Het godsrijk... dat ín je is
1. Rust en beweging
In mijn jeugd werd ik door zelfbezinning en gebed meermalen geestelijk in vervoering gebracht en werd dan in de geestelijke wereld naar een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte geleid… de goddelijke algeest. Later maakte ik tijdens zo’n vervoering mee, dat ik eerst met een geestestoestand van diepe rust kennis maakte, die zich aan mij voordeed als een geestelijke, donkere koelte, een schaduwrijke koelte; die bleek een zelfstandigheid te zijn, die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van haar diepe rust.
Daarna ontstond er in die rust een beweging, die zich aan mij voordeed als een geestestoestand van lichtende warmte; en ook die bleek een zelfstandigheid te zijn, die zich persoonlijk met mij verbond en mij verwonderde met zijn beweging.
2. De verbinding
Vervolgens kwam de beweging en zijn lichtende warmte in zijn geheel uit de rust en haar donkere koelte tevoorschijn en begon haar te overstralen, waardoor ik ten slotte terechtkwam in een geestestoestand, die ik vroeger meerdere keren meemaakte: die van de oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte van de goddelijke algeest: de 'wereldgeest', de geest van het heelal.
De rust en de beweging hadden zich weer met elkaar verbonden, waarbij de beweging de rust doordrong en de rust zich liet doordringen, licht doordrong het donker en het donker liet zich doordringen, warmte doordrong de koelte en de koelte liet zich doordringen. Er had een omwenteling plaatsgevonden, waardoor nu de scheppende beweging en zijn lichtende warmte de diepe rust en haar donkere koelte geheel in zich had opgenomen. Ik wist nu dat zich binnen de doordringende beweging en zijn lichtende warmte een doordringbare rust bevond met haar donkere koelte… en door de volledige vermenging met elkaar ervoer ik een ‘verkoelende warmte’!
3. De bolvormig verdichte wolk
Tijdens deze geestelijke vereniging zag ik, hoe er als het ware in hun midden, tussen hen in, door verdichting een bolvormige wolk van dat geestelijke licht werd gevormd. Later stroomde er vanuit de algeest ook liefdevolle, geestelijke warmte naartoe. Licht en warmte vermengden zich in die bol, zoals dat ook in de algeest het geval is, waardoor de lichtende warmte binnen die bol rustig begon te wervelen.
Op dat ogenblik ervoer ik dat die bol van licht en warmte, met daarin verborgen de donkere koelte, tot léven kwam… en dat ik als geest die bol was! Ik was getuige geweest van de voortkomst door verdichting van mijzelf als menselijke geest uit en in de goddelijke algeest, wat een vreugdevolle ervaring was.
|
Het innerlijke is wat de geestelijke mens wordt genoemd, omdat het in het licht van de hemel is en dit licht is geestelijk… E. Swedenborg Ware Chr. Religie 401 |
Hier en nu ik dit opschrijf, besef ik, dat ik, die zich dit nu vanuit zijn geheugen herinnert, zelf de bron ben van deze beschrijving; ik besef de voortkomst door verdichting van mijzelf als menselijke geest uit en in de goddelijke algeest. Door die verdíchting is de algeest in mij en ben ik in de algeest. Zoals Jezus zei: “Ik ben in de Vader en de Vader is in mij” en “De Vader is meer dan ik.” Met ‘Vader’ bedoelde Jezus deze mannelijke en vrouwelijke algeest.
Eerder had Jezus gezegd: “Het godsrijk is bij je en in je” en “… is binnen je bereik.” Dat is aan mij getoond door die verdíchting, eerst van het licht en daarna van de warmte van de algeest tot dat bolvormige, geestelijke wolkje, dat ik als geest ben. Ik ben in aanleg een algeest-geest.
Dat bolvormige wolkje uit en in de algeest is volgens Jezus’ beschrijving ‘het godsrijk dat in je is en bij je is’, de toestand van de uit de algeest verdichte geest: de algeest-geest. Als het binnen je door de beoefening van zelfbezinning - het ingekeerde waarnemen van jezelf, van je eigen werkzaamheid - volkomen rustig is geworden, dan komt jouw rust overeen met de rust van de goddelijke algeest en is de hereniging ermee mogelijk geworden. Door het stille, ingekeerde waarnemen van je 'binnenkamer', in jouzelf als geest, is het godsrijk 'binnen je bereik' gekomen. Je merkt dat aan het beginnen van de eeuwigheid.
