christologie


1 Christologie is de leer over de persoon en betekenis van Jezus Christus
2 De geestkundige christologie

1 Christologie is het onderdeel van de christelijke theologie dat zich bezighoudt met de vraag wie Jezus Christus is en wat zijn betekenis is voor de verhouding tussen God en mens. Het woord komt van het Griekse ‘Christos’ (Χριστός, ‘Gezalfde’) en ‘logos’ (λόγος, ‘leer’, ‘uiteenzetting’).

In de kern probeert de christologie twee vragen te beantwoorden:
1. Wie is Jezus? - zijn persoon en wezen.
2. Wat betekent zijn leven en handelen? - zijn werkzaamheid, leer, dood, opstanding en betekenis voor de mens.
Hoewel die twee vragen nauw samenhangen, is vooral de eerste in de klassieke christologie centraal komen te staan.

1. Van de historische Jezus naar de Christus
De christologie begint historisch gezien bij de joodse mens Jezus van Nazaret, die in de eerste eeuw in Galilea en Judea optrad als leraar en verkondiger van het Koninkrijk van God. De eerste leerlingen moesten na zijn dood onder woorden brengen wie deze Jezus volgens hen eigenlijk was. Daarbij ontstonden verschillende aanduidingen:
- Messias/Christus - de Gezalfde;
- Zoon van God;
- Zoon des mensen;
- Heer (‘Kyrios’);
- Woord/Logos van God;
- beeld van God;
- en uiteindelijk: God die mens geworden is.

Daarmee ontstond een ontwikkeling die van groot belang is voor het begrip christologie. De vraag verschoof geleidelijk van: “Wat verkondigde Jezus?” naar: “Wie was Jezus zelf?”
En vervolgens naar de nog moeilijkere vraag: “Hoe kan Jezus tegelijkertijd werkelijk mens en werkelijk goddelijk zijn?” Dat laatste werd het centrale probleem van de klassieke christologie.

2. Christologie in het Nieuwe Testament
Het Nieuwe Testament bevat nog geen systematische christologie. We vinden er verschillende manieren om Jezus te begrijpen. In de drie synoptische evangeliën - Mattheüs, Marcus en Lucas - staat sterk de aardse Jezus centraal: hij verkondigt Gods Koninkrijk, geneest zieken, vergeeft, roept mensen tot bekering en spreekt met een bijzondere autoriteit.
Bij Paulus, wiens brieven grotendeels ouder zijn dan de evangeliën, krijgt de betekenis van Jezus' dood en opstanding een zeer belangrijke plaats. Jezus is de Christus, door wie God verlossend handelt.

In sommige teksten verschijnt bovendien een gedachte van pre-existentie: Christus bestond in zekere zin al vóór zijn aardse geboorte. Een belangrijk voorbeeld is Filippenzen 2:6-11. Daar wordt Christus beschreven als degene die in “de gestalte van God” was, zichzelf ontledigde, de gestalte van een dienaar aannam en mens werd. Deze beweging wordt later aangeduid als kenosis (‘kenōsis’, ontlediging).

Bijzonder uitgesproken is de christologie van het Johannesevangelie: „In het begin was het Woord…”
De Logos is bij God, is goddelijk en “is vlees geworden” (Johannes 1:14). Hier wordt Jezus dus vanuit een hemels of pre-existent perspectief begrepen.
Daarmee zijn al twee bewegingen zichtbaar die later dikwijls worden onderscheiden als christologie van beneden en christologie van boven.

3. Christologie ‘van beneden’
Een christologie van beneden begint bij de historische mens Jezus: Jezus van Nazaret → zijn leven en leer → zijn bijzondere verhouding tot God → zijn erkenning als Messias en Zoon van God. Men vraagt bijvoorbeeld: wat maakte Jezus zo bijzonder? Hoe sprak hij over God? Waarom zagen zijn leerlingen in hem de Messias? Wat betekende zijn opstandingservaring voor hun inzicht in zijn persoon?
Deze benadering komt veel voor in moderne historische en bijbelwetenschappelijke christologie. In een zeer sterke vorm kan een dergelijke benadering leiden tot een adoptianistische gedachte: Jezus was oorspronkelijk mens en werd op een bepaald moment - bijvoorbeeld bij zijn doop of opstanding - door God als Zoon aangenomen of aangewezen.
Dat werd later echter door de hoofdstroom van het christendom afgewezen, omdat men meende dat daarmee de goddelijkheid van Christus onvoldoende tot uitdrukking kwam.

