“Adam - waar ben je?”

Bericht van Het Tempelinstituut - 28 tisjri 5787/9 oktober 2026

Genesis 3:9
God doorloopt de schepping in een hoog tempo, zes dagen van begin tot eind. Beginnend met “Er zij licht” en eindigend met “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis,” is alles in een oogwenk voltooid. Energie, materie, levenloze voorwerpen, planten, dieren, de oceanen, de hemel, de aarde en ten slotte, maar zeker niet als minste, de mens. De mens wordt, net als alles wat aan hem voorafging, geschapen door het woord uit Gods mond, als een schepsel dat moet heersen over alle andere schepselen die vóór hem zijn geschapen. Als man en vrouw schiep God de mens, ‘zegende hen’ en zei: “Wees vruchtbaar en vermenigvuldig je.” En daarmee eindigen de zes scheppingsdagen.

Met de mens een relatie
Alles is geschapen overeenkomstig Gods wil en daarom is er eigenlijk geen reden voor God om nog eens achterom te kijken. De zon, de maan en de sterren functioneren allemaal zoals bedoeld. Hetzelfde geldt voor de aarde, de rivieren en de zeeën. Zelfs de wilde dieren kennen hun plaats in de schepping. Zoals God zelf verklaarde, was alles ‘zeer goed’.
Maar zijn laatste schepping, de mens, kon God eenvoudigweg niet aan zichzelf overlaten. De mens [als godenkind] moest worden vervolmaakt en had daarom onderricht nodig. De mens was voor God een schepping, die aandacht nodig had. De mens betekende een [persoonlijke] relatie. Misschien is het daarom dat de Thora, bij nadere beschouwing, uitvoeriger ingaat op de schepping van de mens:
‘En een nevel steeg op uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem. En HaShem God vormde de mens uit stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten, en de mens werd een levende ziel. En HaShem God plantte een tuin in Eden, in het oosten en plaatste daar de mens die Hij had gevormd.’ (Genesis 2:6-8)

God als vader voor de mens
De mens is niet langer eenvoudigweg een levend, ademend en bewegend wezen. De mens heeft nu een levende ziel. De mens kan denken. De mens beschikt over het vermogen zelfstandig te handelen en beslissingen te nemen. Om de mens zelfstandigheid van denken te geven, heeft God zijn eigen relatie met de mens moeten verdiepen. God is niet langer eenvoudigweg Elokim, de verre God van de schepping. God is nu HaShem Elokim, een God die persoonlijk betrokken is bij het welzijn van zijn schepsel, een God die over zijn schepping zal waken, ervoor zal zorgen en haar zal koesteren.
HaShem Elokim werd een vader voor de mens.
In zijn nieuwe rol beseft HaShem Elokim, nog voordat de mens zijn mond heeft geopend en ook maar één woord tot Hem heeft gesproken: “Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken die bij hem past.” (Genesis 2:18)

Twee wederhelften
‘En HaShem Elokim liet een diepe slaap over de mens vallen, zodat hij insliep. En Hij nam een van zijn zijden weg en sloot het vlees op die plaats. En HaShem Elokim bouwde de zijde die Hij uit de mens had genomen tot een vrouw en bracht haar bij de mens.’ (Genesis 2:21-22)
En nu opent Adam voor het eerst zijn mond: ‘En de mens zei: “Deze keer is het been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. Deze zal isjah (vrouw) worden genoemd, omdat zij uit iesj (man) is genomen.”’
En ‘daarom’, zo besluit de Thora, ‘zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en zij zullen één vlees worden.’ (Genesis 2:23-24)

Het gebod niet te eten
Maar zelfs voordat God de mens opnieuw vormgaf tot man en vrouw, had Hij één uiterst belangrijk advies voor de mens: ‘Van alle bomen in de tuin mag je vrij eten. Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten, want op de dag dat je daarvan eet, zul je zeker sterven.’ (Genesis 2:16-17)
De waarschuwing was zo ernstig dat herhaling beslist niet nodig was. Maar één schepsel, waarvan tot nu toe nog geen melding was gemaakt, de slang, verschijnt op het toneel en zet alles op zijn kop. De gladde, welbespraakte slang, verleidt de vrouw ertoe van de verboden boom te eten. Rustig en vrijgevig geeft zij de vrucht aan haar man, die er eveneens van eet en in één ogenblik is hun werkelijkheid ingrijpend veranderd.

De door God geschapen slang
Was de slang - van wier schepping nergens melding wordt gemaakt en die over het bovennatuurlijke vermogen beschikt om te spreken - een werkelijk bestaand, lichamelijk schepsel? Of was de slang een uitvloeisel van de nieuwsgierigheid van de vrouw, van haar eerste pogingen om vertrouwd te raken met Gods wereld?
Was het werkelijk zo verschrikkelijk dat de vrouw zich aangetrokken voelde tot iets wat mooi was om te zien, aangenaam om aan te raken en, door de woorden van de slang, o zo verleidelijk? Uiteindelijk was de reukzin het enige zintuig dat de vrouw niet misleidde. En met grote liefde deelde zij haar nieuwe ontdekking met haar man. Het was allemaal goed. Behalve dan dat God het had verboden.