5. De geestelijke vermogens
Ik zag dat dóór de algeest én ín de algeest, binnen zichzelf, door verdichting een vorm werd gevormd, de menselijke geest: de algeest is door de beweging en de lichtende warmte doordringend en zelfvormend werkzaam, door de rust en haar donkere koelte tegelíjkertijd doordringbaar en vormbaar. Daardoor kan de vorm bínnen de geest door de geest zelf worden gevormd. Geest bestaat uit tegendelen die elkaar in evenwicht houden en tegelíjkertijd met elkaar werkzaam zijn.
Met dat licht en die warmte, met daarin de donkere koelte, en met de zelfvormende en vormbare eigenschappen ervan, hangen de vier geestelijke vermogens samen:
- waarnemen is in de geest een geestestoestand van vormbaar licht,
- denken van zelfvormend licht,
- voelen van vormbare warmte en
- willen van zelfvormende warmte.
Door waar te nemen kunnen beelden van buiten zich in het licht van de geest als een lichtbeeld afdrukken, waardoor die zich er 'bewust van wordt', er 'weet' van krijgt en dan in de geestestoestand 'zich bewust-zijn' komt te verkeren ('bewustzijn' is een geestestoestand, ín de geest);
door te denken kan de geest in zichzelf lichtbeelden vormen, wat denkbeelden zijn;
door te voelen kan de geest zich voor anderen gevoelsmatig openstellen, waardoor de warmte, de gemoedstoestand, met die van hen overeenkomt en de geest met hen kan meevoelen, meeleven;
door te willen kan de geest, door zich als bol samen te trekken, zichzelf onder spanning zetten - daardoor zijn warmtetoestand verhogen en zich gaan inspannen, zijn wilskracht gaan gebruiken om gedachten en gevoelens naar buiten toe te uiten in uitspraken en handelingen: het gedrag.
6. De vermogens als oorzaak van het bestaan van de ziel: de aura of uitstraling van de geest
Door die geestelijke werkzaamheid met de vermogens straalt de geest een vormbare lichtruimte om zich heen uit - voor ieder vermogen één - waarin de geest de voortbrengselen van de vermogens: kennis, gedachten, gevoelservaringen en wilsbesluiten, kan bewaren in het geestelijke deel van het geheugen (de codes om ze zich niet alleen in de geestelijke wereld, maar ook op aarde te herinneren, middels 'engrammen', bevinden zich in de hersenschors).
Het geheel van die uitstralingen is de ziel, de ‘zaal’ of ‘woonruimte’ (de eerste huizen waren zaalvormig), de ruimte, waarin de geest als het ware ‘woont’. Door de werkzaamheden van de vermogens is de ziel zevenvoudig: vier uitstralingen voor de vermogens, twee voor de in- en uitgekeerde instelling en één voor de geest als het geheel.
7. De vermogens als oorzaak van de vorm van de ziel: geestgedaante en lichaam
Niet alleen de vóórtbrengselen van de vermogens komen als lichtbeelden in de zevenvoudige ziel terecht, ook de éigenschappen van de vermogens hebben - gedurende de evolutie - er geleidelijk op ingewerkt. Daardoor zijn de delen van de ziel omgevormd van eerst bolvormig naar de geestgedaante, die in de huidige tijd de menselijke gestalte heeft gekregen.
- De eigenschappen van het waarnemen: het opnemen van indrukken, hebben vorm gegeven aan het gezicht, het gehoor, de reuk, de smaak en de tast, de mond en de neus in het hoofd;
- de eigenschappen van het denken: het ontleden (het verstand) en het samenvoegen (de rede) van gegevens, hebben vorm gegeven aan de ontledende en tot lichaamseigen stoffen samenstellende organen in de buik;
- de verzorgende eigenschappen van het voelen hebben vorm gegeven aan hart en longen in de borstholte, en de bloedsomloop daarvan, die alle cellen van het lichaam van voedingstoffen en zuurstof voorziet, en hun afvalstoffen verwijdert;
- de eigenschappen van het willen: het uit zichzelf in beweging kunnen komen, hebben vorm gegeven aan de spieren van de ledematen en de romp, waardoor de geest in staat is door middel van het lichaam - immers een afbeelding van zichzelf als geest - zijn kennis, gedachten, gevoelens en wilsbesluiten in de buitenwereld te uiten en daar te verwerkelijken.
