Twee-eenheid of non-dualiteit

Vraag: Graag een verhandeling over het begrip ‘non-dualiteit’.

Antwoord van ChatGPT+: Non-dualiteit: de eenheid achter de verscheidenheid
Een filosofische, religieuze en geesteswetenschappelijke verhandeling over de verhouding tussen God, de menselijke geest en de werkelijkheid.

Inhoud
1. Inleiding: wat betekent non-dualiteit?
2. Dualiteit: de ervaring van gescheidenheid
3. Non-dualiteit: de Indiase Advaita Vedanta
4. Non-dualiteit in het boeddhisme
5. Non-dualiteit in het taoïsme
6. Non-dualiteit in het neoplatonisme
7. Non-dualiteit in de christelijke mystiek
8. Non-dualiteit en de verhouding tussen God en wereld
9. Non-dualiteit en het menselijke bewustzijn
10. Non-dualiteit en geestkunde
11. Een vergelijkend overzicht
12. Het filosofische probleem van de veelheid binnen de eenheid
13. Is liefde de verbinding tussen eenheid en verscheidenheid?
14. Is non-dualiteit een ervaring of een filosofische waarheid?
15. Conclusie: niet twee, maar ook niet eenvoudig één
16. Literatuur voor verdere verdieping



1. Inleiding: wat betekent non-dualiteit?
Het begrip non-dualiteit is afkomstig van het Latijnse ‘non’ (niet) en ‘dualitas’ (tweeheid). Het betekent letterlijk ‘niet-tweeheid’. In het Sanskriet wordt hiervoor het woord ‘advaita’ gebruikt: ‘a’ betekent ‘niet’ en ‘dvaita’ betekent ‘tweeheid’.
[Opmerking: het woord ‘non-dualiteit’ is een ontkenningswoord, dat uitdrukt dat het tegenovergestelde van toepassing is, hier ‘eenheid’. Persoonlijk zou ik liever spreken over: ‘twee-eenheid’. Het gaat om twee, die toch één zijn, een ‘eenheid in verscheidenheid’, een ‘echtpaar’ (‘huwelijkspaar’).]
Non-dualiteit is een begrip dat in verschillende religieuze, filosofische en mystieke tradities voorkomt. Het verwijst naar de gedachte dat de werkelijkheid, ondanks haar schijnbare veelheid en verscheidenheid, in haar diepste wezen toch één geheel vormt. De wereld lijkt immers te bestaan uit afzonderlijke dingen en wezens: mensen, dieren, planten, planeten en sterren. Ook ervaren wij een onderscheid tussen onszelf en onze omgeving, tussen lichaam en geest, tussen waarnemer en waargenomene, tussen God en mens.

Het non-duale denken stelt echter de vraag of deze onderscheidingen wel de uiteindelijke werkelijkheid weergeven. Zijn alle afzonderlijke verschijnselen niet uitdrukkingen van één onderliggende werkelijkheid. Misschien is het onderscheid tussen het menselijke bewustzijn en de grond van het bestaan minder absoluut dan wij gewoonlijk aannemen. Daarmee komen wij bij de centrale vraag van de non-dualiteit:
Is de werkelijkheid in wezen een verzameling afzonderlijke zelfstandigheden, of is zij één ondeelbare werkelijkheid die zich in een veelheid van vormen openbaart?

Het is belangrijk hierbij meteen een onderscheid te maken. Non-dualiteit betekent niet noodzakelijk dat alle verschillen onwerkelijk zijn. Het betekent vooral dat verschillen niet hoeven te berusten op een uiteindelijke, absolute gescheidenheid. Dat is een subtiel maar fundamenteel onderscheid.

terug naar de Inhoud

2. Dualiteit: de ervaring van gescheidenheid
Om non-dualiteit te begrijpen, moeten wij eerst het begrip dualiteit onderzoeken. Het menselijke denken werkt voortdurend met tegenstellingen:
Licht en donkerSubject en object
Warmte en koudeIk en de ander
Rust en bewegingLeven en dood
Geest en stofGod en wereld

