Otto Duintjer - Hints voor een diagnose
Over aard, grenzen en alternatieven van het rationeel-empirisch bewustzijn, naar aanleiding van Kant
Uitg. Ambo/Anthos B.V., 9789026309199
Achterwoord.
Otto Duintjer
Is er een verband tussen de manier waarop een cultuur of maatschappij functioneert en de wijze van mens-zijn of bewustzijn die in zo’n cultuur overheerst? Zijn de grote problemen waarmee onze industriële beschaving te kampen heeft, mede zo moeilijk oplosbaar, omdat onze eigen wijze van bewustzijn deel uitmaakt van het probleem?
Tegen deze achtergrond wordt in dit boek allereerst geprobeerd meer over de aard van dit heersende bewustzijn te weten te komen. In dit geval door te letten op de specifieke wijze van bewustzijn waar moderne filosofen veelal van uitgaan wanneer zij het hebben over criteria en grenzen van geldige kennis, ervaring, kenbare werkelijkheid en moreel handelen. In het bijzonder wordt dit uitgewerkt naar aanleiding van Kant - bij wijze van voorbeeld -, wiens werk gezien kan worden als ‘het knooppunt van de moderne filosofie’ (K. Jaspers’). Meer in het kort komen ook Descartes, Hegel, Marx en Nietzsche aan de orde.
In de tweede plaats wordt gepoogd voor eigen rekening een wijsgerige articulatie te geven van afwijkende ervaringswijze, die bij vereenzelviging met het heersende bewustzijn ontoegankelijk dreigen te worden. Dit geldt met name voor de mogelijkheid tot een lijfelijk voelbare verbinding met de aarde enerzijds en tot eigen contact met een spirituele dimensie anderzijds. Van daaruit opent zich een ruimte waar alle mensen en levende wezens verbonden blijken. Ontvankelijkheid hiervoor kan bevorderd worden door meditatieve praktijken en een meer natuurlijke leefwijze.
Inhoud
Voorwoord
I. In verband met het onderwerp
II. Rationeel-empirisch bewustzijn
Voorwoord
‘Waar is de uitgang?’
‘Er is nergens een uitgang.’
‘We zijn hier ingekomen, dan moet er
toch ook ergens een uitgang zijn?’
Mijn wijsgerige belangstelling kan deels worden aangeduid met de trefwoorden ‘spiritualiteit’ en ‘lichamelijkheid’. Sinds geruime tijd probeer ik afwijkende ervaringswijzen (die ik vooral heb leren kennen via meditatie en andere levenservaring) filosofisch te articuleren en te confronteren met wat in de westerse filosofie gezegd wordt over ervaring, kennis, bewustzijn, en werkelijkheid.
Mijn bevinding daarbij is dat kennisleer en zijnsleer (ontologie) in de moderne filosofie overwegend bedreven worden tegen de achtergrond van een bepaald type bewustzijn, dat ik het ‘rationeel-empirisch bewustzijn’ ben gaan noemen. Ik bedoel daarmee een bewustzijn waarbij al het ervaren en handelen begeleid en gestructureerd wordt door discursief denken, redeneren, praten in jezelf.
Als ervaring geldt dan alleen rationeel geprogrammeerde empirie, door begripsmatig denken geleide waarneming. (7) Handelen staat dan gelijk met realisatie van gedachten. En werkelijkheid komt voornamelijk in zicht als materiaal voor rationele bewerking of als product van zulke bewerking. Er is dan geen ruimte voor louter receptieve aandacht, waarbij je niet zelf in gedachten aan het woord bent, maar volledig alert deelneemt aan wat zich voordoet in de Tegenwoordigheid.
Vereenzelviging met het rationeel-empirisch bewustzijn betekent afgeslotenheid naar ‘beneden’ en naar ‘boven’. Onopgemerkt blijft dan zowel een lijfelijk voelbare verbondenheid met de aarde, met medemensen en andere levende wezens, alsook een ervaarbare verbinding met de alomvattende kosmische Werkelijkheid, waar alle spirituele wijsheidstradities van de mensheid naar verwijzen. Een en ander heeft onder meer te maken met de wijze van gesitueerdheid in je lichaam, met bepaalde tijdsvoltrekking en met angst of vertrouwen ten aanzien van wat we niet gewend zijn.
Wat ik samenvat met de uitdrukking ‘rationeel-empirisch bewustzijn’ betreft echter niet alleen datgene waar de meeste filosofische analyses van uitgaan, (8) maar primair de feitelijk overheersende wijze van mens-zijn in heel onze moderne cultuur, die zich thans doet gelden op wereldschaal.
Het is de vooronderstelde en overkoepelende (‘metafysische’) achtergrond van moderne wetenschap, techniek, industrie en bureaucratisering, en heeft de neiging uit te waaieren naar alle terreinen van ons moderne leven. Intussen betekent dit ook dat je van die filosofische analyses veel kunt leren over de aard van dat heersende bewustzijn. Dit geldt met name ook voor de filosofie van Immanuel Kant (1724-1804) en om die reden zal zijn denken in dit boek aan de orde komen.
Kant heeft in een tamelijk vroeg stadium van de moderne cultuurgeschiedenis een zowel grondige als heldere analyse gegeven van het bewustzijn waarmee hij vertrouwd was en heeft in die context zijn eigen probleemstellingen uitgewerkt. Het betreft een door de rede geleid oordelend bewustzijn, dat zich doet gelden inzake ervaring, kennis, zedelijk handelen en esthetisch beschouwen.
Verscheidene voorafgaande tradities zijn daarbij verwerkt en velen van de na hem komende filosofen hebben zus of zo bij hem aangesloten, zodat zijn denken nog steeds getypeerd kan worden als ‘het knooppunt van de moderne filosofie’ (K. Jaspers).
Uitgaande van wat we door Kant kunnen leren over aard en grenzen van de ons meest bekende bewustzijnsvormen, probeer ik zelf vervolgens attent te maken op andere mogelijkheden van werkelijkheidservaring, kennen en handelen, die in dit verband buiten zicht blijven of gekortwiekt worden. Maar de strekking van dergelijke uiteenzettingen zou worden misverstaan, indien de pointe van mijn boek wordt opgevat als ‘anti-Kant’. Want ten eerste zou aan vele westerse filosofen, vooral van Descartes tot heden, een soortgelijke kritische bespreking gewijd kunnen worden. Ten tweede en voornamelijk: de filosofische grootheid van Kant zit niet in het type bewustzijn dat hij representeert, maar in de helderheid, deugdelijkheid en radicaliteit van de filosofische analyses die hij, uitgaande van dat bewustzijn, ten uitvoer brengt. En bij die analyses sluit ik mij meestal aan. Bovendien heeft juist Kant ook de begrensdheid van dit bewustzijn beklemtoond en begrijpelijk gemaakt (al zag hij voor de mens geen andere mogelijkheden). Zodat hij met recht kon zeggen dat dit toch “alles is wat naar billijkheid van een filosofie die tot aan de grens van de menselijke rede in beginselen streeft, geëist kan worden”. (Grondslagen voor de metafysica van de moraal.BA 128).
Op dit niveau van filosofische articulatie van het rationeel-empirisch bewustzijn (9) zijn door latere filosofen stellig waardevolle momenten toegevoegd, zoals de intentionaliteit (Husserl), en historische (Hegel), sociale (Marx), vitale (Nietzsche) en talige (analytische filosofie o.a) aspecten of achtergronden. Maar zijn dit niet merendeels aanvullingen of correcties bij de filosofische analyse van hetzelfde soort bewustzijn waar ook Kant van uitging, of althans van een bewustzijn dat zich in het verlengde daarvan ontwikkeld heeft?
Hoe dit zij, voor zover mijn boek een kritische pointe heeft (in eerste instantie is het bedoeld als bijdrage tot zelfkennis, tot inzicht in onze situatie), is die kritiek niet gericht tegen Kant of tegen andere filosofen, maar gericht op onszelf: het bewustzijn van moderne mensen. Wat is er met ons aan de hand en in welke richting zouden wij kunnen veranderen?
