God als Vader én Moeder: een historisch en filosofisch overzicht

Bron: ChatGPT+

De gedachte dat God niet alleen als Vader, maar ook als Moeder kan worden beschouwd, is veel ouder dan het christendom. Zij komt voor in de oude Egyptische godsdienst, de Indiase filosofie, het jodendom, het christendom, de mystiek, de kabbala en verschillende esoterische stromingen. Een bijzonder interessante gedachte is dat God niet twee afzonderlijke wezens, een vader en een moeder, zou zijn [een gedeelde tweelinggeest], maar één goddelijk wezen, waarin het mannelijke en het vrouwelijke oorspronkelijk verenigd zijn [een verenigde tweelinggeest - beide toestanden, verenigd en gedeeld, zijn mogelijk].
Door de eeuwen heen hebben denkers deze gedachte op uiteenlopende manieren uitgewerkt. Sommigen beschouwden het vaderlijke en moederlijke als symbolen van Gods eigenschappen; anderen zagen daarin twee werkzame beginselen binnen de goddelijke werkelijkheid.

Hieronder bespreek ik de belangrijkste denkers, hun opvattingen en de verschillen daartussen.

1. Plato (427–347 v.Chr.): het vaderlijke en moederlijke beginsel
Plato ontwikkelde in zijn dialoog Timaios [een pythagoreeër] een kosmologische voorstelling waarin de werkelijkheid uit verschillende beginselen ontstaat. Hij spreekt over een scheppend beginsel, een ontvangend beginsel en de wereld die daaruit voortkomt.

In Timaios 50c–d vergelijkt Plato:
- Het eeuwige voorbeeld, waarnaar de wereld wordt gevormd, met een vader.
- De ontvangende ruimte (chōra), waarin de vormen verschijnen, met een moeder.
- De ontstane wereld met een kind.

Het moederlijke beginsel is bij Plato niet zomaar passieve materie. Het is de noodzakelijke ontvankelijkheid waardoor de zichtbare wereld kan ontstaan. Plato zegt echter niet dat de hoogste God letterlijk zowel Vader als Moeder is. Zijn voorstelling is veeleer een filosofische analogie.
Betekenis: de schepping veronderstelt volgens Plato zowel een vormgevend als een ontvangend beginsel.

2. Philo van Alexandrië (ca. 20 v.Chr.–50 n.Chr.)
Philo van Alexandrië was een joodse filosoof die de Griekse filosofie met de Hebreeuwse Bijbel probeerde te verbinden. In De ebrietate 30 beschrijft hij God als de Vader van het geheel en de Wijsheid (Sophia) als de Moeder waardoor de werkelijkheid tot bestaan komt.
Hier ontstaat een bijzondere voorstelling: God als Vader – Sophia als Moeder – de geschapen wereld als hun voortbrengsel.

Philo beschouwde deze Wijsheid niet eenvoudig als een zelfstandige godin naast God. Zij vertegenwoordigt een goddelijke werkzaamheid. Zijn opvatting is belangrijk omdat zij een verbinding vormt tussen de joodse wijsheidstraditie, het platonisme en latere christelijke voorstellingen.

3. Clemens van Alexandrië (ca. 150–215): God als liefdevolle Moeder
De vroegchristelijke theoloog Clemens van Alexandrië gebruikte uitdrukkelijk moederlijke beelden voor God en Christus. In zijn Paedagogus (I, 6) beschrijft hij Gods liefde in termen van zowel vaderlijke als moederlijke zorg. Hij schrijft in een bekende passage, in vertaling:
“Door zijn liefde is de Vader vrouwelijk geworden; het grote bewijs daarvan is Hij die Hij uit zichzelf heeft voortgebracht.”
Clemens gebruikt hier geen biologische geslachtsaanduiding. Hij wil zeggen dat Gods liefde ook de eigenschappen bezit die mensen met moederschap verbinden: voeden, verzorgen, beschermen en leven schenken. Bij Clemens is het moederlijke dus een eigenschap van dezelfde goddelijke werkelijkheid die ook Vader wordt genoemd.