Dergelijke tegenstellingen helpen ons de werkelijkheid te ordenen en te begrijpen. De menselijke waarneming is immers onderscheidend. Wij herkennen iets doordat het verschilt van iets anders. Zonder verschillen zouden wij nauwelijks afzonderlijke verschijnselen kunnen herkennen. Ook het denken werkt door ontleding en vergelijking. Het onderscheidt eigenschappen [verstand], ontdekt overeenkomsten en brengt vervolgens samenhang aan [rede].
Maar daaruit volgt niet noodzakelijk dat de onderscheidingen die ons denken maakt, ook absolute scheidingen in de werkelijkheid zijn. Een golf bijvoorbeeld is duidelijk te onderscheiden van andere golven. Toch bestaat zij niet onafhankelijk van het water waarvan zij een tijdelijke vorm is. Een golf heeft een herkenbare eigen vorm, maar is nooit gescheiden van het water waaruit zij bestaat. Deze vergelijking wordt in non-duale tradities veel gebruikt. De golf is niet hetzelfde als de gehele oceaan, maar zij bestaat evenmin buiten de oceaan. Op vergelijkbare wijze zou de individuele mens een herkenbare verschijningsvorm kunnen zijn van een werkelijkheid die allen omvat en draagt.
Hieruit ontstaat de gedachte dat onderscheidenheid en verbondenheid gelijktijdig kunnen bestaan.

terug naar de Inhoud

3. Non-dualiteit in de Indiase filosofie: Advaita Vedanta

De bekendste filosofische uitwerking van non-dualiteit vinden wij in de Indiase Advaita Vedanta. Deze traditie is gebaseerd op de Upanishaden en werd vooral systematisch uitgewerkt door de filosoof Adi Shankara (gewoonlijk gedateerd in de achtste eeuw). De Advaita Vedanta onderscheidt twee fundamentele begrippen.
1. Brahman: de uiteindelijke werkelijkheid [de algeest]
Brahman is de absolute, onbegrensde werkelijkheid die aan alle verschijnselen ten grondslag ligt. Brahman is volgens Shankara niet een afzonderlijk wezen naast andere wezens. Het is de werkelijkheid waardoor al het bestaande überhaupt bestaat.
Brahman wordt vaak beschreven als sat-chit-ananda:
- Sat: zijn, werkelijk bestaan
- Chit: bewustzijn
- Ananda: gelukzaligheid of volkomen vervulling

Deze drie begrippen moeten niet worden opgevat als drie afzonderlijke onderdelen van Brahman, maar als aanduidingen van zijn ondeelbare werkelijkheid.

2. Atman: het diepste ‘zelf‘[de menselijke geest]
Atman betekent het innerlijke zelf, datgene wat de mens in zijn diepste wezen is.
Gewoonlijk identificeert de mens zich met zijn lichaam, gedachten, gevoelens, herinneringen en persoonlijkheid. Maar volgens de Advaita Vedanta zijn al deze eigenschappen veranderlijk. Het lichaam veroudert. Gedachten komen en gaan. Gevoelens veranderen voortdurend. Daarom stelt de Advaita Vedanta de vraag: wat is het onveranderlijke beginsel waardoor al deze veranderingen bewust worden ervaren?
Het antwoord luidt: Atman.

De beslissende uitspraak van deze filosofie is: Atman is Brahman.
Het diepste zelf van de mens is niet wezenlijk verschillend van de absolute werkelijkheid. Deze gedachte wordt uitgedrukt in de beroemde uitspraak uit de Chandogya Upanishad (6.8.7): Tat tvam asi - ‘Dat zijt gij.’ De mens moet volgens deze leer niet iets nieuws worden, maar ontdekken wat hij in zijn diepste wezen altijd al is geweest.

Maya en de schijnbare gescheidenheid
Waarom ervaren wij onszelf dan als afzonderlijke wezens? Shankara verklaart dit vanuit ‘avidya’: onwetendheid, en de daarmee verbonden leer van maya. Maya wordt vaak vertaald als illusie, maar dat is enigszins misleidend. Het betekent niet eenvoudig dat de wereld helemaal niet bestaat. De wereld heeft een betrekkelijke, empirische werkelijkheid. Zij is echter niet zelfstandig en absoluut werkelijk zoals Brahman. Maar de mens ziet door onwetendheid de betrekkelijke werkelijkheid aan voor de uiteindelijke werkelijkheid [onbewuste vereenzelviging].
Bevrijding (moksha) ontstaat wanneer deze onwetendheid wordt opgeheven en de mens de identiteit van Atman en Brahman doorziet [Ik, de geest, ben een verdichte algeest-geest in de algeest, God].

terug naar de Inhoud

4. Non-dualiteit in het boeddhisme
Ook het boeddhisme kent vormen van non-duaal denken, maar deze verschillen op een belangrijk punt van de Advaita Vedanta. Waar de Advaita Vedanta een onveranderlijk Atman erkent, onderwijst het boeddhisme doorgaans anatman of anatta: het ontbreken van een blijvend, onafhankelijk zelf.