Welnu, wat dat betreft kan ons met Kants filosofie een spiegel worden voorgehouden van onze moderne situatie. Bijvoorbeeld als hij schrijft:
’Hier zien we nu de filosofie op een hachelijk standpunt gesteld, dat vast behoort te zijn ondanks het feit dat het noch in de hemel, noch op de aarde ergens aan hangt of door gesteund wordt. Hier moet zij haar zuiverheid bewijzen, als autonome beheerster van haar wetten (…) die door de rede gedicteerd worden” (Grondslagen, BA 60). Ook hier valt het te prijzen dat, zolang het standpunt van het bewustzijn feitelijk en existentieel samenvalt met ratio en bijgevolg noch spirituele inspiratie, noch rechtstreekse verbondenheid met de aarde ervaren kunnen worden -, dat dan een filosofie ook dienovereenkomstig formuleert en niet met ratione schijn-argumentaties een quasi-verbondenheid probeert te suggereren. Niettemin kan zulk een filosofie tegelijk een spiegel zijn van ons vervreemd bewustzijn: het standpunt van een verzelfstandigde rede, losgeraakt van ‘hemel en aarde’. Niet dat ik ervoor wil pleiten om ergens volstrekt aan te hangen of op te steunen. (zeker niet aan entiteiten of dogma’s dienaangaande) -, waar het mij omgaat is het vrije contact met dimensies van werkelijkheid en van bewustzijn die de rede te boven gaan en ons kunnen inspireren en voeden.
Overigens is de kritische diagnose van ons feitelijk bewustzijn als overwegend vereenzelvigd met redenerend denken (daarin zijn centrum hebbend) allerminst gericht tegen rationaliteit als zodanig. Vorm en inhoud van mijn uiteenzettingen mogen daarvan blijk geven. Bij het onderscheiden der geesten in onze verwarde tijden kunnen een behoorlijke intelligentie en een flinke dosis 10) gezond verstand zelfs broodnodig zijn (evenals spirituele ontvankelijkheid, een hart op de goede plaats en een gevoelig lichaam). Van vervreemding is echter sprake, als het redenerend denken en willen blijken te functioneren als plafond voor alle mogelijke ervaring, voor elk bewust contact met werkelijkheid. Dat wil zeggen dat er voorbij dat plafond dan geen ruimte is voor een ander bewustzijn dat daar bij ogenblikken boven uitgaat, laat staan dat zo’n ander bewustzijn dan inspirerend en toonaangevend kan zijn. Ik bedoel een bewustzijn waarbij het gepraat in onszelf tot bedaren komt, waar innerlijke stilte gepaard gaat met wakkere aandacht. Toch ligt hier de toegang naar het ontvangen van wijdere vergezichten en (mede ten behoeve van het denken) van andere uitgangspunten, maatstaven of concepten. En de uitweg uit een dilemma dat zich in onze tijd nogal eens lijkt op cynisme.
Een eerste versie van dit geschrift ontstond in de jaren 1979-1980. Die is voor deze gelegenheid aanzienlijk bijgewerkt en aangevuld. Voor de lezers die weinig bekend zijn met filosofie, kunnen enkele gedeelten uit de hoofdstukken III en IV een beetje moeilijk blijken. In dat geval kunnen zulke desnoods worden overgeslagen.
Terwijl in dit boek vooral gehandeld zal worden over dominante en afwijkende vormen van bewustzijn, ben ik inmiddels in andere publikaties: ((Techniek en werkelijkheid, Waarden in onze technische cultuur, ‘Over natuur, vervreemding en heelwording, ‘Milieucrisis en filosofie’ ‘Het belang van nieuwe spiritualiteit in een expansieve maatschappij’ en ‘Maken en breken, over produktie en spiritualiteit’)) nader ingegaan op aspecten van de onderhavige thematiek die voor diagnose evenzeer van belang zijn. Bijvoorbeeld het maatschappelijke patroon van onze industriële samenleving, waar expansie van produktie en onderlinge concurrentiestrijd structureel ingebakken lijken te zijn. En bepaalde niet-rationele krachten, waardoor ons met redenerend denken vereenzelvigde bewustzijn onderhands veelal wordt aangedreven. In dit verband is er ook alle aanleiding om erop te gaan letten waardoor onze discursieve gedachten en redeneringen worden ingegeven, uit welke lagen van onze ziel zij stammen, en dus in welke opzichten zij van belang kunnen zijn.
In de volgende bladzijden zal wel eens sprake zijn van het crisiskarakter van onze moderne cultuursituatie en soms gezinspeeld worden op de mogelijkheid van destructieve ontwikkelingen die ons zouden kunnen aansporen tot zelfverandering. Maar meer nog zal het erop aankomen om oog te krijgen voor de positieve wondertjes die op kleine en op grote schaal gebeuren en die vloeiend door het heersende patroon heenbreken. En te leren waar je op hebt te letten om ze te kunnen opmerken en er zelf open voor te worden.
Amsterdam, voorjaar 1988
I. In verband met het onderwerp (13)
Voor een deel biedt dit boek een bepaald soort bespreking van een filosofie uit het verleden, voornamelijk van Kant (en minder uitvoerig soms ook van Descartes, Marx en Nietzsche). Na korte samenvattingen van Kants hoofdgedachten en wat commentaar, zal ik voor eigen rekening iets zeggen over de manier van menszijn of de ‘bewustzijnspositie’ van waaruit Kant filosofeert en die zich in zijn filosofie doet gelden. Deze bewustzijnspositie zal ik in verband brengen met een bepaalde tendens in onze westerse cultuur, onze traditie en onze maatschappij, die lange tijd is voorbereid, steeds meer een eigen leven is gaan leiden en inmiddels overheersend is geworden: hij bepaalt in overwegende mate onze gevestigde orde. Bovendien zal ik proberen iets te zeggen over dat wat in die filosofieën en in onze gevestigde orde verwaarloosd wordt, maar wat zich toch hier en daar aankondigt in ons eigen leven en om ons heen, bijvoorbeeld in ‘alternatieve’ of ‘dissidente’ stromingen.
Wat zich aankondigt … Vergeleken met een aantal jaren geleden, vooral eind jaren zestig, begin jaren zeventig, lijken de tijden nu vaak harder en nuchterder. Soms bijna alsof het elan van toen, van snel elkaar opvolgende ontdekkingen hoe er veel meer ervaarbaar bleek te zijn dan je daarvoor voor mogelijk hield, bijna alsof wat we toen beleefden er nooit geweest is. Wie het toen gebeurde niet beleefde als aankondiging van een beginnende crisis, maar slechts droomde van rozengeur en maneschijn, was het meest vatbaar voor desillusionering. En vooral degene die ‘werken aan jezelf’ (sadhana) niet als voornaamste opdracht zijn gaan zien, konden gemakkelijk het contact verliezen met wat toen in hen werd aangeraakt. Ik meen echter dat de ‘matheid’ van nu een verband heeft met het ‘hooggestemde’ van toen. Ook toen al leek het soms of je meer prozaïsche tijden voelde aankomen. Ik herinner me toen eens een soort ‘visioen’ gehad te hebben dat wij even op een heuveltop zaten van waaruit je kon kijken over een wijd landschap, een groot dal met in de verte weer heuvels en plateaus. (14)
Je kon zien aankomen dat het leven in dat dal zou neerkomen op een moeizaam proces van innerlijke reiniging, dat veel tijd en energie opgeslorpt zouden worden door de beslommeringen van werk of aan werk zien te komen, het ‘werken aan relaties’, het inwerken van persoonlijke fixaties, de inzet in de kleine en grote politieke strijd, het omsmelten van goudklompjes in pasmunt. En het zou vaak lijken alsof het elan, het lied ervan daarvoor nooit geklonken had. “Het gaat een lange tijd duren … voor de avond valt.”
Het verband tussen ‘zitten op een top’ en ‘in het dal’ is dat beide deel uitmaken van een zelfde leerproces: het leren dat het niet gaat om ‘goede’ versus ‘slechte’ zitplaatsen, maar om het gewaar zijn, je helemaal bewust zijn van waar je zit. Het belangrijkste is niet de aangename of onaangename inhoud van je ervaringen, niet wat je meemaakt, maar of je er helemaal bij bent als je het meemaakt, zodat je ervan leert. Niet de ‘goede’ zitplaatsen willen vasthouden, maar de verandering, de beweging als zodanig bewust meemaken. En niet het wijde landschap vergeten waarin ons op-weg-zijn zich afspeelt. Ook in het dal gaat het om hetzelfde lied, zij het op andere toonhoogten en golflengten.
De eigenlijke titel van dit geschrift is een lange: gedachten over aard, grenzen en alternatieven (in de zin van: aanvullende mogelijkheden) van het rationeel-empirisch bewustzijn, naar aanleiding van Kant (en de aanduiding van het bedoelde bewustzijn is nog maar een afkorting!).
De korte titel luidt: Hints voor een diagnose. Ik benadruk ‘hints’; het zijn suggesties, aanzetten voor een diagnose, brokstukken van een legpuzzel. Het woord diagnose duidt op iets wat is, niet op wat zal zijn of behoort te zijn. Eerder beschrijving dus dan therapie. Voor zover diagnose geassocieerd wordt met een ziekte, kwaal, lijkt het me van belang om eerst meer in contact te komen met wat is, met wat kwaal is in ons is. Indien we bereid zijn, kunnen we vervolgens beter worden, ten slotte wellicht zelfs beter dan vóór de kwaal. De kwaal kan een positieve functie hebben mits er niet aan voorbij wordt gegaan.
