen dat Jezus ‘van hetzelfde wezen’ was als God, en dus uniek in zijn soort. In het vroege christelijke denken betekende ‘monogenes’ nog: enig in zijn soort.
De overgang van 'enig in zijn soort' naar 'eniggeboren' markeert een van de belangrijkste debatten in de vroege kerkgeschiedenis. Hieronder volgt het overzicht van hoe en wanneer deze betekenis veranderde.
1. De oorspronkelijke context: Monogenēs
In het Klassiek Grieks en het vroege Nieuwe Testament (bijv. in de geschriften van Johannes) is de term een samenstelling van monos (alleen) en genos (soort/geslacht) met de betekenis: uniek, de enige in een categorie.
Voorbeeld: In Hebreeën 11:17 wordt Isaäk de monogenēs van Abraham genoemd. Abraham had echter ook Ismael; Isaäk was dus niet zijn ‘eniggeborene’ in biologische zin, maar wel zijn ‘unieke’ zoon van de belofte.
2. Het kantelpunt: De 4e eeuw en de Ariaanse strijd
De echte verschuiving naar de nadruk op ‘geboren’ vond plaats tijdens de Ariaanse crisis in de 4e eeuw.
Het conflict behelsde dat Arius beweerde dat de Zoon door de Vader was geschapen (er was een tijd dat hij er niet was). Als antwoord daarop wilden de orthodoxe kerkvaders (zoals Athanasius) benadrukken, dat de Zoon uit hetzelfde wezen voortkwam als de Vader.
Men begon monogenēs echter sterker te verbinden met het werkwoord gennaō (verwekken/geboren worden). De nadruk verschoof van ‘uniek zijn’ naar de ‘wijze van oorsprong’: de Zoon is niet geschapen, maar eeuwig uit de Vader voortgebracht.
3. De bevestiging daarvan: tijdens Nicea (325 n.Chr.)
De definitieve vastlegging gebeurde tijdens het Concilie van Nicea. In de Geloofsbelijdenis van Nicea werd de formule opgenomen die we vandaag de dag nog kennen:
'Gegenereerd (geboren), niet gemaakt, één in wezen met de Vader.'
Vanaf dit moment werd monogenēs in de Latijnse traditie vertaald als ‘unigenitus’ (eniggeboren), in plaats van het eerdere en meer algemene unicus.
4. De invloed van de Latijnse Vulgaat
Toen Hiëronymus rond het jaar 400 de Bijbel naar het Latijn vertaalde (de Vulgaat), koos hij voor ‘unigenitus’ op de plaatsen waar in het Grieks ‘monogenēs’ stond in relatie tot Jezus. Omdat de Vulgaat meer dan duizend jaar de standaardbijbel van West-Europa was, raakte de term ‘eniggeboren’ diep verankerd in de Europese talen en theologie.
Samenvatting van de verschuiving
| Periode | Primaire betekenis | Context |
|---|---|---|
| 1e - 2e eeuw | Uniek/enig in zijn soort | Bijbelse context (o.a. Isaak) |
| 4e eeuw | Eniggeboren/gegenereerd | Strijd tegen het Arianisme |
| 5e eeuw - heden | Eniggeboren Zoon | Dogm. standaard door Vulgaat |
III. De verwarring en de uiteindelijke verschuiving van 'uniek' naar 'eniggeboren' is een fascinerend stukje taalkundige geschiedenis. Het draait om de gelijkenis tussen twee Griekse woorden die voor een niet-geoefend oog (en oor) bijna hetzelfde lijken, maar een wezenlijk andere oorsprong hebben.
1. De etymologische verwisseling
De kern van de zaak is de wortel van het woord monogenēs.
Monogenēs (de werkelijke term): Dit woord is opgebouwd uit monos (enig/alleen) en genos (soort/klasse/geslacht).
De stam genos komt van het werkwoord ginomai (worden/ontstaan).
Het betekent letterlijk: 'de enige in zijn soort' of ‘uniek'.
2. Monogennētos (de verwarrende term): Dit woord is opgebouwd uit monos en gennaō (verwekken/baren).
Dit woord betekent wél letterlijk 'enig-geborene' of 'enig-verwekte'.
Doorslaggevend: de Griekse bijbelschrijvers gebruikten dit woord niet voor Jezus. Zij gebruikten consequent monogenēs.
3. Waardoor veranderde de betekenis?
- Tijdens de felle theologische debatten in de 4e eeuw (de Ariaanse strijd) zochten kerkvaders naar een manier om te bewijzen, dat Jezus van dezelfde substantie was als de Vader.
- Semantische rek: Men begon de stam -genēs (van ginomai) te associëren met de handeling van het voortbrengen. De redenering werd: als Hij de enige van Zijn soort is, dan moet dat komen omdat Hij op een unieke manier uit de Vader is 'voortgekomen'.
- Dogmatische noodzaak: Om Arius tegen te spreken (die zei dat Jezus een schepsel was), moest men benadrukken dat Jezus 'geboren' was uit het wezen van de Vader, en niet 'gemaakt' uit het niets. De vertaling 'eniggeboren' ondersteunde dit dogma.
- Latijnse invloed: De vertaling naar het Latijnse unigenitus (van gignere, verwekken) in de Vulgaat verzegelde deze interpretatie voor de rest van de westerse kerkgeschiedenis.
Moderne correctie
Tegenwoordig herstellen veel wetenschappers de oorspronkelijke nuance. De NBV21 vertaalt Johannes 3:16 bijvoorbeeld met 'zijn enige Zoon' in plaats van 'eniggeboren Zoon'. Dit doet recht aan het feit dat Jezus niet de 'enige zoon' is in biologische zin (gelovigen worden ook 'kinderen van God' genoemd), maar wel de enige in zijn unieke goddelijke soort.
Niet alleen vertaalde Hiëronimus ‘stauros’: paal onjuist in ‘crux’: kruis, maar ook onjuist ‘monogenes’: ‘van hetzelfde wezen’ in ‘unigenitus’: eniggeboren (Zoon van de Vader).
In Johannes 1:1-13 is het volgende te lezen:
Het Woord is mens geworden
In het begin was het Woord 1), het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan, zonder het Woord is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis [de onwetende mensheid] heeft het niet begrepen.
Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. Het Woord was in de wereld, de wereld is door Hem ontstaan en toch kende de wereld Hem niet. Hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren hebben Hem niet ontvangen. Wie Hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God 2) te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.
1) Woord is een betekenisverminderende vertaling van het Griekse 'logos' met de betekenus: denken, gedachte, woord, spreken - met andere woorden: geestelijke werkzaamheid. Door Gods geestelijke werkzaamheid is alles ontstaan.
2) De opvatting die na het concilie van Nicea in het kerkelijke, dogmatische denken is geslopen, dat Jezus de 'eniggeboren Zoon van God' zou zijn, is met het gestelde in Johannes 1:1-13 in tegenspraak. Als er een 'éniggeboren Zoon van God' zou zij, dan is er maar één en dan zouden er niet nog meer kinderen van God uit God voortgekomen kunnen zijn.
terug naar de vragenlijst
terug naar het weblog
^