Het ontbreken van een afzonderlijk zelf
Volgens de boeddhistische analyse bestaat de mens uit voortdurend veranderende lichamelijke en geestelijke processen. Wat wij ‘ik’ noemen, is een samenhang van verschijnselen, maar geen onveranderlijke zelfstandigheid die daarachter verborgen ligt. Dat betekent niet dat de mens niet bestaat. Het betekent dat de mens niet bestaat als een absoluut onafhankelijke, onveranderlijke kern.

Nagarjuna en de leegte
De boeddhistische filosoof Nagarjuna (ongeveer tweede tot derde eeuw) werkte dit verder uit in zijn leer van shunyata, leegte. Leegte betekent hier niet het niets, maar het ontbreken van een onafhankelijk eigen bestaan. Alles bestaat in afhankelijkheid van oorzaken, omstandigheden en onderlinge betrekkingen. Een boom bestaat bijvoorbeeld dankzij zonlicht, water, bodem, lucht en talloze biologische processen. De boom is werkelijk, maar niet onafhankelijk.
Voor Nagarjuna zijn ook de begrippen bestaan en niet-bestaan ontoereikend wanneer men ze als absolute categorieën gebruikt. De non-dualiteit van het boeddhisme bestaat daarom niet noodzakelijk uit de eenheid van alles in één goddelijke substantie. Zij bestaat veeleer uit het doorzien van de kunstmatige verabsolutering van tegenstellingen. Dat is een belangrijk verschil met de Advaita Vedanta.

terug naar de Inhoud

5. Non-dualiteit in het taoïsme
In het Chinese taoïsme vinden wij een andere, bijzonder interessante benadering. Het centrale begrip is de Dao (Tao), letterlijk de weg [Tau bestaat uit twee tekens: ‘hoofd’ en ‘gaan’, m.a.w.: geestelijke ontwikkeling] De Dao is de onuitputtelijke oorsprong en het ordenende beginsel van alle verschijnselen [de algeest].
In de Daodejing [Tau teh Tjing], traditioneel toegeschreven aan Laozi [Lau tse], wordt beschreven hoe de veelheid van de wereld uit een oorspronkelijke eenheid voortkomt. De Dao is zelf niet volledig in begrippen te vatten, omdat begrippen altijd onderscheidingen maken.

Yin en yang
Het bekende symbool van yin en yang [Tai tsji, het ‘grote midden’] drukt de onderlinge verbondenheid van schijnbare tegenstellingen uit.
Yin wordt onder meer verbonden met rust, ontvankelijkheid, donkerte en het vrouwelijke.
Yang wordt verbonden met beweging, werkzaamheid, licht en het mannelijke.

Yin en yang zijn echter niet twee volledig onafhankelijke werkelijkheden. Zij zijn complementaire aspecten van één dynamisch geheel. Het ene gaat voortdurend in het andere over. De rust maakt beweging mogelijk en beweging kan weer tot rust komen. Het taoïsme leert daarmee niet dat verschillen moeten verdwijnen, maar dat tegenstellingen [tegendelen] binnen een diepere eenheid samenwerken.
Dit is een andere vorm van non-dualiteit dan de Advaita Vedanta. De nadruk ligt minder op de identiteit van het individuele zelf met een absoluut bewustzijn en meer op de samenhang en natuurlijke wisselwerking van alle verschijnselen.

terug naar de Inhoud

6. Non-dualiteit in het neoplatonisme
Ook in de westerse filosofie vinden wij een belangrijke non-duale denkrichting. De filosoof Plotinus (204/205–270) beschreef de werkelijkheid als voortkomend uit een oorspronkelijke eenheid, die hij het Ene noemde. Het Ene gaat volgens Plotinus aan alle onderscheidingen vooraf. Het is zelfs niet eenvoudigweg een denkend of bewust wezen, omdat denken altijd een onderscheid veronderstelt tussen degene die denkt en datgene wat gedacht wordt.
Uit het Ene komt de Nous voort, het goddelijke intellect. Uit de Nous komt de wereldziel voort, en vanuit deze geestelijke ordening ontstaat de zintuiglijk waarneembare wereld. Deze voortkomst wordt ‘emanatie’ [uitstraling, uitstroming] genoemd.