Met diagnose bedoel ik in elk geval niet een rationeel theoretisch overzicht over het totaal, het Geheel. Een van de pointes van dit boek zal juist zijn de betrekkelijke status van rationeel overzicht, de aanvaarding – in een overgangstijd als de onze – van meerzinnigheid. Ik zal niet op basis van een theoretisch overzicht (15) algemene recepten geven voor goed en kwaad, een blauwdruk voor de goede maatschappij. Ik zal bijvoorbeeld in dit geschrift zeggen dat denken-willen-arbeiden (omvormen) zich als een innerlijk samenhangende cluster losgemaakt heeft van dat waar het zijn voeding en maat aan ontleent. In deze isolering is het onze thans overheersende zijnswijze geworden, die tot een crisis kan leiden. Maar daarmee wil ik niet zeggen dat er bij die crisis niet ook andere factoren in het spel zijn. Laat staan dat denken, willen, arbeiden zouden moeten worden afgeschaft. Zelfs niet dat het voor iedereen nu geboden zou zijn om minder te gaan denken of willen of arbeiden. Positief is het wel zo, dat concreet ‘werk aan jezelf’ (lichamelijk, emotioneel, spiritueel) een onmisbaar voorwaarde lijkt te zijn om in contact te komen met wat buiten onze gevestigde orde ligt. En dat betekent af en toe uitkomen boven het denkend, willend en arbeidend bewustzijn.
Ik zie filosofie niet als iets wat rechtstreeks voorschriften geeft die leiden tot het goede leven. Het verband tussen filosoferen en leven ligt mijns inziens eerder andersom. Het begint met leven en wendingen daarin. Filosofie is dan de poging tot een bepaald soort explicitering, articulering van de eigen levenservaring. Of iets preciezer: een explicitering van onze ervaringswijzen, die structureel ook voor anderen toegankelijk zijn of toegankelijk kunnen worden. Waarbij de articulatie boeiender kan zijn in dat leven wijsheid echt begéérd wordt.
Vaak is deze wijsheid in verband gebracht met ‘de Rede’: een systematisch overzicht (ook een systeem van moraalvoorschriften) over het Geheel. Mijn eigen levensgevoel is eerder vervat in dit adagium: aan het geheel valt geen touw vast te knopen! En dit is inderdaad een tautologie.
Wat je ook, steeds uitgebreider, onder ‘geheel’ verstaat (je hele leven, de maatschappelijke verhoudingen, verleden en toekomst van de mensheid, van de kosmos, van wat voor ons onbekende werkelijkheden zijn) … per definitie is het natuurlijk onmogelijk dat er ‘van buiten’ nog een touwtje aan of om ‘het geheel’ gelegd zou kunnen worden. Filosofie was in het verleden wel vaak een poging tot een touw om/aan het Geheel, of pogingen om touwtjes weer door te knippen (opgebouwde, systemen weer afbreken). Ikzelf herken wel die betrokkenheid op het Geheel – het Leven, je daarmee verbonden voelen – maar niet in de zin van het streven naar een touw er om.
Ten aanzien van filosofische systemen (kennisleren, metafysica’s) uit het verleden – bijvoorbeeld Kant – zie ik mijn filosoferen (16) als het laten zien dat zij hoogstens strootjes zijn om een korenschoof waarin mensen kunnen bivakkeren, maar niet om het Geheel. Daarnaast hoop ik soms zelf een stroboeketje aan te bieden.
Onze traditie, onze cultuur, onze maatschappij – althans dat wat daarvan het eeuwenlang opgebouwde en uitgekristalliseerde stramien vormt – laat zich vergelijken met een gebouw waarin we leven. In onze situatie nu, onze tijd, lijkt het of van buitenaf iets op de muur tikt. Iets wat van een principieel andere orde is dan al wat binnen het gebouw als bekend, relevant, of bestaanbaar wordt erkend.
Binnen het gebouw is men of te bedrijvig bezig überhaupt iets te horen, of men meent te weten dat het getik komt van oorzaken in het gebouw (en met de daar bekende middelen wil men het euvel verhelpen), of men wil de muren verdikken en de deuren barricaderen, of men produceert het getik-van-buiten te vervangen en te overstemmen door eigen imitatie-geluidje (in de mening ‘dat kunnen we hier binnen ook; we maken het zelf’).
Er zijn er ook die echt geraakt zijn door het ‘andere tikken’ dat iets nieuws aankondigt, maar die vervolgens teruggrijpen naar wat in de archieven binnen het gebouw te vinden is aan meest kritische en revolutionaire geschriften (bijvoorbeeld Marx), die pleiten voor vernieuwing in de zin van een nieuwe, interne organisatie en inrichting van het interieur. Het nieuwe elan wordt dan voortijdig gekanaliseerd door denkpatronen die zelf voorkomen uit het interne stramien.
Intussen echter is het eerste waar het klikken aan zou kunnen herinneren, dat er een ‘buiten’ is. En wie dat een beetje begint te volgen in zichzelf …. hij vindt de aarde onder de wijde open hemel. Grotendeels en gewoonlijk verblijven wij in dit het gebouw van onze cultuur, van het planmatige, redenerende en slechts van daaruit ervarende bewustzijn. Daar zijn we samen onder dak.
Als het mensen echter gebeurt dat zij wat heen en weer gaan bewegen tussen binnen en buiten, zullen zij af en toe ook wat anders binnen komen, bijvoorbeeld het zonlicht meenemen in hun ogen of op hun huid, en aardkluiten aan hun broek. Letterlijk en overdrachtelijk gesproken. Zij zullen wel eens ruzie moeten maken met degene die de ramen en deuren willen barricaderen in plaats van ze open te zetten. Misschien zal hun aanwezigheid de gang van zaken in het gebouw in feite wat veranderen, zodat (17) daar tijd en energie overblijft om ook buiten te gaan en weer contact te krijgen met de aarde en de zon. Een eventuele verandering van inrichting in het gebouw is in eerste instantie iets wat gebeurt als feitelijk gevolg en uitvloeisel van het nu eenmaal bezig zijn anders worden. Het is in elk geval niet een verandering die in het verlengde ligt van de koortsachtige activiteit die toch al gonst in het gebouw. Waar dan nog eens bovenop zou komen een extra activisme, dat dringend het hele zaakje reorganiseren moet, als een nieuw soort plichtmatige arbeid met manipulatieve tendensen.
Ik ben geneigd om in woorden als alternatief, revolutionair, dissident, subversief (gezagsondermijnend, ontwrichtend,omverwerpend) iets te horen wat verband houdt met het voorgaande. Je kunt op twee heel verschillende manieren geïnteresseerd zijn in verandering. Het kan zijn vanuit een tekort, vanwege wat we allemaal niet hebben of zijn, terwijl we het zo graag zouden willen; vanwege de wens te veroveren wat het establishment al heeft, het revolutionair zijn uit wat Nietzsche noemt ‘ressentiment’; de preoccupatie met verovering van de macht. Natuurlijk kan dit soms zin hebben uit overwegingen van rechtvaardigheid. Maar vaak zal de gang van zaken door deze kracht uit tekort niet wezenlijk veranderen. Het zal vaak neerkomen op een soort aflossing van de wacht.
Je kunt echter in die woorden alternatief, dissident enz. ook iets anders horen: dat er mensen zijn die in zichzelf een nieuw ‘plus’ ontdekken, iets wat meer en anders is dan in de gevestigde orde tot dusver aan bod kwam, wat daarin ook onderdrukt wordt, en wat ze ontdekken te hebben leren onderdrukken in zichzelf, terwijl ze ook gaan herkennen dat er een hele orde van onderdrukking is van objectieve aard die de zelfonderdrukking in stand houdt. Beginnend met dit ontdekte ‘plus’ komt het zwaartepunt van de aandacht te liggen bij iets in jezelf: het honoreren van dat nieuw ontdekte, het kans geven tot bloei te komen.