8. De vermogens als oorzaak van de persoonlijkheid
Deze geestgedaante - de door de geest vormgegeven ziel - is de mal, waarnaar op aarde het stoffelijke lichaam is gevormd; dat beschikt daardoor over alle mogelijkheden die de geest nodig heeft om vanuit zijn kennis, gedachten, gevoelens en wilsbesluiten op de wereld om zich heen in te werken - en omgekeerd de wereld op de geest.
Die geestelijke werkzaamheid uit zich in het gedrag. In dat gedrag komt daardoor tot uiting in hoeverre de geest een bewust en beheerst gebruik heeft leren maken van zijn geestelijke vermogens en de persoonlijke vorm waarin dat gedrag zich uit, is daardoor een weergave van de persoonlijkheid ('al het persoonlijke', alle persoonlijke kenmerken waaraan de persoon is te herkenen).
De persoonlijkheid is het geheel van kenmerken in het gedrag van een persoon, de menselijke geest; de oorzaak van dat gedrag zijn de kenmerken van de geestelijke vermogens en de wijze, waarop de geest ze al dan niet bewust en beheerst heeft leren gebruiken. De persoonlijkheid is de persoonlijke wijze, waarop de menselijke geest de dingen om zich heen waarneemt, de betekenis ervan in zichzelf overdenkt en doorvoelt, en dan besluit er iets mee te willen doen.
9. De verdichting in het godsrijk
De menselijke geest is door verdichting uit en in de algeest een bolvormig wolkje van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee zoals beschreven de geestelijke vermogens samenhangen. Van de vermogens zijn de werkzaamheid, de voortbrengselen en de eigenschappen de oorzaak van: de ziel, de geestgedaante, het lichaam en de persoonlijkheid.
De verdichting van die bol vond plaats door en binnen de goddelijke algeest, het godsrijk, waardoor die bol - de menselijke geest - erbinnen een afdruk van is en daardoor onafscheidelijk tot het godsrijk behoort; dat godsrijk is het rijk van de algeest, die zich - door de verdichting - ook zelf zowel binnen als buiten de menselijke geest bevindt.
De menselijke geest is nu alleen nog onderweg om zichzelf - onder stille begeleiding van de algeest - te verwerkelijken, zijn vermogens te ontwikkelen tot het geweten en de deugden... waardoor zijn geestesgesteldheid langzamerhand met die van de algeest overeen gaat komen en de hereniging ermee ten slotte plaats kan vinden.
Uiteindelijk komt, door die verdichting, alles uit de eigenschappen van de algeest voort, want een bron geeft zijn eigenschappen mee aan alles, wat erin ontstaat. Daardoor is de menselijke geest niets anders dan een bewuste, vermogende levenskracht, levend uit en in de goddelijke algeest.
10. Het godsrijk ben je zelf als vermogende geest
|
Mijn innerlijke spreken verwijst naar mijn bestaan als verdichte geest in God. |
Dat is ons geleerd door zo’n zelfde algeest-geest als die wij zelf zijn, maar dan een in de volmaakte geestestoestand, zoals de algeest zelf is: de heilige geest van de goddelijke algeest in de godmens Jezus, in wie een verdichting uit de algeest ons op aarde als mens tegemoet is gekomen, om voor ons een voorbeeld te zijn waar het naartoe moet met onze geestelijke ontwikkeling. Door Jezus weet je zeker wat het doel is: de ontwikkeling van het godsrijk, de geest, die je zelf bent, door de ontwikkeling van de geestelijke vermogens - én door de ontwikkeling van je levensbeschouwing.
Volgens Paulus "bestaat het godsrijk niet uit woorden, maar uit [innerlijke geest-] kracht"
(1 Kor. 4:20), een innerlijke geestkracht, die berust op de werkzaamheid van de vermogens.
En Thomas, Logion 3: Het Rijk is het binnenste van jullie [...]
en dat binnenste van jou is die bolvormige, vermogende, menselijke geest, die zich altijd in de geestelijke wereld bevindt, maar op de plaats, die in de stoffelijke wereld met je voorhoofd overeenkomt.
Richt je aandacht op die ruimte in je voorhoofd en houd die daar vast, de zelfbezinning, dan ben je niet alleen in jezelf als menselijke geest, maar tegelijkertijd ook in de goddelijke algeest.
terug naar het overzicht
terug naar het weblog
^