Viereenheid of quaterniteit


De kenmerken van de Viereenheid of Quaterniteit liggen voor iedereen openlijk zichtbaar in Gods geestelijke en stoffelijke schepping besloten; dit is om de eenvoudige reden dat God zelf viervoudig is in de vier geestelijke vermogens en in het viervoudige, goddelijke gezin, en de eigenschappen van de schepper in zijn schepping tot uiting komen.

Inhoud

1. De Bijbel
2. De vermogens
3. Het zonnewiel
4. Het Griekse kruis
5. Pythagoras' tetraktys
6. De mandala
7. De kwadratuur van de cirkel
8. De viereenheid in geestkunde
9. Levensvormen en de viereenheid
10. De geestgedaante en de viereenheid

1. De Bijbel
De eerste keer dat er in de Bijbel over een viertal wordt gesproken is in Genesis 1:26-27 "En de Elohim zeiden: 'Laten wij mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis ...' En de Elohim schiepen de mens naar hun beeld; naar hun beeld schiepen zij hem; man en vrouw schiepen zij hen."
Bij de Elohim en hun schepping van man en vrouw is daardoor sprake van een gezin: een man en een vrouw, die samen een zoon en een dochter scheppen.
De betekenis van het samengestelde woord 'elohim' is: de goddelijke man en vrouw. Zie hiervoor 'God als man en vrouw' in het Menu.

De tweede keer dat er in de Bijbel over een viertal wordt gesproken is in Genesis 2:10. In het midden van de tuin die God heeft geplant, laat God ook een bron opwellen om de tuin te bevloeien, een bron die zich in vier rivieren splitst.

Daarna wordt in Exodus 26 over een vierkant gesproken, als Mozes van Jahweh zelf het bouwplan van 'De tent der samenkomst', de Tabernakel, te horen krijgt. Het blijkt dan dat het heiligste of het 'heilige der heiligen', de ruimte waar de ark van het verbond moet worden geplaatst, de afmetingen van een kubus heeft: 10x10x10 el.
Jahweh wil in een kubus wonen, met vierkanten samengesteld..
In het Hebreeuws wordt zijn naam geschreven als IHWH, ה ו ה י, het vierschrift of tetragrammaton.
Het Tabernakel, van Latijn 'tabernaculum': hut of loofhut. Bij het joodse volk de verplaatsbare Tent der Samenkomst met het heilige en het heiligste

De afmetingen van het tabernakel

De 'tefillien shel rosh', onderdeel van het joodse gebed, een kubusvormig doosje met vier vakjes, weergave van het heilige der heiligen, waarin vier teksten uit Ex. 13:1-10; 13:11-16; Deut. 6:4-9 en 11:13-21 op perkament.
Hij wordt bevestigd met een gebedsriem met viervoudige knoop.
De tefillien zit op de plaats van het derde oog, de voorhoofdchakra.

In het bijbelboek Openbaringen wordt aan Johannes het nieuwe Jeruzalem getoond, Gods stad die uit de hemel neerdaalt. De beschrijving ervan laat zien, dat de stad de vorm heeft van een kubus:
Openbaringen 21:16 De stad was vierkant, even lang als breed. Hij [de engel] mat de stad met zijn meetstok: twaalfduizend stadie, zowel in de lengte als in de breedte en in de hoogte.
Ezechiëls eerste visioen gaat over Gods viereenheid.
Hij zag vier hemelse wezens, die op mensen leken, maar ieder vier gezichten en vier vleugels hadden; hun voeten rustten op wielen en hun vleugels waren vol ogen. Hun gezichten waren van voren als een mens, rechts als een leeuw, links als een stier en achteraan als een adelaar: vier maal een viereenheid. Hoog boven hun hoofden zag hij een troon, met daarop een gedaante als van een mens, die glansde als wit goud en door vuur was omgeven: de stralende verschijning van God. De hemelse wezens gingen waarheen God het wilde (Hebr. 'ofan': handelen).
In de joodse esoterie worden deze wezens Ofanim genoemd en ook zijn daar de tekens van de dierenriem bekend, waarmee de vermogens samenhangen:
stier - aarde - waarnemen;
waterman (mens) - lucht - denken;
adelaar (is een ontwikkelde schorpioen) - water - voelen;
en leeuw - vuur - willen.
Gods engelen de ofanim zijn zo een uitdrukking van Gods vier geestelijke vermogens.

Daniël 7:2-3
Ik had een nachtelijk visioen waarin ik zag, hoe de vier winden van de hemel de grote zee in beroering brachten. Vier grote dieren rezen op uit de zee, elk met een andere gestalte (vier tijdperken).
Daarna zag Daniël een visioen van God, vergelijkbaar met dat van Ezechiël en vervolgens het verschijnen van de Mensenzoon 'op de wolken', die een vijfde tijdperk inluidde.

terug naar de Inhoud

2. De vier geestelijke vermogens
Op de volgende plaatsen worden de eigenschappen van de vier geestelijke vermogens in één tekst alle genoemd, maar in veel andere teksten in de Bijbel worden ze ook apart genoemd.

Spreuken van Salomo 2:1-6
Mijn zoon, als je in acht neemt [voelen] wat ik zeg, mijn richtlijnen altijd onthoudt, een open oor hebt [waarnemen] voor mijn wijsheid [denken], een geest die neigt naar inzicht [denken], als je erom vraagt de dingen te begrijpen, roept om scherpzinnigheid [denken], ... ernaar speurt als naar een verborgen schat [waarnemen]; dan zul je ontdekken wat ontzag voor God is [voelen], dan zul je kennis van God [waarnemen] verwerven. Want het is God die wijsheid schenkt, zijn woorden bieden kennis en inzicht.

Jesaja 11:2
De geest van God zal op hem [Jezus] rusten: een geest van wijsheid en inzicht [denken], een geest van kracht [willen] en verstandig beleid [denken], een geest van kennis [waarnemen] en ontzag [voelen] voor God.

Wijsheid van Jezus ben Sirach 7:22 - 8:1
De Wijsheid, de maakster [schepster] van alles, heeft mij onderricht [was leraar, heeft laten waarnemen]. Zij is een geest die verstandig [denken] en heilig is, uniek, veelzijdig, verfijnd, beweeglijk, helder, rein, toegankelijk, onkwetsbaar, liefdevol [voelen], scherpzinnig, onstuitbaar, weldadig, menslievend [voelen], standvastig, onwrikbaar [willen], onbezorgd, almachtig [willen], alles overziend [waarnemen] en alle geesten doordringend, hoe scherp, zuiver of fijnzinnig ze ook zijn.