4. Christologie ‘van boven’
De christologie van boven begint juist aan de andere kant: Goddelijke Logos/Zoon → afdaling → menswording → Jezus Christus. Hier is Christus niet in de eerste plaats een mens die tot God wordt verheven, maar een goddelijke werkelijkheid die mens wordt. Het Johannesevangelie is hiervan het klassieke nieuwtestamentische voorbeeld: Logos → vleeswording → Jezus Christus.
Dit wordt de leer van de incarnatie genoemd, van het Latijnse ‘incarnatio’: ‘in vlees’, ’vleeswording’.
Deze voorstelling zou in de eerste eeuwen steeds verder worden uitgewerkt. Daarbij ontstond echter onmiddellijk een moeilijk filosofisch probleem. Als Christus werkelijk God is, hoe kan hij dan werkelijk mens zijn? En omgekeerd: Als Jezus werkelijk mens is, hoe kan hij dan tegelijkertijd God zijn? Dat is het klassieke christologische probleem.

5. De grote christologische strijd
In de eerste eeuwen ontstonden hierover uiteenlopende opvattingen. Sommigen benadrukten Jezus' goddelijkheid zo sterk dat zijn menselijkheid bijna schijnbaar werd. In bepaalde vormen van docetisme (‘dokein’: schijnen) werd gedacht dat Christus slechts in menselijke gedaante verscheen.
Aan de andere kant waren er stromingen die Jezus vooral als mens zagen. Een bijzonder belangrijke controverse ontstond in de vierde eeuw rond Arius. Hij wilde een duidelijk onderscheid bewaren tussen God de Vader en Christus. De Zoon was volgens hem vóór de wereld geschapen en stond ver boven alle andere schepselen, maar was niet in precies dezelfde zin eeuwige God als de Vader.
Daartegenover stelde het Concilie van Nicea (325) dat de Zoon ‘homoousios’ - ‘van hetzelfde wezen’ - met de Vader is. Daarmee werd de goddelijkheid van Christus dogmatisch sterk vastgelegd. Maar vervolgens werd het probleem alleen maar scherper: Als Christus volledig God is, hoe moet zijn menselijkheid dan worden begrepen?

6. Chalcedon: één persoon, twee naturen
Het beslissende klassieke antwoord kwam op het Concilie van Chalcedon in 451. Daar werd Christus omschreven als: één en dezelfde Christus, volledig God en volledig mens, in twee naturen. Die twee naturen zijn volgens de bekende formulering: onvermengd, onveranderd, ongedeeld en ongescheiden.
Dat betekent dat Jezus niet voor vijftig procent God en vijftig procent mens is. Volgens de klassieke christologie is hij: volledig goddelijk én volledig menselijk.
De goddelijke en menselijke natuur worden niet met elkaar vermengd, maar Christus wordt evenmin in twee personen verdeeld. Dit wordt de hypostatische vereniging genoemd: de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur in de ene persoon (‘hypostasis’) van Christus.

Schematisch:

Het schema links is tot op heden de grondstructuur van de christologie van de rooms-katholieke, oosters-orthodoxe en het grootste deel van de protestantse tradities (daarnaast rechts de geestkundige verhoudingen).

7. Christologie en Drie-eenheid
Christologie en triniteitsleer zijn nauw met elkaar verbonden, maar zijn niet hetzelfde.
De christologie vraagt: “Wie is Christus?”
De triniteitsleer vraagt: “Hoe verhouden Vader, Zoon en Heilige Geest zich binnen het ene goddelijke wezen?”
Historisch liepen beide discussies echter door elkaar. Zodra christenen zeiden dat Christus werkelijk goddelijk was, ontstond immers de vraag hoe zijn goddelijkheid zich verhield tot die van God de Vader. Zo droeg de christologische ontwikkeling mede bij aan de ontwikkeling van het leerstuk van de Drie-eenheid.