4. Gnostische geschriften: Vader, Moeder en Zoon
In verschillende gnostische teksten uit de eerste eeuwen van onze jaartelling verschijnt de goddelijke werkelijkheid als een eenheid waarin het mannelijke en vrouwelijke aanwezig zijn. Een belangrijk voorbeeld is het Geheime Boek van Johannes (Apocryphon van Johannes). Daarin wordt de hoogste goddelijke werkelijkheid beschreven als onbegrensd, onzichtbaar en onuitsprekelijk. Uit deze werkelijkheid verschijnt Barbelo, het eerste goddelijke Denken.
Barbelo wordt onder meer aangeduid als:
- Moeder-Vader (Metropator).
- Eerste Gedachte (Pronoia).
- De oorsprong van de goddelijke emanaties.

Het bijzondere is dat Barbelo niet eenvoudig als een vrouwelijke godheid naast een mannelijke godheid verschijnt. Zij wordt ook zelf met zowel vaderlijke als moederlijke eigenschappen verbonden. In deze teksten vinden we dus een duidelijker uitgewerkte voorstelling van de goddelijke oorsprong als eenheid van het mannelijke en vrouwelijke dan bij Plato.
Toch verschillen de afzonderlijke gnostische systemen aanzienlijk. Er bestaat niet één uniforme gnostische leer.

5. Gregorius van Nyssa (ca. 335–395): God overstijgt het geslacht
De kerkvader Gregorius van Nyssa benadrukte dat de menselijke indeling in mannelijk en vrouwelijk niet rechtstreeks op het wezen van God kan worden toegepast. In De hominis opificio (Over de schepping van de mens), hoofdstuk 16, bespreekt hij Genesis 1:27:
“En God schiep de mens naar zijn beeld; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.”
Hij onderscheidt het beeld van God in de mens van de biologische geslachtelijkheid. Daaruit volgt een belangrijk theologisch uitgangspunt: als zowel mannen als vrouwen naar Gods beeld zijn geschapen, kan God zelf niet eenvoudig als een mannelijk wezen worden beschouwd.
Gregorius zegt niet dat God letterlijk een vader-moederwezen is. Zijn denken maakt echter ruimte voor het inzicht dat God boven de tegenstelling van mannelijk en vrouwelijk staat.

6. Johannes Scotus Eriugena (ca. 810–877): alles komt uit God voort en keert terug
De Ierse filosoof en theoloog Johannes Scotus Eriugena beschouwde God als de oorsprong van al het bestaande. In zijn Periphyseon beschrijft hij de werkelijkheid als een voortkomen uit God en een terugkeer tot God.
God overstijgt volgens Eriugena alle menselijke begrippen en tegenstellingen, dus ook de tegenstelling tussen mannelijk en vrouwelijk. Zijn denken bevat geen uitgewerkte leer van God als Vader én Moeder, maar biedt wel een metafysische grondslag voor een dergelijke voorstelling: in de goddelijke eenheid zijn de onderscheidingen die wij in de wereld waarnemen nog niet op menselijke wijze aanwezig.

7. Hildegard van Bingen (1098–1179): de vrouwelijke Wijsheid
Hildegard van Bingen ontwikkelde een indrukwekkende symboliek van de goddelijke Wijsheid, de liefde en de levenskracht. In haar visioenen verschijnt de goddelijke werkelijkheid dikwijls in vrouwelijke gestalte Belangrijke begrippen (deugden) bij Hildegard zijn:
Sapientia: de goddelijke Wijsheid, die de schepping ordent en doordringt.
Caritas: de goddelijke Liefde, die alles omvat en levend houdt.
Viriditas: de groenende, levenwekkende kracht die zich in de natuur en de mens openbaart.

Vooral in Liber divinorum operum verschijnt de goddelijke liefde in de gestalte van een indrukwekkende vrouw. Hildegard beschouwde deze vrouwelijke gestalte niet als een afzonderlijke godin, maar als een openbaring van de ene goddelijke werkelijkheid.

8. Julian of Norwich (ca. 1343–na 1416): Christus is onze Moeder
De Engelse mystica Julian of Norwich behoort tot de meest uitgesproken christelijke denkers over het moederschap van God. In haar Revelations of Divine Love spreekt zij nadrukkelijk over Christus als Moeder. In hoofdstuk 59 beschrijft zij God als onze Vader en onze Moeder, waarbij zij Christus in het bijzonder met het moederschap verbindt.