Vervolgens sluit dit alles strijdt niet uit. Wat je niet meer in jezelf onderdrukt, verdom je nog langer door anderen te laten onderdrukken. Maar ongeacht waar deze strijd je naar voert, in eerste instantie gaat het om een verplichting aan jouzelf, aan je bestemming, en om dienovereenkomstig te handelen. En een eventuele strijdbaarheid komt dan vanzelf voort – in plaats van dat je er moreel toe aangezet moet worden – uit het zelfontdekte ‘plus’, uit het méér dan je in je verleden was en dat je mag zijn van de orde om je heen. (18)
In zoverre iets van het hier bedoelde aan de gang is in ‘alternatieve’ bewegingen (ondanks dubbelzinnigheden, verwarringen en ontsporingen), zou ik dat het positieve noemen in bijvoorbeeld de tegenwoordige vrouwenbeweging: niet het willen veroveren van de macht die mannen hebben krachtens hooggewaardeerde masculiene vermogens – niet zozeer de sfeer ‘wij vrouwen kunnen datzelfde ook’ – maar eerder de veelzijdige vrouwelijkheid in jezelf als een rechthebbend positivum gaan ervaren en daarin je kracht vinden. Iets overeenkomstigs kan deels ook gezien worden in de flikkerbeweging, wanneer het gaat om erkenning van het feit dat geslachtgenoten ook lichamelijk genegenheid voor elkaar kunnen voelen en betonen (en leve de ‘buddies’); in milieubewegingen waar een andere wijze van natuur-ervaren aan de orde komt; en in de vredesbeweging, met name wanneer de werkelijke en wezenlijke samenhorigheid van de hele menselijke familie daarbij het uitgangspunt vormt. Vooral ook in sommige vormen van wat wel met een verzamelwoord de ‘innerlijke groeibeweging’ of ‘nieuwe spiritualiteit’ genoemd wordt, waar mensen leren lichamelijk, voelend en spiritueel in contact te komen met verwaarloosde dimensies in henzelf en in de werkelijkheid. En natuurlijk overal waardoor gefixeerde verhoudingen en afgesloten bewustzijnsvormen iets positiefs heen breekt wat wijder en dieper is, zodat het kan verbinden, voeden en inspireren.
De zelfontdekking van dat aanvankelijk onderdrukte ‘plus’ begint in individuen. Sociologisch gezien mag hij of zij dan wel tot een of andere bevolkingsgroep behoren, waar het mee begint is dat mensen voorbij hun schaamte en angsten een positieve kracht in zichzelf durven te vertrouwen. Overigens blijkt dat juist vanuit het zelfontdekte ‘plus’ een vanzelfsprekende solidariteit kan groeien, die je niet aangepraat hoeft te worden met morele of politieke argumenten. Juist vanwege de aard van dit leerproces (het ontdekken van iets oorspronkelijks in jezelf) groei solidariteit met andere onderdrukten die opkomen voor wat hen eigen is, bijvoorbeeld de derde wereld, etnische minderheden, bejaarden, indianen. Een inhoudelijk verband tussen al die stromingen lijkt me dat deze onderdrukking uiteindelijk de gezamenlijke en massieve onderdrukking is van moeder aarde, in de mensen en onder hun voeten, en veronachtzaming van wat nog wijder dan de aarde is, komen, waar de aarde minstens het licht en de warmte van ontvangt.
19) In mijn vorige geschriften viel nogal eens de uitdrukking ‘de dimensie van het onuitputtelijke’. Uitgaande van wat ik noemde ‘maatgevende, regulatieve kaders voor denken, waarneming en gedrag’, sprak ik naar die dimensie toe als de oorspronkelijke ‘ruimte’ die het ontwerpen, binnentreden en in acht nemen van zulke kaders mogelijk maakt. Mede omdat gronden, funderingen, rechtvaardigingen van gedrag slechts mogelijk zijn binnen een maatgevend kader dat ons denken, doen en waarnemen omringt -, noemde ik de ‘dimensie’ vóór elk kader ook wel de grondeloze en mateloos wijde ruimte rondom alle kaders. Ook sprak ik wel van de onuitputtelijke bron, oorsprong van creativiteit ten aanzien van normen en concepten.
Op gevoelsniveau wil ik hier nog aan het bovenstaande toevoegen: het leven laat zich op onuitputtelijk veel wijzen aanvoelen. Stel je voor dat er een eeuwigdurende scheurkalender zou zijn, waar elke dag op zou staan ‘Het leven is…’. En dat je voor de puntjes telkens zou invullen wat op dat moment voor jou het hele leven ook werkelijk is, als intens gevoelde realiteit. Dan zou er elke dag … of eventueel zelfs een minuut later … telkens weer iets anders ingevuld kunnen worden. Ook dat maakt de onuitputtelijke rijkdom van het leven uit. Ook gaat het niet op in wat je per keer intens aanvoelt, in wat op dit moment het hele leven voor jou realiter is. Het kondigt zich eerder aan, als je meer leert ‘per keer’ te beleven, in het intense meegaan met de verandering in hoe het leven aanvoelt. Naarmate je leert dieper en intenser ‘per keer’ te beleven, leer je ook het meegaan met de verandering (dit is een facet van het samengaan van toelaten en loslaten), en dan wordt het onuitputtelijke voelbaar. Het leven is … een schandaal, een sadistisch universum … is een spel … is een constant gevecht … is harmonie … is een tranendal … is een grap … is saai, vervelend … is verrukkelijk … is walgelijk … is te gek … enz. … ad infinitum.
Met onuitputtelijk bedoel ik dus niet speciaal het moreel goede, of het aangename. Het gaat om de veranderende doorstroming. In het oude Egypte werd de levensslang getekend als een op en neer golvende lijn, een stroom (vgl. de levenbrengende Nijl). Wat mij betreft komt het erop aan deel te hebben aan de ‘rivier van het leven’, en open te zijn voor de mateloze ruimte (onder de open hemel) waar die rivier kronkelt, waardoor de rivier als rivier ervaren kan worden. Zodat hoogte- en dieptepunten blijken te zijn wat ze zijn: momentopname van het ene stromende leven, (20) dat als geheel gevierd kan worden. Dan kan ook het verschil blijken tussen wat je te zien krijgt terwijl je in contact bent met de levensstroom en wanneer het contact verbroken lijkt. En daarmee het verschil tussen tegenslagen en werkelijk lijden.
Ik meen dat je, door op een bepaalde manier naar het werk van bijvoorbeeld Kant te kijken, aan zijn filosofie iets essentieels kunt aflezen omtrent de wijze van zijn, van mens zijn, die de laatste eeuwen toonaangevend is geworden in onze cultuur, omtrent het soort bewustzijn (zelf-zijn en zelfbeeld) van waaruit generaties lang gewerkt en gezwoegd is, in de wetenschap, de techniek, de filosofie, de kunst, op het land, in de fabrieken, omtrent het soort contact met realiteit dat bij dit bewustzijn wel en niet mogelijk is.
Het is een bewustzijn dat zich bewerkend verhoudt tot de natuur om ons heen en dat zich, hiermee gecorreleerd ook bewerkend verhoudt tot de natuur in onszelf. Een bewustzijn dat überhaupt zich alleen verhoudt tot het natuurlijke in jezelf, in plaats van nog te kunnen voelen af en toe dat je natuur bént; wat parallel loopt met zich verhouden tot de omringende natuur, in plaats van zichzelf ook nog te kunnen herkennen daarin. Vanuit dit bewustzijn – verwoord door Descartes, het begin van de ‘nieuwe tijd’ zoals die periode in de geschiedeniswetenschap genoemd wordt, en uitgewerkt door Kant, Marx e.a. – is een technisch instrumentarium opgebouwd waarmee de mens en de aarde bewerkt werd. Een civilisatie waarvan de gevolgen mondiaal zijn.
Inmiddels heeft deze grootschalige ontwikkeling problemen opgeroepen (honger, risico van atoomoorlog, kernramp, milieuvernietiging, toenemende criminaliteit) die naar het zich laat aanzien niet afdoende op te lossen zijn vanuit deze zijnswijze. Alsof de tovenaarsleerling geconfronteerd wordt met destructieve gevolgen van zijn machtsuitoefening, maar daar niet op voorbereid is, en onvermogend ze af te wenden, omdat zijn eigen zijnswijze deel uitmaakt van het probleem. Deze gigantische civilisatie is opgebouwd door miljoenen, met veel moeite, grote discipline, vaak ook met grote integriteit en hoge morele eisen aan zichzelf en aan anderen. En zij lijkt nu in een fase gekomen waarin bij menigeen de vraag opkomt: staat dit niet op exploderen? Uniek in de geschiedenis is op zijn minst dat onze beschaving de middelen heeft om de fysieke dood van de mensheid te voltrekken.
Uitgaande van die elementen in de filosofieën van Kant en Marx (21) die ik zal onderstrepen, kan bij contrast iets onder woorden gebracht worden van ervaringsmogelijkheden, manieren van zelfzijn, dir binnen het dominant geworden bewustzijn niet aan bod komen. In onze tijd blijken mensen af en toe deze andere ervaringen te doen, daar ontvankelijk voor te worden. Onze huidige Nederlandse samenleving is vergelijkenderwijs (zowel historisch als geografisch gunstig in het opzicht van materiële en van betrekkelijke vrijheid (tolerantie). Een betrekkelijk gunstige gelegenheid voor mensen om andere zijnswijzen te ontdekken, om een andere gang te gaan. Overigens, als het gaat om veranderingen van zijnswijzen, bewustzijnsposities, moet je mijns inziens met het nieuwe zonder meer causaal willen verklaren uit het oude. Ik zou eerder een ‘verticale’ optiek voorstaan: dat wat onder de bodem van een gevestigde cultuur, en daar bovenuit, de creatieve Oorsprong is, de dimensie waarin elke menselijke zijnswijze ‘hangt’ … van daaruit komen ook de impulsen tot wezenlijke veranderingen in mens-zijn.
