De levensbestemming en de voorbeschikking
Om de betekenis van de levensbestemming van de mens op aarde (en het leerstuk 'voorbeschikking') te begrijpen, is het goed terug te keren naar het allereerste begin: Genesis. Daar, in Genesis 1:26-27, wordt op verhalende wijze nuchter meegedeeld, dat de Èlohîm, God, de mens naar hun gelijkenis schiepen als man en vrouw, Adam en Eva. Dat God een vader zou zijn die een zoon heeft, wordt door Genesis 1:26-27 tegengesproken; een vader met een zoon is immers het beeld van een gebroken gezin… de moeder ontbreekt en dat is in Genesis niet het geval.
Maar wat daar wel gebeurde is, dat uit een liefdevolle verbintenis van onze goddelijke vader en moeder, wij allen als hun godenkinderen zijn voortgekomen. Dat dit zo is, is mijn persoonlijke ervaring met een vijftal gebeurtenissen, die in de geestelijke wereld aan mij werden getoond en die ik met een zestigtal andere voorbeelden heb aangevuld (zie ‘God als man en vrouw’ in het Menu).
Geestelijke ervaringen
De eerste ervaring vond plaats in de nog ongevormde, geestelijke oertoestand. Door zelfbezinning en gebed werd ik als geest in vervoering gebracht en meegevoerd naar een geestestoestand van diepe rust, die zich aan mij voordeed als de rust van een aangename, donkere koelte. Die bleek een zelfstandigheid te zijn, die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van haar rust. Daarna ontstond er in de rust een beweging, die zich aan mij voordeed als een geestelijke, lichtende warmte. Ook die was een zelfstandigheid, die mij liet delen in de vreugde van zijn beweging (zie deel 1, de menselijke geest, in het Menu).
Daarna verbonden de rust en haar donkere koelte en de beweging en zijn lichtende warmte zich weer met elkaar, waardoor in hun midden een bolvormige wolk van licht en donker werd verdicht. Na enige tijd werd die wolk ook doorstroomd met warmte en koelte, waardoor de nu ervaarbare beweeglijke lichtende warmte, met daarin de rust van de donkere koelte, in die bol in beweging kwam en zacht begon te wervelen: de geboorte van de menselijke geest uit en in de goddelijke algeest, nog in de ongevormde oertoestand.
Later werd ik als die geest door zelfbezinning en gebed naar het midden van een ruimte gebracht, waarin vóór mij de geestestoestand van lichtende warmte en achter mij die van de donkere koelte was. Toen verscheen - nu in de gevormde toestand - God als mijn vader schuin rechts vóór mij in de lichtende warmte met mij als kind op zijn arm. Ik vroeg waar God als mijn moeder was en mij werd ingegeven, dat ik mij moest omdraaien en schuin links achter mij moest kijken in de donkere, schaduwrijke koelte, waar zij stond.
Nog weer later kwamen zij samen van schuin links vóór mij uit een hogere plaats naar mij toe, zij gingen bij mij uit elkaar en kwamen voor mij staan op de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek. Gedrieën keken wij daar naar en zagen de geestelijke gelijkwaardigheid. Even lichtten wij onze hoofden op en waren daarna onmiddellijk weer weg.
Daarna kwamen zij weer samen uit de hoogte, gingen uit elkaar en God als mijn wijze vader kwam vóór mij staan met enige afstand tussen ons in, God als mijn lieve moeder kwam dicht achter mij staan, haar armen beschermend half om mij heen, mij van voren vrij latend. Ik voelde haar koesterende nabijheid.
Ten slotte kwam ik later zelf naar hen toe en trof hen daar aan op één arm steunend, schrijlings liggend op de grond als een eenheid van man en vrouw, de geestgedaantes liefdevol geheel in elkaar opgegaan, duidelijk mijn vader, maar daar liggend zoals alleen een vrouw kan liggen; een verenigde tweelinggeest en blij liep ik naar hen toe.
Naar mijn ervaring zijn wij allen Gods godenkinderen, kinderen van God als een vader en een moeder, allen leden van het goddelijke gezin. Maar kinderen worden geboren met als aanleg de eigenschappen van hun ouders. Die eigenschappen moeten zij zelf tot ontwikkeling brengen om volwassen godenkinderen te worden, in die toestand in wezen gelijkwaardig aan hun beide ouders.