Zij onderscheidt verschillende aspecten:
- God als Vader is onze oorsprong.
- Christus als Moeder schenkt ons geestelijk nieuw leven.
- Christus voedt en begeleidt de mens in zijn geestelijke ontwikkeling.

De moederlijke liefde van Christus is bij Julian niet minder belangrijk dan zijn vaderlijke gezag. Haar gedachte is opmerkelijk omdat zij het moederschap niet alleen als beeld voor zorg gebruikt, maar ook verbindt met de geestelijke geboorte en ontwikkeling van de mens.

9. De joodse kabbala: de goddelijke Vader en Moeder
In de middeleeuwse kabbala werd de gedachte van het goddelijke mannelijke en vrouwelijke bijzonder ver ontwikkeld. Het belangrijkste geschrift is de Zohar, die aan het einde van de dertiende eeuw in Spanje bekend werd en grotendeels met Mozes de León wordt verbonden. De kabbala onderscheidt tien sefirot: wijzen waarop de onbegrensde goddelijke werkelijkheid (Ein Sof) zich openbaart.
Twee daarvan worden uitdrukkelijk Vader en Moeder genoemd:
- Chokhmah (Wijsheid): Abba, de goddelijke Vader.
- Binah (Inzicht): Imma, de goddelijke Moeder.
Hun vereniging is vruchtbaar en brengt verdere goddelijke emanaties voort.

In de Zohar, afdeling Ha'azinu, wordt de verhouding tussen Chokhmah en Binah uitdrukkelijk als een vereniging van vader en moeder beschreven. Van belang is dat Vader en Moeder hier niet twee onafhankelijke godheden zijn. Zij behoren tot de ene goddelijke werkelijkheid. De kabbalistische voorstelling komt daardoor dicht bij de gedachte dat het mannelijke en vrouwelijke binnen God zelf verenigd zijn.

10. Jakob Böhme (1575–1624): de oorspronkelijke goddelijke eenheid
De Duitse mysticus Jakob Böhme ontwikkelde een diepgaande visie op het ontstaan van de schepping uit de goddelijke werkelijkheid. Hij beschouwde de goddelijke oorsprong als een eenheid waaruit verschillende, elkaar aanvullende beginselen voortkomen. Een centraal begrip bij Böhme is de Ungrund: de ondoorgrondelijke oorsprong, voorafgaand aan iedere bepaalde vorm of tegenstelling.

Binnen de goddelijke zelfopenbaring onderscheidde Böhme onder andere:
- Wil en werkzaamheid.
- Wijsheid en ontvankelijkheid.
- Vuur en licht.
- Het mannelijke en vrouwelijke beginsel.
De goddelijke Sophia speelt hierbij een belangrijke rol.

Böhme beschouwde de oorspronkelijke mens als androgyn: de mannelijke en vrouwelijke eigenschappen waren aanvankelijk verenigd. De scheiding van mannelijk en vrouwelijk hangt in zijn gedachtewereld samen met de verdere ontwikkeling en de gevallen toestand van de mens. Volgens Böhme moet de geestelijke ontwikkeling uiteindelijk leiden tot herstel van de oorspronkelijke eenheid.

11. Emanuel Swedenborg (1688–1772): liefde en wijsheid
De Zweedse mysticus Emanuel Swedenborg verbond het wezen van God met twee fundamentele eigenschappen: goddelijke liefde en goddelijke wijsheid.
In zijn boek Divine Love and Wisdom (1763) beschrijft hij hoe deze twee in God één zijn en samen de oorsprong van de schepping vormen. Swedenborg verbindt liefde en wijsheid bovendien met de verhouding tussen het vrouwelijke en mannelijke, vooral in zijn werk Conjugial Love (1768). Zijn uitgangspunt is dat werkelijke geestelijke eenheid ontstaat door wederkerigheid.
Hij leert echter niet eenvoudig dat God uit een mannelijke en vrouwelijke persoon bestaat. Zijn opvatting is subtieler: de goddelijke liefde en wijsheid vormen een ondeelbare eenheid.