Brief van Paulus aan de Filippenzen 4:8-9
Ten slotte, broeders en zusters, schenk aandacht [waarnemen] aan alles wat waar is [denken], alles wat edel is [voelen], alles wat rechtvaardig is [denken, voelen], alles wat zuiver is [waarnemen], alles wat lieflijk is [voelen], alles wat eervol is [voelen], kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient. Doe [willen] alles wat ik u heb geleerd en overgedragen, wat ik u heb verteld en laten zien [waarnemen]. Doe het en de vrede van God zal met u zijn.

terug naar de Inhoud

3. De viereenheid als het zonnewiel
De eerste Christenen waren Joden, Grieken, Romeinen, Armeniërs en Perzen, die vanuit hun eeuwenoude culturele en godsdienstige achtergrond kennis maakten met de nieuwe leer van godsliefde en naastenliefde, zoals die door Jezus werd onderwezen. Als zinnebeeld voor Jezus gebruikten zij daardoor hen vertrouwde zinnebeelden, die met zijn betekenis overeenkwamen; daaronder was het gelijkbenige of Griekse kruis ✛, een teken dat al eeuwenlang in gebruik was als onderdeel van het z.g.n. 'zonnewiel' ⨁.
De vroegere mensheid had namelijk geen inzicht in de betekenis van natuurlijke gebeurtenissen. De natuur en wat daar gebeurde was een grote onbekende, wat angst inboezemde. Weer en klimaat waren ook toen al wanordelijk en bedreigend, en door de ongezonde levensomstandigheden deden besmettelijke ziekten vaak de ronde. Daardoor was het bestaan vol onzekerheden en was er behoefte aan een houvast. Dat vond men in de regelmaat die in diezelfde natuur was te vinden in de vorm van de (schijnbare) omloop van de zon.
Men besefte niet alleen dat de zon allesbepalend was voor het behoud van het leven op aarde, maar had toen ook nog gevoel voor de zinnebeeldige waarde van de viereenheid, die in de hemelse orde van de zonsomloop tot uiting kwam, bijvoorbeeld in de vier jaargetijden en vier dagdelen. Die orde moest daarom op aarde worden gebracht om de aardse wanorde te bezweren - als amulet, talisman, fetisj of teken aan de wand, en dat werd o.a. het zonnewiel.
Fetisjen (van L. facticius: nagemaakt, kunstmatig) en amuletten worden in veel culturen tijdens cultische handelingen als de plaatsvervangers van goden en demonen beschouwd, en zouden daardoor een bovennatuurlijke werking hebben. Het woord 'fetisj' is afgeleid uit het Frans en betekent: 'voorwerp met een magische kracht'.

In het Val Camonica (een oud gletsjerdal) in Lombardije, Italië, werden in een tijdspanne van achtduizend jaar zo'n 300.000 zonnewielen en andere zinnebeelden op ong. tweeduizend rotsen gekerfd, waarvan er nu 140.000 in kaart zijn gebracht. Deze tekeningen werden gemaakt door op de daar zachte rotswand te kloppen met een hamer of voorwerp.

In het hoogveen Ilkley Moor in Yorkshire, Engeland, werden deze overeenkomstige tekens gevonden, die 8000 jaar oud zijn.

Tijdens het 2e millennium v.Chr. werden in Soemerië ook veel afbeeldingen van de omloop van de zon gemaakt: het zonnewiel of zonnerad als een omloop van de zon in de vorm van de su-as-tika of swastika, afgeleid van Sanskriet su: goed, deugdelijk, waar, juist; asti: zijn; tika: teken; het 'goedheids-', 'juistheids-' of meestal 'geluksteken' genoemd.
In deze zonnewielen is de zon als een menselijke godheid voorgesteld, in de vorm van een als vierkant rondlopende lente, zomer, herfst en winter.
In de steden Mohenjo daro en Harappa in de Indus-vallei verscheen voor het eerst de swastika als teken.

In Mohenjo daro kwam het zonnewiel naast een afbeelding van de maan voor; een aanwijzing dat met het zonnewiel inderdaad de zon werd bedoeld.

De iconografie als wetenschap onderzocht het voorkomen van deze stervormige zonnewielen, waaruit bleek dat zij wereldwijd en door alle tijden heen door volkeren zijn gemaakt. Hieronder een verzameling van een aantal vormen (het nationaal-socialisme is pas echt overwonnen, als de swastika zijn oorspronkelijke, kosmische betekenis weer heeft teruggekregen).


De archeoloog Heinrich Schliemann deed begin 20e eeuw opgravingen in Troje. Daar kwam hij veel zonnewielen in de vorm van swastika's tegen.

Bij terugkomst in Duitsland was een zekere groep juist op zoek naar een merkteken. Zij lazen zijn verslag en besloten dat teken te gebruiken. Zij kantelden het teken 1/8 slag en ontwierpen zo het hakenkruis.

Ook in de Thracische, religieuze cultuur in het zuiden van Bulgarije, werden zon (cirkel) en aarde (vierkant) met elkaar in verband gebracht.
In een Thracische tempel, aan Orpheus gewijd, zijn deze wandtegel en mozaïek te vinden uit de tijd van het Orphisme, 9 - 6e eeuw v.Chr.
Getoond wordt de verbinding tussen de zon (cirkel) en de aarde (vierkant)

daarnaast in elkaar grijpende zonnewielen.

Zonnewielen als amulet werden bij opgravingen overal in Europa gevonden.

Een Slavisch zonnewiel uit de Bronstijd (2000-800 v.Chr.)
en bronzen votiefwieltjes uit België (50 v.Chr. - 50)

Het Arevakhach-zonnewiel komt voor op vrijwel alle Armeense kerken en is een teken van het eeuwige leven.

Het tetraskelion of viervoet
Een munt uit het British Museum met een viervoet, gemaakt tussen 1200 and 1400, in het midden is een bultje dat de zon voorstelt.
In het midden de zon, dan de vier dagdelen of jaargetijden als de naar rechts wandelende benen, die de kringloop van de zon in het midden voorstellen.