De terugkeer naar de oorsprong
De menselijke ziel is volgens Plotinus verwant aan de hogere geestelijke werkelijkheid. Zij kan zich echter verliezen in de veelheid van de zintuiglijke wereld. De geestelijke ontwikkeling bestaat daarom uit een terugkeer naar haar oorsprong. Deze terugkeer verloopt door zelfonderzoek, deugdzaamheid, contemplatie en uiteindelijk mystieke vereniging.
Bij Plotinus is de hoogste geestelijke ervaring een toestand waarin het gewone onderscheid tussen kennend subject en gekend object wordt overstegen. Hier vertoont zijn filosofie een duidelijke verwantschap met de Indiase non-duale tradities.
Toch blijft een verschil bestaan: Plotinus spreekt over een hiërarchische voortkomst van de werkelijkheid uit het Ene, terwijl Shankara vooral de niet-tweeheid van Atman en Brahman benadrukt.

terug naar de Inhoud

7. Non-dualiteit in de christelijke mystiek
Het christendom kent een onderscheid tussen Schepper en schepping. God is niet eenvoudigweg identiek aan de wereld en de mens is niet zonder meer God. Toch vinden wij in de christelijke mystiek beschrijvingen van een geestelijke eenheid die sterk aan non-dualiteit doen denken.

Meister Eckhart
De dominicaanse theoloog en mysticus Meister Eckhart (circa 1260–1328) beschreef een innerlijke grond van de ziel waarin de mens God kan ontmoeten. Eckhart maakte onderscheid tussen de veelheid van menselijke gedachten en verlangens en de diepere grond van het geestelijke bestaan. De mens moet volgens hem leren zich los te maken van zijn gehechtheid aan afzonderlijke dingen en aan zijn eigen beperkte zelfbeeld. Deze innerlijke onthechting noemt hij Gelassenheit [gelatenheid, onthechting].
Wanneer de mens zich werkelijk van zijn zelfgerichtheid bevrijdt, ontstaat ruimte voor de goddelijke werkzaamheid in de ziel. Eckhart spreekt daarbij soms zo radicaal over eenheid dat het onderscheid tussen de menselijke en goddelijke grond bijna lijkt te verdwijnen. Toch is voorzichtigheid nodig. Eckharts uitspraken moeten binnen de context van zijn christelijke scheppingsleer en zijn opvattingen over genade worden begrepen. Zijn mystiek is daarom niet zonder meer identiek aan die van Shankara.

Andere christelijke mystici
Bij Johannes van het Kruis vinden wij de gedachte dat de menselijke ziel door liefde met God kan worden verenigd.
Ook Jan van Ruusbroec beschrijft een innige vereniging met God, zonder dat het onderscheid tussen Schepper en schepsel eenvoudig wordt opgeheven.
Hier kunnen wij spreken van een mystieke eenheid die de persoonlijke onderscheidenheid niet noodzakelijk vernietigt. Dat is een bijzonder belangrijk thema in de vergelijking tussen oosterse en westerse mystiek.

terug naar de Inhoud

8. Non-dualiteit en de verhouding tussen God en wereld
De besproken tradities laten zien dat non-dualiteit verschillende filosofische betekenissen kan hebben.
Het is daarom nuttig onderscheid te maken tussen vier opvattingen.

OpvattingVerhouding tussen God, mens en wereld
MonismeUiteindelijk bestaat slechts één fundamentele werkelijkheid.
PantheïsmeGod en de gehele werkelijkheid vallen samen.
PanentheïsmeAlles bestaat in God, maar God overstijgt de wereld.
Mystieke non-dualiteitDe ervaren scheiding tussen mens en het goddelijke wordt in de mystieke ervaring door liefde overstegen.