Het sprekende geweten
En zo ontdekten de man en de vrouw, nadat het zintuiglijke genot zich door hun hele wezen had verspreid, de uiterst verontrustende werkelijkheid dat zij naakt waren. Zij waren onbedekt en kwetsbaar. Voor het eerst in hun nieuwe leven hadden zij iets gedaan waarvan hun was gezegd, dat zij het niet mochten doen en dat wekte in hen een zeer onaangenaam gevoel op. Dat gevoel heeft vele namen: schuld, spijt, berouw, schuldbesef en wroeging, om er maar enkele te noemen [Hun geweten ging spreken]. Wat konden zij doen om hun nieuw ontstane schaamtegevoel te verhelpen?
Zij konden zich verbergen. Zich verbergen voor God. Zich verbergen voor zichzelf. En omdat zij geen andere oplossing zagen, verborgen zij zich.

Door zich voor God te verbergen, veroorzaakten zij tevens dat God zijn Aanwezigheid voor hén verborg, een onvoorzien gevolg. En zo zagen zij Hem niet, maar ‘zij hoorden de stem van God, die in de tuin wandelde in de koelte van de dag, en de mens en zijn vrouw verborgen zich voor God tussen de bomen van de tuin. En HaShem Elokim riep de mens en zei tegen hem: “Waar ben je?” (Genesis 3:8-9)
Met uitzondering van het gebod om niet van een bepaalde boom te eten, dat niet veel verschilde van het gebod om vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen, waren dit de allereerste woorden die God tot de mens sprak.

Waar ben je?
Een bedrieglijk eenvoudige vraag: “Waar ben je?” Hoe vaak hebben wij onszelf diezelfde vraag niet gesteld? En dus stelt de mens zich open en bekent alles aan HaShem Elokim. Hij vertelt Hem alles wat er is gebeurd. Hier had het allemaal kunnen eindigen. De mens had een fout gemaakt. De mens had eerlijk bekend, wat hij had gedaan. Maar Adam aanvaardde zijn verantwoordelijkheid niet voor wat er was gebeurd. Hij gaf de vrouw de schuld en hij gaf God de schuld omdat Hij de vrouw had geschapen, en Eva gaf de slang de schuld.
En precies daar ging de mens de fout in.

Het doel: tesjoeva - terugkeer
Vergissen is menselijk. Wie weet dat beter dan God, die de mens heeft geschapen? En misschien zou God in het geheim zelfs verheugd zijn geweest over de eerste voorzichtige stapjes van de mens in zijn mens-zijn, als de mens maar had gedaan wat van hem werd verwacht: [zelfstandig worden en] verantwoordelijkheid nemen. Dit was een moment voor tesjoeva - voor terugkeer. Ben je van het pad afgedwaald? Keer dan nu terug. Maar in plaats daarvan besloot de mens [uit vrije keuze] zich aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken.
En nu besefte God dat de enige manier om het begrip tesjoeva in het bewustzijn van de mens te verankeren - het [gewetensvol] erkennen van zijn fouten en het nemen van verantwoordelijkheid, het uiten van berouw en het vaste voornemen om de overtreding weer goed te maken en in de toekomst te vermijden - erin bestond hem een lange en moeizame weg over de aarde te laten gaan, een weg vol doornen en distels, vol zweet en sterfelijkheid.

De [zelf]opvoeding en vervolmaking [zelfverwerkelijking] van de mens zouden een historisch proces worden, een proces waarvan de Thora verslag zou doen en dat wij nog altijd doormaken. Velen van ons verbergen zich [uit vrije keuze] nog steeds, terwijl anderen openlijk hun fouten erkennen [en terugkeren, zich herenigen met God].

De oorspronkelijke tekst.

"Ayeka - where are you?"
The Tempel Institute - Tishrei 28,5787/October 9,2026

Genesis 3:9
G-d pretty much races through creation, six days from start to finish. Beginning with "Let there be light," and concluding with "Let us make man in our image, after our likeness," its all over in the blink of an eye. Energy, matter, inanimate objects, flora, fauna, the oceans, the heavens, the earth, and last, but certainly not least, man. Man, like all that preceded, is created by word of G-d's mouth, a creature to rule over all the other creatures whose creation preceded his. Male and female, G-d created man, "blessed them," and said "Be fruitful and multiply." And so end the six days of creation.