De su-as-tika (swastika) is voor Hindoes hét heilige zinnebeeld. Het is het symbool van welslagen, voorspoed en geluk, van algehele toewijding en van het volledig opgaan in het goddelijke.
Deze su-as-tika is op de tempelvloer gelegd met gekleurde rijst. De vier stippen verbeelden de zon bij zonsopgang, middag, zonsondergang en middernacht, het kruis stelt de beweging van de zon voor.
Het swastikateken staat voor Surya, de zonnegod. De vorm van de benen komt overeen met die van de viervoet.
terug naar de Inhoud

4. Het Griekse kruis
In de eeuwen vóór het christendom was er sprake van aanbidding van de zon vanwege de levenschenkende werking die ervan uitging, wat tot uiting kwam in de loop van de jaargetijden. In de lente ontwaakte de natuur en groeiden de planten, in de zomer werden de vruchten ervan rijp, in de herfst konden die worden geoogst, waarna de planten afstierven en er in de winter geen leven in was te ontdekken. Voor het uit zichzelf weer tot leven komen in de lente en het afsterven aan het eind van de herfst, had de toenmalige mens geen verklaring; maar het was een indrukwekkend en verheven gebeuren dat hen bovendien voedsel schonk, waarvan zeker een god de oorzaak moest zijn. De god voor geboorte en afsterven, waarna weer een wederopstanding volgde, was de god Tammuz met zijn godin Ishtar.
Het sterven van Jezus door zijn terechtstelling en zijn daarop volgende opstanding, werd door de toenmalige mens in verband gebracht met de overeenkomstige gebeurtenissen die de god Tammuz meemaakte, waardoor de betekenissen van Jezus en Tammuz met elkaar verweven raakten. Het zinnebeeld voor Tammuz, het zonnewiel, werd daardoor ook met Jezus verbonden. Het gelijkbenige Griekse kruis is een voortzetting van het zonnewiel.
Het zonnewiel samen met de zespuntige en achtpuntige ster, ook zonnerad genoemd, werd in de volkscultuur en in de christelijke traditie het zinnebeeld voor Christus, immers het onvergankelijke licht van de wereld. Dit gebeurde ook in navolging van de Romeinse Sol Invictus (de onoverwinnelijke, want altijd weer terugkerende zon) en de Divius Iulius keizersiconografie, en ook de Hellenistisch-Ptolemaïsche en Germaanse beeldcultuur van de ster.
Bovendien is de eerste letter van de naam Christos - in het Grieks ΧΡΙΣΤΟΣ - een X (chi). Dit is het kruis uit het zonnewiel, dat 1/8ste slag is gedraaid en dat kruis werd het Griekse kruis, dat staat voor de naam Christos.
De eerste gelovigen namen daardoor moeiteloos het kruis uit het oude zonnewiel mee naar hun nieuwe godsdienst, die later het christendom werd genoemd.

Twee zonnewielen op christelijke sarkophagen in Egypte

Griekse kruizen op kerkmuren

Het grondplan van een kerkgebouw in de vorm van een Grieks kruis

Het achtspakige zonnewiel staat voor de Griekse letters van het woord ichthus (IΧΘΥΣ), 'vis', het teken voor Jezus; beide woorden iesous en ichthys beginnen en eindigen met i en s.
Het achtspakige wiel geeft het woord 'ichthys' weer, doordat de letters over elkaar zijn geschreven. Deze inscriptie is uit Ephese, uit de 1e eeuw n.Chr.
(Bron Wikiwand)



De rijzende zon werd in alle culturen in de oudheid als een godheid vereerd. Bovenstaande afleiding van het woord 'ichthys' verbonden met de naam Iesous (Jezus) is een onmiskenbare aanwijzing dat de eerste christenen Jezus met de betekenis van het zonnewiel verbonden.

Mozaïek van Constantijn de Grote (280-337) in de Hagia-Sophia; ong. in het jaar 1000 in Constantinopel gemaakt.
Tijdens de strijd tegen Maxentius om de Milvische brug boven Rome liet Constantijn zijn soldaten een symbool aanbrengen op hun schilden, waarvan christenen geloven dat dit het labarum-symbool was (Christusmonogram). De verslagen van kerkvader Eusebius - die zich waarschijnlijk op uitlatingen van Constantijn baseert die deze jaren later heeft gedaan - en Lactantius spreken elkaar deels tegen, maar zeggen eensgezind dat Constantijn zijn overwinning toeschreef aan de god van de christenen. Het labarum en het ermee geassocieerde motto "In hoc signo vinces" (in dit teken zul je overwinnen) zou volgens de overlevering aan Constantijn zijn verschenen in een visioen toen hij in Saxa Rubra was, wat zou hebben geleid tot zijn uiteindelijke bekering tot het christendom. Hij zag een kruis boven de zon.
Midden op de dag zou hij boven de zon een uit licht bestaand kruisvormig teken hebben gezien met daarbij in het Grieks de woorden 'hiermee moet je overwinnen' (of 'met dit teken zul je overwinnen'). Wat gebeurde.
Onder historici is er echter discussie of dit teken een zuiver christelijke, een heidense (verwijzend naar de zonnegod) of een astronomische betekenis had. Na zijn overwinning bij de Milvische brug bracht Constantijn overigens offers aan de Romeinse goden.

Door de aanvaarding door Constantijn van het christendom kregen de christenen in het Romeinse rijk godsdienstvrijheid. Zijn opvolger Theodosius voerde het christendom als staatsgodsdienst in.
Constantijn ging zichzelf zien als de vertegenwoordiger van God op aarde, zoals dat bij Romeinse keizers gebruikelijk was en hij bemoeide zich indringend met de jonge kerk. Maar ook bleef hij zijn oude, heidense Sol Invictus (Onoverwinnelijke Zon) trouw, zoals aan het zonnewiel is te zien.