8. Christologie is meer dan een discussie over ‘twee naturen’
Het begrip wordt tegenwoordig breder gebruikt. Christologie onderzoekt ook wat Jezus doet en betekent. Daarbij horen vragen zoals: Wat betekent Jezus' verkondiging van het Koninkrijk van God? Waarom werd hij gekruisigd? Welke betekenis kreeg zijn kruisdood? Wat wordt met zijn opstanding bedoeld? Is Jezus middelaar tussen God en mens? Wat betekent het wanneer hij ‘Verlosser’ wordt genoemd? En hoe verhoudt zijn eigen boodschap zich tot wat de kerk later over hem leerde?

Hier raakt christologie aan de soteriologie, de leer van de verlossing. Het onderscheid is ongeveer:
Christologie: wie is Christus?
Soteriologie: hoe brengt Christus verlossing?
In de praktijk zijn beide echter moeilijk te scheiden.

9. Een belangrijk historisch onderscheid
Voor het begrijpen van de ontwikkeling van het christendom is het nuttig drie niveaus uit elkaar te houden:
1. Jezus' eigen verkondiging. Wat kunnen we historisch reconstrueren van wat Jezus zelf over God, zichzelf en het Koninkrijk Gods zei?
2. De christologie van de eerste leerlingen. Hoe gingen zijn volgelingen hem na zijn dood en de ervaringen die zij als zijn opstanding begrepen, duiden?
3. De kerkelijke christologie. Hoe werden deze voorstellingen in de tweede tot vijfde eeuw systematisch uitgewerkt met begrippen als ‘ousia’ (wezen), ‘physis’ (natuur), ‘hypostasis’ (persoonlijke bestaanswijze) en ‘homoousios’ (van hetzelfde wezen)?

Dat onderscheid is belangrijk omdat de volledig uitgewerkte formule van Chalcedon uit 451 niet letterlijk in het Nieuwe Testament staat. Zij is het resultaat van eeuwen van interpretatie, filosofische begripsvorming en kerkelijke discussies. Dat betekent niet noodzakelijk dat Chalcedon iets geheel nieuws uitvond. Vanuit kerkelijk perspectief was het juist een steeds nauwkeuriger formulering van wat reeds impliciet in het Nieuwe Testament aanwezig was.
Historisch-kritisch gezien kan men daarentegen spreken van een ontwikkeling waarin vroegchristelijke voorstellingen over Jezus geleidelijk in de begrippenwereld van de Grieks-Romeinse oudheid systematisch werden geformuleerd.

10. Verschillende soorten christologie
Daardoor bestaat er niet eenvoudigweg één christologie. Men kan spreken van bijvoorbeeld:
- nieuwtestamentische christologie: de verschillende beelden van Christus in de Bijbel;
- patristische christologie: de leerontwikkeling bij de kerkvaders;
- chalcedonische christologie: één persoon met twee naturen;
- historische christologie: onderzoek naar de ontwikkeling van voorstellingen over Jezus;
- functionele christologie: wat Christus doet;
- ontologische christologie: wat Christus ‘is’;
- kosmische christologie: Christus als kosmisch beginsel of middelaar van de schepping;
- mystieke christologie: Christus als werkelijkheid, waarmee de mens innerlijk kan worden verenigd.

Vooral die laatste twee krijgen in bepaalde gnostische, neoplatonische, mystieke en later esoterische tradities een heel andere uitwerking dan in de klassieke kerkelijke dogmatiek.

Samengevat
Men zou de gehele geschiedenis van de christologie kunnen voorstellen als een reeks steeds verdergaande vragen:

Wie is Jezus? Is hij de Messias? Is hij de Zoon van God? Bestond hij vóór zijn geboorte?
Is hij zelf goddelijk? Hoe kan God mens worden? Hoe kunnen goddelijkheid en menselijkheid in één Christus verenigd zijn? Wat betekent deze vereniging voor de mens?

Vooral die laatste vraag opent een interessante verdere ontwikkeling. In de klassieke christologie wordt namelijk niet alleen gevraagd hoe God in Christus mens wordt, maar uiteindelijk ook wat die menswording voor de geestelijke ontwikkeling van de mens betekent.
Bij kerkvaders als Irenaeus en Athanasius mondt dit uit in de gedachte van theosis of vergoddelijking:
God wordt mens opdat de mens
deel krijgt aan het goddelijke leven
.
Daarmee ontstaat een verbinding met het motief dat we eerder bespraken: de neergaande beweging van het goddelijke en de opstijgende beweging van de mens.
Dat motief kunnen we vervolgens nauwkeurig volgen: van Plato → middenplatonisme/neoplatonisme → vroegchristelijke Logos-christologie → gnostiek → Origenes → Athanasius en de theosisleer.
(einde ChatGPT+)