Everything has been created according to G-d's will, and so there is really no reason for G-d to look back. The sun and the moon and the stars all function just as intended. So too the earth and the rivers and seas. Even the wild beasts know their role in creation. As G-d Himself expressed, it all "was very good."

But G-d's final creation, man, G-d could just not leave alone. Man needed refinement and man needed instruction. Man was an investment for G-d. Man was a relationship. So perhaps upon deeper reflection the Torah expands upon the creation of man:

"And a mist ascended from the earth and watered the entire surface of the ground. And HaShem G-d formed man of dust from the ground, and He breathed into his nostrils the soul of life, and man became a living soul. And HaShem G-d planted a garden in Eden from the east, and He placed there the man whom He had formed." (Genesis 2:6-8) Man is no longer simply a living, breathing, animated being. Man now has a living soul. Man can think. Man has agency. In order to imbue man with independence of thought G-d has had to expand His own relationship with man. G-d is no longer simply Elokim, the distant G-d of creation. G-d is now HaShem Elokim, a G-d with a vested interest in His creation's well-being, a G-d who will hover over and care for and nurture His creation. HaShem Elokim became father to the man. 

In His new role HaShem Elokim realizes that, even before man has opened his mouth and uttered a single  word to HaShem, that "It is not good that man is alone; I shall make him a helpmate opposite him." (ibid 2:18)
  
"And HaShem Elokim caused a deep sleep to fall upon man, and he slept, and He took one of his sides, and He closed the flesh in its place. And HaShem Elokim built the side that He had taken from man into a woman, and He brought her to man." (Ibid 2:21-22) And now, for the first time, Adam opens his mouth: "And man said, 'This time, it is bone of my bones and flesh of my flesh. This one shall be called ishah (woman) because this one was taken from ish (man).'" And "Therefore," the Torah concludes, "a man shall leave his father and his mother, and cleave to his wife, and they shall become one flesh." (ibid 2:23-24)

But even before G-d redesigned man into man and woman, He had one crucial piece of advice for man: "Of every tree of the garden you may freely eat. But of the Tree of Knowledge of good and evil you shall not eat of it, for on the day that you eat thereof, you shall surely die." (ibid 2:16-17) The warning was severe enough it certainly didn't require repeating. But one creature, unaccounted for until now, the serpent, enters the scene and upends everything. The slick talking serpent seduces the woman into eating from the forbidden tree. She calmly and generously hands the fruit to her husband, who also eats from the fruit, and in an instant their reality has radically changed. Was the serpent, whose creation is unaccounted for, and who possesses the supernatural ability to talk, a real, physical creature? Or was the serpent an outgrowth of the woman's curiosity, her first attempts to familiarize herself with G-d's world? Was it so awful that the woman was attracted to something that was beautiful to the eye, and pleasant to the touch, and oh so tempting by the words of the serpent? Ultimately, the only sense that did not betray the woman was her sense of smell. And with great love she shared her new discovery with her man. It was all good. Except that G-d had forbidden it to happen. And so after the sensual pleasure had radiated throughout their beings, the man and the woman discovered the very disturbing reality that they were naked. They were exposed. For the first time in their new lives they had done something they were told not to do, and it aroused within them a very uncomfortable sensation. That sensation has many names: guilt, regret, remorse, contrition, to name just a few. What could they do to remedy their new sense of shame? They could hide. Hide from G-d. Hide from themselves. And so, without recourse to any other solution, they hid.

By hiding from G-d they also caused G-d to Hide His Presence from them, an unanticipated result. And so they didn't see, but they "they heard the voice of the Lord God going in the garden spirit of the day, and the man and his wife hid from before the Lord God in the midst of the trees of the garden. And HaShem Elokim called to man, and He said to him, "Where are you?" (ibid 3:8-9) With the exception of the commandment not to eat from a certain tree, not unlike the commandment to be fruitful and multiply, these were the very first words spoken by G-d to man. A deceptively simple question: "Where are you?" How many times have we asked ourselves that same question?

So man opens up and confesses to HaShem Elokim, spilling all. This all could have ended right here. Man erred. Man came clean. But Adam did not accept his responsibility for what had transpired. He blamed the woman and he blamed G-d for creating the woman. And this was where Adam went wrong. To err is to be human. Who knows that more than G-d who created man? And perhaps G-d would have been secretly delighted by man's first baby steps as being human, if man had only done what was expected of him: take responsibility. This was a moment for teshuvah - for return. You strayed from the path? Now return. But man instead decided to hide from his accountability. And now G-d realised that the only way to inculcate in man's consciousness the concept of teshuvah - of owning up and taking responsibility, of expressing regret and determining to avoid the offense in the future - is to send him upon a long and arduous path, one filled with thorns and thistles, with sweat and with mortality. The education and refinement of man will become a historical process, one that the Torah will chronicle, one that we are still living through, many of us still hiding, others coming clean.


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^