de betekenis van 'boom'


De boom verenigt in zich de vier elementen van de schepping: het vuur van de zon met zijn warmte en licht voor de bladeren, dat de boom doet leven en groeien; de lucht waarin de boom met zijn bladeren ademt; de aarde waarin hij wortelt en die hem houvast geeft; en het water dat hem voedt.

De boom toont met zijn bladeren in de vier jaargetijden de vier levenstijdperken van al wat in de schepping leeft: in de lente geboorte en jeugd; in de zomer de volwassenheid; in de herfst ouderdom en overlijden; en in de winter het verblijf in de geestelijke wereld.

Door jaar in jaar uit bladeren te krijgen en ze weer te laten vallen, toont de boom de kringloop van het leven die door de tijdelijke en eeuwige wereld verloopt.

Een boom met zijn stam en kruin is ook een toonbeeld van de éne stam met zijn fractale kruin, waarvan de vele vertakkingen in het klein toch gelijkvormig zijn aan de ene stam; zo vormen zij een eenheid in verscheidenheid: een beeld van de wijze waarop de éne goddelijke algeest tot uitdrukking komt in de oneindige verscheidenheid van geschapen geesten, die alle de eigenschappen van de algeest in aanleg in zich hebben.

Wat de boom van zichzelf laat zien, is daardoor een zinnebeeld van het eeuwige leven.

Dat komt in het bijzonder tot uitdrukking in de boomsoort eik (Quercus robur), die bijvoorbeeld in de Tenach (het Oude Testament) een buitengewone betekenis heeft: Abraham, Jakob en Jozef hadden allemaal iets met een plaats waar eiken groeiden. Abraham bouwde bij een eikenbos een altaar, Jakob richtte er een herdenkingsplek op en Jozef zette er een gedenksteen neer. Er staat duidelijk bij vermeld dat dit bij een eikenbos gebeurde.
Het woord 'betel' wordt vertaald als 'huis van de Heer', zoals Jozef het noemde. Maar in het Hebreeuws betekent 'el' niet alleen 'God'; maar ook 'eik'. Betel kan dus ook worden vertaald als: 'het huis van de eiken'.
Ook bij Germaanse volkeren had de eik deze heilige betekenis.


terug naar de woordenlijst B






^