2 De geestkundige christologie: de verhoudingen tussen God, Jezus en mensheid

In de óngevormde oertoestand van het al is er alleen de algeest; in de verenigde toestand van de algeest is dat een eeuwige oneindigheid, een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, met daarin opgenomen een geestelijke, donkere koelte, die er liefdevol in is opgegaan.
In de gedeelde toestand doen beiden zich aan de schouwende menselijke geest voor als een rust en haar donkere koelte en als een beweging en zijn lichtende warmte, beiden als een eeuwige oneindigheid. Als zij zich weer met elkaar verenigen, ontstaat er als het ware tussen hen in een verdichting van het licht tot een bolvormige wolk en later daarin een verdichting van de warmte, met daarin verborgen de donkere koelte, waardoor die bolvormige wolk tot leven komt... de menselijke geest.

In de gevórmde toestand verschijnt in de ruimte van de lichtende warmte God als vader, in de ruimte van de schaduwrijke, donkere koelte God als moeder. De menselijke geest verschijnt tussen hen in als Gods godenkind. Er is enige afstand tussen de vader en hun kind, maar de vader kijkt het kind aan, met achter hun kind de moeder, dichtbij, die hun kind liefdevol omhelst. Het kind blijft door de moeder liefdevol met beide ouders verbonden.

Hun kind, de menselijke geest, heeft hun geestelijke vermogens in aanleg meegekregen, zodat het die zelf tot ontwikkeling kan brengen door ervaringen te verwerken. Daarbij wordt het op aarde - in de leerschool voor geestelijke ontwikkeling - in stilte, ongemerkt, door de ouders begeleid, zodat het kind zoveel mogelijk het gevoel heeft, zelfstandig werkzaam te zijn.
Om het kind zichzelf te kunnen laten vergoddelijken door geestelijke ontwikkeling, kreeg het de vrije keuze mee. Er waren er die er uit zichzelf een nuttig gebruik van maakten, zowel voor zichzelf alsook voor anderen, waardoor hun licht en warmte toenamen, en zij ook thuis, in de geestelijke wereld gezelschappen vormden, die door licht en warmte werden gekenmerkt. Anderen hielden hun geestelijke werkzaamheid echter geheel voor zichzelf, waardoor zij geen licht meer uitstraalden naar anderen en zij, terug in de geestelijke wereld, gezelschappen vormden, die daardoor duister en kil waren.

Op een zeker tijdstip hadden zij zich (volgens de esoterische literatuur) door hun zelfgerichtheid zodanig in zichzelf opgesloten, dat zij zich als groep dreigden los te maken uit de algeest, waardoor de algeest niet meer zichzelf zou kunnen zijn. Om dat te voorkomen en hen uit hun zelfverkozen gevangenschap te verlossen, besloot de algeest in de gevormde toestand als heilige algeest-geest in een menselijke levensvorm naar de aarde te gaan, om te kunnen worden zoals zij. Zij zouden Gods heilige geest door zijn licht immers niet tot zich toe willen laten en voor hem vluchten.
Daarom moest de heilige geest als de mens Jezus (van Hebreeuws 'Jehova shoea', betekent: God helpt) op aarde worden geboren en hier alles meemaken, om ten slotte zelfs onder de misdadigers te worden gerekend. Na zijn terechtstelling (en de vergeestelijking van zijn aardse lichaam) daalde Gods heilige geest als blijk van ontferming naar hun wereld af, om zich met hen te verbinden en hen de gelegenheid te geven, zich uit hun zelfverkozen gevangenschap te bevrijden. Het was een goddelijke tegemoetkomst om hen te helpen. Daarna zouden zij zich weer bij de zich gunstig ontwikkelende, liefhebbende mensheid kunnen voegen.

Na die dagen kwam de heilige geest weer bij zijn leerlingen op aarde om hen te helpen zijn leer - over het Godsrijk in de geestelijke wereld - over de toenmalig bekende wereld op aarde te verspreiden, wat dank zij zijn hulp, tegen grote weerstand in, in een opmerkelijk korte tijd gebeurde.


terug naar de woordenlijst

terug naar vraag en antwoord christologie

terug naar het weblog







^