12. Franz von Baader (1765–1841): de goddelijke androgynie
De Duitse filosoof Franz von Baader bouwde voort op Jakob Böhme. Hij beschouwde het mannelijke en vrouwelijke als twee fundamentele beginselen die in hun oorspronkelijke toestand bij elkaar horen. De mens weerspiegelt volgens hem een goddelijke eenheid die door de geslachtelijke verdeeldheid niet meer volledig zichtbaar is.
Zijn filosofie verbindt christelijke mystiek, natuurfilosofie en de gedachte van de oorspronkelijke androgyne mens. Daarmee is hij een belangrijke schakel tussen Böhme en latere religieuze filosofen.

13. Mary Baker Eddy (1821–1910): God als Vader-Moeder
Mary Baker Eddy, grondlegster van Christian Science, gebruikte zeer uitdrukkelijk de benaming Father-Mother God. In Science and Health with Key to the Scriptures verklaart zij dat God zowel vaderlijke als moederlijke eigenschappen omvat.
In haar geestelijke uitleg van het Onzevader wordt de aanhef weergegeven als:
Onze Vader-Moeder God, geheel harmonieus.

Voor Eddy is God de oneindige Geest en de goddelijke Liefde. Daarom kan God niet tot één geslacht worden beperkt. Zij gebruikte de aanduiding Vader en Moeder voor God al in 1881. De specifieke samengestelde uitdrukking Father-Mother God verscheen later in haar werk. Haar opvatting is een van de duidelijkste voorbeelden van een expliciet als Vader-Moeder aangeduide ene God.

14. Rudolf Steiner (1861–1925): het mannelijke en vrouwelijke in de geestelijke oorsprong
Rudolf Steiner beschouwde de mens in zijn antroposofische mensbeeld als een geestelijk wezen dat een langdurige ontwikkeling doormaakt. In zijn beschrijvingen van de Lemurische mensheid behandelt hij een oorspronkelijke toestand waarin de huidige scheiding tussen de geslachten nog niet bestond. De mens zou zich volgens zijn esoterische voorstelling geleidelijk hebben ontwikkeld tot een wezen met een mannelijk of vrouwelijk lichaam. Daarbij onderscheidde hij geestelijke en lichamelijke eigenschappen die niet volledig samenvallen met het biologische geslacht.

Steiner spreekt echter niet op dezelfde wijze als Mary Baker Eddy over één God als Vader-Moeder. Zijn kosmologie kent bovendien verschillende geestelijke hiërarchieën. De overeenkomst ligt vooral in de gedachte dat de scheiding tussen mannelijk en vrouwelijk niet de oorspronkelijke of uiteindelijke toestand van de geestelijke werkelijkheid vertegenwoordigt.

15. Carl Gustav Jung (1875–1961): het goddelijke als vereniging van tegenstellingen
De Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung onderzocht de vaderlijke en moederlijke godsbeelden vanuit de dieptepsychologie. Hij beschouwde deze beelden als uitdrukkingen van archetypische structuren van de menselijke psyche. Voor Jung is de ontwikkeling van de persoonlijkheid verbonden met het bewust worden en integreren van tegenstellingen.

Hij onderscheidde onder andere:
- Het bewuste en het onbewuste.
- Het mannelijke en het vrouwelijke.
- De animus en de anima.
- Het ik en het Zelf.
Het Zelf vertegenwoordigt bij Jung de omvattende psychische totaliteit.

In Aion (1951) en Antwort auf Hiob (1952) onderzoekt hij de verhouding tussen het godsbeeld en het Zelf. Zijn belangstelling voor de alchemie bracht hem bovendien bij het symbool van het Rebis: de vereniging van man en vrouw in één gestalte. Jung beschouwde de vereniging van tegenstellingen als een belangrijk symbool van psychische heelwording.
Daarbij is een onderscheid noodzakelijk: Jung beschreef in de eerste plaats de psychologische betekenis van godsbeelden. Zijn psychologie bewijst niet dat God daadwerkelijk een mannelijke en vrouwelijke structuur heeft.