Deze begrippen overlappen gedeeltelijk, maar zijn niet synoniem. Zo kan iemand een non-duale mystieke ervaring beschrijven, zonder daaruit de filosofische conclusie te trekken dat God en wereld volkomen identiek zijn. Evenzo kan een panentheïst erkennen dat alle wezens in God bestaan, terwijl zij toch een eigen, van God onderscheiden bestaan behouden.
De vraag wordt dan: Is eenheid hetzelfde als identiteit, of kan er een eenheid bestaan waarin de onderscheidenheid behouden blijft? Dit is misschien wel het belangrijkste filosofische vraagstuk van de non-dualiteit.

terug naar de Inhoud

9. Non-dualiteit en het menselijke bewustzijn
In de moderne filosofie en bewustzijnswetenschap krijgt non-dualiteit een nieuwe betekenis. Gewoonlijk ervaren wij onszelf als een waarnemer, die tegenover een waargenomen wereld staat. Er lijkt een subject te zijn, het ‘ik’, dat naar objecten kijkt. Maar wanneer wij onze eigen bewustzijnservaring onderzoeken, blijkt deze verhouding minder eenvoudig. Wanneer iemand bijvoorbeeld volledig opgaat in muziek, kan het gewone onderscheid tussen de luisteraar en het luisteren tijdelijk naar de achtergrond verdwijnen. Er is dan vooral het onmiddellijke ervaren.
Iets vergelijkbaars kan zich voordoen tijdens meditatie. Gedachten over het eigen ik worden minder nadrukkelijk, terwijl de aandacht helder en aanwezig blijft. In sommige meditatieve tradities wordt dit beschreven als non-duaal bewustzijn.

Wat zegt de neurowetenschap?
Onderzoekers bestuderen dergelijke ervaringen met behulp van hersenbeeldvorming, elektro-encefalografie en psychologische vragenlijsten. Sommige studies vinden bij bepaalde meditatievormen veranderingen in hersennetwerken, die betrokken zijn bij zelfreferentiële verwerking, waaronder onderdelen van het default mode network [tijdens gedachteloos mijmeren]. Maar de resultaten verschillen naar meditatievorm, ervaring en onderzoeksopzet.
Bovendien moet onderscheid worden gemaakt tussen een verminderd gevoel van zelfgerichtheid, een toestand van volledige aandacht en een specifiek non-duale ervaring. Deze zijn niet noodzakelijk hetzelfde. De neurowetenschap kan onderzoeken welke hersenprocessen met dergelijke ervaringen samenhangen. Zij kan echter niet op grond van deze metingen vaststellen of de werkelijkheid uiteindelijk één goddelijk bewustzijn is.
Dat laatste is een metafysische vraag. Hier ligt een belangrijke grens tussen empirische wetenschap en religieuze filosofie.

terug naar de Inhoud

10. Non-dualiteit en geestkunde
Wanneer wij het begrip non-dualiteit vergelijken met geestkunde, ontstaat een interessante samenhang. In geestkunde wordt de goddelijke algeest beschreven als een alomtegenwoordige, oneindige werkelijkheid van geestelijk licht en geestelijke warmte. De menselijke geest is volgens deze opvatting door verdichting uit en in de algeest voortgekomen. Daarmee wordt een fundamentele verbondenheid tussen de menselijke geest en zijn goddelijke oorsprong verondersteld. Tegelijkertijd bezit de menselijke geest een eigen werkzaamheid, die tot uitdrukking komt in vier vermogens:
1. Waarnemen: vormbaar licht
2. Denken: zelfvormend licht
3. Voelen: vormbare warmte
4. Willen: zelfvormende warmte
Door deze vermogens bewust en beheerst te leren gebruiken, kan de menselijke geest zich ontwikkelen.

De oorspronkelijke eenheid
In geestkunde is de algeest één, maar in zichzelf tweevoudig [een eenheid in verscheidenheid]. Er is de rust van de donkere koelte, verbonden met het vrouwelijke, en de beweging van de lichtende warmte, verbonden met het mannelijke. Deze twee zijn in liefde verenigd [!].

Hier ontstaat een opmerkelijke overeenkomst met het taoïstische denken. Ook daar zijn rust en beweging, donker en licht, vrouwelijk en mannelijk geen volkomen gescheiden beginselen. Zij vormen een samenhangende werkelijkheid.
Maar er is ook een verschil. In geestkunde worden deze eigenschappen beschreven als persoonlijke, geestelijke werkelijkheden die zich in liefde verenigen. Terwijl het klassieke taoïsme yin en yang doorgaans beschrijft als complementaire kosmische beginselen, niet als twee persoonlijke goddelijke zelfstandigheden.