Op Constantijns kleding in het midden de zon, daaromheen de vier dagdelen of jaargetijden, dan de cirkel als kringloop van de zon, het zonnewiel, dan het vierkant van de aarde in de vorm van een ⌘.
In de afbeelding zijn hemel en aarde met elkaar verbonden

Een mozaïek in dezelfde Hagia Sophia uit 1453 beeldt Jezus uit met de Bijbel op zijn knie in zijn hand in de vorm van het belerende teken. Niet alleen op de Bijbel is het Griekse kruis duidelijk zichtbaar, maar ook zijn eigen aureool is een Grieks kruis met in de drie zichtbare armen duidelijke zonnewielen.
IC XC betekent: Iesous Xristos

Zowel Constantijn als Theodosius streefden naar uitbreiding van de kerk en handhaving van de eenheid daarin, want daardoor kwam er rust in het rijk. Om de kerk uit te breiden, werden er in de 3e eeuw ook veel heidenen toegelaten, die hun Tammuz-verering en zinnebeelden - zoals zijn Tau-kruis - mochten meenemen. In die tijd waren er een aantal belangrijke invloeden in de zich nog ontwikkelende, westerse kerk.
De betekenis van Jezus' zelfoffer (herfst) en opstanding (lente) kwam voor de ongeletterde gelovigen overeen met de betekenis van Tammuz als de god van vruchtbaarheid en groei in de lente, en van oogst en sterven in de herfst.
Daarnaast was er de betekenis van het zonnewiel, waarvan het zinnebeeld het gelijkarmige kruis ✛ was, terwijl het teken van Tammuz de Griekse hoofdletter Tau was in de vorm van de T. Door de vermenging van culturen groeiden de ✛ en de T naar elkaar toe en werden later het 'Latijnse kruis' ✝︎.
De ontwikkeling was: T + ✛ → ✝︎ , het Latijns kruis, maar dat gebeurde pas in de 4e en 5e eeuw, nadat rond 400 paus Damasus aan kerkvader Hiëronimus vroeg de Griekse oertekst van de Bijbel in het volkslatijn (vulgata) te vertalen. In de Griekse tekst staat dat Jezus aan een 'stauros', een paal, werd terechtgesteld, maar het was Hiëronimus die dit met 'crux': kruis vertaalde. Daarna maakten kunstenaars zich uitgebreid van dit Latijnse kruis meester en verschenen in en op de westerse christelijke kerken dat Latijnse kruis.

De vorm van dat kruis was in die tijd wel een bekende, want in de oosterse wereld was het de aanduiding van de levensboom; ook dat was al een oeroud zinnebeeld van de verbinding tussen hemel (kroon) en aarde (wortels), en van het verloop van de jaargetijden door bladgroei en afvallen. Het kruis dat op Armeense kerken staat, is deze oude levensboom.
Daarnaast moet worden vermeld dat de Romeinen de meeste veroordeelden aan een paal (stauros) spijkerden, wat ze van de Perzen hadden geleerd, terwijl ze voor hooggeplaatste Romeinen een apart martelwerktuig hadden ontwikkeld in de vorm van een T, 'stipes en patibulum' genoemd: het T-kruis. Het gewone volk moest het doen met een paal.

De Latijnse nieuwvorm ✝︎ heeft het oorspronkelijke Griekse kruis nooit kunnen verdringen, zij bleven naast elkaar bestaan, getuige de hierna volgende voorbeelden. Het gelijkarmige kruis is immers als zonnewiel een oerbeeld, een archetype, dat bovendien met Pythagoras' tetraktys en met het kwadraat van de cirkel is verbonden, en daardoor met wiskunde; dat is met het Latijnse kruis niet het geval. Het is een artefact, dat geleidelijk aan de kerk is binnengeslopen.
In de eerste eeuwen gebruikten christenen vanuit de traditie o.a. deze tekens:

In het Oosten bleef het Griekse kruis in gebruik.
Een afbeelding van Jezus' Transfiguratie op de berg Tabor in het St Catharinaklooster in Sinaï. Jezus ging met Petrus, Jacobus en Johannes de berg Tabor op, waar hij een gedaanteverwisseling meemaakte en als een licht begon te stralen. Mozes en Elia voegden zich daar bij hem.
Let op het Griekse kruis in een cirkel (zonnewiel) boven en achter Jezus' hoofd, de laatste in zijn aureool of nimbus; terwijl er een achtspakig kruis is te zien achter zijn lichaam in zijn mandorla.

Een gebedstafeltje.
In Jezus' aureool op de armen van het Griekse kruis de letters O ω N met de betekenis 'Hij, die Is' of 'Hij die doet Zijn': Jahweh (God).

Boven Jezus' hoofd onmiskenbaar een zonnewiel in de vorm van een kruis met vier stippen ⁜.

Om Jezus heen een ellips in de vorm van een gulden ellips, waarvan de eigenschappen aan die van de gulden snede beantwoorden.


Een Jezus-ikoon.
Ook hier in Jezus' aureool op de armen van het Griekse kruis de letters O ω N met de betekenis 'Hij, die Is' of 'Hij die doet Zijn': Jahweh (God).

Aan de opvullingen tussen de armen is duidelijk te zien dat het om een vierarmig, Grieks kruis gaat. Ook heeft de maker van het ikoon de achtergrond geheel opgevuld met vierkanten met daarin verweven vierkanten, die een kwartslag zijn gedraaid.

Aureool en boek overschrijden de omlijsting als teken van het buitengewone, het onaardse en eeuwige.

De oude Grieks orthodoxe kerken zijn getooid met een Grieks kruis.

Bogomielen ('bogo mil': vriend van God)
In de 10e eeuw kwam er uit Bulgarije de aanzet voor geestelijke vernieuwing. Deze was verbonden met de beweging van de Bogomielen. Dit betekent letterlijk 'vrienden van God'. Het waren de 'ketters' van de Balkan. Ze werden bestreden door de Grieks-orthodoxe kerk en verjaagd naar Bosnië. Andere Bogomielen kwamen naar Italië en Zuid-Frankrijk, waar zij bekend werden als de Katharen.

Het Bogomielenzegel in de vorm van een verfraaid, Griekse kruis (10-15e eeuw, op de Balkan vanuit Bulgarije)

De vierkante Bogomielenbijbel Besica met daarop een zonnewiel
Daarnaast een versierd Grieks kruis
Het woord Kathaar (Grieks: katharsis) betekent 'zuiver' en de hiermee verbonden reiniging van de ziel stond in het middelpunt van de Bogomielenleer.
Hun school bestond uit drie groepen: a) de belangstellenden, b) de gelovigen, die met elkaar de gemeenten vormden en c) de ingewijden, die de gemeenten leidden en als predikers en genezers rondreisden.
Deze mannelijke en vrouwelijke ingewijden werden de 'goede Christenen' genoemd. Zij doopten de gelovigen met water en met vuur (met de Heilige Geest). Zij leidden een apostolisch leven van armoede en zetten zich in voor de verwezenlijking van het christendom in het dagelijkse leven.
Als grondlegger van de Bogomielen-beweging wordt wel Boyan genoemd, de jongste zoon van de Bulgaarse tsaar Simeon. Grote delen van de Bulgaarse bevolking sloten zich bij deze beweging aan.
Het was een persoonlijke, mystieke weg naar hereniging met God en werd daarom later door de inquisitie (religieuze politie) monddood gemaakt.