Bij mijn manier van omgang met een filosoof uit het verleden gaat het, heel beknopt gezegd, om het volgende. Ik probeer uit zijn werk iets af te lezen omtrent de vooronderstelde, dragende manier van mens-zijn (zelf-zijn, in de wereld zijn) die zich in zijn filosofie toont, doet gelden, de factische (feitelijke, of in werkelijkheid) bewustzijnspositie van waaruit hij spreekt. Deze bewustzijnspositie brengt voor die filosoof, en voor zijn tijd, bepaalde evidenties (de mate waarin iets overduidelijk, onomstotelijk of vanzelfsprekend is) mee: dat wat hij niet meer beargumenteert, maar waar hij zich op beroept bij het argumenteren; dat wat door zijn reële en denkbeeldige gesprekspartners allen gedeeld wordt, dus zelf geen object van argumentatie is. Zo’n dragende manier van mens-zijn is dus niet strikt individueel maar wordt gedeeld. En als zo’n filosofie – na mode en tegenmode – belangrijk blijft voor latere generaties, is dat omdat zij beseffen: daar wordt iets wezenlijks gezegd over onszelf, over onze kennis en over de werkelijkheid waarmee wij ons bezighouden.
Een bewustzijnspositie, menselijke zijnswijze, manier van zelfzijn., kun je ook noemen: een levensvorm, regelpatroon, cluster van criteria voor wat als bestaanbaar geldt en voor wat als echte kennis geldt omtrent dat bestaanbare, en voor wie we zelf zijn (wat geldt als ‘mens’, in onderscheid van het niet-menselijke). Zo’n geheel van impliciete, criteriale ‘voorbeslissingen’ heb ik ook wel een ‘maatgevend kader’ genoemd (‘De vraag naar het transcendentale’) waarbinnen een (22) menselijke gemeenschap ‘woont’ werkelijkheid ontmoet wordt, kermis wordt verworven, gehandeld wordt ten opzichte van elkaar.
Filosofen zijn daarom zulke geschikte modellen om aan af te lezen hoe de factische zijnswijze van hun tijd is, omdat zij zich juist expliciet met vragen als: wat is werkelijkheid, wat is geldige kennis, wat is de mens, gemeenschap, menselijk gedrag? Om aan hun uiteenzettingen de levensvorm van hun tijd te kunnen aflezen, moet hij het betoog dat zij op de voorgrond houden vooral gelet worden op hun vanzelfsprekende uitgangspunten en definities, de rol van hun sleutelwoorden, de aard van het convergentiepunt waar zij alles op betrekken, de domeinen waar zij hun voorbeelden aan ontlenen, de achtergrond- evidenties die hun argumentatie dragen e.d.: daar geven zij zich bloot; daarin zijn ze een expressie van de dragende bewustzijnspositie van hun tijd.
Deze manier van omgang met filosofen uit het verleden heeft tot op zekere hoogte enige verwantschap met die van enkele bekende denkers. Voor Nietzsche bijvoorbeeld zijn werkelijkheid, kennis, handelen altijd perspectivisch van aard. Werkelijkheid, leven, meldt zich slechts binnen een bepaald perspectief. Dus vraagt hij bij filosofische uitspraken vanuit welk vertrekpunt ze gedaan worden. Bij Marx vind je de these: “Zijn bepaalt het bewustzijn en niet omgekeerd. Hij bedoelt het ideologische bewustzijn, dat bepaald wordt door de plaats die je inneemt in het produktieproces. Zijn eigen uitgangspunt is: zijn is produceren. Wittgenstein spreekt van ‘levensvormen’ als dat waarop onze onderscheidingen tussen zeker-onzeker, waar-onwaar, bestaand of niet-bestaand, teruggaan. En een levensvorm is niet iets watje als een ding om je heen aantreft, waar je kennis van neemt. Een levensvorm ben je, met dat je deel uitmaakt van een gemeenschap die zus of zo leeft. Heidegger drukt deze thematiek zo uit: onze verhoudingen tot entiteiten (tot wat bestaat) worden altijd geleid door een of andere impliciete ontologie (wat onder ‘zijnd’, ‘bestaand’ verstaan wordt). En zo’n leidende ontologie behoort zelf tot een manier van mens-zijn, van existeren.
Met dat jij je tot zijnden verhoudt, verkeer je in een bepaalde manier van existeren. Je bent in zo’n zijnswijze ‘geworpen’, van daaruit vertrek je, dat ben je. Maar deze ‘geworpenheid’ als component van de existentie blijft bij ons alledaagse bestaan in vergetelheid, evenals die andere oorspronkelijke component welke bij (23) Heidegger aan de orde gesteld wordt: voor het komen van mogelijke zijnswijzen. Een factische zijnswijze (feitelijke, of in werkelijkheid) kun je niet zomaar veranderen alsof het zelf een entiteit zou zijn waar je over beschikt. Het is dat bij de gratie waarvan jij je verhoudt tot entiteiten: je bent het; dus wie zou degene zijn die dat veranderen kan? Niettemin verandert het wel; de manieren van mens-zijn. Het is een gebeuren, een geschiedenis betekent bij Heidegger: toeschikking van zijnswijzen. En je kunt meer of minder ontvankelijk zijn voor zulke veranderingen, je kunt meegaan of meegesleept worden. Het kan veranderen, maar niet behoort het tot de objecten die je kunt veranderen terwijl jijzelf gelijk blijft.
Wanneer je aan de woorden van Descartes, Kant, Marx probeert hoofd -kenmerken af te lezen van de in onze cultuur dominant geworden bewustzijnspositie die wijzelf – deelhebbend aan die cultuur – nog steeds innemen, zijn … dan fungeren zij als intellectuele spiegels waarin we tot grote zelfkennis kunnen komen.
Hoe helderder deze zelfkennis is, hoe meer kans dat iets wezenlijk nieuws als zodanig gehonoreerd kan worden, in plaats van om geduid in termen van het heersende. Kritiek op de genoemde filosofieën – die ik bewonder als geslaagde verwoordingen van hoofdkenmerken van onze zijnswijze – hoeft dan ook niet te betekenen dat hun woorden weerlegd zouden worden. Het kan gaan om kritische vragen aan onszelf: is het door hen verwoorde nog steeds in hoofdlijnen onze feitelijke begrenzingen? (en hoe ver reikt dat gebied?); nog steeds de factische zijnswijze waar we in verkeren, de enige mogelijke, de enig nodige?
En filosofische pogingen om in contrast met deze hoofdlijnen te komen tot verwoording van afwijkende mogelijkheden van een andere, op zijn minst aanvullende zijnswijze) worden gevoed door een evenzeer factisch begin van verandering waar zo’n filosoof in terechtgekomen is … en waar ook een toehoorder mee te maken krijgt of minstens toe bereid moet zijn, wil hij of zij ontvankelijk worden voor zulke afwijkende verwoordingen. Zo’n soort verandering wordt niet teweeggebracht door filosofische verwoordingen. Deze kunnen hoogstens in het medium van het denken attent maken op mogelijke andere manieren van ervaren, die zelf niet van denkende aard zijn. (24)
II Rationeel-empirisch bewustzijn
Kant komt hier aan de orde als een filosoof die misschien wel het meest volledig, scherpzinnig en genuanceerd het soort bewustzijn onder woorden brengt waarvan ik beweer dat het leidde tot de generatie lange opbouw van de maatschappij die er nu is in een groot deel van de wereld. Ik noem dat bewustzijn aanduidenderwijs het rationeel-empirische bewustzijn.
Kant vertrekt evenzeer als Descartes vanuit bewustzijn als denker. Van meet af aan echter stelt hij zich de vraag: hoe liggen, uitgaande van het denken, de verbindingen met de empirie en met het handelen?
De moderne westerse wetenschap is niet louter formeel, speculatief, theoretisch denken-puur, maar beroemt zich juist op zijn empirische karakter: de nadruk op experiment, ervaring, zintuiglijke waarneming, observatie (door instrumenten steeds specifieker). Welnu, dit krijgt bij Kant het volle pond en wel op de volgende manier. Denken bedient zich, en moet zich bedienen, van de zintuigen om tot kennis te komen, door het materiaal dat de zintuigen aanbieden zo te werken, begripsmatig te verenigen, dat er objecten van kennis tot stand komen.