16. Sergej Boelgakov (1871–1944): de goddelijke Sophia
De Russisch-orthodoxe theoloog Sergej Boelgakov ontwikkelde een uitgebreide sofiologie: een leer over de goddelijke Wijsheid. Hij maakte onderscheid tussen de goddelijke Sophia en de geschapen Sophia.
De goddelijke Sophia vertegenwoordigt bij hem de wijsheid en volheid van Gods eigen wezen; de geschapen Sophia betreft de aanwezigheid van goddelijke wijsheid in de schepping. Zijn denken vertoont overeenkomsten met de vrouwelijke wijsheidssymboliek van Philo, Hildegard en Böhme.
Boelgakov wilde echter niet een vrouwelijke godheid naast de christelijke Drie-eenheid plaatsen. Zijn opvattingen veroorzaakten niettemin aanzienlijke theologische discussies.

17. Sri Aurobindo (1872–1950): het goddelijke bewustzijn en de goddelijke Moeder
De Indiase filosoof Sri Aurobindo onderscheidde in zijn integrale yoga de goddelijke werkelijkheid en haar scheppende kracht. Deze scheppende kracht wordt aangeduid als de goddelijke Moeder, Shakti. In de Indiase filosofische tradities waarin Shiva en Shakti centraal staan, worden bewustzijn en scheppende kracht als onafscheidelijk beschouwd.
Bij Aurobindo vertegenwoordigt de goddelijke Moeder de werkzame kracht waardoor het goddelijke zich in de wereld manifesteert. Hier is de overeenkomst met het vader-moederbeeld vooral structureel: een goddelijk bewustzijn en een goddelijke werkzaamheid die niet los van elkaar kunnen bestaan. De Indiase voorstelling is echter niet zonder meer gelijk aan het christelijke begrip God de Vader.

[Jozef Rulof (1898-1952): Kosmologie
In zijn boek Kosmologie schrijft de Nederlandse mysticus Rulof op blz. 36 het volgende:
“Dit is Goddelijke Waarheid. Dit is God als Moeder en als Vader. Toen de eerste krachten vanuit de 'Albron' stuwend het leven deze Ruimte inzonden, was dat Baren en Scheppen. Dat werd een Goddelijk Verschijnsel als de Goddelijke Openbaring!
In de eerste levensgraad is die Bron Moederlijk bezield, maar in het volgende stadium werd dat Leven Vaderlijk Bewust, waardoor wij het Vader- en Moederschap voor God leren kennen.”]

18. Vergelijkend overzicht

Denker of traditieVaderlijk beginselMoederlijk beginselVerhouding
PlatoVormgevend voorbeeld Ontvangende ruimteComplementair
PhiloGodSophiaGoddelijke oorsprong en wijsheid
ClemensGod als VaderGods voedende liefdeEén God
Gnostische tekstenVaderlijke oorsprongBarbeloGoddelijke emanaties
Gregorius van NyssaGod overstijgt beideGod overstijgt beideTranscendentie
Julian of NorwichGod als VaderChristus als MoederEén goddelijke liefde
KabbalaChokhmahBinahVereniging binnen de goddelijke openbaring
Jakob BöhmeWil en werkzaamheidSophia, wijsheidOorspronkelijke eenheid
SwedenborgNiet eenduidig toegewezenNiet eenduidig toegewezenLiefde en wijsheid
Mary Baker EddyVaderMoederEén Vader-Moeder God
JungVaderarchetypeMoederarchetypePsychische heelheid
Sri AurobindoGoddelijk bewustzijnGoddelijke ShaktiOnafscheidelijk

19. De belangrijkste filosofische verschillen
Hoewel al deze denkers raakpunten vertonen, moeten we drie wezenlijk verschillende voorstellingen onderscheiden.

1. God bezit zowel vaderlijke als moederlijke eigenschappen.
Dit is vooral de opvatting van Clemens, Julian of Norwich en Mary Baker Eddy. God is één, maar bezit zowel scheppende, beschermende en richtinggevende als voedende, ontvangende en verzorgende eigenschappen.

2. Binnen de goddelijke werkelijkheid bestaan twee elkaar aanvullende beginselen.
Dit vinden we duidelijker in de kabbala, bij Jakob Böhme en in verschillende vormen van het shaivisme. Het mannelijke en vrouwelijke zijn hier niet uitsluitend metaforen voor menselijke eigenschappen, maar worden beschouwd als fundamentele aspecten van de werkelijkheid.