Het zesspakige zonnewiel werd omgevormd tot het Christus-monogram met de letters Χ (chi) en P (rho), de eerste en tweede letter van de naam Christos (Χριστός)

Op de speld links onder is het zesspakige Christusmonogram samengevoegd met de zon in een vierspakig zonnewiel. Het zesspakige wiel verwees naar het gekantelde vierkant.


Bet Giyorgis kerk in Ethiopië
Bet Giyorgis: Sint Georgius ± 1200 n.Chr.; monoliet, 15 m hoog, ook binnen in de vorm van een kruis.
Er zijn er 11, dit is de laatste en grootste. De kerken zijn door de gelovigen in het zachte, vulkanische gesteente uitgehakt.


Munten met Christusmonogram, kruizen en zonnewiel

Fibula (mantelspeld) uit Dorestad, ± 8e eeuw,
nu Wijk bij Duurstede

Bourgondisch edelsmeedwerk met gedraaid, Grieks kruis

Grieks kruis in de grafkelder onder de vroegere Westmonster- of Sint Martinuskerk op de Markt in Middelburg, die daar van de 10e tot de 15e eeuw heeft gestaan.

Inwijdingstegels in de vorm van een Grieks kruis, die nog heden ten dage in de muur van een kerk worden ingemetseld.
Links boven die uit de kapel van de St Willibrordabdij, Slangenburg (Doetinchem, 1955)

Een Germaans zonnewiel onder een Grieks kruis op een boerderij in Weerselo, Twenthe en een tuugkist (kledingkist) met zesspakige zonnewielen, begin 20e eeuw.

Ingemetselde zonnetekens in kerkmuren en op daken




Achtspakig zonnewiel in het dak van het kerkje van Oostum

Zonnewielen in de muren van het kerkje van Ochtezeele en de Majellakerk in Bussum

Op de toren van de St. Joriskerk in de Hoofdstraat in Terborg, gebouwd rond 1900 twee gekantelde, vierkante, ingemetselde zonnewielen.

In alle ramen het zonnewiel, in de deuren het Christusmonogram.
Het hexagram herinnert ons aan Israël: grondslag van het christendom.
Er zijn in de St Joriskerk vier inwijdingskruizen in de muren gemetseld, twee in de ene en in de andere muur, zodanig, dat zij (vrijwel) een vierkant vormen.

terug naar de Inhoud

5. Tetraktys (vierheid, groep van vier, viereenheid)
Pythagoras werkte na zijn reis naar Egypte met de rekenkundige bewerking die 'samenstelling van getallen' wordt genoemd (of 'gereduceerde cijfersom' of 'transcendente rekenkunde'); daarmee kan de zinnebeeldige waarde van elk willekeurig getal in een getalswaarde tussen 1 en 9 worden uitgedrukt. Door die bewerking wordt bijvoorbeeld de 10 een 1 door de som 1+0=1; deze 10 is als nieuwe 1 het nieuwe beginpunt, de vernieuwde, herboren 1, maar nu in een toestand dat de aanleg van de eerste 1 door het verloop van de cijfers 1 t/m 9 volledig tot ontwikkeling is gekomen: 1+2+3+4+5+6+7+8+9+10=55, 5+5=10, 1+0=1.

Het beginpunt (1) heeft zich, na door alle mogelijke toestanden in de vorm van de getallen heen te zijn gegaan, alzijdig uitgewerkt tot de bol (10): volgens Plato de volmaakte meetkundige vorm (zie Pythagoras' getallenleer in het Menu). De punten op het oppervlak van de bol, dat zich uit het eerste punt, het middelpunt, heeft ontwikkeld, zijn alle gelijkwaardig. Daardoor is er op dat oppervlak geen beginpunt en geen eindpunt te vinden: zinnebeeld van de goddelijke, eeuwige oneindigheid... die ook in de mens is te vinden: ook de ontwikkelde, menselijke geest is bolvormig.

tetraktys
Het getal 10 is het heilige getal, het symbool van harmonie en volmaaktheid, waarin alle eigenschappen tot ontplooiing zijn gekomen, dat de pythagoreeërs de tetraktys (vierheid, viergroep) noemden. Het is de optelling van de vier eerste getallen: 1+2+3+4=10, terwijl 1+0=1, waardoor de 10 weer terugverwijst naar de 1 en daardoor naar het begin van een nieuwe kringloop, wat uitloopt op een eeuwige kringloop.

[Ook de som van de eerste zeven getallen leidt tot 10: 1+2+3+4+5+6+7=28, 2+8=10, 1+0=1]

1, 2, 3, en 4 zijn de getallen met de eenvoudigste meetkundige vormen: de vier grondvormen punt, lijn, driehoek en tetraëder - zij vormen volgens Pythagoras de tetraktys, de grondslag van alles in de kosmos (zie hiervoor onderwerp 9).
Het getal 1 is het goddelijke getal waar alles uit voortkomt. Het huwelijk is de verbintenis tussen 2, de vrouw en 3 de man. De 4 is het getal van de gerechtigheid doordat 4 is 2 x 2, dat is een rechthoek als vierkant. Alle zijden van het vierkant zijn gelijk, zijn 2 en daardoor is 4 als rechthoekigheid de rechtvaardigheid. De 4 verbeeldt de gelijkwaardigheid van man en vrouw binnen het huwelijk. Daardoor is het getal 10 de volmaaktheid, want 1+2+3+4=10.
Met de 10 punten is als meetkundige vorm de gelijkzijdige driehoek te vormen, de eerste volmaakte vorm in het platte vlak, met één punt, de 1, als de binnenkant in het midden en 9 punten, als de buitenkant daar omheen, de tetraktys: 1 plus 9 vormt 10 en vervolgens weer 1: het verbeeldt de eenheid (1) in verscheidenheid (9) en een zich eeuwig voortzettende beweging. Ook de 9 is net als 4 een getal dat gerechtigheid, evenwichtigheid verbeeldt, want 9 is 3 x 3.
Welke vorm de tetraktys had is onbekend; de pythagoreeërs hadden beloofd hierover te zwijgen.


Als er een man en een vrouw aanwezig zijn, dan is het natuurlijke beloop dat er een gezin wordt gevormd met zonen en dochters; ook zij vormen weer gezinnnen, enzovoort, waardoor er een eeuwige kringloop van geslachten ontstaat.