De zintuiglijkheid krijgt groot gewicht, inderdaad, maar het krijgt de belangrijke en noodzakelijke rol toebedeeld vanuit de vertrek positie waar het ik, het zelf-zijn gevestigd is: ‘ik denk’.
Het ik als ‘theoretische rede’ bewerkt het zintuiglijk materiaal tot objecten van kennen. Als ‘praktische rede’ (als ‘willen’, denkend zichzelf bevelen) bewerkt het ik het materiaal van onze innerlijke natuur (begeerten, neigingen, aandriften) tot morele daden.
De denkende en willende rede verhoudt zich bewerkend en commanderend tot de zinlijkheid (de zintuigen en het driftmatige). Marx wordt wel als materialist gecontrasteerd met Kant de idealist. Maar niet mag vergeten worden dat het bij Kant een idealiteit is die bewerkend en beheersend gericht is op de materie die geleverd wordt door het zinlijke; een idealiteit die daar greep op probeert te krijgen. Een denken en willen waarbij het zelf-zijn (25) niet ervaren wordt als zelf in de zinlijkheid geworteld. Vanuit deze uitgangspositie is de natuur de leverancier van materiaal ter bewerking, beheersing, beteugeling en omvorming door het denkende en willende is. Dit type verhouding tot de natuur is vervolgens maatschappelijk overheersend geworden en heeft zich daarbij voortgezet in een gigantische materiele produktie met behulp van technische apparaten. Aldus heeft dit type verhouding tot de natuur een vervolg gekregen (industrialisatie), waarna Marx dan zegt dat het praktische bewerken en rationeel omvormen van het natuurlijk materiaal tot produkten, de primair menselijke verhouding tot de natuur is, die het begin van de menselijke geschiedenis markeert. Intussen ziet ook de materialist Marx menselijke praxis als produktie, dit is als rationele omvorming van materiaal.
Kant vertrekt vanuit het oordelende, denkende ik, dat echter van meet af aan zich op een bepaalde wijze verhoudt tot werkelijkheid, namelijk bewerkend het zinlijk materiaal. Hij is radicaler en vollediger dan Descartes, onder andere in deze zin dat hij vanuit zijn vertrekpunt uitdrukkelijk de onmogelijkheid en onnodigheid aantoont van transcendente metafysica, dat wil zeggen de metafysica die theoretische uitspraken meent te kunnen doen over een wereld aan gene zijde van tijd en ruimte. En hij verricht een kritische uitzuiverring van traditionele elementen, waarvan sommige bij Descartes nog aanwezig zijn. Een kritische afwijzing van bijvoorbeeld de traditionele godsbewijzen, de bewijzen van de onsterfelijkheid van de ziel, die rationele fundering van de moraal, het beroep op christelijke openbaring of op welke traditionele activiteit dan ook. Bij zijn vertrekpunt is het denken de autoriteit die niet meer nodig heeft.
In dit alles houdt hij een consistent en in zijn soort onweerlegbaar betoog dat voor ons nog steeds relevant is als verwoording van een bewustzijn dat toonaangevend is geworden tot in onze tijd (ons zijn inderdaad godsdienstige tradities en metafysische zekerheden veelal ontvallen, op z’n minst de autoritair of quasi-rationeel gefundeerde).
Bij Kant zelf komt ook iets van de eindigheid van het rationeel-empirisch bewustzijn aan de orde, en wel van binnenuit. Weliswaar is voor Kant het door hem verwoorde bewustzijn de enige mogelijkheid, het menselijk bewustzijn – terwijl voor (26) latere filosofen als Nietzsche, Wittgenstein, Heidegger de menselijke perspectieven, levensvormen, ontologieën, historisch eindig zijn, veranderlijk. Maar Kant benadrukt een bepaald soort begrensdheid van de menselijke kennis. Deze eindigheid komt echter op een karakteristieke wijze in zicht. Het denkende ik is voor zijn materiaal aangewezen op de zintuiglijke aanschouwing.
Het brengt zelf dit materiaal niet voort. De gekende werkelijkheid is de werkelijkheid voor ons, is zoals zij ons verschijnt door ons denkend bewerken, verenigen van het ontvangen materiaal. Een werkelijkheid die zich eventueel op zich (an sich) zou afspelen, kan door ons niet gekend worden.
Het menselijke denken is volgens Kant eindig in die zin dat het, om contact met werkelijkheid te krijgen, aangewezen is op het materiaal van de zintuiglijke aanschouwing. Dit soort eindigheid is dan ook gerelateerd aan een ideaal van oneindigheid, dat niet van een andere orde is dan het denkende kennen, maar dat ideaal zou een denken zijn dat zijn eigen aanschouwingen voortbrengt (een intellectus archetypus die aan een godheid zou kunnen toekomen).
Binnen het bewustzijn waarin Kant huist, is het denken primair, maar in één adem mee-uitgesproken: dat het denken materiaal krijgt aangeboden. Binnen deze behuizing kan de eigen eindigheid niet beseft worden in contrast met een notie van oneindigheid die buiten de hele behuizing zou voeren. Integendeel, de oneindigheid wordt opgevat in termen van die behuizing, namelijk een goddelijk super-denken dat zijn eigen materiaal zou voortbrengen. Binnen het door Kant verwoorde bewustzijn is denken als zodanig niet iets eindigs. Slechts het menselijke denken is eindig, en slechts in zoverre het materiaal aangeboden moet krijgen. Denken geldt hier als een betrekkelijke mogelijkheid met het oog op andere mogelijkheden van kennen en van kenbare werkelijkheid, die niet door denken gestructureerd worden. Hier toont zich een vereenzelviging met de denkende zijnswijze in de manier waarop de eindigheid ervan wordt opgevat. En dat voor Kant het door denken gestructureerd bewustzijn gelijkstaat staat met het menselijk bewustzijn, de enige mogelijkheid, is een wezenlijk kenmerk van zin positie.
Wat mij intuïtief aanspreekt bij Marx is, dat je bij hem merkt hoezeer hij doordrongen is van het besef dat er iets mis is, dat er (27) een kwaad heerst tot in het patroon van onze samenleving. Een van zijn rake trefwoorden hiervoor is: de zelfvervreemding van de mens. En verder ook dat hij positieve mogelijkheden, gelegenheden ziet voor de ontwikkelingen om een andere wending te nemen. Ik heb echter andere inzichten dan hij indertijd had aangaande de localisering van die zelfvervreemding en van de positieve mogelijkheden. Voor de beoordeling van Marx’ localisering is het van belang te letten op zijn uitgangspunten, die mijns inziens in het verlengde liggen van het soort bewustzijn dat Kant verwoorde.
Kant en Marx zijn in die zin moderne filosofen (van de nieuwe tijd, de humanistische traditie) dat zij beiden achter de wereld zoals die zich aan ons voordoet, terugvragen naar de in onszelf gelegen voorwaarden voor de mogelijkheid ervan. Bij Kant heet dat terugvragen uitdrukkelijk ‘transcendentale’ filosofie (van datgene wat onze kennis mogelijk maakt).
Hij vraagt aangaande de wereld zoals we die in de gewone ervaring kennen (en wetenschappelijk steeds meer kennen): wat zijn de in ons eigen bewustzijn gelegen voorwaarden ervoor dat die wereld er zo uitziet? Omtrent ons handelen vraagt hij: wat in onszelf maakt het mogelijk dat we geacht worden en intenderen (van plan zijn) ons onderling moreel te gedragen? Wel, dat zijn wijzelf als denkende, willende, zinlijk materiaal bewerkende wezens.
Marx doet is analoogs. Achter de maatschappelijke, economische verschijnselen zoals hij die aantreft – bijvoorbeeld een warenmaatschappij waar dingen hun betekenis ontlenen aan ruilwaarde, waar kapitaal de macht is die de dienst uitmaakt – vraagt hij terug naar de in onszelf gelegen voorwaarden daarvoor. Wijzelf als producerende wezens maken de dingen, geven ze ruilwaarde, gaan onderlinge produktieverhoudingen aan.
Beiden brengen op basis van hun antwoord vervolgens polemische herzieningen aan ten opzichte van de bestaande traditie. Door beiden wordt de werkelijkheid gerelateerd aan onze wijze van mens – zijn die ‘erachter’ zit of ervoor ligt. En inderdaad, voorzover wij deel hebben aan de gevestigde, dominante orde, zijn wij denkende, willende, producerende wezens, die de natuur in ons en om ons omvormen, in zoverre kun je van deze denkers veel leren.
Mijn kritische vragen beginnen met: kunnen wij niet anders zijn? En indien we anders kunnen zijn, komt de kwaal niet juist voort uit de vereenzelviging met de denkende, willende, producerende zijnswijze?