3. God overstijgt de tegenstelling tussen mannelijk en vrouwelijk.
Deze gedachte vinden we bij Gregorius van Nyssa en in bepaalde vormen van negatieve theologie.
Volgens deze benadering zijn alle menselijke aanduidingen ontoereikend om het wezen van God te beschrijven. Het onderscheid is belangrijk: een God die beide geslachten omvat, is filosofisch niet precies hetzelfde als een God die iedere geslachtelijke tegenstelling overstijgt.

20. Een vergelijking met geestkunde
Binnen geestkunde, zoals die in jouw beschrijvingen naar voren komt, is de goddelijke algeest één en tegelijk tweevoudig. De twee zijden worden voorgesteld als:
- De rust van een geestelijke, schaduwrijke koelte: het vrouwelijke.
- De beweging van een geestelijke, lichtende warmte: het mannelijke.

Deze twee zijn in liefde met elkaar verenigd en vormen samen een goddelijke tweelinggeest. Uit en binnen deze algeest zijn door verdichting de menselijke geesten voortgekomen.

Wanneer we deze voorstelling vergelijken met de hierboven besproken denkers, vallen enkele overeenkomsten op.
Bij Jakob Böhme bestaat een opvallende overeenkomst in het idee van een oorspronkelijke goddelijke eenheid waarin tegengestelde eigenschappen aanwezig zijn. Böhme beschrijft bovendien de geestelijke ontwikkeling als een terugkeer naar de oorspronkelijke heelheid.
Bij de kabbala is er overeenkomst in de gedachte dat het vaderlijke en moederlijke binnen één goddelijke werkelijkheid bestaan en dat hun vereniging vruchtbaar is.
Bij het Kashmirse shaivisme is er een overeenkomst tussen het onderscheid van bewustzijn en werkzaamheid enerzijds en de vereniging van Shiva en Shakti anderzijds. Het vrouwelijke wordt daar echter vooral met de dynamische kracht verbonden, terwijl in geestkunde de vrouwelijke zijde juist als rust en koelte wordt beschreven.
Bij Jung ligt de overeenkomst in de betekenis van het overwinnen van eenzijdigheid en het ontwikkelen van innerlijke heelheid. Jung benadert dit voornamelijk psychologisch, terwijl geestkunde het als een geestelijke werkelijkheid beschrijft.

Er is echter een belangrijk verschil: de specifieke voorstelling van een algeest als een oneindige eenheid van schaduwrijke koelte en lichtende warmte, waaruit menselijke geesten door bolvormige verdichting ontstaan, is niet zonder meer terug te vinden in de oorspronkelijke geschriften van deze denkers. Dat is een eigen metafysische uitwerking binnen geestkunde. Haar overeenkomsten met oudere tradities zijn filosofisch interessant, maar vormen op zichzelf geen bewijs voor haar ontologische juistheid.

Conclusie
Als we zoeken naar denkers die God werkelijk als een vereniging van het vaderlijke en moederlijke hebben opgevat, springen vooral vijf tradities naar voren:
1. De gnostische geschriften: de goddelijke oorsprong en Barbelo als Moeder-Vader.
2. De joodse kabbala: Chokhmah en Binah als goddelijke Vader en Moeder.
3. Jakob Böhme: de oorspronkelijke goddelijke eenheid en de goddelijke Sophia.
4. Mary Baker Eddy: de ene God die uitdrukkelijk Vader-Moeder wordt genoemd.
5. Het shaivisme: Shiva en Shakti als onafscheidelijke aspecten van de hoogste werkelijkheid.

Vanuit historisch-filosofisch gezichtspunt vind ik vooral Jakob Böhme, de kabbala en het Kashmirse shaivisme interessant voor een verdere vergelijking met geestkunde. Zij gaan verder dan het toeschrijven van vaderlijke en moederlijke eigenschappen aan God: zij beschouwen de complementariteit van twee beginselen als fundamenteel voor de goddelijke werkelijkheid.
Daarmee ontstaat een diepere vraag: zijn het mannelijke en vrouwelijke twee eigenschappen die pas in de schepping verschijnen, of behoren zij al tot het eeuwige wezen van God zelf? Dat is een van de wezenlijke onderscheidingen tussen de klassieke christelijke theologie en verschillende mystieke, kabbalistische en esoterische tradities.


terug naar God als man en vrouw

terug naar het weblog







^