In de tetraktys is de 10 het doorgangspunt van omvorming, van terugkeer naar het begin, dat zonder ophouden doorgaat als een 'perpetuum mobile': een 'voortdurende beweging'. Daardoor was de 10 een heilig getal, wat in de omschrijving van de tetraktys tot uiting komt:

"Zegen ons, heilig getal, gij die de goden en mensen voortbrengt. O heilige, heilige tetraktys, gij die de wortel en de bron bent van de eeuwig voortvloeiende schepping. Want het heilige getal begint met de diepe zuivere eenheid, tot het komt bij de heilige vier; dan baart het de moeder van het al, de alomvattende, de alles begrenzende, de eerstgeborene, de nimmer dwalende, de nooit vermoeide heilige tien."

Klik hier voor een uitgebreide beschrijving van de betekenis van Pythagoras' tetraktys.
Klik hier voor een bespreking van de quaterniteit in Jungs boek Psychologie en Alchemie, die met de betekenis van Pythagoras' tetraktys overeenkomt.

terug naar de Inhoud

Het goddelijke gezin en de kubus
het goddelijke gezin:
zelfstandigheid én
gemeenschappelijkheid
De kleine kubus 1 (in de grote kubus) is de vader (de grondvlakken zijn niet getekend), kubus 2 is de moeder, kubus 3 de zoon en kubus 4 de dochter... het eerste paar heeft zichzelf vermenigvuldigd: het meest evenwichtige gezin.
Zij vormen samen een kring (1,2,3,4) met daarin een kruis (1-3, 2-4), zij staan zij aan zij en zijn gelijkvormig aan elkaar - zij vormen een hechte eenheid. Zij staan op dezelfde grondslag, zij zijn in dezelfde bodem - de algeest - geworteld, waar zij naadloos in overgaan.
Zij zijn gelijkvormig aan het geheel, de vier kleinere in één grote kubus als fractalen, die in het middelpunt (de 9) alle met elkaar zijn verboden.
Dit is de meetkundige weergave van het goddelijke gezin... een tweetal tweelinggeesten: vader en moeder, zoon (broeder) en dochter (zuster)!
Samen met de 4 punten aan de basis (5,6,7,8) zijn er 9 punten.
Dit verzinnebeeldt bij Pythagoras het goddelijke geheel en komt overeen met Jahweh, die in een kubus wilde wonen.

Deze weergave van de eenheid van het goddelijke gezin verwoordt Jezus tijdens het Laatste Avondmaal,
waarbij de grote kubus de Vader (de algeest) voorstelt, de kleine kubus Jezus en de mens:
Ik (de heilige geest) ben in de Vader (de algeest) en de Vader is in mij. (Joh. 14:11)
Vader, laat hen één zijn zoals wij, de Vader in mij, ik in de Vader en zij in ons. (Joh. 17:21)
Opdat zij één zijn zoals wij één zijn. (Joh. 17:22)

terug naar de Inhoud

6. De mandala

eenvoudigste mandala
Het Sanskriet woord 'mandala' betekent niet alleen kring of cirkel, maar ook het wezenlijke.
In filosofische zin heeft een mandala de betekenis van een gewijde cirkel. Het heeft namelijk als doel de aandacht te richten op de kern, het midden, het hart, het wezenlijke. Dat gebeurt vanzelf doordat de cirkel een middelpunt heeft, waarvan de betekenis wordt versterkt doordat de diagonalen van het vierkant dat in de cirkel is getekend, hun snijpunt op de plaats van het middelpunt van de cirkel hebben.

Het middelpunt trekt de aandacht, die uitgaat van de menselijke geest doordat die wordt aangezet als geestelijk vermogen het waarnemen te gebruiken in de vorm van het gerichte waarnemen, de aandacht. Het middelpunt zet daardoor de geest in werking, wat bevorderlijk is voor de zelfbezinning.

Het vierkant richt de aandacht op de viervoudigheid van de aarde:
de vier windrichtingen van de windroos Noord, Oost, Zuid en West;
de vier jaargetijden: lente, zomer, herfst en winter;
de vier dagdelen: ochtend, namiddag, avond en nacht;
de vier schijngestalten van de maan;
de vier complementaire kleuren: rood en groen, geel en blauw;
de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur;
de vier kwaliteiten: warm en koud, vochtig en droog.

De cirkel richt de aandacht op de oneindigheid van de schepping, doordat de cirkel geen begin heeft, noch een einde. De cirkel kan worden gezien als de uitzetting van het middelpunt, die tot in het oneindige kan doorgaan en daardoor alomvattend is. De cirkel verbeeldt daardoor God.
Door de aandacht op een mandala te richten, verbindt de menselijke geest (de stip) zich met God (de cirkel) en met Gods schepping (het vierkant).

terug naar de Inhoud

7. De kwadratuur van de cirkel

de kwadratuur
van de cirkel
Ook de kwadratuur van de cirkel hangt samen met de mandala en de viereenheid.
Om het oppervlak van een cirkel uit te kunnen rekenen, moet van een vierkant gebruik worden gemaakt volgens de formule πr², want het Latijnse 'quadratus' betekent vierkant.
Nu is het getal π een breuk waarvan de deling oneindig doorgaat; het is daardoor een transcendent, irrationeel 'getal', in feite een onbekend getal; het is een getal dat een benadering is, een 'ongeveer', het getal is zich niet voor te stellen, want de breuk eindigt nooit; terwijl de omtrek van het vierkant een geheel, natuurlijk getal is, gevormd door een natuurlijk, meetbaar getal met zichzelf te vermenigvuldigen.
Daarnaast heeft een cirkel geen einde of begin en is daardoor een zinnebeeld voor de oneindigheid, terwijl een vierkant met een passer of een meetlat is te vormen, waardoor de afmetingen daarvan bekend zijn; een vierkant behoort daardoor tot de aarde, de stoffelijke schepping, terwijl de cirkel uit de onzichtbare, geestelijke wereld afkomstig lijkt te zijn.