De achtergrond van deze vragen is, filosofisch (28) gesproken, de historische variabiliteit van zijnswijzen. De achtergrond van deze kritische vragen is, ervaringsmatig, mens-zijn als louter mogelijkheid-tot-zijnswijze, openheid voor of verbondenheid met het onuitputtelijke van waaruit historische levensvormen zich voordoen als wijzen van kunnen zijn. Een concreet iemand, een persoonlijkheid, en een concrete cultuur ontstaan pas bij de ‘landing’ in een bepaalde zijnswijze. Maar mens-zijn als pure mogelijkheid-tot-landen valt niet samen met één bepaalde zijnswijze. Mens-zijn in deze zin – waarin de mens nog niets is dan wel alles – is betrokkenheid op het omvattende van waaruit in de geschiedenis veranderingen van levensvormen mogelijk zijn.
Het door Kant en Marx verwoorde bewustzijn is aan te duiden door drie trefwoorden: denken, willen en arbeiden (produceren, omvormen van materiaal). Reeds Descartes zegt in zijn Meditationes dat in denken de wil een component is. De wil zou zich moeten opdragen om binnen het gebied van het cognitieve slechts vast te houden aan klare en helder onderscheiden gedachten, om van hen uit de natuur te onderzoeken. Voor Kant zijn het theoretische en het praktische (willen) twee kanten van de rede. Volgens Marx wordt arbeiden geleid door het hoofd, het willen als doeleinden poneren, en het denken als uitrekken van de middelen waarmee de natuur omgevormd moet worden tot produkten.
Denken, willen en arbeiden roepen elkaar wederkerig op. Deze drie trefwoorden cirkelen als het ware om dezelfde zaak heen, laten daar ieder een facet van zien, maar geen hand in hand. De ene is niet fundamenteler dan de andere twee. Als je bijvoorbeeld met denken begint in de zin van redeneren of oordelen: het denkende ik is in zijn prescriptieve oordelen (voorschrift, verordening), imperatieven (gebiedende wijs), meteen ook en willend bewustzijn. Zichzelf denkend imperatieven opdragen is voor Kant de rationele wil. En zowel het descriptieve (beschrijvende) als het prescriptieve oordelen is materiaal bearbeiden. Dit laatste is wat Marx produktie noemt. Voor Marx heeft produktie niet alleen betrekking op materiële produktie (zelf ook geleid door het hoofd), maar op alle niveaus, ook theoretische wetenschap, filosofie, kunst, recht, religie. – Als je bijvoorbeeld met willen begint in de zin van jezelf commanderen: het ik geeft zichzelf de opdracht om in de houding van het theoretische denken te komen en te blijven (in deze zin heeft voor Kant de praktische rede het primaat ten opzichte van de theoretische). Als je met arbeiden (29) begint in de zin van bewerken van materiaal: het denken (theoretische rede) bewerkt zintuiglijk materiaal tot gekende objecten; het willen (praktische rede) bewerkt het driftmatige materiaal van de innerlijke natuur tot autonomie, morele handelingen.
Het ik is startpunt van pure activiteit, arbeidende bezigheid, (Tätigkeit). Hiermee verbonden is een bepaalde manier waarop de tijd voltrokken wordt, een tegenwoordig stellen in tegenstelling tot tegenwoordig, aanwezig zijn.
[Chat GPT
Duintjer is een filosoof die je eigenlijk langzaam moet lezen. Hij gebruikt woorden die in het dagelijks Nederlands bijna hetzelfde lijken, maar filosofisch een heel verschillend gewicht hebben. Juist het onderscheid tussen werkzaamheid en toestand loopt als een rode draad door zijn werk.
Een praktische leestip is om jezelf bij zulke passages steeds af te vragen:
Spreekt hij over iets dat is (een toestand)?
Of spreekt hij over iets dat gebeurt of gedaan wordt (een activiteit)?
Bij deze passage krijg je dan:
Het ik → geen ding, maar een werkzaamheid.
Tegenwoordig stellen → een actief proces waardoor iets in het bewustzijn verschijnt.
Aanwezig zijn → het resultaat of de toestand waarin iets er al is.
Dat onderscheid kom je later ook tegen bij fenomenologen zoals Edmund Husserl en Martin Heidegger. Ook zij benadrukken dat bewustzijn niet een "container" is waarin ervaringen liggen opgeslagen, maar een voortdurend gebeuren of voltrekken.]
Het aanwezig-zijn van mensen (ver)hult zich bij de zijnswijze van het actieve ik in de modus van het aanwezig stellen, voor de geest halen, van wat uit zichzelf niet onmiddellijk tegenwoordig is, maar wat, via het herinneren, verwachten en selectief waarnemen, tegenwoordig wordt gesteld. Op basis van denkend naar voren gehaalde herinneringsbeelden uit het verleden en daarin opgemerkte regelmatigheden komt het denkende ik middels ‘indien... dan’-redeneringen tot verwachtingen, gissingen, strategieën omtrent een mogelijke toekomst; om dan van daaruit pas weer terug te keren naar het heden dat selectief waargenomen wordt, gemonsterd wordt op de mate waarin het voldoet aan wat je dacht over het verleden in combinatie met wat je verwacht of wilt aangaande de toekomst.
Met het denkend, willend, arbeidend bewustzijn is een tijdsvoltrekking verbonden, waarbij in plaats van tegenwoordig zijn, meegaan met de telkens andere levensstroom (en daarbinnen eventueel een ‘volgend’ handelen), het ik zich buiten die stroom opstelt. Het ik vormt als het ware een dwarsbalk over de stroom en maakt zo de dwarsplaatjes van hoe het gisteren was en straks zal zijn en wat met het oog daarop thans relevant is om als plaatjes te schieten, zoals het aanwezige dan niet meer onmiddellijk tegenwoordig blijkt, maar selectief – als het ware door die plaatjes heen-tegenwoordig wordt gesteld.
Het denkend, willend, en arbeidend bewustzijn heeft om zich heen een variant die het tegendeel lijkt te zijn, maar die qua tijdsvoltrekking een zelfde structuur vertoont: iets wat we gewoonlijk irrationeel noemen. Het rationeel-empirisch bewustzijn heeft een heldere en een donkere variant. Twee kanten van de zelfde zijnswijze die beide gemeen hebben, het niet heden zijn, maar verdeeldheid, verstrooiing van gedachten over geïmagineerde beelden van het verleden en projecties omtrent de toekomst. Uit de heldere variant komen wetenschap en techniek voort. De duistere variant is de dagdroom variant. Beide in tegenstelling tot een ‘wakker zijn’, alert en onbevangen aanwezig
(30) zijn in het heden. Wanneer er iets verwoord wordt van afwijkende zijnsmogelijkheden van de mens, is er vanuit de heersende zijnswijze de neiging deze mis te verstaan door ze op te vatten als irrationalisme en dagdromerij.
Het tegenwoordig zijn is niet beheersend en controlerend ten opzichte van de natuur buiten en binnen de mens, maar een deelnemend zijn; deel hebben aan het stromende heden om ons en in ons: waarbij ons kennen, handelen, ervaren het karakter heeft van communio, gemeenschap met de natuur, ons lijf, andere mensen.
Laat ik hier vast een paar opmerkingen inlassen bij mijn afkortende uitdrukking ‘rationeel-empirisch bewustzijn’, die anders wellicht aanleiding kan geven tot onnodige misverstanden.
Ik gebruik deze aanduiding van het dominante bewustzijn ter precisering van mijn eerder gebruikte trefwoord rationalisme.
En wel om aan te geven dat er vanuit dit bewustzijn wel degelijk sprake kan zijn van empirie, maar dan in de zin van ervaring zoals die zich voordoet terwijl er discursief gedacht wordt en die door dat denken begripsmatig is bewerkt en gestructureerd.
De uitdrukking rationeel-empirisch bewustzijn bedoelt anderzijds niet uit te sluiten dat dit bewustzijn ook tot zuiver rationele, niet-empirische, kennis kan leiden (logica en wiskunde bijvoorbeeld). De pointe is: indien er hier sprake is van ervaring, dan is dat ervaring die door denkend redeneren wordt begeleid en geordend. Het empirische is voor dit bewustzijn realisatieveld van de ratio (cognitief en moreel, technisch en praktisch).
Nu wat betreft de term rationeel. Dit woord wordt in het tegenwoordige spraakgebruik (kenmerkend genoeg) soms ook wel gebruikt als een algemeen positief evaluerende term. Rationeel of redelijk is dan vrijwel synoniem met goed, terecht, ‘naar mijn maatstaven best te beantwoorden’; de positief gewaardeerde inhouden kunnen dan nog verschillen naar gelang die maatstaven verschillen. Ik ken mensen die de in hoofdstuk V te bespreken afwijkingen ten opzichte van het dominante bewustzijn, in deze zin rationeel noemen: ‘heel redelijk’. Maar dat is natuurlijk niet de betekenis van rationeel in mijn uitdrukking rationeel-empirisch bewustzijn.