In de ongevormde oertoestand is Gods geest de eeuwige oneindigheid van de goddelijke algeest, zoals die in de ongevormde oertoestand aan mij werd getoond: een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, met de donkere koelte daarin opgegaan, de algeest als verenigde tweelinggeest. Door de kenmerken ‘eeuwige oneindigheid’, tijdloos en ruimteloos (de algeest is alles wat er is), is er maar één God, één goddelijke algeest mogelijk. Die verkeert daardoor in een toestand, waarin die de Ene is, geheel aan zichzelf overgelaten, die daardoor geheel zelfstandig besluiten moet nemen en uitvoeren. God kan bij niemand te rade gaan en doet alles helemaal zelf.
De stoffelijke schepping, een leerschool voor de menselijke geest
Om zijn goddelijke aanleg - die van de vier geestelijke vermogens waarnemen, denken, voelen en willen, en de beide instellingswijzen: ingekeerd en uitgekeerd - ook helemaal zélf tot ontwikkeling te kunnen brengen, moest de mens als Gods godenkind in een omgeving worden gebracht, waarin die schijnbaar - net als zijn vader en moeder - geheel aan zichzelf is overgelaten, de geestestoestand één te zijn, alleen te zijn.
De menselijke geest is een levende geestkracht, doordat in die geest, net als in die van zijn ouders, licht en warmte, met daarin verborgen de donkere koelte, geheel verenigd en met elkaar vermengd, aanwezig zijn, waardoor de menselijke geest leeft en geheel uit zichzelf beweegt.
De menselijke geest leeft door hier ervaring op te doen door die waar te nemen, door die te verwerken door in zichzelf de betekenis van die ervaringen met het denken en het voelen te beoordelen, om dan besluiten te vormen die met de wilskracht kunnen worden uitgevoerd. Dat is wat de hele dag door wordt gedaan, dat is het leven van de geest als levenskracht, die in de schepping als Gods leerschool die vier vermogens tot ontwikkeling kan brengen, door te leren ze bewust en beheerst te gebruiken bij het oplossen van zich aandienende vraagstukken.
Om in zijn ontwikkelingsschool in een toestand te verkeren geheel aan zichzelf overgelaten te zijn, zoals God zelf, moest die school het tegendeel van de geest zijn, dus levenloos, doods, waardoor de geest als het levende daar zichzelf niet zou kunnen zijn, onbewust zou worden van het bestaan van zichzelf en van zijn oorsprong, alleen zou zijn.
Daartoe schiep God de stoffelijke schepping, opgebouwd uit elementaire deeltjes: de bouwstenen als de fermionen en bindmiddelen als de bosonen (zie 9. Het elementaire deeltje, bij de Tijdschriftartikelen in het Menu), waarmee Gods schepping kon worden gebouwd en onderhouden. De bouwstenen, de elementaire deeltjes fermionen zijn alleen gevormd uit verdicht licht; de bindmiddelen, de elementaire deeltjes bosonen, zijn alleen gevormd uit verdichte warmte. Doordat licht en warmte in de stof van elkaar gescheiden blijven, is de stof voor de menselijke geest levenloos, als dood.
Doordat de menselijke geest als de zich nog ontwikkelende levenskracht daardoor hier zichzelf niet kan zijn, komt die in een geestestoestand te verkeren van zelfvergeting, en wordt onbewust van zichzelf als geest, Gods godenkind. Hier vindt een overdracht plaats van zichzelf - van aandacht en toewijding - op de stof, met in de eerste plaats een vereenzelviging met het eigen, stoffelijke lichaam, dat gevormd is naar de eigenschappen van de vier vermogens. Daardoor ontstaat bij de mens de onwrikbare overtuiging alleen het lichaam te zijn (zie deel 3, de ‘aanvangstoestand’ in het Menu).
Ook de geestelijke wereld lijkt daardoor geheel te zijn verdwenen, waardoor de mens hier alleen de stoffelijke helft van Gods schepping ziet en daardoor schijnbaar aan zichzelf en aan deze wereld is overgelaten. Dit is echter een leertoestand die nodig is om de geest zich zelfstandig te laten voelen, zélf beslissingen te laten nemen, schijnbaar zonder hulp of beloning, zoals dat ook het geval is met zijn goddelijke vader en moeder: God als de Ene.