Voor Jung was de mandala een symbool van heelheid, volledigheid en volmaaktheid, en symboliseerde die 'het Zelf' [de geest]. De mandala is een combinatie van een magische cirkel met de quaterniteit, de 'vierheid' en 'viereenheid'. Mandala's worden gemaakt als kunstwerk en kunnen verschijnen in dromen en visioenen. Net zoals bij yoga het geval is, maakte Jung in zijn behandeling gebruik van de mandala als middel tot meditatie en actieve verbeelding (de geïnitieerde symboolprojectie).

terug naar de Inhoud

8. De viereenheid in geestkunde

Niet alleen God als de algeest, maar ook de menselijke geest die door liefdevolle verdichting uit de algeest is voortgekomen, wordt door viereenheid gekenmerkt. Dat is wat ik mocht ervaren tijdens de hereniging daarmee.
Tijdens die hereniging ervoer ik eerst een diepe rust als een 'aanwezigheid', die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van haar rust; een rust die zich aan mij voordeed als een aangename, donkere koelte. Daarna kwam er uit die rust een beweging voort ook als een 'aanwezigheid', die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van zijn beweging; deze beweging deed zich aan mij voor als een koesterende, lichtende warmte.

De vereniging
Nadat zij als twee zelfstandigheden te voorschijn waren gekomen, verenigden zij zich weer. Daarbij doordrong de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte, die zich liet doordringen; zij werkten samen en verenigden zich opnieuw tot een eenheid, maar nu nam op zijn beurt de lichtende warmte de donkere koelte geheel in zich op en vormde er een eenheid mee, waarbij zij elkaar temperden; de oorspronkelijke toestand van eenheid was daardoor omgekeerd en ik ervoer hun eenheidstoestand als een 'verwarmende koelte'!
De beweging en zijn lichtende warmte overstraalde nu het al, terwijl de rust en haar donkere koelte in liefde in hem was opgegaan... en ik keek nu in een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, die zich uitstrekte in de eeuwige oneindigheid: de geestestoestand van God als de algeest.

Tijdens hun vereniging ervoer ik dat ik als menselijke geest door verdichting als een bolvormige wolk van licht uit hun vereniging voortkwam: een lichtende wolk, die daarna met liefde door warmte uit de algeest werd doorstroomd... en zo tot leven kwam; terwijl, zoals ook bij de algeest, de donkere koelte in die wolk van lichtende warmte verborgen is en er een eenheid mee vormt. Ik zag mijzelf als menselijke geest ten slotte als een brandpunt van licht en warmte uit en in een zee van datzelfde geestelijke licht en diezelfde geestelijke warmte.
Aan mij was de voortkomst van mijzelf als menselijke geest door verdichting uit de algeest getoond. Deze geestelijke ervaring had in mij een grote vreugde tot gevolg, die met niets in dit tijdelijke bestaan is te vergelijken.

De geest als bewuste kracht
Tijdens de hereniging heb ik, zoals gezegd, mogen ervaren dat de menselijke geest zich in de geestelijke wereld voordoet als die bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarin de donkere koelte tot een eenheid was opgegaan. Met dat licht hangt het bewustzijn samen en met die warmte de geestkracht, waardoor de geest in wezen een bewuste kracht is; de geest is de levenskracht, die bewust is.
In je óórsprong doet die bewuste kracht zich voor als die alomtegenwoordige, oneindige zee van dat geestelijke licht en die geestelijke warmte, wat de eeuwige en oneindige algeest is; terwijl je jezelf als geest - als die bewuste kracht - ervaart als die bolvormige wolk van datzelfde licht en diezelfde warmte, uit en in die oneindige zee.
Tijdens de hereniging met de algeest ervaar je ook, dat zowel het geestelijke licht alsook de geestelijke warmte zich in twee, tegenovergestelde toestanden kunnen bevinden, namelijk:
- in de vrouwelijke, ontvankelijke toestand, die samenhangt met de doordringbare donkere koelte
- en in de mannelijke, doordringende toestand, die samenhangt met het doordringende licht en de doordringende warmte.
In de vrouwelijke, ontvankelijke toestand van de geest zijn het licht en de warmte van buitenaf vórmbaar; in de mannelijke, doordringende toestand, zijn het licht en de warmte van binnenuit zélfvormend werkzaam.
Die vormbaarheid bestaat hieruit, dat er zich in jezelf als die lichtende bol wervelende stromingen van licht voordoen. Daardoor kunnen er zich in jezelf als die bol ook weer verdichtingen en verdunningen van licht voordoen, waardoor bepaalde plaatsen in het licht helderder kunnen zijn dan andere. Daardoor kunnen er in het licht dat je bent lichtbeelden worden gevormd, wat zowel van buitenaf als van binnenuit kan gebeuren: ervaringsbeelden en denkbeelden.

De vier geestelijke vermogens
Met die vórmbare en zélfvormende eigenschappen van het licht en de warmte hangen je geestelijke vermogens samen: het vermogen waar te nemen, te denken, te voelen en te willen.
Al waarnemend breng je jezelf als geest in een toestand dat je licht - in jezelf als die bolvormige wolk - van buitenaf vórmbaar is tot een innerlijk ervaringsbeeld;
al denkend breng je jezelf als geest in een toestand dat je je licht van binnenuit zélf vormt tot een denkbeeld;
al voelend breng je jezelf in een toestand dat je warmte van buitenaf vórmbaar is tot een gevoel;
en al willend breng je jezelf in een toestand dat je je warmte van binnenuit - door verdichting - zélf vormt tot wilskracht.
Het waarnemen en voelen zijn de vrouwelijke, ontvankelijke vermogens van de geest, het denken en willen de mannelijke, zelfvormende vermogens; alle vier vermogens zijn voor het innerlijke, geestelijke evenwicht gelijkwaardig en onmisbaar.



De persoooonlijkheid
Deze vermogens zijn ook de eigenschappen van wat we de persoonlijkheid noemen, de persoonlijkheid als: het geheel van kenmerken van de persoon.
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de 'persoon' en de 'persoonlijkheid'. De persoonlijkheid is het 'geheel van eigenschappen' van die persoon; de persoonlijkheid is de kenmerkende wijze, waarop een persoon zich gedraagt.
Die persoon is de menselijke geest. Het enige wat je als geest kunt en waardoor je kunt worden gekenmerkt, is, dat je kunt waarnemen, denken, voelen en willen, op jezelf of op de ander gericht, ingekeerd of uitgekeerd. Doordat je in wezen een bol bent, kun je de werkzaamheid van je vier vermogens naar buiten richten, naar de wereld om je heen of naar binnen, naar jezelf in je eigen binnenwereld.
De persoonlijkheid wordt daardoor bepaald door de kenmerkende wijze waarop je je geestelijke vermogens gebruikt: de wijze waarop je de gebeurtenissen waarneemt (1), ze in jezelf door te denken en te voelen verwerkt (2) en je, als gevolg daarvan, op een bepaalde, kenmerkende, persoonlijke manier, naar buiten toe wilt gaan gedragen (3) en zo inwerkt op de omgeving (4). In dat gedrag, in jouw persoonlijke wijze van doen, komt de mate van bewuste beheersing van de vermogens tot uitdrukking. De bewuste beheersing van je vermogens is daarmee een maatstaf voor de beoordeling van je persoonlijkheid.