In dit boek is rationeel een descriptieve term voor de mentale bewustzijnsactiviteit van begripsmatig oordelen en redeneren, praten in jezelf en met anderen, het discursieve zelfgesprek, dat (31) bij de meesten constant aan de gang is en dan bemiddelt bij alle ervaring en handelen.
Dit discursief zelfgesprek heeft als standaardvorm het heldere, gedisciplineerde, logische correcte en empirisch relevante denken (bij wetenschap en techniek, industrie en bureaucreatie), en daarnaast de diffuse variant van verward denken en dagdromerij). De rationaliteit die bij Kant uitgangspunt is voor alle kennis en zedelijk handelen, en bij Marx voor alle produktie, betreft uiteraard het denken en willen zijn in zijn gedisciplineerde modus. Daarnaar verwijst in eerste instantie mijn uitdrukking rationeel-empirisch bewustzijn. De bijbehorende zijnswijze echter ook de diffuse variant, die door de term discursief zelfgesprek mede getroffen wordt (discursief betekenis letterlijk: in gedachten heen en weer rennend).Naarmate mensen meer en exclusiever gedisciplineerd zijn tot mentaal bewustzijn, zal ook hun ontspanning zich meer in het medium van de discursiviteit (praten in jezelf) blijven afspelen.Het denkend heen en weer rennen tussen geïmagineerde beelden (plaatjes) van herinnering, verwachting en waarneming, kan gedisciplineerd of ‘op vakantie’ bedreven worden.
Aandacht vragen voor de grenzen van het rationeel-empirisch bewustzijn betekent intussen geen afwijzing van het denken, en zeker ook geen vrijbrief voor verward denken. Indien we denken, is het uiteraard zaak zo helder mogelijk te denken. Minstens bij de oplossing van concrete problemen met het oog op directe levensbehoeften is enig gereken en overleg meestal geraden. Ook bij de verwerking van ingrijpende levenservaringen kan nadenken dienstig zijn. Trouwens, mensen kunnen mede door goed na te denken ertoe komen om praktijken te gaan beoefenen die kunnen helpe om uit je hoofd te geraken. Ook tijdens het transformatieproces dat dan op gang komt, kan intellectuele voorbereiding goed van pas komen. En vooral: het Ongedachte zelf kan ook manifesteren in hoe en wat er gedacht wordt (overigens zich daarin ook verhullen).
[Toelichting Chat GTP, Wat is "het Ongedachte"?
Met het Ongedachte bedoelt Duintjer niet een ontbrekende gedachte, maar datgene wat voorafgaat aan alle denken en het denken mogelijk maakt, zonder zelf een gedachte te zijn.
Je kunt het zien als de bron of de openheid waaruit gedachten opkomen.
Het Ongedachte is dus niet een idee, een theorie, een begrip of een object van kennis.
Het is eerder de grond of oorspronkelijke werkelijkheid waaruit denken ontstaat.]
Mijn betoog is niet gericht tegen denken, maar verwijst naar iets positiefs. En wel naar dat positieve wat bij vereenzelviging met de denkende zijnswijze ontoegankelijk wordt. Het gaat mij vóór alles om iets wat voorbij denken en willen (mede terwille daarvan) af en toe ook, en wel maatgevend, tot zijn recht verdient te komen. Vooruitlopend op hoofdstuk V, hier slechts een enkele aanduiding van dit positieve iets. (32)
Hier en nu tegenwoordig zijn, in onderscheid van discursief tegenwoordig stellen. Van binnenuit je lichaam voelen te zijn, wat iets anders is dan vanuit je hoofd het lichaam als object voor zich stellen en als instrument gebruiken ter realisering van wat je bedacht hebt. Wanneer het centrum (vertrekpunt) van de aandacht zich binnen het lichaam kan verplaatsen, kan ook pas het deelnemend voelen beginnen. Dan wordt het ten slotte mogelijk jezelf lijfelijk verbonden te voelen met de omvattende Natuur (het ‘Leven-in-zijn-geheel’, de kosmische ‘Energie’) en deze te ervaren als beminnend en beminnenswaardig. Zulk een ervaarbare verbondenheid met het leven gaat vanzelfgesprekend gepaard met een houding van eerbied voor al wat leeft. Je eigen lichaam is letterlijk ‘tempel van de …’. Als die dichtstbijzijnde tempel niet bewoond wordt, als daar nooit aandacht en stilte heerst, kan zo iets als de levende Spirit ons gewoon niet bereiken. Cultuurhistorisch gezien zijn wij sinds lang (eerst onder de ban van geïnstitutionaliseerde en autoritaire godsdiensten) vervreemd geraakt van ons lichaam en daarmee van een eigen toegang tot de Geest. Zo zijn we vervolgens vanaf de nieuwe tijd meer en meer tot ratelende breinen geworden, waar de stem van de stilte, en dus ook de stem van de aarde, nauwelijks kan worden opgevangen. Maar dat is nog niet alles. Want juist deze ratelende breinen hadden het nodig om op ongekende schaal te gaan ingrijpen in het leven op aarde en deze om te vormen naar hun ‘autonoom’ bedachte modellen. Van de gevolgen voor onze planeet slechts een elementair voorbeeld: de vier natuurlijke elementen (aarde, water, vuur, lucht) voor het leven op aarde, die de westerse rationaliteit theoretisch reeds lang als irrelevant heeft afgedaan, zijn thans vanwege industrieel ingrijpen nog slechts op weinige plaatsen in oorspronkelijke staat aan te treffen (vervuiling). Waar in ‘onze’ beken, rivieren, meren en zeeën is het water nog reinigend, helend en heiligend? Waar is de grond nog onbewerkt en ongeschonden, voedingsbodem van zuiver voedsel? Waar is nog zuivere lucht om in te ademen, wat volgens de ouden het wezen van de psyche kenmerkte? En waar wordt het vuur nog ervaren in levende gemeenschappen rond de huiselijke haard, of bij wat brandend hout in de open lucht als gelegenheid tot meditatie op het levensgeheim?
Niet allen zijn dit soort uiterlijke dingen symptoom van onze (33) innerlijke vervreemding, niet alleen wordt daarmee tevens het niet-menselijke leven op deze planeet ernstig bedreigd, maar zelfs lijken zo geleidelijk aan fysieke en sociale voorwaarden te verdwijnen voor een hernieuwde ervaring van verbondenheid met het leven.
De beginnende crisis waar ik reeds over sprak, betreft kennelijk meer dan stagnatie in de economische groei, toenemende werkeloosheid en daling van de koopkracht. Misschien horen laatstgenoemde soort verschijnselen eerder tot de voorbereidselen voor een therapeutische schoonmaak die onze hele planeet ten goede kan komen.
Behalve met denken, willen, arbeiden kun je het toonaangevend bewustzijn deels ook aanduiden met een eenvoudig trefwoord: ordening. Langs die weg kan een deelaspect van wat ik wil zeggen, nog als volgt verduidelijkt worden. Voor de activiteiten van het ordenen zijn twee onderling samenhangende zaken nodig, die zelf niet door het ordenen verkregen worden: een bepaald gezichtspunt van waaruit geordend wordt en te ordenen materiaal. Als we ons vereenzelvigd hebben met het ordenen, we nog slechts ordende mensen zijn, zijn we onder meer ook afgesloten van de toegang tot principieel nieuwe soorten materiaal en de toegang tot principieel nieuwe gezichtspunten. Niet alleen zijn we dan vereenzelvigd met de ordende zijnswijze, maar ook meet een speciale, reeds gevestigde manier van ordenen en een speciaal soort materiaal. Alleen als we ook anders dan ordende wezens kunnen zijn, staan de toegangen naar beide kanten open. Want noch materiaal noch gezichtspunten kunnen door het ordenen zelf verkregen worden. En wat zich überhaupt voordoet als materiaal, wat zich aandient als relevant voor ordende bewerking, hangt zelf reeds af van het gezichtspunt. Anders dan ordenende wezens zijn … het betekent een ervaren van de natuur, niet als materiaal, en een participeren aan de creatieve ruimte waar gezichtspunten geboren worden. Het verwoorden van andere menselijke mogelijkheden dan de ordende zijnswijze is dan ook geen pleidooi tegen rationaliteit, maar het betekent naast veel andere dingen onder andere een herinneren aan dat waar ook de rationaliteit op aangewezen is, wil het uit zijn eigen gevestigde modellen komen. Ook voor het rationeel-empirisch bewustzijn zelf is er een intern belang, dat er in contact gekomen wordt met wat het voedde en voedt, in de zin van creatieve vernieuwingen in het rationele denken zelf.
terug naar het overzicht
terug naar het weblog
^