De menselijke geest als verdichting
De gedachte dat de menselijke geest door verdichting uit de algeest voortkomt, doet denken aan de emanatieleer van Plotinus. Bij Plotinus komt de veelheid voort uit de oorspronkelijke eenheid. In geestkunde ontstaat de menselijke geest als een eigen geestelijke zelfstandigheid binnen de algeest. Daarmee is de menselijke geest niet onafhankelijk van zijn oorsprong. Maar hij is ook niet eenvoudigweg identiek aan de gehele algeest. De verhouding lijkt daarom op die van de golf en de oceaan.
De golf is een herkenbare eigen vorm van het water, terwijl zij nooit buiten het water bestaat. Deze vergelijking kan de gedachte van geestkunde verduidelijken, al blijft zij een analogie en geen bewijs.

Vereenzelviging en bevrijding
Een tweede belangrijke overeenkomst betreft de geestelijke ontwikkeling. Volgens geestkunde raakt de menselijke geest onbewust vereenzelvigd met zijn stoffelijke bestaan. De aandacht wordt naar buiten gericht, waardoor de mens zichzelf voornamelijk als lichamelijk en maatschappelijk wezen ervaart. Door zelfbezinning, bewustwording en de ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens, kan hij deze vereenzelviging overwinnen.

Dit vertoont overeenkomsten met de Advaita Vedanta. Ook daar wordt de mens door onwetendheid vereenzelvigd met zijn lichaam, gedachten en persoonlijkheid. Maar het einddoel verschilt. In de klassieke Advaita Vedanta bestaat de bevrijding uit het inzicht dat Atman en Brahman in wezen niet twee zijn.
In geestkunde lijkt het einddoel eerder te bestaan uit de zelfverwerkelijking van de menselijke geest als een eigen, bewuste en liefdevol met zijn oorsprong verbonden zelfstandigheid. De menselijke individualiteit wordt daarbij niet opgeheven, maar juist tot haar geestelijke bestemming gebracht. Dat is een wezenlijk verschil.

terug naar de Inhoud

11. Een vergelijkend overzicht

TraditieOorspronkelijke werkelijkheidMenselijke individualiteitGeestelijk einddoel
Advaita VedantaBrahmanAfzonderlijkheid is niet uiteindelijkInzicht: Atman is Brah-man
Boeddhistische MadhyamakaGeen zelfstandige essentieAfhankelijk ontstaanInzicht in leegte
TaoïsmeDaoDeel van natuurlijke samenhang Leven in overeenstem-ming met Dao
NeoplatonismeHet EneVoortgekomen uit ho-gere werkelijkheidTerugkeer naar het Ene
Christelijke mystiekGodSchepsel, onderschei-den van GodVereniging met God
GeestkundeGoddelijke algeestEigen geest door ver-dichtingZelfverwerkelijking en hereniging in liefde

Het overzicht laat zien dat verschillende tradities weliswaar spreken over een oorspronkelijke eenheid, maar uiteenlopende antwoorden geven op de vraag wat er met de menselijke individualiteit gebeurt.
- Bij Shankara wordt de absolute zelfstandigheid van het individuele zelf uiteindelijk ontkend.
- Bij Plotinus keert de ziel terug naar haar transcendente oorsprong.
- Bij christelijke mystici blijft de persoonlijke verhouding tussen God en mens veelal bestaan.
- Bij geestkunde blijft de menselijke geest eveneens een eigen zelfstandigheid, terwijl hij zich bewust wordt van zijn goddelijke oorsprong.

terug naar de Inhoud

12. Het filosofische probleem van de veelheid binnen de eenheid
De non-dualiteit roept een moeilijk vraagstuk op. Wanneer de werkelijkheid uiteindelijk één is, hoe kan er dan een werkelijke veelheid bestaan? Wanneer alle menselijke geesten in wezen één zijn met de goddelijke oorsprong, hoe kunnen zij dan werkelijk verschillende ervaringen, gedachten, gevoelens en wilsbesluiten hebben?

Er zijn verschillende mogelijke antwoorden.
De Advaita Vedanta maakt onderscheid tussen de absolute werkelijkheid en de betrekkelijke werkelijkheid.
Het neoplatonisme verklaart de veelheid vanuit de emanatie van het Ene.
Het boeddhisme beschouwt afzonderlijke verschijnselen als onderling afhankelijk en zonder zelfstandige essentie.