De levenloosheid en daardoor vergankelijkheid van de stof is er de oorzaak van dat er voortdurend veranderingen in deze wereld zijn, waardoor er steeds weer nieuwe gebeurtenissen en ervaringen mogelijk zijn, waarbij de verwerking daarvan tot gevolg heeft dat de menslijke geest zijn geestelijke vermogens bewust en beheerst leert gebruiken.
Dit stoffelijke bestaan is voor de menselijke geest een vraagstuk, vergelijkbaar met een ‘escape room’, een puzzelkamer, waar raadsels moeten worden opgelost om eruit te kunnen komen. Maar het eerste raadsel is de mens zelf, want door de onbewustheid van zichzelf als menselijke geest, kan de meest wezenlijke vraag worden gesteld: “Wie ben ik eigenlijk!” Want ook het wezen van de mens zelf is voor de mens een raadsel. De mens lijkt hier op een ‘fotobord’, een bord met daarop een bepaalde figuur getekend met een opening op de plaats van het gezicht, waar doorheen de mens zijn gezicht aan deze wereld toont, terwijl de mens zelf verder onzichtbaar is.
De toestand van vereenzelviging met lichaam en wereld houdt echter ook een mogelijkeid in, het geeft de geest de gelegenheid zich van deze toestand bewust te worden en te gaan streven zich ervan te ontdoen, te bevrijden. Dat leidt tot een geestelijke zoektocht, waardoor de mens ertoe wordt aangezet de geestelijke vermogens te leren gebruiken en er zo een geestelijke ontwikkeling op gang komt, die uiteindelijk leidt tot het bezit van het geweten en de deugden, de meest ontwikkelde toestand van de vermogens.
Het doel van deze leerschool is, dat de mens die wezenlijke vraag gaat stellen: “Wie ben ik?”, waardoor die zoektocht op gang komt, waarlangs de menselijke geest aan het einde zichzelf als geest, kind van de goddelijke algeest, weer gaat leren kennen.
Die geestelijke zelfkennis en hereniging met God is het doel van de aarde als geestelijke leerschool en iedere mens is in die school een leerling. Die school is een kostschool, waar de mens een tijd lessen te verwerken krijgt, om daarna weer een tijd thuis te zijn, in zijn geestelijke wereld. Bestaan na bestaan gaat de mens zo zijn weg naar zelfverwerkelijking en hereniging met God. Op die weg wordt de mens ongemerkt begeleid door zijn broeders en zusters die hem zijn voorgegaan en daardoor in stilte hulp kunnen bieden, rekening houdend met de vrije keuze, die niet mag worden gehinderd. Alleen wat een mens zélf heeft gedaan, geeft immers waarde aan het feit dat de mens als een zelfstandige persoon bestaat.
Wat een mens als plicht krijgt opgelegd, leerstellingen, geboden, gebruiken, voegt geen waarde toe aan zijn ontwikkeling naar zelfstandigheid als godenkind. De mens heeft hier de mogelijkheid te leren het in vrijheid zelf te doen en zo volwassen te worden. Dat is de goddelijke levensbestemming voor iedere mens als Gods godenkind. Het leven hier is een zware last, maar geeft uiteindelijk voor iedereen een rijke oogst!
Want iedere mens is voorbeschikt, het is zijn levensbestemming een volwassen godenkind te worden en weer te worden opgenomen in het goddelijke gezin, de bron waar we ooit uit zijn voortgekomen en ook als volwassen geesten weer naar toe zullen gaan.
Kinderen die zich ontwikkelen hebben daarvoor een opvoeding nodig, een liefdevolle begeleiding die hen opleidt tot de toestand, dat zij geheel zichzelf zijn geworden als godenkinderen. Daartoe zijn engelen, broeders en zusters werkzaam om hen, rekening houdend met hun vrije keuze, zonder dwang in de juiste richting voort te laten gaan. Ze zijn aanwezig op aarde, tussen de mensen als geestelijke leraren, die hun rijkdom aan de mensheid schenken; en ze zijn aanwezig in de geestelijke wereld, om van daaruit de mens in leerzame omstandigheden, gebeurtenissen en onverwachte ontmoetingen te brengen - waarbij de beste leerlingen de moeilijkste opdrachten kunnen krijgen.
Alles wat op aarde gebeurt, krijgt een geestelijke betekenis als het wordt gezien in het licht van de eeuwigheid.
Klik hier voor een beschrijving van wat 'voorbeschikking' of predestinatie wordt genoemd.
terug naar de vragenlijst
terug naar het weblog
^