terug naar de Inhoud

9. Levensvormen en de viereenheid

Alle levensvormen op aarde worden door zeven eigenschappen, zeven levensverrichtingen gekenmerkt:
(1) zij moeten worden gevoed, waarna er (2) een stofwisseling plaatsvindt en vervolgens (3) een uitscheiding, met (4) groei als gevolg; om dit te kunnen bereiken, moeten ze kunnen waarnemen (5) en handelen (6), en moeten ze er tenslotte voor zorgen dat (7) de soort door voortplanting in stand blijft.
Voor het uitvoeren van deze levensverrichtingen worden zij in staat gesteld door de biochemie, die in feite een koolstofchemie is met het element koolstof als kern: alle biochemische moleculen zijn opgebouwd rondom een koolstofkern of een koolstofketen. Daaraan zijn een aantal andere, voor levensvormen onmisbare elementen verbonden zoals waterstof, zuurstof, stikstof, fosfor en zwavel.

De elektronen van alle elementen bevinden zich in z.g.n. 'orbitalen', ruimtes om de atoomkern heen waarin de elektronen zich bewegen, maar op een zodanige wijze, dat zij a.h.w. in hun ruimte op wolkvormige wijze zijn 'uitgesmeerd'.
Als zij niet chemisch zijn gebonden aan andere atomen, zien de orbitalen van genoemde elementen eruit zoals links op de afbeelding, maar is er sprake van een chemische binding, dan vloeien de s- en de p-orbitalen zo samen, als rechts is afgebeeld. Hun orbitalen nemen in een chemische binding de vorm aan van een viervlak, een tetraëder.



De tetraëder is de ruimtelijke vorm van de elektronenwolken van het koolstof-, zuurstof-, stikstof-, fosfor- en zwavelatoom in organische verbindingen, een zgn. kwantumfysische 'sp3-hybride'. Deze vorm is de bouwsteen van de gehele koolstofchemie of organische chemie, en daarmee van alle levensvormen op aarde.

Het watermolecuul H2O
De tetraëder is ook de ruimtelijke vorm van het watermolecuul, waarin de elektronenwolken van zuurstof (O) eveneens een zgn. 'sp3-hybride' vormen met twee waterstofatomen.
Water is onontbeerlijk voor de opbouw en instandhouding van alle levensvormen op aarde. Alle biochemische reacties spelen zich af in water als het noodzakelijke medium ervoor.
De tetraëder als een viereenheid en als Pythagoras' tetraktys, vormt de grondslag van alle levensvormen en van al hun levensverrichtingen.

Het Siliciumatoom
Het element Silicium is de bouwsteen van zeer veel gesteenten, van rotsen, het grind en zand van de aarde. Ook dit element is in zijn chemische binding een tetraëder. Dat betekent dat de aarde en de zeeën, en alle levensvormen die zich daarop en daarin bewegen, zijn opgebouwd uit tetraëders, waarmee de viereenheid en Pythagoras' tetraktys samenhangen.

terug naar de Inhoud

10. De geestgedaante en de viereenheid

Door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens, straalt de geest een vormbare krachtruimte (aura) om zich heen uit: de ziel. Ieder vermogen heeft een eigen uitstraling, waarin de voortbrengselen van dat vermogen worden bewaard, bijvoorbeeld kennis in de uitstraling van het waarnemen, gedachten in de uitstraling van het denken, kleuren in de uitstraling van het voelen, wilsbesluiten in de uitstraling van het willen.
De ziel bestaat uit zeven uitstralingen: vier van het waarnemen, denken, voelen en willen; twee van het vermogen de richting van hun werkzaamheid naar binnen of naar buiten te keren, en één uitstraling van de geest als geheel, nodig om de werkzaamheid van de overige zes tot een eenheid te maken en te houden.
In de loop van de onafzienbare tijden dat de menselijke geest al aan zijn geestelijke ontwikkeling werkt, heeft de geest steeds meer een bewust en beheerst, zelfstandig gebruik leren maken van de eigen vermogens, wat ook het doel is van die ontwikkeling. Daardoor hebben ook de eigenschappen van de vermogens ingewerkt op de uitstraling van de geest en hebben tot nu toe aan een aantal van die uitstralingen een vorm gegeven: de geestgedaante. Een deel van de ziel is gevormd als de geestgedaante, een ander deel is nog min of meer eivormig.

De eigenschappen van het waarnemen - het opnemen van indrukken - hebben vorm gegeven aan het hoofd;
de eigenschappen van het denken - ontleden en samenvoegen - hebben vorm gegeven aan de organen van de buik;
de eigenschappen van het voelen - liefhebben en verzorgen - hebben vorm gegeven aan hart en bloedsomloop;
de eigenschappen van het willen - ondernemen en handelen - hebben vorm gegeven aan de skeletspieren en de ledematen;
de eigenschappen van de in- en uitgekeerde instelling hebben vorm gegeven aan de in- en uitademende longen;
de eigenschappen van de geest als geheel hebben vorm gegeven aan het skelet, de hersenen en het daarmee verbonden zenuw- en hormoonstelsel, waardoor het lichaam een geheel is en blijft.

De menselijke geestgedaante is de onmiddellijke uitdrukking van de eigenschappen van de geest en de geestelijke vermogens. Het is de meest verheven vorm; ook God verschijnt als heilige geest in de vorm van de geestgedaante voor het geestesoog van de mens.
In de stoffelijke wereld is het de geestgedaante die vorm geeft aan het lichaam, die de stof vasthoudt die door de mond naar binnen wordt gebracht, waardoor de geestgedaante in de stoffelijke wereld als het lichaam verschijnt. Voor de geest is dit lichaam het tijdelijke voertuig, waarmee in de stoffelijke wereld bewegingen kunnen worden gemaakt en waarmee kan worden gesproken, gehandeld en ervaringen worden opgedaan.


terug naar de Inleiding

terug naar het weblog







^