De geestkunde beschrijft de veelheid vanuit de verdichting van de ene algeest tot afzonderlijke menselijke geesten. Daarmee wordt een model voorgesteld waarin de eenheid van oorsprong en de veelheid van zelfstandige geesten samengaan. Toch blijft de filosofische vraag bestaan hoe een verdichting van geestelijke werkelijkheid precies moet worden begrepen.
In de natuurkunde betekent verdichting doorgaans een toename van dichtheid binnen een ruimtelijk of materieel systeem. Wanneer het begrip op de geest wordt toegepast, krijgt het een andere betekenis. Het kan dan worden opgevat als een beschrijving van een geestelijke ervaring of als een metafysisch beginsel. Zonder aanvullende, onafhankelijk toetsbare criteria kan deze geestelijke verdichting echter niet als een natuurwetenschappelijk vastgesteld proces worden beschouwd. Dat doet niets af aan de mogelijke betekenis ervan als filosofisch of mystiek verklaringsmodel, maar het maakt wel duidelijk dat verschillende soorten kennis onderscheiden moeten blijven.

terug naar de Inhoud

13. Is liefde de verbinding tussen eenheid en verscheidenheid?
Een bijzonder interessante vraag is of liefde een oplossing kan bieden voor de spanning tussen eenheid en individualiteit. Wanneer twee mensen elkaar liefhebben, blijven zij afzonderlijke personen. Toch ontstaat er een verbondenheid, waarin ieder zich op de ander richt. Hun individualiteit verdwijnt niet, maar wordt in de verhouding tot de ander juist betekenisvol.
Liefde veronderstelt in de gewone menselijke ervaring zowel een zekere onderscheidenheid als verbondenheid. Dit verschilt van een opvatting waarin alle verschillen uiteindelijk geheel verdwijnen. Binnen de christelijke mystiek speelt deze gedachte een belangrijke rol. De vereniging met God wordt vaak beschreven als een liefdesverhouding waarin de mens zijn zelfgerichtheid overwint.

Ook binnen geestkunde krijgt liefde een centrale betekenis. De oorspronkelijke goddelijke tweeheid van rust en beweging wordt beschreven als een vereniging in liefde. De menselijke geest ontwikkelt zich vervolgens door zijn vermogens zo te vormen dat hij tot een bewuste, liefdevolle verhouding met zijn oorsprong en zijn medemensen komt. Vanuit deze gedachte kan men spreken van een relationele eenheid: een eenheid die niet ontstaat door het verdwijnen van alle verschillen, maar door de liefdevolle verbondenheid van onderscheiden zelfstandigheden.
Dat is niet hetzelfde als de strikte non-dualiteit van Shankara. Het is eerder een opvatting waarin de uiteindelijke verbondenheid belangrijker is dan de afzonderlijkheid, zonder dat de afzonderlijke persoon hoeft te verdwijnen.

terug naar de Inhoud

14. Is non-dualiteit een ervaring of een filosofische waarheid?
Een laatste onderscheid is noodzakelijk. Non-dualiteit kan verwijzen naar drie verschillende zaken.
Ten eerste is er de ervaring van non-dualiteit. Daarbij kan iemand ervaren dat het gewone onderscheid tussen zichzelf en zijn omgeving tijdelijk verdwijnt.
Ten tweede is er de interpretatie van deze ervaring. Een hindoe kan haar beschouwen als een inzicht in Brahman. Een boeddhist kan haar uitleggen vanuit leegte en afhankelijk ontstaan.
Een christelijke mysticus kan haar ervaren als een vereniging met God.
Ten derde is er de metafysische conclusie dat de werkelijkheid daadwerkelijk één ondeelbare grond heeft.

Deze drie niveaus moeten niet met elkaar worden verward. Een ervaring van eenheid is een werkelijk gerapporteerde menselijke ervaring, maar de ervaring bewijst op zichzelf niet welke metafysische verklaring juist is. Verschillende religieuze tradities kunnen vergelijkbare ervaringen immers verschillend interpreteren.
Vanuit wetenschappelijk oogpunt kunnen wij de ervaringen en hun psychologische en neurologische samenhangen onderzoeken. Vanuit de filosofie kunnen wij beoordelen of de verschillende verklaringen logisch samenhangend zijn. Maar de uiteindelijke vraag naar de goddelijke grond van de werkelijkheid blijft daarmee niet definitief beantwoord.

terug naar de Inhoud

15. Conclusie: niet twee, maar ook niet eenvoudig één
De diepste betekenis van non-dualiteit ligt misschien in het inzicht dat de werkelijkheid niet volledig kan worden begrepen vanuit absolute tegenstellingen. Wij ervaren onszelf als afzonderlijke wezens, maar zijn tegelijkertijd op talloze manieren met onze omgeving verbonden. Biologisch zijn wij afhankelijk van de natuur. Psychologisch ontwikkelen wij ons in verhouding tot andere mensen. Filosofisch kunnen wij vragen of deze verbondenheid uiteindelijk op een nog diepere eenheid berust.

De verschillende religieuze en filosofische tradities beantwoorden deze vraag ieder op hun eigen wijze.
De Advaita Vedanta leert dat het diepste zelf en Brahman identiek zijn.
Het boeddhisme leert dat alle verschijnselen zonder onafhankelijke essentie bestaan.
Het taoïsme benadrukt de dynamische samenhang van complementaire beginselen.
Het neoplatonisme beschrijft de voortkomst van alle werkelijkheid uit het Ene en haar terugkeer daarnaartoe.
De christelijke mystiek zoekt de vereniging van de menselijke ziel met God.
Geestkunde beschrijft de menselijke geest als een door verdichting uit en in de goddelijke algeest voortgekomen zelfstandigheid, die door geestelijke ontwikkeling zijn oorspronkelijke verbondenheid bewust kan leren kennen. Daarom zou ik geestkunde niet zonder meer een strikt non-duale leer noemen. Zij lijkt eerder een vorm van spiritueel eenheidsdenken waarin de individuele geest zijn eigen zelfstandigheid behoudt. Daarmee staat zij op een interessante plaats tussen het neoplatonisme, de christelijke mystiek en bepaalde vormen van panentheïsme.

Het meest wezenlijke onderscheid is dat tussen identiteit en verbondenheid. Bij identiteit zijn twee schijnbaar afzonderlijke werkelijkheden in wezen dezelfde. Bij verbondenheid kunnen twee werkelijkheden onderscheiden blijven en toch een diepere eenheid vormen. Door liefde lijkt voor geestkunde vooral die tweede mogelijkheid van betekenis.
De menselijke geest is niet de gehele goddelijke algeest, maar is er volgens deze leer uit voortgekomen, bestaat erin en kan zich door geestelijke ontwikkeling opnieuw bewust worden van zijn oorsprong. Daarmee komen wij tot een formulering die de verhouding tussen non-dualiteit en geestkunde kernachtig samenvat: De geest is niet de gehele algeest, maar ook nooit van de algeest gescheiden.

Dit is geen bewezen metafysische waarheid, maar wel een filosofisch samenhangende manier om de verhouding tussen de goddelijke eenheid en de menselijke individualiteit te beschrijven. En misschien ligt juist daar de belangrijkste vraag voor het verdere onderzoek: is de hoogste geestelijke bestemming het opgaan van de individualiteit in de eenheid, of het volledig zichzelf worden van de menselijke geest binnen die eenheid? Die twee antwoorden lijken sterk op elkaar, maar vertegenwoordigen uiteindelijk twee verschillende opvattingen over de betekenis van het mens-zijn.

terug naar de Inhoud

16. Literatuur voor verdere verdieping
Voor een studie vanuit de oorspronkelijke bronnen zijn vooral de volgende werken van belang:
- Chandogya Upanishad, hoofdstuk 6, over Atman en Brahman.
- Brahma Sutra Bhashya, over de filosofische grondslag van Advaita Vedanta.
- Mulamadhyamakakarika, over leegte en afhankelijk ontstaan.
- Daodejing, vooral hoofdstukken 1, 2 en 42.
- Enneaden, vooral V.1 en VI.9, over het Ene en de mystieke vereniging.
- Die deutschen Werke, over de grond van de ziel en de goddelijke geboorte.
[- het boek Geestkunde]
Deze bronnen maken het mogelijk de verschillende betekenissen van eenheid, tweeheid en individualiteit verder te onderzoeken, zonder de onderlinge verschillen uit het oog te verliezen.


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^